Onderstaand artikel van Peter Vasterman en Huub Wijfjes verscheen in Tijdschrift voor Communicatiewetenschap en is een kritische beschouwing over het onderzoek naar media in de Facebook-rellen van september 2012.

Inleiding
Op 8 maart 2013 verscheen het rapport van een commissie onder leiding van Job Cohen die, in opdracht van de Groningse gemeente Haren, had onderzocht hoe ogenschijnlijk onschuldige gebeurtenissen in Haren op 21 september 2012 konden uitmonden in rellen, plunderingen en gewelddadige confrontaties tussen jongeren en de politie. Na de presentatie van het rapport Twee werelden. You only live once – voorzien van drie deelrapporten over de rol van de overheden, de media en de jeugdcultuur – trokken de politiek-bestuurlijke kanten de meeste aandacht. Ze hadden ook de grootste consequenties. Burgemeester van Haren Rob Bats trad enkele dagen na de presentatie af en het regionale politiekorps nam maatregelen ter verbetering
van het handelen bij eventuele toekomstige rellen.

Daarmee leek de kous af. Maar de rapportage inspireerde ook debatten in professionele en wetenschappelijke kringen over verschillende deelonderwerpen. Eén daarvan is de rol van media, een onderwerp waarbij in het bijzonder de interactie van de traditionele en de nieuwe sociale media in de belangstelling staat.1 Bij het hoofdrapport was een deelrapport, De weg naar Haren, gevoegd dat deze rol van media en communicatie centraal stelde, terwijl in het deelrapport over jeugdcultuur, Hoe Dionysos in Haren verscheen, ook een en ander aan de orde kwam over de plaats en functie van media in deze cultuur.

Het functioneren van media werd al in de directe nasleep van de rellen stevig bediscussieerd, zoals de rol van media altijd wel op een of andere manier aan de orde komt na afloop van ernstige ongeregeldheden of grote maatschappelijke onrust. Dat effect was hier ook te zien, mede omdat de rellen in Haren hun oorsprong en motor leken te vinden in de omgeving van de zogenoemde ‘sociale media’, waarvan het gebruik en de betekenis bepaald nog niet solide in kaart zijn gebracht. De rellen in Haren staan dan ook bekend als de ‘Facebook-rellen’, een verwijzing naar het openbaar plaatsen van een oproep op Facebook op 6 september om de verjaardag van het 16-jarige meisje Merthe te gaan vieren in haar woonplaats Haren. Het was een oproep die in de sociale media al snel werd geïdentificeerd als een Nederlands Project X-feest en vervolgens gekaapt door anonieme internetgebruikers. Op deze gekaapte Project X-Facebookpagina gaven na twee weken meer dan 30.000 bezoekers aan naar Haren te komen voor het feestje. Dat werden er uiteindelijk zo’n 5.000, met gevolgen die uitvoerig staan beschreven in het hoofdrapport Twee werelden.

Een belangrijke conclusie van het hoofdrapport was dat jongeren zich ‘via een breed palet aan communicatiemiddelen organiseerden, met Facebook als centraal platform, en dat het feest door massamedia op de agenda werd gezet’. Die agendasetting leidde tot acties bij de gemeenten en de politie, maar uiteindelijk ook tot verdere mobilisatie van jongeren die al een bezoek overwogen (Twee werelden, p. 10 en 13). Deze uitspraak lijkt te contrasteren met de conclusies uit het deelrapport over media dat ‘de rol van massamedia niet doorslaggevend was’, maar dat die gevestigde
media zoals krant, radio en televisie ‘juist reageerden op een ontwikkeling binnen de sociale media’ (De weg naar Haren, p. 120). Dit wijkt ook af van de conclusie in het deelrapport over de jeugdcultuur van het onderzoeksteam onder leiding van de socioloog Gabriël van den Brink dat ‘een minder opgewonden berichtgeving bij traditionele media’ de mobilisatie die via sociale media onder jongeren gaande was had kunnen verminderen (Hoe Dionysos in Haren verscheen, p. 138).

De ogenschijnlijke verdeeldheid in de commissie bij de interpretatie van verschillende onderzoekingen, roept de vraag op hoe het onderzoek naar de rol van media in Project X Haren, met name ook de interactie van traditionele en sociale media, inhoud en vorm is gegeven.

Onderzoekstraditie mobilisatie en media
Het onderzoek naar Project X Haren past in een lange traditie van onderzoek naar de rol van de media bij grootschalige ordeverstoringen en de mobilisatieprocessen die eraan voorafgaan. Vooral in en na de jaren zestig van de vorige eeuw was de focus gericht op de manier waarop de media de schijnwerpers richtten op en zo mede vormgevers werden van nieuwe protestbewegingen of subculturen. Dat leverde verschillende klassiekers op zoals de studies van Halloran, Elliott en Murdock (1970) en Gitlin (1980). Baanbrekend was ook Folk devils and moral panics: the creation of the Mods and Rockers uit 1972, het begin van de onderzoekstraditie rond moral panics, een typering die overigens naadloos valt toe te passen op de maatschappelijke reactie na afloop van de Haren-rellen (Cohen, 1972).

In deze sociologische en communicatiewetenschappelijke onderzoekingen kregen de media een centrale rol toebedeeld bij maatschappelijke escalatieprocessen. Door er op een stereotiepe manier verslag van te doen – het centrale frame was gericht op mogelijke ordeverstoringen –, wakkerden ze niet alleen de verontrusting aan, maar beïnvloedden ze ook het gedrag van de vermeende folk devils, die zich juist gingen vastbijten in hun afwijkend gedrag. Dat proces staat in de criminologie al jaren bekend als ‘deviancy amplification spiral’: de maatschappelijke reactie op het afwijkend
gedrag zorgt juist voor polarisatie en escalatie (O’Brien & Yar, 2008).

Een belangrijke, maar helaas wat onderbelicht gebleven studie in Nederland is het onderzoek dat de Leidse sociologen Van de Beek, Engbersen en Van der Veen (1983) deden naar de rol van media bij de rellen rond de inhuldiging van koningin Beatrix in Amsterdam in april 1980. Op basis van inhoudsanalyse van berichtgeving in verschillende massamedia en interviews met journalisten legden zij het ‘journalistieke regelsysteem’ bloot waarin objectiviteit en feitelijkheid bij de meeste media weliswaar de basisprincipes waren, maar waarin ideologische voorkeuren van sommige bij de rellen aanwezige verslaggevers de berichtgeving bepaalden (Van de Beek et al., 1983). Links geëngageerde media zoals VARA, Radio Stad en de Volkskrant die min of meer de kant kozen van de krakers en de relschoppers, werden achteraf door autoriteiten (en de ‘rechtse’ media) aangewezen als een voorname oorzaak van de escalatie van het geweld (Van de Beek et al., 1983; Wijfjes, 2009, p. 418-425).

In al deze studies lag de nadruk op de zichtbare rol van de media en ontbrak onderzoek naar de sociale component: wat speelde zich allemaal af in die groepen en subculturen die betrokken waren bij deze mobilisatie en ordeverstoringen? Tegenwoordig is daar dankzij de sociale media zoals Facebook en Twitter veel meer zicht op. Wat vroeger binnenskamers of in de wandelgangen speelde, is tegenwoordig op de voet te volgen in het openbare domein van de sociale media. Sterker nog, de sociale media lijken een belangrijk instrument voor sociale mobilisatie geworden. De niethiërarchische structuur, het open en internationale karakter en de snelle verbindingen tussen verschillende netwerken maken die processen makkelijker en groter. Dat bleek bijvoorbeeld uit het onderzoek naar de onverwachte rellen in een groot aantal Engelse steden in de zomer van 2011 (House of Commons Home Affairs Committee, 2011; Baker, 2011). De vroegere studies over demonstraties waren volgens Cottle (2008) opvallend zwijgzaam over de dynamiek achter de schermen en concentreerden zich (net zoals de media in hun berichtgeving) vooral op het zichtbare
visuele spektakel van rellen en demonstraties.

Inmiddels is het bestuderen van de mobiliserende werking van de online sociale netwerken een aparte onderzoekstak geworden rond begrippen als ‘information cascades’ (Lemieux, 2004), ‘availability cascades’ (Kuran & Sunstein, 1999), ‘tipping points’ (Gladwell, 2001) en ‘critical mass’ (Marwell & Oliver, 1993). Dat onderzoek belicht de rol van media bij omslagmomenten in een sociaal systeem waarbij een zelfversterkend proces ontstaat, zoals bij een echte epidemie (González-Baillon e.a., 2011). De analogie met epidemische verspreiding van ziektes is geen toeval, want
veel van deze begrippen zijn ontleend aan onderzoek naar bijvoorbeeld complexe ecosystemen waarin kleine verstoringen grote gevolgen kunnen hebben voor ‘critical transitions’ (Scheffer, 2009).

Ook in de sociale wetenschappen hebben deze complexiteitstheorieën opgang gedaan, al zijn sociale systemen nog veel onvoorspelbaarder dan ecosystemen. Een belangrijk uitgangspunt is dat er geen lineaire oorzaak- en gevolgketen is, maar dat de verschillende zelfsturende componenten of (reflecterende) actoren in het systeem voortdurend op elkaar reageren. Daarbij kunnen nieuwe macropatronen ontstaan die weer als feedback het systeem ingaan en zelfversterkende processen veroorzaken tot er een nieuw (tijdelijk) evenwicht ontstaat (Waldherr, 2012, 2014). Binnen lineaire systemen zijn oorzaak en gevolg proportioneel, maar in complexe systemen kunnen kleine gebeurtenissen disproportionele gevolgen opleveren. Dit zijn onvoorspelbare processen, maar onderzoekers kunnen wel de patronen beschrijven die leiden tot omslagpunten en zelfversterkende processen, bijvoorbeeld door mediagebruik in communicatienetwerken (Aarts, Steuten & Van Woerkum, 2014).

In het licht van deze theorievorming is de rapportage van de commissie-Cohen belangwekkend, want de aanloop naar Haren valt te bezien als een complex systeem met interacties tussen zowel de verschillende actoren als tussen de online en offline wereld.

Met inachtneming van het feit dat het rapport onderdeel uitmaakte van een primair bestuurskundige evaluatie, kunnen we ons afvragen of de onderzoeken nieuwe inzichten bieden in dit soort processen die onder bepaalde omstandigheden kunnen leiden tot grootschalige ordeverstoringen. Leveren de studies nieuwe theorieën op, of nieuwe definities van bestaande concepten, zoals het veelvuldig gebruikte begrip ‘mediahype’? En vooral: wat is de wetenschappelijke kwaliteit van dit onderzoek dat in dienst stond van de vooral bestuurlijke evaluatieopdracht die de commissie meekreeg?

Het Haren-onderzoek op de snijtafel

Het onderzoek naar de sociale media
Het onderzoek in het deelrapport De weg naar Haren is uitgevoerd door een team onder leiding van de communicatiewetenschapper professor Jan van Dijk van de Universiteit Twente. Het bestaat uit deelstudies naar de speelfilm Project X als inspiratiebron en naar de rol van Facebook, Twitter, YouTube en de massamedia als informatie- en mobilisatiefactor. Daarnaast zijn jongeren ondervraagd over hun mediagebruik en hun overwegingen om al dan niet naar Haren te gaan. De vragen die de commissie-Cohen aan het team van Van Dijk gaf waren ook vrij algemeen
geformuleerd: ‘Wat kan gezegd worden over de rol van de sociale media bij de mobilisatie en actiecoördinatie?’ en ‘Op welke wijze interacteren nieuwe en traditionele media met elkaar?’. Het is merkwaardig dat de onderzoekers deze algemene vragen niet hebben vertaald in concrete, onderzoekbare deelvragen. Ze melden alleen dat de interactie tussen de verschillende media en hoofdrolspelers (bezoekers, autoriteiten en ouders) centraal staat. Iedere deelanalyse is voornamelijk beschrijvend van aard, zoals het hoofdstuk over de speelfilm Project X waarin de vraag wordt
opgeworpen (maar niet beantwoord) of er sprake is van een soort virale besmetting of van imitatiegedrag onder jongeren.

Ook het hoofdstuk over de online mobilisatie op Facebook begint beschrijvend met Merthe die op 6 september haar vrienden uitnodigt voor een sweet sixteen party en de optie ‘openbaar’ aanklikt. Voor de analyse van wat er vervolgens op Facebook en Twitter gebeurde, maakten de onderzoekers gebruik van twee databases met 52.227 Facebookberichten en ruim 500.000 Twitterberichten.

De vraagstellingen die bij de analyse zijn gehanteerd zijn wederom beschrijvend van aard: ‘Hoe verloopt het berichtenverkeer en het aantal aanmeldingen in de loop van de tijd? Kunnen bepaalde groepen worden onderscheiden? Hoe ontwikkelt zich het netwerk in de loop van de tijd? (…) Wat is bijvoorbeeld de rol van de massamedia en de sociale media zelf geweest?’

Een theoretische inbedding ontbreekt, waardoor niet duidelijk is wat de antwoorden op deze vragen zouden kunnen betekenen. Als er bepaalde groepen zijn te onderscheiden, wat zegt dat dan? En bij de vraag ‘hoe het netwerk zich ontwikkelt’: welke kanten zou dat dan op kunnen gaan? Gaat het om een ontwikkeling vanuit een centrummodel of een model met veel zelfstandige nieuwe kernen? Door het ontbreken van waarom-vragen blijft het onderzoek beschrijvend.

Het eerste deel van het onderzoek is gebaseerd op het tellen van het aantal Facebookberichten per dag, per bezoeker en per groep. Dat levert een aantal grafieken op (zoals Figuur 3.2 die hier als Figuur 1 is weergegeven) waaruit volgens de onderzoekers zou moeten blijken dat het aantal Facebookberichten al op maandag 17 september, de dag vóór de massamedia aandacht gingen besteden aan Haren, sterk toenam.

Px01

Figuur 1. Figuur 3.2 uit De weg naar Haren, p. 22

Deze lijngrafiek wekt de indruk dat er een stijging plaats vindt van maandag op dinsdag, maar als de gegevens uit de door de onderzoekers gebruikte database in een staafdiagram worden weergegeven, wordt duidelijk dat de explosie pas komt op dinsdagmiddag, direct na de start van de media-aandacht, waar overigens veel bezoekers in tal van berichten op sociale media melding van maken.

px02
Figuur 2. Aantal Facebookberichten per dag, 9 tot en met 21 september

Dat komt nog duidelijker naar voren als de berichten op dinsdag per uur in beeld worden gebracht, zoals in figuur 3.

px03
Figuur 3. Aantal Facebookberichten per uur op dinsdag 18 september 2012

Op maandag 17 september waren er inderdaad meer berichten dan op de dagen daarvoor, namelijk 615 berichten, tegen daarvoor tussen de 100 en de 200. Maar de grote toename komt pas op dinsdagmiddag nadat de massamedia er aandacht aan hebben besteed. Binnen enkele uren verschijnen maar liefst 5949 berichten; tien keer zoveel. Die stroom komt pas eind van de middag op gang wanneer er soms in een uur tijd meer dan 800 berichten worden gepost. Het is onduidelijk waarom de onderzoekers deze explosie van berichten niet als het grote omslagpunt beschouwen.
Tot ’s middags 18 september heeft de Project X-pagina nog maar 720 bezoekers gehad die een bericht hebben achtergelaten, maar die middag en avond komen er 1696 nieuwe bezoekers bij tegen 201 op maandag 17 september.

Volgens het rapport is echter op maandag 17 september al de zogenoemde ‘kritieke massa’ bereikt op Facebook, een omslagmoment waarop het proces ‘als het ware
vanzelf gaat lopen’. Helaas geven de onderzoekers geen definitie van dat omslagpunt en geen criteria voor het vaststellen ervan. In een voetnoot melden ze: ‘Een kritieke massa wordt gevormd bij een niet exact aan te duiden omslagpunt in het aantal aanmeldingen, verbindingen of andere deelnemingen. Op dit punt vindt in elk geval een duidelijke versnelling plaats’ (De weg naar Haren, p. 27, noot 15). Het gaat dus blijkbaar niet om het aantal aanmeldingen maar om een ‘versnelling’. Maar niet duidelijk is hoe ‘snel’ die ‘versnelling’ dan moet zijn en wanneer het dan ‘vanzelf gaat lopen’. Gezien het verloop van het aantal berichten ligt eerder de conclusie voor de hand dat het grote omslagpunt plaatsvindt op het moment waarop de massamedia aandacht gaan besteden aan het Project X-feestje. Daarmee is niet gezegd dat de massamedia doorslaggevend waren – er was immers al een zelfversterkend proces gaande online – maar wel dat hier een belangrijk tipping point was bereikt.

Naast het kwantificeren en classificeren van de berichten en de bezoekers op de Facebookpagina is ook een ‘netwerkanalyse’ uitgevoerd om na te gaan ‘of bepaalde
groepen (of zelfs individuen) een cruciale rol hebben gespeeld in het proces’. Dit levert een kleurrijke figuur op van de ontwikkeling van het netwerk, die in videoanimatievorm tijdens de persconferentie van de commissie-Cohen op 8 maart 2013 werd vertoond (Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013). Maar deze figuur biedt feitelijk geen antwoord op de onderzoeksvraag (De weg naar Haren, p. 26, figuur 3.7). De onderzoekers zeggen geen onderscheid te kunnen maken tussen ‘verschillende clusters van mensen doordat de verbondenheid binnen
het netwerk zeer groot is.’ Volgens de Tilburgse socioloog Rense Corten, specialist in netwerkanalyse, zijn wel degelijk kwantitatieve methoden beschikbaar om dergelijke clusters op te sporen. Dan zou misschien ook de structuur van het netwerk beter in beeld komen, want het is van belang om te weten of zich nieuwe knooppunten ontwikkelen los van het centrum, bijvoorbeeld onder invloed van mediaberichtgeving. Volgens Corten blijkt uit de netwerkanalyse niet dat er sprake is van een kritieke massa: ‘het enige dat we zien is dat op een bepaald moment het aantal
berichten sterk toeneemt. Of dit komt door de interne dynamiek van het proces of door externe factoren kunnen we in de plaatjes helemaal niet zien’ (Corten, 2013).

De algemene conclusie van het rapport dat er al een kritieke massa op Facebook bestond voordat de massamedia aandacht gaven, wordt dus niet overtuigend door de onderzoeksresultaten ondersteund.

Het onderzoeksdeel over het Twitterverkeer is nog beschrijvender van aard, hetgeen vooral blijkt uit het feit dat conclusies aan het eind ontbreken. De beschrijving laat zien dat het Twitterverkeer pas goed op gang kwam nadat in Haren de rellen waren uitgebroken. Het hoofdstuk over YouTube is zeer beperkt en omvat maar één pagina in het rapport, terwijl sommige ‘teasers’ in de aanloop (er werden maar liefst 564 unieke video’s over Project X op YouTube geplaatst) meer dan honderdvijftigduizend hits kregen. Dat deze video’s vooral populair werden nadat de massamedia ernaar hadden gelinkt, blijft onbesproken. De ‘kijkcijfers’ van deze video’s waren makkelijk achteraf op datum te reconstrueren, maar dat is niet gebeurd. De teasers werden bovendien vele malen op televisie vertoond bij items over Haren voorafgaand aan 21 september. Vooral bij dit onderdeel over YouTube wreekt zich het gebrek aan een duidelijke vraagstelling en conclusies.

Het onderzoek naar de massamedia
Het onderzoek naar de rol van de massamedia (kranten, radio, televisie) bestaat uit een inhoudsanalyse van de berichtgeving over Haren in 34 verschillende media en een serie interviews met ‘redactioneel verantwoordelijken’ van deze media. In totaal zijn 1833 uitspraken onderzocht op de teneur (positief of negatief), de inhoud (‘gezellig’ versus ‘gevaarlijk’) en de aanwezigheid van (de)mobiliserende uitspraken. Daartoe is gebruik gemaakt van de methoden die zijn ontwikkeld door de Nederlandse Nieuwsmonitor, die het onderzoek ook uitvoerde. Methodologisch gezien
valt de vraag naar de effecten van de media bij het publiek niet te beantwoorden met alleen een inhoudsanalyse, daar zou publieksonderzoek voor nodig zijn. De onderzoekers zijn zich van die beperking bewust en wijzen erop dat ‘mobiliserend’ of ‘demobiliserend’ geen betrekking heeft op de wijze waarop deze boodschappen worden ervaren door de ontvangers.

Volgens deze inhoudsanalyse waren de meeste uitspraken (65%) in de massamedia ‘neutraal’, 21,2% was ‘demobiliserend’ en 13,6% ‘mobiliserend’. Daarnaast bleek dat de teneur van de berichtgeving ‘overwegend positief’ was, met uitschieters als de landelijke popradiostations en het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

Helaas blijft onduidelijk hoe de categorieën precies zijn geoperationaliseerd en vooral in welke mate de context van een uitspraak bepalend was voor de classificatie. De percentages met cijfers achter de komma kunnen echter niet verhullen dat het hanteren van een zeer beperkt aantal brede inhoudscategorieën een enorme versimpeling oplevert van de complexe werkelijkheid achter het nieuws.

Beide conclusies zijn tijdens en na de persconferentie over het rapport sterk generaliserend vertaald in de conclusie dat de massamedia voornamelijk ‘neutraal’ hebben bericht over Haren. Voor veel journalisten was dat natuurlijk een hele opluchting, want het leek hen vrij te pleiten van mogelijk sturende berichtgeving of stemmingmakerij. Die medeverantwoordelijkheid van de media was – zoals gebruikelijk bij excessieve gebeurtenissen – meteen na de rellen in allerlei discussies aan de orde gesteld. Over Project X Haren en de media zijn dan ook voor en na maart 2013 verschillende debatten georganiseerd, een teken dat de journalistiek wil voldoen aan de hogere eisen die het publiek tegenwoordig aan dergelijke vormen van accountability hecht (Groenhart, 2013).

Maar al die debatten stonden alle tamelijk los van de inhoudsanalyses die bij het rapport van de commissie-Cohen zijn gevoegd. Dat geldt ook de televisiedocumentaire Project X, de media hebben het gedaan (24 juni 2013) van het Human/VPROprogramma Argos-TV, waarin verscheidene journalisten – onder andere Jeroen Wollaars van de NOS – de hand dieper in eigen boezem staken dan ze deden direct na de presentatie van het rapport. Wollaars heeft immers vrijwel onmiddellijk na de rellen de eventuele medeverantwoordelijkheid van de NOS-berichtgeving bij het verloop van gebeurtenissen van de hand gewezen, veronderstellende dat de rellende jongeren vast geen mensen waren die met hun ouders op de bank naar het Achtuurjournaal keken (Wollaars, 2012).

Het is jammer, maar wel verklaarbaar dat de inhoudsanalyses uit De weg naar Haren nauwelijks een rol hebben gespeeld in de journalistieke reflectie na afloop. Deze analyses zijn namelijk zeer beperkt opgezet en werpen weinig gedetailleerd licht op specifieke journalistieke gedragingen of op de dynamiek die vanaf dinsdag 18 september is ontstaan in het journalistieke veld. Zo komt bijvoorbeeld niet aan bod de kwestie van de niet-bestaande noodverordening die als ‘feit’ werd gemeld en die het startschot vormde voor alle mediaaandacht. Een woordvoerder van de burgemeester van Haren zei namelijk in antwoord op de vraag van de verslaggever van Trouw welke maatregelen de gemeente dacht te nemen: ‘Het is lastig om in te schatten hoeveel mensen er komen. We hebben nooit eerder zoiets meegemaakt. De kans dat we de ME gaan inzetten is klein, maar een noodverordening of samenscholingsverbod behoort tot de mogelijkheden.’ Het stuk van Trouw op dinsdagochtend 18 september verscheen onmiddellijk op allerlei nieuwswebsites onder de stellige kop: ‘Noodverordening in Haren om Facebookfeestje’. Door de noodverordening als voldongen feit te presenteren steeg de nieuwswaarde van het onderwerp en namen alle media het nieuws over. Meteen diezelfde dinsdagmiddag volgde de eerdergenoemde explosie van berichten op Facebook.

Het tweede onderdeel van het massamediaonderzoek is gebaseerd op interviews die volgens de onderzoekers vooral bedoeld zijn om de resultaten van de inhoudsanalyse
te ‘duiden’. Ze hebben dus alleen een aanvullende functie gehad. De commissie maakte interviews met vijftien journalisten, waarbij de non-response bijna twee derde was. Dat betekent dat de onderzoekers ongeveer 23 journalisten hebben uitgenodigd. Niet duidelijk is hoe deze selectie tot stand is gekomen, behalve dat het gaat om de ‘verantwoordelijke redacteuren’ van 34 media (inclusief hoofd- en eindredacteuren). Evenmin is duidelijk welke media ontbreken in het onderzoek met 13 van de 34 media (zowel NOS als RTL tellen overigens twee respondenten; waarom
is onduidelijk). Ook hier ontbreekt weer een duidelijke vraagstelling, de twaalf vragen zijn deels feitelijk en hebben deels betrekking op interpretaties en overwegingen bij het verslaan van Project X Haren. De weergave van de resultaten is beschrijvend, met af en toe een citaat ter illustratie. De interviews zijn kennelijk niet op een systematische manier geanalyseerd.

De slotconclusie van dit onderzoeksdeel is dat de massamedia het aankomende Project X-feestje pas drie dagen tevoren hebben geagendeerd, en dat de enorme groei in de hoeveelheid berichtgeving beperkt bleef tot de dag van de rellen. Aangezien de berichtgeving volgens de inhoudsanalyse overwegend ‘neutraal’ was, concluderen de onderzoekers dat de massamedia een beperkte rol hebben gespeeld in de mobilisatie van de jongeren; een paar uitzonderingen zoals de popmuziekzenders daargelaten.

Het optreden van de verslaggevers ter plekke is wel voor discussie vatbaar, omdat hun aanwezigheid mogelijk invloed kan hebben gehad op de aanwezige jongeren. Dit onderwerp is wel aan bod gekomen bij de interviews met journalisten en in het onderzoeksdeel met reacties van bewoners, maar een systematisch onderzoek ontbreekt.

Het mediagebruik van jongeren en de vraag door wie zij zich hebben laten beïnvloeden 

De onderzoekers van De weg naar Haren concluderen dus dat de massamedia in tegenstelling tot de sociale media geen doorslaggevende rol hebben gespeeld in de aanloop naar de rellen. Kijken we wat gerichter naar een empirische ondersteuning van de bewering dat traditionele media letterlijk achter de feiten in de nieuwe mediawereld aanlopen, dan zou men ook een andere interpretatie kunnen geven. Namelijk dat juist de interactie tussen sociale media en massamedia op dinsdag 18 september de motor was achter de mobilisatie van jongeren om zich aan te melden en naar Haren te komen.

De weg naar Haren bevat uitgebreide paragrafen over de plaats en betekenis van massamedia in het leven van jongeren. Voor een deel zijn die gebaseerd op een enquête onder 3115 Noord-Nederlandse jongeren tussen 15 en 25 jaar. De enquête kende een respons van 31%. Het blijkt dat de voornaamste bronnen voor het besluit van deze jongeren om al of niet naar Haren te gaan, de radio en de eigen vriendenkring waren. Pas daarna noemen ze sociale media als een factor; maar ook televisie en zelfs kranten noemen de jongeren nog vaak als een informatiebron, waarbij de
goedkope en populaire kranten Metro, Spits en Telegraaf hun voorkeur hebben (De weg naar Haren, p. 41 en 43).

Deze onderzoeksresultaten bevestigen dat de consumptie door jongeren van een traditioneel medium zoals televisie nog steeds erg hoog is, ook al blijkt uit tijdbestedingonderzoek van SPOT dat de leeftijdscategorie van 13 tot 19 jaar de meeste van haar mediaconsumptietijd besteedt aan internet (als enige categorie; bij alle andere leeftijden is televisie het belangrijkste medium) (SPOT, 2012). Hetzelfde onderzoek toont overigens ook aan dat jongeren (die in de daar gebezigde marketingtermen ‘jonge connectors’ worden genoemd) beschikken over de meeste vrije tijd, omdat ze van alle groepen het minste tijd investeren in media (SPOT, 2012, p. 19, 22 en 48).

Een opvallende uitkomst van de enquête is dat jongeren relatief veel naar de radio luisteren. Het is niet verbazingwekkend dat de door hen meest beluisterde radiostations programma’s maken die aansluiten bij de jongerencultuur: Radio 538, 3FM en Slam!FM. Dat is bij een vraag naar hun belangrijke televisieprogramma’s veel minder evident, wellicht omdat er weinig specifieke televisiezenders en -programma’s voor jongeren in deze leeftijdsgroep zijn. Gevraagd naar de populairste informatiebronnen op televisie noemen jongeren dan ook klassieke programma’s
zoals NOS-Journaal, RTL-Nieuws, De Wereld Draait Door, Hart van Nederland en NoordNieuws (van RTV-Noord). Pas daarna komt een ‘nieuw’ programma zoals PowNews, dat om andere kwaliteiten dan een betrouwbare nieuwsbron wordt gewaardeerd.

Want betrouwbaarheid speelt een belangrijke rol in het nieuwsproces. In dit verband is het goed om nog eens te herinneren aan de overname van het Trouw-bericht van 18 september door vrijwel alle massamedia, ANP en NOS voorop. Deze overname, in het bijzonder de opening van de uitzending van NOS op 3, had tot gevolg dat de sociale media het massaal als nieuws brachten. Daaruit zou men kunnen concluderen dat de kracht van massamedia om nieuws ‘officieel’ en ‘belangrijk’ te maken onverminderd aanwezig is, mede dankzij de presentie van die massamedia in de online omgeving.

Het idee dat er echt iets aan de hand was en er mogelijk sensationele dingen stonden te gebeuren werd krachtig versterkt toen massamediaorganisaties met een sterk profiel rond betrouwbare nieuwsvoorziening, zoals NOS, RTL en RTV-Noord, besloten eigen verslaggevers en cameraploegen naar Haren te zenden. Dat in hun programma’s vooral demobiliserende uitspraken waren te vinden (van politie, burgemeester, ouders en andere autoriteiten), betekende vooral extra mobilisering bij jongeren die, zoals uit het sociologische onderzoek blijkt, een krachtige antiautoriteitenhouding bezaten. In dat verband was de feestvreugde die De Wereld Draait Door op vrijdagavond vertolkte met de uitspraak ‘Als je dit zo ziet, is het jammer dat we hier zitten, toch?’, een juiste taxatie van de stemming onder jongeren.

De aandacht van dit programma (en andere massamedia die voor jongeren aantrekkelijke infotainment brengen, zoals popradiostations) bevestigden dat het mogelijke feestje vooral als een fungebeurtenis zonder weerga moest worden gezien. Daarmee werd de suggestie gewekt dat hier inderdaad een ideale sensatiegebeurtenis kon ontstaan. Het is in dit verband opvallend dat de redactie van De Wereld Draait Door zich heeft onthouden van commentaar bij de commissie-Cohen. Het programma dat doorgaans zegt het journalistieke gesprek van de dag te willen zijn, vond zichzelf in dit geval ‘amusement’, waaraan verder niet zoveel waarde moet worden gehecht en waarover het gesprek van de dag in ieder geval niet mag gaan.

Dat zegt overigens veel over de maatschappelijke ontwikkeling naar verminderd politiek engagement in dertig jaar. Werden in 1980 de journalisten van de VARA en Radio Stad na afloop bekritiseerd over hun te links betrokken benadering van de terecht tegen falende autoriteiten vechtende actievoerders, in de nasleep van Haren kreeg het VARA-programma De Wereld Draait Door ook kritiek over eenzijdigheid te verwerken. Dit keer ging dat niet over een teveel aan politiek engagement, maar over een te sterk engagement met de feestende jongeren op zoek naar dynamische en media-actieve spanning. Dat jonge levensgevoel was misschien wel de meest verklarende factor bij de rellen in Haren. De commissie-Cohen geeft in ieder geval het hoofdrapport de ondertitel You only live once mee, een in het socialemediaverkeer populaire metafoor die verwijst naar een hedonistisch verlangen naar onmiddellijke en persoonlijke behoeftebevrediging.

Grenzen opzoeken en iets bijzonders meemaken, dat zou de drijfveer van de moderne jeugd zijn (Twee werelden, p. 24). Maar was zoiets niet al eerder te zien in een andere constellatie of tijdsperiode? Uit de historische beschouwing is bekend dat in de jaren zestig van de vorige eeuw een jongerencultuur opkwam waar een losse organisatie van thrill seeking jongeren onder leiding van zich ‘provo’ noemden figuren dagelijks het gezag tartte met ludieke acties. Alternatieve en opzienbarende figuren zoals Robert Jasper Grootveld lieten manifestaties plaatsvinden rond het
Lieverdje aan het Spui in Amsterdam. Ook dat waren acties waar de toenmalige massamedia een rol in speelden, hetzij door ze uitbundig te laten zien, hetzij door ze ostentatief te veroordelen of te verzwijgen (Pas, 2003).

Uit de in dit artikel uitvoerig besproken rapportages rond Haren blijkt dat het gedrag van jongeren momenteel op dezelfde grondslag is gebaseerd: een levensgevoel om het leven te genieten en met sensatie te vullen. Daarin schuilt, hoezeer dat ook verborgen is achter een dikke laag feestelijke activiteiten, een behoefte om zich als aparte groep te manifesteren ten opzichte van een establishment. Dat establishment wordt vooral belichaamd door het openbaar gezag, maar ook door massamedia die met oudere generaties worden geassocieerd. Deze drijfveren in groepen jongeren kunnen door de communicatiekracht van Facebook in interactie met massamedia een tot nu toe ongekende schaalgrootte en intensiteit krijgen.

Al met al kan men dus spreken van een behoorlijk prominente rol voor massamedia in de jongerencultuur, maar men kan deze rol niet isoleren van communicatiepatronen in sociale media. Uit de enquête onder noordelijke jongeren blijkt dat de beslissing om al of niet naar Haren te gaan, sterk heeft afgehangen van de mening van vrienden, soms virtueel, soms via sociale media. En natuurlijk was het al langer bestaande verlangen van jongeren naar spanning en vermaak een factor. De wil om de dagelijkse verveling te doorbreken en situaties op te zoeken waar men bijzondere, sleurdoorbrekende gebeurtenissen verwacht vol met spanning, fun en aandacht is veruit de belangrijkste drijfveer van jongeren.

Dat blijkt ook uit het deelrapport dat de maatschappelijke facetten van Haren onderzocht en dat de fascinatie van jongeren voor sensatie als een trend uitlichtte (Hoe Dionysos in Haren verscheen, p. 15-35). De onderzoekers van dat rapport signaleren bij jongeren zowel een drang om tegen de autoriteit in te gaan van ouders, politie en andere gezagsdragers als een ontvankelijkheid voor hun argumenten bij de beslissing om al of niet naar Haren af te reizen (Hoe Dionysos in Haren verscheen, p. 67-74). In de perceptie van jongeren is er blijkbaar een hiërarchie in de waardering van het belang van verscheidene media. Sociale media creëren een openbare virtuele ruimte die gedragingen en opvattingen in selecte groepen gebruikers beïnvloeden. Massamedia worden vooral gezien als betrouwbare media voor het bevorderen van gebeurtenissen tot echt belangrijk nieuws met een impact voor de maatschappij, het openbaar bestuur en de massamedia zelf.

In het bredere licht van de jongerensociologie lijkt de conclusie dat de massamedia voornamelijk neutraal hebben bericht met veel demobiliserende uitspraken, de plank over de dynamiek in het mediaveld nogal mis te slaan, ook al zegt men er zelf bij dat ‘de volledige vermenging van nieuws en amusement het bezoek aan Haren gestimuleerd kan hebben’ (De weg naar Haren, p. 68). Traditionele manieren van inhoudsanalyse, waarbij de inhoud van specifieke media als geïsoleerde verschijnselen worden beschouwd, lijken niet goed van toepassing op de nieuwe mediawereld.
Zeker voor jongeren geldt volgens een aantal mediawetenschappers dat niet meer gesproken kan worden van een leven met media, maar in media (Deuze, 2012).

Waarbij de grote empirische vraag is hoe die voortdurende dynamische interactie van media en sociaal leven er dan uitziet. Dat was in het traditionele denken over communicatiepatronen een vraag naar kip of ei, waarbij nooit doorslaggevend werd opgelost of media nu sociale gedragingen beïnvloedden of andersom. Wat we van het relatief nieuwe onderzoek naar de interactie van media en sociaal gedrag (zoals dit rapport over Project X) kunnen leren, is dat we eerder moeten spreken van roerei met kip: er is een permanent samenhangend en interacterend mediaveld dat wel degelijk een bepaalde hiërarchie in de waardering van signalen kent. De connecties tussen allerhande mediavormen en sociale contexten laten amusement en nieuws volledig in elkaar vervloeien, maar dat wil niet zeggen dat alles in deze wereld evenveel waarde heeft. Sommige media worden blijkbaar nog steeds hoger gewaardeerd als het gaat om ‘betrouwbaar’ en ‘echt’ dan andere. De berichtgeving van ‘betrouwbare en echte’ massamedia loopt weliswaar achter de communicatie op sociale media aan, maar hun legitimerende kracht is duidelijk versterkend voor het gedrag dat jongeren daarna vertonen.

Een belangrijke conclusie ten aanzien van de mobilisatieprocessen in het digitale tijdperk is dat de professionele nieuwsmedia nog steeds belangrijk zijn bij de doorbraak van issues die spelen binnen sociale netwerken naar de samenleving als geheel. Nog steeds zorgen de massamedia voor de legitimatie van relevantie van een onderwerp of ontwikkeling voor bijvoorbeeld politiek en openbaar bestuur. Nieuwswaardecriteria (drama, de kans op geweld) spelen daarbij nog steeds een belangrijke rol; in dat opzicht is er voor de protestbewegingen of relschoppers niet veel veranderd. Volgens Negrine (2014, p. 71) bereiken de mobilisaties op de sociale netwerken maar een fractie van de bevolking, mensen die al overtuigd zijn en veel bereidheid tot actie tonen. De nieuwsmedia zorgen voor de connectie met de grote massa. Uit onderzoek naar de rellen in Engeland in de zomer van 2011 blijkt dat de sociale media een belangrijke rol speelden, niet zozeer voor het mobiliseren van relschoppers, maar voor de angstige buurtbewoners die elkaar op de hoogte hielden van de plunderingen en brandstichtingen in hun wijk. Omgekeerd gaven daders in interviews achteraf aan geïnspireerd te zijn door de vele dramatische televisiebeelden en vooral de beeldvorming op tv dat de politie de controle op straat totaal kwijt was (Lewis et al., 2011). De nieuwsmedia mogen dan nog steeds een belangrijke rol spelen, duidelijk is ook dat hun berichtgeving steeds meer verknoopt raakt met de informatiestromen op de sociale media en dat in beide systemen zelfversterkende effecten optreden.

Een mediahype?
In het hoofdstuk ‘Crossmedia: de interactie tussen sociale media, massamedia, mobiele telefonie en offline mobilisatie’ proberen de onderzoekers van De weg naar Haren tot een synthese te komen. Dat begint met de constatering dat er een ‘krachtige mediahype’ is ontstaan die niet alleen een zaak is geweest van de traditionele massamedia, maar ook van de nieuwe media. Dat lijkt in tegenspraak met de eerdere conclusie dat de berichtgeving over Project X in de massamedia laat op gang kwam, tamelijk beperkt was en overwegend neutraal van toonzetting.

De onderzoekers hanteren kennelijk een veel bredere definitie van een mediahype dan in de literatuur gebruikelijk is. Daarin is namelijk een mediahype een mediabrede, snel escalerende nieuwsgolf die het resultaat is van zelfversterkende processen die op gang komen zodra de media zich massaal op een onderwerp storten (Vasterman, 2004; Wien & Elmelund-Praesteker, 2009; Boydstun, Walgrave & Hardy, forthcoming). In de bredere betekenis van het rapport-Haren is mediahype een golfbeweging in het maatschappelijk proces waarin alles en iedereen lijkt te participeren, maar een definitie met criteria ontbreekt. Zodra de media aandacht gaan besteden aan Haren vormt dat volgens het rapport ‘de start van een mediahype die door de massamedia in wisselwerking met de overige media zoals sociale media en mobiele telefonie wordt gecreëerd (18-20 september)’. Het is niet duidelijk wat dan onderscheidend is voor deze ‘veelzijdige’ en ‘alomvattende mediahype’: de omvang van de informatiestromen of juist de wisselwerking tussen massamedia en sociale media?

En waar ligt dan de grens tussen een ‘gewone’ wisselwerking en een mediahype? Een ingewikkeld schema in het rapport (figuur 4) dient om een en ander te illustreren, maar laat niet meer zien dan dat alles met alles samenhangt in de diverse fasen. Volgens dit schema bereikt de mediahype een hoogtepunt op de avond van de rellen, maar wat de ‘sterkte’ is van de verbanden en invloeden in het schema blijft onduidelijk.

Zonder een concrete aanwijzing daarvoor te geven beweren de onderzoekers dat mediahypes steeds vaker voorkomen in de media; het zijn hypes die volgens hen een directe weerspiegeling in de online wereld kennen. In deze formuleringen spelen de massamedia weer duidelijk een hoofdrol in het creëren van mediahypes die zich online zouden weerspiegelen. Maar men zou zich evengoed kunnen afvragen of het niet ook steeds vaker voorkomt dat online hypes zich weerspiegelen in de massamedia? Het rapport stelt bijvoorbeeld vast dat massamedia ‘haast ongemerkt van toeschouwer tot medespeler’ werden en voorts dat ‘zij meer doen dan verslaan, zij worden deel van de enscenering’ (Twee werelden, p. 23). Het subrapport De weg naar Haren is milder: media valt weinig te verwijten met een enkele uitzondering wellicht. Niettemin knopen de onderzoekers hier wel een tamelijk vergaande aanbeveling voor massamedia aan vast: ‘Wanneer er opgeroepen
wordt voor een bepaald evenement dienen zij zich af te vragen of zij zich voor een karretje laten spannen. Zo werd de groeiende media-aandacht voor Haren op Facebook met gejuich ontvangen. Een onafhankelijke en gereserveerde houding verdient de voorkeur in een tijd waarin zo gemakkelijk mediahypes ontstaan’ (De weg naar Haren, p. 121). Er zijn inderdaad nieuwe concepten nodig om deze interacties tussen massamedia en sociale media te kunnen onderzoeken: onder welke omstandigheden vormen de sociale media de turbo die de nieuwsgolf in de media verder aanjaagt?

px04
Figuur 4. Figuur 7.1 uit De weg naar Haren, p. 86. Oorspronkelijk onderschrift: De ontwikkeling van het Concept voor ‘Haren’ in de Publieke Ruimten van Massamedia, Sociale Media en Bijeenkomsten

Of omgekeerd: hoe versterken de nieuwsmedia escalatieprocessen bij de nieuwe media? Daarbij zou het complexiteitsperspectief een belangrijke rol kunnen spelen: er is niet één mediahype die alles veroorzaakt, het zijn er vele, én in verschillende netwerken die ook weer op elkaar reageren.

De balans opmakend
De onderzoekers van de commissie-Cohen hebben in zeer korte tijd indrukwekkend veel materiaal verzameld en geanalyseerd. Wellicht onder die tijdsdruk heeft men zich in de interpretatie te veel laten meeslepen door de enorme fascinatie die nieuwe, sociale media oproepen. Hun conclusies op dat vlak zijn te stellig en omdat die conclusies vrijwel kritiekloos in het publieke debat verder zijn uitvergroot, is een overtrokken beeld van de rol van sociale media ontstaan. Onze evaluatie laat zien dat er op de wetenschappelijke kwaliteiten van het onderzoek het nodige valt af te dingen. Het onderzoek is vooral beschrijvend en niet zozeer verklarend van aard: specifieke vraagstellingen met bijbehorende operationalisaties ontbreken, evenals definities en criteria voor centrale concepten als kritieke massa of mediahype. De inhoudsanalyses zijn ontoereikend om de dynamische samenhang tussen sociale en massamedia te kunnen verklaren. En er is zeer weinig poging gedaan om aan te sluiten bij de soms toch uitvoerig beschikbare wetenschappelijke literatuur over mediahypes, morele paniek en jeugdcultuur. Dat is vermoedelijk ook de reden dat
de verschillende deelrapporten elkaar op cruciale punten kunnen tegenspreken.

Desondanks inspireert de rapportage over Project X Haren tot nadenken over de  noodzaak om de bestaande mediatheorieën te herijken in het licht van de nieuwe structuur van de openbaarheid en de mobilisatieprocessen die zich daarin kunnen afspelen. Dat vereist wel een integratie van de verschillende disciplines die nu nog tamelijk los van elkaar staan, zoals de communicatiewetenschappen en het sociologisch onderzoek naar sociale mobilisatieprocessen. De complexiteitstheorieën bieden daarbij vooral een perspectief in plaats van een kant-en-klare theorie. Maar wel een andere manier van denken die kan helpen bij het analyseren van allerlei op elkaar inwerkende en reflexieve systemen.

Literatuur

Het Haren-rapport
Twee werelden. You only live once. Hoofdrapport Commissie ‘Project X’ Haren, maart 2013. De weg naar Haren. De rol van jongeren, sociale media, massamedia en autoriteiten bij de mobilisatie voor Project X Haren. Deelrapport Commissie ‘Project X’ Haren, maart 2013. Onder redactie van Jan van Dijk en Thomas Boeschoten.

Hoe Dionysos in Haren verscheen. Maatschappelijke facetten van Project X Haren. Deelrapport Commissie ‘Project X’ Haren, maart 2013. Onder redactie van Gabriël van den Brink. Ook verschenen in enigszins bewerkte vorm als: G.J.M. van den Brink, M.J. van Hulst, N.J.M. Maalsté, R. Peeters & S.B. Soeparman (2013). Project X in Haren. Maatschappelijke facetten van een feestje dat in rellen uitmondde. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013. Opgehaald via http://vimeo.com/61168563

Aangehaalde literatuur

  • SPOT (2012). Alles over tijd. Tijdsbestedingsonderzoek. Opgehaald via http://www.spot.nl/docs/defaultsource/tijdbestedingsonderzoek/boekje-alles-over-tijd-2012.pdf?sfvrsn=0
  • Aarts, N., Steuten, C., & Van Woerkum, C. (2014). Strategische communicatie, principes en toepassingen. Assen: Van Gorcum.
  • Baker, S. A. (2011). The mediated crowd: New social media and new forms of rioting. Sociological Research Online, 16(4), 21.
  • Boydstun, A. E., Walgrave, S., & Hardy. A. (forthcoming). ‘Two faces of media attention: Media storms vs. general coverage’. Political Communication.
  • Deuze, M. (2012). Media life. Cambridge: Polity Press.
  • Cohen, S. (1972). Folk devils and moral panics: The creation of the Mods and Rockers. Oxford: MacGibbon & Kee.
  • Cottle, S. (2008). Reporting demonstrations: The changing media politics of dissent. Media, Culture & Society, 30(6), 853-872.
  • Gitlin, T. (1980). The whole world is watching: Mass media in the making and unmaking of the new left. Berkeley, L.A., London: University of California Press.
  • Gladwell, M. (2001). The tipping point: How little things can make a big difference. London: Little Brown.
  • González-Bailón, S., Borge-Holthoefer, J., Rivero, A., & Moreno, Y. (2011). ‘The dynamics of protest recruitment through an online network’. Scientific Reports, 197(1).
  • Groenhart, H. (2013). Van boete naar beloning. Publieksverantwoording als prille journalistieke prioriteit. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Halloran, D., Elliott, P., & Murdock, G. (1970). Demonstrations and communication: A case study. Harmondsworth: Penguin.
  • House of Commons Home Affairs Committee (2011). Policing large scale disorder: Lessons from the disturbances of August 2011. The government response to the sixteenth report of the home affairs committee session 2010–12 hc 1456. UK: The Stationery Office Limited.
  • Kuran, T., & Sunstein, C. (1999) Availability cascades and risk regulation. Stanford Law Review, 51(4), 683-768.
  • Lemieux, P. (2004). Information cascades. Following the herd. Why do some ideas suddenly become popular, and then die out just as quickly? Regulation, winter 2003-2004, 16-21.
  • Lewis, P., Newburn, T., Taylor, M., Mcgillivray, C., Greenhill, A., Frayman, H., & Proctor, R. (2011). Reading the riots: Investigating England’s summer of disorder. Reading the riots, The London School of Economics and Political Science and The Guardian, London, UK.
  • Marwell, G., & Oliver, P. (1993). The critical mass in collective action: A micro-social theory. Cambridge, UK: Cambridge University Press.
  • Negrine, R. (2014). Demonstration, Protest, and Communication. Changing Media Landscapes, Changing Media Practices? In R. Werenskjold, K. Fahlenbrach & E. Sivertsen (Eds.). Media and revolt: Strategies and performances from the 1960s to the present (pp. 59-74). New York: Berghahn Books.
  • O’Brien, M., & Yar, M. (2008). Criminology: The key concepts. New York: Routledge.
  • Pas, N. (2003). Imaazje! De verbeelding van Provo (1965-1967). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Scheffer, M. (2009). Critical transitions in nature and society. Princeton: Princeton University Press.
  • Van de Beek, E., Van de Engbersen, G., & Van der Veen, R. (1983). De regels van de journalistiek. Een onderzoek naar ‘de boodschappers’ van 30 april 1980. Leiden: Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit.
  • Vasterman, P. (2004). Mediahype, Amsterdam: Aksant.
  • Waldherr, A. (2012). Die dynamik der medienaufmerksamkeit: Ein simulationsmodell. Baden-Baden: Novos.
  • Waldherr, A. (2014). Emergence of News Waves. A Social Simulation Approach. Journal of Communication, 64(5), 852-873.
  • Wien, C., & Elmelund-Praesteker, C. (2009). An anatomy of media hypes: Developing a model for the dynamics and structure of intense media coverage of single issues. European Journal of Communication, 24(2), 183-201.
  • Wijfjes, H. (2009). VARA. Biografie van een omroep. Amsterdam: Boom.

Overige bronnen

Noten
1 We treden hier niet in discussie over deze discutabele terminologie, maar hanteren de begrippen
‘sociale’ en ‘traditionele’ of ‘massamedia’ als een praktische manier om bepaalde mediavormen te scheiden.

* Dr. Peter Vasterman (1951) is mediasocioloog. Hij is universitair docent bij de leerstoelgroep Media
en Journalistiek van de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij docent
aan de master Journalistiek. Contactgegevens: Turfdraagsterpad 9, 1012 XT, Amsterdam. Tel.:
020 525 36 47. [email protected]

Prof. dr. Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus. Hij is bijzonder hoogleraar Geschiedenis van Radio
en Televisie aan de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij als universitair
hoofddocent verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen.
Contactgegevens: Oude Kijk in ’t Jatstraat 26, 9712 EK, Groningen. Tel.: 050 363 52 69. h.b.m.wijf
[email protected]

 

Gerelateerde berichten:

Tagged with →  

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *