Tagarchief: recherche

Tunnelvisie bij burgers in opsporing

Burgerparticipatie binnen de opsporing is een fenomeen dat al eeuwenlang wordt toegepast. Al in de middeleeuwen werden burgers betrokken bij het terugvinden van gestolen objecten (De Vries & Smilda, 2014). Tegenwoordig worden burgers door de politie betrokken via media zoals Opsporing Verzocht en online cold case-kalenders. Maar er ontstaan ook steeds meer (semi-)professionele opsporingsinitiatieven vanuit burgers, zoals Bellingcat en buurt-whatsappgroepen, die actief zijn bij vermissingen, moord of eenvoudige diefstal. Door social media is het voor burgers makkelijker geworden om (snel) betrokken te raken bij (opsporings)onderzoeken.

Groningen, 14 augustus 2020. Het is een warme zomerdag. In een elektrische BMW bij de bouwmarkt zit een hond in de auto, zonder eigenaar. De politie wordt gebeld en de ruit wordt ingeslagen om de hond te bevrijden. Is hier sprake van dierenmishandeling?

Door het grote bereik van social media kunnen meer burgers betrokken worden die ideeën of informatie hebben die kunnen leiden tot hulp en oplossingen in een zaak. Tegelijkertijd zijn er risico’s, zoals het (opzettelijk) aantasten of vernietigen van bewijs, (mentale) gezondheidsrisico’s, eigenrichting, maar ook tunnelvisie. Er kunnen zogeheten online firestorms ontstaan (Pfeffer, Zorbach & Carley, 2014) die de verdachte(n) (onterecht) in kwaad daglicht stellen en het verloop van het onderzoek verder kunnen beïnvloeden.

George is de eigenaar van de hond. Hij wordt online uitgemaakt voor dierenmishandelaar en met de dood bedreigd. George voert een verklaring op als weerwoord. Hij was 20 minuten weg bij de auto. Hij had de airco aangelaten voor zijn hond, die hij zijn beste vriend noemt. De airco maakte geen geluid, omdat het een elektrische auto is. In dit scenario was het dus in de auto koeler dan buiten.

Tunnelvisie
Wanneer er wordt gefocust op een enkel scenario en geen rekening wordt gehouden met andere mogelijke gebeurtenissen spreekt men van tunnelvisie. Alleen informatie die deze gebeurtenis ondersteunt, wordt voor waar aangenomen. Feiten die dit gevormde scenario tegenspreken worden genegeerd, waardoor er geen rekening mee wordt gehouden dat andere scenario’s mogelijk zijn (Martin, 2002; Crombag in Van Koppen et al., 2010). Tunnelvisie kan ervoor zorgen dat een verdachte onterecht als dader wordt aangewezen, de echte dader niet wordt opgespoord, of een vermist persoon niet wordt teruggevonden.

Objectieve afweging van bewijs
Een belangrijk psychologisch mechanisme dat ten grondslag ligt aan tunnelvisie is confirmation bias (Rassin, 2012; Findley & Scott 2006; van Koppen et al., 2010; Epskamp Dudink, 2016). Confirmation bias is: de neiging tot het zoeken en interpreteren van bewijs op een wijze die een al bestaande overtuiging, verwachting of hypothese bevestigt. (Nickerson, 1998, p. 175). Confirmation bias is een proces dat bij iedereen in het dagelijks leven optreedt (Nickerson, 1998). In een onzekere wereld helpt confirmation bias bij het bevestigen van iemands wereldbeeld. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat bepaalde zaken meer aandacht krijgen en daardoor beslissingen kunnen worden genomen (Epskamp Dudink, 2016). Bij de recherche zijn maatregelen getroffen gericht op het voorkomen van risico’s op tunnelvisie, om de kans op het aanwijzen van een verkeerde dader zoveel mogelijk te beperken (Salet, 2015). Naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord in 2000 is in 2007 het scenariodenken verplicht gesteld binnen de recherche. Tegenspraak is een belangrijk onderdeel hiervan. Tunnelvisie wordt tegengegaan door actief op zoek te gaan naar alternatieve scenario’s en ook hierop te focussen. Zo wordt voorkomen dat de recherche zich te veel focust op één bepaald scenario (Salet, 2015). Met een objectieve afweging van bewijs kan de waarschijnlijkheid van scenario’s getoetst worden en inzicht bieden in wat er mogelijk wel en ook juist niet is gebeurd.

Tegengaan van tunnelvisie
Burgers die zelf onderzoek uitvoeren naar misdrijven en vermissingen beschikken over het algemeen niet over dergelijke kennis over scenariodenken. Deze infographic biedt meer handvatten voor het scenariodenken door burgers. Dit is een handelingsperspectief met do’s en don’ts bij scenariodenken, inclusief handige onderzoeksvragen en risico’s. De 7 W’s (wat-, welke wijze (hoe)-, wie-, wanneer-, waar-, waarom- en waarmee-vragen) zijn nodig om verhaallijnen te kunnen maken. Op veel vragen zullen meerdere antwoorden mogelijk zijn, of misschien helemaal geen. Vervolgens kunnen meerdere scenario’s worden opgesteld. Bij vermissingen bijvoorbeeld kan het gaan om wel of geen vrijwillige verdwijning, een natuurlijke of niet-natuurlijke dood, of (hopelijk) gewoon een misinterpretatie van de situatie. Dergelijke scenario’s kunnen getoetst worden aan de opsporingsindicaties. Hierbij kan een bewijsmatrix of mindmap gebruikt worden als hulpmiddel.

[slideshare id=249874606&doc=tnoehbscenariodenkena4printv3-210728083038&type=d]

Een ander belangrijk element van het tegengaan van tunnelvisie is, net zoals bij de recherche, het toelaten van tegenspraak. Het beste is als deze tegenspraak komt van een onafhankelijk persoon, in afwezigheid van de onderzoeker, om het proces zo goed mogelijk te kunnen toetsen op objectiviteit. Dit kan gedurende het gehele opsporingsproces, maar het is het beste als dit zo vroeg mogelijk in het proces aanvangt.

George zegt dat hij het goed vindt dat mensen zijn hond willen redden en geen problemen heeft met het inslaan van een raam. Dat hij door iedereen beschuldigd wordt voor dierenmishandeling en doodsbedreigingen krijgt vindt hij onterecht.

Niet in alle situaties is ruimte voor scenariodenken. Soms is er acute actie nodig. In situaties waar het wel mogelijk is dienen echter de juiste afwegingen gemaakt te worden om objectief te oordelen en onjuiste gevolgen te voorkomen. Een oordeel is snel gemaakt, zeker online. Maar wat zou er werkelijk aan de hand kunnen zijn? In samenspraak met de politie kunnen burgers verder onderzoek uitvoeren. Alleen door het kritische denkvermogen te stimuleren kunnen burgers tunnelvisie voorkomen om zichzelf, elkaar en politie en justitie op een constructieve manier te helpen.


Literatuur:

Epskamp-Dudink, C. (2016). ‘Niet te filmen! Over retrospectief scenariodenken in de opsporingspraktijk. Lectoraat Intelligence Politieacademie.

Findley, K.A. & Scott, M.S. (2006). The multiple dimension of tunnel vision in criminal cases. Wisconsin Law Review, pp. 291-398

Koppen, van, P.J., Merckelbach, H., Jelicic, M. & De Keijser, J.W. (2010). Reizen met mijn rechter. Psychologie van het recht. Deventer: Kluwer.

Martin, D. L. (2002). Lessons about justice from the laboratory of wrongful convictions: Tunnel vision, the construction of guilt and informer evidence. UMKC Law Review, 70(4), 847-864.

Nickerson, R. S. (1998). Confirmation bias: A ubiquitous phenomenon in many guises. Review of general psychology2(2), 175-220.

Pfeffer, J., Zorbach, T., & Carley, K. M. (2014fro). Understanding online firestorms: Negative word-of-mouth dynamics in social media networks. Journal of Marketing Communications, 20(1-2), 117-128.

Rassin, E. (2007). Waarom ik altijd gelijk heb. Over tunnelvisie. Schiedam: Scriptum.

Salet, R. (2015). Opsporing, tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak in grootschalige rechercheonderzoeken. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.

Vries, A. de, & Smilda, F. (2014). Sociale media: het nieuwe DNA. Een revolutie in de opsporing. Amsterdam: Reed Business

Bron: Website voor politie

Heel Holland spoort op

Naar een afwegingsmodel voor de politie in de omgang met burgers die zelfstandig onderzoek doen
Auteurs: Arnout de Vries, Shanna Wemmers, Stan Duijf & Victor Kallen, Eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Veiligheid 2020 (19) 2-3

Burgers die zelfstandig misdrijven onderzoeken is een groeiende trend vanwege de democratisering van informatie (zoals sociale media), onderzoeksmiddelen (zoals apps) en kennis (zoals op YouTube). Meer en meer burgers doen hun eigen onderzoek als moderne Sherlocks. Dit artikel onderzoekt hoe de politie participeert in hedendaagse onderzoeken van burgers, inclusief de ervaren voor- en nadelen. De verkregen inzichten van het gepresenteerde onderzoek dienen als leidraad om politieagenten te helpen begrijpen hoe ze kunnen participeren met burgers die zelfstandig onderzoek gestart zijn of willen starten. Het gepresenteerde afwegingsmodel legt uit hoe de politie burgers beter kan begeleiden en stimuleren, maar ook stoppen of beschermen in hun onderzoeksactiviteiten als dat nodig is. In vier politie-eenheden is onder professionele begeleiding een app getoetst waarmee de politie kan participeren in onderzoek dat burgers zelf hebben opgestart en te leren van wederzijdse verwachtingen en ervaringen. De conclusie is dat burgers begeleiding nodig hebben, maar belangrijker nog is dat ze een zekere mate van wederkerigheid verwachten in de samenwerking met de politie bij het strafrechtelijk onderzoek.

Inleiding: moderne Sherlocks

‘Ik bel de politie en ga ervan uit dat ze meteen ingrijpen en die foto’s willen bekijken, toch? Maar nee. Ze zeggen letterlijk: “Die foto’s willen we niet. Je mag ze niet aan ons
laten zien, want als dat strafbare foto’s zijn en jij hebt ze, dan ben jij strafbaar.” Wat?!?’ – passage uit een YouTube-vlog van Vrije Vogels (Van der Meulen, 2018).

Sven van der Meulen, ook wel bekend als de Meppelse vlogger, heeft na zelf onderzoek te doen foto’s en een filmpje ontvangen van een man die jonge jongens drogeert en seksueel misbruikt. Hij wil dit materiaal direct met de politie delen en wil een afspraak met de man maken, maar de politie wijst hem erop dat dit materiaal strafbaar is en slaat dit ‘bewijsaanbod’, en daarmee ook de opvolging in deze zaak, af (Van der Meulen, 2018).

Sven is een voorbeeld van een burger die zelf onderzoek uitvoert naar misdrijven. Burgers kruipen steeds meer in de rol van politie, op gebieden als handhaving, hulpverlening en opsporing. Als ze worden geconfronteerd met een strafbaar feit, starten ze op eigen initiatief met ‘opsporen’. De maatschappelijke aandacht naar dit fenomeen ‘Do-It-Yourself Policing’ groeit al jaren levendig (Denef et al., 2017), net zoals het aantal burgers dat zelf start met opsporen gestaag lijkt toe te nemen (De Vries, 2018). Van het internationale onderzoekscollectief Bellingcat tot aan de vele duizenden lokale WhatsApp-buurtgroepen, heel Holland spoort op, zo lijkt het. Noemenswaardig is dat de aandacht voornamelijk is uitgegaan naar de opsporende burger en het romantiserende mediagenieke Sherlock Holmesgehalte van dit fenomeen dat in de breedte van private opsporing groeit (De Vries, 2015). De casus van Sven illustreert echter dat burgeronderzoek naar misdrijven
iets complexer ligt dan alleen de kunst van deductie. Wettelijke bevoegdheden en beperkingen van politie en burgers zijn niet altijd in lijn met wederzijdse verwachtingen, terwijl de behoefte en mogelijkheden om zelf onderzoek uit te voeren steeds meer lijken toe te nemen.

Participatie binnen de opsporing is een internationale trend, waarin Nederland tot de koplopers lijkt te behoren (Denef et al., 2017). De politie ontwikkelt haar rol binnen deze trend waarin steeds meer burgers op allerlei wijzen en bij allerlei misdrijven participeren of handelen in politietaken (Politie & Justitie, 2019). Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Operationele handvatten in de politiepraktijk voor het versterken van voordelen en het minimaliseren van nadelen door amateurspeurneuzen ontbreken echter nog. In dit artikel worden door een reflectie op de huidige situatie wensen en eisen afgeleid voor de omgang tussen politie en initiatiefrijke burgers. De vertaling hiervan is verwerkt in een model met praktijkgerichte handvatten voor de politie om te komen tot de uitvoering van de ontwikkelde visie. Door gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de operationele interactie tussen burger en politie bij burgeronderzoek dient dit model echter verder
gevalideerd te worden in meer praktijksituaties.

Methode

Op basis van de huidige status en ontwikkelingen van burgeronderzoek bij misdrijven is een afwegingsmodel ontwikkeld voor de samenwerking tussen burgeronderzoekers en politie. Dit model is gebaseerd op de huidige literatuur, casuïstiek, wetgeving en het beleid van de Nederlandse politie. Het model is iteratief ontwikkeld met behulp van diverse expertsessies en een praktijkproef.

Het model is in samenwerking met burgers in de praktijk getoetst aan de hand van de app die de politie samen met het OM op 1 juni 2019 heeft gelanceerd: ‘Mijn Onderzoek’. Met deze app konden burgers zelf onderzoek doen als zij slachtoffer waren geworden van eenvoudige diefstal. Burgers kregen in de proeftuin na aangifte de mogelijkheid om via de app hun onderzoek uit te voeren. Met de app konden zij onderzoekshandelingen verrichten en opsporingsindicaties vastleggen door het uploaden van beeldmateriaal, het maken van notities, het uitvoeren van online buurtonderzoek en het afnemen van getuigeninterviews. Aan de proef deden tientallen burgers (N=46) en politieagenten (N=20) mee uit basisteams van zes verschillende politie-eenheden. Vooraf zijn de deelnemers via enquêtes bevraagd over hun verwachtingen en achteraf is via telefonische interviews gevraagd naar hun ervaringen.

Voorafgaand aan de proeftuin is het afwegingsmodel middels een viertal expertsessies iteratief besproken volgens de Delphi-methode (Dalkey et al., 1963; Ono & Wedemeyer, 1994) en met de opgehaalde feedback verwerkt. Tientallen experts, zoals aanwezig op de conferentie ‘de politie van overmorgen’, kwamen vanuit de politie, Politieacademie, het OM en van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op een MUSIS-bijeenkomst waren er aanvullend nog strafrechters en strafrechtadvocaten. De proeftuin bood een eerste validatie van het model in een praktijkomgeving. Aan de hand van de resultaten van de proeftuin zijn geen nieuwe iteraties gemaakt aan het model, maar worden wel aandachtspunten in de afsluitende discussie van dit artikel besproken.

Theoretisch kader

Burgeronderzoek
‘Opsporing’ is een juridische term die duidt op het ‘in het Nederlands strafprocesrecht […] doen van onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen’ (art. 132a Wetboek van Strafvordering). Burgers die zelfstandig handelen kunnen dus juridisch gezien niet opsporen; daarom wordt binnen dit artikel de term ‘burgeronderzoek’ toegepast. Dit burgeronderzoek naar strafbare feiten doen burgers regelmatig volledig autonoom en onafhankelijk, bij gelegenheid in wereldwijde (virtuele) netwerken en slechts soms in samenwerking met de politie. Het aantal en de variëteit van initiatieven is groot, de ene burger bericht over zijn gestolen fiets op Facebook2 en de ander spant samen om via een online community pedoseksuelen3 of oorlogsmisdadigers te ontmaskeren.4

2 Fiets is foetsie’ als website waarop burgers hun verloren of gevonden fietsen kunnen posten: www.fietsisfoetsie.nl.
3 Op het YouTube-kanaal ‘Betrapt’ laat men zien hoe vermeende pedoseksuelen worden geconfronteerd,
bijvoorbeeld: www.youtube.com/channel/UC1QRdOZ6zwpe0fUVOyGWuvw.
4 Hackers van Anonymous voeren strijd tegen IS verder op: https://nos.nl/artikel/2069431-hackers-van-anonymous-voeren-strijd-tegen-is-verder-op.html.

Abstracte ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering dragen volgens velen bij aan deze ontwikkeling (Duijf, 2018), maar de integratie van technologie en internet in het dagelijks leven lijkt nog prominenter bij te dragen aan het opsporend vermogen van deze zelfstartende Sherlocks (De Vries & Smilda, 2014). Burgers staan in continue verbinding met elkaar en internet biedt informatie op alle vlakken. Denk hierbij aan de opmars van open-bronnenonderzoek. Oprichter van Bellingcat – Elliot Higgins – noemde open-bronnenonderzoek door burgers zelfs een vreedzame revolutie die waarheidsvinding bevordert (Higgins, 2018). Met zijn onderzoek naar de MH17 hielp dit onderzoekscollectief het internationale Joint Investigation Team (JIT) en won het internationaal erkende mediaprijzen. Samenwerking met burgers kan waardevol zijn voor politie en justitie en
hun opsporingsonderzoeken, maar risico’s zijn er ook.

Slimmer samenwerken
Samenwerking met burgers is de politie niet vreemd. De politie zet burgers in wanneer zij mogelijk informatie hebben die de politie kan helpen bij haar opsporingsonderzoek. Denk aan de inzet van Burgernet bij zoekacties of televisieprogramma Opsporing Verzocht, dat ook bewezen effecten sorteert (Van Erp, Van Gastel & Webbink, 2012). Van oudsher worden burgers betrokken bij het opsporingsonderzoek in de rol van bijvoorbeeld slachtoffer, verdachte of getuige. Ook op digitaal vlak heeft de politie de laatste jaren fors geïnvesteerd, zoals in de aanwezigheid op het web met sociale-media-accounts (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012) en zelfs via een politie-podcast zoekt de politie op een moderne manier de interactie met het publiek op (Van der Graaf, 2019).

Een kenmerk van de huidige participatie is dat de politie het initiatief neemt, zij stelt een vraag en verwacht antwoord van de burger. De burger antwoordt en de politie onderzoekt zelf verder. Wanneer de politie het initiatief neemt en de burger ondersteunt of participeert, spreken we van burgerparticipatie (De Vries & Smilda, 2014).

Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers blijken alerter te worden, voelen zich na enige tijd veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot en heterdaadkracht is altijd al grotendeels afhankelijk geweest van de inbreng van burgers (Kerstholt, De Vries, Mente & Huis in ’t Veld, 2015; De Vries et al., 2016). Verschillende hedendaagse praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010). Burgers melden en signaleren via moderne sociale-mediakanalen in hun buurt, middels websites, apps of telefonisch en het zijn juist deze signalen van de burger waar de overheid grotendeels van afhankelijk is. Burgerparticipatie loont, want van alle aangehouden verdachten wordt 85% op heterdaad betrapt en gearresteerd. Daarvan is 60% te danken aan de alertheid en meldingsbereidheid van de burger. Dit komt neer op 51% van het totaal aantal aangehouden verdachten (Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde, 2007).

In een groeiend aantal gevallen wordt het initiatief echter ingegeven door een volgens de burger tekortschietende politie (Schreurs, 2019). Burgers denken dat de politie hun verwachtingen niet kan waarmaken en besluiten zelf op zoek te gaan naar waarheidsvinding en rechtspreking (Duijf, 2018). Bij deze nieuwe vormen van participatie zien we nu dan ook steeds vaker dat de rollen worden omgedraaid. In het voorbeeld van Sven is te zien hoe hij op eigen initiatief onderzoek heeft uitgevoerd en de politie niet of nauwelijks betrokken is geweest. Wanneer Sven zijn onderzoeksresultaten wil overdragen aan de politie voor opvolging, neemt de politie deze niet (zomaar) aan. In de opsporing willen politie en justitie vooral zelf veel invloed en regie hebben op het gehele proces (Duijf, 2018). Het is niet de bedoeling dat burgers onder het mom van ‘onderzoek’ materiaal verzamelen dat strafbaar is. Sven heeft als burger geen (opsporings)bevoegdheid om
dergelijk materiaal te verzamelen. De politie heeft bovendien geen controle over de manier waarop het materiaal wordt verkregen en hoe rechtmatig en betrouwbaar dat heeft plaatsgevonden. Burgers kunnen onbedoeld zaken verstoren als zij op een verkeerde manier met potentieel bewijsmateriaal omgaan. Daarbij heeft de politie geen controle over de mogelijk schadelijke effecten die deze bemoeienis kan hebben.

Politieparticipatie: bekrachtigen, beschermen en begrenzen van burgers

Politieparticipatie, wat wordt ermee bedoeld?

Figuur 1 Verschil tussen burgerparticipatie en politieparticipatie

Een traditionele monopoliepositie in de opsporing, daar is al lang geen sprake meer van. Politie en justitie realiseren zich steeds meer dat anderen nodig zijn om de opsporing fundamenteel te verbeteren (Politie, 2018). In haar koersdocument (N.N., 2017) laat de politie dit duidelijk blijken en staat de samenwerking met anderen die opsporen niet meer aan de zijlijn, maar in het speelveld. Maar wat betekent politieparticipatie eigenlijk? De Vries en Smilda (2014) positioneerden politieparticipatie tussen enerzijds burgerparticipatie, waar de burger gevraagd meedoet met de politie, en anderzijds burgeractiviteiten, waar de burger anderzijds zonder enige betrokkenheid van overheden opspoort (figuur 1). Er is sprake van politieparticipatie wanneer de politie deelneemt aan opsporingsactiviteiten die geïnitieerd zijn door burgers en waarin burgers de leiding nemen. In de zaak van Sven, maar ook in minder controversiële zaken zou de rol van de
politie meer participerend moeten zijn naar welwillende burgers om deze zaken in goede banen te leiden, kansen te benutten en risico’s te beperken. Op basis van literatuuronderzoek worden in dit artikel burgers die zelf het initiatief nemen om onderzoek te doen gedefinieerd als: Een of meer burgers die onafhankelijk activiteiten initiëren om informatie te verzamelen in relatie tot een gepleegd strafbaar feit met als doel om de waarheid te vinden en om recht te spreken (Duijf, 2018).

Vandaag de dag is politieparticipatie meer een strategisch voornemen van de politie dan werkelijkheid. Veiligheid is niet alleen een taak voor de overheid; burgers tonen meer en meer de behoefte om actiever te participeren binnen het veiligheidsdomein. De informatie die burgers binnenbrengen kan de politie echter

niet altijd gebruiken. De politie is daarbij gehouden aan bepaalde wettelijke opsporingsbevoegdheden en -beperkingen en heeft een terughoudende attitude wat betreft samenwerking (Duijf, 2018). Doordat burgers geen opsporingsbevoegdheid en hiervoor geen opleiding hebben gehad, bestaat voor de politie het risico dat zij de wet overtreden of onderzoeken verstoren. Om de rechtmatigheid en bewijskracht te verhogen kunnen politie en burgers wel een vorm van samenwerking opzoeken. Politie en justitie hebben daartoe ‘Leidende Principes’ (Politie en justitie, 2019) ontwikkeld binnen het Programma Versterking Opsporing en Vervolging (PVOV)5 in samenwerking met politieagenten, juristen en wetenschappers met diverse achtergronden. Uit deze principes en gebaseerd op haar algemene missie volgt dat afhankelijk van de omstandigheden de politie dient te bekrachtigen, beschermen en begrenzen.6 Bekrachtigen betekent ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van (structurele) samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. Bij het beschermen van burgers gaat het bijvoorbeeld om hun leven, vrijheid en bezittingen. Bij begrenzen gaat het om het beperken en beëindigen van ongeoorloofd gedrag. De principes bieden uitgangspunten voor hoe politie en justitie zich kunnen verhouden tot een samenleving die zelfstandig onderzoek doet dat kan worden opgevolgd in het opsporings- en vervolgingsproces.

Een andere reactie van de politie op de behoefte van burgers die willen bijdragen aan opsporing is de app ‘Mijn Onderzoek’.7 Met deze app is in de zomer van 2019 voor het eerst geëxperimenteerd om de behoeften en kansen van burgeronderzoek te combineren. Met de app kunnen burgers na een delict hun eigen onderzoeksdossier creëren dat bij een aangifte gevoegd kan worden. Middels tips en waarschuwingen communiceert de politie de afwegingskaders uit het ontwikkelde model voor het onderzoek dat de burger uitvoert om daarmee de bewijskracht te verhogen en risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. Deze ondersteuning is bedoeld om burgeractiviteiten in goede banen te leiden, zodat zowel burgers als politie en justitie maximaal baat hebben bij de uitgevoerde onderzoekshandelingen.

5 PVOV is ontwikkeld in 2005: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30300-VI-32-b1.pdf.
6 “Onveranderd is de politie waakzaam en dienstbaar te zijn aan de waarden van de rechtstaat. Deze missie vervult de politie door afhankelijk van de situatie gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen.” Zie: www.politie.nl/over-de-politie/pijlers.html.
7 Zie: www.politie.nl/nieuws/2019/mei/27/00-politie-en-om-lanceren-app-voor-burgeronderzoek.html.

Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers en politieprocessen te veranderen naar co-creatie van veiligheid. De politie zoekt naar kaders voor de ondersteuning van wederzijdse behoeften. Tot op heden heeft de (wetenschappelijke) onderzoekswereld opvallend weinig gedegen belangstelling getoond voor de wijze waarop de politie reageert op en interacteert met deze zelfstartende opsporende burger (Duijf, 2018). Opgedane ervaringen kunnen ons iets leren over de gewenste samenwerking, onderlinge verhoudingen en verwachtingen, voor de toekomst. Een casus als illustratief voorbeeld:

De ‘wraakvader’ uit Helmond
‘Wanhopig was hij, omdat de politie maar niet in actie kwam. Dus spoorde bezorgde vader Mario H. de vermeende online belager, Jack S., van zijn dochter zelf op. Daar heeft hij nu spijt van. Eenmaal oog in oog met de man die het voorzien zou hebben op zijn kind escaleert de situatie volledig. Het Openbaar Ministerie vervolgt Mario voor poging tot moord op de vermeende belager Jack. Mario zou hem ernstig toegetakeld hebben met een sneeuwschep. Het is de climax van een periode van bijna twee weken waarin Mario actief naar Jack heeft gezocht.

[…] Begin januari 2017 wordt duidelijk dat de internetliefde van de 14-jarige dochter des huizes niet de tiener Jessie is, maar de 46-jarige ex-TBS-er Jack S. die zijn behandeling er net op heeft zitten. De man stuurt als Jessie rozen en chocolade naar de woning van het meisje. De ouders vertrouwen het niet en gaan op onderzoek uit, waaruit blijkt dat Jack achter de cadeautjes zit. Ze doen aangifte.

Via Facebook start vader Mario vervolgens ook een online zoektocht naar Jack S. Mario’s oproep wordt breed opgepakt. Regionale media schrijven erover en ook landelijke media hebben er aandacht voor. Tips op basis van de oproep “gezocht pedofiel” waarin foto en een kenteken worden getoond, stromen binnen. Het zijn er wel 800.

“Ik doe het niet alleen voor mijn dochters, maar voor alle meiden. Iedereen moet gewaarschuwd zijn”, zegt Mario in een van de verhoren tegen de politie. S. zou niet alleen zijn dochter online lastigvallen, maar ook andere meisjes, zo hoort hij. Mario rijdt zelf ook op meldingen af met het idee dat wanneer hij Jack ziet hij de politie kan inschakelen zodat zij in actie komen. “Ik heb diverse keren gebeld”, zegt hij.

[…] In een brief aan EenVandaag schrijft advocaat Jan Hein Kuijpers: “Uiteraard heeft mijn cliënt spijt van hetgeen hij deed. Dat heeft hij ook meerdere malen, op emotionele wijze geuit jegens zijn verhoorders. Hij had niet voor eigen rechter mogen spelen. Dat weet hij en hij zal zijn verantwoordelijkheid en de consequenties dragen. Mijn cliënt hoopt echter dat zijn daad wel heeft geleid tot het voorkomen van nieuwe lokpogingen en bedreigingen door dhr S. in de richting van andere jonge meisjes.”’8 Uit EenVandaag: https://eenvandaag.avrotros.nl/item/wraakvader-heeft-spijt-morgen-voor-derechter.

Mario H. handelde in de overtuiging dat hij het goede deed. Hij had niet het plan om te vervolgen, maar om op te sporen. Het OM pakt deze vorm van eigenrichting aan en noemt deze vorm van burgeronderzoek een ‘jacht’. Zanger Dean Saunders startte een crowdfundingsactie voor de ‘wraakvader’, die hij Super Mario noemde. Het opgehaalde geld kon H. gebruiken voor de schadevergoeding aan de man die hij heeft geslagen. Mario H. krijgt 4,5 jaar cel.

Hoe moet de politie omgaan mensen als Mario H., die zelfstandig onderzoekshandelingen verrichten, daarover contact zoeken met de politie, maar uiteindelijk terecht kunnen komen in een situatie van eigenrichting?

Komt een burgerspeurneus aan de balie

Er zijn diverse praktijkvoorbeelden en Duijf (2018) deed eerder onderzoek naar bovenstaande vraagstukken om het proces met betrekking tot burgeronderzoekers en politie in kaart te brengen. Een eerste bevinding uit dat onderzoek laat zien dat de politie primair terughoudend en met voorzichtigheid op burgers reageert die, nadat ze met een strafbaar feit werden geconfronteerd, zelf het initiatief namen om onderzoek te doen.

Door onbekendheid en wantrouwen weet de politie niet echt hoe ze om moet gaan met deze burgers en wil ze zo veel mogelijk zelf controle houden in het opsporingsonderzoek. De politie realiseert zich ook dat deze zelfstartende burgers niet makkelijk te stoppen zijn en dat ze mogelijk ook van positieve betekenis zijn voor een onderzoek. Daarnaast realiseert de politie zich dat enige mate van samenwerking hun invloed op het burgerinitiatief kan vergroten. Om deze redenen ontstaat er dikwijls wel enige verbinding tussen initiatiefnemende burgers en politie. Om het bewustzijn over onderzoek bij burgers te vergroten is het dan ook vaak de politie die aanstuurt op een gesprek over potentiële risico’s en consequenties. De politie probeert afspraken te maken over de wijze waarop burgers hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren, zodat zij invloed houdt op het proces. De mate van invloed die de politie wil hebben op burgers lijkt daarbij toe te nemen bij omvangrijke, gevoelige onderzoeken met significante impact. De zaak Anne Faber is hierin exemplarisch (Lam, Kop & Plancken, 2019). Deze mate van behoefte aan invloed lijkt vele mate hoger dan bij veelvoorkomende criminaliteit zoals diefstal van een fiets of telefoon. Bij dergelijke ‘kleine’ zaken adviseert de politie juist steeds vaker aan burgers om zelf op onderzoek uit te gaan, met alle risico’s van dien.

‘Dezelfde avond nog ontdekte het meisje dat haar zojuist gestolen fiets online te koop werd aangeboden. Ze belde 0900-8844 om aangifte te doen. Ze kreeg het advies van de politie om online aangifte te doen en een afspraak te maken met de verkoper om te controleren of het ook echt haar fiets was. Wanneer ze haar eigen fiets zou aantreffen, kon ze de politie terugbellen. Het meisje werd door de politie niet gewezen op eventuele risico’s.’ (Duijf, 2018)

Er kunnen diverse praktische vormen van de wijze waarop de politie reageert onderscheiden worden. Een van de meest primaire vormen wanneer burgers onderzoeksinitiatieven nemen, is informatiedeling. Dit is, ook nu nog, vaak eenrichtingsverkeer: van burgers naar politie. De politie heeft in de door Duijf (2018) onderzochte casussen waardevolle informatie gekregen die ook daadwerkelijk bijdroeg aan waarheidsvinding. Hierbij kampt de politie echter met twee vraagstukken. Enerzijds wil de politie burgers betrokken houden, maar doordat ze hun opsporingsinformatie dikwijls niet (mogen) delen, haakt de betrokken burger, door dit gebrek aan wederkerigheid, nog wel eens af. Anderzijds dient de politie er rekening mee te houden dat informatie bewust of onbewust gemanipuleerd kan zijn, bijvoorbeeld informatie afkomstig uit open bronnen. Dergelijke informatie dient vanzelfsprekend niet de betrouwbaarheid van het strafrechtelijk onderzoek in het geding te brengen en de politie moet een weg vinden om hiermee om te gaan.

Het wordt door de politie dan ook als erg moeilijk ervaren om te reageren, laat staan te anticiperen, op onderzoeksactiviteiten door zelfstartende burgers (Duijf, 2018). Deze burgers organiseren zichzelf razendsnel. Dit vraagt van de politie een grote mate van flexibiliteit, een mate die ze lang niet altijd niet gewend is. De politie organiseert zich immers niet zo snel als een fluïde burgerinitiatief dat zojuist is ontstaan op bijvoorbeeld Twitter. Dergelijke dynamiek kan snel uitmonden in honderden burgers die samen klaarstaan om te zoeken naar een vermist persoon, terwijl de politie nog bezig is om alles eerst in haar systeem vast te leggen. Daarnaast wordt informatie vliegensvlug online gedeeld, waardoor de politie alleen al door de snelheid en de hoeveelheid van informatiestromen wordt overweldigd.

Resultaat

Samenwerking in de praktijk
Hoe kan de politie beter omgaan met onderzoekende burgers en hoe kunnen politie en burger de bewijskracht en rechtvaardigheid zo veel mogelijk garanderen middels een vorm van samenwerking, waarbij ook wederzijdse verwachtingen worden waargemaakt?

Wat bleek uit het praktijkonderzoek in de proeftuin was dat zowel burgers (56%) als politie (67%) het overwegend een goed idee vinden dat burgers zelfstandig onderzoek doen. Net als bleek uit diverse expertsessies verwachtten ook de politiedeelnemers uit het onderzoek niet dat elke burger in staat zal zijn zelfstandig onderzoek te doen (slechts 35% verwacht het wel). Ook burgers twijfelen nog over hun eigen capaciteiten: niemand voelt zich goed in staat zelf onderzoek te doen, 60% is neutraal en 40% vind het afhangen van de situatie (type delict en beschikbare tijd) (TNO, 2019).

Uit expertsessies werd bovendien sterk betwijfeld of iedere burger wel zelfstandig onderzoek zou mogen doen en daarin samenwerking met de politie mag verwachten. Onder burgers en politie vindt ongeveer de helft (resp. 50% en 47%) dat iedere burger hetzelfde recht heeft zelf onderzoek te doen, terwijl anderen dit niet altijd (resp. 25% en 29%) of alleen onder bepaalde condities (25% en 24%) zouden toestaan (TNO, 2019).

De voornaamste motieven van burgers zijn ‘het gevoel er alles aan gedaan te hebben’ (31%), een ‘principekwestie’ (19%) en ‘een steentje bijdragen’ (19%). Verrassend genoeg zijn emotionele en financiële motieven in de minderheid (resp. 13% en 6%). Dat maakt de risico’s zoals eigenrichting wellicht iets kleiner, maar verwachtingen ten aanzien van een goede samenwerking en communicatie met politie zijn hoog. Burgers en politie ervaren als belangrijkste resultaat tevredenheid over het proces, de samenwerking en meer begrip voor elkaar. Betekenisvolle
afdoening (ofwel ‘afronding’) wordt door burgers als zeer belangrijk gezien, vooral als de kans op het terugvinden van het gestolen goed of de dader klein is (TNO, 2019).

Afwegingsmodel voor de praktijk
Om de ervaren kansen en risico’s bij burgeronderzoek zo goed mogelijk te kaderen geeft het afwegingsmodel in figuur 2 eerste handvatten voor de operationele interactie met burgeronderzoekers. Het model dient verder gevalideerd te worden door nieuwe toepassingen in de praktijk, niet alleen door expertbeoordelingen en een proeftuin rondom eenvoudige diefstal.

Het model doorloopt het proces van een burger die bij de politie komt en biedt zo veel mogelijk objectieve onderbouwing voor de beoordeling van agenten in diverse onderzoekssituaties. Een belangrijk principe is dat op basis van een transparant proces de politie de burger beter kan begrenzen, beschermen en bekrachtigen in de onderzoeksactiviteiten en optimaal rendement uit het onderzoek en de samenwerking kan halen voor beide partijen.

1. Is er sprake van een strafbaar feit?
De afweging of tot een samenwerking kan worden overgegaan, vangt aan wanneer een burger aangifte of melding doet van een strafbaar feit. Een strafbaar feit is een misdrijf of een overtreding zoals beschreven in respectievelijk Boek 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een vermissing is door experts nog genoemd als mogelijke uitzondering op deze regel.

2. Zijn er opsporingsindicaties?
Het is van belang om vast te leggen of en welke opsporingsindicaties al door de burger verzameld zijn. De opsporingsindicaties zijn aanknopingspunten voor het onderzoek. De politie kan het burgeronderzoek en de samenwerking op basis van deze indicaties in onderlinge afstemming in goede banen leiden of deze zelf gebruiken voor onderzoek wanneer zij het onderzoek overneemt van de burger.

3. Beoordeling van de bewijsvergaring
In het geval van opsporingsindicaties worden deze beoordeeld op (in) hoe(verre) deze indicaties aanknopingspunten zijn voor (vervolg)onderzoek door burgers of politie op basis van rechtmatigheid, risico-implicaties en kwaliteit. In het beste geval komt een burger met een ronde zaak bij de politie, waarin veilig en rechtmatig onderzoek is uitgevoerd en opsporingsindicaties zijn verzameld die voldoende kwalitatief (onder andere betrouwbaar) zijn voor vervolging: een ‘klip-en-klaar’-zaak. Dit zal echter niet altijd het geval zijn.

De recent ontwikkelde leidende principes burgeropsporing (Politie en Justitie, 2019) stellen dat van samenwerking geen sprake kan zijn indien de burger een strafbaar feit pleegt tijdens de bewijsvergaring, zoals hacken of chantage. Ook wanneer uit verzameld bewijs stevige risico’s blijken, is het onderzoeksbelang van de burger ondergeschikt aan de veiligheid.

Wanneer sprake is van een ronde zaak of wanneer sprake is van reële risico’s of problemen, wordt de zaak beoordeeld door het OM voor verdere besluitvorming en kan de samenwerking (tijdelijk) worden beëindigd. In andere gevallen wordt er in principe van uitgegaan dat meer (kwalitatieve) opsporingsindicaties verzameld  unnen worden. Vervolgens is het dan zaak om de objectieve geschiktheid van het delict voor burgeronderzoek vast te stellen.

4. Is het delict geschikt?
In beginsel wordt zo veel mogelijk de samenwerking opgezocht wanneer een burger aangeeft zelf onderzoek te willen uitvoeren, nog afgezien van de situatie en context. Veiligheid staat echter voorop (Politie & Justitie, 2019) en op basis van alleen al de aard van het delict kan er een (te) hoog risico zijn, bijvoorbeeld op represailles.

Van een aantal misdrijven is het al dan niet betrekken van burgers zelfs wettelijk vastgelegd, zie Boek 1, titel VA en titel VC van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierbij gaat het om voorlopige hechtenis (VH-)feiten (art. 67 Sv), waarbij (ook) sprake kan zijn van minimaal het beramen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband (art. 126o Sv), terrorisme (art. 126zt en 126zu), of waarbij gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert (art. 126h). Bij dergelijke delicten kan de officier van justitie betrokken worden in het eventuele samenwerkingsproces. Bijstand door burgers aan andere (potentieel risicovolle) feiten dan in Boek 1, titel VA en VC Sv is nog niet wettelijk geregeld. Wanneer vanuit de aard van andere strafbare feiten naar eigen inschatting risico’s blijken, dienen deze meegenomen te worden in combinatie met stap 5, 6 en 7.

5. Wat is de rol en het belang van de burger?
Na de vaststelling van de objectieve aard en ernst van het misdrijf is het zaak de rol, motivaties en het belang van de burger in de specifieke kwestie te onderzoeken. Het expliciet vaststellen van de aard van een misdrijf is van belang om een betere weging te kunnen maken van de mogelijke motivaties van burgers. Zo zijn er duidelijk verschillen tussen bijvoorbeeld vermogens- en geweldsdelicten of bijvoorbeeld afpersingszaken in wat dit zou kunnen betekenen voor de motivatie van betrokkenen om informatie te zoeken en/of te delen. Omdat het hierbij gaat
om de psychologische processen die van invloed (kunnen) zijn op de door de burger genomen beslissing(en), verschilt deze inschatting van de – sec juridische – beoordeling van het misdrijf. En hoewel deze processen (vooralsnog) in de objectieve, juridische, zin van het woord nog lang niet altijd een rol spelen in de (strafrechtelijke) overwegingen, dragen ze wel substantieel bij aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verkregen informatie. Zo is het een bekend gegeven dat onder hoge (mentale) druk, bijvoorbeeld veroorzaakt door een sterke emotionele betrokkenheid, het oog voor (potentieel relevante) details verloren gaat (Martin, McLeod, Périard, Rattray, Keegan & Pyne, 2019; Levine & Edelstein, 2009). Dat maakt dat de omstandigheden waaronder burgers informatie verzamelen mogelijk relevant zijn voor het op waarde schatten van de resultaten. Dit is overigens een effect dat ook opgaat bij ‘retrieval’ (een bewust opgeroepen herinnering)
wanneer er bijvoorbeeld door betrokkenen later verklaard moet worden (Gagnon, Waskom, Brown & Wagner, 2019; Quervain, Aernni, Schelling & Roozendaal, 2009).

De wetenschappelijke inzichten in dergelijke processen ontwikkelen zich snel. Ook gerelateerd aan persoonlijke factoren zoals motivatie, intenties en zelfs vooroordelen (met bepaalde, vaak onbewuste, vooringenomenheid naar informatie zoeken). De mogelijke praktische consequenties van deze psychologische processen voor de validiteit en betrouwbaarheid van verklaringen of anderszins aangeleverde informatie wordt soms door ‘schade en schande’ maar al te evident. De ontwikkeling van methodes om dergelijke factoren bij aangevers adequaat te kunnen beoordelen staat nog in de kinderschoenen en de beoordeling daarvan steunt daarom vooralsnog op de eigen professionele inschattingen. Voor agenten impliceert dit dat dergelijke factoren een rol (kunnen) spelen in het onderzoek en dat omstandigheden, motivaties en de relatie van de aangever tot het misdrijf mogelijk relevante informatie is die zou kunnen worden meegewogen in de samenwerking, mits objectief vastgelegd (‘ik hoorde dat aangever noemde dat hij de dader wil vinden’ in plaats van ‘aangever was wraakzuchtig’).

6. Wat is het onderzoeksniveau?
Aan de hand van alle genoemde factoren kan gekozen worden voor het bekrachtigen of begrenzen van de onderzoeksmethodieken voor de burger. Deze vorm van dienstverlening is erop gericht de burger handvatten te bieden voor het rechtmatig, veilig en betrouwbaar uitvoeren van onderzoek en dient daarom op zowel de burger als de situatie te worden afgestemd. Het is hier enerzijds van belang af te wegen of de burger dan wel de maatschappij gevaar loopt bij de (vervolg)uitvoering, anderzijds of bewijs zo kwalitatief mogelijk kan worden verzameld.

Wanneer het om politioneel (vervolg)onderzoek gaat, zijn drie factoren van belang, namelijk uiteraard de onderzoeksmogelijkheden die het delict biedt, de kennis en kunde van de burger, maar ook de politiecapaciteit om het burgeronderzoek binnen de wenselijke kaders te laten verlopen. Wanneer de capaciteiten van de burger niet direct helder zijn, kan in ieder geval een aantal basisonderzoeksmethoden aan de meeste burgers worden aangeboden, zoals deels ook al in de Mijn Onderzoek-app is gedaan. Denk aan het bijhouden van een logboek, het vastleggen van een situatie, een buurtonderzoek of een open-bronnenonderzoek. Deze methoden zijn relatief laagdrempelig en veilig uit te voeren.

Gezien de diversiteit in betrokkenheid en kennis en kunde van burgers is de verwachting dat burgers in verschillende mate een bijdrage kunnen leveren. Capaciteiten  van een burger kunnen delictspecifiek worden benut bij het onderzoek. Kennis en kunde kunnen gestoeld zijn op specifieke expertise, maar ook op ervaring met burgeronderzoek. De meest actieve en langstzittende leden van Bellingcat bijvoorbeeld zijn ook door schade en schande wijzer geworden in hoe ze het meest effectief kunnen bijdragen aan een onderzoek. De politie heeft op dit moment nog geen specifieke richtlijn voor het toebedelen van onderzoekmethodieken aan de hand van de capaciteiten van de burger. Het inschatten van het ‘onderzoeksniveau’ op beginner, gemiddeld of geavanceerd is vooralsnog een eigen inschatting van de agent.

7. Samenwerking?
Op basis van de eerdere stappen kan worden afgewogen op welke wijze de samenwerking wordt vormgegeven. De uitkomst van de voorgaande stappen is leidend bij het vormen van de start van een samenwerking. Wanneer het burgeronderzoek op basis van voorgaande stappen relatief veel risico’s meebrengt, dienen eerder meer afspraken gemaakt te worden, zal een indringend gesprek nodig zijn, moet worden afgezien van burgeronderzoek of kan zelfs strafrechtelijke vervolging een maatregel zijn, dan wanneer er weinig risico’s zijn.

De samenwerkingsbeoordeling gedurende het onderzoek is een continu proces. De stappen uit dit model worden dan ook meerdere malen gedurende het proces getoetst. Aan afspraken, of juist het niet nakomen daarvan door burgers, dienen consequenties te worden verbonden. De politie kan besluiten de samenwerking te continueren, de samenwerking bij te sturen of besluiten de samenwerking (tijdelijk) te stoppen. Stoppen is verplicht indien de veiligheid van de burger in het geding komt of als deze strafbare feiten pleegt tijdens het onderzoek (Politie & Justitie, 2019).

Essentieel bij de samenwerking is dat beide partijen op de hoogte zijn van de ‘spelregels’; de wettelijke (on)mogelijkheden van zowel burgers als politie om onderzoek uit te (doen) voeren. Het moet immers voorkomen worden dat de politie (on)bedoeld burgers inzet om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen. Eventuele onrechtmatigheid van de bewijsvergaring is dan terug te leiden naar de politie.

8. Afhandeling/opvolging?
Wanneer de burger het onderzoek als afgerond aanlevert, kan de politie beoordelen of de zaak daadwerkelijk kan worden afgehandeld. In dat geval kan de zaak doorgestuurd worden naar het OM. Ook is het mogelijk dat de politie beoordeelt dat meer bewijs is vereist of dat het onderzoek niet in het strafrechtdomein, maar in een ander rechtsdomein dient te worden voortgezet. De politie kan ervoor kiezen het onderzoek op basis van de huidige stand van zaken te beoordelen en deze eventueel weer terug te leggen bij de burger of zelf opvolging te geven aan het dossier.

Discussie: Wat kunnen we aanbevelen?

Door het beschikbaar komen van allerhande technische middelen en mogelijkheden kunnen burgers makkelijker en massaler dan voorheen strafrechtelijk relevante informatie verzamelen en onderzoeken. Er ontstaat hiermee ook een verandering in het verwachtingspatroon van de burger over politie en justitie. Men wil snelle opvolging door politie en vervolging door justitie. De praktijk van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt tegenwoordig echter nog (mede) gekenmerkt door schaarstemanagement, beleidskeuzes en lange doorlooptijden,
waarbij de communicatie of samenwerking met de burger soms niet of moeizaam verloopt. Hierdoor kunnen risico’s ontstaan en potentiële winsten worden misgelopen.

De overheid dient het potentieel van burgers te herkennen en erkennen. Participatie, zowel vormen van burgerparticipatie als van politieparticipatie, is gebaseerd op wederkerigheid en past in de trend van horizontalisering van verhoudingen tussen burgers en overheid (Cleiren, 2010). Rechtsstatelijkheid staat voor de politie en het Openbaar Ministerie daarbij altijd voorop, in iedere vorm van samenwerking. Niet iedere samenwerking is echter juridisch ingekaderd. De proeftuin zoals met de app ‘Mijn Onderzoek’ en eerder onderzoek naar casussen uit de praktijk van Duijf (2018) laten zien dat de politie wel meer kan leren (learning by doing) in de samenwerking met (zelfstartende) onderzoekende burgers. Meer ervaring opdoen met dit fenomeen helpt politie en justitie, maar ook burgers, waarin iedereen kan ontdekken hoe de samenwerking het beste vormgegeven kan worden om kansen te benutten en risico’s te beperken.

Er is meer empirisch onderzoek nodig om vast te stellen hoe burgers en de politie samen participeren in opsporingsonderzoeken, zeker waar dit verder gaat dan een enkel individu. Het wetenschappelijk onderzoek zou voornamelijk gericht moeten zijn op de praktische effecten van een meer participerende rol van de politie en een meer onafhankelijke rol voor zelfstartende onderzoekende burgers in het opsporingsonderzoek, waarbij aan wederzijdse behoeften kan worden voldaan.

Veel politieagenten weten niet hoe ze moeten reageren op burgers die op eigen initiatief starten met het onderzoeken van misdrijven. Voor burgers voelt het nu mogelijk niet transparant als zij in de samenwerking worden afgewezen. Richtinggevende kaders, zoals het gepresenteerde model dat daartoe een eerste aanzet geeft, kunnen politieagenten in de praktijk ondersteunen en voorzien daarnaast mogelijk ook in een meer eenduidige politionele attitude op dit domein. Het zou helpen om deze richtinggevende kaders verder door te ontwikkelen voor doe-hetzelf-burgeronderzoek. Het model bespreekt vooral het voortraject en gaat minder in op fasen van opvolging in het strafrechtdomein. Ook de opvolging in andere rechtsdomeinen behoeft nadere uitwerking. Met het model kan hopelijk gedeeltelijk worden voorkomen dat burgers wettelijke en ethische grenzen overtreden, dat er onnodig gevaarlijke situaties ontstaan en dat bewijs (al dan niet per ongeluk)
gemanipuleerd wordt. Daarnaast kan de politie burgers ook gidsen en ondersteunen in de wijze waarop ze hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren: begrenzen, beschermen en bekrachtigen. Burgers die zich mengen in politieonderzoeken en politie die zich mengt in burgeronderzoeken stelt echter nieuwe vragen aan het huidige beleid. Want op het snijvlak van burgerparticipatie en politieparticipatie ontstaan wezenlijk nieuwe dilemma’s voor de verhouding tussen overheid en samenleving.

Literatuur

  • Cleiren, C.P.M. (2010) Evolueren naar meer horizontale en multidimensionale verhoudingen in het strafrecht. Mechelen: Kluwer 2010.
  • Cornelissens, A. & H. Ferwerda (2010) Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • Dalkey, N. & O. Helmer (1963) An experimental application of Delphi method to the use of experts. Management Science, 9(3), 458.
  • De Quervain, D.J.-F., A. Aerni, G. Schelling & B. Roozendaal (2009) Glucocorticoids and the regulation of memory in health and disease. Frontiers in Neuroendocrinology, 30(3),
    358-370. doi: 10.1016/j.yfrne.2009.03.002.
  • De Vries, A. (2015) Moderne Sherlock zit in ons allemaal [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/moderne-sherlock-zit-ons-allemaal.
  • De Vries, A. (2018) Opsporen? Doe het zelf! [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/opsporen-doe-het-zelf.
  • De Vries, A. & F. Smilda (2014) Social Media: het nieuwe DNA. Amsterdam: Reed Business Education.
  • De Vries, A., M. Steen, A. Stoter, K. Brouwer, M. den Hengst & C. Nevejan (2016) BART! Rapport: resultaten uit fase 2C. Geraadpleegd op 6 januari 2020 op www.bartportal.nl/
    documents/samenvatting-concrete-resultaten-fase-2c-ha-v-09.
  • Denef, S., A. de Vries, K. Hadjimatheou, A. Roosendal, H. van Vliet, M. Cecowski, J. Diego, R. Fernández, K. Hadjimatheou, J. Coaffee, E. Kermitsis, N. Moustakidis, K. Tani,
    P. de la Torre & F. Williamson (2017) DIY Policing. European Union: Medi@4sec.
  • Duijf, S. (2018) Modern Sherlock Holmes. How will the police respond? A multiple case study into forms of police participation in citizen criminal investigation. Apeldoorn: Canterbury Christ Church University en Politieacademie.
  • Gagnon, S.A., M.L. Waskom, T.I. Brown & A.D. Wagner (2019) Stress Impairs Episodic Retrieval by Disrupting Hippocampal and Cortical Mechanisms of Remembering. Cerebral cortex, 29(7), 2947-2964. doi: 10.1093/cercor/bhy162.
  • Higgins, E. (2016). Finding truth in a post-truth world | Elliot Higgins | TEDxAmsterdam [YouTube]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op TEDxAmsterdam: www.youtube.com/watch?v=mozxTk3Brqw.
  • Kerstholt, J.H., A. de Vries, R. Mente & M. Huis in ’t Veld (2015) Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking. Tijdschrift voor Veiligheid 0304(14). doi: 10.5553/TvV/1872794820150140304005.
  • Lam, J., N. Kop & C. Plancken (2019) Burgerparticipatie: leren van de zaak van Anne Faber. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.websitevoordepolitie.nl/coverstoryburgerparticipatie-leren-van-de-zaak-anne-faber.
  • Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde (2007) Meer heterdaadkracht: ‘Aanhoudend in de buurt’. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/42929.pdf.
  • Levine, L.J. & R.S. Edelstein (2009) Emotion and memory narrowing: A review and goalrelevance approach. Cognition and Emotion, 23(5), 833-875. doi: 10.1080/02699930902738863.
  • Martin, K., E. McLeod, J. Périard, B. Rattray, R. Keegan & D.B. Pyne (2019) The Impact of Environmental Stress on Cognitive Performance: A Systematic Review. Human Factors, 61(8), 1205-1246. doi: 10.1177/0018720819839817.
  • Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie, M. Thaens & P. Siep (2012) Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • N.N. (2017) Naar een toekomstbestendige opsporing en vervolging, Koersdocument. Geraadpleegd op 27 januari 2020 op https%3A%2F%2Fwww.regioburgemeesters.nl%2Fsave419%2F&usg=AOvVaw1zadEfcnxrHzOyzd00nenD.
  • Ono, R. & D.J. Wedemeyer (1994) Assessing the Validity of the Delphi Technique. Futures, 26(3), 289-304.
  • Politie (2018) Ontwikkelagenda Opsporing. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/11/16/tkbijlage-hoofdlijnenversie-ontwikkelingagenda-opsporing/tk-bijlage-hoofdlijnenversieontwikkelingagenda-opsporing.pdf.
  • Politie & Justitie (2019) Leidende principes Burgeropsporing [intern document].
  • Schreurs, W. (2019) Crossing lines together: how and why citizens participate in the police domain. Enschede: University of Twente. doi: 10.3990/1.9789036548496.
  • TNO (2019) Enquêteresultaten Mijn Onderzoek [intern document].
  • Van der Graaf, A. (2019) Luistermoord: De podcast als opsporingsmiddel. Blauw magazine, 5.
  • Van der Meulen, S. (2018) Undercover met politie – Vrije Vogels [vlog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.youtube.com/watch?v=e_Nu5Jx15PU.
  • Van Erp, J.G., F. van Gastel & H.D. Webbink (2012) Opsporing verzocht. Een quasi-experimentele studie naar de bijdrage van het programma Opsporing Verzocht aan de oplossing van delicten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap.

Evaluatie Coldcase Hackathon

Coldcases en samenwerking met private partijen en burgers

Sinds 1996 komen in Nederland gemiddeld ongeveer 180 personen per jaar om het leven door moord of doodslag. Hoewel het aantal levensdelicten de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, werden de laatste 10 jaar nog steeds gemiddeld 140 mensen per jaar slachtoffer van geweld met een fatale afloop. De meeste van deze levensdelicten worden door de politie opgelost. Toch heeft de politie ook te maken met een aanzienlijk aantal niet opgeloste zaken. Sinds de vorming van de Nationale Politie zijn zogeheten coldcaseteams bezig met het inventariseren en onderzoeken van onopgeloste levensdelicten. Inmiddels gaat het om ruim 1700 zogenaamde coldcases. Het maatschappelijk effect van deze zaken is groot. Niet alleen gaat de dader vooralsnog vrijuit, de nabestaanden hebben recht op duidelijkheid over het lot van hun dierbaren. Bovendien bestaat de kans dat de dader opnieuw een misdrijf begaat. Het is daarom van groot maatschappelijk belang dat coldcases worden opgehelderd. Helaas is de capaciteit die de politie beschikbaar heeft voor de opsporing, waaronder coldcaseonderzoek, beperkt. Mede om die reden wordt de laatste jaren gezocht naar nieuwe manieren om coldcases aan te pakken. Er vinden experimenten plaats om met behulp van Artificial Intelligence coldcases opnieuw te bekijken voor nieuwe aanknopingspunten. Ook word er steeds vaker gebruik gemaakt van verschillende groepen burgers. Gepensioneerde politiemensen bekijken opsporingsdossiers opnieuw, maar ook hogescholen en universiteiten bekijken coldcases met een frisse blik. Deze inbreng van buiten de politieorganisatie heeft niet alleen als voordeel dat de politiecapaciteit wordt versterkt, maar ook dat kennis, expertise en inzichten worden ingebracht die de politie zelf niet altijd voorhanden heeft. Hierbij valt de denken aan de inzet van forensische nanotechnologie door het Saxion college. Maar ook het inzetten van bijvoorbeeld digitale vaardigheden door burgerexperts. Dat deze werkwijze potentie heeft, blijkt uit het voorbeeld van Serendip. Deze burgeropsporingsgroep wist een aantal jaar
geleden binnen 2½ uur een coldcase op te lossen.

Het samenwerken met burgers en private partijen in een opsporingsonderzoek zijn vergaande vormen van burgerparticipatie, die ook wel cocreatie worden genoemd. Bij cocreatie werken alle
partijen gelijkwaardig samen aan een gezamenlijk doel. Hoewel vanuit zowel de politiepraktijk als de wetenschap wordt verondersteld dat cocreatie mogelijk een waardevolle bijdrage kan leveren aan de opsporing, zijn er tot op heden nauwelijks voorbeelden waarin cocreatie daadwerkelijk is toegepast binnen de context van een opsporingsonderzoek.

Doelstelling

In het kader van vernieuwende en innovatieve werkwijzen organiseerde BlueM Amsterdam op 27 augustus 2019 een Coldcase Hackathon. BlueM is een beweging binnen de politie die als doel heeft om politiemensen uit te dagen om buiten de standaard patronen te denken en beter aan te sluiten op de veranderingen in de maatschappij. Een hackathon is een evenement waarbij teams in een relatief korte tijd proberen om vernieuwende en innovatieve oplossingen te vinden voor problemen of thema’s. Gedurende een hele dag werkten politiemensen samen met medewerkers van defensie, private partijen zoals KPN en TNO en (cyber)vrijwilligers, in verschillende gemengde gelegenheidsteams aan een aantal coldcases die door coldcaseteams werden ingebracht. Het doel was enerzijds het forceren van een doorbraak in de coldcases, anderzijds om te leren en te experimenteren met betrekking tot publiekprivate samenwerking in een opsporingsonderzoek.

Dit evaluatierapport maakt deel uit van een bredere onderzoekslijn binnen de politieacademie naar burgerparticipatie in de opsporing. De hackathon biedt aanknopingspunten om vanuit zowel
praktisch als wetenschappelijk perspectief meer inzicht te krijgen in de waarde van cocreatie binnen de opsporing en hoe een dergelijk proces in de toekomst het beste vorm gegeven zou kunnen worden.

Onderzoeksrapport

Het eerste deel van de rapportage gaat in op de deelnemers: de achtergrond van de respondenten (hoofdstuk 1) en de waarde die zij in de burger zien voor het opsporingsonderzoek (hoofdstuk 2).
Hoofdstuk 3 richt zich vervolgens op de algemene ervaring van de hackathon en de kansen en dilemma’s die respondenten daarbij zijn tegengekomen. In hoofdstuk 4 staat de hackathon als werkwijze centraal. Hoofdstuk 5 richt zich op de onderzoeken en de wijze waarop deze zijn ingebracht. Hoe het werken in de gelegenheidsteams door de deelnemers werd ervaren, staat centraal in hoofdstuk 6. De evaluatie van enkele praktische zaken, zoals de gekozen locatie, wordt toegelicht in hoofdstuk 7.

Lees het of download het rapport via onderstaande link:

[slideshare id=238231040&doc=lamkop2020evaluatiecoldcasehackathon201908271-200825125826&type=d]

True crime-podcasts schieten als paddenstoelen uit de grond

‘De wereld van Sofie’ besteedde op de VRT radio aandacht aan cold cases en true crime podcasts. Onopgehelderde zaken die aandacht krijgen in de media, en steeds vaker op nieuwe manieren via podcasts of op Netflix. Denk aan The Teacher’s Pet, Making a Murdere, The Keepers of Serial. Het parket probeerde in Belgie de uitzending van VTM over een cold case te verhinderen. Spanningen tussen pers en parket zijn niet ongewoon.?Soms geraken journalisten zo gefascineerd door een zaak, dat ze zelf op onderzoek uit gaan, zoals Kurt Wertelaers deed in de zaak Sally Van Hecke?en Sanne Boer van Argos VPRO bij “De Moord op Patrick“. Deze zaken hebben een grote aantrekkingskracht op veel mensen.

Journalist?Kurt Wertelaers?raakte gefascineerd door de moord op de 20-jarige Sally Van Hecke. Ze werd in 1996 vermoord in Antwerpen. In 2017 werd het onderzoek heropend, mede dankzij zijn onderzoek. Wertelaers maakte er voor VTM het programma ?Cold Case? over. Wat drijft hem in deze zaak?

Ine Van Wymersch?(woordvoerder parket Brussel) geeft uitleg over ?cold cases? en wanneer onderzoek opnieuw opgestart wordt. Hoe ziet zij de verhouding tussen onderzoeksjournalistiek en het gerechtelijk onderzoek? Het Antwerpse parket probeerde namelijk de uitzending van ?Cold Case tegen? te houden, omdat de uitzending mogelijk het verdere onderzoek zou kunnen schaden? Journalisten komen regelmatig met interessante hypotheses en scenario’s. Daarbij dient het proces niet in het gedrang te komen en de privacy van verdachten, getuigen en slachtoffers niet in het geding komen.

Het oproepen tot getuigen en het inschakelen van het publiek leidt tot grotere opsporingspercentages. Podcasts doen dit zelf ook, zoals de Australische podcast The Teacher’s Pet die na 30 jaar tot een oplossing kwam:

https://www.youtube.com/watch?v=sBoaZLTPF18

The Teacher’s Pet is een podcast die sinds mei 2018 door de Australische journalist?Hedley Thomas online is gebracht. De podcast vertelt over en is zelf ook een platform voor het onderzoek naar de verdwijning van Lynette Dawson. Lynette was de vrouw van rugbyspeler en leraar Chris Dawson en verdween spoorloos in 1982. Het onderzoek onthulde veel details, zoals over het huwelijk, de verdwijning, de buitenechtelijke affaire tussen Chris Dawson en een zestien jaar oud schoolmeisje, seksueel wangedrag tussen leraren en studenten op Cromer High en andere openbare middelbare scholen, tekortkomingen in het politieonderzoek, het effect op de betrokken families en de onwil van het openbaar ministerie om Dawson als verdachte te zien ondanks twee onderzoeken waarin wordt geconcludeerd dat Lynette Dawson dood zou moeten zijn en waarschijnlijk door haar man werd gedood.

De serie begon in mei 2018 en eindigde in augustus 2018 na 14 afleveringen. Journalist Hedley Thomas vertelt in zijn podcast dat de serie grote hoeveelheden bewijsmateriaal onthulde dat niet naar boven kwam door politieonderzoeken. Eind 2018 werden nog twee afleveringen toegevoegd, omdat een nieuwe opgraving nieuw bewijs bracht in het oude Bayview-huis van Dawson. De tweede podcast behandelde tenslotte de arrestatie van Dawson op 5 december door de politie van Queensland. Dawson werd vervolgens uitgeleverd aan Sydney, en kwam op 17 december 2018 op borgtocht vrij ($1,5 miljoen).

De serie had meer dan 28 miljoen downloads en was de nummer ??n Australische podcast en bereikte ook de nummer ??n in Groot-Brittanni?, Canada en Nieuw-Zeeland.

In Nederland maakt journaliste?Sanne Boer?de true crime podcast ?De moord op Patrick? voor het Radio 1-programma Argos. Ze brengt het verhaal van een tennisleraar die vermoord werd. Naar haar aanvoelen werd het onderzoek niet grondig genoeg gevoerd.

De 10-jarige Nathalie Geijsbregts werd in 1991 ontvoerd aan de bushalte. Vader?Eric Geijsbregts?is nog elke dag bezig met de zaak. Elke aandacht er voor blijft ook na bijna 30 jaar welkom, vertelt hij aan reporter Brecht Devoldere.

Waarom we een fascinatie hebben voor misdaadverhalen, voor whodunits, en waarom sommige mensen graag zelf detective spelen, is een vraag voor psycholoog?Ariane Bazan.

Nog veel meer series, films en songs dan we denken verwijzen naar echt gebeurde misdaadzaken, weet?Vincent Byloo.

Een aantal True Crime podcasts:

Was wraakvader Mario Haazen een uitzondering? ‘Burgers sporen steeds vaker zelf criminelen op’

Twee weken had Mario Haazen nodig om de man te vinden die zijn dochter maandenlang online lastig viel. Zijn gewelddadige ontmoeting met deze Jack S. moest hij vervolgens bekopen met 4,5 jaar cel voor poging tot doodslag. Een drama voor alle betrokkenen. Hoe moet de politie omgaan met mensen die zelf op onderzoek uitgaan?

“Ook de politie weet dat je dit niet kan tegenhouden, maar er is nog genoeg huiver”, zegt Arnout de Vries, onderzoeker bij TNO en expert als het gaat om opsporen via internet.

Achtervolging
Het ging mis bij Mario Haazen. Zijn 14-jarige dochter dacht dat ze contact had met een leuke jongen van zeventien via sociale media. Het bleek een oud-tbs’er van 47. Toen hij dit hoorde deed Haazen direct aangifte bij de politie. Maar hij zette ook zelf de achtervolging in.

Bij zijn zoektocht naar de dader gebruikte de vader niet alleen de zoekbalk op Facebook en Google. Hij zocht ook contact met vestigingen van Albert Heijn en Hema om erachter te komen wie cadeautjes kocht voor zijn dochter. Van de Hema kreeg hij bewakingsbeelden waarop te zien was hoe Jack S. precies dat deed. Haazen wist vervolgens te achterhalen waar de man woonde. Hoe het afloopt weten we.

‘Niet te stoppen’
Volgens De Vries kun je het niet stoppen dat mensen zelf op onderzoek uitgaan. “Je moet dit zo goed mogelijk begeleiden.” Dat is volgens hem cruciaal om te voorkomen dat mensen uiteindelijk zelf rechter kunnen gaan spelen, zoals bij Haazen. “Hier moet de politie burgers ook tegen zichzelf in bescherming nemen.”

In het geval van Haazen deed de politie weinig met de informatie die de vader doorspeelde. Dat had volgens De Vries wel gemoeten. Maar hij ziet toch ook grote voordelen in burgers die helpen met het opsporen van boeven. “Je ziet nu al dat het merendeel van de zaken wordt opgelost met hulp van burgers. Zij zijn expert in hun eigen straat, en anderen zijn weer heel goed op internet. Die hulp kan je heel goed inschakelen.”

Om de politie ?n burgers te helpen, is De Vries bezig met de ontwikkeling van de app My Sherlock. Hierin wordt het mogelijk gemaakt voor mensen om gestructureerd onderzoek te doen en om dit te delen met de politie. “In de app kan je een onderzoek starten met behulp van professionele methoden die door de politie en het Openbaar Ministerie zijn ontwikkeld.”

Aanwijzingen online delen
Zo kunnen mensen op een simpele manier aanwijzingen invoeren die ze online hebben gevonden. Ook kan er een digitale compositietekening worden gemaakt. En er kan een motief van een verdachte worden toegevoegd. De politie kan dit profiel makkelijk inzien en de voortgang van het onderzoek volgen. “Het is dan wel zaak dat de politie de zaak op een gegeven moment overneemt.”

Volgens De Vries is het een manier om de behoefte van burgers om tot actie over te gaan op een positieve manier in te zetten. “De aangiftes van mensen worden alleen maar beter op deze manier. We hopen dat het oplossingspercentage hiermee omhoog gaat.”

Maar er is volgens de onderzoeker nog ‘genoeg huiver’ bij de politie en in het lokaal bestuur. De angst dat hordes amateur-Sherlocks het recht in eigen hand nemen, of sporen vernietigen, is moeilijk af te schudden. “Een paar jaar geleden worstelde de politie hier enorm mee. Maar je zag bij de zaak rond Anne Faber dat de politie ook is gaan samenwerken met mensen die gingen zoeken. Ze weten ook dat je dit niet kan tegenhouden. Bij zo’n vermissingszaak kan je moeilijk een rood-wit lint om het hele bos spannen.”

Bron: Omroep Brabant?of beluister na 41 mins het korte radio item?erover.

Burgerrechercheur helpt politie

In zijn dagelijkse leven onderwijst Robert Helder studenten over het vak van notaris. Vanaf oktober van dit jaar is de 52-jarige Zwollenaar?ook politieman. De universitair docent legde eerder in Arnhem de ambtseed af. Robert Helder is daarmee de eerste vrijwillige ‘burgerrechercheur’ van de politie Oost-Nederland die de politie gaat helpen bij het oplossen van ernstige misdrijven. Aart Garssen, recherchechef van de politie Oost-Nederland, wil meer deskundigen van buitenaf bij de opsporing betrekken.

Vakkennis koesteren
De recherche moet specifieke vakkennis van ict’ers, accountants, ondernemers of advocaten gaan benutten, vindt Garssen. ,,Met hun vakmanschap versterken we de kwaliteit van de politie. Ik ben heel blij met de expertise van Robert Helder. Voor ons vormt hij nu ook een verbinding met de Universiteit van Utrecht. Mogelijk kunnen we studenten betrekken bij een casusonderzoek of warm maken om na de studie bij de politie te solliciteren.” Garssen wil verder gepensioneerde rechercheurs inschakelen. ,,Zij dragen nog zoveel vakkennis met zich mee. Het aantrekken van al deze vrijwilligers kost tijd. Iedereen moet gescreend en opgeleid worden.”

“Nu hij is be?digd mag hij onze processen verbaal lezen en mogen we informatie uit recherche?on?der?zoe?ken met hem bespreken.” – Ivonne Seuters-Koopman, chef van het Finec-team

Ondersteunen
Helder kreeg bij zijn be?diging van Garssen alvast een bos bloemen mee bestemd voor zijn echtgenote. Alvast ook als een soort van excuus: een politieman kan op de gekste tijdstippen gebeld worden. De universitair docent zal zich niet in uniform hoeven steken om boeven te arresteren.

De universitair docent gaat het team dat fraude en economische delicten onderzoekt ondersteunen. Bijvoorbeeld naar vreemde geldstromen in het bedrijfsleven of fraude met hypotheekaktes.

Geheimhouding
Zijn ‘nieuwe bijbaan’ is geen alledaagse stap, erkent de Zwollenaar, die vooraf volledig is gescreend. Door het afleggen van de ambtseed heeft hij over gevoelige informatie geheimhouding gezworen. Geen probleem, zegt hij. Een notaris heeft eveneens een geheimhoudingsplicht. ,,Ik heb 22 jaar het notari?le ambt bekleed en doceer nu de notari?le vakken. Mij vallen zaken op die een politieman wellicht niet direct ziet. Er zijn notarissen aan de foute kant terecht gekomen. Zij helpen criminelen bij het witwassen: de aankoop van panden en bedrijven in de legale bovenwereld. Een enkeling kiest daar bewust voor om snel geld te verdienen. Anderen zijn na?ef en worden meegezogen in de criminaliteit. Ze hebben ??n keer toegestemd om de andere kant uit te kijken en dan kom je er niet meer uit.”

Als kind droomde hij er weleens van: bij de politie werken. ?Niet meer dan een ander, hoor?, zegt hij nuchter. ?In mijn omgeving merk ik dat de politie tot de verbeelding spreekt; mijn kinderen vinden het ook interessant.? ‘Het moreel schoonhouden van de samenleving maakt mij enthousiast. Ik vind het mooi om mijn kennis en ervaring daarvoor in te zetten. En het is boeiend deel uit
te mogen maken van de politiewereld. Als ik nu op het bureau kom, hoor ik er echt bij.’

De Zwollenaar woont slechts een paar honderd meter bij het politiebureau vandaan. Geregeld loopt hij er nu even binnen. Hij helpt de politie bij het oplossen van misdrijven als fraude en witwassen van crimineel geld.

Helder wordt vooral ingeschakeld als de politie verdachte documenten vindt. ‘Mijn politiemailbox stroomt nu al vol. De meeste vragen gaan over notari?le documenten zoals overdrachtsakten, hypotheekakten of statuten van afsplitsingen die zijn opgedoken in een onderzoek of in beslag zijn genomen.?Door mijn kennis vallen mij ongebruikelijke dingen op. Dat kunnen zaken zijn die de gemiddelde rechercheur misschien over het hoofd ziet. En ook omgekeerd: soms lijken dingen ongebruikelijk, maar kan ik uitleggen dat het bij de gewone gang van zaken hoort.’

Adviserende rol
Ivonne Seuters-Koopman toont zich als chef van het Finec-team (financieel economische rechercheteam) enthousiast over haar nieuwe ‘notaris-rechercheur’. Zijn aantreden vergroot de slagkracht. ,,Als ik nu een deskundige van buiten de politie wil raadplegen moet ik eerst toestemming vragen aan de rechter-commissaris (RC) en vragen welke informatie uit het dossier wij wettelijk mogen delen. Dat duurt soms maanden. Nu kunnen we direct bij de start van een onderzoek Robert inschakelen. Nu hij is be?digd mag hij onze processen verbaal lezen en mogen we informatie uit rechercheonderzoeken met hem bespreken. Robert geeft advies. Daar leren we zelf van, maar we kunnen vooral sneller werken.”

De politie schakelde Helder als notari?le speurneus al in voordat hij vrijwilliger werd. Zo werd duidelijk dat een vrijwilligerspoule handig zou zijn, zodat de politie vaker over bepaalde kennis kan beschikken. Zijn kennis put de notaris uit zowel theorie als praktijk. ‘Voordat ik universitair docent werd, werkte ik 22 jaar in het notariaat, in verschillende rechtsgebieden. Ik ken de werkwijze, de taal en de cultuur van de notariswereld, maar maak er zelf geen deel meer van uit. Ik kan dus vrijuit mijn mening geven, zonder eigenbelang.’

En werken voor de politie levert hem ook voordeel op: het verrijkt zijn lessen aan de universiteit. ‘Ik zie steeds meer welke problemen zich ?cht voordoen. Daardoor kan ik studenten beter waarschuwen voor dingen die ze in de praktijk kunnen tegenkomen.’ Details van zaken delen mag natuurlijk niet. ‘Daar heb ik de eed voor afgelegd.’

De notaris hoopt in zijn rol als burgerrechercheur vooral de loep te kunnen houden boven stichtingen. ‘In Nederland is het, in tegenstelling tot in andere landen, ongelooflijk gemakkelijk een stichting op te richten. Daardoor worden stichtingen al snel veel voor frauduleuze doeleinden gebruikt. Veel notarissen hebben niet door dat ze een fraudeur voor zich hebben. Daardoor kunnen criminelen ongestoord hun gang gaan. Ik hoop daarin patronen te ontdekken, zodat we notarissen en studenten kunnen leren waar ze op moeten letten.’

Politie wil naar 5000 vrijwilligers
Momenteel werken er 2600 vrijwilligers bij verschillende afdelingen van de politie. Het grootste deel (1600) is surveillant. De overige duizend mensen doen vooral ondersteunend werk, bijvoorbeeld in de logistiek. In sommige politie-eenheden krijgen vrijwilligers een kleine vergoeding; andere eenheden betalen niets. De komende jaren wil de politie groeien naar vijfduizend vrijwilligers, vertelt politiewoordvoerder Mar?l van Steenbergen. ‘Daar horen zeker meer burgerrechercheurs bij. Te denken valt -bijvoorbeeld aan biologen, historici en ICT’ers. We kunnen profiteren van de andere kijk van burgers en van hun deskundigheid over bepaalde onderwerpen.’ De zoektocht naar nieuwe vrijwilligers gaat niet over ??n nacht ijs. ‘Iedere nieuwe politiemedewerker moet uitgebreid gescreend worden, vrijwilliger of niet. Dat kan wel maanden duren, want je krijgt als nieuwe medewerker te maken met gevoelige informatie. Bij de recherche kijken we bovendien gericht welke kennis nodig is. We moeten selectief zijn in wie we binnen-halen.’

Bronnen: Nederlands Dagblad, Gelderlander

Hulp bij opsporing

Een zoektocht naar Jos?, de vriendin van Patrick. Wat weet zij over de moord? Samen met buurman Elmer vond Jos? Patrick in zijn appartement op tweede kerstdag 2002. Was zij de laatste die Patrick zag voordat hij vermoord werd? Heeft zij aanwijzingen wie de dader is? Verder in deze aflevering praat Sanne met TNO-medewerker Arnout de Vries.

Sanne krijgt advies van TNO-onderzoeker Arnout de Vries. Hij is expert op het gebied van internetcriminaliteit. Hij onderzoekt samen met de politie hoe de opsporing via nieuwe technieken verbeterd kan worden. De Vries heeft contact opgenomen om zijn hulp aan te bieden bij de zaak van Patrick.

Recherchekundige Evelien Aangeenbrug werkzaam bij de eenheid Landelijke Recherche vertelt over het onderzoek wat zij voor de Politieacademie naar opgeloste cold cases deed.

Sanne’s gesprek met Arnout de Vries was nog veel langer interessant. Hier kun je daar uitgebreider naar luisteren.

De TNO-wetenschapper gaf haar in aflevering 3 tips voor haar onderzoek. Hij adviseerde Sanne onder andere om meer hulp van luisteraars in te schakelen tijdens haar onderzoek.

De Vries houdt zich al langere tijd bezig met onderzoek naar opsporing via social media en met behulp van burgers. Hoe kun jij als gewone burger bijvoorbeeld je steentje bijdragen aan Europolonderzoeken naar kinderporno?

Mocht je interessante gedachtes hebben over wat er de nacht van Eerste op Tweede Kerstdag 2002 gebeurd kan zijn met Patrick of mocht je concreet iets weten over De moord op Patrick, mail naar:?[email protected]

Bronnen: VPRO

Interview met burgerspeurneuzen van Serendip

Een gesprek met ?Bo?, een anonieme speurneus van Serendip, zie?http://www.serendipov.nl/

1. Wat is Serendip en hoe is het gestart??

Serendip is voortgekomen uit de Nationale Krakercompetitie, een jaarlijkse internetzoekwedstrijd die online wordt gespeeld waarbij de deelnemers moeilijke vragen (hersenkrakers) met behulp van internet oplossen. Deze competitie, georganiseerd door de Nationale bibliotheek en NRC Handelsblad, duurde elke keer een maand en liep van 2003 tot 2010. Serendip oprichter “Gerrit van Keulen” (naam gefingeerd) was daar redactielid maar is na verschil van inzicht in 2007 Serendip gestart.

2. Hoe kwam jij erbij en wat is je persoonlijke motivatie?

Serendip was een zoekwedstrijd van 2007 t/m 2009 die het hele jaar duurde. Het eerste jaar won ik. Gerrit vroeg mij of ik in de redactie wilde. Dat heb ik 2 jaar gedaan.

De schoondochter en vader van Gerrit werken bij de politie. Hij schepte een beetje op dat Serendip zo goed kon zoeken. Uiteindelijk kreeg Serendip een cold case die we binnen 2 1/2 uur oplosten. Daarna ging het goed lopen totdat onze contactpersoon bij de politie plotseling overleed. We kregen daarna een periode steeds een nieuw contactpersoon, of weer een reorganisatie, en konden weer opnieuw beginnen.

Sinds begin 2015 zijn we aangesloten bij de Landelijke DeskundigheidsMakelaar (LDM). Dat is prettig want daarmee hebben we vaste aanspreekpunten.

3. Is het voor jou vrijwillig? Hoeveel tijd kost het je? Werk je veel alleen of juist veel samen?

In mei dit jaar heb ik Serendip overgenomen omdat Gerrit andere dingen wilde gaan doen. Ja, het is vrijwillig, niet fulltime maar velen steken er wel veel tijd in. Meestal werkt men zelfstandig, maar we?discussi?ren wel veel op het forum. Een aantal mensen kent elkaar IRL.?Contact verloopt meestal via DM op het forum en soms via WhatsApp of Facebook.

4. Hoeveel leden zijn er ongeveer en met wat voor soort mensen werk je?

In het begin waren er ongeveer 60 deelnemers maar in de loop der jaren zijn er veel afgevallen en er maar een paar bijgekomen. Het niveau ligt voor de meeste nieuwkomers te hoog, dus die haken al snel af. Nu zijn er nog 30 deelnemers, waarvan ongeveer de helft actief is.

De meeste deelnemers zijn ouder dan 60, zijn breed ge?nteresseerd en hebben verschillende beroepen. Bibliothecarissen, een huisarts, dierenarts, apotheker of conservator bij een museum, etc. Ongeveer 60% is vrouw en het zijn Nederlanders of Belgen.

5. Is Serendip gegroeid? Welke ambities zijn er nog?

Wij zouden best verder willen groeien, maar ik weet niet waar we het talent vandaan zouden moeten halen. De leden die nu lid zijn hebben zich bewezen bij de Nationale Kraker Competitie. Nieuwe leden, die overigens wel heel fanatiek zijn, haken zoals eerder gezegd toch vrij snel af. Ik heb dit ook met Bellingcat besproken en zij lijken hetzelfde te ervaren.

Gerrit wilde de boel ooit opengooien voor iedereen, maar ik blijf liever klein en kwalitatief goed dan groot met een heleboel sensatiezoekers die geen bijdragen leveren.

Ik zou best commerci?le opties willen verkennen, maar de manier van ontstaan en zo?n grote groep lijkt me dat niet eenvoudig. Hoe verdeel je bijvoorbeeld eventuele inkomsten?

6. Aan hoeveel zaken is of wordt ongeveer gewerkt?

We krijgen gemiddeld zo?n 20 a 25 verzoeken per jaar en uit eigen initiatief zoeken we naar evenzoveel zaken. Het zijn de meer ernstige misdrijven zoals moord, overvallen, doodslag en kinderporno.

7. Werkt Serendip ook met anderen samen?

Vanaf 1 juni 2017 werken we aan?https://www.europol.europa.eu/stopchildabuse/?ook in samenwerking met Bellingcat.

8. Welke kansen zie je voor Serendip om nog succesvoller te zijn?

De samenwerking met de LDM vind ik prettig maar soms is er wat gedoe met specifieke afdelingen van de politie. Een voorbeeld daarvan was dat we een afbeelding kregen van een t-shirt. Het beeld was heel klein en heel vaag. We vroegen naar een betere afbeelding maar die hadden ze niet. 2 weken hebben we zonder resultaat gezocht tot de zaak bij Opsporing verzocht kwam en er heel duidelijk beelden van maar liefst 3 camera?s werden uitgezonden. Binnen een half uur hebben we het t-shirt gevonden en ook waar de daders vandaan kwamen. Maar we waren woest, dat begrijp je. Dit soort dingen is vaker voorgekomen. Als ik nu zo?n afbeelding zie en ik vermoed dat het een still van een bewakingscamera is dan zeg ik dat ook. Maar?mijn contact met de LDM is zeer goed, zowel telefonisch als via e-mail. Als ik vragen heb gaat men er achteraan, daar ben ik erg blij mee.

9. Welk advies zou je aan de overheid willen geven?

Ik zou het zo snel niet weten, behalve dan dat ik vind dat ze traag zijn en niet snel genoeg met de tijd meegaan.

10. Hoe gaan jullie meestal te werk?

Ik denk dat iedereen een eigen manier van zoeken heeft. Meestal zoeken we zelfstandig, maar we bespreken de zaak wel op het forum. Ook delen we het als we iets gevonden hebben, en ook hoe we het hebben gevonden. Zo leren we van elkaar.

11. Wat voor type zaken pakken jullie??

Er zijn veel zaken in de media verschenen (zoals oa bij Opsporing Verzocht). Bekend werd Serendip met de Robert M. zaak doordat zij een rol speelden in de eerste fase van de Amsterdamse zedenzaak. In twee uur en tien minuten waren ze erachter. Wat het voor truitje was en waar je het kon kopen. Serendip zocht voor de politie naar de herkomst van het truitje met de Nijntje-opdruk, en hadden op dat moment nog geen idee van de gevolgen die hun ontdekking zou hebben. Acht dagen na de ontdekking zou de politie in het programma Opsporing verzocht dezelfde beelden tonen. Beelden die uiteindelijk de arrestatie van Robert M. tot gevolg hadden. Beelden die het schokkende misbruik blootlegden van ten minste 87 zeer jonge kinderen door hun cr?cheleider en oppas.

In 2010 treft de politie in de Verenigde Staten bij een aangehouden man beelden aan waarop is te zien dat een tweejarig jongetje wordt misbruikt door een man. De politie heeft geen idee wie zij zijn en plaatst in november 2010 drie afbeeldingen op een internationaal computerprogramma ter bestrijding van kinderporno. Het valt het Team Beeld en Internet van het Nederlandse Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) op dat het jongetje een Nijntje-doekje in zijn hand heeft en een Nijntje-truitje aanheeft. De beelden worden vertoond in Opsporing verzocht, een opa herkent zijn kleinzoon en belt met zijn dochter. Die dochter meldt zich bij de politie. Het eerste wat ze zegt, is dat ze bij het zien van de foto’s meteen moest denken aan haar oppas Robert van anderhalf jaar geleden. Wat minder bekend is, is dat de politie voorafgaand aan het tonen van de foto van het jongetje op televisie de hulp heeft ingeroepen van de website Serendip. Op deze website zoeken mensen in competitieverband naar voorwerpen of antwoorden op vragen. Weten jullie meer over de herkomst van dit truitje, is de vraag die Serendip krijgt gesteld door een contactpersoon bij de politie. De politie kwam er niet achter, de speurneuzen van Serendip hadden aan een avondje genoeg.

‘We kregen maar een deel van de foto te zien. Voor ons was de Nijntje-afbeelding niet eens zichtbaar. Net als het gezicht van het jongetje. Heel vaag zagen we op het truitje een klein rechthoekig versierseltje. Na flink uitvergroten en een beetje fotoshoppen zagen we uiteindelijk twee letters en een vlekje. Dat vlekje bleek een &-teken te zijn, gevolgd door de letter z in een heel vreemd lettertype.’ Het betekende het begin van een zoekrichting. ‘We hebben gewoon op internet gezocht en kwamen uiteindelijk uit bij het logo van een bedrijfje in Gouda: Hip & Zo.’ De eigenares wist de politie te vertellen dat ze het truitje zelf heeft gemaakt, in 2004, en dat ze er 21 van heeft verkocht. Op basis van de vermoedelijke leeftijd en de lengte van het jongetje op de beelden kan de maat van het truitje worden geschat. De eigenares heeft in deze maat maar ??n truitje gemaakt en heeft dat verkocht in Nederland. Voor de politie is het nu duidelijk dat het misbruik en de vervaardiging van het kinderpornografische materiaal hoogstwaarschijnlijk hebben plaatsgevonden in Nederland – reden om Opsporing verzocht in te schakelen.

‘Dit hebben we echt s?men gedaan. Met alle deelnemers aan onze website hebben we, ieder vanachter onze eigen computer, mogelijke oplossingen geopperd. We hebben elkaar aan het denken gezet. Uiteindelijk is een van onze vrouwelijke deelnemers met de goede oplossing gekomen.’ Op dat moment en in de dagen erna hadden de mensen van Serendip nog geen idee welke zaak ze een duw in de juiste richting hebben gegeven. ‘Dat hoorden we later pas?. De zoektocht naar het Nijntje-truitje is maar ??n van de wapenfeiten van de internetspeurders. Meerdere keren per jaar schakelt de politie de website Serendip in om duidelijkheid te krijgen over zaken waar ze zelf niet helemaal uitkomt. Zo wisten zij op basis van een niet al te scherpe foto duidelijk te krijgen dat die foto was genomen in een trein die was gebouwd in de Estse hoofdstad Tallinn. En eerder moesten ze bijvoorbeeld aan de hand van een landschap uitzoeken waar die foto was genomen. ‘We vinden het leuk om dingen op te sporen, om zaken uit te zoeken. En als we de politie daarbij een handje kunnen helpen, is dat natuurlijk prachtig.’

12. Wat voor resultaten levert het werk op?

Het werk is heel divers, we zoeken op objecten ?n personen. Ons resultaat ligt misschien rond de 60%.

De ‘Trace an Object’-campagne van Europol vraagt leden van het publiek om uit te zoeken in welk land een item of een bepaalde locatie in beelden van kindermisbruik is gefilmd of gefotografeerd. Europol heeft het project begin juni 2017 gelanceerd en heeft al meer dan 21.000 tips ontvangen?. De meer dan 135 foto?s die vrijgegeven zijn, zijn bijgewerkt om alle illegale inhoud te verwijderen en alleen huishoudelijke voorwerpen achter te laten. Deze items kunnen echter nog steeds aanwijzingen geven.

Bellingcat heeft onlangs een project opgezet op?CheckMedia, een online platform voor het beheren van verificatiechecks, om de Europol campagne te ondersteunen.?Deze vrijwillige speurneuzen hebben met succes meer dan 35 voorwerpen ge?dentificeerd: een paar speelgoedschoenen, een specifiek merk kinderkleding en een paar supermarktzakken die typisch in Noord-Europese landen zijn gevestigd tot een hotelkamer in Taiwan.

Bo, ook lid van de Bellingcat-groep, legt uit hoe hij het paar speelgoedschoenen identificeerde. Ten eerste vond een lid van Serendip een vergelijkbaar plaatje, ook van een speelgoedschoen, waarschijnlijk met Google. Bo deed vervolgens een reverse image search zoekactie op die afbeelding, die via Google zoekt naar visueel vergelijkbare afbeeldingen. Bij de getoonde resultaten stond een speeltje dat sterk leek op het plaatje dat door Europol was gepost. “Het was helemaal niet zo technisch.)” legde Bo uit aan Motherboard via een e-mail.

12. Welke dilemma?s komen jullie tegen in dit werk??

Iedereen heeft een nickname. Ik ken slechts enkelen en dan vaak nog niet eens met de volledige naam.?Op Serendip bedienen de deelnemers zich van namen als Inspector?Morse, Maigret en De Zoeker. Amateurs zijn het. Ze krijgen er geen vergoeding voor, ze doen mee omdat ze graag zaken uitzoeken. ‘G??n hackers’, benadrukken ze. ‘We maken uitsluitend gebruik van openbare bronnen (Open Source Intelligence, OSINT), kijken alleen op die plaatsen waar iedereen kan kijken.??Tijd.

Waarom de politie het werk dan niet zelf doet ? ze hadden de vraag verwacht.”Soms kunnen zij ook wat wij kunnen, maar hebben ze geen tijd of prioriteit. En soms zijn we wat slimmer of handiger dan politie?.?Maar de gemiddelde rechercheur heeft de tijd niet om het onderzoek te doen zoals wij dat doen.’ Serendip heeft de mankracht wel. ‘Wij buigen ons soms met dertig man tegelijk over een voorwerp. Soms zijn we avonden aaneen bezig. Zo hadden ze bijvoorbeeld een foto van een bril. Daar zaten weken werk in en pas veel later kwam er ineens een verlossend bericht van politie: “Weet je nog dat jullie een hele tijd geleden gezocht hebben naar de herkomst van een bril ? Deze bril bleef destijds achter op een plaats delict na een steekpartij. Dankzij jullie zoektocht kwamen we erachter waar de bril bij Hans Anders verkocht werd. Op dat moment leek het of we daardoor niet verder zouden komen, er zijn immers zoveel vestigingen in Nederland. Bij een van de vestigingen van Hans Anders werd de glassterkte doorgemeten, die bleek redelijk uniek. Zo uniek zelfs dat er maar 4 personen in heel Nederland dezelfde sterkte hadden. En ja, daar zat ook de verdachte tussen. DNA aangetroffen op de bril matchte met die van de verdachte. Hij is inmiddels veroordeeld tot een meerjarige gevangenisstraf. Een mooi resultaat, mede dankzij jullie zoektocht!”

De politie waardeert de inzet van de amateurspeurders, zo blijkt wel. Ooit bezocht een delegatie van Serendip de politie om eens nader kennis te maken.?Overheidsinstanties zijn wat log, dat weet iedereen, dus ja maakt samenwerken soms lastig.?’Maar ze zijn blij met wat we allemaal doen en we voelen ons dan ook zeer serieus genomen.’ En terecht. Denk bijvoorbeeld aan die overval op een winkel waarbij op camerabeelden te zien was dat een van de overvallers een grijze capuchontrui droeg. ‘Wij wisten de politie uiteindelijk te melden dat die afkomstig was van een bepaalde winkel in Warschau. Later wist de politie op basis van die informatie uiteindelijk drie leden van een motorclub uit Litouwen aan te houden. Dat is natuurlijk een mooi resultaat.’ En ook de komende tijd is er nog voldoende werk aan de winkel.

13. Welke manieren zijn er tenslotte nog voor jullie om risico?s zoveel mogelijk te voorkomen?

Wij doen niet aan (spel)regels maar aan fatsoen en dat lijkt te werken 😉

Meer informatie: http://www.serendipov.nl/

Lees de publicatie?De valse romantiek van cocreatie?waarin Serendip ook genoemd wordt met hun werk in de Robert M. zaak:

Serendip is?ook te vinden op Facebook en Twitter

Seminar Burgerparticipatie Politieacademie

Burgerparticipatie kent vele facetten. De overheid betrekt burgers bijvoorbeeld al jaren op diverse manieren bij beleidsvorming. Ook voor de politie is burgerparticipatie een belangrijk thema geworden. Burgers worden namelijk steeds actiever op het gebied van criminaliteitsbeheersing. Onder andere door technologische ontwikkelingen zijn burgers steeds beter in staat om zelfstandig veiligheid vorm te geven. Hierbij valt te denken aan de grootschalige zoektochten bij vermissingen, maar ook aan mensen die zelf gestolen goederen opsporen via internet of ?op jacht gaan? naar daders bij bijvoorbeeld een mishandeling of misbruik van minderjarigen.

Deze ontwikkeling brengt bepaalde risico?s met zich mee. Zo zijn er vaak heftige emoties in het spel en bestaat de dreiging van eigenrichting. Tegelijkertijd is de hulp van burgers een gegeven en biedt de samenwerking met burgers ook nieuwe kansen voor de politie. Burgers bieden naast ?extra ogen en oren? bijvoorbeeld ook kennis en expertise die de politie zelf mogelijk niet of onvoldoende in huis heeft. In ieder geval is burgerparticipatie inmiddels niet meer weg te denken uit de samenleving. De uitdaging voor de politie is dan ook om in verbinding te blijven met de burger.

Hoe de politie met deze risico?s, kansen en dilemma?s omgaat, werd duidelijk tijdens dit gevarieerde seminar, dat op 18 september op de politieacademie werd gehouden, Het bestond uit een plenair gedeelte, gevolgd door workshops. Alle onderdelen werden ge?llustreerd met praktijkvoorbeelden.

Wim van Amerongen, Programmadirecteur Opsporing, opende het seminar. In zijn verhaal over Burgeropsporing stonden onder andere ambities zoals flexibiliteit en de snelle aanpassing aan nieuwe veiligheidsvraagstukken centraal. Oebele Brouwer, de tweede plenaire spreker, behandelde vervolgens vanuit zijn rol als Officier van Justitie de juridische mogelijkheden van burgerinzet en de bewijswaarde hiervan in het strafrecht. Ook bespreekt hij aan de hand van casu?stiek het managen van emoties bij burgerparticipatie in relatie tot het strafproces. Tenslotte hield?Izanne de Wit, specialist vermiste personen van de regionale recherche van de politie Midden-Nederland een mooi pleidooi over nieuwe vormen van samenwerking met allerlei burgergroepen in vermissingszaken. In juni van dit jaar gaf zij nog een interessant interview in de Volkskrant?over de worsteling van de politie bij burgerhulp.

Vervolgens was er?een grote verscheidenheid aan workshops:

1. Runnen in de Bovenwereld?(Law Enforcement Only)
De TCI (Team Criminele Inlichtingen) maakt bij uitstek gebruik van burgers in het verkrijgen van informatie. Veelal zijn deze burgers criminelen die om verschillende motieven hun informatie met de TCI willen delen.
Daarnaast is het van belang om informatiepositie te krijgen bij burgers die zich niet in de traditionele criminele omgevingen bevinden, maar een sleutelpositie hebben binnen het maatschappelijke leven (de Bovenwereld).
Een inzicht in de wereld van Criminele Inlichtingen en Runnen in de Bovenwereld.
Coordinator TCI Landelijke Eenheid

2. “Maar even serieus, politieparticipatie?”?
Politieparticipatie? Een streven misschien maar (nog) geen werkelijkheid. Stan Duijf deed onderzoek naar? verschillende vormen van politieparticipatie. Aan de hand van casuistiek neemt deze workshop je mee in de wereld van burgers die zelf starten met opsporen en de wijze waarop de politie op deze burgers reageert. U krijgt in deze workshop antwoord op vragen zoals, hoe reageert de politie op deze opsporende burgers, welke dilemma’s worden er ervaren en kunnen deze zelfstartende burgers van betekenis zijn voor het opsporingsonderzoek?
Stan Duijf

3.?Hoe verbetert Opsporingscommunicatie de effectiviteit van de opsporing.
Tijdens deze workshop nemen we je mee in een van de meeste bekende vormen van burgerparticipatie in de opsporing, de inzet van Opsporingscommunicatie. We maken als politie al 35 jaar Opsporing Verzocht en met succes. Wekelijks trekt het programma gemiddeld 1,2 miljoen kijkers en in 43% van de zaken die oa hier worden gebracht worden aanhoudingen verricht. Maar Opsporingscommunicatie gaat inmiddels veel verder alleen een opsporingsprogramma. Tijdens deze workshop laten we jullie ervaren hoe je Opsporingscommunicatie kan inzetten als strategisch interventiemiddel en tonen we jullie toonaangevende praktijkvoorbeelden.
Linda Buitenweg

4. Vrijwillig, getraind en Ready2Help: Samen met de politie zoeken bij urgente vermissingen?
Ready@Help?is een burgernetwerk dat in 2014 door het Rode Kruis is opgezet. Het doel is om samen met aangesloten vrijwilligers tijdens grote incidenten een bijdrage te kunnen leveren aan hulpverlening en veiligheid. Inmiddels bestaat het netwerk uit bijna 40.000 mensen en is Ready2Help sinds 2014 al meer dan 300 keer in actie gekomen. Ongeveer een jaar geleden is er experiment gestart waarbij de politie Rotterdam Ready2Help traint in het zoeken bij vermissingszaken. Tijdens deze workshop wordt ingegaan op deze samenwerking met de Eenheid Rotterdam bij het zoeken naar urgent vermiste personen en wordt een verkenning gedaan naar mogelijke andere samenwerkingsvormen met de politie.
Petra Koster

5. ?oh oh ze denken mee!?. Burger internetrechercheurs in vermissingszaken.
De workshop zal gaan over het feit dat burgers hobbymatig steeds actiever met ons mee speuren in vermissingszaken. Als politie is het lastig handelen met de informatie die zij aanleveren. Welke werkwijze hebben zij gehanteerd die geleid heeft tot het verkrijgen van deze informatie?? Hoe gaan zij om met hypothese en scenario?s?? Maar wat nu als informatie die zij verstrekken klopt?
Izanne de Wit

6. Boeven vangen doen we samen! Lessen uit Kootwijkerbroek.
Burgers organiseren zichzelf via WhatsApp of speciale buurtapps en attenderen elkaar ?n ons op veiligheidszaken en verdachte situaties in de buurt. Als politie zijn we heel blij met deze betrokkenheid, want; met vele ogen zien we meer en dit vergroot de kans op heterdaad aanhoudingen! Maar wat doen we als een dergelijke groep uitgroeit tot een burgerwacht die 24/7 paraat staat om met eigen middelen de veiligheid in de wijk te bewaken?
Onderwerpen die in deze workshop aan bod komen zijn onder andere:
? Burgers organiseren zich zelf, maar wat verwachten ze van de overheid?
? Hoe kun je burgerparticipatie goed en slim organiseren?
? En wat zijn de do?s en don?ts voor een goede samenwerking?
Wilma Borren

7. Participeer! Kom je alleen info halen of doe je mee??
In deze workshop nemen twee politiekundigen u mee in hun afstudeeronderzoek naar burgerparticipatie. Zij deden onderzoek naar de kansen voor burgerparticipatie in het district Oost-Utrecht. Daarvoor spraken zij onder andere met burgerrechercheurs en buurtvaders over de samenwerking met de politie. Ook onderzochten zij welk beeld politiemedewerkers van? burgerparticipatie hebben en welke mogelijkheden collega’s zien om paticipatie meer te benutten. Naast het bespreken van de resultaten van het onderzoek gaan zij graag met u in gesprek om samen verder te leren.
Wilma Borren & Bas van der Hee

8. Verschil Maken. Het spanningsveld tussen burgerparticipatie en de waarden van de rechtstaat.
Anne Faber kent u waarschijnlijk wel. Edwin Takens waarschijnlijk niet. Beiden werden eind 2017 in de omgeving van Soest vermist. De zoektocht naar Anne Faber werd een nationale aangelegenheid met tal van burgerinitiatieven. Bij Edwin Takens gebeurde dat niet. Hoe gingen wij om met dat verschil?
We zijn nieuwsgierig naar waar de politie zich door laat leiden bij het bepalen van de inzet van schaarse capaciteit? In het maken van die keuze dienen wij de waarden van de rechtsstaat en staan wij voor gelijkheid. Maar het vermogen om zelf voor veiligheid te zorgen is ongelijk verdeeld in de samenleving. Die maatschappelijke ongelijkheid zouden wij kunnen negeren, nivelleren of juist uitvergroten. Negeren door in alle gevallen gelijke inzet te plegen, nivelleren door een stap terug doen waar burgers participerend en redzaam zijn en andersom. En uitvergroten door juist mee te bewegen met de publieke opinie en inzetten op die zaken die burgers in beweging brengen. Hoe gaan wij om met maatschappelijke ongelijkheid en deugt het wat wij doen? Tijdens deze workshop wordt het denkraam van een onderzoek naar de spanning tussen burgerparticipatie en de waarden van de rechtsstaat gepresenteerd. En willen we op een interactieve manier discussi?ren over dit spanningsveld.
Susanne Huijing & Machteld van den Bosch

9. De Landelijke Deskundigheidheidsmakelaar: Inzet van externe deskundigen
Er is een toenemende vraag naar externe deskundigen (burgers) die een bijdrage kunnen leveren aan het opsporings- en vervolgingsproces. Het kan echter moeilijk zijn om te bepalen wie en op welke wijze een burger/deskundige een bijdrage kan leveren? in een onderzoek. Onduidelijkheid hierover gaat soms ten koste van de kwaliteit van het onderzoek. Er zijn echter veel kwalitatief uitstekende en betrouwbare? externe deskundigen (burgers) die meer en vooral eerder ingezet kunnen worden dan nu het geval is. De Landelijke Deskundigheidsmakelaar (LDM) wil de politie, openbaar ministerie, bijzondere opsporingsdiensten en zittende magistratuur? hierbij graag ondersteunen en adviseren. De LDM heeft een register met daarin gescreende en getoetste externe deskundigen die geraadpleegd kunnen worden.
Mariska van Diepen & Jan Verkaik

10. Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing?
Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze workshop willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/
Sven Schultz & Arnout de Vries

11. Burgerparticipatie: de buurt en de agent (Veiligebuurt app)
Bewoners starten buurtpreventie initiatieven (m?t en z?nder de wijkagent) om hun buurt veiliger te maken. WhatsApp heeft zijn beperkingen voor bewoners ?n voor de wijkagent. Veiligebuurt.nl app is speciaal ontwikkeld en wordt nu door politie eenheden gebruikt.
In deze workshop wordt de voorbeeldcase met Politie Bommelerwaard uitgediept en de succesfactoren en resultaten vanuit het Ministerie van J&V besproken.
Natuurlijk staan we ook stil bij uw ervaringen, tips en hoe u kunt genieten van de voordelen (zonder eventuele belemmeringen).
Tim van Belkom

12. Ondernemers Alert, ”Ondermijning met een hapje en een drankje”
En dan is het ineens je buurman ondernemer op het industrieterrein waar de hennep zit en waar een ripdeal plaatsvind. De wijkagent komt erachter dat die buurman best wel wat wist.. maar helaas vaak achteraf. We willen naar de voorkant komen, hoe ga je samenspannen met ondernemers en hen bewustmaken van de signalen en weer in verbinding komen met de overheid. We zijn het gewoon gaan doen met ons publiek private netwerk ondermijners, zo’n 2 jaar geleden is het Platform Veilig ondernemen,? MKB- VNO, Politie, gemeenten, ondernemersverenigingen, samen voorlichtingen gaan geven op industrieterrein, daar waar het gebeurd, zoals in de loods waar XTC geproduceerd werd. Met een hapje en een drankje in?informele bijeenkomsten waarbij de burger als ondernemer en 1overheid weer in gesprek komen. Inmiddels landelijk gevolgd, 1200 ondernemers verder een 30 tal lokale bijeenkomsten, Haagse politici tot en met de minister die deze bijeenkomsten ook aanschuiven. In deze workshop vertellen we ons persoonlijke story over hoe een schijnbaar kleine interventie lokale, soms onverwachte, mooie effecten kan hebben in het herstellen van de publiek private verbinding.
Petra van den Bergh

13. Sarea Samen Zoeken?
Jaarlijks worden meer dan 40.000 mensen als vermist opgegeven. Gelukkig zijn 70% van de personen binnen 24 uur teruggevonden. In sommige gevallen helaas niet. Burgers starten vaak zelf een zoekactie voordat de politie in beeld komt. Dat is goed, want juist de eerste 24 uur zijn cruciaal.
Burgers willen graag, maar weten niet altijd hoe ze een zoekactie moeten leiden. Hoe weet je wie waar zoekt? Hoe stuur je mensen aan? De vermissingsapp Sarea helpt door de zoekactie te structureren en te organiseren. Doordat Sarea een afgebakend zoekgebied bepaalt en doordat de co?rdinator overzicht behoudt van waar wel en niet gezocht is, zorgt Sarea voor cruciale afstemming en samenwerking tussen alle partijen die betrokken zijn bij het zoeken naar een vermiste persoon. Wat komt erbij kijken als je met een app met burgers wil gaan samenwerken op het gebied van zoekacties? Van idee naar uitvoer, daar gaat de workshop over.
Ronnie Hessels & Henk-Jan Kazemir

14. Als je normale vragen stelt, krijg je ook normale antwoorden. Over de rol van de burger in de opsporing
? Wie vertrouwt zijn DNA toe aan de overheid?
? Wie durft te getuigen over een hennepplantage in de buurt, of over een moord?
? Wat doet de politie als de burger iets van de overheid wil in ruil voor zijn bijdrage?
? Wat mag is de prijs van de vooruitgang?
In deze workshop gaat Maarten Bollen in op de rol van de burger in de opsporing. Welke overeenkomsten hebben de burgers die in Friesland DNA afstonden voor het verwantschapsonderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra met de dealende criminelen die hun celgenoot erbij lapt in ruil voor minder straf? Maarten Bollen was betrokken bij het onderzoek 3D waarin verwantschapsonderzoek voor het eerst werd ingezet. Hij is op dit moment projectleider Bijzondere Getuigen in de regio Oost.
Maarten Bollen

Bron: Politieacademie

Politieparticipatie? De attitude van de politie moet echt veranderen!

Politieparticipatie? De attitude van de politie moet echt veranderen!?Een artikel over doe-het-zelf burgeropsporing & politieparticipatie.

Gastauteur: Stan Duijf

Steeds vaker verrassen burgers, vriend en vijand door in de rol van de politie te kruipen. Nadat ze zijn geconfronteerd met een strafbaar feit starten ze op eigen initiatief met opsporen. Er wordt vaak gesteld dat de rol van de politie hierbij meer participerend zou moeten zijn, ook wel politieparticipatie in de (politionele) volksmond. Maar even serieus, politieparticipatie? Een streven misschien, maar zeker nog geen werkelijkheid!

Weet u nog? Een vrouw uit Hoorn heeft de man die haar aanrandde zelf opgespoord. De aanrander nam haar iPhone mee en dat bracht haar na een zoektocht uiteindelijk zelf bij de dader. Ze gaf haar informatie door aan de politie. Het duurde vervolgens twee maanden voordat de politie de man wist te pakken. De man bekende en werd door de rechtbank veroordeeld. Een spraakmakend voorbeeld uit 2017 en zeker niet het enige. Met hoge regelmaat duiken er in de media voorbeelden op van burgers die zelf aan het opsporen gaan. De aandacht voor dit fenomeen groeit al jaren levendig, net zoals het aantal burgers dat zelf start met opsporen gestaagd lijkt toe te nemen. Helemaal nieuw is het niet, burgers hebben vaak als slachtoffer of getuige een traditionele rol in het opsporingsonderzoek. Toch lijkt deze rol aan verandering onderhevig, maar het is nu niet de politie die dit initieert. Omdat de politie hun verwachtingen vaak niet waarmaakt nemen burgers het initiatief en starten zelf het opsporingsonderzoek (1). Soms volledig autonoom en onafhankelijk, bij gelegenheid in wereldwijde (virtuele) netwerken en soms in samenwerking met de politie. De vari?teit van initiatieven is groot, de ene post zijn gestolen fiets op Instagram en de ander spant samen om via een online community pedofielen of oorlogsmisdadigers te ontmaskeren. De integratie van technologie en internet in ons dagelijks leven lijkt zeer prominent bij te dragen aan het opsporend vermogen van deze initiatiefrijke burgers.

Noemenswaardig is dat er voornamelijk aandacht is voor het romantiserende mediagenieke Sherlock Holmes gehalte van dit fenomeen. De (wetenschappelijke) onderzoekswereld heeft tot op heden opvallend weinig gedegen belangstelling getoond voor de wijze waarop de politie reageert op deze zelfstartende opsporende burger. Deze filosofeert namelijk graag over de wenselijkheid van een participerende politie, waarbij vaak een scherp oog voor de huidige realiteit ontbreekt. Vergezichten en overtuigingen van ?hoe het zou moeten? zijn niet genoeg en lijken te worstelen met de werkelijkheid. Want wanneer de attitude van de politie ten opzichte van deze zelfstartende opsporende burgers niet verandert, komt de legitimiteit van de politionele opsporing nog verder onder druk te staan. In werkelijkheid neemt de politie namelijk nauwelijks deel aan het opsporingsonderzoek waarin burgers leidend zijn.

Werkelijkheden: de wijze waarop de politie reageert

De politie zit niet te wachten op inmenging van zelfstartende burgers in het opsporingsonderzoek. Voor velen is opsporen toch echt alleen de taak van de politie. Er is in werkelijkheid meer sprake van politie-power dan van politieparticipatie. Ondanks dat de politie terughoudend en wantrouwend is, beseffen ze zich dat ze beter kunnen samenwerken. Dit geeft de politie, geredeneerd vanuit eigen belang, de kans om meer invloed en controle te hebben op de opsporingsactiviteiten van deze burgers. Merkwaardig is dat de behoefte aan invloed die de politie wil hebben op deze initiatiefrijke burgers, toeneemt bij omvangrijke, gevoelige opsporingsonderzoeken met significante impact. Deze behoefte van invloed is vele proporties meer dan bij veelvoorkomende criminaliteit zoals diefstal van een fiets of telefoon. Bij dit soort veelvoorkomende criminaliteit is de politie zelfs in staat om een kwetsbare burgers zelf op onderzoek uit te sturen, met alle risico?s van dien. Het lijkt er op een of ander manier minder toe te doen.

Ondanks dat de politie moeite heeft om deze zelfstartende burger te omarmen in het opsporingsonderzoek, zijn er zo links en rechts wel enige beginnende vormen van participatie waarneembaar in de praktijk. Er wordt onder andere vaak (nuttige) informatie uitgewisseld tussen opsporende burgers en politie. Hierbij is er wel sprake van eenrichtingsverkeer, want voor de politie is het vaak complex door regelgeving om informatie uit te wisselen. Daarnaast geeft de politie, gedreven door o.a. manipulatieve redenen, ook voorlichting en training aan initiatiefrijke burgers. Hiermee hoopt de politie dat zij hetgeen gaan doen wat in het politionele straatje past en het liefst maakt de politie hier op voorhand afspraken over. Past het niet in het politionele straatje en worden volgens de politie ethische en juridische grenzen overtreden, dan is de politie niet te beroerd om burgers tot stoppen te dwingen. Het is overigens ook de flexibiliteit van de politieorganisatie die echte participatie in de weg staat. De politie organiseert zich immers niet zo snel dan een flu?de burgerinitiatief dat zojuist is ontstaan op bijvoorbeeld Twitter. Dit kan simpelweg resulteren in tienduizend burgers die samen klaar staan om te zoeken naar een vermiste man, waar de politie nog bezig is om alles in haar systeem vast te leggen. Daarnaast wordt informatie online vliegensvlug gedeeld door burgers. Deze informatie wordt ook met de politie gedeeld, die door de hoeveelheid en snelheid vaker dan eens wordt overwelmd.

Dat er de komende tijd gesleuteld moet worden aan wijze waarop de politie reageert op deze opsporende burgers is duidelijk. De huidige attitude resulteert onvoldoende in voortuitgang en dat is toch waar de opsporing naar verlangd. Niet structureel, maar incidenteel is zichtbaar geworden wat we met vooruitgang bedoelen wanneer de politie in staat is om opsporende activiteiten van burgers te omarmen in het politionele opsporingsonderzoek. Het opsporend vermogen neemt namelijk significant toe. De politie kan gebruik maken van meer ogen, oren en specifieke kennis en vaardigheden van burgers. Daarnaast ontstaat er meer gelegenheid om van elkaar te leren en de tevredenheid over de politie neemt toe wanneer ze in staat zijn om burgers te erkennen als serieuze partner in crime.

Verlangen naar vooruitgang: wat helpt?

Het begint bij het erkennen van de realiteit. De politie neemt nauwelijks deel aan opsporingsactiviteiten die ge?nitieerd zijn en geleid worden door burgers. Zoals Arnout de Vries en Jose Kerstholt (2) al eerder in dit tijdschrift schreven is alleen het vertrouwen van burgers in de politie onvoldoende. De politie mag wat minder angstig zijn en haar keuzes wat minder baseren op potenti?le risico?s. Handel naar werkelijkheid. Waarheidsvinding en rechtspreking, daar gaat het toch om. Stel dat voorop in het opsporingsonderzoek, omarm de goedwillende opsporende burger en sta toe om meer te vertrouwen. Pas dan komt er echte experimenteerruimte, wordt het wederzijds lerend vermogen benut en kan er weer positief verrast worden in de opsporing. Hiervoor zijn richtinggevende kaders voor opsporende burgers en politieagenten nodig. Ze weten namelijk vaak beiden niet hoe ze met elkaar moeten dealen en wat simpelweg wel en niet legitiem is. Let wel op, kaders impliceren ook ruimte. Metsel deze potenti?le kans voor voortuitgang niet dicht. De politie moet namelijk nog echt beginnen met participeren. Ervaringen in de werkelijkheid kunnen later bijdragen aan het verfijnen van deze kaders.

Afsluitend, kunnen wij een afspraak maken? De eerstvolgende goedwillende burger die zelf start met opsporen krijgt een aantal politieagenten ter ondersteuning. Deze initiatiefrijke burger is en blijft de leider van het onderzoek, ongeacht of het nu gaat om ondermijning, een fietsendiefstal of een ramkraak. Wie doet? Het is namelijk nodig!

Lees of download hieronder het hele onderzoek:

[slideshare id=111131528&doc=modernsherlockholmes-180823110121&type=d]

Stan Duijf werkt als teamchef van het basisteam ?s-Hertogenbosch en deed afgelopen jaar onder begeleiding van het lectoraat Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde van de politieacademie, kwalitatief empirisch onderzoek (3) naar de wijze waarop de politie reageert op zelfstartende opsporende burgers. Op basis van een multiple case studie onderzocht hij zeven eigentijdse cases in diepte waarin burgers zelf het initiatief namen om te starten met opsporen.

Referenties

  1. Bervoets, E., van Ham, T., & Ferwerda, H. (2016). Samen signaleren, burgerparticipatie bij sociale veiligheid. Den Haag: Platform31; Meijer, A. (2012). New Media and the Coproduction of Safety: An Emperical Analysis of Dutch Practices. American Review of Public Adiminstration , 17-34; Rotmans, J. (2014). Verandering van tijdperk. Boxtel: Aeneas uitgever vakinformatie
  2. Kerstholt, J. & de Vries, A. (2018) Agent in burger. Tijdschrift voor de politie, 80 (6).
  3. Duijf, S (2018). Modern Sherlock Holmes. How will the police respond?. Canterbury-Apeldoorn.