Tagarchief: ehbo

Tunnelvisie bij burgers in opsporing

Burgerparticipatie binnen de opsporing is een fenomeen dat al eeuwenlang wordt toegepast. Al in de middeleeuwen werden burgers betrokken bij het terugvinden van gestolen objecten (De Vries & Smilda, 2014). Tegenwoordig worden burgers door de politie betrokken via media zoals Opsporing Verzocht en online cold case-kalenders. Maar er ontstaan ook steeds meer (semi-)professionele opsporingsinitiatieven vanuit burgers, zoals Bellingcat en buurt-whatsappgroepen, die actief zijn bij vermissingen, moord of eenvoudige diefstal. Door social media is het voor burgers makkelijker geworden om (snel) betrokken te raken bij (opsporings)onderzoeken.

Groningen, 14 augustus 2020. Het is een warme zomerdag. In een elektrische BMW bij de bouwmarkt zit een hond in de auto, zonder eigenaar. De politie wordt gebeld en de ruit wordt ingeslagen om de hond te bevrijden. Is hier sprake van dierenmishandeling?

Door het grote bereik van social media kunnen meer burgers betrokken worden die ideeën of informatie hebben die kunnen leiden tot hulp en oplossingen in een zaak. Tegelijkertijd zijn er risico’s, zoals het (opzettelijk) aantasten of vernietigen van bewijs, (mentale) gezondheidsrisico’s, eigenrichting, maar ook tunnelvisie. Er kunnen zogeheten online firestorms ontstaan (Pfeffer, Zorbach & Carley, 2014) die de verdachte(n) (onterecht) in kwaad daglicht stellen en het verloop van het onderzoek verder kunnen beïnvloeden.

George is de eigenaar van de hond. Hij wordt online uitgemaakt voor dierenmishandelaar en met de dood bedreigd. George voert een verklaring op als weerwoord. Hij was 20 minuten weg bij de auto. Hij had de airco aangelaten voor zijn hond, die hij zijn beste vriend noemt. De airco maakte geen geluid, omdat het een elektrische auto is. In dit scenario was het dus in de auto koeler dan buiten.

Tunnelvisie
Wanneer er wordt gefocust op een enkel scenario en geen rekening wordt gehouden met andere mogelijke gebeurtenissen spreekt men van tunnelvisie. Alleen informatie die deze gebeurtenis ondersteunt, wordt voor waar aangenomen. Feiten die dit gevormde scenario tegenspreken worden genegeerd, waardoor er geen rekening mee wordt gehouden dat andere scenario’s mogelijk zijn (Martin, 2002; Crombag in Van Koppen et al., 2010). Tunnelvisie kan ervoor zorgen dat een verdachte onterecht als dader wordt aangewezen, de echte dader niet wordt opgespoord, of een vermist persoon niet wordt teruggevonden.

Objectieve afweging van bewijs
Een belangrijk psychologisch mechanisme dat ten grondslag ligt aan tunnelvisie is confirmation bias (Rassin, 2012; Findley & Scott 2006; van Koppen et al., 2010; Epskamp Dudink, 2016). Confirmation bias is: de neiging tot het zoeken en interpreteren van bewijs op een wijze die een al bestaande overtuiging, verwachting of hypothese bevestigt. (Nickerson, 1998, p. 175). Confirmation bias is een proces dat bij iedereen in het dagelijks leven optreedt (Nickerson, 1998). In een onzekere wereld helpt confirmation bias bij het bevestigen van iemands wereldbeeld. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat bepaalde zaken meer aandacht krijgen en daardoor beslissingen kunnen worden genomen (Epskamp Dudink, 2016). Bij de recherche zijn maatregelen getroffen gericht op het voorkomen van risico’s op tunnelvisie, om de kans op het aanwijzen van een verkeerde dader zoveel mogelijk te beperken (Salet, 2015). Naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord in 2000 is in 2007 het scenariodenken verplicht gesteld binnen de recherche. Tegenspraak is een belangrijk onderdeel hiervan. Tunnelvisie wordt tegengegaan door actief op zoek te gaan naar alternatieve scenario’s en ook hierop te focussen. Zo wordt voorkomen dat de recherche zich te veel focust op één bepaald scenario (Salet, 2015). Met een objectieve afweging van bewijs kan de waarschijnlijkheid van scenario’s getoetst worden en inzicht bieden in wat er mogelijk wel en ook juist niet is gebeurd.

Tegengaan van tunnelvisie
Burgers die zelf onderzoek uitvoeren naar misdrijven en vermissingen beschikken over het algemeen niet over dergelijke kennis over scenariodenken. Deze infographic biedt meer handvatten voor het scenariodenken door burgers. Dit is een handelingsperspectief met do’s en don’ts bij scenariodenken, inclusief handige onderzoeksvragen en risico’s. De 7 W’s (wat-, welke wijze (hoe)-, wie-, wanneer-, waar-, waarom- en waarmee-vragen) zijn nodig om verhaallijnen te kunnen maken. Op veel vragen zullen meerdere antwoorden mogelijk zijn, of misschien helemaal geen. Vervolgens kunnen meerdere scenario’s worden opgesteld. Bij vermissingen bijvoorbeeld kan het gaan om wel of geen vrijwillige verdwijning, een natuurlijke of niet-natuurlijke dood, of (hopelijk) gewoon een misinterpretatie van de situatie. Dergelijke scenario’s kunnen getoetst worden aan de opsporingsindicaties. Hierbij kan een bewijsmatrix of mindmap gebruikt worden als hulpmiddel.

[slideshare id=249874606&doc=tnoehbscenariodenkena4printv3-210728083038&type=d]

Een ander belangrijk element van het tegengaan van tunnelvisie is, net zoals bij de recherche, het toelaten van tegenspraak. Het beste is als deze tegenspraak komt van een onafhankelijk persoon, in afwezigheid van de onderzoeker, om het proces zo goed mogelijk te kunnen toetsen op objectiviteit. Dit kan gedurende het gehele opsporingsproces, maar het is het beste als dit zo vroeg mogelijk in het proces aanvangt.

George zegt dat hij het goed vindt dat mensen zijn hond willen redden en geen problemen heeft met het inslaan van een raam. Dat hij door iedereen beschuldigd wordt voor dierenmishandeling en doodsbedreigingen krijgt vindt hij onterecht.

Niet in alle situaties is ruimte voor scenariodenken. Soms is er acute actie nodig. In situaties waar het wel mogelijk is dienen echter de juiste afwegingen gemaakt te worden om objectief te oordelen en onjuiste gevolgen te voorkomen. Een oordeel is snel gemaakt, zeker online. Maar wat zou er werkelijk aan de hand kunnen zijn? In samenspraak met de politie kunnen burgers verder onderzoek uitvoeren. Alleen door het kritische denkvermogen te stimuleren kunnen burgers tunnelvisie voorkomen om zichzelf, elkaar en politie en justitie op een constructieve manier te helpen.


Literatuur:

Epskamp-Dudink, C. (2016). ‘Niet te filmen! Over retrospectief scenariodenken in de opsporingspraktijk. Lectoraat Intelligence Politieacademie.

Findley, K.A. & Scott, M.S. (2006). The multiple dimension of tunnel vision in criminal cases. Wisconsin Law Review, pp. 291-398

Koppen, van, P.J., Merckelbach, H., Jelicic, M. & De Keijser, J.W. (2010). Reizen met mijn rechter. Psychologie van het recht. Deventer: Kluwer.

Martin, D. L. (2002). Lessons about justice from the laboratory of wrongful convictions: Tunnel vision, the construction of guilt and informer evidence. UMKC Law Review, 70(4), 847-864.

Nickerson, R. S. (1998). Confirmation bias: A ubiquitous phenomenon in many guises. Review of general psychology2(2), 175-220.

Pfeffer, J., Zorbach, T., & Carley, K. M. (2014fro). Understanding online firestorms: Negative word-of-mouth dynamics in social media networks. Journal of Marketing Communications, 20(1-2), 117-128.

Rassin, E. (2007). Waarom ik altijd gelijk heb. Over tunnelvisie. Schiedam: Scriptum.

Salet, R. (2015). Opsporing, tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak in grootschalige rechercheonderzoeken. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.

Vries, A. de, & Smilda, F. (2014). Sociale media: het nieuwe DNA. Een revolutie in de opsporing. Amsterdam: Reed Business

Bron: Website voor politie

Eerste Hulp Bij Opsporing: burgerhulp bij sporenonderzoek

Het komt geregeld voor dat opsporingszaken vastlopen, bijvoorbeeld omdat de politie de mankracht mist om het onderzoek voort te zetten of dat er te weinig opsporingsindicaties zijn. Of een simpele zaak wordt niet behandeld, omdat de prioriteit van de politie ergens anders ligt. Dit hoeft niet het einde van een onderzoek te zijn. Door de hulp in te schakelen van burgers kunnen nieuwe aanknopingspunten worden gevonden. Helaas is burgeropsporing niet altijd zo succesvol en behulpzaam. Meer dan eens denken de burgers voor eigen rechter te kunnen spelen.?In Arnhem wordt een dader van een woninginbraak doodgereden door slachtoffers van een woninginbraak. Wat er precies gebeurt is, is deels onduidelijk (De Telegraaf, 2017). Maar het is wel duidelijk dat er voor de burgeropsporing kansen liggen. Echter er zijn duidelijke richtlijnen, handleidingen en soms adequaat optreden nodig van politie of OM zodat het niet uit de hand loopt. Momenteel ontbreken deze spelregels en is het onduidelijk hoe de politie sporen die door burgers zijn waargenomen, effectiever veilig gesteld kunnen worden. Kortom: handelingsperspectief voor burgers die iets meemaken.

TNO deed samen met de politie en experts uit de forensische opsporing en forensic science een verkenning “Eerste Hulp Bij Opsporing: Burgers betere mogelijkheden bieden om aan forensische opsporing bij te dragen”. Eerder berichtten we al over het interactief Plaats Delict, waar burgers voorlichting kregen over hoe om te gaan met sporen.

?Misschien heeft iedereen dan wel een mini NFI-hulptasje in de metenkast hangen. Het ideale plaatje is dat alle burgers weten wat er gedaan moet worden om forensische sporen te beschermen tot de Forensische Opsporing is geweest. Dat iedere burger weet wat er wel en niet gedaan moet worden als er een delict is gepleegd. De politie moet veel meer ogen en oren krijgen voor wat de burger kan/wil en burgers zoveel mogelijk bij de opsporing betrokken worden. Daarnaast zou de politie meer voorlichtingen moeten gaan geven aan de burgers over het hoe en wat.?

Een van de resultaten van dit onderzoek is een infographic voor burgers nadat zij slachtoffer zijn geworden van een woninginbraak. Woninginbraak is gekozen omdat er gemiddeld per jaar een kleine 100.000 woninginbraken zijn en omdat een goede bijdrage van burgers de kans op goede opsporing kan verbeteren en daardoor ook kan meewerken aan het versterken van het onveiligheidsgevoel van de burger en betere preventie. Betere preventie kan ontstaan omdat burgers meer betrokken zijn bij opsporing en beter bewust raken van de manier waarop inbrekers werken (modus operandus) en daarmee ook beter zichzelf en hun buurtgenoten kunnen waarschuwen.

[slideshare id=104943955&doc=tnoehbwoninginbraaka4-180709104336&type=d]

Na een misdrijf zijn er op de plaats delict verschillende forensische sporen te vinden. De opsporingsmethodes voor deze forensische sporen verschillen per soort spoor. Zo worden er andere opsporingsmethodes gebruikt voor een digitaal spoor dan voor een DNA-spoor. Op dezelfde manier verschillen ook de methodes van veiligstellen. Alle verschillende opsporingmethodes en methodes voor veiligstellen staan vast in de Forensisch Technische normen samengesteld door het Nederland Forensisch Instituut (NFI) (NFI & Justitie, 2007). Binnen dit onderzoek wordt er voornamelijk gekeken naar het veiligstellen van forensische sporen.

Wat quotes uit het onderzoek, waarin voor-en nadelen blijken:

?De burger heeft een feilloos gevoel voor wat normaal is in de buurt en wat niet.?

?Vooral bij de heterdaadkracht kan dit leiden tot een verhoogd succes van de opsporing.?

?Als burgers zelf dingen gaan doen, kunnen forensische sporen beschadigen.?

?Het verhaal zal; niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid, omdat het de beleving is van een burger.?

?De forensisch experts hebben ervoor gestudeerd. De politie zou het moeten weten, maar doet het soms ook al fout. Bij de burger is de kans op contaminatie maar ook fraude alleen nog maar groter.?

“In hoeverre is de burger objectief genoeg om dit aan te kunnen??

Forensische wetenschap

De definitie van forensische wetenschap is het toepassen van voornamelijk technische en (natuur) wetenschappelijke methoden en technieken ten behoeve van de waarheidsvinding in de rechtspleging. Daarnaast zijn er ook een aantal andere disciplines, zoals rechtspsychologie en forensische accountancy. De nadruk ligt bij forensische wetenschap voornamelijk op het recht. De wetenschap is slechts een hulpmiddel dat het recht in staat stelt haar doeleinden optimaal te bereiken (A. P. A. Broeder, 2008).

Forensische sporen

Biologische sporen ontstaan wanneer een persoon lichaamsvloeistoffen (bloed, sperma of speeksel) of haren achterlaat op een plaats delict. Het onderzoek aan deze sporen wordt voornamelijk uitgevoerd om achter de identiteit van het persoon te komen die dit heeft achtergelaten. De sporen worden veiliggesteld op de plaats delict en daarna behandeld in een speciaal daarvoor ingericht laboratorium. Om de aard van het biologische spoor te bepalen zijn er diverse biochemische en immunologische methoden beschikbaar. Om het DNA vast te stellen zijn er speciale DNA-technologi?n. Biologische sporen zijn de belangrijkste sporen, maar niet altijd zijn deze bruikbaar. Dan worden er naar andere sporen gekeken; zoals vingersporen, schoensporen, inbraaksporen of digitale sporen. Schoensporen ontstaan wanneer er een indruk of een afdruk van een schoenzool wordt achter gelaten. Inbraaksporen ontstaan wanneer er met een werktuig geprobeerd worden om een raam of een deur open te krijgen. Dit laat een identieke indruk achter van het werktuig dat gebruikt is. Digitale sporen ontstaan wanneer informatie- en communicatietechnologie (ICT) gebruikt wordt. Tegenwoordig ligt bijna elke handeling binnen de ICT ergens vastgelegd en opgeslagen. Cybercrime ontstaat wanneer ICT gebruikt wordt als hulpmiddel of als doel bij het plegen van misdrijven. Wanneer ICT als hulpmiddel wordt gebruikt, gaat het vaak om een klassiek delict zoals woninginbraak. Alleen dit keer worden Google Maps en Facebook gebruikt om het potenti?le slachtoffer uit te zoeken. Dit laat digitale sporen achter die gebruikt kunnen worden voor de digitale opsporing. Als ICT gebruikt wordt als alleen het doel, is er sprake van een serie nieuwe delicten. Voorbeelden hiervan zijn: hacken, malware/ransomware, phishing, internetoplichting, DDoS-aanvallen. Deze delicten bevinden zich in het zogenoemde Cyberspace, een niet-fysieke omgeving met een sociale structuur dat vergelijkbaar is met de sociale structuur van de offline wereld, en waar afstand en tijd geen belangrijke rol spelen. (A. P. A. Broeder, 2008) (E. R. Leukfeldt, 2012).?Op dit moment is het veiligstellen van forensische sporen alleen weggelegd voor de Forensische Opsporing (FO). De FT-normen, waarin staat beschreven hoe een spoor veiliggesteld moet worden, zijn niet openbaar in te zien.

Burgeropsporing/-participatie
De politie is vaak afhankelijk van de medewerking van de burger. Burgerparticipatie is van alle jaren, maar tegenwoordig is de manier waarop de burger bij de opsporing betrokken wordt, aan het veranderen. Door het gebruik van digitale technieken en mediakanalen zijn er veel meer burgers tegelijk te bereiken en kunnen zij makkelijker de informant van de politie zijn. Toch blijft er een belangrijk verschil tussen burgerparticipatie en burgeropsporing. Bij de participatie blijft de regie in de handen van de politie. De burger krijgt alleen de gelegenheid om mee te kijken en mee te denken. Bij de opsporing wordt de opsporing geheel door de burger uitgevoerd (L. G. Moor, 2011).

Eigenrichting
Over het algemeen wordt er onder ?eigenrichting? het volgende verstaan: iemand heeft het recht in eigenhanden genomen door geweld tegen een dader van een misdrijf te gebruiken dan nodig was geweest in de situatie. Eigenrichting is een van de gevolgen van een niet-gereguleerde burgeropsporing (L. G. Moor, 2011).

App: ZHKH – Zelfhulp Kameradenhulp

Op zoek naar een app die de kennis op het gebied van Zelfhulp Kameradenhulp (ZHKH) opfrist? Het Kenniscentrum van het Defensie Gezondheidszorg Opleidings- en Trainingscentrum (DGOTC) ontwikkelde deze app, gebaseerd op de laatste publicatie van het Handboek Militair. ZHKH is vergelijkbaar met EHBO.

De app is in beide stores te vinden via de zoekterm ZHKH (iOS, Android).

Het is een overzichtelijke app geworden die de gebruiker wegwijs maakt in het ZHKH-protocol. Wie er niet uitkomt, kan terugvallen op het trainingsdeel van de app, dat de handelingen stapsgewijs beschrijft.

De app is ontworpen door eerste luitenant Jelle van Haaster. Hij maakte eerder al de?Rangen-app. Van Haaster doet op de Faculteit Militaire Wetenschappen (onderdeel van de?Nederlandse Defensie Academie) promotieonderzoek naar het nut van cyberoperaties in toekomstige conflictgebieden. Het ontwerpen en bouwen van app?s noemt hij ?een hobby?.

Bronnen: Defensie