SocialMediaDNA richt zich op kennisdeling rondom social media, politie en maatschappelijke veiligheid. Onderwerpen vari?ren van de online aspecten van openbare orde, opsporing, vervolging, rechtspraak tot crisisbeheersing en communicatie.
Opsporing is niet langer het exclusieve domein van de overheid. Iedereen die dat zou willen kan een bijdrage leveren. Maar hoe kunnen politie en burger(organisaties) samen onze veiligheid en rechtvaardigheid garanderen? En hoe worden wederzijdse verwachtingen in deze samenwerking waargemaakt? Het nieuwe TNO handboek ‘Eerste Hulp bij Opsporing – Handboek Burgerdetectives’ biedt hulp.
v.l.n.r: Fred Westerbeke (politie), Shanna Wemmers (TNO) en Arnout de Vries (TNO)
De burgerdetectives
Is er sprake van een overheid die burgers betrekt (burgerparticipatie) of van burgers die de overheid betrekken bij misstanden (overheidsparticipatie)? Steeds meer burgers en organisaties onderzoeken misdrijven zoals bijvoorbeeld een fietsendiefstal, ondermijning of oorlogsmisdrijven in Oekraïne en Afghanistan. Deze ontwikkeling is niet te stoppen en wordt aangejaagd doordat data en informatie via sociale media en apps eenvoudig toegankelijk zijn.
Samenwerking essentieel?
TNO doet hier onderzoek naar. En wat blijkt? Burgers hebben niet alleen behoefte aan begeleiding maar men verwacht ook iets terug. Bijvoorbeeld bij een strafzaak. Daarnaast vragen politie en justitie zich af hoe men meer gebruik kan maken van de capaciteit, kennis en kunde vanuit de maatschappij? En hoe aan te sluiten op deze initiatieven? Wat zijn de kansen en wat zijn de risico’s? En hoe ga je daarmee om?
Praktisch toepasbaar
Al deze vragen komen aan bod in het handboek die hulporganisaties kunnen gebruiken om burgerinitiatieven te begeleiden en te ondersteunen. Hierbij gelden de wettelijke regels en politie en het Openbaar Ministerie kunnen aangeven wat de grenzen zijn in de samenwerking met opsporende burgers en het gebruik van informatie die van burgers afkomstig is. Eigenrichting dient te worden voorkomen, in dergelijke gevallen is vervolging van burgeropspoorders die strafbare feiten plegen of andere fundamentele belangen schenden die relevant zijn voor het strafproces, mogelijk. Zo zal de overheid burgers kunnen bekrachtigen waar dat kan, begrenzen waar dat moet en zich inzetten om de veiligheid van alle betrokkenen te beschermen.
In het handboek komen 24 onderzoeksmethodieken aan bod. Deze zijn vanuit de opsporingspraktijk van de politie vertaald naar de praktijk van de burgerrechercheur. De toelichtingen op de methodieken worden gegeven aan de hand van een voorbeeldmisdrijf.
Eerste Hulp bij Opsporing, Handboek Burgerdetectives
Het door TNO ontwikkelde handboek is een kennisbundel gericht op burgers, organisaties en beroepsgroepen die hulp bieden aan slachtoffers van misdrijven. Denk hierbij aan politie, gemeenten, verzekeraars, advocatuur, onderzoeksjournalisten, particuliere recherchebureaus of vrijwilligersorganisaties”.
‘Stop met pedojagen!’ riepen politie en justitie na de fatale mishandeling van de 73-jarige Jan in het Arnhemse Spijkerkwartier. Een jaar na dato blijkt het fenomeen voor het brede publiek naar de achtergrond verdwenen. Maar het bestaat nog wel. ‘Het gebeurt wat meer verspreid, in de luwte.’
Als hij een belletje krijgt met de boodschap dat vanavond een confrontatie wacht, maakt hij daar wel even tijd voor. Maar de 38-jarige Utrechter, die vorig jaar oud-voorzitter Harrie Derks van de Groesbeekse voetbalclub Achilles’29 opwachtte, doet het nu even wat rustiger aan.
,,Ben pas weer vader geworden van een baby’tje”, zegt Dennis, die niet met zijn achternaam wil reageren. ,,Mijn vrouw deed normaal gesproken altijd het lokken, maar die kan er ook niet zo goed meer tegen, joh. Van de week ben ik nog even online geweest en het blijft hetzelfde. Als ik wil, kan ik nog iedere dag een afspraakje regelen.”
Dat deden hij en andere leden van zijn groep veelvuldig door zich digitaal voor te doen als minderjarige. Volwassen mannen die een afspraak voor seks zouden willen, confronteerden zij op locatie. ,,Ik heb zelf kleine kinderen die je ervoor wilt behoeden”, verklaart Dennis. ,,En de straffen in dit land zijn gewoon een lachertje, joh.”
Alleen al in Arnhem in drie weken tien mannen de klos
De zaak rond Derks, die door het Openbaar Ministerie (OM) werd geseponeerd om een gebrek aan bewijs na een verdenking van ‘grooming’, was één van de vele voorvallen met zogenoemde pedojagers die eind 2020 op het bordje van politie en justitie terechtkwam.
Het wemelde in die periode van de Nederlanders die ‘pedofielen ontmaskerden’ en hun confrontaties online deelden. Alleen al in Arnhem waren in oktober in amper drie weken tijd tien mannen de klos. Ze werden naar het Sonsbeekpark of de Rijnkade gelokt. Eén keer werd een voorbijganger aangezien voor de prooi van een chatafspraak, waardoor de ‘verkeerde’ werd gepakt. In heel het land telden de opsporingsinstanties over de 250 incidenten in een tijdsbestek van enkele maanden.
Op woensdagavond 28 oktober 2020 bleek in het Arnhemse Spijkerkwartier hoe gigantisch fout een pedojacht kan aflopen. De 73-jarige Jan dacht via het internet een afspraak te hebben gemaakt met een jongen van 15 jaar. In plaats daarvan wachtte een groep tieners uit Arnhem en omgeving hem op bij de supermarkt in het Spijkerkwartier. Even verderop, vlak voor zijn woning in de wijk, werd Jan het slachtoffer van zware mishandeling. Hij overleed aan een hersenbloeding.
Dringende oproep
Politie en het Openbaar Ministerie namen na de tragische gebeurtenis in heldere bewoordingen afstand van het pedojagen, ook wel pedohunten genoemd. Ze maakten zich zorgen over de manier waarop vermeende kindermisbruikers werden mishandeld, bedreigd of aan de schandpaal werden genageld. ‘Stop met pedojagen!’ luidde de dringende oproep.
In groepen op sociale media met namen als ‘Pedohuntnl’ en ‘PedofielenJagers Nederland!’ verschenen op een gegeven moment om de paar uur wel nieuwe gefilmde ontmaskeringen. Inmiddels dateren de laatste van dat soort berichten soms van maanden geleden. Andere groepen zijn helemaal opgeheven.
Verschijnsel komt nog voor
“Met oplettende burgers is niks mis, zolang ze zelf niet aan uitlokking doen. Als je nu zelf een account aanmaakt als minderjarige, schrik je je ook een hoedje” – Arnout de Vries, onderzoeker TNO.
Of de oproep ervoor heeft gezorgd dat pedojagers weer van het publieke toneel zijn verdwenen, durft Oscar Dros een jaar later niet te stellen. De hoogste politiebaas van Oost-Nederland is er in ieder geval blij mee dat het verschijnsel niet meer zo alom aanwezig is.
Arnout de Vries van onderzoeksinstituut TNO, die zich al jarenlang bezighoudt met sociale media en burgeropsporing, vermoedt net als Dros dat vooral een combinatie van factoren daar een rol bij heeft gespeeld. ,,Een aantal eigenaren van groepen is echt persoonlijk aan huis bezocht door de politie, waardoor sommigen wel moesten stoppen”, zegt hij. ,,En er zijn best veel aangiftes gedaan door vermeende pedoseksuele mannen. De media-aandacht daarvoor kan angst hebben ingeboezemd bij de pedojagers zelf.”
Ook sluit hij niet uit dat de mishandeling met dodelijk afloop in het Spijkerkwartier invloed heeft gehad. ,,Het is een van de zaken die destijds in de publiciteit is gekomen. In dit geval ging het om een oudere man. Het zijn vaak dergelijke karakteristieken waardoor mensen zeggen: dit gaat echt te ver.”
Dat betekent niet dat pedojagen helemaal niet meer voorkomt, zegt De Vries. ,,Het probleem liet zich vorig jaar natuurlijk zien door de grote aantallen mensen in groepen op sociale media. Nu gebeurt het wat meer verspreid, in de luwte.” Exacte cijfers kan hij niet geven, omdat er volgens hem bijvoorbeeld veel verschillende besloten groepen bestaan waar hij niet altijd weet van heeft.
Niet alles meer gedeeld op sociale media
Dennis, voor wie pedojagen nu op een lager pitje staat, geeft aan dat ook niet alle confrontaties meer op sociale media worden gedeeld. Hij weet dat het in sommige gevallen bij ‘een paar kletsen’ blijft, om vervolgens weer te vertrekken. ,,Het heeft weinig nut de politie te bellen. Wij hebben er 64 gepakt, van wie er nu drie tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld.” Zelf opgepakt worden, wat hem naar eigen zeggen een paar keer is overkomen, ziet hij ook niet meer zitten. ,,Als ik dan de volgende dag op mijn werk moet verschijnen en niet eens even fatsoenlijk kan afbellen, heb ik daar alleen m’n eigen mee.”
Onderzoeker De Vries benadrukt dat hij eigenrichting niet goed wil praten, maar betreurt het wel dat een kloof tussen de politie en ‘burgerrechercheurs’ is ontstaan. Hij pleit voor een beleid waarbij het voor mensen duidelijk is hoe zij bewijsmateriaal over een vermoedelijke pedofiel moeten aanleveren en zij snel steun van de politie kunnen krijgen. Ook hulpinstanties voor mensen met pedoseksuele gevoelens zouden daar betrokken bij moeten worden.
,,Met oplettende burgers is niks mis, zolang ze zelf niet aan uitlokking doen. Als je nu zelf een account aanmaakt als minderjarige, schrik je je ook een hoedje”, verklaart De Vries. ,,Maar je moet mensen niet naar de frontlinie sturen en dat is wel wat eigenlijk gebeurt. ‘Als de politie het niet doet, doen wij het zelf wel’, denken ze.” Met het mogelijke gevolg dat de politie niet één, maar twee zaken krijgt waar die aandacht aan moet besteden: een zeden- én een geweldszaak, stelt De Vries. Georganiseerde groepen met wapens, eigen uniformen ‘en soms zelfs honden’ moeten agenten volgens hem vooral wél hard blijven aanpakken.
Heldere normen nodig
Of pedojagen ooit nog zoveel aandacht trekt als een jaar terug, vindt De Vries moeilijk te voorspellen. Al zou de geest zo maar weer uit de fles kunnen komen als bijvoorbeeld een bekende Nederlander ermee in het nieuws komt, denkt hij. Zijn uitleg: online groepen in relatieve ‘slaapstand’ kunnen zo weer in de actieve stand schieten.
Mariëtte van Huijstee van onderzoeksorganisatie het Rathenau Instituut, die meeschreef aan een rapport over schadelijk en immoreel gedrag op het internet, vertelt dat er in ieder geval wel wat aan gedaan kan worden om een nieuwe hype te voorkomen. Kenmerken van het internet als anonimiteit en het snel kunnen vinden van gelijkgestemden, maken het naar haar zeggen mogelijk dat iets als pedojagen in rap tempo kan ontsporen.
Voer onder meer op school, de sportclub en in media daarom gesprekken over digitale normen en verhelder die, betoogt Van Huijstee. ,,Vinden wij het toelaatbaar dat iemand zich voordoet als een kind om een ander in de val te lokken?” Daarnaast is het belangrijk de bestaande normen online te handhaven, voegt ze toe. ,,Als een groep met wapens op de hoek van de straat staat, vraagt een wijkagent ook wat die daarmee gaat doen. Waarom zou die agent zich dan niet online in een gesprek kunnen mengen dat dreigt te ontsporen?”
Fatale mishandeling Spijkerkwartier was ‘een en al droefenis’ Als een zaak met alleen maar verliezers. Zo herinnert Arnhems burgemeester Ahmed Marcouch de fatale mishandeling van Jan (73) in het Spijkerkwartier, die landelijk in het nieuws kwam. Nabestaanden van de man bleven met groot verdriet achter, vijf pubers uit de regio kregen een gevangenis- of maximale taakstraf opgelegd en hun ouders waren diep geschokt.
,,Een en al droefenis”, zegt Marcouch. ,,De impact op de wijk was ook groot. De Arnhemmer was daar zeer bekend én gekend. Hij werd zeer gewaardeerd en gerespecteerd. Niemand kon zich iets voorstellen bij dat gefantaseerde idee van de jongeren die hem aanvielen.”
Anderhalve week na het overlijden van Jan, oud-docent op middelbare school het Titus Brandsma in Velp, werd een speciaal herdenkingsmoment voor hem georganiseerd in het Spijkerkwartier. Mensen waren even stil, applaudisseerden en staken massaal kaarsen en lichtjes aan. In de dagen die volgden, werd duidelijk dat hij het slachtoffer was van een gruwelijk uit de hand gelopen pedojacht.
Twee verdachten (17 en 19 jaar) uit Rozendaal kregen celstraffen opgelegd: twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk. De rechter gaf de overige jongeren van 16, 17 en 19 jaar uit Arnhem voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraffen van tweehonderd uur.
Ook is het vijftal veroordeeld tot het gezamenlijk betalen van een schadevergoeding van ruim 60.000 euro aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een van de vijf jongeren is in hoger beroep gegaan tegen zijn straf. Voor de nieuwe zitting is nog geen datum gepland, laat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden weten.
Welke invloed heeft de digitalisering van de maatschappij op de gepercipieerde legitimiteit van de politie? In een drieluik analyseren David Langley, José Kerstholt, Arnout de Vries en Caroline van der Weerdt de uitwerking van verschillende aspecten van digitalisering. Deel 1: social media en maatschappelijke verschuivingen.
De wereldwijde aandacht voor het optreden van de politie bij de aanhouding van George Floyd uit Minneapolis heeft de legitimiteit van de Amerikaanse politie serieuze schade toegebracht. Een agent knielde bijna negen minuten lang op Floyd’s nek met dood als gevolg. Aandacht voor deze zaak kwam in de eerste instantie niet via traditionele media, maar via filmpjes van burgers die via sociale media werden gedeeld. Het beeld van geïnstitutionaliseerd racisme en arbitrair machtsmisbruik werd gelijk breed gedeeld, mede omdat het één van een lange reeks soortgelijke incidenten in de VS is.
Mitch Henriquez
Ook in Nederland protesteerden na de dood van George Floyd mensen op het Malieveld in Den Haag en in andere steden. Meerdere betogers legden een relatie met de dood van de Arubaan Mitch Henriquez in 2015 nadat de politie hem lange tijd in een nekklem hield. Ook toen circuleerde een filmpje op sociale media en ontstond er veel maatschappelijk ophef. Die beelden krijgen bij een eventueel nieuw incident snel weer aandacht en vormen een optelsom van bewijs dat ook onze politie haar macht ver te buiten kan gaan. Deze incidenten laten zien dat nieuwe technologieën en interactiemogelijkheden de manier waarop burgers en organisaties met elkaar omgaan drastisch kan veranderen.
Herijking na incident
Legitimiteit is de algemene perceptie of aanname dat de activiteiten van, in dit geval, de politie wenselijk, passend of geschikt zijn (Suchman, 1995). De Nederlandse politie geniet over het algemeen een bijzonder hoge legitimiteit (van der Veer, et al., 2013). Daar denken de meeste mensen in hun dagelijks leven niet over na, maar zij dragen deze positieve perceptie op impliciete wijze met zich mee. Totdat een incident zich voordoet – zoals in de voorbeelden hierboven – en er een proces van expliciete herevaluatie plaatsvindt. Het herijken van de legitimiteit van een organisatie vindt plaats op twee verschillende niveaus (Bitektine & Haack, 2015).
Figuur 1. Model van hoe de gepercipieerde legitimiteit van een organisatie ontstaat uit een wisselwerking tussen het maatschappelijke macroniveau en het individuele microniveau (ontleend aan Bitektine & Haack, 2015). De vetgedrukte lijnen laten zien hoe burgers’ percepties van een organisatie (zoals de politie) opnieuw geëvalueerd worden en, wanneer die meningen afwijken van het collectieve oordeel, ze actie nemen en meningen uiten, bijvoorbeeld via sociale media. Wanneer genoeg burgers dit doen, worden kranten, experts en politici beïnvloed en kan het collectieve oordeel worden bijgesteld.
Individuele oordelen
Op het collectieve macroniveau van de samenleving wordt de legitimiteit van de politie gezien als een vorm van validiteit. Dat betekent dat er een mening ontstaat die gedeeld wordt door de meerderheid van partijen die worden gezien als erkende autoriteiten zoals politici, journalisten en vakexperts. Op het individuele microniveau is de perceptie van legitimiteit een kwestie van individuele oordelen. Deze oordelen kunnen op zeer uiteenlopende gedachten zijn gebaseerd – de ene persoon gaat uit van een eigen ervaring met de politie, de andere van het algehele gevoel van veiligheid, en weer een andere van de opvatting hoe het nu is ten opzichte van vroeger.
Maatschappelijke verschuiving
In de gedigitaliseerde samenleving verdient dit laatste niveau – de rol van individuele uitingen van persoonlijke oordelen – bijzondere aandacht. Wanneer namelijk genoeg mensen een mening uiten die afwijkt van het collectieve validiteitsbeeld, kan er een maatschappelijke verschuiving optreden. Vroeger was het zeer lastig om voldoende uitingen, van bijvoorbeeld onvrede over de politie, bij elkaar te krijgen – zoals tijdens een protestmars op de Dam. Tegenwoordig is het juist bijzonder makkelijk voor duizenden individuen tegelijk om onvrede te uiten, waardoor organisaties die het betreffen in een lastig parket terecht kunnen komen (Broek, Langley & Hornig, 2017). Daarnaast gaat die onvrede doorgaans gepaard met veel tegengeluid en verontwaardiging, zoals ook wordt geïllustreerd in de zaken van George Floyd en Mitch Henriquez.
Nieuwe kansen
Een sterke legitimiteitsperceptie is dus een behoorlijke uitdaging in een digitale samenleving. Om legitimiteit te handhaven of te verbeteren moet de politie zich daarom mengen in de online discussies, of het nu om onvrede of lof gaat. Daarbij kan het gaan om reacties als het geven van openheid, het tonen van begrip of het in perspectief plaatsen van specifieke gevallen. De digitale media kennen vele innovaties, waardoor het speelveld en de spelregels voortdurend veranderen. Dit biedt nieuwe kansen, zoals de mogelijkheid om meer transparantie te geven en meer betrokkenheid van burgers te stimuleren. Maar het biedt ook nieuwe uitdagingen, zoals het aanleren van vaardigheden om als organisatie en als individuele agenten de nieuwe digitale media op een coherente wijze in te zetten.
Opnieuw uitvinden van rol
De overkoepelende les van bovenstaande is dat communicatie in de digitale samenleving dusdanig is veranderd dat allerlei organisaties – de politie niet uitgezonderd – de eigen rol en relatie tot burgers opnieuw moeten uitvinden. De onderlinge verbondenheid van de maatschappij zorgt er steeds vaker voor dat de handelwijzen en rol van de politie ter discussie worden gesteld. Dit vraagt meer dan een kleine aanpassing als een sociale media cursus. Het voortdurend herzien en verbeteren van de relatie met de burgers is niet eenvoudig, zeker gezien de verdeeldheid van de samenleving rondom maatschappelijke discussies, zoals die over zwarte piet. Het houdt een structurele aanpassing in van hoe de politie in verhouding staat tot burgers die vandaag de dag een zeer hoge mate van verbondenheid en zelfbepaling genieten.
Slacktivisme bedreigt bestaansrecht organisaties
Dat consumenten via sociale media een koersbepalende beweging op kunnen zetten, heeft ook het bedrijfsleven in de afgelopen jaren moeten onderkennen. Online kan iedereen namelijk activist worden vanuit de luie stoel (daarom ook wel “slacktivisme” genoemd; “slack” is lui). Eén van de eerste voorbeelden hiervan was de campagne van Greenpeace in 2010 tegen de bouw van twee kolencentrales in de Eemshaven. Via de website keken tientallen duizenden Nederlanders naar nepreclames van Nuon en Essent die de milieuprestaties van deze energiebedrijven aan de kaak stelden. Met één klik konden de slacktivisten boze e-mails versturen naar de hoofdkantoren.
Al snel gingen de desbetreffende bedrijven hun plannen herzien, onder andere door een “constructieve dialoog” met milieuorganisaties. En het idee van ING uit 2014 om klantdata commercieel in te gaan zetten kon meteen weer in de ijskast toen massa’s mensen hier online op reageerden. Protestorganisaties zoals ‘petities.nl’ worden slimmer en weten steeds beter de macht van de massa te verzamelen en te richten. Ondanks het feit dat het bedrijfsleven een ander perspectief op legitimiteit kent, vooral bepaald door vraag en aanbod, wordt er flink geworsteld met de omgang met het online publiek dat het bestaansrecht van een organisatie danig aan kan tasten.
Prof. dr. José Kerstholt is senior onderzoeker maatschappelijke veiligheid bij TNO en Universiteit Twente.
Ir. A. de Vries is senior onderzoeker maatschappelijke veiligheid bij TNO.
Drs C.A. van der Weerdt is senior consultant consumer behaviour bij TNO.
Prof. dr. ir. David J. Langley is senior onderzoeker bij TNO en hoogleraar Internet, Innovatie en Strategie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Referenties Bitektine, A., & Haack, P. (2015). The “macro” and the “micro” of legitimacy: Toward a multilevel theory of the legitimacy process. Academy of Management Review, 40(1), 49-75.
Broek, T., van den Langley, D., & Hornig, T. (2017). The effect of online protests and firm responses on shareholder and consumer evaluation. Journal of Business Ethics, 146(2), 279-294.
Suchman, M. C. (1995). Managing legitimacy: Strategic and institutional approaches. Academy of Management Review, 20: 571–610.
Veer, L., van der, Sluis, A., van, Walle, S. van de, & Ringeling, A. (2013). Vertrouwen in de politie. Trends en verklaringen. Erasmus Universiteit Rotterdam. https://www.regioburgemeesters.nl/publish/pages/216/2013_07_vertrouwen_in_de_politie_trends_en_verklaringen_-_erasmus_univ.pdf
Op 17 juli 2014 is vlucht MH17 van Malaysia Airlines met een BUK-raket neergehaald in Oost-Oekraïne. Sindsdien is er een onderzoek opgestart vanuit Bellingcat, een onderzoekscollectief opgericht door burgers, dat zich bezighoudt met het verzamelen van informatie over strafbare feiten op het internet. Het team van Bellingcat bestaat uit een internationale samenstelling van professionals, die gespecialiseerd zijn in het onderzoeken van openbare bronnen en sociale media (Duijf, 2018). De burgeronderzoekers van Bellingcat achterhalen bijvoorbeeld de route die de BUK-raket aflegt aan de hand van foto’s op sociale media. De informatie die wordt gedeeld met het onderzoeksteam van de politie wordt gezien als extreem waardevol (Rosman, 2019). De positie van burgers in het onderzoek van de MH17 ramp is een voorbeeld van de veranderende rol van burgers in de opsporing. Naast de rol van de burger als getuige, slachtoffer of aangever, speelt de burger een alsmaar actievere rol binnen het opsporingsproces (Kop, 2016). Burgers kruipen individueel of als groep steeds meer in de rol van de recherche en kunnen zodoende hun bijdrage leveren aan het bestrijden van misdaad en het verbeteren van de veiligheid in Nederland (Kerstholt & De Vries, 2018).
Digitalisering en nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat het grote publiek actief kan meedenken bij opsporingszaken (Land, Stokkom & Boutellier, 2014). Het belang van burgerinitiatieven neemt toe door sociale media, omdat zij met behulp van Instagram, Twitter, Facebook en Whatsapp zelf kunnen opsporen en een rol spelen bij het zoeken en vervolgen van daders (Kop, 2016). Om in te spelen op de digitalisering en veranderende rol van de burger ontstaan binnen de politieorganisatie voortdurend experimenten om burgers te betrekken bij opsporingsonderzoeken. Hackathon FASTNL is een voorbeeld van zo’n experiment, waar OSINT-specialisten werkzaam bij de politie, publieke en private organisaties gezamenlijk ‘jagen’ op voortvluchtigen (Walter, 2020). Open Source Intelligence, ‘OSINT’ is het verzamelen van informatie uit open en publieke bronnen om een opsporingsonderzoek te verrijken (Glassman & Kang, 2012).
De focus van dit onderzoek van Severien Verbeek ligt op het betrekken van burgers in opsporingsonderzoeken met behulp van OSINT. In dit onderzoek hebben zeventien semigestructureerde interviews met deelnemers en betrokkenen van de Hackathon FASTNL plaatsgevonden. Een andere manier waarop data is verzameld voor dit onderzoek is het uitvoeren van observaties en documentanalyses.
Probleemstelling
De maatschappij is in de afgelopen twee decennia gedigitaliseerd, waardoor mogelijkheden voor communicatie en informatie-uitwisseling enorm zijn toegenomen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Op het internet heeft een grote verandering plaatsgevonden van Web 1.0 naar Web 2.0 en Web 3.0. Het eerste web bestond uit statische websites met informatie vanuit één kant, er was weinig interactie tussen gebruikers van het internet. De komst van Web 2.0 zorgt ervoor dat er interactie is tussen de gebruikers in sociale netwerken in de vorm van bijvoorbeeld podcasts, blogs, Wikipedia en zoekmachines (De Vries & Smilda, 2014, p. 50; Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Bovendien, wordt er in de literatuur gesproken over een ontwikkeling naar Web 3.0 of ‘semantic Web’, waar informatie wordt georganiseerd voor gebruikers. Toepassingen op het internet worden geïntegreerd op de behoefte van individuele gebruikers (Naik & Shivalingaiah, 2009). De nieuwe generaties van internet zorgen ervoor dat er ruimte ontstaat voor ‘gewone’ burgers om zelf op zoek te gaan naar informatie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18).
De digitalisering van de samenleving zorgt ervoor dat de politie voor uitdagingen komt te staan. Steeds meer politiemedewerkers krijgen te maken met delicten met een digitale component, waardoor het personeel over nieuwe kennis en digitale vaardigheden moet beschikken. Tegelijkertijd heeft de politie een achterstand gecreëerd op de ‘gedigitaliseerde burger’, omdat voor een lange tijd geïnvesteerd is in traditionele opsporingsmiddelen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 24). Een ander gevolg van digitalisering is dat de burger een steeds grotere rol kan spelen binnen een opsporingsonderzoek, omdat er een lagere drempel ontstaat voor burgers om deel te nemen aan het opsporingsproces. Door middel van sociale media kunnen burgers informatie over strafbare feiten verzamelen (Kop, 2016, p. 28). De digitalisering gaat hand in hand met de opkomst van de participatiesamenleving, waar de overheid rekent op de kracht van de burgers in de Nederlandse samenleving (Winthagen, 2014). Burgers nemen ongewild of gewild steeds vaker de touwtjes in eigen handen, wat resulteert in lastige vraagstukken over het vormgeven en organiseren van de verbinding tussen burgers en de politie. Daar komt bij dat de houding van de politie naar burgerparticipatie normaliter terughoudend is, omdat bepaalde informatie niet gedeeld kan worden. Steeds meer burgers nemen het voortouw in een opsporingsonderzoek, waardoor een aantal deskundigen binnen de politie vinden dat de politie burgerinitiatieven moet omarmen in plaats van tegenhouden (Lam & Kop, 2020; Duijf, 2018). Het omarmen van actieve vormen van burgerparticipatie vraagt om een cultuuromslag binnen de organisatie, waar geaccepteerd wordt dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. (Lam & Kop, 2020a). Hierdoor ontstaat vanuit de politie een brede zoektocht naar een effectieve samenwerking met burgers (Politie, 2019).
Dit onderzoek zal een bijdrage leveren aan deze zoektocht en inzichten verzamelen van OSINT-specialisten over de samenwerking tussen burgers en opsporing bij open bronnen onderzoek. De OSINT-specialisten hebben deelgenomen aan activiteiten of experimenten waarbij burgers worden betrokken in een open bronnen onderzoek, zoals Hackathon FASTNL. Hierdoor kunnen zij een beeld schetsen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De doelstelling van dit onderzoek is als volgt geformuleerd:
Het doel van het onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de samenwerking en bijbehorende dillema’s tussen burgers en de opsporing bij een open bronnen onderzoek. Om hierover aanbevelingen te doen zijn de ervaringen, perspectieven en meningen van OSINT-specialisten, die hebben meegedaan aan de Hackathon FASTNL, in kaart gebracht.
Een onderzoek naar de meldingsbereidheid bij VVC-zaken onder de jeugd in Zeeland – Kim Leonard
De politie is voor de opsporing van daders van misdrijven altijd afhankelijk van de medewerking van de burger. Zonder burgers als getuige, slachtoffer of aangever is er geen opsporing mogelijk. Specifiek is het melden van criminaliteit de voornaamste vorm van burgerparticipatie. Echter, blijkt dat 66% van massaal voorkomend strafbaar gedrag niet gemeld wordt door de burger. Deze veelvoorkomende criminaliteit is hinderlijk en heeft een versterkende werking op de onveiligheidsgevoelens van burger. (Jit wetenschappelijke onderzoek blijkt dat voornamelijk jongeren achterblijven in het melden van veelvoorkomende criminaliteit, ondanks dat zij hier een zeer belangrijke rol in spelen.
Opvallend is dat jongeren wel de overtuiging hebben dat een melding bijdraagt aan het oplossen van een misdrijf en dat zo snel mogelijk contact opnemen met de politie belangrijk is (Kuppens et. al., 2016). Maar ondanks deze overtuigingen bij jongeren blijft een melding vaak achterwege en blijken jongeren vooral passieve consumenten van informatie (Ferwerda, 2015). Hierbij lijkt het vooral moeilijk om jongeren gemotiveerd en betrokken te houden.
De grootste bevorderende factor voor het vergroten van meldingsbereidheid van de jeugd, is het feit dat de jeugd zelf 00k wil participeren (van Doorn, 2017). Anders gezegd is autonome motivatie nodig om de jeugd vanuit zichzelf te laten melden op het moment dat zij een strafbaar feit ontdekken. Wanneer er sprake is van een ander type motivatie dan autonome motivatie, dient een organisatie hier 00k anders mee om te gaan. De jeugd moet dan op een andere manier benaderd en gestimuleerd worden om hen te motiveren om veelvoorkomende criminaliteit te melden. Dit kwalitatieve onderzoek is daarom gericht op de vraag in hoeverre jongeren uit de regio Oosterscheldebekken autonoom gemotiveerd zijn om veelvoorkomende criminaliteit te melden.
Vanuit de literatuur kan worden gesteld dat autonome motivatie ontstaat wanneer iemand wordt bevredigd in de psychologische basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid. 0m deze vraag te kunnen beantwoorden is daarom onderzocht of jongeren uit de regio Oosterscheldebekken zich bevredigd voelen in deze psychologische basisbehoeften. Dit gevoel is onderzocht door het afnemen van diepte-interviews. Voor het onderzoek zijn in totaal 12 jongeren in de leeftijd van 15 tot 18 jaar geinterviewd. Hierbij werd rekening gehouden met een spreiding tussen geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en woonplaats in de regio Oosterscheldebekken.
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de jongeren uit het onderzoek nauwelijks melding maken van veelvoorkomende criminaliteit en dat de psychologische basisbehoeften van de jongeren sterk onder druk staan. Er is dus geen sprake van autonome, maar gecontroleerde motivatie bij de jeugd in de regio Oosterscheldebekken ten opzichte van het melden van veelvoorkomende criminaliteit. Dit betekent dat jongeren een externe stimulans nodig hebben om hun intentie tot het melden te vergroten. Concreet hebben zij behoefte aan uitleg, meer binding met de politie en voldoende gelegenheid om veelvoorkomende criminaliteit op geheel eigen wijze te melden. Wanneer deze stappen worden ondernomen, zal de intentie tot het melden van veelvoorkomende criminaliteit worden vergroot.
Bij de vermissing van Anne Faber hadden burgers veel expertise te bieden. Zelfs als dat niet zo is, moet de politie burgers serieus nemen, adviseert de Politieacademie. Nicolien Kop en Jerôme Lam deden onderzoek naar de rol van burgers bij de zoektocht naar Anne Faber. Zij adviseren om beter te inventariseren welke taken aan burgers uitbesteed kunnen worden.
Anne Faber werd in het najaar van 2017 twee weken vermist. Uiteindelijk bleek dat zedendelinquent en psychiatrisch patiënt Michael P. haar had misbruikt en gedood. Voor Schouder aan schouder: Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber is onder meer aan veertien medewerkers van de politie gevraagd welke lessen ze trekken uit deze periode.
„De zoektocht naar Anne Faber was een kantelpunt”, zegt Lam. Familieleden gingen voortvarend te werk: ze hadden contacten bij Defensie en vroegen gedetailleerde kaarten op van het gebied waar Anne voor het laatst was gezien. Ze organiseerden een tijdelijk hoofdkantoor en via appgroepen werden verschillende zoekgroepen aangestuurd.
In de eerste dagen van de vermissing vond het zoekproces van de politie en de burgers min of meer onafhankelijk van elkaar plaats, staat in Schouder aan schouder. De politie was in die dagen wel „ter ondersteuning” aanwezig in het gebied waar Anne Faber vermist is geraakt, maar gaf geen sturing omdat ze nog niet zeker wist of ze nog in het gebied was.
De aanwezigheid van de agenten schiep verwarring. „De houding van de politie tegenover de familie werd als storend ervaren”, zegt een van de politiemedewerkers in het onderzoek. Familieleden zagen de politie als een „black box”: de familie deelde al hun bevindingen maar de politie vertelde weinig over wat zij ontdekte.
De samenwerking werd steeds nauwer, onder meer omdat de politie zich aansloot bij het dagelijkse overleg van de familie. Op dag twaalf van de zoektocht liepen burgers en de Mobiele Eenheid van de politie in linie – schouder aan schouder – door het zoekgebied.
„Burgers bieden zich steeds vaker aan”, zegt Lam. „Als je samen kunt werken omdat er zoals bij de familie van Anne Faber veel expertise is, moet je dat doen, maar als je slecht kunt samenwerken moet je er ook iets mee zodat het onderzoek geen schade oploopt.”
Aanbevelingen voor politiepraktijk: ‘judo met burgers’
Burgerparticipatie is niet meer weg te denken uit de moderne samenleving. Burgers pakken steeds vaker gevraagd en ongevraagd hun rol op het gebied van veiligheid en criminaliteit. Dit vraagt om een cultuuromslag bij de politie: accepteer dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. Dit betekent niet dat de politie alle burgerinitiatieven klakkeloos moet goedkeuren. Sommige burgeracties zijn waardevol, andere juist onwenselijk vanuit ethisch en/of juridisch perspectief of omdat ze een bedreiging vormen voor het opsporingsonderzoek. Beoordeel per onderzoek welke vormen van burgerinitiatief ontstaan, hoe en waar deze burgerparticipatie versterkt kan worden, of juist bijgestuurd of begrensd moet worden. De essentie voor de politie is om niet tegen burgerinitiatieven te ‘vechten’, maar deze te omarmen en samen de juiste kant op te bewegen: ‘participatie-judo’. Participatiejudo (zie figuur hieronder) voor de politieorganisatie is gebaseerd op drie principes, die hieronder worden toegelicht.
1. Maak contact
Leg in een vroeg stadium contact met betrokkenen, zoals familie of initiatiefnemers. De politie is een actief onderdeel van de samenleving. Wat de politie doet, heeft vaak direct invloed op burgers en omgekeerd. Burgerinitiatieven bij bijvoorbeeld een vermissing, hebben vaak een directe impact op het politiewerk, doordat mensen zelf gaan zoeken of informatie gaan verzamelen. De uitdaging is om hier als politieorganisatie goed op te anticiperen. Een deel van het moderne politiewerk is daarom zien waar burgers mee bezig zijn en daarover contact onderhouden.
Organiseer een duidelijke politiestructuur waarbij de juiste mensen worden geïnformeerd en in positie gebracht. Goed judo vraagt om balans en een basis om stevig te kunnen staan. Dit is te vergelijken met een goede interne organisatiestructuur, zoals bijvoorbeeld de inrichting van het opsporingsproces of het SGBO-structuur. Informatie is vervolgens de energie die door
deze structuur stroomt. Stevig staan houdt in dat de onderdelen van de interne structuur op elkaar afgestemd moeten zijn. Concreet betekent dit goede interne communicatie en duidelijke afstemming van taken, rollen en posities tussen organisatieonderdelen en processen, bijvoorbeeld de verhouding en afstemming tussen TGO en SGBO. Daarnaast vraagt judo om een goede grip, zodat beide partijen elkaar stevig beet kunnen pakken.
Zorg ervoor dat er stevige contactpunten zijn tussen de politieorganisatie en de burgers, bijvoorbeeld in de rollen van familieagent- en rechercheur.
• Ondersteun goede burgerinitiatieven zich zo sterk mogelijk te organiseren De essentie van judo is om gebruik te maken van de kracht en de structuur van de ander. Vergelijkbaar heeft de politie baat bij een duidelijke structuur bij burgerinitiatieven. Een sterke burgerpartner maakt namelijk dat het makkelijker is om contact te onderhouden en informatie te geven of te halen. Of om gezamenlijk afspraken te maken. Help daarom burgers die in staat zijn om zich te organiseren en om waar nodig een structuur op te zetten.
2. Beweeg mee
• Laat de juiste politiemensen aansluiten bij burgerinitiatieven
Hierdoor kan tussentijds worden beoordeeld of de initiatieven waarde hebben voor het zoekproces of het opsporingsonderzoek. Door bijvoorbeeld politiemensen in te zetten die het opsporingsproces goed kennen, kan de toegevoegde waarde of de opbrengsten van de burgerparticipatie beter worden ingeschat. Politiemensen kunnen burgers ook ondersteunen bij initiatieven, waardoor hun waarde wordt vergroot. Activiteiten kunnen gericht zijn op het fysieke zoekproces, alsook van belang zijn voor de intelligence of het opsporingsonderzoek.
• Wees voorbereid op de informatie die door burgers kan worden gegenereerd en worden gevraagd
Net als bij judo, zijn burgers voortdurend aan het duwen tegen en trekken aan de politieorganisatie. Vaak doen zij dit door informatie te geven (duwen) en informatie te vragen (trekken) Wanneer burgers betrokken raken bij een opsporingsonderzoek of een vermissing, kan de politie overspoeld raken met informatie. Tips die via verschillende kanalen binnenkomen, kunnen oplopen tot enkele duizenden. Daarnaast kan het gaan om zowel digitaal als fysiek bewijsmateriaal, bijvoorbeeld camerabeelden die worden veiliggesteld of mogelijke sporen die burgers vinden. Aan de ene kant is deze informatie onmisbaar voor het politieonderzoek, tegelijkertijd vormt het een belasting voor de organisatie. Bovendien vragen burgers, zoals familieleden, ook veel informatie en uitleg. Iets waar de politie niet altijd voldoende op voorbereid is. Zorg daarom dat het effectief en serieus omgaan met deze informatiestromen op de juiste wijze in de organisatiestructuur is ondervangen, zodat de politie kan meebewegen met de informatiebehoefte van burgers.
• Beoordeel informatie van burgers op de wijze waarop deze is verkregen en waar deze op is gebaseerd Burgers kunnen voor het onderzoek allerlei informatie aanleveren op basis van bronnen
die die politie (nog) niet heeft. Denk aan tips, hypotheses of scenario’s. Lang niet alle informatie zal waardevol zijn, sommige zaken echter wel. Een manier om het kaf van het koren te scheiden, is na te gaan hoe burgers tot hun bevindingen zijn gekomen. Dat vraagt van de politie een actieve en open houding in het aangaan van het gesprek: “Als een burger in een moordonderzoek naar je toekomt en zegt: ‘dat doe je echt niet goed, omdat…’. Dan kun je zeggen: ‘Wij zijn al honderd stappen verder’. Maar je kunt ook zeggen: ‘Wij gaan even zitten, want jij hebt een verhaal. Vertel eens’.”
3. Leid waar nodig
• Stel aan het begin van een onderzoek de vraag wat burgerparticipatie voor het onderzoek kan betekenen
Om een opsporingsonderzoek effectief te leiden, is het van belang dat de politieorganisatie een beeld heeft van het te behalen doel en hoe dat te bereiken. Op het moment dat dit doel scherp is, kan de vraag worden gesteld of burgerparticipatie hierin iets kan betekenen. Soms is dat niets, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid van de betrokkenen bij een liquidatieonderzoek. n andere gevallen kunnen burgers met hun kennis en expertise mogelijk een waardevolle bijdrage leveren.
• Communiceer duidelijk over welke partij de regie heeft
Het is niet vanzelfsprekend dat de politie altijd de leidende rol op zich neemt. Soms is het wenselijk of noodzakelijk dat de politie een ondersteunende of faciliterende rol vervult. Bijvoorbeeld omdat de politie (nog) geen concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek op te starten of een lopend onderzoek richting te geven. In dergelijke gevallen kan de politie wel informatie geven of op andere wijze ondersteuning bieden. De politieorganisatie moet zich goed bewust zijn van het gegeven dat burgers vaak ‘het uniform’ als autoriteit zien en de politie als expert. Dit maakt dat de burger impliciet of expliciet een leidende rol vanuit de politie verwacht. Om misverstanden en verkeerde verwachtingen te voorkomen, is het van belang om aan het begin de verschillende rollen en verantwoordelijkheden expliciet te benoemen.
• Informeer burgers en wees transparant in keuzes
Het effectief leiden van burgerparticipatie vraagt vaak om de juiste vragen stellen aan burgers. Dit betekent mogelijk dat de politie meer informatie aan burgers geeft dan zij gewend is. Immers, als je de helft geeft, krijg je ook maar de helft terug. Net als bij judo zal de politie soms moeten ‘duwen’, door burgers de informatie te geven en ze de juiste kant op te laten bewegen. Vanzelfsprekend kan de politie niet alle inhoudelijke informatie delen in een onderzoek. Maar daar waar keuzes het publiek raken of verontrusten, kunnen die uitgelegd worden. Bijvoorbeeld waarom de politie in het ene geval maximaal inzet en in een ander geval niet. Voor het behoud van haar legitimiteit en de relatie met burgers, heeft de politie namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid om het goede te doen, maar ook om te verantwoorden wat het goede is.
Het schrikt inbrekers af als er buurtwachten op straat lopen. Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals een WhatsApp-buurtpreventiebord, heeft veel minder effect. Dat blijkt uit een onderzoek in opdracht van het programma Politie en Wetenschap, waarbij het gedrag van inbrekers met virtual reality werd bestudeerd. Inzicht in de denkwijze van inbrekers en de keuze van hun doelwitten, kan helpen om woninginbraken te voorkomen.
Het onderzoek werd uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Twente. Zij gingen met 181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers aan de slag. Hierbij kregen de deelnemers een virtual reality-bril op, waarmee zij door twee virtuele wijken ‘liepen’. Via deze methode werd onderzocht wat inbrekers in een wijk afschrikt.
Sybren van der Velden, projectleider woninginbraken bij de politie, reageert op de onderzoeksresultaten. ‘We zijn natuurlijk geïnteresseerd in dit innovatieve onderzoek. De aanpak van woninginbraken is en blijft belangrijk. We zien een groei van de buurtwachten, die extra “ogen en oren” in de wijk vormen. Als politie werken we samen met deze buurtteams. Buurtwachten kunnen niet 24/7 zichtbaar zijn en dat geldt wel voor de buurtpreventieborden. In onze ogen versterken de buurtwacht en preventieborden elkaar dan ook. En dat geldt ook voor andere maatregelen zoals bijvoorbeeld goed hang- en sluitwerk en aandacht voor het afsluiten van ramen en deuren. Zeker in deze periode rond de feestdagen – waarin we een toename van het aantal inbraken zien – is het advies bij afwezigheid om ramen en deuren goed af te sluiten en een lamp aan te laten, bijvoorbeeld met een automatische tijdschakelaar. ‘
Buurtpreventie
Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, schrikt inbrekers nauwelijks af. De zichtbare, fysieke aanwezigheid van buurtbewoners op straat doet dit wel.
181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers namen deel aan dit unieke onderzoek. Het onderzoek had twee doelen. Het eerste doel was om vast te stellen of virtual reality als onderzoeksmethode gebruikt kan worden om inbrekers te bestuderen. Het tweede doel was om te onderzoeken of en hoe de fysieke of symbolische aanwezigheid van buurtbewoners inbrekers afschrikt. Hiervoor werden twee virtuele wijken ontwikkeld. In de eerste wijk werden deelnemers blootgesteld aan verschillende afschrikkingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, in de tweede wijk werden zij virtual blootgesteld aan de aanwezigheid van een buurtbewoner. Aan deelnemers werd gevraagd beide wijken te scouten alsof zij een woninginbraak wilden plegen. Na dit scoutingsproces werden er verschillende vragenlijsten afgenomen over wat hen aantrok of afschrikte en werd een kort interview gehouden met de inbrekers.
Uit de reacties van de inbrekers bleek dat zij de virtuele wijken als realistisch ervoeren. Zij hadden veelal het gevoel daadwerkelijk in de virtuele omgeving te zijn. Dit wijst erop dat het gedrag in de virtuele wereld sterk lijkt op het gedrag dat deze inbrekers vertonen in de echte wereld. Hiermee wordt bevestigd dat virtual reality een effectieve onderzoeksmethode kan zijn om inbrekers te bestuderen.
De effectiviteit van het plaatsen van borden om inbrekers af te schrikken lijkt bescheiden te zijn. Vooral niet-inbrekers reageerden op afschrikkingsborden, waarbij zij bijvoorbeeld sociale cohesie in de buurt hoger achtten wanneer deze borden aanwezig waren. Dit laat zien dat, alhoewel een bord misschien voor de gewone burger een bepaalde impact heeft, dit voor inbrekers niet het geval is.
De aanwezigheid van buurtbewoners had wel een afschrikkend effect op inbrekers. Wanneer er een virtuele buurtbewoner in de wijk aanwezig was werd onder andere de waargenomen pakkans als hoger gezien, terwijl de aantrekkelijkheid van de wijk afnam. Hiermee wordt bevestigd dat de fysieke aanwezigheid van buurtbewoners een belangrijke factor is om inbraken te voorkomen.
Rapport
Het onderzoeksrapport ‘Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden’ vindt u hier.
In de afgelopen decennia wordt het sociale kapitaal steeds meer benut door zowel burgers en politieorganisaties bij het bestrijden van criminaliteit en wanorde. Dit is een zeer brede ontwikkeling, bestaande uit een groot scala aan activiteiten. Deze activiteiten kunnen zelfstandig uitgevoerd worden of in samenwerking met andere burgers (bijv. buren of omstanders) en/of in samenwerking met de politie. Activiteiten zijn bijvoorbeeld het melden van criminaliteit en het verstrekken van inlichtingen aan de politie, ingrijpen als getuige van een misdrijf en meedoen aan een (online) buurtwacht. Om te onderzoeken waarom en hoe burgers deelnemen en of burgerparticipatie kan worden versterkt, is inzicht nodig in wat voor gedrag burgers kunnen hebben en of er verschillende psychologische factoren zijn die verband houden met de verschillende vormen van participatie.
In dit proefschrift is onderzocht of participatiegedrag in het politiedomein kan worden geclassificeerd vanuit het perspectief van burgers op basis van daadwerkelijk gedrag. En er is onderzochtof een breed spectrum van individuele, gemeenschaps- en institutionele gerelateerde psychologische factoren ten grondslag liggen aan de verschillende vormen van burgerparticipatiegedrag.
De resultaten toonden aan dat vier soorten participatie konden worden onderscheiden: 1. sociale controle (bijvoorbeeld het bespreken van antisociaal gedrag met buren), 2. responsieve participatie (bijvoorbeeld het melden van een criminele daad bij de politie), 3. collaboratieve participatie (bijvoorbeeld het bijwonen van een vergadering met politieagenten ) en 4. detectie (bijvoorbeeld deelnemen aan een buurtwacht).
Dit onderzoekt toont het belang aan om onderscheid te maken tussen categorieën van participatiegedrag in het politiedomein. De onderzoeken tonen aan dat, afhankelijk van het type participatiegedrag, verschillende individuele, sociale en institutionele gerelateerde psychologische factoren een rol spelen. Wat betreft de psychologische factoren, werd bijvoorbeeld aangetoond dat twee categorieën participatiegedrag werden beïnvloed door emoties, terwijl andere typen niet werden beïnvloed door emoties. Morele emoties bleken geen invloed te hebben op collaboratieve participatie en detectie, terwijl het wel invloed had op sociale controle en responsieve participatie. Concluderend lijkt het erop dat intuïtieve besluitprocessen, zoals morele waarden en emoties, evenals de overtuigingen die mensen hebben over hun eigen en collectieve capaciteiten en het nut van het gedrag belangrijke drijfveren zijn.
Vanuit een praktisch perspectief geeft dit proefschrift professionals inzicht in wat burgers ertoe aanzet deel te nemen aan het politiedomein. In politiecommunicatie met burgers wordt over het algemeen aanbevolen om rekening te houden met wat burgers ertoe drijft om deel te nemen. Wanneer de politie participatiegedrag wil stimuleren, is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten participatiegedrag. Op welke manier en of burgerparticipatie kan worden beïnvloed, moet echter nader worden onderzocht.
In Nederland worden in toenemende mate sensoren, zoals camera’s of trackers die je beweging volgen en vastleggen, ingezet om leefbaarheid en veiligheid te bevorderen:
burgers en bedrijven bezitten circa 1,5 miljoen beveiligingscamera’s;
gemeenten hebben ruim 3.000 toezichtcamera’s;
de politie heeft ongeveer 500 tot 1.000 toezichtcamera’s.
Doordat nieuwe technologie steeds kleiner, mobieler en goedkoper wordt, kunnen ze gemakkelijker worden ingebouwd, zoals bij camera’s in smartphones. Verder worden verzameling en verwerking van data steeds gemakkelijker, zoals met slimme algoritmen in apps. Hierdoor is een uitgebreid netwerk van sensoren ontstaan dat een grote hoeveelheid data produceert. Dit netwerk bestaat niet alleen uit nieuwe sensoren, maar ook uit nieuwe actoren en toezichtsvormen:
burgers worden gemonitord door de overheid en bedrijven (surveillance);
burgers gebruiken sensoren om elkaar te monitoren (horizontale surveillance);
burgers gebruiken sensoren om de overheid en bedrijven in de gaten te houden (sousveillance).
We schetsen in dit rapport verschillende trends, die laten zien hoe toezicht verandert:
We zien bij de politie steeds meer gebruik van sensoren en sensordata.
We zien automatisering van kernactiviteiten van de politie zoals getuigen opsporen en handhaven door middel van slimme sensortechnologie.
We zien burgers, bedrijven en gemeenten steeds meer sensordata verzamelen.
We zien nieuwe vormen van samenwerking tussen de politie en andere actoren uit de samenleving om sensoren te gebruiken voor leefbaarheid en veiligheid.
We zien private partijen die zelf speurwerk en handhaving doen met sensoren en sensordata.
Welke factoren bepalen hoe burgers denken over sensoren?
Om inzicht te krijgen in de mening van burgers over het inzetten van sensoren voor veiligheid en leefbaarheid, ontwikkelden we een begrippenkader (zie figuur 1). Hierin onderscheiden we drie dimensies van burgers (linkerkolom, vetgedrukt) en drie dimensies van sensortoepassingen (rechterkolom, vetgedrukt) die invloed hebben op hoe burgers denken over de inzet van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid.
De literatuur laat zien dat persoonskenmerken, algemene houdingen en de directe sociale omgeving een rol spelen bij de meningsvorming van burgers. Zo blijkt dat dat oudere mensen meer geneigd zijn om sensortechnologie te accepteren dan jongere mensen. Verder blijkt dat mannen de partij die de sensor inzet (zoals de politie of een beveiligingsbedrijf) belangrijker vinden dan vrouwen, terwijl vrouwen meer waarde hechten aan het doel van de opsporing. Ook blijkt dat een positieve houding ten opzichte van technologie in het algemeen bijdraagt aan het vertrouwen van burgers in sensoren.
Met betrekking tot sensortoepassingen onderscheiden we ook drie dimensies die de kijk op sensoren beïnvloeden. Bij sensortechnologie gaat het over het type sensor en de mate waarin in het ontwerp van de technologie al rekening is gehouden met privacy (privacy-by-design) zijn genomen. Bij sociale praktijk en actoren gaat het om de context waarin de technologie wordt toegepast en de personen of organisaties die hierbij een rol spelen. Tot slot is de maatschappelijke, institutionele context, zoals de wettelijke regels voor cameratoezicht, of het maatschappelijke vertrouwen in autoriteiten, van belang. Om meer te weten te komen over de perspectieven van Nederlanders op sensortechnologie organiseerden we verschillende focusgroepen.
Hoe denken Nederlandse burgers over de inzet van sensoren?
Uit de focusgroepen komt een genuanceerd beeld naar voren van de inzet van sensortoepassingen. Het is niet mogelijk om los van de context te spreken over de acceptatie van bepaalde sensoren of technologieën. Burgers zijn niet voor of tegen bepaalde technologie, zoals bodycams of wifitrackers. Er is bij de inzet van technologie discussie nodig over:
de technologische eigenschappen;
het doel van de technologie;
de effectiviteit van de technologie;
de soort criminaliteit die begaan wordt door middel van de technologie; en
de context waarin de technologie wordt toegepast (waar, wanneer, hoe, door wie).
Uit de gesprekken blijkt dat twee factoren in het bijzonder van belang zijn: het type leefomgeving waarbinnen sensortechnologie wordt toegepast en de mate van veiligheid die burgers ervaren.
Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers.
We zien dat de acceptatie van sensorinzet afhankelijk is van de mate van veiligheid: hoe onveiliger burgers een situatie inschatten, des te meer ze het geoorloofd vinden om sensoren toe te passen om de veiligheid en leefbaarheid te vergroten.
De acceptatie is daarnaast afhankelijk van het type leefomgeving: de inzet van sensoren in de privéruimte is minder acceptabel dan de toepassing in de openbare ruimte, met name als de drukte daar groot is.
Aan de ene kant zeggen burgers dus ‘ja’ tegen de inzet van sensoren in zeer onveilige situaties en drukke openbare ruimtes, ‘mits’ voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden. Aan de andere kant zeggen burgers ‘nee’ tegen de inzet van sensoren in thuissituaties, en in de rustige openbare ruimte als die veilig of licht onveilig is of aanvoelt, ‘tenzij’ het de veiligheid en leefbaarheid duidelijk verhoogt en voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden, zoals privacy en persoonlijke vrijheid.
Figuur 2 Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers
Uit de focusgroepen bleek dat ook waarden richting geven aan de mening van burgers. Zo werd de discussie over de toepassing van sensortechnologie veelal geframed als een afweging tussen veiligheid en privacy. Tegelijkertijd blijkt uit de gesprekken duidelijk dat burgers bij de inzet van sensoren een breder palet aan waarden belangrijk vinden. Naast veiligheid en privacy gaat het daarbij om waarden zoals democratische rechten, efficiëntie, effectiviteit, innovatievermogen, transparantie, leefbaarheid en menselijk contact.
Acht spelregels voor de toepassing van sensoren
Bij het inzetten van sensoren en sensordata wordt van de politie verwacht dat ze zich bewust is van het belang van de genoemde publieke waarden en dat deze daadwerkelijk worden toegepast. In de praktijk kunnen bovengenoemde waarden op gespannen voet met elkaar komen te staan. Burgers verwachten dat de politie, in overleg met de samenleving, een goede balans vindt tussen verschillende waarden.
Op basis van de resultaten van het literatuuronderzoek en het focusgroepenonderzoek hebben we daarom spelregels geformuleerd, die handvatten geven voor de vertaling van waarden naar praktijk. Deze spelregels zijn toegespitst op de politie. Ons onderzoek laat echter zien dat burgers deze spelregels ook belangrijk vinden voor andere overheidsdiensten, bedrijven en medeburgers.
Bij de inzet van sensoren dient de politie zo te handelen dat het vertrouwen wekt bij burgers.
Burgers willen graag helder en transparant geïnformeerd worden over de inzet van sensoren.
Burgers vinden dat privacy-by-design moet worden toegepast bij de inzet van sensoren.
Burgers willen niet dat de inzet van sensoren ten koste gaat van de aanwezigheid van en het contact met politieagenten.
Burgers willen dat het innovatievermogen van de politie op orde is en dat de inzet van sensoren effectief gebeurt.
De inzet van sensoren mag niet leiden tot discriminatie.
Om de persoonlijke vrijheid te waarborgen is het belangrijk om de inzet van sensoren voor veiligheidsdoeleinden te beperken tot onveilige situaties en drukke publieke ruimtes.
Bovengenoemde spelregels gelden ook voor de samenwerking van de politie met andere partijen.
Buurtveiligheidsapps leiden in Rotterdam nauwelijks tot een directe verbetering van de veiligheid, het veiligheidsgevoel of de leefbaarheid in de buurt. Toch vinden deelnemende buurtbewoners de apps wel zinvol: het geeft hen meer zicht op wat in de buurt speelt en een gevoel een steentje bij te dragen. Ook verwachten zij een beter contact met politie, gemeente en met elkaar. Dit blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Alerte burgers, meer veiligheid?’ dat vandaag is aangeboden aan de Rotterdamse wethouder en locoburgemeester Bert Wijbenga. Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoekersteam van Publiek Vertrouwen in Veiligheid van Hogeschool Inholland, in opdracht van de Rotterdamse Kenniswerkplaats Leefbare Wijken.
In Rotterdam zijn vele honderden digitale buurtpreventiegroepen actief. De gemeente stimuleert deze groepen, vanuit de verwachting dat hierdoor de veiligheid, veiligheidsbeleving en de leefbaarheid in de buurt toenemen. Burgers zouden alerter zijn op verdachte situaties en elkaar en de politie sneller waarschuwen, waardoor de politie sneller zou kunnen ingrijpen. Maar…. is dat ook zo? Om die vraag te beantwoorden deden de onderzoekers onderzoek in tien uiteenlopende buurtpreventiegroepen in Rotterdam. Zij spraken met beheerders, deelnemers en professionals en analyseerden de chatgeschiedenis van elk van deze groepen. Zij vonden daarbij geen aanwijzingen dat digitale buurtpreventiegroepen inderdaad de zogenaamde ‘heterdaadkracht’ vergroten, criminaliteit verminderen of de veiligheid doen toenemen. Een effect op de veiligheidsbeleving of de leefbaarheid was slechts in een enkele groep zichtbaar.
Beter weten wat er speelt, kortere lijntjes
Desondanks stellen de onderzoekers dat digitale buurtpreventiegroepen in Rotterdam wel degelijk een meerwaarde hebben. Zij dienen voor burgers alleen vaak andere doelen dan beleidsmakers verwachten. ‘Gewoon’ een beter beeld krijgen van wat er speelt in hun buurt bijvoorbeeld. Of de afstand verkleinen tussen overheidsprofessionals en burgers. Zoals een deelnemer aangeeft: “Voorheen had ik nog nooit een wijkagent gezien, wist ik niet wie het was. Nu weet ik dat tenminste en weet ik ook waar ik met welke melding terecht kan”.
“Wij adviseren de gemeente: gooi het kind niet met het badwater weg, maar hou wel de eigen verwachtingen ten aanzien van digitale buurtpreventie tegen het licht en ga meer uit van de betekenis die digitale buurtpreventie voor burgers zelf heeft,” aldus Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid bij Hogeschool Inholland.
Digitale buurtpreventie werd in het hele land – mede – populair nadat een onderzoek in Tilburg in 2016 had laten zien dat digitale buurtpreventie leidde tot een afname van het aantal woninginbraken met zo’n 40%. In de afgelopen tijd zijn enkele onderzoeken gedaan in andere steden waarin zo’n aansprekend resultaat niét werd gevonden. Het nu gepresenteerde Rotterdamse onderzoek past in deze lijn. Let op: het is goed mogelijk dat in meer landelijke gebieden andere resultaten worden geboekt.