De zorg voor veiligheid is een verantwoordelijkheid van en voor iedereen, niet alleen voor de overheid. Ook individuen horen bij te dragen aan een veilige samenleving. In de eerste plaats door zichzelf niet onveilig te gedragen. In de tweede plaats door een medemens in nood te hulp te komen.

Dat laatste is niet altijd gemakkelijk. Er kunnen risico’s vastzitten aan het verlenen van hulp aan een ander. Bijvoorbeeld in het water springen om een drenkeling te redden. Of optreden bij een ruzie op straat. Soms kunnen de risico’s groot zijn, bijvoorbeeld bij het overmeesteren van een inbreker of het ingrijpen bij een vechtpartij met halfdronken jongeren. Niet iedereen durft het, niet iedereen kan het.

Naarmate de potentiële risico’s groter zijn, zijn mensen minder vaak bereid anderen hulp te verlenen of in te grijpen in dreigende situaties. Maar toch blijkt dat er steeds weer mensen zijn die het wél doen. Die, los van de eventuele gevaren, vinden dat je een ander in nood niet mag laten barsten. Die feitelijke hulp verlenen, die iets zeggen als er op straat iets onbetamelijks gebeurt, die ertussen springen als iemand wordt belaagd, kortom, die iets doén. Zij brengen actief burgerschap in de praktijk. Stichting Maatschappij en Veiligheid vindt dat belangrijk en meent dat degenen die dat doen zo goed mogelijk juridisch moeten worden beschermd.

Stichting Maatschappij en Veiligheid realiseert zich dat ingrijpen in situaties waarin iemand wordt bedreigd om vele redenen lastig is. Je weet bijvoorbeeld niet wat je eigen gedrag bij de belager zal oproepen en wat daar weer uit voortvloeit. Het is ook moeilijk om de grenzen precies te bepalen, zeker in situaties die gepaard gaan met geweld of dreiging met geweld. Tot hoever mag je gaan bij de verdediging van jezelf of van anderen? Los van de risico’s die een ingrijper loopt bij het feitelijke optreden, blijkt dat hij of zij ook daarna nog kan worden geconfronteerd met bijvoorbeeld reacties van politie/justitie die vinden dat hij te ver is gegaan en voor eigen rechter heeft gespeeld.

Op dit laatste punt – de reacties van politie/justitie op een mogelijk te ver gaan bij (zelf)verdediging – is de situatie de afgelopen jaren, in lijn met de adviezen van de SMV, veranderd. Staatssecretaris Teeven schreef hierover in 2011 een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij stelt dat burgers zichzelf moeten kunnen verdedigen en anderen te hulp moeten komen zonder dat politie en justitie al te snel die burger aanspreken op het eventuele overschrijden van grenzen van zorgvuldigheid. Hij vraagt terughoudendheid van politie en justitie. Dit standpunt juicht de SMV toe.

Over de mogelijke civielrechtelijke consequenties van het ingrijpen is veel minder bekend. Aan wat voor situaties moeten we hier denken? Een voorbeeld. Iemand ziet dat een jonge man een vrouw berooft. Hij grijpt de jonge man die zich losrukt, daarbij komt te vallen en zijn arm breekt. De jonge man stelt de ingrijper aansprakelijk voor de medische kosten. Een ander voorbeeld.

Een oude man zit achter het raam van zijn woning en heeft het kennelijk erg benauwd. Een voorbijganger ziet dat, heeft geen mogelijkheid om naar binnen te komen en slaat de ruit in om hulp te kunnen verlenen. De woningcorporatie stelt hem aansprakelijk voor het breken van de ruit. De vraag is in dit soort gevallen: wie is verantwoordelijk voor de schade? Die vraag roept weer andere op: Komt het vaak voor dat ingrijpers civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld? Welke situaties laten zich denken en wat is over die situaties bekend? Moet er wat veranderen om de positie van de ingrijper steviger te maken en, zo ja, wat? Deze vragen heeft de Stichting Maatschappij en Veiligheid voorgelegd aan het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht. In het rapport Moedige burgers. Onderzoek naar het versterken van de juridische positie van de ingrijpers bij incidenten van augustus 2012 beantwoorden Evelien de Kezel en Ivo Giesen de belangrijkste civielrechtelijke  vragen inzake de juridische gevolgen voor degene die ingrijpt. Dit rapport bevat een uitgebreide beschrijving en analyse van de problematiek. Dat rapport kan hier worden gedownload.

Het rapport komt tot de conclusie dat het heel weinig voorkomt dat ingrijpers juridisch aansprakelijk worden gesteld. Maar, als dat wel het geval is, dan is er geen sprake van een bijzondere positie van de ingrijper. De afhandeling van de schade volgt de gewone juridische procedures en is voor alles een zaak van verzekeringen. De onderzoekers komen tot de conclusies dat het verplicht stellen van een Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren kan bijdrage om eventuele problemen in de toekomst te voorkomen. Dan hebben ingrijpers die tussenbeide komen altijd de mogelijkheid de eventuele schade te verhalen op een verzekeraar. Deze maatregel wijzigt het aansprakelijkheidsrecht niet, maar spreidt het risico. Op het vlak van het ondersteunen van actief burgerschap, heeft deze oplossing tot gevolg dat vrees voor aansprakelijkstelling structureel wordt weggenomen.

De SMV geeft de voorkeur aan een andere benadering. De stichting acht het niet gewenst om dit vraagstuk te benaderen vanuit een risicospreidende, verzekeringsgeoriënteerde aanpak. Iemand die rechtmatig en burgergericht ingrijpt om een medemens te helpen hoort niet alleen zèlf niet voor schade op te draaien, ook zijn verzekeringmaatschappij moet die rekening niet hoeven te betalen. Bovendien blijft het altijd mogelijk dat iemand niet is verzekerd, of dat bepaalde vormen van burgeringrijpen niet onder de dekking vallen. De SMV pleit voor een aparte regeling in het schadevergoedingsrecht die de ingrijper beter beschermt. Zowel waar het gaat om de schade die de ingrijper zelf lijdt als de schade die hij aan een ander toebrengt.

Er staan twee wegen open om dit te bereiken. De eerste kiest als uitgangspunt dat de veroorzaker van de problemen als individu verantwoordelijk is voor de schade, en dat die schade dus ten laste moet komen van de veroorzaker of diens verzekering. De afhandeling c.q. het verhaal van die schade kan uiteraard worden overgelaten aan de verzekeringsmaatschappij van de ingrijper. Een verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering blijft overigens een maatregel die bij deze weg van groot belang blijft. De tweede is gebaseerd op het uitgangspunt dat de overheid eigenlijk altijd als principe heeft geclaimd verantwoordelijk te zijn voor het garanderen van veiligheid. Vanuit die visie is burgeringrijpen te beschouwen als een aanvulling op een kennelijk tekortschieten van de overheid. Dan is het logisch dat de overheid daarvan de financiële consequenties draagt, bijvoorbeeld door het vormen van een fonds waarop burgers die ingrijpen een beroep kunnen doen als zij blijven zitten met ongedekte schade. Een combinatie laat zich denken door de eerste weg als uitgangspunt te kiezen (de probleemveroorzaker betaalt), en de oprichting van een fonds als steunmaatregel te gebruiken, voor zover er een restschuld overblijft die niet valt te verhalen

Gerelateerde berichten:

Tagged with →  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *