Weltens, A. (2007). ‘Opsporing verzocht… De geschiedenis van de PolitieRadio-Omroep, 1925-1947’. In: Soundscapes. Journal on media culture 10, juni 2007.

De geschiedenis van de Politie-Radio-Omroep, 1925-1947door Arno Weltens


Sinds 1976 wordt de televisiekijker ‘s avonds regelmatig geconfronteerd met politieberichten over vermiste personen, gewapende overvallen of moord. Maar, op de radio gebeurde dat al zo’n vijftig jaar eerder. Dit artikel, geschreven door Arno Weltens, dat eerder verscheen in Aether in april 1994, gaat over het wel en wee van een kleine zendgemachtigde van toen: de Politie-Radio-Omroep.


1Rechts: De Hilversumse Commissaris A.L. van Beusekom

Een bijeenkomst in Hilversum. Op 9 maart 1925 meldt politiecommissaris A.L. van Beusekom te Hilversum aan burgemeester P.J. Reymer dat het korps behoefte heeft aan een draadloze ontvanginstallatie op het politiebureau. Van Beusekom’s wens sluit aan op het voornemen om voortaan politieberichten via de ether te verzenden. Een van de initiatiefnemers is A. Dubois, de directeur van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) en exploitant van de zender, waarop de Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO) uitzendt. Op 15 maart bericht de plaatselijke krant dat drie dagen tevoren voor het eerst in Nederland een proef genomen is met de verspreiding van politienieuws. Tijdens de door de HDO verzorgde radioconcerten vanaf de Nederlandsche Jaarbeurs te Utrecht, is de uitzending onderbroken door een mededeling van politiecommissaris Van Beusekom. Diens bericht betreft de vermissing van de minderjarige E.J. te Hilversum. [1]

Op 20 maart informeert Van Beusekom burgemeester Reymer over de op 1 april geplande bijeenkomst van politiefunctionarissen uit het land. Onderwerp van de discussie in Hilversum is het eventuele nut van het radiowezen voor de politie. Het programma voorziet in een ochtenddeel, waarbij het uit 76 personen bestaande gezelschap rondgeleid wordt op het NSF-terrein. De middag is gevuld met lezingen en aansluitend een discussie in een zaal van hotel Gooiland. Dubois bijt het spits af met een lezing over “radio ten dienste van justitie.” In zijn toespraak haalt hij onder andere de mogelijkheid aan om bepaalde berichten, die niet voor andermans oren bestemd zijn, in geheimcode te verzenden. Dubois wijst tevens op het feit, dat in het buitenland de radio al voor politiegebruik aangewend wordt. De bemoeienis van Dubois is duidelijk; als zakenman ziet hij afzetmogelijkheden. Vandaar dat hij zijn gehoor een lampstoestel van de NSF offreert voor f 78,50 per stuk bij een gegarandeerde afname van honderd toestellen. Ook in Van Beusekom’s bijdrage zit een verwijzing naar de situatie in het buitenland. De Hilversumse politiecommissaris wijst op de “Kriminalfunk” in Duitsland en het zendstation van Scotland Yard in Engeland. Tot slot behandelt de spreker een aantal praktijkgevallen, waarbij door inschakeling van radioberichtgeving aanhoudingen verricht zijn. Ook de juridische aspecten komen uitvoerig aan bod. Vervolgens ontspint zich een levendige gedachtenwisseling en de dag wordt afgesloten met de samenstelling van de “Commissie voor den Politie Radiodienst.”2Links: Advertentie van de Hilversumsche Draadlooze Omroep (1925) (klik op de afbeelding voor een groter beeld)

Commissie-activiteiten. Naast voorzitter Van Beusekom en Dubois nemen de heren P. Frima, directeur van de politieschool te Hilversum, E.J. Pateer en H.J. Versteeg, beiden politiecommissaris te Amsterdam, zitting in de commissie. Van Beusekom stelt voor het aantal leden uit te breiden met zijn afwezige collega F. van ‘t Sant of iemand die door hem aangewezen wordt. Van ‘t Sant, hoofdcommissaris te ‘s-Gravenhage, wil echter geen benoeming aanvaarden. In een artikel in De Telegraaf zet hij zijn praktische bezwaren uitvoerig uiteen: “Ik sein naar Hilversum. Hilversum seint het verder. Wordt opgevangen door 60.000 Nederlanders, of dat deel daarvan, dat zit te luisteren. Maar welke zekerheid heb ik, dat het bericht ook ontvangen is op de plaats, het bureau, waar ik het bericht hebben wilde? Indien het bericht aan een station niet is opgevangen en de man ontsnapt langs dien weg … dan krijg ik het verwijt, waarom heb je ook niet even getelegrafeerd of getelefoneerd … [2]

Van ‘t Sant somt voorts op het grote bereik van berichtgeving via de dagbladpers, de problematiek rond de steeds te wisselen code, de kans op misbruik door derden — een toename van chantagegevallen — en de technische onvolkomenheden van de radio — het verschijnsel van de “Mexicaanse hond.” Kortom in theorie lijken de plannen te kloppen, maar door toetsing aan de praktijk blijkt de radio volgens Van ‘t Sant voor de politie van generlei waarde. Hij ziet daarom af van zijn benoeming als lid. Op 4 april 1925 houdt de Commissie haar eerste vergadering; de leden komen tot de volgende conclusies:

  1. dat de radio voor de politie een doeltreffend, snelwerkend en betrouwbaar communicatiemiddel betekent;
  2. dat de radio geen, zoals eerder gemeend, beduidende kostenbesparing voor de politie met zich meebrengt;
  3. dat de kosten in vergelijk met het nut zeer gering zijn;
  4. dat het verspreiden van de radioberichten voorlopig door tussenkomst van de NSF dient te geschieden.

3Rechts: De ANRO-studio

Een definitief rapport. Op 9 januari 1926 wordt, wederom in Hotel Gooiland, het definitieve rapport van de Politie-Radio-Commissie besproken. De bevindingen zijn vooraf aan anderhalf duizend autoriteiten toegestuurd. Voorzitter Van Beusekom meldt dat naar het oordeel van de commissie de regering fl. 1.500,-, bestemd voor de omroepzender, dient te voldoen. Hierdoor zal het voortbestaan van de politie-omroep voldoende gegarandeerd zijn. Wederom somt Van Beusekom vier succesverhalen uit het recente verleden van de Amsterdamse politie op: [3]

 

  • “Op den 13den November 1925 werd door den Commissaris van Politie te Hilversum de opsporing verzocht van een zeer kostbaren, weggeloopen hond. Vanuit Amsterdam volgde al spoedig op het radiobericht de mededeeling dat de hond aldaar werd bewaard.”
  • “Het tweede geval betrof het verzoek van den Burgemeester uit Vreeland, die de opsporing verzocht van een achterlijken man, die vermoedelijk was weggeloopen om naar Friesland te gaan, daar hij uit die provincie afkomstig was. Tengevolge van het verzenden van een radiobericht, werd hij te Amsterdam opgespoord.”
  • “Op den 28sten November j.l. verzocht de burgemeester van Utingeradeel de opsporing van een man, verdacht van verduistering van f 700,-. Er werd vermoed, dat hij zich met eene beruchte vrouw had begeven naar Groningen. Op het politiebericht werd hij aangehouden te Amsterdam.”
  • “De Commissaris van Politie te Enschede verzocht op 26 November j.l. de opsporing der verblijfplaats eener gehuwde vrouw, die met een anderen man was medegegaan. Ook zij werd per radiobericht te Amsterdam opgespoord.”

4Links: Hoofdinspecteur G.D.J. Vrijdag uit Hilversum

Vanuit de voorkamer. In het verslag van deze vergadering staat hoofdinspecteur G.D.J. Vrijdag uit Hilversum vermeld als eerste politie-omroeper. Opmerkelijk is, dat Vrijdag de uitzendingen verzorgt vanuit zijn privé-adres op de Van der Helstlaan 62. In het zijgedeelte van de voorkamer staat een speciaal telefoontoestel opgesteld. Na een seintje van de controlekamer van de Huizer zender zet Vrijdag een schakelaar over en leest nauwgezet spellend de berichten voor. In de achterkamer, afgesloten door suitedeuren, luisteren zijn vrouw en twee zoons ademloos mee naar de stem van hun echtgenoot respectievelijk vader. [4] Overigens is bovenstaande mededeling in tegenspraak met hetgeen J.C.E. Sand in een publicatie beweert:

“Tusschen twee haakjes kan ik hier aan toevoegen, dat er een microfoon hangt in het politiebureau Hilversum en dat een inspecteur of agent, van goede getuigenissen omtrent zijn spraak voorzien, de berichten aldaar uitspreekt.” [5]Op dezelfde pagina staat tevens deze passage over de wijze van berichtgeving: “… ten einde luisterend Nederland attent te maken op verloren dameshandtaschjes, gestolen rijwielen en op de loop zijnde misdadigers, neus gewoon, ooren gewoon, zonder baard of knevel en gekleed in blauw ratiné overjas en grijzen, slappen hoed — want zooals U we] gehoord zult hebben pleegt de politie-omroep de aanduidingen der beginletters ietwat deftiger door te geven dan de A.N.R.O. Zoo noemen wij de I van Izak, doch “Hier, gemeentepolitie Hilversum”, leidt af van Ignatius.” [6]Dubois geeft tijdens de bijeenkomst van 4 april te kennen niet langer deel te willen uitmaken van de commissie. Wel verklaart hij zich bereid om voortaan desgevraagd technische adviezen te verstrekken. Even heeft het erop geleken, dat de politieberichten zouden terecht komen op de zogenaamde zakelijke zender Scheveningen Haven. Per 1 januari 1927 zou deze in beheer van het Rijk komen, in feite de PTT. De zender was bestemd voor “mededelingen van zakelijke aard uit hoofde ener daartoe strekkende tussen afzender en ontvanger bestaande rechtsbetrekking.” Blijkbaar was de PTT geneigd de politieberichten daaronder te rangschikken: berichten van de politie voor de politie. Op 23 november wordt de aangelegenheid tussen PTT en Politie-Radio-Omroep besproken. Van Beusekom wint het pleit. Hij zet uiteen — en licht dit met voorbeelden uit de praktijk toe — “dat het geven van de berichten door het z.g. amusementsstation van groote waarde is gebleken te zijn en veel heeft bijgedragen tot het tot dusverre met die berichten behaalde succes.” [7]5Rechts: Burgemeester P.J. Reymer van Hilversum

Conflict met de ANRO. Rondom de uitzending van politieberichten ontstaan in de winter van 1927 problemen met de Algemeene Nederlandsche Radio Omroep — de Hilversumsche Draadlooze Omroep had intussen zijn naam gewijzigd.

In eerste instantie ontvangt ANRO-secretaris W. Vogt een schrijven van het hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie. [8] Hierin stelt de directeur-generaal van de PTT dat het vaak voorkomt, dat de zender niet tijdig beschikbaar is voor het omroepen van politieberichten. Als gevolg hiervan signaleert men problemen. Vandaar het verzoek aan de ANRO om maatregelen te treffen, zodat de uitzending precies op het geplande tijdstip een aanvang kan nemen. Via Huizen wordt dagelijks van 12.00-12.15 uur de berichtgeving verzorgd samen met het weerbericht.

Op 22 november reageert Vogt aan het adres van politiecommissaris Van Beusekom. Hij betreurt het feit dat de PTT rechtstreeks ingelicht is, waardoor de ANRO geen gelegenheid kreeg de klacht als eerste te onderzoeken. Een dag later bericht Van Beusekom, dat hij nimmer een klacht bij de PTT heeft ingediend. De politiefunctionaris besluit zijn brief met de regel: “… dat hij voortaan beleefd verschoond wenst te blijven van dergelijke onhebbelijke brieven.” Als reactie op dit taalgebruik ontvangt burgemeester Reymer een brief van de ANRO, waarin Vogt attendeert op de woordkeuze van de commissaris. Op zijn beurt zegt Reymer toe de kwestie te onderzoeken. Het muisje krijgt derhalve een staartje!Links: ir. M.H. Damme, directeur-generaal van de PTT

Op 6 december stuurt de burgemeester een brief aan ir. M.H. Damme, directeur-generaal der PTT, met de vraag “desnoods vertrouwelijk te worden ingelicht door wie de klacht is ingebracht.” [9]

In een reactie bericht Damme dat de klacht is ingediend na ontvangst van een bijgesloten brief van de NSF. Uit de door Dubois gevoerde correspondentie blijkt, dat de commissaris wel degelijk een beroep op de N.S.F. deed om te bewerkstelligen, dat de radiopolitieberichten op tijd zouden beginnen. Op 12 december meldt burgemeester Reymer aan ANRO-secretaris Vogt, dat de klacht bij de PTT niet is ingediend door de politiecommissaris. Bovenstaande rel is exemplarisch voor de wijze van werken in deze periode.

6Rechts: AVRO-directeur en ANRO-secretaris Willem Vogt doet verslag vanuit een KLM-toestel

Succesvolle berichtgeving. Met het Zendtijdenbesluit van 1930 wordt van de kant van de overheid het voortbestaan van de omroepverenigingen bevestigd. Tevens legaliseert men de situatie rondom de Politie-Radio-Omroep. Voortaan zal op de Huizer zender “elken dag ten hoogste tweemaal een half uur en ten minste tweemaal een kwartier zendtijd beschikbaar worden gesteld, terwijl op dit station mede gelegenheid moet worden gegeven tot uitzending van extra politieberichten.” [10] Uit het jaarverslag van 1931 valt op te maken, dat er 624 gewone en 92 extra politie-uitzendingen plaatsvonden. In totaal werden 1.832 verzoeken tot opsporing gedaan waarbij 519 misdadigers, 180 minderjarigen, 360 vermisten, 144 dieren en 629 voorwerpen betrokken waren. In 117 gevallen leidde de berichtgeving via de radio tot succes. [11]

De samenstelling van de commissie Politie-Radio-Omroep ondergaat in de loop der jaren allerlei mutaties. In 1932 hebben naast voorzitter Van Beusekom, secretaris J. Alma, gepensioneerd kolonel van de marechaussee, H.J. Versteeg, hoofdcommissaris te Amsterdam, E.J. Pateer, gepensioneerd commissaris te Heemstede, F. Dozy, districtscommandant te Amsterdam, en C.H. de Vos, hoofdingenieur der Telegrafie en Telefonie te ‘s-Gravenhage, zitting in de commissie. Ook het aantal aangesloten radiostations groeit: 172 aansluitingen bij de Kon. Marechaussee, 626 bij de Rijksveldwacht en 125 bij de Gemeentepolitie. In 1937 maakt de Politie-Radio-Omroep aan de Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij een bedrag van f 5.314,87 over, bestemd voor de zenderhuur.>De bezetting van Nederland in mei 1940 betekent niet het einde van de politieberichtgeving via de radio. Volgens H.P. Vrijdag, zoon van de eerste politie-omroeper, wordt in de beginjaren nog doorgegaan. Een curieus verhaal is de aanleiding waarom de Grüne Polizei van Hilversum een inval doet op het politiebureau in de Langestraat tijdens een uitzending van politieoproepen. Men meent verdachte klopsignalen (morseseinen) op te vangen. Teleurgesteld druipen de zwaarbewapende Duitsers af, wanneer ze ontdekken dat de “signalen” afkomstig zijn van een timmerman die op het politiebureau bezig is met de renovatie van een kantoor.” [12]7Links: Het comité van de Hilversumsche Draadlooze Omroep (1925)

Situatie na de bevrijding. Na de Tweede Wereldoorlog keren de politieberichten in de ether terug. De Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd verzorgt deze berichten van maandag tot en met zaterdag samen met de waterstanden van 9.30-9.50 uur via Hilversum II. Ook wanneer het samenwerkingsverband van de Nederlandse Radio Unie in februari 1947 de zaak overneemt, blijft deze situatie ogenschijnlijk gehandhaafd. Afgezien van een korte onderbreking in maart zijn waterstanden en politieberichten tot 12 juli 1947 nog te beluisteren. Er is de omroepverenigingen alles aan gelegen om verlost te worden van de kleine politiezendgemachtigde. De programmadirectie van de vier grote omroepen, verenigd in het informele overlegorgaan “Korsicanen”, zijn ‘t hierover eens.

>De “Korsicanen”, bestaande uit voorzitter prof. dr. J.B. Kors (KRO), secretaris W. Vogt (AVRO) en de heren J.B. Broeksz (VARA) en K. van Dijk (NCRV), besluiten in een vergadering op 22 maart 1947 aangaande de politieberichten het volgende: “Zij krijgen nog gastvrijheid tot 5 juli 1947. Daarna zullen wij maatregelen nemen om er van af te komen, o.a. door stappen te doen bij het Hoofd van den Technischen Verbindingsdienst en zoo noodig bij den Regeeringscommissaris.” [13] Op 14 juli 1947 is deze kwestie weer onderwerp van gesprek: “De Politie-Radio-Omroep beschikt nog niet over andere apparatuur, zoodat men den Omroep voortzetting van het omroepen van de Politieberichten verzoekt. De Heer Vogt heeft in deze aangelegenheid een voorloopige beslissing moeten nemen, die luidde, dat door de Politie-Radio-Omroep in afwachting van de beslissing van de Unie (N.R.U.) zeer belangrijke politieberichten, waarin van noodgevallen sprake is, incidenteel omgeroepen kunnen worden.” Gedwongen door deze manoeuvre van de omroepverenigingen zet de politie in 1947 een radioverbindingsdienst op voor intern gebruik.


Noten1. Vermelding in de krant. Feit is ook dat in de HDO-programmering op de bewuste dagen geen vermelding van het radioconcert uit Utrecht is opgenomen. Return to text2. “Duur en slecht.” In: De Telegraaf, datum onbekend. Return to text3. Stenografisch verslag van de vergadering gehouden op 9 januari 1926 in het hotel “Het Gooiland” te Hilversum ter bespreking van het rapport der Politie-Radio-Commissie. Collectie Streekarchief voor het Gooi en de Vechtstreek, Hilversum. Return to text4. Persoonlijke mededeling van H.P. Vrijdag, d.d. 23 juni 1992. Return to text5. J.C.E. Sand (z.j.), Hier is Hilversum, de A.VR.O. z.j., pag. 19. Return to text6. Zie noot 5. Return to text7. Dr. J. de Boer (1946), Omroep en publiek in Nederland tot 1940. Leiden, deel 1, pag. 80. Return to text8. In de jaren voor de vaststelling van het zendtijdenbesluit in 1930 is de PTT belast met een controlerende taak ten aanzien van de radio-omroep, die men met enige tegenzin vervult. Return to text9. Prof. P.S. Gerbrandy (1934), Het vraagstuk van den radio-omroep. Kampen, pag. 39. Return to text10. Radio-Jaarboek 1932. Amsterdam, pag. 137. Return to text11. Zie noot 5. Return to text12. Zie noot 4. Return to text13. Zie: Notulen van de vergadering van de zogenaamde “Korsicanen,” zaterdag 22 maart 1947, AVRO-studio (agendapunt 12). In: Collectie NOS-bedrijfsarchief. Hilversum. Return to text  Previous


De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig uit het Archief Aether en de Collectie Snoek uit het Archief van Hans Knot 2007 © Soundscapes

Gerelateerde berichten:

  • Geen gerelateerde berichten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *