In de publicatie Lessen uit crises en mini-crises 2013 (publicatie oktober 2014), wordt van elk van 18 kleine en grotere crises die speelden in 2013 een korte beschrijving gegeven, waarna een of meerdere dilemma’s aan de orde komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de rol van procedures, het omgaan met maatschappelijke onrust, de beeldvorming in de media en ook de rol van de sociale media.  Het gaat er hierin vooral om cruciale dilemma’s in kaart te brengen en antwoord te geven op de vraag waarom zaken gaan zoals ze gaan. Niet oordelen, maar verklaren en inzichtelijk maken, is de leidraad. De publicatie, een vervolg op de editie van 2012, is een initiatief van het lectoraat Crisisbeheersing van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) en de Politieacademie

De vermissing van de broertjes Ruben en Julian

Wouter Jong, Michel Dückers, Jorien Holsappel 8.1 Inleiding Op dinsdagochtend 7 mei 2013 wordt in het recreatiegebied het Doornse Gat het lichaam van een 38-jarige man uit Vleuten aangetroffen. Het blijkt de vader te zijn van de 9-jarige Ruben en de 7-jarige Julian uit Zeist. De jongens zijn een dag eerder voor het laatst gezien in gezelschap van hun vader. Hun ouders zijn gescheiden. Omdat elk spoor van de kinderen ontbreekt, roept de moeder via haar Facebookpagina de hulp in van het publiek. Wat volgt is een zoektocht van bijna twee weken die de gemoederen landelijk, en zelfs in het buitenland, flink bezighoudt. In dit hoofdstuk staat zowel de zoektocht naar de verdwenen jongens als de nasleep centraal. Het mysterie rondom de vermissing, de bezorgdheid over het lot van de kinderen en de uiteindelijke, trieste ontknoping maken de casus tot een drama voor alle direct betrokkenen. Dat dit drama daarnaast een buitengewoon sterke collectieve dimensie kreeg, plaatste het openbaar bestuur verschillende momenten voor afwegingen tussen individuele en collectieve belangen, tussen betrokkenheid en veiligheid. Op deze afwegingen wordt in dit hoofdstuk uitvoerig ingegaan. Het hoofdstuk is gebaseerd op gesprekken met enkele politiefunctionarissen en informatie uit diverse media. 8.2 Feitenrelaas Het is dinsdagavond 7 mei 2013 wanneer de moeder van Ruben en Julian op haar Facebookpagina foto’s plaatst van haar zoontjes. iris_ruben_julian_zeist_doorn_vermist_broers Ze schrijft: ‘Alsjeblieft, wil iedereen uitkijken naar mijn kleine mannetjes, ze worden sinds gisterochtend vermist.’ Het is voor de buitenwereld het eerste signaal dat er iets bijzonders aan de hand is. Twee jongens van 7 en 9 jaar die al bijna twee hele dagen worden vermist, is nieuws dat de aandacht trekt. Die avond en de daarop volgende nacht wordt het Facebookbericht 17.000 keer gedeeld. Ook op Twitter vindt het bericht alras zijn weg. In de loop van dinsdagavond wordt ook de context van de vermissing duidelijk. De vader van Ruben en Julian is ’s ochtends dood aangetroffen in het Doornse Gat, een recreatiegebied halverwege Doorn en Leersum. Hij blijkt zichzelf van het leven te hebben beroofd. Als de politie in de loop van de dag de nabestaanden informeert, wordt duidelijk dat de kinderen hun vakantie bij hem zouden doorbrengen. Van de kinderen ontbreekt op dat moment elk spoor. In het bos vindt een grote zoekactie plaats, met honden, politiehelikopter en bijstand van mariniers van de in Doorn gelegen Van Braam Houckgeestkazerne. Om 01.13 uur ’s nachts wordt een Amber Alert uitgegeven, waarin wordt opgeroepen naar de jongens uit te kijken. In de dagen die volgen blijft de politie zoeken naar informatie over waar de vader van Ruben en Julian de laatste uren met zijn zoons is geweest. Op woensdag 8 mei blijkt uit camerabeelden van een tankstation bij het Limburgse Neerbeek dat de vader daar maandagavond nog heeft getankt. Op de beelden is niet te zien of de jongens op dat moment in de auto zaten. Voor het onderzoek is het een complicerende factor, omdat hiermee in principe het hele gebied tussen het Doornse Gat en het 180 kilometer verderop gelegen Neerbeek potentieel zoekgebied is. De politie start die avond een zoekactie in het Bunderbos nabij Elsloo, maar ook daar wordt geen spoor van de kinderen gevonden. twitter Ondertussen gebeurt tevens het nodige online. Nadat bekend is geworden dat twee jongens worden vermist, helpen diverse mensen om de zaak onder de aandacht te brengen. Een van hen is Hans Huizinga, een betrokken burger die via het twitteraccount @JulianRubenNL informatie verzamelt en filtert. De familie van de broertjes is door hem over zijn initiatief geïnformeerd. Uiteindelijk groeit zijn initiatief uit tot een team van elf personen dat de klok rond online de informatievoorziening over de vermissing ter harte neemt. Ook beheren zij een Facebookpagina en worden als spin-off Duitse en Belgische twitteraccounts aangemaakt.

De reguliere media storten zich mede naar aanleiding van het Amber Alert eveneens op de vermissingszaak. De directeur van de basisschool van de broertjes staat de media na de meivakantie te woord en laat weten dat de school probeert om de lessen zo gewoon mogelijk door te laten gaan. Ook Jeugdzorg wordt bevraagd. Die bevestigt dat het gebroken gezin bij de instantie bekend was, maar wil verder niet inhoudelijk op de zaak ingaan.

Op donderdag 9 mei verschijnt op Facebook voor het eerst een oproep van een inwoner uit Utrecht om te helpen zoeken in het Doornse Gat. Om acht uur ’s avonds melden zich daar tientallen mensen. Zij worden begeleid door de politie en een boswachter die het gebied goed kent. De ‘burgerzoektochten’ nemen in de dagen daarop een hoge vlucht. Her en der ontstaan groepen burgers die tips natrekken en in de bossen op zoek gaan naar sporen die de zaak tot een oplossing kunnen brengen.

Vermissing-Ruben-en-Julian

In sommige gevallen melden zich zo’n honderd mensen die – soms met kinderen – de bossen in trekken. De politie speelt hier in eerste instantie ad hoc op in, maar onderkent al snel de noodzaak om de initiatieven te kanaliseren. Met onder meer de hulp van medewerkers die zijn aangesloten bij de Landelijke Organisatie van Politie Vrijwilligers worden de burgers begeleid en wordt bepaald welke zoekgebieden voor hen worden opengesteld.

Het programma Opsporing Verzocht besteedt op dinsdag 14 mei aandacht aan de zaak. Enkele dagen later, aan het begin van het Pinksterweekend, laat de politie weten dat het totaal aantal tips in
de zaak op bijna 3000 staat. De doorbraak in het onderzoek komt op Eerste Pinksterdag, zondag 19 mei 2013. Om 17.15 uur maakt de politie bekend dat een voorbijganger in het buitengebied van het Utrechtse dorp Cothen (gemeente Wijk bij Duurstede) twee lichamen heeft aangetroffen. Ook zijn daar de spanbanden aangetroffen waar de politie naar op zoek was. Het versterkt het vermoeden dat het om de twee vermiste jongens gaat. Alle wegen richting de plaats delict en een deel van het nabijgelegen Amsterdam-Rijnkanaal worden afgezet. ’s Avonds om 23.00 uur vindt op het hoofdbureau van de politie in Utrecht een persconferentie plaats.

Persconferentie over de gevonden lichaampjes van Ruben en Julian:

Burgemeester Janssen, hoofdofficier van justitie Bac en korpschef Barendse bevestigen het nieuws waar heel Nederland op dat moment al ernstig rekening mee houdt: de lichamen zijn naar alle waarschijnlijkheid van de vermiste broertjes. Er kan op dat moment echter nog geen definitief uitsluitsel worden gegeven, omdat de lichamen lange tijd in het water hebben gelegen. Een nadere analyse op basis van DNA door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zal moeten uitwijzen of het inderdaad om de broertjes gaat.

Tijdens de persconferentie betuigt vervolgens burgemeester Janssen zijn medeleven met de familie van de vermiste jongens en dankt, mede namens de familie, iedereen die heeft meegewerkt aan
de zoektocht. Ook bedankt hij de media voor de manier waarop zij over de vermissing hebben bericht. Tot slot kondigt hij aan dat de gemeente zich met maatschappelijke organisaties zal buigen over de manier waarop de verwerking de komende dagen zal worden vormgegeven.

De volgende dag, maandag 20 mei, opent in Zeist de St. Jozefkerk haar deuren voor gebed en bezinning. In Cothen wordt een minuut stilte gehouden bij de Trekkertrek, die traditioneel op Tweede Pinksterdag plaatsvindt. Op dinsdag 21 mei komt de politie met de bevestiging dat de lichamen volgens het NFI inderdaad die van Ruben en Julian zijn. In de gemeentehuizen van Zeist en Wijk bij Duurstede worden condoleanceregisters geopend; ook online verschijnen condoleanceregisters.

De moeder van de overleden broertjes ontvangt persoonlijke brieven van koning Willem-Alexander, premier Rutte, de commissaris van de Koning en enkele ministers. De gemeente Zeist overlegt met haar, de school, de voetbalclub en andere betrokkenen over de wijze van herdenken. Uiteindelijk wordt besloten geen stille tocht te organiseren, maar voor een alternatief te kiezen. De nabestaanden doen een oproep om zondagavond tussen 19.00 en 20.00 uur een kaarsje aan te steken en thuis voor het raam te zetten.

Op 27 mei 2013 vindt in Zeist de begrafenis plaats van Ruben en Julian. De stoet gaat langs de school, waar kinderen een afscheidsgroet geven met rode en blauwe lintjes, de lievelingskleuren van Ruben en Julian. In een legervoertuig worden de lichamen overgebracht naar de begraafplaats in Zeist. De begrafenis vindt vervolgens in besloten kring plaats.

8.3 Dilemma

In Nederland vinden met enige regelmaat gezinsdrama’s plaats. Het zijn tragische geschiedenissen die afbreuk doen aan ons beeld van het gezin als veilige omgeving. In de meeste gevallen zijn dergelijke incidenten slechts kort in het nieuws en blijft de impact beperkt tot de naaste omgeving. In het geval van de moord op Ruben en Julian was dat anders. Door de lange periode van vermissing, de vele vraagtekens rond hun verdwijning en de grote media-aandacht toonde Nederland een ongekende betrokkenheid. De ‘explosie’ op Facebook en Twitter was een uiting van medeleven, die vervolgens tot concrete acties leidde. Burgers mobiliseerden zich en startten her en der zoekacties. Het plaatste gemeente en hulpdiensten voor nieuwe uitdagingen. Want enerzijds kon de politie baat hebben bij de hulp van het publiek, anderzijds zouden ongecoördineerde zoektochten het opsporingsonderzoek juist kunnen verstoren en zelfs schaden. Daarnaast is er de fundamentele vraag over wederkerigheid, die vaker gesteld kan worden ten aanzien van burgerparticipatie, en in de nasleep van deze gebeurtenis kwam nog een ander dilemma naar voren. De balans tussen de belangen van de directe nabestaanden en de collectieve vormen van rouw elders in het land. Ook hier gaan we in de analyse nader op in.

image-3815632

4 Analyse

4.1 Online en offline impact

De publieke betrokkenheid was groot vanaf het moment dat de moeder van Ruben en Julian haar oproep via Facebook de wereld in stuurde. De attentiewaarde bleef gedurende de hele vermissing hoog; vanaf het eerste bericht tot en met het nieuws over de vondst van de lichamen in Cothen. Dat het nieuws van de vermissing verder ging dan de reguliere kring van nabije vrienden en dorpsgenoten is drieledig te verklaren. Het nieuws was mediageniek, de vermissing hield lang aan en het raakte, in potentie, een groot deel van het land.

Allereerst de mediagenieke elementen. De raadselachtige verdwijning van twee jonge kinderen waarvan de vader zichzelf van het leven had beroofd, vormde van meet af aan een voedingsbodem
voor speculatie.

Daarbij speelde mee dat verdwijningen van kinderen tot de verbeelding spreken. Denk aan de media-impact van de vermissingen van Lusanne van der Gun uit Oldeberkoop (2003), Milly Boele uit Dordrecht (2010) en Anass uit Wassenaar (2013). Daarnaast zullen velen zich hebben herkend in de aanleiding van het verhaal: twee ouders die met elkaar in scheiding liggen en ruzie maken over
het lot van de kinderen. In combinatie met de radeloosheid die uit het eerste Facebookbericht van de moeder sprak, vormde dat een ‘ergst denkbare nachtmerrie’.

Als tweede element speelde mee dat de vermissing wekenlang aanhield, waardoor het raadsel eerder groter dan kleiner werd. Sporen liepen dood. De tijdslijn van de route die de vader die bewuste nacht had afgelegd, bevatte gaten. Het werd een puzzel die onopgelost bleef. Het bevatte ingrediënten die doen denken aan de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn in 1988 of, meer recent, de vermissing van het toestel van Malaysia Airlines in 2014. In de huidige casus versterkte de lange duur van de raadselachtige verdwijning de mediagenieke kant. Geen andere verdwijning op Nederlandse bodem heeft recent geleid tot een vergelijkbare onrust. Tot slot speelde mee dat het zoekgebied zich over een groot deel van het land uitstrekte. Alles tussen het Doornse Gat en Neerbeek werd potentieel zoekgebied. Daarmee kwam de casus voor veel mensen letterlijk ‘heel dichtbij’. Want mogelijk was de vader langs hun huis gereden of waren de kinderen onderweg in hun dorp begraven. Het voedde als het ware op grote schaal een gevoel van betrokkenheid.

Amber Alert

Op de avond van het Facebookbericht was er online de nodige aandacht voor de vermissing, mede vanwege het mediagenieke karakter van het nieuws: het was een ‘bijzonder verhaal’. Alle scenario’s stonden die avond nog open; onbekend was welk strafbaar feit achter de vermissing schuilging. De kinderen konden op een onbekende locatie zijn ondergebracht, maar ook zijn omgebracht. Het nachtelijke Amber Alert bracht de vermissing breder onder de aandacht. Het zorgde ervoor dat de reguliere media de vermissing de volgende ochtend in de journaals meenamen. Daarmee werden ook de mensen bereikt die niet op sociale media actief zijn of het nieuws de avond ervoor hadden gemist. Volgens de inzetcriteria is een Amber Alert gewenst als wordt gevreesd voor het leven van of voor ernstig letsel bij de vermiste minderjarige(n). Voor een Amber Alert is toestemming nodig van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger van de vermiste minderjarige(n). In deze casus werd aan beide criteria voldaan (zie de criteria van Amber Alert). Alles werd uit de kast gehaald om de broertjes te vinden, al leert de ervaring dat een Amber Alert de grootste toegevoegde waarde heeft in een periode tot enkele uren na de vermissing. Die eerste uren waren in deze casus reeds verstreken, omdat pas aan het einde van de middag duidelijk werd dat de twee jongens aan de
zorg van hun vader waren toevertrouwd ten tijde van zijn zelfmoord en sinds het aantreffen van zijn lichaam al bijna 18 uur verstreken waren toen het Amber Alert uitging. Mogelijk viel er op dat moment weinig meer van te verwachten. In een eigen evaluatie gaf de politie aan dat toch is besloten het Amber Alert uit te geven, omdat voor het leven van de jongens werd gevreesd.

4.2 Burgerzoektochten

Mobilisatiekracht van het volk

Al op dinsdagavond 7 mei dienden de eerste burgers zich aan bij het Doornse Gat om daar te helpen zoeken naar de twee vermiste broertjes. Deze zoektochten namen in de dagen en weken erna een hoge vlucht. Via de online media werden zoektochten georganiseerd, die her en der honderden mensen op de been brachten om bospercelen uit te kammen. Soms gingen hele gezinnen het bos in om te helpen zoeken. Dergelijke burgerhulp bij vermissingen was geen nieuw fenomeen. Zo leidde een vermissingszaak van de 10-jarige Michael uit Luttelgeest in februari 2012 nog tot een grote zoekactie in en rond het dorp. Toen bleef de zoektocht echter beperkt tot de dorpsbewoners. Een paar maanden later startten vrienden van de vermiste Gino van Montfort uit Goirle een zoektocht rond Beringe. In beide gevallen waren de zoektochten van korte duur, omdat de lichamen na een aantal dagen werden gevonden, nabij de plek waar zij voor het laatst waren gezien.

In dit geval was de massaliteit waarmee werd gezocht een onderscheidende factor ten opzichte van eerdere zoekacties. Het potentiële zoekgebied was ook groter dan bij voorgaande vermissingen en daardoor konden burgers op meerdere plekken in het land hun hulp aanbieden.

Voor sommigen werd het zelfs een bijzondere besteding van de meivakantie (wat niets afdoet aan de oprechtheid waarmee werd gezocht). Wanda van den Bovenkamp – een vriendin van de moeder – was een van de initiatiefneemsters die via haar Facebookpagina voor de Utrechtse Heuvelrug op de eerste avond een impulsieve oproep deed om te komen helpen. Er kwamen zestig mensen op af. In Nieuwe Revu (‘Mijn bos is mijn bos niet meer’, 21 mei 2013) vertelde zij erover:

‘Ik kwam er meteen achter dat het allemaal niet zo makkelijk is. Er stond een mediacircus voor mijn neus. Ik moet met dingen rekening houden waar ik nooit aan had gedacht. Wild dat wordt opgejaagd, allerlei privépercelen in het bos, de techniek van het uitlijnen, boswachters die niet zo blij zijn (red.: het ging hier om een rookverbod in het bos en de tijdsblokken waarin gezocht mocht worden). Het ging met vallen en opstaan.’

Het perspectief van de politie

De burgerzoektochten wierpen bij de autoriteiten nieuwe vragen op: Hoe kunnen de goede intenties van burgers worden gekanaliseerd als zij en masse op meerdere locaties willen helpen? De politie zocht naar een passend antwoord. Het was niet dat bij voorbaat afwijzend op de zoekacties werd gereageerd, maar voor de politie waren de forensische afwegingen leidend. Waar het publiek mogelijk denkt ‘baat het niet, dan schaadt het niet’, gelden er vanuit forensisch belang andere afwegingen. Wat in dat opzicht schadelijk is, is voor het publiek niet altijd evident. Om een situatie volgens de forensische normen af te handelen, wordt bij voorkeur eerst de eigen mobiele eenheid (ME) ingezet. De ME heeft voldoende capaciteit om percelen te doorzoeken, is ervoor
opgeleid en weet wat te doen als er mogelijke sporen worden aangetroffen. Ook kunnen – zoals ook is gebeurd – gespecialiseerde eenheden van Defensie worden ingezet. Daarnaast zijn er bij een zoekstrategie soms operationele afwegingen die de politie niet altijd met het publiek zal willen delen. Mogelijk is er sprake van een medeverdachte of zijn andere scenario’s denkbaar en komen grote zoekacties van burgers op een bepaalde plek of tijd slecht uit. De inzet van lijkenhonden is bijvoorbeeld pas optimaal als het ontbindingsproces op gang is gekomen. Het is onkies om dergelijke informatie tijdens een grootscheepse zoektocht te delen, terwijl de afwegingen om dit type speurhonden direct na een vermissing in te zetten, legitiem kunnen zijn. Tot slot spelen soms ethische aspecten mee. In dit geval was het twijfelachtig of mensen beseften wat zij mogelijk zouden kunnen aantreffen. Maar in hoeverre moeten mensen op de eventuele consequenties van hun zoektocht worden geattendeerd? De boodschap dat men zich moest realiseren dat meezoekende kinderen stoffelijk overschotten zouden kunnen aantreffen, kon betuttelend overkomen, terwijl de deelnemers aan de zoekacties – zeker in het begin – lang niet altijd leken te beseffen dat hier een gerede kans toe bestond. Ouders met kinderen maakten er een alternatief ‘dagje uit’ van.

Samenwerking tussen burger en politie

Voor de politie was het duidelijk dat de spontaan aangeboden hulp ‘niet te stoppen’ was. Het negeren van de burgerhulp zou bij het publiek niet in goede aarde vallen, ook al had de politie zijn eigen afwegingen om er terughoudend mee om te gaan. Er werd gezocht naar een middenweg, waarin de publieke acties werden begeleid door ervaren politieagenten die enige structuur aanbrachten in de zoekacties. Hierin was een belangrijke rol weggelegd voor de politievrijwilligers. Maar net als voor de burgers was het ook voor de politie een proces van vallen en opstaan.
Zo zijn de politievrijwilligers soms zonder stafkaarten met grote groepen mensen op pad gestuurd, in gebieden waarvan later bleek dat die eerder al door de ME en mariniers waren doorzocht. In de teams kregen politievrijwilligers te maken met zoekers van allerlei pluimage; van ervaren Afghanistanveteranen tot huisvrouwen en studenten. Ze structureerden de zoekacties door vooraf een briefing te geven, waarin zij uitleg gaven hoe het zoeken in zijn werk zou gaan. Ook werd afgesproken om tijdens het zoeken geen foto’s op sociale media te plaatsen, om te voorkomen dat de moeder en familieleden van Ruben en Julian eventueel via de sociale media nieuws zouden vernemen.

Na een wat rommelige start kwam er gaandeweg meer structuur in de samenwerking tussen burgers en politie. De initiatiefnemers stemden zoekacties af met de politie, om te voorkomen dat het rechercheonderzoek in de wielen werd gereden. Er is ook nadrukkelijk ontmoedigd om op eigen houtje te gaan zoeken. Het twitteraccount en de Facebookpagina van @JulianRubenNL speelden hierbij een steeds grotere coördinerende rol. De kracht van de burger deed daarmee online en offline zijn werk; de offline burgerhulp werd door medeburgers via sociale media gekanaliseerd. Er ontstond uiteindelijk een modus waarin burgers, na overleg met de politie, de ruimte kregen om her en der in het land zoekacties op touw te zetten.

Het dilemma van de wederkerigheid

In het verlengde van de burgerzoektochten ontwaren we een interessante kwestie: wederkerigheid. Burgers ondersteunden het zoekproces, maar wat kregen ze daarvoor terug? Een terugkomsessie voor iedereen die had geholpen, op de hoogte gehouden worden over de voortgang, een dankbrief of een lintje? Verwachtingen blijven vaak onuitgesproken, maar er zullen verschillende motivaties een rol gespeeld hebben, zoals het uiten van meeleven, de kans om onderdeel van iets groters te zijn, een spannend uitstapje, of de hoop op meer informatie over de stand van zaken, of waardering. Hoe dan ook, mensen zijn bereid om het risico te nemen. Daarin ligt voor de overheid een dilemma: een overheid die actief het belang van zelfredzaamheid en burgerparticipatie belijdt, draagt onverminderd een verantwoordelijkheid voor de redzamen die (uiteindelijk) niet veerkrachtig blijken. De reciprociteit omvat in wezen dat de burger capaciteit aanbiedt, maar er daarbij impliciet
van uit gaat dat hij of zij op de overheid kan terugvallen wanneer hij of zij schade ondervindt. In dit geval houdt de wederkerigheid in dat de overheid garant moet kunnen staan voor passende nazorg, mocht dit nodig blijken. Inzet vanuit Slachtofferhulp Nederland, veelal geactiveerd vanuit de blauwe kolom, behoort tot het standaardrepertoire. De Nederlandse samenleving kent bovendien een zorgsysteem dat is ingericht op het faciliteren van die reciprociteit (ook al wordt de term wederkerigheid traditioneel niet gebruikt in combinatie met de grondwettelijke
plicht van overheden om de ‘gezondheid der ingezetenen’ te bevorderen). Mochten mensen problemen ontwikkelen tijdens het verlenen van burgerparticipatie die zij niet op eigen kracht – dus ook niet binnen eigen sociale kring – kunnen oplossen, dan bestaat er een vangnet in de vorm van professionele hulp- en zorgverleners. Het is niet zozeer paternalistisch dan wel verstandig om mensen die inderdaad worden blootgesteld aan een schokkende omstandigheid (het aantreffen van kinderlichamen valt daar zeker onder, maar misschien ook het niet vinden, hoop houden en vervolgens erachter komen dat ze tientallen kilometers verderop liggen) te informeren over mogelijke reacties, met de toevoeging dat die overwegend vanzelf verdwijnen. Voor de vinders van de lichamen ligt dat vermoedelijk meer voor de hand dan voor specifieke groepen vrijwillige zoekers. Hoe het ook zij, gedragstips hoe met een schokkende gebeurtenis om te gaan, ook als eigen kinderen zijn blootgesteld, kunnen eenvoudig worden verstrekt (helemaal als de zoektocht onder coördinatie plaatsvindt). Mochten reacties na ongeveer een maand niet minder worden, is een bezoek aan de huisarts aan te bevelen. En als dat ontoereikend is, voert de verwijslijn verder. De hier geschetste redenering is verder uitgewerkt in de ‘Multidisciplinaire richtlijn psychosociale hulp bij rampen en crises’ (Impact, 2014).

3 Nafase

De ontknoping

Toen de politie op zondagmiddag 19 mei 2013 bekend maakte dat in het buitengebied van Cothen twee lichamen waren aangetroffen, barstte het speculatiecircus los. Het duurde uiteindelijk tot 23.00 uur ’s avonds voordat de driehoek (de burgemeester van Zeist, de hoofdofficier van justitie en de chef van de politie-eenheid Midden-Nederland) in Utrecht toelichtte dat het – zoals iedereen op dat moment al vermoedde – hoogstwaarschijnlijk ging om de lichamen van Ruben en Julian. Dat het niet met zekerheid kon worden gesteld, kwam doordat de lichamen lange tijd in het water hadden gelegen en in staat van ontbinding waren. Op basis van DNA-onderzoek werd de identiteit later bevestigd. In de persconferentie stond hoofdofficier Bac stil bij de vraag of de autoriteiten niet eerder op de avond naar buiten hadden kunnen komen. Hij stelde dat een zorgvuldig (en tijdrovend) onderzoek nodig was om de toedracht te kunnen achterhalen, mede in het licht van het
feit dat de vermoedelijke dader zelfmoord had gepleegd.

Fragment ‘Eerste identificatie op basis van gevonden kleding’ uit het NOS Journaal van maandag 20 mei 2013, 00.09 uur:

Na de ontknoping van de vermissingszaak pakte de gemeente Zeist de regie op de nafase. De aandacht ging in de eerste plaats uit naar de binnenste cirkels van betrokkenen: de moeder, de grootouders, de school en de voetbalclub, de vriendin van de vader. Gedurende de periode van vermissing waren echter steeds meer mensen in Nederland zich gaan rekenen tot de binnencirkel. Via sociale media verspreidden zich plannen voor een stille tocht of een herdenking in Zeist of zelfs bij Cothen, waar de jongens gevonden waren. In Limburg, waar ook groepen mensen hadden meegezocht, werd een herdenkmoment gehouden bij Stein, en in Kerkrade kwam een vrouw met een plan voor een herdenking met duizend witte heliumballonnen. Dat zelfs even de vraag rees of de Trekkertrek, die op Tweede Pinksterdag in Cothen zou plaatsvinden, moest worden afgelast, geeft wel aan dat de impact als ‘groot’ werd ingeschat.

Rouwen en herdenken in Zeist

Tijdens de persconferentie gaf de burgemeester van Zeist aan dat hij zich met betrokkenen en maatschappelijke organisaties zou bezinnen op het verder vormgeven van de verwerking. Waar gewoonlijk initiatieven van burgers voor een stille tocht gefaciliteerd worden, was nu niet in te schatten hoeveel mensen erop af zouden komen. Een grote toeloop zou kunnen betekenen dat de gemeente de openbare orde en veiligheid niet zou kunnen waarborgen. Mede om die reden werd gezocht naar een alternatief dat wel uitdrukking gaf aan de collectieve beleving, maar waarbij die verbondenheid niet door plaats, maar door moment tot stand zou komen.

In overleg met de moeder werd besloten om iedereen die de jongens wilde gedenken op te roepen om op zondag tussen 19.00 en 20.00 uur twee brandende kaarsjes in de vensterbank te plaatsen. Hiermee werd een verbinding gelegd met Wereldlichtjesdag, die altijd op de tweede zondag in december plaatsvindt voor kinderen die slachtoffer zijn van geweld. Op deze manier werd tevens de aandacht wat afgeleid van het privédomein; niet de eigenheid van de jongens stond centraal, maar hun positie als slachtoffer. Door een kaarsje te laten branden, werden ze voor de buitenwereld tot een symbool gemaakt en hoefden de moeder en andere intimi hun persoonlijke herinneringen en rouwbeleving niet te delen met de rest van Nederland. Zodra de keuze voor de kaarsjes bekend was gemaakt, luwde ook de storm van particuliere initiatieven. Iedereen sloot zich aan bij de beslissing; de ballonnen in Kerkrade werden afgeblazen. Daarnaast werden duidelijke afspraken
gemaakt om ook bij andere gedenkmomenten publiek en privé goed te scheiden. De uitvaart zou besloten zijn, met langs de rouwstoet één plek waar de media foto’s mochten maken. Via de gemeente was de afspraak gemaakt dat alleen het ANP een interview zou afnemen met een woordvoerder van de familie. Door de sociale media goed te volgen, werd het voor de gemeente duidelijk dat ze geen maatregelen hoefde te treffen voor eventuele spontane stille tochten. Net als bij de zoektochten bleek dat de snelheid waarmee het bericht zich verspreidde hielp om de betrokkenheid binnen de samenleving te kanaliseren.

De school

Ook op de Kerckeboschschool in Zeist werd stilgestaan bij het overlijden van de broertjes. De herdenking op school was alleen voor de kinderen, leerkrachten en ouders toegankelijk, maar na afloop waren het schoolhoofd en de burgemeester beschikbaar voor een kort interview. Door op deze manier duidelijke grenzen te trekken, werd zowel aan de direct betrokkenen als aan de kringen daarom heen proportioneel ruimte geboden voor rouw.

Rouwen en herdenken in Wijk bij Duurstede

Niet alleen in Zeist, maar ook in Wijk bij Duurstede werd gerouwd, de plaats waar de vader opgroeide en de kinderen regelmatig bij hun opa en oma op bezoek kwamen. De verbijstering was er minstens zo groot als in Zeist. Er werd een condoleanceregister geopend en de burgemeester bracht een bezoek aan de ouders van de vader. Zij hadden immers drie dierbaren verloren; hun zoon, die zelfmoord had gepleegd, en hun twee kleinkinderen met wie ze een sterke band hadden. Hun verdriet was heftig en heel dubbel, aldus de burgemeester voor RTV Utrecht:

‘Bij de ouders overheerst onbegrip en ongeloof. Hun betrokkenheid bij hun kleinkinderen is enorm. Wat hun verdriet nog complexer maakt, is dat ze natuurlijk treuren om de zelfgekozen dood van hun zoon en tegelijkertijd part noch deel hebben gehad aan wat hij zeer waarschijnlijk heeft gedaan.’

5 Afronding

Dit hoofdstuk draaide om een vermissingszaak die Nederland bijna twee weken lang in zijn greep hield. De betrokkenheid was verklaarbaar. Anders dan een gezinsmoord waarbij het publiek vrij snel duidelijkheid krijgt over wat er is gebeurd, was dit een drama met lange tijd een open einde. Naarmate de onzekerheid voortduurde, werden de vragen eerder groter dan kleiner. De online buzz over de vermissing leidde ertoe dat de media al vanaf de eerste avond de zaak nauwgezet volgden. Maar de vraag is of de maatschappelijke impact zonder sociale media minder groot zou zijn geweest. Het valt te betwijfelen. De wekenlange vermissing van Nicole van den Hurk in 1995 bijvoorbeeld (die uiteindelijk eveneens vermoord bleek), vond plaats in de periode voordat sociale
media bestonden en ook hier was sprake van maatschappelijke onrust. De sociale media hebben er bij deze casus wel voor gezorgd dat de vermissing van Ruben en Julian snel in het nieuws kwam en de ontwikkelingen (bijvoorbeeld via @JulianRubenNL) nauwgezet konden worden gevolgd. Maar de maatschappelijke impact gedurende de weken van de vermissing zou volgens ons ook zonder sociale media waarschijnlijk van vergelijkbare grootte zijn geweest. De casus had voldoende componenten in zich om ook zonder Facebook en Twitter een landelijke impact te krijgen. De drijvende kracht achter de voortdurende aandacht zien we in de vraag ‘waar zijn de vermiste kinderen gebleven?’ De behoefte van burgers om te helpen een antwoord op deze vraag te
vinden, doet zich vaker voor. Het waren nu vooral de lange duur vande vermissing, de omvang van het zoekgebied en (mede daardoor) de massaliteit van de zoekacties die deze casus extra bijzonder maakten.

Toch werden de sociale media wel een onlosmakelijk onderdeel van de aanpak. Via de sociale media werden mensen opgeroepen om te komen helpen en werden de zoekacties over het land gereguleerd. Net zoals bij de verdwijning van Steve Fosset (in 2007) gebruik werd gemaakt van online mogelijkheden om zijn verdwenen toestel terug te vinden, zijn ook hier passende middelen gezocht om de zoekinspanningen van goedwillende burgers te coördineren. Bij Steve Fosset was het een centrale website, bij Ruben en Julian werden Facebook en Twitter de centrale platformen. Daarnaast klonk via Facebook en Twitter ook het collectieve medeleven door. Alles wijst erop dat de moeder zich hierdoor erg gesteund heeft gevoeld; zij heeft herhaaldelijk haar dank daarvoor uitgesproken.

In de kern van de zaak zien we een vader die kennelijk geen andere uitweg zag dan zichzelf en zijn kinderen het leven te ontnemen. Op dat aspect wijkt deze casus niet af van gezinsdrama’s die zich, hoe vreselijk ook, vaker in Nederland voltrekken. Wat er gebeurde tijdens de eerste uren van de vermissing en de laatste uren van beide kinderen zal een raadsel blijven, net zoals de exacte aanleiding. Het is eerst en vooral een drama voor de directe betrokkenen en hun omgeving. Het is dan ook de kunst om in dergelijke situaties op een betrokken en nabije manier de situatie te managen, zonder partij te kiezen of uitspraken te doen over de aanleiding. In deze casus stond dat voorop en is ondanks alle media-aandacht steeds de insteek geweest om het klein te houden en er te zijn voor de direct betrokkenen.

DocU van RTV Utrecht over Ruben en Julian, “Twee weken tussen hoop en vrees” van zondag 18 mei 2014, met daarin oa Henk Bril aan het woord. Henk Bril (49) loopt al wat jaren mee als hoofd recherche van de politie Midden-Nederland en zag een heleboel gezinsdrama’s voorbijkomen. Maar de kindermoord op Ruben en Julian, gepleegd door vader Jeroen Denis (38), was in alle opzichten uniek en zal tot in lengte van dagen in zijn geheugen gegrift staan. „Bij een familiedrama vind je doorgaans heel snel alle slachtoffers bij elkaar. Nu waren wekenlang twee jongetjes zoek en kon het alle kanten opgaan. Waren ze achtergelaten zonder eten en drinken, ontvoerd? Was er misschien nog iemand anders in het spel?”:

De docu is een eerbetoon aan Ruben en Julian:

Moeder Iris schreef een bedankbrief in de Telegraaf en bedankt iedereen die heeft geholpen bij het zoeken naar haar jongens.

Wouter Jong schreef eerder ook een blog over de rol van social media bij de vermissing in deze zaak en er verscheen ook een artikel in Magazine Nationale Veiligheid en crisisbeheersing over het Twitteraccount @JulianRubenNL, dat Wouter schreef samen met Jeroen Jacobs van SocialMediaGrip schreef, de club die zich online belangeloos inzette voor zoektocht Julian en Ruben.

Gerelateerde berichten:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *