Auteursarchief: Arnout de Vries

Handboek voor hulp bij opsporing

Opsporing is niet langer het exclusieve domein van de overheid. Iedereen die dat zou willen kan een bijdrage leveren. Maar hoe kunnen politie en burger(organisaties) samen onze veiligheid en rechtvaardigheid garanderen? En hoe worden wederzijdse verwachtingen in deze samenwerking waargemaakt? Het nieuwe TNO handboek ‘Eerste Hulp bij Opsporing – Handboek Burgerdetectives’ biedt hulp.

Overhandiging handboek hulp bij opsoring

v.l.n.r: Fred Westerbeke (politie), Shanna Wemmers (TNO) en Arnout de Vries (TNO)

De burgerdetectives

Is er sprake van een overheid die burgers betrekt (burgerparticipatie) of van burgers die de overheid betrekken bij misstanden (overheidsparticipatie)? Steeds meer burgers en organisaties onderzoeken misdrijven zoals bijvoorbeeld een fietsendiefstal, ondermijning of oorlogsmisdrijven in Oekraïne en Afghanistan. Deze ontwikkeling is niet te stoppen en wordt aangejaagd doordat data en informatie via sociale media en apps eenvoudig toegankelijk zijn.

Samenwerking essentieel?

TNO doet hier onderzoek naar. En wat blijkt? Burgers hebben niet alleen behoefte aan begeleiding maar men verwacht ook iets terug. Bijvoorbeeld bij een strafzaak. Daarnaast vragen politie en justitie zich af hoe men meer gebruik kan maken van de capaciteit, kennis en kunde vanuit de maatschappij? En hoe aan te sluiten op deze initiatieven? Wat zijn de kansen en wat zijn de risico’s? En hoe ga je daarmee om?

Praktisch toepasbaar

Al deze vragen komen aan bod in het handboek die hulporganisaties kunnen gebruiken om burgerinitiatieven te begeleiden en te ondersteunen. Hierbij gelden de wettelijke regels en politie en het Openbaar Ministerie kunnen aangeven wat de grenzen zijn in de samenwerking met opsporende burgers en het gebruik van informatie die van burgers afkomstig is. Eigenrichting dient te worden voorkomen, in dergelijke gevallen is vervolging van burgeropspoorders die strafbare feiten plegen of andere fundamentele belangen schenden die relevant zijn voor het strafproces, mogelijk. Zo zal de overheid burgers kunnen bekrachtigen waar dat kan, begrenzen waar dat moet en zich inzetten om de veiligheid van alle betrokkenen te beschermen.

In het handboek komen 24 onderzoeksmethodieken aan bod. Deze zijn vanuit de opsporingspraktijk van de politie vertaald naar de praktijk van de burgerrechercheur. De toelichtingen op de methodieken worden gegeven aan de hand van een voorbeeldmisdrijf.

Eerste Hulp bij Opsporing, Handboek Burgerdetectives

Het door TNO ontwikkelde handboek is een kennisbundel gericht op burgers, organisaties en beroepsgroepen die hulp bieden aan slachtoffers van misdrijven. Denk hierbij aan politie, gemeenten, verzekeraars, advocatuur, onderzoeksjournalisten, particuliere recherchebureaus of vrijwilligersorganisaties”.

Lees of download hier het gehele boek.

Bron: TNO

Pedojagers van het toneel verdwenen?

‘Stop met pedojagen!’ riepen politie en justitie na de fatale mishandeling van de 73-jarige Jan in het Arnhemse Spijkerkwartier. Een jaar na dato blijkt het fenomeen voor het brede publiek naar de achtergrond verdwenen. Maar het bestaat nog wel. ‘Het gebeurt wat meer verspreid, in de luwte.’

Als hij een belletje krijgt met de boodschap dat vanavond een confrontatie wacht, maakt hij daar wel even tijd voor. Maar de 38-jarige Utrechter, die vorig jaar oud-voorzitter Harrie Derks van de Groesbeekse voetbalclub Achilles’29 opwachtte, doet het nu even wat rustiger aan.

,,Ben pas weer vader geworden van een baby’tje”, zegt Dennis, die niet met zijn achternaam wil reageren. ,,Mijn vrouw deed normaal gesproken altijd het lokken, maar die kan er ook niet zo goed meer tegen, joh. Van de week ben ik nog even online geweest en het blijft hetzelfde. Als ik wil, kan ik nog iedere dag een afspraakje regelen.”

Dat deden hij en andere leden van zijn groep veelvuldig door zich digitaal voor te doen als minderjarige. Volwassen mannen die een afspraak voor seks zouden willen, confronteerden zij op locatie. ,,Ik heb zelf kleine kinderen die je ervoor wilt behoeden”, verklaart Dennis. ,,En de straffen in dit land zijn gewoon een lachertje, joh.”

Alleen al in Arnhem in drie weken tien mannen de klos

De zaak rond Derks, die door het Openbaar Ministerie (OM) werd geseponeerd om een gebrek aan bewijs na een verdenking van ‘grooming’, was één van de vele voorvallen met zogenoemde pedojagers die eind 2020 op het bordje van politie en justitie terechtkwam.

Het wemelde in die periode van de Nederlanders die ‘pedofielen ontmaskerden’ en hun confrontaties online deelden. Alleen al in Arnhem waren in oktober in amper drie weken tijd tien mannen de klos. Ze werden naar het Sonsbeekpark of de Rijnkade gelokt. Eén keer werd een voorbijganger aangezien voor de prooi van een chatafspraak, waardoor de ‘verkeerde’ werd gepakt. In heel het land telden de opsporingsinstanties over de 250 incidenten in een tijdsbestek van enkele maanden.

Op woensdagavond 28 oktober 2020 bleek in het Arnhemse Spijkerkwartier hoe gigantisch fout een pedojacht kan aflopen. De 73-jarige Jan dacht via het internet een afspraak te hebben gemaakt met een jongen van 15 jaar. In plaats daarvan wachtte een groep tieners uit Arnhem en omgeving hem op bij de supermarkt in het Spijkerkwartier. Even verderop, vlak voor zijn woning in de wijk, werd Jan het slachtoffer van zware mishandeling. Hij overleed aan een hersenbloeding.

Dringende oproep

Politie en het Openbaar Ministerie namen na de tragische gebeurtenis in heldere bewoordingen afstand van het pedojagen, ook wel pedohunten genoemd. Ze maakten zich zorgen over de manier waarop vermeende kindermisbruikers werden mishandeld, bedreigd of aan de schandpaal werden genageld. ‘Stop met pedojagen!’ luidde de dringende oproep.

In groepen op sociale media met namen als ‘Pedohuntnl’ en ‘PedofielenJagers Nederland!’ verschenen op een gegeven moment om de paar uur wel nieuwe gefilmde ontmaskeringen. Inmiddels dateren de laatste van dat soort berichten soms van maanden geleden. Andere groepen zijn helemaal opgeheven.

Verschijnsel komt nog voor

“Met oplettende burgers is niks mis, zolang ze zelf niet aan uitlokking doen. Als je nu zelf een account aanmaakt als minderjari­ge, schrik je je ook een hoedje” – Arnout de Vries, onderzoeker TNO.

Of de oproep ervoor heeft gezorgd dat pedojagers weer van het publieke toneel zijn verdwenen, durft Oscar Dros een jaar later niet te stellen. De hoogste politiebaas van Oost-Nederland is er in ieder geval blij mee dat het verschijnsel niet meer zo alom aanwezig is.

Arnout de Vries van onderzoeksinstituut TNO, die zich al jarenlang bezighoudt met sociale media en burgeropsporing, vermoedt net als Dros dat vooral een combinatie van factoren daar een rol bij heeft gespeeld. ,,Een aantal eigenaren van groepen is echt persoonlijk aan huis bezocht door de politie, waardoor sommigen wel moesten stoppen”, zegt hij. ,,En er zijn best veel aangiftes gedaan door vermeende pedoseksuele mannen. De media-aandacht daarvoor kan angst hebben ingeboezemd bij de pedojagers zelf.”

Ook sluit hij niet uit dat de mishandeling met dodelijk afloop in het Spijkerkwartier invloed heeft gehad. ,,Het is een van de zaken die destijds in de publiciteit is gekomen. In dit geval ging het om een oudere man. Het zijn vaak dergelijke karakteristieken waardoor mensen zeggen: dit gaat echt te ver.”

Dat betekent niet dat pedojagen helemaal niet meer voorkomt, zegt De Vries. ,,Het probleem liet zich vorig jaar natuurlijk zien door de grote aantallen mensen in groepen op sociale media. Nu gebeurt het wat meer verspreid, in de luwte.” Exacte cijfers kan hij niet geven, omdat er volgens hem bijvoorbeeld veel verschillende besloten groepen bestaan waar hij niet altijd weet van heeft.

Niet alles meer gedeeld op sociale media

Dennis, voor wie pedojagen nu op een lager pitje staat, geeft aan dat ook niet alle confrontaties meer op sociale media worden gedeeld. Hij weet dat het in sommige gevallen bij ‘een paar kletsen’ blijft, om vervolgens weer te vertrekken. ,,Het heeft weinig nut de politie te bellen. Wij hebben er 64 gepakt, van wie er nu drie tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld.” Zelf opgepakt worden, wat hem naar eigen zeggen een paar keer is overkomen, ziet hij ook niet meer zitten. ,,Als ik dan de volgende dag op mijn werk moet verschijnen en niet eens even fatsoenlijk kan afbellen, heb ik daar alleen m’n eigen mee.”

Onderzoeker De Vries benadrukt dat hij eigenrichting niet goed wil praten, maar betreurt het wel dat een kloof tussen de politie en ‘burgerrechercheurs’ is ontstaan. Hij pleit voor een beleid waarbij het voor mensen duidelijk is hoe zij bewijsmateriaal over een vermoedelijke pedofiel moeten aanleveren en zij snel steun van de politie kunnen krijgen. Ook hulpinstanties voor mensen met pedoseksuele gevoelens zouden daar betrokken bij moeten worden.

,,Met oplettende burgers is niks mis, zolang ze zelf niet aan uitlokking doen. Als je nu zelf een account aanmaakt als minderjarige, schrik je je ook een hoedje”, verklaart De Vries. ,,Maar je moet mensen niet naar de frontlinie sturen en dat is wel wat eigenlijk gebeurt. ‘Als de politie het niet doet, doen wij het zelf wel’, denken ze.” Met het mogelijke gevolg dat de politie niet één, maar twee zaken krijgt waar die aandacht aan moet besteden: een zeden- én een geweldszaak, stelt De Vries. Georganiseerde groepen met wapens, eigen uniformen ‘en soms zelfs honden’ moeten agenten volgens hem vooral wél hard blijven aanpakken.

Heldere normen nodig

Of pedojagen ooit nog zoveel aandacht trekt als een jaar terug, vindt De Vries moeilijk te voorspellen. Al zou de geest zo maar weer uit de fles kunnen komen als bijvoorbeeld een bekende Nederlander ermee in het nieuws komt, denkt hij. Zijn uitleg: online groepen in relatieve ‘slaapstand’ kunnen zo weer in de actieve stand schieten.

Mariëtte van Huijstee van onderzoeksorganisatie het Rathenau Instituut, die meeschreef aan een rapport over schadelijk en immoreel gedrag op het internet, vertelt dat er in ieder geval wel wat aan gedaan kan worden om een nieuwe hype te voorkomen. Kenmerken van het internet als anonimiteit en het snel kunnen vinden van gelijkgestemden, maken het naar haar zeggen mogelijk dat iets als pedojagen in rap tempo kan ontsporen.

Voer onder meer op school, de sportclub en in media daarom gesprekken over digitale normen en verhelder die, betoogt Van Huijstee. ,,Vinden wij het toelaatbaar dat iemand zich voordoet als een kind om een ander in de val te lokken?” Daarnaast is het belangrijk de bestaande normen online te handhaven, voegt ze toe. ,,Als een groep met wapens op de hoek van de straat staat, vraagt een wijkagent ook wat die daarmee gaat doen. Waarom zou die agent zich dan niet online in een gesprek kunnen mengen dat dreigt te ontsporen?”

Fatale mishandeling Spijkerkwartier was ‘een en al droefenis’
Als een zaak met alleen maar verliezers. Zo herinnert Arnhems burgemeester Ahmed Marcouch de fatale mishandeling van Jan (73) in het Spijkerkwartier, die landelijk in het nieuws kwam. Nabestaanden van de man bleven met groot verdriet achter, vijf pubers uit de regio kregen een gevangenis- of maximale taakstraf opgelegd en hun ouders waren diep geschokt.

,,Een en al droefenis”, zegt Marcouch. ,,De impact op de wijk was ook groot. De Arnhemmer was daar zeer bekend én gekend. Hij werd zeer gewaardeerd en gerespecteerd. Niemand kon zich iets voorstellen bij dat gefantaseerde idee van de jongeren die hem aanvielen.”

Anderhalve week na het overlijden van Jan, oud-docent op middelbare school het Titus Brandsma in Velp, werd een speciaal herdenkingsmoment voor hem georganiseerd in het Spijkerkwartier. Mensen waren even stil, applaudisseerden en staken massaal kaarsen en lichtjes aan. In de dagen die volgden, werd duidelijk dat hij het slachtoffer was van een gruwelijk uit de hand gelopen pedojacht.

Twee verdachten (17 en 19 jaar) uit Rozendaal kregen celstraffen opgelegd: twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk. De rechter gaf de overige jongeren van 16, 17 en 19 jaar uit Arnhem voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraffen van tweehonderd uur.

Ook is het vijftal veroordeeld tot het gezamenlijk betalen van een schadevergoeding van ruim 60.000 euro aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een van de vijf jongeren is in hoger beroep gegaan tegen zijn straf. Voor de nieuwe zitting is nog geen datum gepland, laat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden weten.

Bronnen: Gelderlander, De Stentor

HOW TO HACK-A-THON? Handreiking voor het organiseren van een hackathon

Eind 2018 organiseerde BlueM een OSINT-Masterclass met Eliot Higgins, de oprichter van het onderzoekscollectief Bellingcat. Het succes van deze dag gaf de aanzet tot een serie hackathons, waarmee de afgelopen twee jaar OSINT-onderzoek en de wisdom of the crowd zijn toegepast op coldcases, vermissingen, voortvluchtigen, de handel in illegaal vuurwerk, Vriend-in-Noodfraude en mobiel banditisme. De behaalde resultaten spreken voor zich: van operationele successen zoals aangehouden verdachten, tot het bedenken van creatieve nieuwe opsporingsmethoden en het vergroten van kennis en vaardigheden van deelnemers.

Deze handreiking is ten eerste bedoeld om duidelijkheid te scheppen over het concept hackathon als publiek-private samenwerkingsvorm. Ten tweede is het de bedoeld om de lezer uit te dagen om deze hackathon-formule te gebruiken om eigen thema’s en uitdagingen op een innovatieve wijze bij de kop te pakken.

Lees of download de publicatie hier:

[slideshare id=250469758&doc=101163-211018141530&type=d]

Hackathons kunnen fungeren als lijmmiddel dat de binnenwereld en buitenwereld van de politie met elkaar verbindt. Naast de praktische resultaten die ze opleveren, hebben de door de politie opgezette hackathons een heel waardevolle netwerkfunctie. Dat zegt Jerôme Lam, onderzoeker aan de Politieacademie op het gebied van burgerparticipatie en politieparticipatie, op basis van evaluaties van vijf door de politie uitgevoerde hackathons.  

Een hackathon is een evenement of een bijeenkomst waar deelnemers gedurende een relatief korte, afgebakende periode, met elkaar aan de slag gaan om aan een project te werken of een bepaald probleem op te lossen. Binnen de politie kreeg de hackathon een meer structurele plek via Arnoud de Bruin, coördinator cyberspecials en aanjager aanpak cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit binnen de eenheid Amsterdam. De Bruin is ook sinds de oprichting in 2016 onderdeel van BlueM, een beweging binnen de politie die als doel heeft om politiemensen uit te dagen om buiten de standaard patronen te denken en beter aan te sluiten op de veranderingen in de maatschappij. ”Arnoud raakte geïnspireerd door de documentaire van Elliot Higgins over Bellingcat, Truth in a Post-Truth World”, zegt Lam. ”Hij heeft de stoute schoenen aangetrokken en Elliot gemaild met de vraag of hij een masterclass wilde geven voor de politie. Naast een presentatie over wat Bellingcat allemaal doet, was er ook een puzzeldag georganiseerd. Dat was hartstikke leuk en werkte ook heel goed. Toen kwam tijdens de borrel het idee: kunnen we dit ook met echte zaken doen? Dat heeft geleid tot de Coldcase Hackathon.”
Snelkookpan
Voor deze hackathon verzamelden ongeveer zeventig cyber- en Open Source Intelligence (OSINT) specialisten van politie, Openbaar Ministerie, defensie, KPN, Bellingcat, FIOD en TNO zich op het marineterrein Kattenburg. Zes gemixte teams bogen zich na een korte briefing van het opsporingsteam over veertien ingebrachte coldcasezaken. In vrijwel alle zaken, waarvoor vooraf toestemming was gevraagd aan de officier van Justitie, werden aanwijzingen gevonden waarop kon worden doorgerechercheerd. Lam: ”Toen is gebleken dat een hackathon heel erg leuk is om te doen en dat het voor de politie goed blijkt te werken. Je pompt in een korte tijd heel veel kennis en expertise in een onderwerp. Je kan dat dan in een stoofpotje doen en laten pruttelen. Maar in een hackathon gaat het in een snelkookpan. Het blijkt dat je onder druk en door elkaar te inspireren soms toch verder komt.”
Voortvluchtigen
De tweede hackathon was met BlueM en FASTNL, een team dat probeert veroordeelde criminelen die nog een straf open hebben staan, te pakken. Lam: ”Dit is de meest succesvolle hackathon die we tot nu toe hebben gehad, ook omdat de vraag heel concreet was. Iemand is op de loop, waar is hij? Zoekvragen, naar personen of objecten, zijn vragen waar veel OSINT-experts met de beschikbare openbare bronnen heel goed mee uit de voeten kunnen. Het grote voordeel was dat de gezochte personen al veroordeeld waren. Bij een hackathon moet je informatie gaan delen. Dat is lastig, want wat kan je delen binnen de juridische grenzen? Als iemand al veroordeeld is, kan het strafproces niet meer kapot en is dat makkelijker. Het mooie was, dat er op de dag zelf al een aanhouding kon worden verricht. Daarnaast waren er iets van vijftien lokalisaties op adresniveau en iets van tien of vijftien op plaatsniveau. We vonden iemand die in het buitenland vast bleek te zitten en ook iemand die inmiddels overleden was. De weken erna zijn er nog een stuk of tien aanhoudingen verricht. Dan zie je dat het echt wat een hackathon op kan leveren.”
Vuurwerkhandel
Andere hackathons gingen over de zegenoemde ‘vriend in nood’-fraude, mobiel banditisme en de handel in illegaal vuurwerk. ”Bij de vuurwerkhackathon is gekeken naar fenomenen: in hoeverre zie je bijvoorbeeld dat de handel verschuift, bijvoorbeeld van het ene naar het andere social media platform. Of kunnen we iets zeggen over bepaalde aanvoerroutes uit het buitenland. Of over opslagplaatsen. Dat werkt wel, maar de hackathon is afgebakend in tijd. Je bent twaalf uur in verschillende sprints bezig. Zo’n fenomeenvraag is dan lastig, want je moet a) goed snappen waar het over gaat en hoe het in elkaar steekt en b) je hebt gewoon tijd nodig om het uit te zoeken. Andere vragen zijn barrière-achtige vragen, bijvoorbeeld de vriend in nood-fraude. Als je snapt hoe dat proces gaat, met een oplichter, een werver en een geldezel, dan kun je een ‘crime script’ maken over hoe dat werkt. Waar zijn kansen om dat te verstoren? Bijvoorbeeld door iemand aan te houden als het plaatsvindt, maar misschien ook door samenwerking met een bank, door een barrière op te werpen. Je bent dan deels afhankelijk van externe partijen en dat maakt de uitvoering van sommige ideeën lastiger, maar het zijn altijd leuke dagen en tot op zekere hoogte ook effectief.”
Professionalisering en doorontwikkeling
Na alle hackathons is gekeken wat ze hebben opgeleverd. ”Dan komen de praktische resultaten naar voren, maar wat als belangrijkste wordt gezien, is het netwerken: elkaar zien, elkaar inspireren. Dat is ook de reden dat bijvoorbeeld KPN een team van zes man naar zo’n hackathon stuurt. Het gaat om elkaar leren kennen, de verbinding tussen politie en andere partijen, private partijen, burgers. De hackathon is een soort lijmfunctie die de binnenwereld en de buitenwereld van de politie aan elkaar verbindt. Wat ik ook een leuke opbrengst van de hackathons vind, is dat er steeds uitkomt dat het leren zo belangrijk is. Mensen die vanuit een contra hackteam van KPN werken, kijken heel anders naar een zaak dan dat de politie dat doet. Zij gebruiken ook heel andere middelen en methoden. Je merkt tijdens zo’n dag dat mensen aan het denken gezet worden, dat ze beter in hun vak worden omdat ze nieuwe dingen leren, andere perspectieven. Aan de ene kant heb je de korte termijn operationele resultaten, aan de andere kant heb je de professionalisering, de doorontwikkeling van mensen.”
Wisdom of the crowd
Bij de evaluatie van de hackathons wordt ook altijd gevraagd of deelnemers nog een keer mee zouden doen. 90 tot 95 procent van de deelnemers reageert daar positief op. ”De drive om de politie te helpen is best wel groot. De hackathon past ook in de trend die je ziet in de opsporing, waarin steeds meer gebruik wordt gemaakt van partijen van buitenaf. Dat is de erkenning voor het feit dat in de buitenwereld heel veel expertise zit die je binnen de politie misschien niet hebt. Boeven krijgen door de toenemende digitalisering meer kansen, maar burgers kunnen ook steeds meer. Zij zijn zo waanzinnig goed in informatie zoeken en verbanden leggen. The wisdom of the crowd. Er is ook zoveel te vinden. Burgers brengen niet alleen af en toe wat anders, maar soms ook sneller dan de politie. Ik denk ook dat het onderscheid tussen burgers en politie op sommige punten steeds dunner wordt. Burgers kunnen op sommige momenten meer omdat ze geen toestemming van de officier nodig hebben. Op andere punten kan de politie meer omdat zij die toestemming wel heeft. Maar het onderscheid ‘ik ben van de politie en ik ga er over en ik kan het’, dat begint wel steeds meer te vervagen. Het is belangrijk om een dynamiek met de buitenwereld op te bouwen, zodat je constant meebeweegt met alle veranderingen op het gebied van criminaliteit. Daar zijn hackathons een heel mooi voorbeeld van.”
Draaiboek
Intussen blijven aanvragen voor nieuwe hackathons binnenkomen. De belangstelling voor hackathons bracht Lam en Arnoud de Bruin er toe om samen met twee collega’s de brochure ‘How to Hack-a-thon’ te schrijven. Het eerste exemplaar werd afgelopen vrijdag tijdens de Hackathon Cybercrime, die door de politie Den Haag West werd georganiseerd, uitgereikt aan Wim van Amerongen, programmadirecteur Toekomstbestendig Opsporen en voorzitter van het Burgeropsporingslab. ”De hackathon leeft, maar veel mensen hebben geen idee hoe het werkt. Veel dingen waar wij over zijn gestruikeld, hebben we op een leuke en vlotte manier proberen op te schrijven. Ook om de handschoen toe te werpen: probeer het zelf ook eens, als daar aanleiding voor is. Ik denk dat het goed is om deze tool in je gereedschapskist te hebben en afhankelijk van je probleem eruit kan trekken en kan toepassen. Niet altijd inzetten, maar het zou één van de standaard dingen moeten zijn, een klein beetje zoals een snelle kennismobilisatie die je vanuit de politie kunt inzetten. Daar zou het heel geschikt voor zijn. Ik heb ook het gevoel dat het die kant op gaat. Het blijft wel lastig, omdat de politie zo resultaatgedreven is. Het gaat toch vooral over hoeveel kerels we hebben aangehouden, of hoeveel kilo’s we hebben gevonden. Het heeft ook met bewustwording te maken. Ondanks dat je de resultaten morgen misschien niet gelijk terugziet – als in we hebben Taghi aangehouden – het helpt wel om de politie beter te maken.”

Bron: Politieacademie, Politieacademie

Tunnelvisie bij burgers in opsporing

Burgerparticipatie binnen de opsporing is een fenomeen dat al eeuwenlang wordt toegepast. Al in de middeleeuwen werden burgers betrokken bij het terugvinden van gestolen objecten (De Vries & Smilda, 2014). Tegenwoordig worden burgers door de politie betrokken via media zoals Opsporing Verzocht en online cold case-kalenders. Maar er ontstaan ook steeds meer (semi-)professionele opsporingsinitiatieven vanuit burgers, zoals Bellingcat en buurt-whatsappgroepen, die actief zijn bij vermissingen, moord of eenvoudige diefstal. Door social media is het voor burgers makkelijker geworden om (snel) betrokken te raken bij (opsporings)onderzoeken.

Groningen, 14 augustus 2020. Het is een warme zomerdag. In een elektrische BMW bij de bouwmarkt zit een hond in de auto, zonder eigenaar. De politie wordt gebeld en de ruit wordt ingeslagen om de hond te bevrijden. Is hier sprake van dierenmishandeling?

Door het grote bereik van social media kunnen meer burgers betrokken worden die ideeën of informatie hebben die kunnen leiden tot hulp en oplossingen in een zaak. Tegelijkertijd zijn er risico’s, zoals het (opzettelijk) aantasten of vernietigen van bewijs, (mentale) gezondheidsrisico’s, eigenrichting, maar ook tunnelvisie. Er kunnen zogeheten online firestorms ontstaan (Pfeffer, Zorbach & Carley, 2014) die de verdachte(n) (onterecht) in kwaad daglicht stellen en het verloop van het onderzoek verder kunnen beïnvloeden.

George is de eigenaar van de hond. Hij wordt online uitgemaakt voor dierenmishandelaar en met de dood bedreigd. George voert een verklaring op als weerwoord. Hij was 20 minuten weg bij de auto. Hij had de airco aangelaten voor zijn hond, die hij zijn beste vriend noemt. De airco maakte geen geluid, omdat het een elektrische auto is. In dit scenario was het dus in de auto koeler dan buiten.

Tunnelvisie
Wanneer er wordt gefocust op een enkel scenario en geen rekening wordt gehouden met andere mogelijke gebeurtenissen spreekt men van tunnelvisie. Alleen informatie die deze gebeurtenis ondersteunt, wordt voor waar aangenomen. Feiten die dit gevormde scenario tegenspreken worden genegeerd, waardoor er geen rekening mee wordt gehouden dat andere scenario’s mogelijk zijn (Martin, 2002; Crombag in Van Koppen et al., 2010). Tunnelvisie kan ervoor zorgen dat een verdachte onterecht als dader wordt aangewezen, de echte dader niet wordt opgespoord, of een vermist persoon niet wordt teruggevonden.

Objectieve afweging van bewijs
Een belangrijk psychologisch mechanisme dat ten grondslag ligt aan tunnelvisie is confirmation bias (Rassin, 2012; Findley & Scott 2006; van Koppen et al., 2010; Epskamp Dudink, 2016). Confirmation bias is: de neiging tot het zoeken en interpreteren van bewijs op een wijze die een al bestaande overtuiging, verwachting of hypothese bevestigt. (Nickerson, 1998, p. 175). Confirmation bias is een proces dat bij iedereen in het dagelijks leven optreedt (Nickerson, 1998). In een onzekere wereld helpt confirmation bias bij het bevestigen van iemands wereldbeeld. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat bepaalde zaken meer aandacht krijgen en daardoor beslissingen kunnen worden genomen (Epskamp Dudink, 2016). Bij de recherche zijn maatregelen getroffen gericht op het voorkomen van risico’s op tunnelvisie, om de kans op het aanwijzen van een verkeerde dader zoveel mogelijk te beperken (Salet, 2015). Naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord in 2000 is in 2007 het scenariodenken verplicht gesteld binnen de recherche. Tegenspraak is een belangrijk onderdeel hiervan. Tunnelvisie wordt tegengegaan door actief op zoek te gaan naar alternatieve scenario’s en ook hierop te focussen. Zo wordt voorkomen dat de recherche zich te veel focust op één bepaald scenario (Salet, 2015). Met een objectieve afweging van bewijs kan de waarschijnlijkheid van scenario’s getoetst worden en inzicht bieden in wat er mogelijk wel en ook juist niet is gebeurd.

Tegengaan van tunnelvisie
Burgers die zelf onderzoek uitvoeren naar misdrijven en vermissingen beschikken over het algemeen niet over dergelijke kennis over scenariodenken. Deze infographic biedt meer handvatten voor het scenariodenken door burgers. Dit is een handelingsperspectief met do’s en don’ts bij scenariodenken, inclusief handige onderzoeksvragen en risico’s. De 7 W’s (wat-, welke wijze (hoe)-, wie-, wanneer-, waar-, waarom- en waarmee-vragen) zijn nodig om verhaallijnen te kunnen maken. Op veel vragen zullen meerdere antwoorden mogelijk zijn, of misschien helemaal geen. Vervolgens kunnen meerdere scenario’s worden opgesteld. Bij vermissingen bijvoorbeeld kan het gaan om wel of geen vrijwillige verdwijning, een natuurlijke of niet-natuurlijke dood, of (hopelijk) gewoon een misinterpretatie van de situatie. Dergelijke scenario’s kunnen getoetst worden aan de opsporingsindicaties. Hierbij kan een bewijsmatrix of mindmap gebruikt worden als hulpmiddel.

[slideshare id=249874606&doc=tnoehbscenariodenkena4printv3-210728083038&type=d]

Een ander belangrijk element van het tegengaan van tunnelvisie is, net zoals bij de recherche, het toelaten van tegenspraak. Het beste is als deze tegenspraak komt van een onafhankelijk persoon, in afwezigheid van de onderzoeker, om het proces zo goed mogelijk te kunnen toetsen op objectiviteit. Dit kan gedurende het gehele opsporingsproces, maar het is het beste als dit zo vroeg mogelijk in het proces aanvangt.

George zegt dat hij het goed vindt dat mensen zijn hond willen redden en geen problemen heeft met het inslaan van een raam. Dat hij door iedereen beschuldigd wordt voor dierenmishandeling en doodsbedreigingen krijgt vindt hij onterecht.

Niet in alle situaties is ruimte voor scenariodenken. Soms is er acute actie nodig. In situaties waar het wel mogelijk is dienen echter de juiste afwegingen gemaakt te worden om objectief te oordelen en onjuiste gevolgen te voorkomen. Een oordeel is snel gemaakt, zeker online. Maar wat zou er werkelijk aan de hand kunnen zijn? In samenspraak met de politie kunnen burgers verder onderzoek uitvoeren. Alleen door het kritische denkvermogen te stimuleren kunnen burgers tunnelvisie voorkomen om zichzelf, elkaar en politie en justitie op een constructieve manier te helpen.


Literatuur:

Epskamp-Dudink, C. (2016). ‘Niet te filmen! Over retrospectief scenariodenken in de opsporingspraktijk. Lectoraat Intelligence Politieacademie.

Findley, K.A. & Scott, M.S. (2006). The multiple dimension of tunnel vision in criminal cases. Wisconsin Law Review, pp. 291-398

Koppen, van, P.J., Merckelbach, H., Jelicic, M. & De Keijser, J.W. (2010). Reizen met mijn rechter. Psychologie van het recht. Deventer: Kluwer.

Martin, D. L. (2002). Lessons about justice from the laboratory of wrongful convictions: Tunnel vision, the construction of guilt and informer evidence. UMKC Law Review, 70(4), 847-864.

Nickerson, R. S. (1998). Confirmation bias: A ubiquitous phenomenon in many guises. Review of general psychology2(2), 175-220.

Pfeffer, J., Zorbach, T., & Carley, K. M. (2014fro). Understanding online firestorms: Negative word-of-mouth dynamics in social media networks. Journal of Marketing Communications, 20(1-2), 117-128.

Rassin, E. (2007). Waarom ik altijd gelijk heb. Over tunnelvisie. Schiedam: Scriptum.

Salet, R. (2015). Opsporing, tegenspraak en veranderende frames. Een onderzoek naar tegenspraak in grootschalige rechercheonderzoeken. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.

Vries, A. de, & Smilda, F. (2014). Sociale media: het nieuwe DNA. Een revolutie in de opsporing. Amsterdam: Reed Business

Bron: Website voor politie

Monitoring door gemeenten van online aangejaagde ordeverstoringen

In opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap bracht Bantema in kaart hoe Nederlandse gemeenten online bronnen monitoren voor de openbare orde en veiligheid. Het onderzoek is onder zijn leiding uitgevoerd binnen een multidisciplinair team met onderzoekers Maarten Hoekstra en Saskia Westers van NHL Stenden en in samenwerking met Solke Munneke en Rianne Herregodts van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).

Gemeenten lijken steeds vaker geconfronteerd te worden met ordeverstoringen die online beginnen of online versterkt worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om onrust rondom politieke besluiten, overlast door groepen en individuen, oproepen tot demonstraties, illegale evenementen en polarisatie tussen inwoners. Bantema doet al jaren onderzoek naar de bestuurlijke rol en bevoegdheden van burgemeesters in online monitoring en handhaving.

Onderzoeksmethoden

Het onderzoek is gebaseerd op literatuur, juridisch bronnenonderzoek, groepsinterviews met gemeenten en politie en een online vragenlijst die is ingevuld door 196 gemeentelijke medewerkers (OOV/Communicatie), die werkzaam zijn binnen 156 verschillende Nederlandse gemeenten.

Openbare persoonsgegevens

Hoewel 95% van de ondervraagde gemeentelijke medewerkers aangeven dat hun gemeente aan online monitoring doet, blijkt nog vaak onduidelijk aan welke regelingen zij zijn gebonden. Meer dan de helft (54%) van de gemeentelijke medewerkers geeft aan geen protocol of beleid te hebben voor online monitoring binnen hun gemeente. Dit is volgens Bantema wel noodzakelijk: “Je hebt al snel te maken met een privacywetgeving. Social media zijn weliswaar openbaar, maar het is een misverstand te denken dat je alles mag doen met gegevens die je uit openbare bronnen haalt. Een naam, IP-adres en zelfs een nickname zijn ook persoonsgegevens. Gemeenten weten niet wat ze wel of niet mogen en zijn niet op de hoogte van de juridische kaders als het gaat om online monitoring.”

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=250548541&doc=blackboxvangemeentelijkeonlinemonitoring-pdf-211028122543&type=d]

Tijdens het CCV-webinar ‘Monitoring van online aangejaagde ordeverstoringen’ op 9 juni vertelde onderzoek Willem Bantema over het onderzoek ‘Black box van gemeentelijke online monitoring; Een wankel fundament onder een stevige praktijk’ en de resultaten en de aanbevelingen die naar voren zijn gekomen.

Ook Rianne Herregodts, Universitair docent en onderzoeker aan de Universiteit van Groningen, vertelt over het juridische kader van online monitoring door gemeenten. Wat mag wel, wat mag niet? Dit filmpje is een bijdrage voor het CCV-webinar ‘Monitoring van online aangejaagde ordeverstoringen’ van 9 juni 2021. Bekijk hier het gehele webinar terug.

Bronnen: HetCCV, NHL, RUG

 

Heel Holland spoort op

Naar een afwegingsmodel voor de politie in de omgang met burgers die zelfstandig onderzoek doen
Auteurs: Arnout de Vries, Shanna Wemmers, Stan Duijf & Victor Kallen, Eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Veiligheid 2020 (19) 2-3

Burgers die zelfstandig misdrijven onderzoeken is een groeiende trend vanwege de democratisering van informatie (zoals sociale media), onderzoeksmiddelen (zoals apps) en kennis (zoals op YouTube). Meer en meer burgers doen hun eigen onderzoek als moderne Sherlocks. Dit artikel onderzoekt hoe de politie participeert in hedendaagse onderzoeken van burgers, inclusief de ervaren voor- en nadelen. De verkregen inzichten van het gepresenteerde onderzoek dienen als leidraad om politieagenten te helpen begrijpen hoe ze kunnen participeren met burgers die zelfstandig onderzoek gestart zijn of willen starten. Het gepresenteerde afwegingsmodel legt uit hoe de politie burgers beter kan begeleiden en stimuleren, maar ook stoppen of beschermen in hun onderzoeksactiviteiten als dat nodig is. In vier politie-eenheden is onder professionele begeleiding een app getoetst waarmee de politie kan participeren in onderzoek dat burgers zelf hebben opgestart en te leren van wederzijdse verwachtingen en ervaringen. De conclusie is dat burgers begeleiding nodig hebben, maar belangrijker nog is dat ze een zekere mate van wederkerigheid verwachten in de samenwerking met de politie bij het strafrechtelijk onderzoek.

Inleiding: moderne Sherlocks

‘Ik bel de politie en ga ervan uit dat ze meteen ingrijpen en die foto’s willen bekijken, toch? Maar nee. Ze zeggen letterlijk: “Die foto’s willen we niet. Je mag ze niet aan ons
laten zien, want als dat strafbare foto’s zijn en jij hebt ze, dan ben jij strafbaar.” Wat?!?’ – passage uit een YouTube-vlog van Vrije Vogels (Van der Meulen, 2018).

Sven van der Meulen, ook wel bekend als de Meppelse vlogger, heeft na zelf onderzoek te doen foto’s en een filmpje ontvangen van een man die jonge jongens drogeert en seksueel misbruikt. Hij wil dit materiaal direct met de politie delen en wil een afspraak met de man maken, maar de politie wijst hem erop dat dit materiaal strafbaar is en slaat dit ‘bewijsaanbod’, en daarmee ook de opvolging in deze zaak, af (Van der Meulen, 2018).

Sven is een voorbeeld van een burger die zelf onderzoek uitvoert naar misdrijven. Burgers kruipen steeds meer in de rol van politie, op gebieden als handhaving, hulpverlening en opsporing. Als ze worden geconfronteerd met een strafbaar feit, starten ze op eigen initiatief met ‘opsporen’. De maatschappelijke aandacht naar dit fenomeen ‘Do-It-Yourself Policing’ groeit al jaren levendig (Denef et al., 2017), net zoals het aantal burgers dat zelf start met opsporen gestaag lijkt toe te nemen (De Vries, 2018). Van het internationale onderzoekscollectief Bellingcat tot aan de vele duizenden lokale WhatsApp-buurtgroepen, heel Holland spoort op, zo lijkt het. Noemenswaardig is dat de aandacht voornamelijk is uitgegaan naar de opsporende burger en het romantiserende mediagenieke Sherlock Holmesgehalte van dit fenomeen dat in de breedte van private opsporing groeit (De Vries, 2015). De casus van Sven illustreert echter dat burgeronderzoek naar misdrijven
iets complexer ligt dan alleen de kunst van deductie. Wettelijke bevoegdheden en beperkingen van politie en burgers zijn niet altijd in lijn met wederzijdse verwachtingen, terwijl de behoefte en mogelijkheden om zelf onderzoek uit te voeren steeds meer lijken toe te nemen.

Participatie binnen de opsporing is een internationale trend, waarin Nederland tot de koplopers lijkt te behoren (Denef et al., 2017). De politie ontwikkelt haar rol binnen deze trend waarin steeds meer burgers op allerlei wijzen en bij allerlei misdrijven participeren of handelen in politietaken (Politie & Justitie, 2019). Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Operationele handvatten in de politiepraktijk voor het versterken van voordelen en het minimaliseren van nadelen door amateurspeurneuzen ontbreken echter nog. In dit artikel worden door een reflectie op de huidige situatie wensen en eisen afgeleid voor de omgang tussen politie en initiatiefrijke burgers. De vertaling hiervan is verwerkt in een model met praktijkgerichte handvatten voor de politie om te komen tot de uitvoering van de ontwikkelde visie. Door gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de operationele interactie tussen burger en politie bij burgeronderzoek dient dit model echter verder
gevalideerd te worden in meer praktijksituaties.

Methode

Op basis van de huidige status en ontwikkelingen van burgeronderzoek bij misdrijven is een afwegingsmodel ontwikkeld voor de samenwerking tussen burgeronderzoekers en politie. Dit model is gebaseerd op de huidige literatuur, casuïstiek, wetgeving en het beleid van de Nederlandse politie. Het model is iteratief ontwikkeld met behulp van diverse expertsessies en een praktijkproef.

Het model is in samenwerking met burgers in de praktijk getoetst aan de hand van de app die de politie samen met het OM op 1 juni 2019 heeft gelanceerd: ‘Mijn Onderzoek’. Met deze app konden burgers zelf onderzoek doen als zij slachtoffer waren geworden van eenvoudige diefstal. Burgers kregen in de proeftuin na aangifte de mogelijkheid om via de app hun onderzoek uit te voeren. Met de app konden zij onderzoekshandelingen verrichten en opsporingsindicaties vastleggen door het uploaden van beeldmateriaal, het maken van notities, het uitvoeren van online buurtonderzoek en het afnemen van getuigeninterviews. Aan de proef deden tientallen burgers (N=46) en politieagenten (N=20) mee uit basisteams van zes verschillende politie-eenheden. Vooraf zijn de deelnemers via enquêtes bevraagd over hun verwachtingen en achteraf is via telefonische interviews gevraagd naar hun ervaringen.

Voorafgaand aan de proeftuin is het afwegingsmodel middels een viertal expertsessies iteratief besproken volgens de Delphi-methode (Dalkey et al., 1963; Ono & Wedemeyer, 1994) en met de opgehaalde feedback verwerkt. Tientallen experts, zoals aanwezig op de conferentie ‘de politie van overmorgen’, kwamen vanuit de politie, Politieacademie, het OM en van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op een MUSIS-bijeenkomst waren er aanvullend nog strafrechters en strafrechtadvocaten. De proeftuin bood een eerste validatie van het model in een praktijkomgeving. Aan de hand van de resultaten van de proeftuin zijn geen nieuwe iteraties gemaakt aan het model, maar worden wel aandachtspunten in de afsluitende discussie van dit artikel besproken.

Theoretisch kader

Burgeronderzoek
‘Opsporing’ is een juridische term die duidt op het ‘in het Nederlands strafprocesrecht […] doen van onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen’ (art. 132a Wetboek van Strafvordering). Burgers die zelfstandig handelen kunnen dus juridisch gezien niet opsporen; daarom wordt binnen dit artikel de term ‘burgeronderzoek’ toegepast. Dit burgeronderzoek naar strafbare feiten doen burgers regelmatig volledig autonoom en onafhankelijk, bij gelegenheid in wereldwijde (virtuele) netwerken en slechts soms in samenwerking met de politie. Het aantal en de variëteit van initiatieven is groot, de ene burger bericht over zijn gestolen fiets op Facebook2 en de ander spant samen om via een online community pedoseksuelen3 of oorlogsmisdadigers te ontmaskeren.4

2 Fiets is foetsie’ als website waarop burgers hun verloren of gevonden fietsen kunnen posten: www.fietsisfoetsie.nl.
3 Op het YouTube-kanaal ‘Betrapt’ laat men zien hoe vermeende pedoseksuelen worden geconfronteerd,
bijvoorbeeld: www.youtube.com/channel/UC1QRdOZ6zwpe0fUVOyGWuvw.
4 Hackers van Anonymous voeren strijd tegen IS verder op: https://nos.nl/artikel/2069431-hackers-van-anonymous-voeren-strijd-tegen-is-verder-op.html.

Abstracte ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering dragen volgens velen bij aan deze ontwikkeling (Duijf, 2018), maar de integratie van technologie en internet in het dagelijks leven lijkt nog prominenter bij te dragen aan het opsporend vermogen van deze zelfstartende Sherlocks (De Vries & Smilda, 2014). Burgers staan in continue verbinding met elkaar en internet biedt informatie op alle vlakken. Denk hierbij aan de opmars van open-bronnenonderzoek. Oprichter van Bellingcat – Elliot Higgins – noemde open-bronnenonderzoek door burgers zelfs een vreedzame revolutie die waarheidsvinding bevordert (Higgins, 2018). Met zijn onderzoek naar de MH17 hielp dit onderzoekscollectief het internationale Joint Investigation Team (JIT) en won het internationaal erkende mediaprijzen. Samenwerking met burgers kan waardevol zijn voor politie en justitie en
hun opsporingsonderzoeken, maar risico’s zijn er ook.

Slimmer samenwerken
Samenwerking met burgers is de politie niet vreemd. De politie zet burgers in wanneer zij mogelijk informatie hebben die de politie kan helpen bij haar opsporingsonderzoek. Denk aan de inzet van Burgernet bij zoekacties of televisieprogramma Opsporing Verzocht, dat ook bewezen effecten sorteert (Van Erp, Van Gastel & Webbink, 2012). Van oudsher worden burgers betrokken bij het opsporingsonderzoek in de rol van bijvoorbeeld slachtoffer, verdachte of getuige. Ook op digitaal vlak heeft de politie de laatste jaren fors geïnvesteerd, zoals in de aanwezigheid op het web met sociale-media-accounts (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012) en zelfs via een politie-podcast zoekt de politie op een moderne manier de interactie met het publiek op (Van der Graaf, 2019).

Een kenmerk van de huidige participatie is dat de politie het initiatief neemt, zij stelt een vraag en verwacht antwoord van de burger. De burger antwoordt en de politie onderzoekt zelf verder. Wanneer de politie het initiatief neemt en de burger ondersteunt of participeert, spreken we van burgerparticipatie (De Vries & Smilda, 2014).

Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers blijken alerter te worden, voelen zich na enige tijd veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot en heterdaadkracht is altijd al grotendeels afhankelijk geweest van de inbreng van burgers (Kerstholt, De Vries, Mente & Huis in ’t Veld, 2015; De Vries et al., 2016). Verschillende hedendaagse praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010). Burgers melden en signaleren via moderne sociale-mediakanalen in hun buurt, middels websites, apps of telefonisch en het zijn juist deze signalen van de burger waar de overheid grotendeels van afhankelijk is. Burgerparticipatie loont, want van alle aangehouden verdachten wordt 85% op heterdaad betrapt en gearresteerd. Daarvan is 60% te danken aan de alertheid en meldingsbereidheid van de burger. Dit komt neer op 51% van het totaal aantal aangehouden verdachten (Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde, 2007).

In een groeiend aantal gevallen wordt het initiatief echter ingegeven door een volgens de burger tekortschietende politie (Schreurs, 2019). Burgers denken dat de politie hun verwachtingen niet kan waarmaken en besluiten zelf op zoek te gaan naar waarheidsvinding en rechtspreking (Duijf, 2018). Bij deze nieuwe vormen van participatie zien we nu dan ook steeds vaker dat de rollen worden omgedraaid. In het voorbeeld van Sven is te zien hoe hij op eigen initiatief onderzoek heeft uitgevoerd en de politie niet of nauwelijks betrokken is geweest. Wanneer Sven zijn onderzoeksresultaten wil overdragen aan de politie voor opvolging, neemt de politie deze niet (zomaar) aan. In de opsporing willen politie en justitie vooral zelf veel invloed en regie hebben op het gehele proces (Duijf, 2018). Het is niet de bedoeling dat burgers onder het mom van ‘onderzoek’ materiaal verzamelen dat strafbaar is. Sven heeft als burger geen (opsporings)bevoegdheid om
dergelijk materiaal te verzamelen. De politie heeft bovendien geen controle over de manier waarop het materiaal wordt verkregen en hoe rechtmatig en betrouwbaar dat heeft plaatsgevonden. Burgers kunnen onbedoeld zaken verstoren als zij op een verkeerde manier met potentieel bewijsmateriaal omgaan. Daarbij heeft de politie geen controle over de mogelijk schadelijke effecten die deze bemoeienis kan hebben.

Politieparticipatie: bekrachtigen, beschermen en begrenzen van burgers

Politieparticipatie, wat wordt ermee bedoeld?

Figuur 1 Verschil tussen burgerparticipatie en politieparticipatie

Een traditionele monopoliepositie in de opsporing, daar is al lang geen sprake meer van. Politie en justitie realiseren zich steeds meer dat anderen nodig zijn om de opsporing fundamenteel te verbeteren (Politie, 2018). In haar koersdocument (N.N., 2017) laat de politie dit duidelijk blijken en staat de samenwerking met anderen die opsporen niet meer aan de zijlijn, maar in het speelveld. Maar wat betekent politieparticipatie eigenlijk? De Vries en Smilda (2014) positioneerden politieparticipatie tussen enerzijds burgerparticipatie, waar de burger gevraagd meedoet met de politie, en anderzijds burgeractiviteiten, waar de burger anderzijds zonder enige betrokkenheid van overheden opspoort (figuur 1). Er is sprake van politieparticipatie wanneer de politie deelneemt aan opsporingsactiviteiten die geïnitieerd zijn door burgers en waarin burgers de leiding nemen. In de zaak van Sven, maar ook in minder controversiële zaken zou de rol van de
politie meer participerend moeten zijn naar welwillende burgers om deze zaken in goede banen te leiden, kansen te benutten en risico’s te beperken. Op basis van literatuuronderzoek worden in dit artikel burgers die zelf het initiatief nemen om onderzoek te doen gedefinieerd als: Een of meer burgers die onafhankelijk activiteiten initiëren om informatie te verzamelen in relatie tot een gepleegd strafbaar feit met als doel om de waarheid te vinden en om recht te spreken (Duijf, 2018).

Vandaag de dag is politieparticipatie meer een strategisch voornemen van de politie dan werkelijkheid. Veiligheid is niet alleen een taak voor de overheid; burgers tonen meer en meer de behoefte om actiever te participeren binnen het veiligheidsdomein. De informatie die burgers binnenbrengen kan de politie echter

niet altijd gebruiken. De politie is daarbij gehouden aan bepaalde wettelijke opsporingsbevoegdheden en -beperkingen en heeft een terughoudende attitude wat betreft samenwerking (Duijf, 2018). Doordat burgers geen opsporingsbevoegdheid en hiervoor geen opleiding hebben gehad, bestaat voor de politie het risico dat zij de wet overtreden of onderzoeken verstoren. Om de rechtmatigheid en bewijskracht te verhogen kunnen politie en burgers wel een vorm van samenwerking opzoeken. Politie en justitie hebben daartoe ‘Leidende Principes’ (Politie en justitie, 2019) ontwikkeld binnen het Programma Versterking Opsporing en Vervolging (PVOV)5 in samenwerking met politieagenten, juristen en wetenschappers met diverse achtergronden. Uit deze principes en gebaseerd op haar algemene missie volgt dat afhankelijk van de omstandigheden de politie dient te bekrachtigen, beschermen en begrenzen.6 Bekrachtigen betekent ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van (structurele) samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. Bij het beschermen van burgers gaat het bijvoorbeeld om hun leven, vrijheid en bezittingen. Bij begrenzen gaat het om het beperken en beëindigen van ongeoorloofd gedrag. De principes bieden uitgangspunten voor hoe politie en justitie zich kunnen verhouden tot een samenleving die zelfstandig onderzoek doet dat kan worden opgevolgd in het opsporings- en vervolgingsproces.

Een andere reactie van de politie op de behoefte van burgers die willen bijdragen aan opsporing is de app ‘Mijn Onderzoek’.7 Met deze app is in de zomer van 2019 voor het eerst geëxperimenteerd om de behoeften en kansen van burgeronderzoek te combineren. Met de app kunnen burgers na een delict hun eigen onderzoeksdossier creëren dat bij een aangifte gevoegd kan worden. Middels tips en waarschuwingen communiceert de politie de afwegingskaders uit het ontwikkelde model voor het onderzoek dat de burger uitvoert om daarmee de bewijskracht te verhogen en risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. Deze ondersteuning is bedoeld om burgeractiviteiten in goede banen te leiden, zodat zowel burgers als politie en justitie maximaal baat hebben bij de uitgevoerde onderzoekshandelingen.

5 PVOV is ontwikkeld in 2005: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30300-VI-32-b1.pdf.
6 “Onveranderd is de politie waakzaam en dienstbaar te zijn aan de waarden van de rechtstaat. Deze missie vervult de politie door afhankelijk van de situatie gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen.” Zie: www.politie.nl/over-de-politie/pijlers.html.
7 Zie: www.politie.nl/nieuws/2019/mei/27/00-politie-en-om-lanceren-app-voor-burgeronderzoek.html.

Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers en politieprocessen te veranderen naar co-creatie van veiligheid. De politie zoekt naar kaders voor de ondersteuning van wederzijdse behoeften. Tot op heden heeft de (wetenschappelijke) onderzoekswereld opvallend weinig gedegen belangstelling getoond voor de wijze waarop de politie reageert op en interacteert met deze zelfstartende opsporende burger (Duijf, 2018). Opgedane ervaringen kunnen ons iets leren over de gewenste samenwerking, onderlinge verhoudingen en verwachtingen, voor de toekomst. Een casus als illustratief voorbeeld:

De ‘wraakvader’ uit Helmond
‘Wanhopig was hij, omdat de politie maar niet in actie kwam. Dus spoorde bezorgde vader Mario H. de vermeende online belager, Jack S., van zijn dochter zelf op. Daar heeft hij nu spijt van. Eenmaal oog in oog met de man die het voorzien zou hebben op zijn kind escaleert de situatie volledig. Het Openbaar Ministerie vervolgt Mario voor poging tot moord op de vermeende belager Jack. Mario zou hem ernstig toegetakeld hebben met een sneeuwschep. Het is de climax van een periode van bijna twee weken waarin Mario actief naar Jack heeft gezocht.

[…] Begin januari 2017 wordt duidelijk dat de internetliefde van de 14-jarige dochter des huizes niet de tiener Jessie is, maar de 46-jarige ex-TBS-er Jack S. die zijn behandeling er net op heeft zitten. De man stuurt als Jessie rozen en chocolade naar de woning van het meisje. De ouders vertrouwen het niet en gaan op onderzoek uit, waaruit blijkt dat Jack achter de cadeautjes zit. Ze doen aangifte.

Via Facebook start vader Mario vervolgens ook een online zoektocht naar Jack S. Mario’s oproep wordt breed opgepakt. Regionale media schrijven erover en ook landelijke media hebben er aandacht voor. Tips op basis van de oproep “gezocht pedofiel” waarin foto en een kenteken worden getoond, stromen binnen. Het zijn er wel 800.

“Ik doe het niet alleen voor mijn dochters, maar voor alle meiden. Iedereen moet gewaarschuwd zijn”, zegt Mario in een van de verhoren tegen de politie. S. zou niet alleen zijn dochter online lastigvallen, maar ook andere meisjes, zo hoort hij. Mario rijdt zelf ook op meldingen af met het idee dat wanneer hij Jack ziet hij de politie kan inschakelen zodat zij in actie komen. “Ik heb diverse keren gebeld”, zegt hij.

[…] In een brief aan EenVandaag schrijft advocaat Jan Hein Kuijpers: “Uiteraard heeft mijn cliënt spijt van hetgeen hij deed. Dat heeft hij ook meerdere malen, op emotionele wijze geuit jegens zijn verhoorders. Hij had niet voor eigen rechter mogen spelen. Dat weet hij en hij zal zijn verantwoordelijkheid en de consequenties dragen. Mijn cliënt hoopt echter dat zijn daad wel heeft geleid tot het voorkomen van nieuwe lokpogingen en bedreigingen door dhr S. in de richting van andere jonge meisjes.”’8 Uit EenVandaag: https://eenvandaag.avrotros.nl/item/wraakvader-heeft-spijt-morgen-voor-derechter.

Mario H. handelde in de overtuiging dat hij het goede deed. Hij had niet het plan om te vervolgen, maar om op te sporen. Het OM pakt deze vorm van eigenrichting aan en noemt deze vorm van burgeronderzoek een ‘jacht’. Zanger Dean Saunders startte een crowdfundingsactie voor de ‘wraakvader’, die hij Super Mario noemde. Het opgehaalde geld kon H. gebruiken voor de schadevergoeding aan de man die hij heeft geslagen. Mario H. krijgt 4,5 jaar cel.

Hoe moet de politie omgaan mensen als Mario H., die zelfstandig onderzoekshandelingen verrichten, daarover contact zoeken met de politie, maar uiteindelijk terecht kunnen komen in een situatie van eigenrichting?

Komt een burgerspeurneus aan de balie

Er zijn diverse praktijkvoorbeelden en Duijf (2018) deed eerder onderzoek naar bovenstaande vraagstukken om het proces met betrekking tot burgeronderzoekers en politie in kaart te brengen. Een eerste bevinding uit dat onderzoek laat zien dat de politie primair terughoudend en met voorzichtigheid op burgers reageert die, nadat ze met een strafbaar feit werden geconfronteerd, zelf het initiatief namen om onderzoek te doen.

Door onbekendheid en wantrouwen weet de politie niet echt hoe ze om moet gaan met deze burgers en wil ze zo veel mogelijk zelf controle houden in het opsporingsonderzoek. De politie realiseert zich ook dat deze zelfstartende burgers niet makkelijk te stoppen zijn en dat ze mogelijk ook van positieve betekenis zijn voor een onderzoek. Daarnaast realiseert de politie zich dat enige mate van samenwerking hun invloed op het burgerinitiatief kan vergroten. Om deze redenen ontstaat er dikwijls wel enige verbinding tussen initiatiefnemende burgers en politie. Om het bewustzijn over onderzoek bij burgers te vergroten is het dan ook vaak de politie die aanstuurt op een gesprek over potentiële risico’s en consequenties. De politie probeert afspraken te maken over de wijze waarop burgers hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren, zodat zij invloed houdt op het proces. De mate van invloed die de politie wil hebben op burgers lijkt daarbij toe te nemen bij omvangrijke, gevoelige onderzoeken met significante impact. De zaak Anne Faber is hierin exemplarisch (Lam, Kop & Plancken, 2019). Deze mate van behoefte aan invloed lijkt vele mate hoger dan bij veelvoorkomende criminaliteit zoals diefstal van een fiets of telefoon. Bij dergelijke ‘kleine’ zaken adviseert de politie juist steeds vaker aan burgers om zelf op onderzoek uit te gaan, met alle risico’s van dien.

‘Dezelfde avond nog ontdekte het meisje dat haar zojuist gestolen fiets online te koop werd aangeboden. Ze belde 0900-8844 om aangifte te doen. Ze kreeg het advies van de politie om online aangifte te doen en een afspraak te maken met de verkoper om te controleren of het ook echt haar fiets was. Wanneer ze haar eigen fiets zou aantreffen, kon ze de politie terugbellen. Het meisje werd door de politie niet gewezen op eventuele risico’s.’ (Duijf, 2018)

Er kunnen diverse praktische vormen van de wijze waarop de politie reageert onderscheiden worden. Een van de meest primaire vormen wanneer burgers onderzoeksinitiatieven nemen, is informatiedeling. Dit is, ook nu nog, vaak eenrichtingsverkeer: van burgers naar politie. De politie heeft in de door Duijf (2018) onderzochte casussen waardevolle informatie gekregen die ook daadwerkelijk bijdroeg aan waarheidsvinding. Hierbij kampt de politie echter met twee vraagstukken. Enerzijds wil de politie burgers betrokken houden, maar doordat ze hun opsporingsinformatie dikwijls niet (mogen) delen, haakt de betrokken burger, door dit gebrek aan wederkerigheid, nog wel eens af. Anderzijds dient de politie er rekening mee te houden dat informatie bewust of onbewust gemanipuleerd kan zijn, bijvoorbeeld informatie afkomstig uit open bronnen. Dergelijke informatie dient vanzelfsprekend niet de betrouwbaarheid van het strafrechtelijk onderzoek in het geding te brengen en de politie moet een weg vinden om hiermee om te gaan.

Het wordt door de politie dan ook als erg moeilijk ervaren om te reageren, laat staan te anticiperen, op onderzoeksactiviteiten door zelfstartende burgers (Duijf, 2018). Deze burgers organiseren zichzelf razendsnel. Dit vraagt van de politie een grote mate van flexibiliteit, een mate die ze lang niet altijd niet gewend is. De politie organiseert zich immers niet zo snel als een fluïde burgerinitiatief dat zojuist is ontstaan op bijvoorbeeld Twitter. Dergelijke dynamiek kan snel uitmonden in honderden burgers die samen klaarstaan om te zoeken naar een vermist persoon, terwijl de politie nog bezig is om alles eerst in haar systeem vast te leggen. Daarnaast wordt informatie vliegensvlug online gedeeld, waardoor de politie alleen al door de snelheid en de hoeveelheid van informatiestromen wordt overweldigd.

Resultaat

Samenwerking in de praktijk
Hoe kan de politie beter omgaan met onderzoekende burgers en hoe kunnen politie en burger de bewijskracht en rechtvaardigheid zo veel mogelijk garanderen middels een vorm van samenwerking, waarbij ook wederzijdse verwachtingen worden waargemaakt?

Wat bleek uit het praktijkonderzoek in de proeftuin was dat zowel burgers (56%) als politie (67%) het overwegend een goed idee vinden dat burgers zelfstandig onderzoek doen. Net als bleek uit diverse expertsessies verwachtten ook de politiedeelnemers uit het onderzoek niet dat elke burger in staat zal zijn zelfstandig onderzoek te doen (slechts 35% verwacht het wel). Ook burgers twijfelen nog over hun eigen capaciteiten: niemand voelt zich goed in staat zelf onderzoek te doen, 60% is neutraal en 40% vind het afhangen van de situatie (type delict en beschikbare tijd) (TNO, 2019).

Uit expertsessies werd bovendien sterk betwijfeld of iedere burger wel zelfstandig onderzoek zou mogen doen en daarin samenwerking met de politie mag verwachten. Onder burgers en politie vindt ongeveer de helft (resp. 50% en 47%) dat iedere burger hetzelfde recht heeft zelf onderzoek te doen, terwijl anderen dit niet altijd (resp. 25% en 29%) of alleen onder bepaalde condities (25% en 24%) zouden toestaan (TNO, 2019).

De voornaamste motieven van burgers zijn ‘het gevoel er alles aan gedaan te hebben’ (31%), een ‘principekwestie’ (19%) en ‘een steentje bijdragen’ (19%). Verrassend genoeg zijn emotionele en financiële motieven in de minderheid (resp. 13% en 6%). Dat maakt de risico’s zoals eigenrichting wellicht iets kleiner, maar verwachtingen ten aanzien van een goede samenwerking en communicatie met politie zijn hoog. Burgers en politie ervaren als belangrijkste resultaat tevredenheid over het proces, de samenwerking en meer begrip voor elkaar. Betekenisvolle
afdoening (ofwel ‘afronding’) wordt door burgers als zeer belangrijk gezien, vooral als de kans op het terugvinden van het gestolen goed of de dader klein is (TNO, 2019).

Afwegingsmodel voor de praktijk
Om de ervaren kansen en risico’s bij burgeronderzoek zo goed mogelijk te kaderen geeft het afwegingsmodel in figuur 2 eerste handvatten voor de operationele interactie met burgeronderzoekers. Het model dient verder gevalideerd te worden door nieuwe toepassingen in de praktijk, niet alleen door expertbeoordelingen en een proeftuin rondom eenvoudige diefstal.

Het model doorloopt het proces van een burger die bij de politie komt en biedt zo veel mogelijk objectieve onderbouwing voor de beoordeling van agenten in diverse onderzoekssituaties. Een belangrijk principe is dat op basis van een transparant proces de politie de burger beter kan begrenzen, beschermen en bekrachtigen in de onderzoeksactiviteiten en optimaal rendement uit het onderzoek en de samenwerking kan halen voor beide partijen.

1. Is er sprake van een strafbaar feit?
De afweging of tot een samenwerking kan worden overgegaan, vangt aan wanneer een burger aangifte of melding doet van een strafbaar feit. Een strafbaar feit is een misdrijf of een overtreding zoals beschreven in respectievelijk Boek 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een vermissing is door experts nog genoemd als mogelijke uitzondering op deze regel.

2. Zijn er opsporingsindicaties?
Het is van belang om vast te leggen of en welke opsporingsindicaties al door de burger verzameld zijn. De opsporingsindicaties zijn aanknopingspunten voor het onderzoek. De politie kan het burgeronderzoek en de samenwerking op basis van deze indicaties in onderlinge afstemming in goede banen leiden of deze zelf gebruiken voor onderzoek wanneer zij het onderzoek overneemt van de burger.

3. Beoordeling van de bewijsvergaring
In het geval van opsporingsindicaties worden deze beoordeeld op (in) hoe(verre) deze indicaties aanknopingspunten zijn voor (vervolg)onderzoek door burgers of politie op basis van rechtmatigheid, risico-implicaties en kwaliteit. In het beste geval komt een burger met een ronde zaak bij de politie, waarin veilig en rechtmatig onderzoek is uitgevoerd en opsporingsindicaties zijn verzameld die voldoende kwalitatief (onder andere betrouwbaar) zijn voor vervolging: een ‘klip-en-klaar’-zaak. Dit zal echter niet altijd het geval zijn.

De recent ontwikkelde leidende principes burgeropsporing (Politie en Justitie, 2019) stellen dat van samenwerking geen sprake kan zijn indien de burger een strafbaar feit pleegt tijdens de bewijsvergaring, zoals hacken of chantage. Ook wanneer uit verzameld bewijs stevige risico’s blijken, is het onderzoeksbelang van de burger ondergeschikt aan de veiligheid.

Wanneer sprake is van een ronde zaak of wanneer sprake is van reële risico’s of problemen, wordt de zaak beoordeeld door het OM voor verdere besluitvorming en kan de samenwerking (tijdelijk) worden beëindigd. In andere gevallen wordt er in principe van uitgegaan dat meer (kwalitatieve) opsporingsindicaties verzameld  unnen worden. Vervolgens is het dan zaak om de objectieve geschiktheid van het delict voor burgeronderzoek vast te stellen.

4. Is het delict geschikt?
In beginsel wordt zo veel mogelijk de samenwerking opgezocht wanneer een burger aangeeft zelf onderzoek te willen uitvoeren, nog afgezien van de situatie en context. Veiligheid staat echter voorop (Politie & Justitie, 2019) en op basis van alleen al de aard van het delict kan er een (te) hoog risico zijn, bijvoorbeeld op represailles.

Van een aantal misdrijven is het al dan niet betrekken van burgers zelfs wettelijk vastgelegd, zie Boek 1, titel VA en titel VC van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierbij gaat het om voorlopige hechtenis (VH-)feiten (art. 67 Sv), waarbij (ook) sprake kan zijn van minimaal het beramen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband (art. 126o Sv), terrorisme (art. 126zt en 126zu), of waarbij gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert (art. 126h). Bij dergelijke delicten kan de officier van justitie betrokken worden in het eventuele samenwerkingsproces. Bijstand door burgers aan andere (potentieel risicovolle) feiten dan in Boek 1, titel VA en VC Sv is nog niet wettelijk geregeld. Wanneer vanuit de aard van andere strafbare feiten naar eigen inschatting risico’s blijken, dienen deze meegenomen te worden in combinatie met stap 5, 6 en 7.

5. Wat is de rol en het belang van de burger?
Na de vaststelling van de objectieve aard en ernst van het misdrijf is het zaak de rol, motivaties en het belang van de burger in de specifieke kwestie te onderzoeken. Het expliciet vaststellen van de aard van een misdrijf is van belang om een betere weging te kunnen maken van de mogelijke motivaties van burgers. Zo zijn er duidelijk verschillen tussen bijvoorbeeld vermogens- en geweldsdelicten of bijvoorbeeld afpersingszaken in wat dit zou kunnen betekenen voor de motivatie van betrokkenen om informatie te zoeken en/of te delen. Omdat het hierbij gaat
om de psychologische processen die van invloed (kunnen) zijn op de door de burger genomen beslissing(en), verschilt deze inschatting van de – sec juridische – beoordeling van het misdrijf. En hoewel deze processen (vooralsnog) in de objectieve, juridische, zin van het woord nog lang niet altijd een rol spelen in de (strafrechtelijke) overwegingen, dragen ze wel substantieel bij aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verkregen informatie. Zo is het een bekend gegeven dat onder hoge (mentale) druk, bijvoorbeeld veroorzaakt door een sterke emotionele betrokkenheid, het oog voor (potentieel relevante) details verloren gaat (Martin, McLeod, Périard, Rattray, Keegan & Pyne, 2019; Levine & Edelstein, 2009). Dat maakt dat de omstandigheden waaronder burgers informatie verzamelen mogelijk relevant zijn voor het op waarde schatten van de resultaten. Dit is overigens een effect dat ook opgaat bij ‘retrieval’ (een bewust opgeroepen herinnering)
wanneer er bijvoorbeeld door betrokkenen later verklaard moet worden (Gagnon, Waskom, Brown & Wagner, 2019; Quervain, Aernni, Schelling & Roozendaal, 2009).

De wetenschappelijke inzichten in dergelijke processen ontwikkelen zich snel. Ook gerelateerd aan persoonlijke factoren zoals motivatie, intenties en zelfs vooroordelen (met bepaalde, vaak onbewuste, vooringenomenheid naar informatie zoeken). De mogelijke praktische consequenties van deze psychologische processen voor de validiteit en betrouwbaarheid van verklaringen of anderszins aangeleverde informatie wordt soms door ‘schade en schande’ maar al te evident. De ontwikkeling van methodes om dergelijke factoren bij aangevers adequaat te kunnen beoordelen staat nog in de kinderschoenen en de beoordeling daarvan steunt daarom vooralsnog op de eigen professionele inschattingen. Voor agenten impliceert dit dat dergelijke factoren een rol (kunnen) spelen in het onderzoek en dat omstandigheden, motivaties en de relatie van de aangever tot het misdrijf mogelijk relevante informatie is die zou kunnen worden meegewogen in de samenwerking, mits objectief vastgelegd (‘ik hoorde dat aangever noemde dat hij de dader wil vinden’ in plaats van ‘aangever was wraakzuchtig’).

6. Wat is het onderzoeksniveau?
Aan de hand van alle genoemde factoren kan gekozen worden voor het bekrachtigen of begrenzen van de onderzoeksmethodieken voor de burger. Deze vorm van dienstverlening is erop gericht de burger handvatten te bieden voor het rechtmatig, veilig en betrouwbaar uitvoeren van onderzoek en dient daarom op zowel de burger als de situatie te worden afgestemd. Het is hier enerzijds van belang af te wegen of de burger dan wel de maatschappij gevaar loopt bij de (vervolg)uitvoering, anderzijds of bewijs zo kwalitatief mogelijk kan worden verzameld.

Wanneer het om politioneel (vervolg)onderzoek gaat, zijn drie factoren van belang, namelijk uiteraard de onderzoeksmogelijkheden die het delict biedt, de kennis en kunde van de burger, maar ook de politiecapaciteit om het burgeronderzoek binnen de wenselijke kaders te laten verlopen. Wanneer de capaciteiten van de burger niet direct helder zijn, kan in ieder geval een aantal basisonderzoeksmethoden aan de meeste burgers worden aangeboden, zoals deels ook al in de Mijn Onderzoek-app is gedaan. Denk aan het bijhouden van een logboek, het vastleggen van een situatie, een buurtonderzoek of een open-bronnenonderzoek. Deze methoden zijn relatief laagdrempelig en veilig uit te voeren.

Gezien de diversiteit in betrokkenheid en kennis en kunde van burgers is de verwachting dat burgers in verschillende mate een bijdrage kunnen leveren. Capaciteiten  van een burger kunnen delictspecifiek worden benut bij het onderzoek. Kennis en kunde kunnen gestoeld zijn op specifieke expertise, maar ook op ervaring met burgeronderzoek. De meest actieve en langstzittende leden van Bellingcat bijvoorbeeld zijn ook door schade en schande wijzer geworden in hoe ze het meest effectief kunnen bijdragen aan een onderzoek. De politie heeft op dit moment nog geen specifieke richtlijn voor het toebedelen van onderzoekmethodieken aan de hand van de capaciteiten van de burger. Het inschatten van het ‘onderzoeksniveau’ op beginner, gemiddeld of geavanceerd is vooralsnog een eigen inschatting van de agent.

7. Samenwerking?
Op basis van de eerdere stappen kan worden afgewogen op welke wijze de samenwerking wordt vormgegeven. De uitkomst van de voorgaande stappen is leidend bij het vormen van de start van een samenwerking. Wanneer het burgeronderzoek op basis van voorgaande stappen relatief veel risico’s meebrengt, dienen eerder meer afspraken gemaakt te worden, zal een indringend gesprek nodig zijn, moet worden afgezien van burgeronderzoek of kan zelfs strafrechtelijke vervolging een maatregel zijn, dan wanneer er weinig risico’s zijn.

De samenwerkingsbeoordeling gedurende het onderzoek is een continu proces. De stappen uit dit model worden dan ook meerdere malen gedurende het proces getoetst. Aan afspraken, of juist het niet nakomen daarvan door burgers, dienen consequenties te worden verbonden. De politie kan besluiten de samenwerking te continueren, de samenwerking bij te sturen of besluiten de samenwerking (tijdelijk) te stoppen. Stoppen is verplicht indien de veiligheid van de burger in het geding komt of als deze strafbare feiten pleegt tijdens het onderzoek (Politie & Justitie, 2019).

Essentieel bij de samenwerking is dat beide partijen op de hoogte zijn van de ‘spelregels’; de wettelijke (on)mogelijkheden van zowel burgers als politie om onderzoek uit te (doen) voeren. Het moet immers voorkomen worden dat de politie (on)bedoeld burgers inzet om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen. Eventuele onrechtmatigheid van de bewijsvergaring is dan terug te leiden naar de politie.

8. Afhandeling/opvolging?
Wanneer de burger het onderzoek als afgerond aanlevert, kan de politie beoordelen of de zaak daadwerkelijk kan worden afgehandeld. In dat geval kan de zaak doorgestuurd worden naar het OM. Ook is het mogelijk dat de politie beoordeelt dat meer bewijs is vereist of dat het onderzoek niet in het strafrechtdomein, maar in een ander rechtsdomein dient te worden voortgezet. De politie kan ervoor kiezen het onderzoek op basis van de huidige stand van zaken te beoordelen en deze eventueel weer terug te leggen bij de burger of zelf opvolging te geven aan het dossier.

Discussie: Wat kunnen we aanbevelen?

Door het beschikbaar komen van allerhande technische middelen en mogelijkheden kunnen burgers makkelijker en massaler dan voorheen strafrechtelijk relevante informatie verzamelen en onderzoeken. Er ontstaat hiermee ook een verandering in het verwachtingspatroon van de burger over politie en justitie. Men wil snelle opvolging door politie en vervolging door justitie. De praktijk van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt tegenwoordig echter nog (mede) gekenmerkt door schaarstemanagement, beleidskeuzes en lange doorlooptijden,
waarbij de communicatie of samenwerking met de burger soms niet of moeizaam verloopt. Hierdoor kunnen risico’s ontstaan en potentiële winsten worden misgelopen.

De overheid dient het potentieel van burgers te herkennen en erkennen. Participatie, zowel vormen van burgerparticipatie als van politieparticipatie, is gebaseerd op wederkerigheid en past in de trend van horizontalisering van verhoudingen tussen burgers en overheid (Cleiren, 2010). Rechtsstatelijkheid staat voor de politie en het Openbaar Ministerie daarbij altijd voorop, in iedere vorm van samenwerking. Niet iedere samenwerking is echter juridisch ingekaderd. De proeftuin zoals met de app ‘Mijn Onderzoek’ en eerder onderzoek naar casussen uit de praktijk van Duijf (2018) laten zien dat de politie wel meer kan leren (learning by doing) in de samenwerking met (zelfstartende) onderzoekende burgers. Meer ervaring opdoen met dit fenomeen helpt politie en justitie, maar ook burgers, waarin iedereen kan ontdekken hoe de samenwerking het beste vormgegeven kan worden om kansen te benutten en risico’s te beperken.

Er is meer empirisch onderzoek nodig om vast te stellen hoe burgers en de politie samen participeren in opsporingsonderzoeken, zeker waar dit verder gaat dan een enkel individu. Het wetenschappelijk onderzoek zou voornamelijk gericht moeten zijn op de praktische effecten van een meer participerende rol van de politie en een meer onafhankelijke rol voor zelfstartende onderzoekende burgers in het opsporingsonderzoek, waarbij aan wederzijdse behoeften kan worden voldaan.

Veel politieagenten weten niet hoe ze moeten reageren op burgers die op eigen initiatief starten met het onderzoeken van misdrijven. Voor burgers voelt het nu mogelijk niet transparant als zij in de samenwerking worden afgewezen. Richtinggevende kaders, zoals het gepresenteerde model dat daartoe een eerste aanzet geeft, kunnen politieagenten in de praktijk ondersteunen en voorzien daarnaast mogelijk ook in een meer eenduidige politionele attitude op dit domein. Het zou helpen om deze richtinggevende kaders verder door te ontwikkelen voor doe-hetzelf-burgeronderzoek. Het model bespreekt vooral het voortraject en gaat minder in op fasen van opvolging in het strafrechtdomein. Ook de opvolging in andere rechtsdomeinen behoeft nadere uitwerking. Met het model kan hopelijk gedeeltelijk worden voorkomen dat burgers wettelijke en ethische grenzen overtreden, dat er onnodig gevaarlijke situaties ontstaan en dat bewijs (al dan niet per ongeluk)
gemanipuleerd wordt. Daarnaast kan de politie burgers ook gidsen en ondersteunen in de wijze waarop ze hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren: begrenzen, beschermen en bekrachtigen. Burgers die zich mengen in politieonderzoeken en politie die zich mengt in burgeronderzoeken stelt echter nieuwe vragen aan het huidige beleid. Want op het snijvlak van burgerparticipatie en politieparticipatie ontstaan wezenlijk nieuwe dilemma’s voor de verhouding tussen overheid en samenleving.

Literatuur

  • Cleiren, C.P.M. (2010) Evolueren naar meer horizontale en multidimensionale verhoudingen in het strafrecht. Mechelen: Kluwer 2010.
  • Cornelissens, A. & H. Ferwerda (2010) Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • Dalkey, N. & O. Helmer (1963) An experimental application of Delphi method to the use of experts. Management Science, 9(3), 458.
  • De Quervain, D.J.-F., A. Aerni, G. Schelling & B. Roozendaal (2009) Glucocorticoids and the regulation of memory in health and disease. Frontiers in Neuroendocrinology, 30(3),
    358-370. doi: 10.1016/j.yfrne.2009.03.002.
  • De Vries, A. (2015) Moderne Sherlock zit in ons allemaal [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/moderne-sherlock-zit-ons-allemaal.
  • De Vries, A. (2018) Opsporen? Doe het zelf! [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/opsporen-doe-het-zelf.
  • De Vries, A. & F. Smilda (2014) Social Media: het nieuwe DNA. Amsterdam: Reed Business Education.
  • De Vries, A., M. Steen, A. Stoter, K. Brouwer, M. den Hengst & C. Nevejan (2016) BART! Rapport: resultaten uit fase 2C. Geraadpleegd op 6 januari 2020 op www.bartportal.nl/
    documents/samenvatting-concrete-resultaten-fase-2c-ha-v-09.
  • Denef, S., A. de Vries, K. Hadjimatheou, A. Roosendal, H. van Vliet, M. Cecowski, J. Diego, R. Fernández, K. Hadjimatheou, J. Coaffee, E. Kermitsis, N. Moustakidis, K. Tani,
    P. de la Torre & F. Williamson (2017) DIY Policing. European Union: Medi@4sec.
  • Duijf, S. (2018) Modern Sherlock Holmes. How will the police respond? A multiple case study into forms of police participation in citizen criminal investigation. Apeldoorn: Canterbury Christ Church University en Politieacademie.
  • Gagnon, S.A., M.L. Waskom, T.I. Brown & A.D. Wagner (2019) Stress Impairs Episodic Retrieval by Disrupting Hippocampal and Cortical Mechanisms of Remembering. Cerebral cortex, 29(7), 2947-2964. doi: 10.1093/cercor/bhy162.
  • Higgins, E. (2016). Finding truth in a post-truth world | Elliot Higgins | TEDxAmsterdam [YouTube]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op TEDxAmsterdam: www.youtube.com/watch?v=mozxTk3Brqw.
  • Kerstholt, J.H., A. de Vries, R. Mente & M. Huis in ’t Veld (2015) Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking. Tijdschrift voor Veiligheid 0304(14). doi: 10.5553/TvV/1872794820150140304005.
  • Lam, J., N. Kop & C. Plancken (2019) Burgerparticipatie: leren van de zaak van Anne Faber. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.websitevoordepolitie.nl/coverstoryburgerparticipatie-leren-van-de-zaak-anne-faber.
  • Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde (2007) Meer heterdaadkracht: ‘Aanhoudend in de buurt’. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/42929.pdf.
  • Levine, L.J. & R.S. Edelstein (2009) Emotion and memory narrowing: A review and goalrelevance approach. Cognition and Emotion, 23(5), 833-875. doi: 10.1080/02699930902738863.
  • Martin, K., E. McLeod, J. Périard, B. Rattray, R. Keegan & D.B. Pyne (2019) The Impact of Environmental Stress on Cognitive Performance: A Systematic Review. Human Factors, 61(8), 1205-1246. doi: 10.1177/0018720819839817.
  • Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie, M. Thaens & P. Siep (2012) Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • N.N. (2017) Naar een toekomstbestendige opsporing en vervolging, Koersdocument. Geraadpleegd op 27 januari 2020 op https%3A%2F%2Fwww.regioburgemeesters.nl%2Fsave419%2F&usg=AOvVaw1zadEfcnxrHzOyzd00nenD.
  • Ono, R. & D.J. Wedemeyer (1994) Assessing the Validity of the Delphi Technique. Futures, 26(3), 289-304.
  • Politie (2018) Ontwikkelagenda Opsporing. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/11/16/tkbijlage-hoofdlijnenversie-ontwikkelingagenda-opsporing/tk-bijlage-hoofdlijnenversieontwikkelingagenda-opsporing.pdf.
  • Politie & Justitie (2019) Leidende principes Burgeropsporing [intern document].
  • Schreurs, W. (2019) Crossing lines together: how and why citizens participate in the police domain. Enschede: University of Twente. doi: 10.3990/1.9789036548496.
  • TNO (2019) Enquêteresultaten Mijn Onderzoek [intern document].
  • Van der Graaf, A. (2019) Luistermoord: De podcast als opsporingsmiddel. Blauw magazine, 5.
  • Van der Meulen, S. (2018) Undercover met politie – Vrije Vogels [vlog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.youtube.com/watch?v=e_Nu5Jx15PU.
  • Van Erp, J.G., F. van Gastel & H.D. Webbink (2012) Opsporing verzocht. Een quasi-experimentele studie naar de bijdrage van het programma Opsporing Verzocht aan de oplossing van delicten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap.

Boer en burger schieten politie te hulp bij rellen

Boeren, buurtwachten en voetbalfans: allemaal stonden ze opeens klaar om de politie te helpen bij het bedwingen van de rellen. Is dat een goed idee?

Hulp bij het beheersen van de rellen kwam dinsdagavond uit onverwachte hoek. In Zwolle en Doetinchem meldde zich een groep boeren bij de politie om te vragen of de straten niet met
trekkers geblokkeerd hoefden te worden. Handig, want zo komt geen relschopper er meer in of uit. En in Maastricht liepen honderden voetbalsupporters in een optocht door de straten om
‘de stad te beschermen’. Ook in onder andere Alkmaar, Tilburg en Nijmegen gingen voetbalsupporters de straat op. Het hulpaanbod is opvallend, want voetbalsupporters en boerenactivisten staan niet bekend als de grootste vrienden van de politie. Zo werd Thijs Wieggers, voorman bij Farmers Defence Force, afgelopen zomer nog gearresteerd tijdens een boerenactie. Woensdag bood hij echter zijn diensten aan. “We laten het land niet slopen”, zei hij tegen het ANP.

Burgemeesters reageerden woensdag met waardering op de voorstellen, maar namen deze niet aan. Alleen Emile Roemer, de burgemeester van Alkmaar, sprak zijn lof uit over hoe AZsupporters
samen met wijkagenten de stad hadden ‘beschermd’.

Anonimiteit relschoppers opheffen
Alleen als mensen het geweldsmonopolie van de politie respecteren, is meehelpen mogelijk, stelt Jerôme Lam, wetenschappelijk onderzoeker bij de Politieacademie. “Voor alle groepen geldt: sommige taken zijn gewoon van de politie, zoals ordehandhaving. Daar kun je gewoon niet mee helpen. Er moeten geen knokploegen ontstaan. Of een soort burgerwacht, zoals je sommige bewoners van getroffen wijken zag doen.”

Zijn collega, lector politieacademie Nicolien Kop, benadrukt dat er genoeg andere manieren zijn om de politie te helpen met rellen tegengaan. “Sommige mensen hebben echt een voorbeeldfunctie binnen bepaalde groepen. Het helpt als sleutelfiguren duidelijk maken dat rellen niet stoer is.” Ook kunnen burgers helpen met het ‘weghalen van de anonimiteit van relschoppers’. “Niet alleen door filmpjes en foto’s op te sturen, maar ook bijvoorbeeld door als ouder, docent of buurman jongeren aan te spreken.” Waar komt de wens om te helpen ineens vandaan? Kop heeft wel
een verklaring. “De maatschappelijke betrokkenheid is groot op dit moment. We zitten midden in een pandemie en iedereen probeert er het beste van te maken. Wanneer relschoppers dan moedwillig dingen kapotmaken, vinden we dat extra erg. Dat roept het gevoel op: dit is niet de samenleving die we willen.”

Burgers nemen vaker initiatief
Volgens haar collega Lam vinden mensen het bovendien juist nu fijn om zich onderdeel van een groep te voelen. “In tijden van crisis gaan mensen zich ook juist meer identificeren met een groep waar ze bij horen. Dat kan ook de plek zijn waar ze wonen of vandaan komen.” Dat burgers graag de politie willen bijstaan komt de laatste jaren ook steeds meer voor. Kop: “Burgers kunnen de laatste jaren steeds meer, met hun telefoon en met internet. Ze nemen inderdaad ook vaker het initiatief, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de zaak-Anne Faber. Dat moet je als politie omarmen, al zal je ook een weg moeten vinden om de juiste taken voor burgers te vinden.”

Harde kern die zorgt voor veiligheid, dat voelt vreemd
,,Hun optreden heeft denk ik aardig preventief gewerkt. Als twintig, dertig relschoppers de beelden van de honderden voetbalsupporters zien die uitstralen ‘dit is onze stad, dit laten we niet toe’, dan bedenken ze zich wel”, zegt socioloog Jaap Timmer van de Vrije Universiteit, onderzoeker naar geweld tegen politie. Hij noemt de actie voor herhaling vatbaar. ,,Ik vind het een prachtig signaal dat hun chauvinisme zich niet beperkt tot de club, maar ook afstraalt op de stad. Hier kunnen we als samenleving verder. Hier wordt aangegeven dat dit gaat om onze stad, onze ondernemers en onze winkels, waar wij klant zijn. Als mensen dat sentiment hebben, prima. Het mag zelfs breder. Maar het moet niet gewelddadig worden.”

Burgers schieten de politie al langere tijd en in toenemende mate te hulp, signaleert Arnout de Vries, specialist bij TNO in burgeropsporing. Bijvoorbeeld bij zoekacties naar vermiste personen. De groeiende burgerinzet is „een signaal” dat de politie tekortschiet. Met het tegenhouden van relschoppers, is volgens de TNO-deskundige normaal gesproken buiten de avondklok niet veel mis. Burgerinzet brengt echter ook risico’s met zich mee. „Onder groepen met goede bedoelingen bevinden zich altijd mensen die uit sensatie wel een klap willen uitdelen.” Het is niet een taak van burgers om relschoppers aan te pakken. „Burgers zijn niet opgeleid om de-escalerend op te treden”, verklaart de TNO-deskundige. „Zij gebruiken eerder hun postuur of vuisten als wapen in plaats van hun mond. De politie is getraind in de-escalerend optreden. We hebben niet voor niets de ME.” Toch snapt De Vries als bijvoorbeeld een ondernemer in actie komt als zijn winkel wordt geplunderd. „Dat mag ook. Dankzij het burgerarrest mogen burgers relschoppers of vandalen staande houden.” Regels zijn echter onduidelijk. De huidige inzet van bijvoorbeeld voetbalsupporters of Hell’s Angels, die zelf vaak niet vies zijn van rellen en vernielingen, voelt „ongemakkelijk”, geeft De Vries aan. „Je weet nooit wat die bij zich hebben.” Het gevaar is „heel groot” dat groepen burgers lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. „Op sociale media zien we dit al.” De burgemeester van Eindhoven sprak al over een burgeroorlog. „De toenemende polarisatie dwingt mensen ergens voor of tegen te zijn. Het kan zijn dat groepen echt slaags raken met elkaar.” De politie „waardeert” het aanbod van burgers bij de aanpak rellen, zegt politiewoordvoerder Sherlo Esajas van de Landelijke Eenheid. „Een goed bedoeld gebaar, een steuntje in de rug.” Burgers helpen de politie echter het beste door zich aan de regels en de avondklok te houden, benadrukt de woordvoerder. „De politie heeft de hulp niet nodig.”

Hoe moeten we hiermee omgaan?
,,Natuurlijk voelt dit even ongemakkelijk, ook voor de politie”, zegt Jaap Timmer. ,,Maar dit is de samenleving. Het wijst ons erop dat supporters ook mensen zijn met sentimenten en dat onze
beelden van hen vaak niet terecht zijn. En gemeenten kunnen dit gebruiken als een mooi voorbeeld van elkaar aanspreken en corrigeren, niet alleen in coronatijd. Want door het wegvallen van de verzuiling is er geen mechanisme meer van sociale controle en correctie. Als voetbalsupporters dat doen, prima. Maar wel in alle redelijkheid en binnen de wet.” Brouwer zou het mooi vinden als veel andere burgers zich bij de voetbalfans aansluiten. Hij gelooft niet dat het optreden van de Angel-Side aantoont dat we voor de handhaving afhankelijk zijn geworden van anderen dan de politie, ook al leek het erop dat de politie het maandagavond niet overal meteen aankon. ,,Stel je voor dat we dit toelaten? Dan denken ze dat ze bij de eerstvolgende voetbalwedstrijd ook de orde kunnen handhaven. Maar je kunt er geen bezwaar tegen hebben als burgers ergens postvatten, zolang ze zich aan de avondklok houden. Het gebeurt vaker dat burgerwachten of buurtvaders voor veiligheid zorgen waar de politie dat niet kan. Maar dit was geen burgerwacht die de taak van de overheid overneemt. Dit was een erekwestie, ze waren in hun trots gekrenkt dat anderen hun stad wilden aanvallen.”

Bronnen: Trouw, De Limburger, Reformatorisch Dagblad

Boeven vangen met slimme burgers

Met burgeropsporing is meer mogelijk dan wordt gedacht, blijkt uit een eerder dit jaar gehouden FASTNL Hackathon. Deskundigen van binnen en buiten de politie beten zich vast in 85 zaken met voortvluchtige veroordeelden.

Op 21 januari 2020 vond op de militaire kazerne in Wezep de FASTNL Hackathon plaats. Het doel was het opsporen van voortvluchtige criminelen. Er werd specifiek gezocht naar personen die
onherroepelijk veroordeeld zijn en minimaal driehonderd dagen celstraf moeten voldoen, maar nog niet zijn aangehouden. De 86 deskundigen op het gebied van Open Source Intelligence (OSINT) van binnen en buiten de politie beten zich tijdens deze hackathon vast in 85 zaken die door het Fugitive Active Search Team Nederland (FASTNL) van de Dienst Landelijke Recherche (DLR) werden aangeleverd.

1. Innovatief
De hackathon is een van de innovatieve ideeën uit de koker van de beweging BlueM binnen de politie. Geïnspireerd door de documentaire ‘Truth in a posttruth world’ organiseerden zij begin 2019 een Osint­challenge en een masterclass met Bellingcat­oprichter Eliot Higgins. Het succes van deze challenge en het BlueM­motto ‘DURFTEDOEN, DURFTEFALEN’ leidden een halfjaar later tot
de Coldcase Hackathon, waarbij honderd Osint­experts van binnen en buiten de politie aan de slag gingen met coldcases, vermissingen en voortvluchtigen. Vooral het opsporen van voortvluchtigen bleek zich te lenen voor publiek­private samenwerking. Het succes van de dag leidde direct tot een volgende hackathon, nu volledig gericht op FASTNL­zaken.

2. Cocreatie
Traditioneel wordt binnen de politie gebruik gemaakt van burgerparticipatie: burgers helpen de politie door bijvoorbeeld het geven van informatie. De laatste jaren is er ook een beweging naar politieparticipatie zichtbaar, waarbij de politie burgers ondersteunt bij het organiseren van hun eigen veiligheid. De hackathon gaat nog een stap verder en kan worden gezien als de ultieme vorm van samenwerking, namelijk cocreatie. Burgers en publiek­private partijen werken gelijkwaardig samen bij het opsporen van voortvluchtigen. Voor de politie creëert deze samenwerking kansen voor de toekomst: naast extra capaciteit bieden deze partijen kennis, expertise en ervaring die de politie niet altijd zelf tot haar beschikking heeft.

3. Open bronnen-onderzoek
Het werkzame mechanisme van de hackathon is Osint, oftewel open source intelligence. De kracht van Osint komt voort uit een samenleving die volop in beweging is. Technologische ontwikkelingen maken dat mensen sterker dan ooit (digitaal) met elkaar verbonden zijn. Via internet hebben ze toegang tot grote hoeveelheden informatie, tools en vaardigheden. Tegelijkertijd laten mensen ook steeds meer sporen achter in de digitale wereld, bijvoorbeeld via sociale media of apps zoals Strava. Open bronnen­onderzoek is een waardevolle aanvulling op traditionele opsporingsmethoden en kan veelal door burgers zonder bijzondere opsporingsbevoegdheid worden uitgevoerd.

4. Privacy
Het voornaamste obstakel om als politie met burgers en publiek-private partijen samen te kunnen werken heeft betrekking op de privacyregelgeving. Om het delen van gegevens juridisch mogelijk
én WPG-proof te maken, werd door de dienstleiding van de DLR onder een aantal strikte voorwaarden, waaronder een ondertekende geheimhoudingsverklaring, autorisatie verleend om
ten behoeve de hackathon informatie te delen. Op dit moment wordt door BlueM, FASTNL, het OM en de Gegevensautoriteit gewerkt aan een leidraad gegevensvertrekking ten behoeve van
burgerparticipatie en publiek-private samenwerking in de opsporing.

5. Opbrengsten
Om 20.00 uur ’s avonds werd een voorlopige balans opgemaakt. Een inventarisatie onder de acht gelegenheidsteams leverde de volgende resultaten op:

  • 6 traceringen van personen op landniveau,
  • 12 traceringen van personen op plaatsniveau,
  • 15 traceringen van personen op adresniveau,
  • 2 personen bleken in het buitenland te zijn gedetineerd, en
  • 1 persoon bleek in het buitenland te zijn overleden.

De hackathon illustreert de kracht van zowel Osint-onderzoek als publiek-private samenwerking. Om 17.14 uur was de eerste aanhouding een feit. In de dagen daarna volgden als direct gevolg van de hackathon nog eens 10 aanhoudingen.

In de overige onderzochte zaken heeft de hackathon geleid tot een verbeterde informatiepositie. Door het vervolgens inzetten van opsporingsmiddelen konden nog enkele aanhoudingen worden
verricht. De verwachting is dat er in de loop van het jaar meer aanhoudingen zullen volgen.

6. Nieuwe kennis ontsluiten
Het effect van de hackathon reikt verder dan de resultaten van de individuele opsporingsonderzoeken. Uit de evaluatie blijkt dat de grootste waarde vestond uit de gelegenheid voor deelnemers om kennis te delen, te leren van elkaars werkwijzen en om te netwerken. De hackathon kan worden gezien als werkwijze om nieuwe kennis en contacten voor de politie te ontsluiten, (gelegenheids)
coalities te vormen en verbonden te zijn bij actuele, voor de opsporing relevante, maatschappelijke ontwikkelingen.

Altijd bij oma beginnen
Criminelen zijn meestal voorzichtig op internet. Over de gezochte persoon zelf is daarom zelden iets op naam te vinden. De directe omgeving daarentegen is vaak minder alert. Het loont dan ook om het netwerk rondom de persoon in kaart brengen: vader, moeder, partner, kinderen en medeverdachten. Een gouden regel binnen Osint: oma’s plaatsen altijd foto’s van hun kleinkinderen. Zo was er een oma die onder haar eigen naam een Facebook-account had. Hierop had zij nietsvermoedend enkele foto’s van haar kleinkinderen geplaatst. Deze leidden naar de social media-accounts van de kleinkinderen. Op een aantal Instagram-posts van de kleinzoon was een opvallende dure auto te zien. Het uitvergroten van een van deze foto’s toonde een persoon die voldeed aan
het signalement van de gezochte persoon. Een aantal foto’s konden onderzoekers vervolgens ‘geolocaten’ met behulp van open bronnen zoals Google Maps. Deze plekken werden gematcht met locaties van bedrijven en horecagelegenheden die op social media geliket werden door het netwerk van de gezochte persoon. Hierdoor werd een waarschijnlijke verblijfplaats gevonden in het buitenland. Op satellietbeelden was op de parkeerplaats niet alleen de vermoedelijke auto te zien, zelfs de bandensporen waren zichtbaar.

Door: Jerôme Lam (wetenschappelijk onderzoeker, Politieacademie), Nicolien Kop (lector Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde), Arnoud de Bruin (BlueM, aanjager aanpak cyber (enabled) crime, Eenheid Amsterdam), Stef de Jonge (teamleider FASTNL, Landelijke Eenheid).

[slideshare id=238231179&doc=lamkop2020fastnlhackathon20200121-200825130609&type=d]

Bron: Tijdschrift voor Politie

Co-productie van burgers in opsporing van internationale kindermisbruikzaken

Naam: Hanna Mohn
Scriptie: Citizen co-production in international investigations of child sexual abuse cases
Studie: Master Crisis & Security Management (Leiden)
Werkt: als consultant Security & Justice bij Ecorys NL

Ze worden wel ‘digital sherlocks’ genoemd, de wereldwijde vrijwilligers die voor Europol speuren naar de herkomst van objecten op kinderpornografisch beeldmateriaal. Spullen als een boiler, een fles of een schooluniform kunnen aanwijzingen gevenvan de locatie en identiteit van daders en slachtoffers. De van oorsprong Duitse onderzoekster Hanna Mohn schreef er een masterscriptie over. “De impact van deze vorm van criminaliteit is groot. Steeds als materiaal opnieuw wordt verspreid, worden deze kinderen opnieuw slachtoffer.”

Europol legde de deelnemers verschillende fragmenten voor uit beeldmateriaal van coldcases. Op basis van de 23 duizend tips van vrijwilligers werden minstens negen slachtoffers geïdentificeerd en twee daders vervolgd.

Hanna Mohn analyseerde de samenstelling en kenmerken van de vrijwilligers. De motivatie blijkt zeer divers: van empathie voor de jonge slachtoffers tot pure speurlust naar geo-data.
Op het grote aantal reacties en het eigen initiatief van deelnemers (sommigen deelden het ook gevoelige informatie) lijkt Europol niet helemaal voorbereid. Het geven van feedback kon volgens de vrijwilligers dan ook beter. Maar deze minpunten zijn onbeduidend vergeleken met de winst. “Alles is beter dan een onderzoeksteam dat besluit een zaak onverrichterzake te sluiten.”

Lees of download het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238977063&doc=mohnthesis1-201026131648&type=d]

Bron: Website voor de politie