Tagarchief: Politieacademie

Boer en burger schieten politie te hulp bij rellen

Boeren, buurtwachten en voetbalfans: allemaal stonden ze opeens klaar om de politie te helpen bij het bedwingen van de rellen. Is dat een goed idee?

Hulp bij het beheersen van de rellen kwam dinsdagavond uit onverwachte hoek. In Zwolle en Doetinchem meldde zich een groep boeren bij de politie om te vragen of de straten niet met
trekkers geblokkeerd hoefden te worden. Handig, want zo komt geen relschopper er meer in of uit. En in Maastricht liepen honderden voetbalsupporters in een optocht door de straten om
‘de stad te beschermen’. Ook in onder andere Alkmaar, Tilburg en Nijmegen gingen voetbalsupporters de straat op. Het hulpaanbod is opvallend, want voetbalsupporters en boerenactivisten staan niet bekend als de grootste vrienden van de politie. Zo werd Thijs Wieggers, voorman bij Farmers Defence Force, afgelopen zomer nog gearresteerd tijdens een boerenactie. Woensdag bood hij echter zijn diensten aan. “We laten het land niet slopen”, zei hij tegen het ANP.

Burgemeesters reageerden woensdag met waardering op de voorstellen, maar namen deze niet aan. Alleen Emile Roemer, de burgemeester van Alkmaar, sprak zijn lof uit over hoe AZsupporters
samen met wijkagenten de stad hadden ‘beschermd’.

Anonimiteit relschoppers opheffen
Alleen als mensen het geweldsmonopolie van de politie respecteren, is meehelpen mogelijk, stelt Jerôme Lam, wetenschappelijk onderzoeker bij de Politieacademie. “Voor alle groepen geldt: sommige taken zijn gewoon van de politie, zoals ordehandhaving. Daar kun je gewoon niet mee helpen. Er moeten geen knokploegen ontstaan. Of een soort burgerwacht, zoals je sommige bewoners van getroffen wijken zag doen.”

Zijn collega, lector politieacademie Nicolien Kop, benadrukt dat er genoeg andere manieren zijn om de politie te helpen met rellen tegengaan. “Sommige mensen hebben echt een voorbeeldfunctie binnen bepaalde groepen. Het helpt als sleutelfiguren duidelijk maken dat rellen niet stoer is.” Ook kunnen burgers helpen met het ‘weghalen van de anonimiteit van relschoppers’. “Niet alleen door filmpjes en foto’s op te sturen, maar ook bijvoorbeeld door als ouder, docent of buurman jongeren aan te spreken.” Waar komt de wens om te helpen ineens vandaan? Kop heeft wel
een verklaring. “De maatschappelijke betrokkenheid is groot op dit moment. We zitten midden in een pandemie en iedereen probeert er het beste van te maken. Wanneer relschoppers dan moedwillig dingen kapotmaken, vinden we dat extra erg. Dat roept het gevoel op: dit is niet de samenleving die we willen.”

Burgers nemen vaker initiatief
Volgens haar collega Lam vinden mensen het bovendien juist nu fijn om zich onderdeel van een groep te voelen. “In tijden van crisis gaan mensen zich ook juist meer identificeren met een groep waar ze bij horen. Dat kan ook de plek zijn waar ze wonen of vandaan komen.” Dat burgers graag de politie willen bijstaan komt de laatste jaren ook steeds meer voor. Kop: “Burgers kunnen de laatste jaren steeds meer, met hun telefoon en met internet. Ze nemen inderdaad ook vaker het initiatief, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de zaak-Anne Faber. Dat moet je als politie omarmen, al zal je ook een weg moeten vinden om de juiste taken voor burgers te vinden.”

Harde kern die zorgt voor veiligheid, dat voelt vreemd
,,Hun optreden heeft denk ik aardig preventief gewerkt. Als twintig, dertig relschoppers de beelden van de honderden voetbalsupporters zien die uitstralen ‘dit is onze stad, dit laten we niet toe’, dan bedenken ze zich wel”, zegt socioloog Jaap Timmer van de Vrije Universiteit, onderzoeker naar geweld tegen politie. Hij noemt de actie voor herhaling vatbaar. ,,Ik vind het een prachtig signaal dat hun chauvinisme zich niet beperkt tot de club, maar ook afstraalt op de stad. Hier kunnen we als samenleving verder. Hier wordt aangegeven dat dit gaat om onze stad, onze ondernemers en onze winkels, waar wij klant zijn. Als mensen dat sentiment hebben, prima. Het mag zelfs breder. Maar het moet niet gewelddadig worden.”

Burgers schieten de politie al langere tijd en in toenemende mate te hulp, signaleert Arnout de Vries, specialist bij TNO in burgeropsporing. Bijvoorbeeld bij zoekacties naar vermiste personen. De groeiende burgerinzet is „een signaal” dat de politie tekortschiet. Met het tegenhouden van relschoppers, is volgens de TNO-deskundige normaal gesproken buiten de avondklok niet veel mis. Burgerinzet brengt echter ook risico’s met zich mee. „Onder groepen met goede bedoelingen bevinden zich altijd mensen die uit sensatie wel een klap willen uitdelen.” Het is niet een taak van burgers om relschoppers aan te pakken. „Burgers zijn niet opgeleid om de-escalerend op te treden”, verklaart de TNO-deskundige. „Zij gebruiken eerder hun postuur of vuisten als wapen in plaats van hun mond. De politie is getraind in de-escalerend optreden. We hebben niet voor niets de ME.” Toch snapt De Vries als bijvoorbeeld een ondernemer in actie komt als zijn winkel wordt geplunderd. „Dat mag ook. Dankzij het burgerarrest mogen burgers relschoppers of vandalen staande houden.” Regels zijn echter onduidelijk. De huidige inzet van bijvoorbeeld voetbalsupporters of Hell’s Angels, die zelf vaak niet vies zijn van rellen en vernielingen, voelt „ongemakkelijk”, geeft De Vries aan. „Je weet nooit wat die bij zich hebben.” Het gevaar is „heel groot” dat groepen burgers lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. „Op sociale media zien we dit al.” De burgemeester van Eindhoven sprak al over een burgeroorlog. „De toenemende polarisatie dwingt mensen ergens voor of tegen te zijn. Het kan zijn dat groepen echt slaags raken met elkaar.” De politie „waardeert” het aanbod van burgers bij de aanpak rellen, zegt politiewoordvoerder Sherlo Esajas van de Landelijke Eenheid. „Een goed bedoeld gebaar, een steuntje in de rug.” Burgers helpen de politie echter het beste door zich aan de regels en de avondklok te houden, benadrukt de woordvoerder. „De politie heeft de hulp niet nodig.”

Hoe moeten we hiermee omgaan?
,,Natuurlijk voelt dit even ongemakkelijk, ook voor de politie”, zegt Jaap Timmer. ,,Maar dit is de samenleving. Het wijst ons erop dat supporters ook mensen zijn met sentimenten en dat onze
beelden van hen vaak niet terecht zijn. En gemeenten kunnen dit gebruiken als een mooi voorbeeld van elkaar aanspreken en corrigeren, niet alleen in coronatijd. Want door het wegvallen van de verzuiling is er geen mechanisme meer van sociale controle en correctie. Als voetbalsupporters dat doen, prima. Maar wel in alle redelijkheid en binnen de wet.” Brouwer zou het mooi vinden als veel andere burgers zich bij de voetbalfans aansluiten. Hij gelooft niet dat het optreden van de Angel-Side aantoont dat we voor de handhaving afhankelijk zijn geworden van anderen dan de politie, ook al leek het erop dat de politie het maandagavond niet overal meteen aankon. ,,Stel je voor dat we dit toelaten? Dan denken ze dat ze bij de eerstvolgende voetbalwedstrijd ook de orde kunnen handhaven. Maar je kunt er geen bezwaar tegen hebben als burgers ergens postvatten, zolang ze zich aan de avondklok houden. Het gebeurt vaker dat burgerwachten of buurtvaders voor veiligheid zorgen waar de politie dat niet kan. Maar dit was geen burgerwacht die de taak van de overheid overneemt. Dit was een erekwestie, ze waren in hun trots gekrenkt dat anderen hun stad wilden aanvallen.”

Bronnen: Trouw, De Limburger, Reformatorisch Dagblad

Boeven vangen met slimme burgers

Met burgeropsporing is meer mogelijk dan wordt gedacht, blijkt uit een eerder dit jaar gehouden FASTNL Hackathon. Deskundigen van binnen en buiten de politie beten zich vast in 85 zaken met voortvluchtige veroordeelden.

Op 21 januari 2020 vond op de militaire kazerne in Wezep de FASTNL Hackathon plaats. Het doel was het opsporen van voortvluchtige criminelen. Er werd specifiek gezocht naar personen die
onherroepelijk veroordeeld zijn en minimaal driehonderd dagen celstraf moeten voldoen, maar nog niet zijn aangehouden. De 86 deskundigen op het gebied van Open Source Intelligence (OSINT) van binnen en buiten de politie beten zich tijdens deze hackathon vast in 85 zaken die door het Fugitive Active Search Team Nederland (FASTNL) van de Dienst Landelijke Recherche (DLR) werden aangeleverd.

1. Innovatief
De hackathon is een van de innovatieve ideeën uit de koker van de beweging BlueM binnen de politie. Geïnspireerd door de documentaire ‘Truth in a posttruth world’ organiseerden zij begin 2019 een Osint­challenge en een masterclass met Bellingcat­oprichter Eliot Higgins. Het succes van deze challenge en het BlueM­motto ‘DURFTEDOEN, DURFTEFALEN’ leidden een halfjaar later tot
de Coldcase Hackathon, waarbij honderd Osint­experts van binnen en buiten de politie aan de slag gingen met coldcases, vermissingen en voortvluchtigen. Vooral het opsporen van voortvluchtigen bleek zich te lenen voor publiek­private samenwerking. Het succes van de dag leidde direct tot een volgende hackathon, nu volledig gericht op FASTNL­zaken.

2. Cocreatie
Traditioneel wordt binnen de politie gebruik gemaakt van burgerparticipatie: burgers helpen de politie door bijvoorbeeld het geven van informatie. De laatste jaren is er ook een beweging naar politieparticipatie zichtbaar, waarbij de politie burgers ondersteunt bij het organiseren van hun eigen veiligheid. De hackathon gaat nog een stap verder en kan worden gezien als de ultieme vorm van samenwerking, namelijk cocreatie. Burgers en publiek­private partijen werken gelijkwaardig samen bij het opsporen van voortvluchtigen. Voor de politie creëert deze samenwerking kansen voor de toekomst: naast extra capaciteit bieden deze partijen kennis, expertise en ervaring die de politie niet altijd zelf tot haar beschikking heeft.

3. Open bronnen-onderzoek
Het werkzame mechanisme van de hackathon is Osint, oftewel open source intelligence. De kracht van Osint komt voort uit een samenleving die volop in beweging is. Technologische ontwikkelingen maken dat mensen sterker dan ooit (digitaal) met elkaar verbonden zijn. Via internet hebben ze toegang tot grote hoeveelheden informatie, tools en vaardigheden. Tegelijkertijd laten mensen ook steeds meer sporen achter in de digitale wereld, bijvoorbeeld via sociale media of apps zoals Strava. Open bronnen­onderzoek is een waardevolle aanvulling op traditionele opsporingsmethoden en kan veelal door burgers zonder bijzondere opsporingsbevoegdheid worden uitgevoerd.

4. Privacy
Het voornaamste obstakel om als politie met burgers en publiek-private partijen samen te kunnen werken heeft betrekking op de privacyregelgeving. Om het delen van gegevens juridisch mogelijk
én WPG-proof te maken, werd door de dienstleiding van de DLR onder een aantal strikte voorwaarden, waaronder een ondertekende geheimhoudingsverklaring, autorisatie verleend om
ten behoeve de hackathon informatie te delen. Op dit moment wordt door BlueM, FASTNL, het OM en de Gegevensautoriteit gewerkt aan een leidraad gegevensvertrekking ten behoeve van
burgerparticipatie en publiek-private samenwerking in de opsporing.

5. Opbrengsten
Om 20.00 uur ’s avonds werd een voorlopige balans opgemaakt. Een inventarisatie onder de acht gelegenheidsteams leverde de volgende resultaten op:

  • 6 traceringen van personen op landniveau,
  • 12 traceringen van personen op plaatsniveau,
  • 15 traceringen van personen op adresniveau,
  • 2 personen bleken in het buitenland te zijn gedetineerd, en
  • 1 persoon bleek in het buitenland te zijn overleden.

De hackathon illustreert de kracht van zowel Osint-onderzoek als publiek-private samenwerking. Om 17.14 uur was de eerste aanhouding een feit. In de dagen daarna volgden als direct gevolg van de hackathon nog eens 10 aanhoudingen.

In de overige onderzochte zaken heeft de hackathon geleid tot een verbeterde informatiepositie. Door het vervolgens inzetten van opsporingsmiddelen konden nog enkele aanhoudingen worden
verricht. De verwachting is dat er in de loop van het jaar meer aanhoudingen zullen volgen.

6. Nieuwe kennis ontsluiten
Het effect van de hackathon reikt verder dan de resultaten van de individuele opsporingsonderzoeken. Uit de evaluatie blijkt dat de grootste waarde vestond uit de gelegenheid voor deelnemers om kennis te delen, te leren van elkaars werkwijzen en om te netwerken. De hackathon kan worden gezien als werkwijze om nieuwe kennis en contacten voor de politie te ontsluiten, (gelegenheids)
coalities te vormen en verbonden te zijn bij actuele, voor de opsporing relevante, maatschappelijke ontwikkelingen.

Altijd bij oma beginnen
Criminelen zijn meestal voorzichtig op internet. Over de gezochte persoon zelf is daarom zelden iets op naam te vinden. De directe omgeving daarentegen is vaak minder alert. Het loont dan ook om het netwerk rondom de persoon in kaart brengen: vader, moeder, partner, kinderen en medeverdachten. Een gouden regel binnen Osint: oma’s plaatsen altijd foto’s van hun kleinkinderen. Zo was er een oma die onder haar eigen naam een Facebook-account had. Hierop had zij nietsvermoedend enkele foto’s van haar kleinkinderen geplaatst. Deze leidden naar de social media-accounts van de kleinkinderen. Op een aantal Instagram-posts van de kleinzoon was een opvallende dure auto te zien. Het uitvergroten van een van deze foto’s toonde een persoon die voldeed aan
het signalement van de gezochte persoon. Een aantal foto’s konden onderzoekers vervolgens ‘geolocaten’ met behulp van open bronnen zoals Google Maps. Deze plekken werden gematcht met locaties van bedrijven en horecagelegenheden die op social media geliket werden door het netwerk van de gezochte persoon. Hierdoor werd een waarschijnlijke verblijfplaats gevonden in het buitenland. Op satellietbeelden was op de parkeerplaats niet alleen de vermoedelijke auto te zien, zelfs de bandensporen waren zichtbaar.

Door: Jerôme Lam (wetenschappelijk onderzoeker, Politieacademie), Nicolien Kop (lector Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde), Arnoud de Bruin (BlueM, aanjager aanpak cyber (enabled) crime, Eenheid Amsterdam), Stef de Jonge (teamleider FASTNL, Landelijke Eenheid).

[slideshare id=238231179&doc=lamkop2020fastnlhackathon20200121-200825130609&type=d]

Bron: Tijdschrift voor Politie

De burger als collega: Cocreatie in liquidatieonderzoeken

De politie ziet de betrokkenheid van burgers bij de opsporing als noodzakelijk om de slagkracht van de politie te vergroten. Daarbij wil zij de burger inzetten als opsporingsmedewerker en hiermee toewerken naar een intensieve vorm van burgerparticipatie: cocreatie. Bij deze samenwerkingsvorm formuleren politie en burger een gezamenlijke probleemdefinitie en werken ze vervolgens samen aan een oplossing welke meerwaarde heeft voor beide partijen (Bekkers & Meijer, 2010; Centrum Versterking Opsporing, 2011; Van der Hoeven, 2011 in Kop 2012:34). Naast de mogelijkheid om op deze wijze de kennis, kunde en creativiteit van burgers in te zetten in opsporingsonderzoeken, wordt de politie ook gedwongen om de samenwerking met burgers op te zoeken aangezien burgers steeds meer mogelijkheden hebben om zelf op te sporen en hier ook gebruik van maken (De Vries, 2018).

Eenheid Amsterdam is regelmatig belast met liquidatieonderzoeken en vraagt zich of cocreatie met burgers ook geschikt is voor dit type onderzoeken en op welke wijze. Want hoewel de politie de ambitie heeft uitgesproken om te cocreëren met burgers, wordt niet toegelicht hoe dit vervolgens gedaan kan worden.

In deze scriptie is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor cocreatie met burgers in liquidatieonderzoeken. Hierbij is gekeken naar de huidige inzet van burgers in dit type onderzoeken, eerdere vormen van cocreatie met burgers in andere opsporingsonderzoeken en de toegevoegde waarde, voorwaarden en knelpunten van cocreatie met burgers in dit type onderzoeken. De onderzoeksvragen zijn beantwoord middels een literatuurstudie gecombineerd met interviews met teamleiders van liquidatieonderzoeken, een rechercheofficier, experts op het gebied van burgerparticipatie bij de politie en coördinatoren van heimelijke opsporingsmethoden met burgers.

Uit de resultaten is gebleken dat de gevaarzetting in liquidatieonderzoeken een belangrijke al dan niet bepalende rol speelt in hoe samenwerkingen tussen burgers en politie in liquidatieonderzoeken eruit kunnen zien. De politie ervaart dat burgers bang zijn voor represailles uit de kring van de verdachte(n) en daarom niet met de politie willen praten. Ook OM en politie zien een risico dat verdachten burgers die een noemenswaardige bijdrage leveren aan een liquidatieonderzoek, niet met rust zullen laten.

Zolang de criminele samenwerkingsverbanden (CSV’s) niet weten welke burgers samenwerken met de politie in liquidatieonderzoeken kunnen de kansen op represailles verkleind worden alsmede de angst van burgers hiervoor. Oplossingen voor het waarborgen van de anonimiteit van burgers liggen in samenwerkingsvormen die niet in het procesdossier terecht komen en daarmee niet op zitting besproken hoeven te worden. Hoewel de mogelijkheid van afscherming van informatie en identiteit bestaat kunnen politie en OM deze afscherming niet garanderen aangezien de rechtspraak hierover gaat.

Mogelijkheden voor vormen van cocreatie in liquidatieonderzoeken waarbij burgers anoniem kunnen blijven en hun bijdrage niet hoeven te verantwoorden op zitting liggen in :
– (online) brainstormsessies waarbij burgers en politie samen opsporingsstrategieën, hypothesen en scenario’s ontwikkelen.
– een samenwerking met (groepen) burgers die specifieke kennis of kunde bezitten die ze kunnen uitleren aan de politie of samen met de politie kan inzetten. De politie kan zo op eigen titel een proces-verbaal maken en hierover verantwoording afleggen.
– een proactieve samenwerking met burgers door samen met hen barrièremodellen gericht op de liquidatieproblematiek te ontwikkelen en burgert bewust maken van signalen die wijzen op liquidatieproblematiek.

Het aspect van een gelijkwaardige samenwerking kan gewaarborgd worden door de inbreng van alle actoren op gelijke wijze te handelen en mee te laten wegen. Dit kan door elkaar te controleren op inhoud maar eventueel ook door een screening of opstellen van een convenant zodat het wantrouwen richting burgers ten opzichte van contrastrategieën of onbetrouwbare informatie verkleind kan worden. De toegevoegde waarde voor politie en burgers en daarmee de wederzijdse afhankelijkheid wordt op basis van de theorie en enkele ervaringen verwacht maar dient verder onderzocht en in de toekomst getoetst te worden.

[slideshare id=238425419&doc=deburgeralscollega-200909071523&type=d]

Bron: Politieacademie.nl/burgerparticipatie

Evaluatie Coldcase Hackathon

Coldcases en samenwerking met private partijen en burgers

Sinds 1996 komen in Nederland gemiddeld ongeveer 180 personen per jaar om het leven door moord of doodslag. Hoewel het aantal levensdelicten de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, werden de laatste 10 jaar nog steeds gemiddeld 140 mensen per jaar slachtoffer van geweld met een fatale afloop. De meeste van deze levensdelicten worden door de politie opgelost. Toch heeft de politie ook te maken met een aanzienlijk aantal niet opgeloste zaken. Sinds de vorming van de Nationale Politie zijn zogeheten coldcaseteams bezig met het inventariseren en onderzoeken van onopgeloste levensdelicten. Inmiddels gaat het om ruim 1700 zogenaamde coldcases. Het maatschappelijk effect van deze zaken is groot. Niet alleen gaat de dader vooralsnog vrijuit, de nabestaanden hebben recht op duidelijkheid over het lot van hun dierbaren. Bovendien bestaat de kans dat de dader opnieuw een misdrijf begaat. Het is daarom van groot maatschappelijk belang dat coldcases worden opgehelderd. Helaas is de capaciteit die de politie beschikbaar heeft voor de opsporing, waaronder coldcaseonderzoek, beperkt. Mede om die reden wordt de laatste jaren gezocht naar nieuwe manieren om coldcases aan te pakken. Er vinden experimenten plaats om met behulp van Artificial Intelligence coldcases opnieuw te bekijken voor nieuwe aanknopingspunten. Ook word er steeds vaker gebruik gemaakt van verschillende groepen burgers. Gepensioneerde politiemensen bekijken opsporingsdossiers opnieuw, maar ook hogescholen en universiteiten bekijken coldcases met een frisse blik. Deze inbreng van buiten de politieorganisatie heeft niet alleen als voordeel dat de politiecapaciteit wordt versterkt, maar ook dat kennis, expertise en inzichten worden ingebracht die de politie zelf niet altijd voorhanden heeft. Hierbij valt de denken aan de inzet van forensische nanotechnologie door het Saxion college. Maar ook het inzetten van bijvoorbeeld digitale vaardigheden door burgerexperts. Dat deze werkwijze potentie heeft, blijkt uit het voorbeeld van Serendip. Deze burgeropsporingsgroep wist een aantal jaar
geleden binnen 2½ uur een coldcase op te lossen.

Het samenwerken met burgers en private partijen in een opsporingsonderzoek zijn vergaande vormen van burgerparticipatie, die ook wel cocreatie worden genoemd. Bij cocreatie werken alle
partijen gelijkwaardig samen aan een gezamenlijk doel. Hoewel vanuit zowel de politiepraktijk als de wetenschap wordt verondersteld dat cocreatie mogelijk een waardevolle bijdrage kan leveren aan de opsporing, zijn er tot op heden nauwelijks voorbeelden waarin cocreatie daadwerkelijk is toegepast binnen de context van een opsporingsonderzoek.

Doelstelling

In het kader van vernieuwende en innovatieve werkwijzen organiseerde BlueM Amsterdam op 27 augustus 2019 een Coldcase Hackathon. BlueM is een beweging binnen de politie die als doel heeft om politiemensen uit te dagen om buiten de standaard patronen te denken en beter aan te sluiten op de veranderingen in de maatschappij. Een hackathon is een evenement waarbij teams in een relatief korte tijd proberen om vernieuwende en innovatieve oplossingen te vinden voor problemen of thema’s. Gedurende een hele dag werkten politiemensen samen met medewerkers van defensie, private partijen zoals KPN en TNO en (cyber)vrijwilligers, in verschillende gemengde gelegenheidsteams aan een aantal coldcases die door coldcaseteams werden ingebracht. Het doel was enerzijds het forceren van een doorbraak in de coldcases, anderzijds om te leren en te experimenteren met betrekking tot publiekprivate samenwerking in een opsporingsonderzoek.

Dit evaluatierapport maakt deel uit van een bredere onderzoekslijn binnen de politieacademie naar burgerparticipatie in de opsporing. De hackathon biedt aanknopingspunten om vanuit zowel
praktisch als wetenschappelijk perspectief meer inzicht te krijgen in de waarde van cocreatie binnen de opsporing en hoe een dergelijk proces in de toekomst het beste vorm gegeven zou kunnen worden.

Onderzoeksrapport

Het eerste deel van de rapportage gaat in op de deelnemers: de achtergrond van de respondenten (hoofdstuk 1) en de waarde die zij in de burger zien voor het opsporingsonderzoek (hoofdstuk 2).
Hoofdstuk 3 richt zich vervolgens op de algemene ervaring van de hackathon en de kansen en dilemma’s die respondenten daarbij zijn tegengekomen. In hoofdstuk 4 staat de hackathon als werkwijze centraal. Hoofdstuk 5 richt zich op de onderzoeken en de wijze waarop deze zijn ingebracht. Hoe het werken in de gelegenheidsteams door de deelnemers werd ervaren, staat centraal in hoofdstuk 6. De evaluatie van enkele praktische zaken, zoals de gekozen locatie, wordt toegelicht in hoofdstuk 7.

Lees het of download het rapport via onderstaande link:

[slideshare id=238231040&doc=lamkop2020evaluatiecoldcasehackathon201908271-200825125826&type=d]

FASTNL Hackathon: hulp van burgers en private partijen bij de opsporing

Eind 2018 beleefde ‘Truth in a post-truth world’ zijn wereldpremière op de IDFA. Deze prijswinnende documentaire gaat over Bellingcat, een internationaal burgerjournalistiek netwerk, dat met
slimme online zoektechnieken én door inzet van de ‘wisdom of the crowd’ al voor verschillende baanbrekende onthullingen heeft gezorgd. Dit internationale platform voor burger-onderzoeksjournalistiek is vaak sneller en nauwkeuriger dan de officiële instanties. Het collectief onderzoekt via internet, sociale media en andere online kanalen complexe aanvallen en controversiële incidenten wereldwijd, zoals het neerhalen van de MH17 boven de Oekraïne en de aanslag op de voormalige Russische dubbelspion Sergej Skripal.

Geïnspireerd door deze documentaire organiseerde BlueM, een innovatieve beweging binnen de politie, op 24 januari 2019 een masterclass met Eliot Higgins, de oprichter van Bellingcat. Deze
masterclass kreeg een half jaar later een vervolg in de vorm van de Coldcase Hackathon, waarbij 100 Osint (Open Source Intelligence) -experts van binnen en buiten de politie aan de slag gingen
met coldcases, vermissingen en voortvluchtigen. Vooral het opsporen van voortvluchtigen bleek zich goed te lenen voor publiek-private samenwerking.

Daarom werd op dinsdag 21 januari 2020, op de militaire kazerne in Wezep, een 2de hackathon georganiseerd waarbij de opsporing van voortvluchtigen centraal stond. Dit was een gezamenlijk
initiatief van BlueM en het Fugitive Active Search Team Nederland (FASTNL) van de Dienst Landelijke Recherche (DLR). Er werd specifiek gezocht naar voortvluchtige personen die onherroepelijk veroor- deeld zijn en nog minimaal 300 dagen celstraf open hebben staan.

Het doel van de hackathon was om te onderzoeken in hoeverre publiek-private samenwerking bijdraagt aan het rendement van de opsporing. 86 Osint-deskundigen van binnen en buiten de politie beten zich tijdens deze hackathon vast in 85 zaken die door FASTNL werden aangeleverd. Deze manier van samenwerken is te zien als een experiment op het gebied van burgerparticipatie bij de opsporing. De politie wil leren en verbeteren en is blij met deze betrokkenheid van de Politieacademie.

Evaluatie FASTNL Hackathon (Lam & Kop, 2020)

[slideshare id=238231179&doc=lamkop2020fastnlhackathon20200121-200825130609&type=d]

Het is de hoop dat het resultaat van de hackathon bijdraagt aan het nog meer betrekken van burgers en private partijen bij de opsporing. De evaluatie laat er geen misverstand over bestaan; met gedegen open bronnen onderzoek kunnen we gesignaleerden traceren en aanhouden. Deel deze kennis en ervaring en doe mee met opsporingsmogelijkheden waar dat kan!

Digitale sporen? Burgers helpen online mee. Een kwalitatief onderzoek naar burgerparticipatie bij open bronnenonderzoek in de opsporing.

Op 17 juli 2014 is vlucht MH17 van Malaysia Airlines met een BUK-raket neergehaald in Oost-Oekraïne. Sindsdien is er een onderzoek opgestart vanuit Bellingcat, een onderzoekscollectief opgericht door burgers, dat zich bezighoudt met het verzamelen van informatie over strafbare feiten op het internet. Het team van Bellingcat bestaat uit een internationale samenstelling van professionals, die gespecialiseerd zijn in het onderzoeken van openbare bronnen en sociale media (Duijf, 2018). De burgeronderzoekers van Bellingcat achterhalen bijvoorbeeld de route die de BUK-raket aflegt aan de hand van foto’s op sociale media. De informatie die wordt gedeeld met het onderzoeksteam van de politie wordt gezien als extreem waardevol (Rosman, 2019). De positie van burgers in het onderzoek van de MH17 ramp is een voorbeeld van de veranderende rol van burgers in de opsporing. Naast de rol van de burger als getuige, slachtoffer of aangever, speelt de burger een alsmaar actievere rol binnen het opsporingsproces (Kop, 2016). Burgers kruipen individueel of als groep steeds meer in de rol van de recherche en kunnen zodoende hun bijdrage leveren aan het bestrijden van misdaad en het verbeteren van de veiligheid in Nederland (Kerstholt & De Vries, 2018).

Digitalisering en nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat het grote publiek actief kan meedenken bij opsporingszaken (Land, Stokkom & Boutellier, 2014). Het belang van burgerinitiatieven neemt toe door sociale media, omdat zij met behulp van Instagram, Twitter, Facebook en Whatsapp zelf kunnen opsporen en een rol spelen bij het zoeken en vervolgen van daders (Kop, 2016). Om in te spelen op de digitalisering en veranderende rol van de burger ontstaan binnen de politieorganisatie voortdurend experimenten om burgers te betrekken bij opsporingsonderzoeken. Hackathon FASTNL is een voorbeeld van zo’n experiment, waar OSINT-specialisten werkzaam bij de politie, publieke en private organisaties gezamenlijk ‘jagen’ op voortvluchtigen (Walter, 2020). Open Source Intelligence, ‘OSINT’ is het verzamelen van informatie uit open en publieke bronnen om een opsporingsonderzoek te verrijken (Glassman & Kang, 2012).

De focus van dit onderzoek van Severien Verbeek ligt op het betrekken van burgers in opsporingsonderzoeken met behulp van OSINT. In dit onderzoek hebben zeventien semigestructureerde interviews met deelnemers en betrokkenen van de Hackathon FASTNL plaatsgevonden. Een andere manier waarop data is verzameld voor dit onderzoek is het uitvoeren van observaties en documentanalyses.

Probleemstelling
De maatschappij is in de afgelopen twee decennia gedigitaliseerd, waardoor mogelijkheden voor communicatie en informatie-uitwisseling enorm zijn toegenomen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Op het internet heeft een grote verandering plaatsgevonden van Web 1.0 naar Web 2.0 en Web 3.0. Het eerste web bestond uit statische websites met informatie vanuit één kant, er was weinig interactie tussen gebruikers van het internet. De komst van Web 2.0 zorgt ervoor dat er interactie is tussen de gebruikers in sociale netwerken in de vorm van bijvoorbeeld podcasts, blogs, Wikipedia en zoekmachines (De Vries & Smilda, 2014, p. 50; Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Bovendien, wordt er in de literatuur gesproken over een ontwikkeling naar Web 3.0 of ‘semantic Web’, waar informatie wordt georganiseerd voor gebruikers. Toepassingen op het internet worden geïntegreerd op de behoefte van individuele gebruikers (Naik & Shivalingaiah, 2009). De nieuwe generaties van internet zorgen ervoor dat er ruimte ontstaat voor ‘gewone’ burgers om zelf op zoek te gaan naar informatie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18).

De digitalisering van de samenleving zorgt ervoor dat de politie voor uitdagingen komt te staan. Steeds meer politiemedewerkers krijgen te maken met delicten met een digitale component, waardoor het personeel over nieuwe kennis en digitale vaardigheden moet beschikken. Tegelijkertijd heeft de politie een achterstand gecreëerd op de ‘gedigitaliseerde burger’, omdat voor een lange tijd geïnvesteerd is in traditionele opsporingsmiddelen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 24). Een ander gevolg van digitalisering is dat de burger een steeds grotere rol kan spelen binnen een opsporingsonderzoek, omdat er een lagere drempel ontstaat voor burgers om deel te nemen aan het opsporingsproces. Door middel van sociale media kunnen burgers informatie over strafbare feiten verzamelen (Kop, 2016, p. 28). De digitalisering gaat hand in hand met de opkomst van de participatiesamenleving, waar de overheid rekent op de kracht van de burgers in de Nederlandse samenleving (Winthagen, 2014). Burgers nemen ongewild of gewild steeds vaker de touwtjes in eigen handen, wat resulteert in lastige vraagstukken over het vormgeven en organiseren van de verbinding tussen burgers en de politie. Daar komt bij dat de houding van de politie naar burgerparticipatie normaliter terughoudend is, omdat bepaalde informatie niet gedeeld kan worden. Steeds meer burgers nemen het voortouw in een opsporingsonderzoek, waardoor een aantal deskundigen binnen de politie vinden dat de politie burgerinitiatieven moet omarmen in plaats van tegenhouden (Lam & Kop, 2020; Duijf, 2018). Het omarmen van actieve vormen van burgerparticipatie vraagt om een cultuuromslag binnen de organisatie, waar geaccepteerd wordt dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. (Lam & Kop, 2020a). Hierdoor ontstaat vanuit de politie een brede zoektocht naar een effectieve samenwerking met burgers (Politie, 2019).

Dit onderzoek zal een bijdrage leveren aan deze zoektocht en inzichten verzamelen van OSINT-specialisten over de samenwerking tussen burgers en opsporing bij open bronnen onderzoek. De OSINT-specialisten hebben deelgenomen aan activiteiten of experimenten waarbij burgers worden betrokken in een open bronnen onderzoek, zoals Hackathon FASTNL. Hierdoor kunnen zij een beeld schetsen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De doelstelling van dit onderzoek is als volgt geformuleerd:

Het doel van het onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de samenwerking en bijbehorende dillema’s tussen burgers en de opsporing bij een open bronnen onderzoek. Om hierover aanbevelingen te doen zijn de ervaringen, perspectieven en meningen van OSINT-specialisten, die hebben meegedaan aan de Hackathon FASTNL, in kaart gebracht.

Luister de podcast hierover:

En download of lees hieronder het gehele rapport:

[slideshare id=238227788&doc=digitalesporen-6112188-200825093426]

Help de Wouten?!

Een onderzoek naar de meldingsbereidheid bij VVC-zaken onder de jeugd in ZeelandKim Leonard

De politie is voor de opsporing van daders van misdrijven altijd afhankelijk van de medewerking van de burger. Zonder burgers als getuige, slachtoffer of aangever is er geen opsporing mogelijk. Specifiek is het melden van criminaliteit de voornaamste vorm van burgerparticipatie. Echter, blijkt dat 66% van massaal voorkomend strafbaar gedrag niet gemeld wordt door de burger. Deze veelvoorkomende criminaliteit is hinderlijk en heeft een versterkende werking op de onveiligheidsgevoelens van burger. (Jit wetenschappelijke onderzoek blijkt dat voornamelijk jongeren achterblijven in het melden van veelvoorkomende criminaliteit, ondanks dat zij hier een zeer belangrijke rol in spelen.

Opvallend is dat jongeren wel de overtuiging hebben dat een melding bijdraagt aan het oplossen van een misdrijf en dat zo snel mogelijk contact opnemen met de politie belangrijk is (Kuppens et. al., 2016). Maar ondanks deze overtuigingen bij jongeren blijft een melding vaak achterwege en blijken jongeren vooral passieve consumenten van informatie (Ferwerda, 2015). Hierbij lijkt het vooral moeilijk om jongeren gemotiveerd en betrokken te houden.

De grootste bevorderende factor voor het vergroten van meldingsbereidheid van de jeugd, is het feit dat de jeugd zelf 00k wil participeren (van Doorn, 2017). Anders gezegd is autonome motivatie nodig om de jeugd vanuit zichzelf te laten melden op het moment dat zij een strafbaar feit ontdekken. Wanneer er sprake is van een ander type motivatie dan autonome motivatie, dient een organisatie hier 00k anders mee om te gaan. De jeugd moet dan op een andere manier benaderd en gestimuleerd worden om hen te motiveren om veelvoorkomende criminaliteit te melden. Dit kwalitatieve onderzoek is daarom gericht op de vraag in hoeverre jongeren uit de regio Oosterscheldebekken autonoom gemotiveerd zijn om veelvoorkomende criminaliteit te melden.

Vanuit de literatuur kan worden gesteld dat autonome motivatie ontstaat wanneer iemand wordt bevredigd in de psychologische basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid. 0m deze vraag te kunnen beantwoorden is daarom onderzocht of jongeren uit de regio Oosterscheldebekken zich bevredigd voelen in deze psychologische basisbehoeften. Dit gevoel is onderzocht door het afnemen van diepte-interviews. Voor het onderzoek zijn in totaal 12 jongeren in de leeftijd van 15 tot 18 jaar geinterviewd. Hierbij werd rekening gehouden met een spreiding tussen geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en woonplaats in de regio Oosterscheldebekken.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de jongeren uit het onderzoek nauwelijks melding maken van veelvoorkomende criminaliteit en dat de psychologische basisbehoeften van de jongeren sterk onder druk staan. Er is dus geen sprake van autonome, maar gecontroleerde motivatie bij de jeugd in de regio Oosterscheldebekken ten opzichte van het melden van veelvoorkomende criminaliteit. Dit betekent dat jongeren een externe stimulans nodig hebben om hun intentie tot het melden te vergroten. Concreet hebben zij behoefte aan uitleg, meer binding met de politie en voldoende gelegenheid om veelvoorkomende criminaliteit op geheel eigen wijze te melden. Wanneer deze stappen worden ondernomen, zal de intentie tot het melden van veelvoorkomende criminaliteit worden vergroot.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425101&doc=helpdewouten-200909065829&type=d]

Bron: Politieacademie

 

Schouder aan schouder. Lessen over burger- en politieparticipatie uit de zaak Anne Faber

Bij de vermissing van Anne Faber hadden burgers veel expertise te bieden. Zelfs als dat niet zo is, moet de politie burgers serieus nemen, adviseert de Politieacademie. Nicolien Kop en Jerôme Lam deden onderzoek naar de rol van burgers bij de zoektocht naar Anne Faber. Zij adviseren om beter te inventariseren welke taken aan burgers uitbesteed kunnen worden.

Anne Faber werd in het najaar van 2017 twee weken vermist. Uiteindelijk bleek dat zedendelinquent en psychiatrisch patiënt Michael P. haar had misbruikt en gedood. Voor Schouder aan schouder: Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber is onder meer aan veertien medewerkers van de politie gevraagd welke lessen ze trekken uit deze periode.

In het NRC valt te lezen:

„De zoektocht naar Anne Faber was een kantelpunt”, zegt Lam. Familieleden gingen voortvarend te werk: ze hadden contacten bij Defensie en vroegen gedetailleerde kaarten op van het gebied waar Anne voor het laatst was gezien. Ze organiseerden een tijdelijk hoofdkantoor en via appgroepen werden verschillende zoekgroepen aangestuurd.

In de eerste dagen van de vermissing vond het zoekproces van de politie en de burgers min of meer onafhankelijk van elkaar plaats, staat in Schouder aan schouder. De politie was in die dagen wel „ter ondersteuning” aanwezig in het gebied waar Anne Faber vermist is geraakt, maar gaf geen sturing omdat ze nog niet zeker wist of ze nog in het gebied was.

De aanwezigheid van de agenten schiep verwarring. „De houding van de politie tegenover de familie werd als storend ervaren”, zegt een van de politiemedewerkers in het onderzoek. Familieleden zagen de politie als een „black box”: de familie deelde al hun bevindingen maar de politie vertelde weinig over wat zij ontdekte.

De samenwerking werd steeds nauwer, onder meer omdat de politie zich aansloot bij het dagelijkse overleg van de familie. Op dag twaalf van de zoektocht liepen burgers en de Mobiele Eenheid van de politie in linie – schouder aan schouder – door het zoekgebied.

„Burgers bieden zich steeds vaker aan”, zegt Lam. „Als je samen kunt werken omdat er zoals bij de familie van Anne Faber veel expertise is, moet je dat doen, maar als je slecht kunt samenwerken moet je er ook iets mee zodat het onderzoek geen schade oploopt.”

Aanbevelingen voor politiepraktijk: ‘judo met burgers’
Burgerparticipatie is niet meer weg te denken uit de moderne samenleving. Burgers pakken steeds vaker gevraagd en ongevraagd hun rol op het gebied van veiligheid en criminaliteit. Dit vraagt om een cultuuromslag bij de politie: accepteer dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. Dit betekent niet dat de politie alle burgerinitiatieven klakkeloos moet goedkeuren. Sommige burgeracties zijn waardevol, andere juist onwenselijk vanuit ethisch en/of juridisch perspectief of omdat ze een bedreiging vormen voor het opsporingsonderzoek. Beoordeel per onderzoek welke vormen van burgerinitiatief ontstaan, hoe en waar deze burgerparticipatie versterkt kan worden, of juist bijgestuurd of begrensd moet worden. De essentie voor de politie is om niet tegen burgerinitiatieven te ‘vechten’, maar deze te omarmen en samen de juiste kant op te bewegen: ‘participatie-judo’. Participatiejudo (zie figuur hieronder) voor de politieorganisatie is gebaseerd op drie principes, die hieronder worden toegelicht.

1. Maak contact
Leg in een vroeg stadium contact met betrokkenen, zoals familie of initiatiefnemers. De politie is een actief onderdeel van de samenleving. Wat de politie doet, heeft vaak direct invloed op burgers en omgekeerd. Burgerinitiatieven bij bijvoorbeeld een vermissing, hebben vaak een directe impact op het politiewerk, doordat mensen zelf gaan zoeken of informatie gaan verzamelen. De uitdaging is om hier als politieorganisatie goed op te anticiperen. Een deel van het moderne politiewerk is daarom zien waar burgers mee bezig zijn en daarover contact onderhouden.

Organiseer een duidelijke politiestructuur waarbij de juiste mensen worden geïnformeerd en in positie gebracht. Goed judo vraagt om balans en een basis om stevig te kunnen staan. Dit is te vergelijken met een goede interne organisatiestructuur, zoals bijvoorbeeld de inrichting van het opsporingsproces of het SGBO-structuur. Informatie is vervolgens de energie die door
deze structuur stroomt. Stevig staan houdt in dat de onderdelen van de interne structuur op elkaar afgestemd moeten zijn. Concreet betekent dit goede interne communicatie en duidelijke afstemming van taken, rollen en posities tussen organisatieonderdelen en processen, bijvoorbeeld de verhouding en afstemming tussen TGO en SGBO. Daarnaast vraagt judo om een goede grip, zodat beide partijen elkaar stevig beet kunnen pakken.
Zorg ervoor dat er stevige contactpunten zijn tussen de politieorganisatie en de burgers, bijvoorbeeld in de rollen van familieagent- en rechercheur.
• Ondersteun goede burgerinitiatieven zich zo sterk mogelijk te organiseren De essentie van judo is om gebruik te maken van de kracht en de structuur van de ander. Vergelijkbaar heeft de politie baat bij een duidelijke structuur bij burgerinitiatieven. Een sterke burgerpartner maakt namelijk dat het makkelijker is om contact te onderhouden en informatie te geven of te halen. Of om gezamenlijk afspraken te maken. Help daarom burgers die in staat zijn om zich te organiseren en om waar nodig een structuur op te zetten.

2. Beweeg mee
• Laat de juiste politiemensen aansluiten bij burgerinitiatieven
Hierdoor kan tussentijds worden beoordeeld of de initiatieven waarde hebben voor het zoekproces of het opsporingsonderzoek. Door bijvoorbeeld politiemensen in te zetten die het opsporingsproces goed kennen, kan de toegevoegde waarde of de opbrengsten van de burgerparticipatie beter worden ingeschat. Politiemensen kunnen burgers ook ondersteunen bij initiatieven, waardoor hun waarde wordt vergroot. Activiteiten kunnen gericht zijn op het fysieke zoekproces, alsook van belang zijn voor de intelligence of het opsporingsonderzoek.
• Wees voorbereid op de informatie die door burgers kan worden gegenereerd en worden gevraagd
Net als bij judo, zijn burgers voortdurend aan het duwen tegen en trekken aan de politieorganisatie. Vaak doen zij dit door informatie te geven (duwen) en informatie te vragen (trekken) Wanneer burgers betrokken raken bij een opsporingsonderzoek of een vermissing, kan de politie overspoeld raken met informatie. Tips die via verschillende kanalen binnenkomen, kunnen oplopen tot enkele duizenden. Daarnaast kan het gaan om zowel digitaal als fysiek bewijsmateriaal, bijvoorbeeld camerabeelden die worden veiliggesteld of mogelijke sporen die burgers vinden. Aan de ene kant is deze informatie onmisbaar voor het politieonderzoek, tegelijkertijd vormt het een belasting voor de organisatie. Bovendien vragen burgers, zoals familieleden, ook veel informatie en uitleg. Iets waar de politie niet altijd voldoende op voorbereid is. Zorg daarom dat het effectief en serieus omgaan met deze informatiestromen op de juiste wijze in de organisatiestructuur is ondervangen, zodat de politie kan meebewegen met de informatiebehoefte van burgers.
• Beoordeel informatie van burgers op de wijze waarop deze is verkregen en waar deze op is gebaseerd Burgers kunnen voor het onderzoek allerlei informatie aanleveren op basis van bronnen
die die politie (nog) niet heeft. Denk aan tips, hypotheses of scenario’s. Lang niet alle informatie zal waardevol zijn, sommige zaken echter wel. Een manier om het kaf van het koren te scheiden, is na te gaan hoe burgers tot hun bevindingen zijn gekomen. Dat vraagt van de politie een actieve en open houding in het aangaan van het gesprek: “Als een burger in een moordonderzoek naar je toekomt en zegt: ‘dat doe je echt niet goed, omdat…’. Dan kun je zeggen: ‘Wij zijn al honderd stappen verder’. Maar je kunt ook zeggen: ‘Wij gaan even zitten, want jij hebt een verhaal. Vertel eens’.”

3. Leid waar nodig
• Stel aan het begin van een onderzoek de vraag wat burgerparticipatie voor het onderzoek kan betekenen
Om een opsporingsonderzoek effectief te leiden, is het van belang dat de politieorganisatie een beeld heeft van het te behalen doel en hoe dat te bereiken. Op het moment dat dit doel scherp is, kan de vraag worden gesteld of burgerparticipatie hierin iets kan betekenen. Soms is dat niets, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid van de betrokkenen bij een liquidatieonderzoek. n andere gevallen kunnen burgers met hun kennis en expertise mogelijk een waardevolle bijdrage leveren.
• Communiceer duidelijk over welke partij de regie heeft
Het is niet vanzelfsprekend dat de politie altijd de leidende rol op zich neemt. Soms is het wenselijk of noodzakelijk dat de politie een ondersteunende of faciliterende rol vervult. Bijvoorbeeld omdat de politie (nog) geen concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek op te starten of een lopend onderzoek richting te geven. In dergelijke gevallen kan de politie wel informatie geven of op andere wijze ondersteuning bieden. De politieorganisatie moet zich goed bewust zijn van het gegeven dat burgers vaak ‘het uniform’ als autoriteit zien en de politie als expert. Dit maakt dat de burger impliciet of expliciet een leidende rol vanuit de politie verwacht. Om misverstanden en verkeerde verwachtingen te voorkomen, is het van belang om aan het begin de verschillende rollen en verantwoordelijkheden expliciet te benoemen.
• Informeer burgers en wees transparant in keuzes
Het effectief leiden van burgerparticipatie vraagt vaak om de juiste vragen stellen aan burgers. Dit betekent mogelijk dat de politie meer informatie aan burgers geeft dan zij gewend is. Immers, als je de helft geeft, krijg je ook maar de helft terug. Net als bij judo zal de politie soms moeten ‘duwen’, door burgers de informatie te geven en ze de juiste kant op te laten bewegen. Vanzelfsprekend kan de politie niet alle inhoudelijke informatie delen in een onderzoek. Maar daar waar keuzes het publiek raken of verontrusten, kunnen die uitgelegd worden. Bijvoorbeeld waarom de politie in het ene geval maximaal inzet en in een ander geval niet. Voor het behoud van haar legitimiteit en de relatie met burgers, heeft de politie namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid om het goede te doen, maar ook om te verantwoorden wat het goede is.

Lees hier het volledige rapport:

[slideshare id=230327039&doc=19433191211defboekannefaberdi-200316092249]

Het artikel in Tijdschrift voor politie

[slideshare id=230326893&doc=001-048tvdp0819schouderaanschouder-200316091944&type=d]

De infographic:

[slideshare id=230326956&doc=infographicburgerparticipatie-200316092108&type=d]

Radio interview op NPO1 met Carlijn Plancken, Chef Opsporing Midden Nederland:

Bron: Politieacademie, Secondant, NRC, Tijdschrift voor Politie, Website voor politie

Is generatie Z participatiebereid?

Is generatie Z participatiebereid? – Een verkennend onderzoek naar de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit, auteur Nicolle Versteeg

Sinds een aantal jaren is er een duidelijke toename te zien van cyberincidenten en ook krijgen traditionele vormen van criminaliteit steeds vaker een digitaal karakter en zullen in de toekomst alle
criminaliteitsvormen een grote digitale component hebben. Veelvoorkomende verschijningsvormen van online criminaliteit zijn volgens Stol en Strikwerda (2017) hacken, e-fraude en kinderporno en in het Cyberbeeld 2018 van Oost-Nederland staan ook voornamelijk vormen van hacken en e-fraude in de top 5 van online criminaliteit in Oost-Nederland, echter uit een recente enquête is gebleken dat anno 2019 het oppakken van digitale criminaliteit of cybercrime voor veel collega’s in Oost-Nederland nog steeds geen gesneden koek is (Vortex NP, 2019). De politieorganisatie is tot op heden niet in staat om de technologische en digitale ontwikkelingen bij te houden en heeft daardoor een flinke achterstand opgelopen ten opzichte van de reeds ‘gedigitaliseerde’ burger en kan hierdoor de hulp van de burger goed gebruiken. Anno 2019 hebben we te maken met vijf verschillende generaties op de arbeidsmarkt, waarvan de laatste net is begonnen deze te betreden. Deze laatste generatie, generatie Z, is de eerste generatie die zich geen leven voor het internet kan bedenken en maximaal online is. Deze nieuwe generatie burgers lijkt, door dit digitale referentiekader, bij uitstek geschikt om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Echter over de participatiebereidheid van deze burgers, op welke wijze zij bereid zouden zijn te participeren en welke factoren bij hun hierop van invloed zijn, is nog maar weinig bekend. Inzicht hierin is noodzakelijk voor de opsporing om deze nieuwe generatie burgers te betrekken bij de opsporing naar online criminaliteit.

Dit kwalitatieve onderzoek richt zich daarom op het verkrijgen van inzicht in op welke wijze deze nieuwe generatie burgers (tussen de 15 en 19 jaar oud) uit Oost-Nederland bereid is te participeren in de opsporing naar online criminaliteit en welke factoren er van invloed zijn op hun participatiebereidheid. Binnen de politieorganisatie zijn er vijf verschillende participatieniveaus te onderscheiden, waarvan de niveaus raadplegen, adviseren en coproduceren in dit onderzoek zijn meegenomen, mede door een reeds bestaand onderzoek waaruit blijkt dat jongeren met name op deze niveaus van meerwaarde voor de politieorganisatie zouden kunnen zijn. Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat vertrouwen in de organisatie de basis is voor een succesvolle
samenwerking tussen politie en burger en dat een aantal factoren van invloed zijn op de participatiebereidheid van burgers in het algemeen. Deze factoren zijn de perceptie van de burger op
de participatietaak, de perceptie van de burger op de eigen competenties, de intrinsieke karakteristieken van de burger en de motieven van de burger.

Voor dit onderzoek zijn er 12 jongeren, zowel mannen als vrouwen, tussen de 15 en 19 jaar oud, met diverse opleidingsniveaus en wonend verspreid over Oost-Nederland geïnterviewd over hun
participatiebereidheid binnen drie cases van online criminaliteit. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de motieven en overige factoren die van invloed zijn op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers om te participeren in grote lijnen overeenkomen met de resultaten van reeds bestaande onderzoeken binnen andere generaties. De nieuwe generatie burgers staat open voor participatie op alle niveaus van de participatieladder, maar moet zich wel specifiek aangesproken voelen om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Eén van de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek is dat voornamelijk het belang van het onderwerp van het opsporingsonderzoek en het besef van de meerwaarde van participatie door deze burger van invloed is op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers. Opvallend is echter dat uit dit onderzoek naar voren is gekomen dat deze nieuwe generatie burgers niet actief politieberichtgeving volgt en hier in het dagelijkse leven niet mee bezig is. Hierdoor weet deze generatie niet ‘echt’ hoe groot de problemen zijn op het gebied van online criminaliteit en hoe belangrijk het aanpakken van deze vorm van criminaliteit werkelijk is. Het besef van het belang van burgerparticipatie door deze nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit ontbreekt en voornamelijk daar liggen de kansen voor de opsporing om deze burgers meer te betrekken.

[slideshare id=238425397&doc=isgeneratiezparticipatiebereid-200909071410&type=d]

Bron: Politieacademie

Politievrijwilligers in de opsporing

Politievrijwilligers in de opsporing: Over de wijze waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zij bij zoekzaken

Auteur: Koen Matheeuwsen

De opsporing heeft anno 2018 te kampen met een zogenaamde ‘effectiviteitscrisis’. Uitgangspunt van deze crisis is dat er slechts minder dan 1 op de 4 geregistreerde misdrijven wordt opgelost. Gesteld wordt dat burgers een belangrijke rol kunnen spelen in het opvijzelen van deze minimale cijfers. Burgers zijn immers de belangrijkste succesfactor voor effectief en efficiënt opsporen.
Politievrijwilligers betreffen burgers die zich zowel binnen de politieorganisatie als de burgermaatschappij bevinden. Uit onderzoek is gebleken dat politievrijwilligers over het algemeen
hoog opgeleid zijn en dat er door de politie niet of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en expertise die vrijwilligers meenemen vanuit hun betaalde functies. Vanuit deze hoedanigheid hebben politievrijwilligers de potentie interessant te zijn voor problemen die in de opsporing op specialistische terreinen spelen.

Dit gegeven wordt ingezien binnen het programma ‘herijking opsporing’, dat zich bezig houdt met het verhogen van de kwaliteit binnen de opsporing. Voor de politie-eenheid Midden-Nederland is
Margriet Algera de kartrekker van dit programma. Zij wilde dat er onderzoek gedaan werd naar de wijze(n) waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland. Hiertoe staat in onderhavige studie deze onderzoeksvraag centraal:

Op welke wijze(n) kunnen politievrijwilligers van meerwaarde zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland?

Ter beantwoording van de onderzoeksvraag zijn interviews afgenomen onder politievrijwilligers en leidinggevenden van de opsporing in de politie-eenheid Midden-Nederland. Hierbij stond centraal over welke meerwaarde(n) politievrijwilligers überhaupt beschikken, op welke wijze(n) zij ingezet kunnen worden ten aanzien van hun meerwaarde(n) en welke kansen, valkuilen en randvoorwaarden aan deze inzet verbonden zijn. Deze kansen, valkuilen en randvoorwaarden zijn ook besproken in een interview met een expert op het gebied van de inzet van politievrijwilligers binnen de opsporing. Ten behoeve van deze studie stonden zoekzaken centraal. Op basis van de interviews kan gesteld worden dat iedere politievrijwilliger ‘extra handjes’ kan leveren binnen de opsporing. Door deze ‘extra handjes’ kan de capaciteit van de opsporing vergroot worden. Dit kan worden beschouwd als een kwantitatieve meerwaarde.

Daarnaast beschikken politievrijwilligers over (de navolgende) kwalitatieve meerwaarden. Zo beschikt de politievrijwilliger over, al dan niet specialistische, kennis en ervaring. Deze kennis en
ervaring kan van meerwaarde zijn voor de opsporing. Hiermee kan immers het pallet van kennis en ervaring van de opsporingsorganisatie uitgebreid worden. Dit kan zaaksinhoudelijk of procesmatig nieuwe inzichten voor de opsporing opleveren.

Er bestaat een gerede kans dat politievrijwilligers over competenties beschikken die van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing. Binnen deze competenties kan een onderscheid gemaakt
worden tussen vaardigheden die raken aan de professionele beroepsomgeving van politievrijwilligers en meer algemene vaardigheden en eigenschappen.

Uit de interviews is gebleken dat de politievrijwilligers inhoudelijk beschikken over zeer verschillende netwerken. Al deze netwerken kunnen door hun expliciete kennis en ervaring, via de
politievrijwilligers, het pallet van kennis binnen de opsporing eveneens vergroten. Politievrijwilligers beschikken over een frisse blik en in mindere mate ook over creativiteit en innovatieve vermogens. Deze aspecten kunnen van meerwaarde zijn voor de opsporing. Vanuit zaaksinhoudelijk oogpunt kunnen deze aspecten tot nieuwe of andere inzichten binnen zaken leiden.
Procesmatig gezien kunnen deze aspecten leiden tot een effectievere en/of efficiëntere herziening van de opsporingsinstrumenten en –methoden.

Ten aanzien van bovengenoemde meerwaarden kunnen politievrijwilligers in de rol van (assistent-)rechercheur of in de rol van adviseur binnen de opsporing ingezet worden. In de rol van
(assistent-)rechercheur werken politievrijwilligers inhoudelijk aan een zaak mee. Al de genoemde meerwaarden zouden in deze rol tot uiting kunnen komen. In de adviseursrol adviseren politievrijwilligers onderzoeksteams, al dan niet vanuit kennis- en ervaringsachtergrond, in bepaalde zaken. Hierbij komen eveneens, met uitzondering van de ‘extra handjes’, alle meerwaarden tot uiting.

De inzet van politievrijwilligers in de gestelde rollen zou genoemde meerwaarden als kansen voor de opsporing kunnen opleveren, wat vervolgens tot een effectievere en efficiëntere opsporing kan leiden. Een inzet als (assistent-)rechercheur stuit echter op een aantal praktische valkuilen. De belangrijkste valkuil is dat politievrijwilligers slechts beperkt beschikbaar zijn voor de opsporing. Dit
zorgt voor een ongewenste vertraging in de voortgang van zaken. Deze valkuil geldt niet voor de inzet van politievrijwilligers in de rol van adviseur. Het onderzoek blijft immers voortgang houden indien de politievrijwilliger als adviseur wordt ingezet.

Geconcludeerd kan worden dat de meerwaarden van politievrijwilligers het meest effectief tot hun recht komen in de rol van adviseur. Om deze reden wordt aanbevolen om politievrijwilligers in een rol als adviseur binnen de opsporing in te zetten. Hiertoe dient van alle politievrijwilligers helder te zijn welke opleidings- en werkachtergrond zij hebben. Deze achtergronden dienen in een database geregistreerd te worden. Onderzoeksteams kunnen in gevallen dat zij verlegen zitten om bepaalde kennis, deze database ter hand nemen en vervolgens een beroep doen op een politievrijwilliger met specifieke kennis en ervaring. Tevens bestaat er een mogelijkheid om als opsporing politievrijwilligers breed over (specialistische) problemen binnen de opsporing te bevragen. Hiervoor is instemming van de politievrijwilligers benodigd.

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=238425304&doc=politievrijwilligersin-200909070850&type=d]

Bronnen: Politieacademie