Categoriearchief: Publicaties

Handboek voor hulp bij opsporing

Opsporing is niet langer het exclusieve domein van de overheid. Iedereen die dat zou willen kan een bijdrage leveren. Maar hoe kunnen politie en burger(organisaties) samen onze veiligheid en rechtvaardigheid garanderen? En hoe worden wederzijdse verwachtingen in deze samenwerking waargemaakt? Het nieuwe TNO handboek ‘Eerste Hulp bij Opsporing – Handboek Burgerdetectives’ biedt hulp.

Overhandiging handboek hulp bij opsoring

v.l.n.r: Fred Westerbeke (politie), Shanna Wemmers (TNO) en Arnout de Vries (TNO)

De burgerdetectives

Is er sprake van een overheid die burgers betrekt (burgerparticipatie) of van burgers die de overheid betrekken bij misstanden (overheidsparticipatie)? Steeds meer burgers en organisaties onderzoeken misdrijven zoals bijvoorbeeld een fietsendiefstal, ondermijning of oorlogsmisdrijven in Oekraïne en Afghanistan. Deze ontwikkeling is niet te stoppen en wordt aangejaagd doordat data en informatie via sociale media en apps eenvoudig toegankelijk zijn.

Samenwerking essentieel?

TNO doet hier onderzoek naar. En wat blijkt? Burgers hebben niet alleen behoefte aan begeleiding maar men verwacht ook iets terug. Bijvoorbeeld bij een strafzaak. Daarnaast vragen politie en justitie zich af hoe men meer gebruik kan maken van de capaciteit, kennis en kunde vanuit de maatschappij? En hoe aan te sluiten op deze initiatieven? Wat zijn de kansen en wat zijn de risico’s? En hoe ga je daarmee om?

Praktisch toepasbaar

Al deze vragen komen aan bod in het handboek die hulporganisaties kunnen gebruiken om burgerinitiatieven te begeleiden en te ondersteunen. Hierbij gelden de wettelijke regels en politie en het Openbaar Ministerie kunnen aangeven wat de grenzen zijn in de samenwerking met opsporende burgers en het gebruik van informatie die van burgers afkomstig is. Eigenrichting dient te worden voorkomen, in dergelijke gevallen is vervolging van burgeropspoorders die strafbare feiten plegen of andere fundamentele belangen schenden die relevant zijn voor het strafproces, mogelijk. Zo zal de overheid burgers kunnen bekrachtigen waar dat kan, begrenzen waar dat moet en zich inzetten om de veiligheid van alle betrokkenen te beschermen.

In het handboek komen 24 onderzoeksmethodieken aan bod. Deze zijn vanuit de opsporingspraktijk van de politie vertaald naar de praktijk van de burgerrechercheur. De toelichtingen op de methodieken worden gegeven aan de hand van een voorbeeldmisdrijf.

Eerste Hulp bij Opsporing, Handboek Burgerdetectives

Het door TNO ontwikkelde handboek is een kennisbundel gericht op burgers, organisaties en beroepsgroepen die hulp bieden aan slachtoffers van misdrijven. Denk hierbij aan politie, gemeenten, verzekeraars, advocatuur, onderzoeksjournalisten, particuliere recherchebureaus of vrijwilligersorganisaties”.

Lees of download hier het gehele boek.

Bron: TNO

Monitoring door gemeenten van online aangejaagde ordeverstoringen

In opdracht van het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap bracht Bantema in kaart hoe Nederlandse gemeenten online bronnen monitoren voor de openbare orde en veiligheid. Het onderzoek is onder zijn leiding uitgevoerd binnen een multidisciplinair team met onderzoekers Maarten Hoekstra en Saskia Westers van NHL Stenden en in samenwerking met Solke Munneke en Rianne Herregodts van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).

Gemeenten lijken steeds vaker geconfronteerd te worden met ordeverstoringen die online beginnen of online versterkt worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om onrust rondom politieke besluiten, overlast door groepen en individuen, oproepen tot demonstraties, illegale evenementen en polarisatie tussen inwoners. Bantema doet al jaren onderzoek naar de bestuurlijke rol en bevoegdheden van burgemeesters in online monitoring en handhaving.

Onderzoeksmethoden

Het onderzoek is gebaseerd op literatuur, juridisch bronnenonderzoek, groepsinterviews met gemeenten en politie en een online vragenlijst die is ingevuld door 196 gemeentelijke medewerkers (OOV/Communicatie), die werkzaam zijn binnen 156 verschillende Nederlandse gemeenten.

Openbare persoonsgegevens

Hoewel 95% van de ondervraagde gemeentelijke medewerkers aangeven dat hun gemeente aan online monitoring doet, blijkt nog vaak onduidelijk aan welke regelingen zij zijn gebonden. Meer dan de helft (54%) van de gemeentelijke medewerkers geeft aan geen protocol of beleid te hebben voor online monitoring binnen hun gemeente. Dit is volgens Bantema wel noodzakelijk: “Je hebt al snel te maken met een privacywetgeving. Social media zijn weliswaar openbaar, maar het is een misverstand te denken dat je alles mag doen met gegevens die je uit openbare bronnen haalt. Een naam, IP-adres en zelfs een nickname zijn ook persoonsgegevens. Gemeenten weten niet wat ze wel of niet mogen en zijn niet op de hoogte van de juridische kaders als het gaat om online monitoring.”

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=250548541&doc=blackboxvangemeentelijkeonlinemonitoring-pdf-211028122543&type=d]

Tijdens het CCV-webinar ‘Monitoring van online aangejaagde ordeverstoringen’ op 9 juni vertelde onderzoek Willem Bantema over het onderzoek ‘Black box van gemeentelijke online monitoring; Een wankel fundament onder een stevige praktijk’ en de resultaten en de aanbevelingen die naar voren zijn gekomen.

Ook Rianne Herregodts, Universitair docent en onderzoeker aan de Universiteit van Groningen, vertelt over het juridische kader van online monitoring door gemeenten. Wat mag wel, wat mag niet? Dit filmpje is een bijdrage voor het CCV-webinar ‘Monitoring van online aangejaagde ordeverstoringen’ van 9 juni 2021. Bekijk hier het gehele webinar terug.

Bronnen: HetCCV, NHL, RUG

 

Heel Holland spoort op

Naar een afwegingsmodel voor de politie in de omgang met burgers die zelfstandig onderzoek doen
Auteurs: Arnout de Vries, Shanna Wemmers, Stan Duijf & Victor Kallen, Eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Veiligheid 2020 (19) 2-3

Burgers die zelfstandig misdrijven onderzoeken is een groeiende trend vanwege de democratisering van informatie (zoals sociale media), onderzoeksmiddelen (zoals apps) en kennis (zoals op YouTube). Meer en meer burgers doen hun eigen onderzoek als moderne Sherlocks. Dit artikel onderzoekt hoe de politie participeert in hedendaagse onderzoeken van burgers, inclusief de ervaren voor- en nadelen. De verkregen inzichten van het gepresenteerde onderzoek dienen als leidraad om politieagenten te helpen begrijpen hoe ze kunnen participeren met burgers die zelfstandig onderzoek gestart zijn of willen starten. Het gepresenteerde afwegingsmodel legt uit hoe de politie burgers beter kan begeleiden en stimuleren, maar ook stoppen of beschermen in hun onderzoeksactiviteiten als dat nodig is. In vier politie-eenheden is onder professionele begeleiding een app getoetst waarmee de politie kan participeren in onderzoek dat burgers zelf hebben opgestart en te leren van wederzijdse verwachtingen en ervaringen. De conclusie is dat burgers begeleiding nodig hebben, maar belangrijker nog is dat ze een zekere mate van wederkerigheid verwachten in de samenwerking met de politie bij het strafrechtelijk onderzoek.

Inleiding: moderne Sherlocks

‘Ik bel de politie en ga ervan uit dat ze meteen ingrijpen en die foto’s willen bekijken, toch? Maar nee. Ze zeggen letterlijk: “Die foto’s willen we niet. Je mag ze niet aan ons
laten zien, want als dat strafbare foto’s zijn en jij hebt ze, dan ben jij strafbaar.” Wat?!?’ – passage uit een YouTube-vlog van Vrije Vogels (Van der Meulen, 2018).

Sven van der Meulen, ook wel bekend als de Meppelse vlogger, heeft na zelf onderzoek te doen foto’s en een filmpje ontvangen van een man die jonge jongens drogeert en seksueel misbruikt. Hij wil dit materiaal direct met de politie delen en wil een afspraak met de man maken, maar de politie wijst hem erop dat dit materiaal strafbaar is en slaat dit ‘bewijsaanbod’, en daarmee ook de opvolging in deze zaak, af (Van der Meulen, 2018).

Sven is een voorbeeld van een burger die zelf onderzoek uitvoert naar misdrijven. Burgers kruipen steeds meer in de rol van politie, op gebieden als handhaving, hulpverlening en opsporing. Als ze worden geconfronteerd met een strafbaar feit, starten ze op eigen initiatief met ‘opsporen’. De maatschappelijke aandacht naar dit fenomeen ‘Do-It-Yourself Policing’ groeit al jaren levendig (Denef et al., 2017), net zoals het aantal burgers dat zelf start met opsporen gestaag lijkt toe te nemen (De Vries, 2018). Van het internationale onderzoekscollectief Bellingcat tot aan de vele duizenden lokale WhatsApp-buurtgroepen, heel Holland spoort op, zo lijkt het. Noemenswaardig is dat de aandacht voornamelijk is uitgegaan naar de opsporende burger en het romantiserende mediagenieke Sherlock Holmesgehalte van dit fenomeen dat in de breedte van private opsporing groeit (De Vries, 2015). De casus van Sven illustreert echter dat burgeronderzoek naar misdrijven
iets complexer ligt dan alleen de kunst van deductie. Wettelijke bevoegdheden en beperkingen van politie en burgers zijn niet altijd in lijn met wederzijdse verwachtingen, terwijl de behoefte en mogelijkheden om zelf onderzoek uit te voeren steeds meer lijken toe te nemen.

Participatie binnen de opsporing is een internationale trend, waarin Nederland tot de koplopers lijkt te behoren (Denef et al., 2017). De politie ontwikkelt haar rol binnen deze trend waarin steeds meer burgers op allerlei wijzen en bij allerlei misdrijven participeren of handelen in politietaken (Politie & Justitie, 2019). Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Operationele handvatten in de politiepraktijk voor het versterken van voordelen en het minimaliseren van nadelen door amateurspeurneuzen ontbreken echter nog. In dit artikel worden door een reflectie op de huidige situatie wensen en eisen afgeleid voor de omgang tussen politie en initiatiefrijke burgers. De vertaling hiervan is verwerkt in een model met praktijkgerichte handvatten voor de politie om te komen tot de uitvoering van de ontwikkelde visie. Door gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de operationele interactie tussen burger en politie bij burgeronderzoek dient dit model echter verder
gevalideerd te worden in meer praktijksituaties.

Methode

Op basis van de huidige status en ontwikkelingen van burgeronderzoek bij misdrijven is een afwegingsmodel ontwikkeld voor de samenwerking tussen burgeronderzoekers en politie. Dit model is gebaseerd op de huidige literatuur, casuïstiek, wetgeving en het beleid van de Nederlandse politie. Het model is iteratief ontwikkeld met behulp van diverse expertsessies en een praktijkproef.

Het model is in samenwerking met burgers in de praktijk getoetst aan de hand van de app die de politie samen met het OM op 1 juni 2019 heeft gelanceerd: ‘Mijn Onderzoek’. Met deze app konden burgers zelf onderzoek doen als zij slachtoffer waren geworden van eenvoudige diefstal. Burgers kregen in de proeftuin na aangifte de mogelijkheid om via de app hun onderzoek uit te voeren. Met de app konden zij onderzoekshandelingen verrichten en opsporingsindicaties vastleggen door het uploaden van beeldmateriaal, het maken van notities, het uitvoeren van online buurtonderzoek en het afnemen van getuigeninterviews. Aan de proef deden tientallen burgers (N=46) en politieagenten (N=20) mee uit basisteams van zes verschillende politie-eenheden. Vooraf zijn de deelnemers via enquêtes bevraagd over hun verwachtingen en achteraf is via telefonische interviews gevraagd naar hun ervaringen.

Voorafgaand aan de proeftuin is het afwegingsmodel middels een viertal expertsessies iteratief besproken volgens de Delphi-methode (Dalkey et al., 1963; Ono & Wedemeyer, 1994) en met de opgehaalde feedback verwerkt. Tientallen experts, zoals aanwezig op de conferentie ‘de politie van overmorgen’, kwamen vanuit de politie, Politieacademie, het OM en van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op een MUSIS-bijeenkomst waren er aanvullend nog strafrechters en strafrechtadvocaten. De proeftuin bood een eerste validatie van het model in een praktijkomgeving. Aan de hand van de resultaten van de proeftuin zijn geen nieuwe iteraties gemaakt aan het model, maar worden wel aandachtspunten in de afsluitende discussie van dit artikel besproken.

Theoretisch kader

Burgeronderzoek
‘Opsporing’ is een juridische term die duidt op het ‘in het Nederlands strafprocesrecht […] doen van onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen’ (art. 132a Wetboek van Strafvordering). Burgers die zelfstandig handelen kunnen dus juridisch gezien niet opsporen; daarom wordt binnen dit artikel de term ‘burgeronderzoek’ toegepast. Dit burgeronderzoek naar strafbare feiten doen burgers regelmatig volledig autonoom en onafhankelijk, bij gelegenheid in wereldwijde (virtuele) netwerken en slechts soms in samenwerking met de politie. Het aantal en de variëteit van initiatieven is groot, de ene burger bericht over zijn gestolen fiets op Facebook2 en de ander spant samen om via een online community pedoseksuelen3 of oorlogsmisdadigers te ontmaskeren.4

2 Fiets is foetsie’ als website waarop burgers hun verloren of gevonden fietsen kunnen posten: www.fietsisfoetsie.nl.
3 Op het YouTube-kanaal ‘Betrapt’ laat men zien hoe vermeende pedoseksuelen worden geconfronteerd,
bijvoorbeeld: www.youtube.com/channel/UC1QRdOZ6zwpe0fUVOyGWuvw.
4 Hackers van Anonymous voeren strijd tegen IS verder op: https://nos.nl/artikel/2069431-hackers-van-anonymous-voeren-strijd-tegen-is-verder-op.html.

Abstracte ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering dragen volgens velen bij aan deze ontwikkeling (Duijf, 2018), maar de integratie van technologie en internet in het dagelijks leven lijkt nog prominenter bij te dragen aan het opsporend vermogen van deze zelfstartende Sherlocks (De Vries & Smilda, 2014). Burgers staan in continue verbinding met elkaar en internet biedt informatie op alle vlakken. Denk hierbij aan de opmars van open-bronnenonderzoek. Oprichter van Bellingcat – Elliot Higgins – noemde open-bronnenonderzoek door burgers zelfs een vreedzame revolutie die waarheidsvinding bevordert (Higgins, 2018). Met zijn onderzoek naar de MH17 hielp dit onderzoekscollectief het internationale Joint Investigation Team (JIT) en won het internationaal erkende mediaprijzen. Samenwerking met burgers kan waardevol zijn voor politie en justitie en
hun opsporingsonderzoeken, maar risico’s zijn er ook.

Slimmer samenwerken
Samenwerking met burgers is de politie niet vreemd. De politie zet burgers in wanneer zij mogelijk informatie hebben die de politie kan helpen bij haar opsporingsonderzoek. Denk aan de inzet van Burgernet bij zoekacties of televisieprogramma Opsporing Verzocht, dat ook bewezen effecten sorteert (Van Erp, Van Gastel & Webbink, 2012). Van oudsher worden burgers betrokken bij het opsporingsonderzoek in de rol van bijvoorbeeld slachtoffer, verdachte of getuige. Ook op digitaal vlak heeft de politie de laatste jaren fors geïnvesteerd, zoals in de aanwezigheid op het web met sociale-media-accounts (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012) en zelfs via een politie-podcast zoekt de politie op een moderne manier de interactie met het publiek op (Van der Graaf, 2019).

Een kenmerk van de huidige participatie is dat de politie het initiatief neemt, zij stelt een vraag en verwacht antwoord van de burger. De burger antwoordt en de politie onderzoekt zelf verder. Wanneer de politie het initiatief neemt en de burger ondersteunt of participeert, spreken we van burgerparticipatie (De Vries & Smilda, 2014).

Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers blijken alerter te worden, voelen zich na enige tijd veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot en heterdaadkracht is altijd al grotendeels afhankelijk geweest van de inbreng van burgers (Kerstholt, De Vries, Mente & Huis in ’t Veld, 2015; De Vries et al., 2016). Verschillende hedendaagse praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010). Burgers melden en signaleren via moderne sociale-mediakanalen in hun buurt, middels websites, apps of telefonisch en het zijn juist deze signalen van de burger waar de overheid grotendeels van afhankelijk is. Burgerparticipatie loont, want van alle aangehouden verdachten wordt 85% op heterdaad betrapt en gearresteerd. Daarvan is 60% te danken aan de alertheid en meldingsbereidheid van de burger. Dit komt neer op 51% van het totaal aantal aangehouden verdachten (Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde, 2007).

In een groeiend aantal gevallen wordt het initiatief echter ingegeven door een volgens de burger tekortschietende politie (Schreurs, 2019). Burgers denken dat de politie hun verwachtingen niet kan waarmaken en besluiten zelf op zoek te gaan naar waarheidsvinding en rechtspreking (Duijf, 2018). Bij deze nieuwe vormen van participatie zien we nu dan ook steeds vaker dat de rollen worden omgedraaid. In het voorbeeld van Sven is te zien hoe hij op eigen initiatief onderzoek heeft uitgevoerd en de politie niet of nauwelijks betrokken is geweest. Wanneer Sven zijn onderzoeksresultaten wil overdragen aan de politie voor opvolging, neemt de politie deze niet (zomaar) aan. In de opsporing willen politie en justitie vooral zelf veel invloed en regie hebben op het gehele proces (Duijf, 2018). Het is niet de bedoeling dat burgers onder het mom van ‘onderzoek’ materiaal verzamelen dat strafbaar is. Sven heeft als burger geen (opsporings)bevoegdheid om
dergelijk materiaal te verzamelen. De politie heeft bovendien geen controle over de manier waarop het materiaal wordt verkregen en hoe rechtmatig en betrouwbaar dat heeft plaatsgevonden. Burgers kunnen onbedoeld zaken verstoren als zij op een verkeerde manier met potentieel bewijsmateriaal omgaan. Daarbij heeft de politie geen controle over de mogelijk schadelijke effecten die deze bemoeienis kan hebben.

Politieparticipatie: bekrachtigen, beschermen en begrenzen van burgers

Politieparticipatie, wat wordt ermee bedoeld?

Figuur 1 Verschil tussen burgerparticipatie en politieparticipatie

Een traditionele monopoliepositie in de opsporing, daar is al lang geen sprake meer van. Politie en justitie realiseren zich steeds meer dat anderen nodig zijn om de opsporing fundamenteel te verbeteren (Politie, 2018). In haar koersdocument (N.N., 2017) laat de politie dit duidelijk blijken en staat de samenwerking met anderen die opsporen niet meer aan de zijlijn, maar in het speelveld. Maar wat betekent politieparticipatie eigenlijk? De Vries en Smilda (2014) positioneerden politieparticipatie tussen enerzijds burgerparticipatie, waar de burger gevraagd meedoet met de politie, en anderzijds burgeractiviteiten, waar de burger anderzijds zonder enige betrokkenheid van overheden opspoort (figuur 1). Er is sprake van politieparticipatie wanneer de politie deelneemt aan opsporingsactiviteiten die geïnitieerd zijn door burgers en waarin burgers de leiding nemen. In de zaak van Sven, maar ook in minder controversiële zaken zou de rol van de
politie meer participerend moeten zijn naar welwillende burgers om deze zaken in goede banen te leiden, kansen te benutten en risico’s te beperken. Op basis van literatuuronderzoek worden in dit artikel burgers die zelf het initiatief nemen om onderzoek te doen gedefinieerd als: Een of meer burgers die onafhankelijk activiteiten initiëren om informatie te verzamelen in relatie tot een gepleegd strafbaar feit met als doel om de waarheid te vinden en om recht te spreken (Duijf, 2018).

Vandaag de dag is politieparticipatie meer een strategisch voornemen van de politie dan werkelijkheid. Veiligheid is niet alleen een taak voor de overheid; burgers tonen meer en meer de behoefte om actiever te participeren binnen het veiligheidsdomein. De informatie die burgers binnenbrengen kan de politie echter

niet altijd gebruiken. De politie is daarbij gehouden aan bepaalde wettelijke opsporingsbevoegdheden en -beperkingen en heeft een terughoudende attitude wat betreft samenwerking (Duijf, 2018). Doordat burgers geen opsporingsbevoegdheid en hiervoor geen opleiding hebben gehad, bestaat voor de politie het risico dat zij de wet overtreden of onderzoeken verstoren. Om de rechtmatigheid en bewijskracht te verhogen kunnen politie en burgers wel een vorm van samenwerking opzoeken. Politie en justitie hebben daartoe ‘Leidende Principes’ (Politie en justitie, 2019) ontwikkeld binnen het Programma Versterking Opsporing en Vervolging (PVOV)5 in samenwerking met politieagenten, juristen en wetenschappers met diverse achtergronden. Uit deze principes en gebaseerd op haar algemene missie volgt dat afhankelijk van de omstandigheden de politie dient te bekrachtigen, beschermen en begrenzen.6 Bekrachtigen betekent ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van (structurele) samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. Bij het beschermen van burgers gaat het bijvoorbeeld om hun leven, vrijheid en bezittingen. Bij begrenzen gaat het om het beperken en beëindigen van ongeoorloofd gedrag. De principes bieden uitgangspunten voor hoe politie en justitie zich kunnen verhouden tot een samenleving die zelfstandig onderzoek doet dat kan worden opgevolgd in het opsporings- en vervolgingsproces.

Een andere reactie van de politie op de behoefte van burgers die willen bijdragen aan opsporing is de app ‘Mijn Onderzoek’.7 Met deze app is in de zomer van 2019 voor het eerst geëxperimenteerd om de behoeften en kansen van burgeronderzoek te combineren. Met de app kunnen burgers na een delict hun eigen onderzoeksdossier creëren dat bij een aangifte gevoegd kan worden. Middels tips en waarschuwingen communiceert de politie de afwegingskaders uit het ontwikkelde model voor het onderzoek dat de burger uitvoert om daarmee de bewijskracht te verhogen en risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. Deze ondersteuning is bedoeld om burgeractiviteiten in goede banen te leiden, zodat zowel burgers als politie en justitie maximaal baat hebben bij de uitgevoerde onderzoekshandelingen.

5 PVOV is ontwikkeld in 2005: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30300-VI-32-b1.pdf.
6 “Onveranderd is de politie waakzaam en dienstbaar te zijn aan de waarden van de rechtstaat. Deze missie vervult de politie door afhankelijk van de situatie gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen.” Zie: www.politie.nl/over-de-politie/pijlers.html.
7 Zie: www.politie.nl/nieuws/2019/mei/27/00-politie-en-om-lanceren-app-voor-burgeronderzoek.html.

Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers en politieprocessen te veranderen naar co-creatie van veiligheid. De politie zoekt naar kaders voor de ondersteuning van wederzijdse behoeften. Tot op heden heeft de (wetenschappelijke) onderzoekswereld opvallend weinig gedegen belangstelling getoond voor de wijze waarop de politie reageert op en interacteert met deze zelfstartende opsporende burger (Duijf, 2018). Opgedane ervaringen kunnen ons iets leren over de gewenste samenwerking, onderlinge verhoudingen en verwachtingen, voor de toekomst. Een casus als illustratief voorbeeld:

De ‘wraakvader’ uit Helmond
‘Wanhopig was hij, omdat de politie maar niet in actie kwam. Dus spoorde bezorgde vader Mario H. de vermeende online belager, Jack S., van zijn dochter zelf op. Daar heeft hij nu spijt van. Eenmaal oog in oog met de man die het voorzien zou hebben op zijn kind escaleert de situatie volledig. Het Openbaar Ministerie vervolgt Mario voor poging tot moord op de vermeende belager Jack. Mario zou hem ernstig toegetakeld hebben met een sneeuwschep. Het is de climax van een periode van bijna twee weken waarin Mario actief naar Jack heeft gezocht.

[…] Begin januari 2017 wordt duidelijk dat de internetliefde van de 14-jarige dochter des huizes niet de tiener Jessie is, maar de 46-jarige ex-TBS-er Jack S. die zijn behandeling er net op heeft zitten. De man stuurt als Jessie rozen en chocolade naar de woning van het meisje. De ouders vertrouwen het niet en gaan op onderzoek uit, waaruit blijkt dat Jack achter de cadeautjes zit. Ze doen aangifte.

Via Facebook start vader Mario vervolgens ook een online zoektocht naar Jack S. Mario’s oproep wordt breed opgepakt. Regionale media schrijven erover en ook landelijke media hebben er aandacht voor. Tips op basis van de oproep “gezocht pedofiel” waarin foto en een kenteken worden getoond, stromen binnen. Het zijn er wel 800.

“Ik doe het niet alleen voor mijn dochters, maar voor alle meiden. Iedereen moet gewaarschuwd zijn”, zegt Mario in een van de verhoren tegen de politie. S. zou niet alleen zijn dochter online lastigvallen, maar ook andere meisjes, zo hoort hij. Mario rijdt zelf ook op meldingen af met het idee dat wanneer hij Jack ziet hij de politie kan inschakelen zodat zij in actie komen. “Ik heb diverse keren gebeld”, zegt hij.

[…] In een brief aan EenVandaag schrijft advocaat Jan Hein Kuijpers: “Uiteraard heeft mijn cliënt spijt van hetgeen hij deed. Dat heeft hij ook meerdere malen, op emotionele wijze geuit jegens zijn verhoorders. Hij had niet voor eigen rechter mogen spelen. Dat weet hij en hij zal zijn verantwoordelijkheid en de consequenties dragen. Mijn cliënt hoopt echter dat zijn daad wel heeft geleid tot het voorkomen van nieuwe lokpogingen en bedreigingen door dhr S. in de richting van andere jonge meisjes.”’8 Uit EenVandaag: https://eenvandaag.avrotros.nl/item/wraakvader-heeft-spijt-morgen-voor-derechter.

Mario H. handelde in de overtuiging dat hij het goede deed. Hij had niet het plan om te vervolgen, maar om op te sporen. Het OM pakt deze vorm van eigenrichting aan en noemt deze vorm van burgeronderzoek een ‘jacht’. Zanger Dean Saunders startte een crowdfundingsactie voor de ‘wraakvader’, die hij Super Mario noemde. Het opgehaalde geld kon H. gebruiken voor de schadevergoeding aan de man die hij heeft geslagen. Mario H. krijgt 4,5 jaar cel.

Hoe moet de politie omgaan mensen als Mario H., die zelfstandig onderzoekshandelingen verrichten, daarover contact zoeken met de politie, maar uiteindelijk terecht kunnen komen in een situatie van eigenrichting?

Komt een burgerspeurneus aan de balie

Er zijn diverse praktijkvoorbeelden en Duijf (2018) deed eerder onderzoek naar bovenstaande vraagstukken om het proces met betrekking tot burgeronderzoekers en politie in kaart te brengen. Een eerste bevinding uit dat onderzoek laat zien dat de politie primair terughoudend en met voorzichtigheid op burgers reageert die, nadat ze met een strafbaar feit werden geconfronteerd, zelf het initiatief namen om onderzoek te doen.

Door onbekendheid en wantrouwen weet de politie niet echt hoe ze om moet gaan met deze burgers en wil ze zo veel mogelijk zelf controle houden in het opsporingsonderzoek. De politie realiseert zich ook dat deze zelfstartende burgers niet makkelijk te stoppen zijn en dat ze mogelijk ook van positieve betekenis zijn voor een onderzoek. Daarnaast realiseert de politie zich dat enige mate van samenwerking hun invloed op het burgerinitiatief kan vergroten. Om deze redenen ontstaat er dikwijls wel enige verbinding tussen initiatiefnemende burgers en politie. Om het bewustzijn over onderzoek bij burgers te vergroten is het dan ook vaak de politie die aanstuurt op een gesprek over potentiële risico’s en consequenties. De politie probeert afspraken te maken over de wijze waarop burgers hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren, zodat zij invloed houdt op het proces. De mate van invloed die de politie wil hebben op burgers lijkt daarbij toe te nemen bij omvangrijke, gevoelige onderzoeken met significante impact. De zaak Anne Faber is hierin exemplarisch (Lam, Kop & Plancken, 2019). Deze mate van behoefte aan invloed lijkt vele mate hoger dan bij veelvoorkomende criminaliteit zoals diefstal van een fiets of telefoon. Bij dergelijke ‘kleine’ zaken adviseert de politie juist steeds vaker aan burgers om zelf op onderzoek uit te gaan, met alle risico’s van dien.

‘Dezelfde avond nog ontdekte het meisje dat haar zojuist gestolen fiets online te koop werd aangeboden. Ze belde 0900-8844 om aangifte te doen. Ze kreeg het advies van de politie om online aangifte te doen en een afspraak te maken met de verkoper om te controleren of het ook echt haar fiets was. Wanneer ze haar eigen fiets zou aantreffen, kon ze de politie terugbellen. Het meisje werd door de politie niet gewezen op eventuele risico’s.’ (Duijf, 2018)

Er kunnen diverse praktische vormen van de wijze waarop de politie reageert onderscheiden worden. Een van de meest primaire vormen wanneer burgers onderzoeksinitiatieven nemen, is informatiedeling. Dit is, ook nu nog, vaak eenrichtingsverkeer: van burgers naar politie. De politie heeft in de door Duijf (2018) onderzochte casussen waardevolle informatie gekregen die ook daadwerkelijk bijdroeg aan waarheidsvinding. Hierbij kampt de politie echter met twee vraagstukken. Enerzijds wil de politie burgers betrokken houden, maar doordat ze hun opsporingsinformatie dikwijls niet (mogen) delen, haakt de betrokken burger, door dit gebrek aan wederkerigheid, nog wel eens af. Anderzijds dient de politie er rekening mee te houden dat informatie bewust of onbewust gemanipuleerd kan zijn, bijvoorbeeld informatie afkomstig uit open bronnen. Dergelijke informatie dient vanzelfsprekend niet de betrouwbaarheid van het strafrechtelijk onderzoek in het geding te brengen en de politie moet een weg vinden om hiermee om te gaan.

Het wordt door de politie dan ook als erg moeilijk ervaren om te reageren, laat staan te anticiperen, op onderzoeksactiviteiten door zelfstartende burgers (Duijf, 2018). Deze burgers organiseren zichzelf razendsnel. Dit vraagt van de politie een grote mate van flexibiliteit, een mate die ze lang niet altijd niet gewend is. De politie organiseert zich immers niet zo snel als een fluïde burgerinitiatief dat zojuist is ontstaan op bijvoorbeeld Twitter. Dergelijke dynamiek kan snel uitmonden in honderden burgers die samen klaarstaan om te zoeken naar een vermist persoon, terwijl de politie nog bezig is om alles eerst in haar systeem vast te leggen. Daarnaast wordt informatie vliegensvlug online gedeeld, waardoor de politie alleen al door de snelheid en de hoeveelheid van informatiestromen wordt overweldigd.

Resultaat

Samenwerking in de praktijk
Hoe kan de politie beter omgaan met onderzoekende burgers en hoe kunnen politie en burger de bewijskracht en rechtvaardigheid zo veel mogelijk garanderen middels een vorm van samenwerking, waarbij ook wederzijdse verwachtingen worden waargemaakt?

Wat bleek uit het praktijkonderzoek in de proeftuin was dat zowel burgers (56%) als politie (67%) het overwegend een goed idee vinden dat burgers zelfstandig onderzoek doen. Net als bleek uit diverse expertsessies verwachtten ook de politiedeelnemers uit het onderzoek niet dat elke burger in staat zal zijn zelfstandig onderzoek te doen (slechts 35% verwacht het wel). Ook burgers twijfelen nog over hun eigen capaciteiten: niemand voelt zich goed in staat zelf onderzoek te doen, 60% is neutraal en 40% vind het afhangen van de situatie (type delict en beschikbare tijd) (TNO, 2019).

Uit expertsessies werd bovendien sterk betwijfeld of iedere burger wel zelfstandig onderzoek zou mogen doen en daarin samenwerking met de politie mag verwachten. Onder burgers en politie vindt ongeveer de helft (resp. 50% en 47%) dat iedere burger hetzelfde recht heeft zelf onderzoek te doen, terwijl anderen dit niet altijd (resp. 25% en 29%) of alleen onder bepaalde condities (25% en 24%) zouden toestaan (TNO, 2019).

De voornaamste motieven van burgers zijn ‘het gevoel er alles aan gedaan te hebben’ (31%), een ‘principekwestie’ (19%) en ‘een steentje bijdragen’ (19%). Verrassend genoeg zijn emotionele en financiële motieven in de minderheid (resp. 13% en 6%). Dat maakt de risico’s zoals eigenrichting wellicht iets kleiner, maar verwachtingen ten aanzien van een goede samenwerking en communicatie met politie zijn hoog. Burgers en politie ervaren als belangrijkste resultaat tevredenheid over het proces, de samenwerking en meer begrip voor elkaar. Betekenisvolle
afdoening (ofwel ‘afronding’) wordt door burgers als zeer belangrijk gezien, vooral als de kans op het terugvinden van het gestolen goed of de dader klein is (TNO, 2019).

Afwegingsmodel voor de praktijk
Om de ervaren kansen en risico’s bij burgeronderzoek zo goed mogelijk te kaderen geeft het afwegingsmodel in figuur 2 eerste handvatten voor de operationele interactie met burgeronderzoekers. Het model dient verder gevalideerd te worden door nieuwe toepassingen in de praktijk, niet alleen door expertbeoordelingen en een proeftuin rondom eenvoudige diefstal.

Het model doorloopt het proces van een burger die bij de politie komt en biedt zo veel mogelijk objectieve onderbouwing voor de beoordeling van agenten in diverse onderzoekssituaties. Een belangrijk principe is dat op basis van een transparant proces de politie de burger beter kan begrenzen, beschermen en bekrachtigen in de onderzoeksactiviteiten en optimaal rendement uit het onderzoek en de samenwerking kan halen voor beide partijen.

1. Is er sprake van een strafbaar feit?
De afweging of tot een samenwerking kan worden overgegaan, vangt aan wanneer een burger aangifte of melding doet van een strafbaar feit. Een strafbaar feit is een misdrijf of een overtreding zoals beschreven in respectievelijk Boek 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een vermissing is door experts nog genoemd als mogelijke uitzondering op deze regel.

2. Zijn er opsporingsindicaties?
Het is van belang om vast te leggen of en welke opsporingsindicaties al door de burger verzameld zijn. De opsporingsindicaties zijn aanknopingspunten voor het onderzoek. De politie kan het burgeronderzoek en de samenwerking op basis van deze indicaties in onderlinge afstemming in goede banen leiden of deze zelf gebruiken voor onderzoek wanneer zij het onderzoek overneemt van de burger.

3. Beoordeling van de bewijsvergaring
In het geval van opsporingsindicaties worden deze beoordeeld op (in) hoe(verre) deze indicaties aanknopingspunten zijn voor (vervolg)onderzoek door burgers of politie op basis van rechtmatigheid, risico-implicaties en kwaliteit. In het beste geval komt een burger met een ronde zaak bij de politie, waarin veilig en rechtmatig onderzoek is uitgevoerd en opsporingsindicaties zijn verzameld die voldoende kwalitatief (onder andere betrouwbaar) zijn voor vervolging: een ‘klip-en-klaar’-zaak. Dit zal echter niet altijd het geval zijn.

De recent ontwikkelde leidende principes burgeropsporing (Politie en Justitie, 2019) stellen dat van samenwerking geen sprake kan zijn indien de burger een strafbaar feit pleegt tijdens de bewijsvergaring, zoals hacken of chantage. Ook wanneer uit verzameld bewijs stevige risico’s blijken, is het onderzoeksbelang van de burger ondergeschikt aan de veiligheid.

Wanneer sprake is van een ronde zaak of wanneer sprake is van reële risico’s of problemen, wordt de zaak beoordeeld door het OM voor verdere besluitvorming en kan de samenwerking (tijdelijk) worden beëindigd. In andere gevallen wordt er in principe van uitgegaan dat meer (kwalitatieve) opsporingsindicaties verzameld  unnen worden. Vervolgens is het dan zaak om de objectieve geschiktheid van het delict voor burgeronderzoek vast te stellen.

4. Is het delict geschikt?
In beginsel wordt zo veel mogelijk de samenwerking opgezocht wanneer een burger aangeeft zelf onderzoek te willen uitvoeren, nog afgezien van de situatie en context. Veiligheid staat echter voorop (Politie & Justitie, 2019) en op basis van alleen al de aard van het delict kan er een (te) hoog risico zijn, bijvoorbeeld op represailles.

Van een aantal misdrijven is het al dan niet betrekken van burgers zelfs wettelijk vastgelegd, zie Boek 1, titel VA en titel VC van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierbij gaat het om voorlopige hechtenis (VH-)feiten (art. 67 Sv), waarbij (ook) sprake kan zijn van minimaal het beramen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband (art. 126o Sv), terrorisme (art. 126zt en 126zu), of waarbij gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert (art. 126h). Bij dergelijke delicten kan de officier van justitie betrokken worden in het eventuele samenwerkingsproces. Bijstand door burgers aan andere (potentieel risicovolle) feiten dan in Boek 1, titel VA en VC Sv is nog niet wettelijk geregeld. Wanneer vanuit de aard van andere strafbare feiten naar eigen inschatting risico’s blijken, dienen deze meegenomen te worden in combinatie met stap 5, 6 en 7.

5. Wat is de rol en het belang van de burger?
Na de vaststelling van de objectieve aard en ernst van het misdrijf is het zaak de rol, motivaties en het belang van de burger in de specifieke kwestie te onderzoeken. Het expliciet vaststellen van de aard van een misdrijf is van belang om een betere weging te kunnen maken van de mogelijke motivaties van burgers. Zo zijn er duidelijk verschillen tussen bijvoorbeeld vermogens- en geweldsdelicten of bijvoorbeeld afpersingszaken in wat dit zou kunnen betekenen voor de motivatie van betrokkenen om informatie te zoeken en/of te delen. Omdat het hierbij gaat
om de psychologische processen die van invloed (kunnen) zijn op de door de burger genomen beslissing(en), verschilt deze inschatting van de – sec juridische – beoordeling van het misdrijf. En hoewel deze processen (vooralsnog) in de objectieve, juridische, zin van het woord nog lang niet altijd een rol spelen in de (strafrechtelijke) overwegingen, dragen ze wel substantieel bij aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verkregen informatie. Zo is het een bekend gegeven dat onder hoge (mentale) druk, bijvoorbeeld veroorzaakt door een sterke emotionele betrokkenheid, het oog voor (potentieel relevante) details verloren gaat (Martin, McLeod, Périard, Rattray, Keegan & Pyne, 2019; Levine & Edelstein, 2009). Dat maakt dat de omstandigheden waaronder burgers informatie verzamelen mogelijk relevant zijn voor het op waarde schatten van de resultaten. Dit is overigens een effect dat ook opgaat bij ‘retrieval’ (een bewust opgeroepen herinnering)
wanneer er bijvoorbeeld door betrokkenen later verklaard moet worden (Gagnon, Waskom, Brown & Wagner, 2019; Quervain, Aernni, Schelling & Roozendaal, 2009).

De wetenschappelijke inzichten in dergelijke processen ontwikkelen zich snel. Ook gerelateerd aan persoonlijke factoren zoals motivatie, intenties en zelfs vooroordelen (met bepaalde, vaak onbewuste, vooringenomenheid naar informatie zoeken). De mogelijke praktische consequenties van deze psychologische processen voor de validiteit en betrouwbaarheid van verklaringen of anderszins aangeleverde informatie wordt soms door ‘schade en schande’ maar al te evident. De ontwikkeling van methodes om dergelijke factoren bij aangevers adequaat te kunnen beoordelen staat nog in de kinderschoenen en de beoordeling daarvan steunt daarom vooralsnog op de eigen professionele inschattingen. Voor agenten impliceert dit dat dergelijke factoren een rol (kunnen) spelen in het onderzoek en dat omstandigheden, motivaties en de relatie van de aangever tot het misdrijf mogelijk relevante informatie is die zou kunnen worden meegewogen in de samenwerking, mits objectief vastgelegd (‘ik hoorde dat aangever noemde dat hij de dader wil vinden’ in plaats van ‘aangever was wraakzuchtig’).

6. Wat is het onderzoeksniveau?
Aan de hand van alle genoemde factoren kan gekozen worden voor het bekrachtigen of begrenzen van de onderzoeksmethodieken voor de burger. Deze vorm van dienstverlening is erop gericht de burger handvatten te bieden voor het rechtmatig, veilig en betrouwbaar uitvoeren van onderzoek en dient daarom op zowel de burger als de situatie te worden afgestemd. Het is hier enerzijds van belang af te wegen of de burger dan wel de maatschappij gevaar loopt bij de (vervolg)uitvoering, anderzijds of bewijs zo kwalitatief mogelijk kan worden verzameld.

Wanneer het om politioneel (vervolg)onderzoek gaat, zijn drie factoren van belang, namelijk uiteraard de onderzoeksmogelijkheden die het delict biedt, de kennis en kunde van de burger, maar ook de politiecapaciteit om het burgeronderzoek binnen de wenselijke kaders te laten verlopen. Wanneer de capaciteiten van de burger niet direct helder zijn, kan in ieder geval een aantal basisonderzoeksmethoden aan de meeste burgers worden aangeboden, zoals deels ook al in de Mijn Onderzoek-app is gedaan. Denk aan het bijhouden van een logboek, het vastleggen van een situatie, een buurtonderzoek of een open-bronnenonderzoek. Deze methoden zijn relatief laagdrempelig en veilig uit te voeren.

Gezien de diversiteit in betrokkenheid en kennis en kunde van burgers is de verwachting dat burgers in verschillende mate een bijdrage kunnen leveren. Capaciteiten  van een burger kunnen delictspecifiek worden benut bij het onderzoek. Kennis en kunde kunnen gestoeld zijn op specifieke expertise, maar ook op ervaring met burgeronderzoek. De meest actieve en langstzittende leden van Bellingcat bijvoorbeeld zijn ook door schade en schande wijzer geworden in hoe ze het meest effectief kunnen bijdragen aan een onderzoek. De politie heeft op dit moment nog geen specifieke richtlijn voor het toebedelen van onderzoekmethodieken aan de hand van de capaciteiten van de burger. Het inschatten van het ‘onderzoeksniveau’ op beginner, gemiddeld of geavanceerd is vooralsnog een eigen inschatting van de agent.

7. Samenwerking?
Op basis van de eerdere stappen kan worden afgewogen op welke wijze de samenwerking wordt vormgegeven. De uitkomst van de voorgaande stappen is leidend bij het vormen van de start van een samenwerking. Wanneer het burgeronderzoek op basis van voorgaande stappen relatief veel risico’s meebrengt, dienen eerder meer afspraken gemaakt te worden, zal een indringend gesprek nodig zijn, moet worden afgezien van burgeronderzoek of kan zelfs strafrechtelijke vervolging een maatregel zijn, dan wanneer er weinig risico’s zijn.

De samenwerkingsbeoordeling gedurende het onderzoek is een continu proces. De stappen uit dit model worden dan ook meerdere malen gedurende het proces getoetst. Aan afspraken, of juist het niet nakomen daarvan door burgers, dienen consequenties te worden verbonden. De politie kan besluiten de samenwerking te continueren, de samenwerking bij te sturen of besluiten de samenwerking (tijdelijk) te stoppen. Stoppen is verplicht indien de veiligheid van de burger in het geding komt of als deze strafbare feiten pleegt tijdens het onderzoek (Politie & Justitie, 2019).

Essentieel bij de samenwerking is dat beide partijen op de hoogte zijn van de ‘spelregels’; de wettelijke (on)mogelijkheden van zowel burgers als politie om onderzoek uit te (doen) voeren. Het moet immers voorkomen worden dat de politie (on)bedoeld burgers inzet om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen. Eventuele onrechtmatigheid van de bewijsvergaring is dan terug te leiden naar de politie.

8. Afhandeling/opvolging?
Wanneer de burger het onderzoek als afgerond aanlevert, kan de politie beoordelen of de zaak daadwerkelijk kan worden afgehandeld. In dat geval kan de zaak doorgestuurd worden naar het OM. Ook is het mogelijk dat de politie beoordeelt dat meer bewijs is vereist of dat het onderzoek niet in het strafrechtdomein, maar in een ander rechtsdomein dient te worden voortgezet. De politie kan ervoor kiezen het onderzoek op basis van de huidige stand van zaken te beoordelen en deze eventueel weer terug te leggen bij de burger of zelf opvolging te geven aan het dossier.

Discussie: Wat kunnen we aanbevelen?

Door het beschikbaar komen van allerhande technische middelen en mogelijkheden kunnen burgers makkelijker en massaler dan voorheen strafrechtelijk relevante informatie verzamelen en onderzoeken. Er ontstaat hiermee ook een verandering in het verwachtingspatroon van de burger over politie en justitie. Men wil snelle opvolging door politie en vervolging door justitie. De praktijk van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt tegenwoordig echter nog (mede) gekenmerkt door schaarstemanagement, beleidskeuzes en lange doorlooptijden,
waarbij de communicatie of samenwerking met de burger soms niet of moeizaam verloopt. Hierdoor kunnen risico’s ontstaan en potentiële winsten worden misgelopen.

De overheid dient het potentieel van burgers te herkennen en erkennen. Participatie, zowel vormen van burgerparticipatie als van politieparticipatie, is gebaseerd op wederkerigheid en past in de trend van horizontalisering van verhoudingen tussen burgers en overheid (Cleiren, 2010). Rechtsstatelijkheid staat voor de politie en het Openbaar Ministerie daarbij altijd voorop, in iedere vorm van samenwerking. Niet iedere samenwerking is echter juridisch ingekaderd. De proeftuin zoals met de app ‘Mijn Onderzoek’ en eerder onderzoek naar casussen uit de praktijk van Duijf (2018) laten zien dat de politie wel meer kan leren (learning by doing) in de samenwerking met (zelfstartende) onderzoekende burgers. Meer ervaring opdoen met dit fenomeen helpt politie en justitie, maar ook burgers, waarin iedereen kan ontdekken hoe de samenwerking het beste vormgegeven kan worden om kansen te benutten en risico’s te beperken.

Er is meer empirisch onderzoek nodig om vast te stellen hoe burgers en de politie samen participeren in opsporingsonderzoeken, zeker waar dit verder gaat dan een enkel individu. Het wetenschappelijk onderzoek zou voornamelijk gericht moeten zijn op de praktische effecten van een meer participerende rol van de politie en een meer onafhankelijke rol voor zelfstartende onderzoekende burgers in het opsporingsonderzoek, waarbij aan wederzijdse behoeften kan worden voldaan.

Veel politieagenten weten niet hoe ze moeten reageren op burgers die op eigen initiatief starten met het onderzoeken van misdrijven. Voor burgers voelt het nu mogelijk niet transparant als zij in de samenwerking worden afgewezen. Richtinggevende kaders, zoals het gepresenteerde model dat daartoe een eerste aanzet geeft, kunnen politieagenten in de praktijk ondersteunen en voorzien daarnaast mogelijk ook in een meer eenduidige politionele attitude op dit domein. Het zou helpen om deze richtinggevende kaders verder door te ontwikkelen voor doe-hetzelf-burgeronderzoek. Het model bespreekt vooral het voortraject en gaat minder in op fasen van opvolging in het strafrechtdomein. Ook de opvolging in andere rechtsdomeinen behoeft nadere uitwerking. Met het model kan hopelijk gedeeltelijk worden voorkomen dat burgers wettelijke en ethische grenzen overtreden, dat er onnodig gevaarlijke situaties ontstaan en dat bewijs (al dan niet per ongeluk)
gemanipuleerd wordt. Daarnaast kan de politie burgers ook gidsen en ondersteunen in de wijze waarop ze hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren: begrenzen, beschermen en bekrachtigen. Burgers die zich mengen in politieonderzoeken en politie die zich mengt in burgeronderzoeken stelt echter nieuwe vragen aan het huidige beleid. Want op het snijvlak van burgerparticipatie en politieparticipatie ontstaan wezenlijk nieuwe dilemma’s voor de verhouding tussen overheid en samenleving.

Literatuur

  • Cleiren, C.P.M. (2010) Evolueren naar meer horizontale en multidimensionale verhoudingen in het strafrecht. Mechelen: Kluwer 2010.
  • Cornelissens, A. & H. Ferwerda (2010) Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • Dalkey, N. & O. Helmer (1963) An experimental application of Delphi method to the use of experts. Management Science, 9(3), 458.
  • De Quervain, D.J.-F., A. Aerni, G. Schelling & B. Roozendaal (2009) Glucocorticoids and the regulation of memory in health and disease. Frontiers in Neuroendocrinology, 30(3),
    358-370. doi: 10.1016/j.yfrne.2009.03.002.
  • De Vries, A. (2015) Moderne Sherlock zit in ons allemaal [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/moderne-sherlock-zit-ons-allemaal.
  • De Vries, A. (2018) Opsporen? Doe het zelf! [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/opsporen-doe-het-zelf.
  • De Vries, A. & F. Smilda (2014) Social Media: het nieuwe DNA. Amsterdam: Reed Business Education.
  • De Vries, A., M. Steen, A. Stoter, K. Brouwer, M. den Hengst & C. Nevejan (2016) BART! Rapport: resultaten uit fase 2C. Geraadpleegd op 6 januari 2020 op www.bartportal.nl/
    documents/samenvatting-concrete-resultaten-fase-2c-ha-v-09.
  • Denef, S., A. de Vries, K. Hadjimatheou, A. Roosendal, H. van Vliet, M. Cecowski, J. Diego, R. Fernández, K. Hadjimatheou, J. Coaffee, E. Kermitsis, N. Moustakidis, K. Tani,
    P. de la Torre & F. Williamson (2017) DIY Policing. European Union: Medi@4sec.
  • Duijf, S. (2018) Modern Sherlock Holmes. How will the police respond? A multiple case study into forms of police participation in citizen criminal investigation. Apeldoorn: Canterbury Christ Church University en Politieacademie.
  • Gagnon, S.A., M.L. Waskom, T.I. Brown & A.D. Wagner (2019) Stress Impairs Episodic Retrieval by Disrupting Hippocampal and Cortical Mechanisms of Remembering. Cerebral cortex, 29(7), 2947-2964. doi: 10.1093/cercor/bhy162.
  • Higgins, E. (2016). Finding truth in a post-truth world | Elliot Higgins | TEDxAmsterdam [YouTube]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op TEDxAmsterdam: www.youtube.com/watch?v=mozxTk3Brqw.
  • Kerstholt, J.H., A. de Vries, R. Mente & M. Huis in ’t Veld (2015) Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking. Tijdschrift voor Veiligheid 0304(14). doi: 10.5553/TvV/1872794820150140304005.
  • Lam, J., N. Kop & C. Plancken (2019) Burgerparticipatie: leren van de zaak van Anne Faber. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.websitevoordepolitie.nl/coverstoryburgerparticipatie-leren-van-de-zaak-anne-faber.
  • Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde (2007) Meer heterdaadkracht: ‘Aanhoudend in de buurt’. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/42929.pdf.
  • Levine, L.J. & R.S. Edelstein (2009) Emotion and memory narrowing: A review and goalrelevance approach. Cognition and Emotion, 23(5), 833-875. doi: 10.1080/02699930902738863.
  • Martin, K., E. McLeod, J. Périard, B. Rattray, R. Keegan & D.B. Pyne (2019) The Impact of Environmental Stress on Cognitive Performance: A Systematic Review. Human Factors, 61(8), 1205-1246. doi: 10.1177/0018720819839817.
  • Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie, M. Thaens & P. Siep (2012) Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • N.N. (2017) Naar een toekomstbestendige opsporing en vervolging, Koersdocument. Geraadpleegd op 27 januari 2020 op https%3A%2F%2Fwww.regioburgemeesters.nl%2Fsave419%2F&usg=AOvVaw1zadEfcnxrHzOyzd00nenD.
  • Ono, R. & D.J. Wedemeyer (1994) Assessing the Validity of the Delphi Technique. Futures, 26(3), 289-304.
  • Politie (2018) Ontwikkelagenda Opsporing. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/11/16/tkbijlage-hoofdlijnenversie-ontwikkelingagenda-opsporing/tk-bijlage-hoofdlijnenversieontwikkelingagenda-opsporing.pdf.
  • Politie & Justitie (2019) Leidende principes Burgeropsporing [intern document].
  • Schreurs, W. (2019) Crossing lines together: how and why citizens participate in the police domain. Enschede: University of Twente. doi: 10.3990/1.9789036548496.
  • TNO (2019) Enquêteresultaten Mijn Onderzoek [intern document].
  • Van der Graaf, A. (2019) Luistermoord: De podcast als opsporingsmiddel. Blauw magazine, 5.
  • Van der Meulen, S. (2018) Undercover met politie – Vrije Vogels [vlog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.youtube.com/watch?v=e_Nu5Jx15PU.
  • Van Erp, J.G., F. van Gastel & H.D. Webbink (2012) Opsporing verzocht. Een quasi-experimentele studie naar de bijdrage van het programma Opsporing Verzocht aan de oplossing van delicten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap.

De burger als collega: Cocreatie in liquidatieonderzoeken

De politie ziet de betrokkenheid van burgers bij de opsporing als noodzakelijk om de slagkracht van de politie te vergroten. Daarbij wil zij de burger inzetten als opsporingsmedewerker en hiermee toewerken naar een intensieve vorm van burgerparticipatie: cocreatie. Bij deze samenwerkingsvorm formuleren politie en burger een gezamenlijke probleemdefinitie en werken ze vervolgens samen aan een oplossing welke meerwaarde heeft voor beide partijen (Bekkers & Meijer, 2010; Centrum Versterking Opsporing, 2011; Van der Hoeven, 2011 in Kop 2012:34). Naast de mogelijkheid om op deze wijze de kennis, kunde en creativiteit van burgers in te zetten in opsporingsonderzoeken, wordt de politie ook gedwongen om de samenwerking met burgers op te zoeken aangezien burgers steeds meer mogelijkheden hebben om zelf op te sporen en hier ook gebruik van maken (De Vries, 2018).

Eenheid Amsterdam is regelmatig belast met liquidatieonderzoeken en vraagt zich of cocreatie met burgers ook geschikt is voor dit type onderzoeken en op welke wijze. Want hoewel de politie de ambitie heeft uitgesproken om te cocreëren met burgers, wordt niet toegelicht hoe dit vervolgens gedaan kan worden.

In deze scriptie is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor cocreatie met burgers in liquidatieonderzoeken. Hierbij is gekeken naar de huidige inzet van burgers in dit type onderzoeken, eerdere vormen van cocreatie met burgers in andere opsporingsonderzoeken en de toegevoegde waarde, voorwaarden en knelpunten van cocreatie met burgers in dit type onderzoeken. De onderzoeksvragen zijn beantwoord middels een literatuurstudie gecombineerd met interviews met teamleiders van liquidatieonderzoeken, een rechercheofficier, experts op het gebied van burgerparticipatie bij de politie en coördinatoren van heimelijke opsporingsmethoden met burgers.

Uit de resultaten is gebleken dat de gevaarzetting in liquidatieonderzoeken een belangrijke al dan niet bepalende rol speelt in hoe samenwerkingen tussen burgers en politie in liquidatieonderzoeken eruit kunnen zien. De politie ervaart dat burgers bang zijn voor represailles uit de kring van de verdachte(n) en daarom niet met de politie willen praten. Ook OM en politie zien een risico dat verdachten burgers die een noemenswaardige bijdrage leveren aan een liquidatieonderzoek, niet met rust zullen laten.

Zolang de criminele samenwerkingsverbanden (CSV’s) niet weten welke burgers samenwerken met de politie in liquidatieonderzoeken kunnen de kansen op represailles verkleind worden alsmede de angst van burgers hiervoor. Oplossingen voor het waarborgen van de anonimiteit van burgers liggen in samenwerkingsvormen die niet in het procesdossier terecht komen en daarmee niet op zitting besproken hoeven te worden. Hoewel de mogelijkheid van afscherming van informatie en identiteit bestaat kunnen politie en OM deze afscherming niet garanderen aangezien de rechtspraak hierover gaat.

Mogelijkheden voor vormen van cocreatie in liquidatieonderzoeken waarbij burgers anoniem kunnen blijven en hun bijdrage niet hoeven te verantwoorden op zitting liggen in :
– (online) brainstormsessies waarbij burgers en politie samen opsporingsstrategieën, hypothesen en scenario’s ontwikkelen.
– een samenwerking met (groepen) burgers die specifieke kennis of kunde bezitten die ze kunnen uitleren aan de politie of samen met de politie kan inzetten. De politie kan zo op eigen titel een proces-verbaal maken en hierover verantwoording afleggen.
– een proactieve samenwerking met burgers door samen met hen barrièremodellen gericht op de liquidatieproblematiek te ontwikkelen en burgert bewust maken van signalen die wijzen op liquidatieproblematiek.

Het aspect van een gelijkwaardige samenwerking kan gewaarborgd worden door de inbreng van alle actoren op gelijke wijze te handelen en mee te laten wegen. Dit kan door elkaar te controleren op inhoud maar eventueel ook door een screening of opstellen van een convenant zodat het wantrouwen richting burgers ten opzichte van contrastrategieën of onbetrouwbare informatie verkleind kan worden. De toegevoegde waarde voor politie en burgers en daarmee de wederzijdse afhankelijkheid wordt op basis van de theorie en enkele ervaringen verwacht maar dient verder onderzocht en in de toekomst getoetst te worden.

[slideshare id=238425419&doc=deburgeralscollega-200909071523&type=d]

Bron: Politieacademie.nl/burgerparticipatie

Evaluatie Coldcase Hackathon

Coldcases en samenwerking met private partijen en burgers

Sinds 1996 komen in Nederland gemiddeld ongeveer 180 personen per jaar om het leven door moord of doodslag. Hoewel het aantal levensdelicten de laatste jaren aanzienlijk is afgenomen, werden de laatste 10 jaar nog steeds gemiddeld 140 mensen per jaar slachtoffer van geweld met een fatale afloop. De meeste van deze levensdelicten worden door de politie opgelost. Toch heeft de politie ook te maken met een aanzienlijk aantal niet opgeloste zaken. Sinds de vorming van de Nationale Politie zijn zogeheten coldcaseteams bezig met het inventariseren en onderzoeken van onopgeloste levensdelicten. Inmiddels gaat het om ruim 1700 zogenaamde coldcases. Het maatschappelijk effect van deze zaken is groot. Niet alleen gaat de dader vooralsnog vrijuit, de nabestaanden hebben recht op duidelijkheid over het lot van hun dierbaren. Bovendien bestaat de kans dat de dader opnieuw een misdrijf begaat. Het is daarom van groot maatschappelijk belang dat coldcases worden opgehelderd. Helaas is de capaciteit die de politie beschikbaar heeft voor de opsporing, waaronder coldcaseonderzoek, beperkt. Mede om die reden wordt de laatste jaren gezocht naar nieuwe manieren om coldcases aan te pakken. Er vinden experimenten plaats om met behulp van Artificial Intelligence coldcases opnieuw te bekijken voor nieuwe aanknopingspunten. Ook word er steeds vaker gebruik gemaakt van verschillende groepen burgers. Gepensioneerde politiemensen bekijken opsporingsdossiers opnieuw, maar ook hogescholen en universiteiten bekijken coldcases met een frisse blik. Deze inbreng van buiten de politieorganisatie heeft niet alleen als voordeel dat de politiecapaciteit wordt versterkt, maar ook dat kennis, expertise en inzichten worden ingebracht die de politie zelf niet altijd voorhanden heeft. Hierbij valt de denken aan de inzet van forensische nanotechnologie door het Saxion college. Maar ook het inzetten van bijvoorbeeld digitale vaardigheden door burgerexperts. Dat deze werkwijze potentie heeft, blijkt uit het voorbeeld van Serendip. Deze burgeropsporingsgroep wist een aantal jaar
geleden binnen 2½ uur een coldcase op te lossen.

Het samenwerken met burgers en private partijen in een opsporingsonderzoek zijn vergaande vormen van burgerparticipatie, die ook wel cocreatie worden genoemd. Bij cocreatie werken alle
partijen gelijkwaardig samen aan een gezamenlijk doel. Hoewel vanuit zowel de politiepraktijk als de wetenschap wordt verondersteld dat cocreatie mogelijk een waardevolle bijdrage kan leveren aan de opsporing, zijn er tot op heden nauwelijks voorbeelden waarin cocreatie daadwerkelijk is toegepast binnen de context van een opsporingsonderzoek.

Doelstelling

In het kader van vernieuwende en innovatieve werkwijzen organiseerde BlueM Amsterdam op 27 augustus 2019 een Coldcase Hackathon. BlueM is een beweging binnen de politie die als doel heeft om politiemensen uit te dagen om buiten de standaard patronen te denken en beter aan te sluiten op de veranderingen in de maatschappij. Een hackathon is een evenement waarbij teams in een relatief korte tijd proberen om vernieuwende en innovatieve oplossingen te vinden voor problemen of thema’s. Gedurende een hele dag werkten politiemensen samen met medewerkers van defensie, private partijen zoals KPN en TNO en (cyber)vrijwilligers, in verschillende gemengde gelegenheidsteams aan een aantal coldcases die door coldcaseteams werden ingebracht. Het doel was enerzijds het forceren van een doorbraak in de coldcases, anderzijds om te leren en te experimenteren met betrekking tot publiekprivate samenwerking in een opsporingsonderzoek.

Dit evaluatierapport maakt deel uit van een bredere onderzoekslijn binnen de politieacademie naar burgerparticipatie in de opsporing. De hackathon biedt aanknopingspunten om vanuit zowel
praktisch als wetenschappelijk perspectief meer inzicht te krijgen in de waarde van cocreatie binnen de opsporing en hoe een dergelijk proces in de toekomst het beste vorm gegeven zou kunnen worden.

Onderzoeksrapport

Het eerste deel van de rapportage gaat in op de deelnemers: de achtergrond van de respondenten (hoofdstuk 1) en de waarde die zij in de burger zien voor het opsporingsonderzoek (hoofdstuk 2).
Hoofdstuk 3 richt zich vervolgens op de algemene ervaring van de hackathon en de kansen en dilemma’s die respondenten daarbij zijn tegengekomen. In hoofdstuk 4 staat de hackathon als werkwijze centraal. Hoofdstuk 5 richt zich op de onderzoeken en de wijze waarop deze zijn ingebracht. Hoe het werken in de gelegenheidsteams door de deelnemers werd ervaren, staat centraal in hoofdstuk 6. De evaluatie van enkele praktische zaken, zoals de gekozen locatie, wordt toegelicht in hoofdstuk 7.

Lees het of download het rapport via onderstaande link:

[slideshare id=238231040&doc=lamkop2020evaluatiecoldcasehackathon201908271-200825125826&type=d]

FASTNL Hackathon: hulp van burgers en private partijen bij de opsporing

Eind 2018 beleefde ‘Truth in a post-truth world’ zijn wereldpremière op de IDFA. Deze prijswinnende documentaire gaat over Bellingcat, een internationaal burgerjournalistiek netwerk, dat met
slimme online zoektechnieken én door inzet van de ‘wisdom of the crowd’ al voor verschillende baanbrekende onthullingen heeft gezorgd. Dit internationale platform voor burger-onderzoeksjournalistiek is vaak sneller en nauwkeuriger dan de officiële instanties. Het collectief onderzoekt via internet, sociale media en andere online kanalen complexe aanvallen en controversiële incidenten wereldwijd, zoals het neerhalen van de MH17 boven de Oekraïne en de aanslag op de voormalige Russische dubbelspion Sergej Skripal.

Geïnspireerd door deze documentaire organiseerde BlueM, een innovatieve beweging binnen de politie, op 24 januari 2019 een masterclass met Eliot Higgins, de oprichter van Bellingcat. Deze
masterclass kreeg een half jaar later een vervolg in de vorm van de Coldcase Hackathon, waarbij 100 Osint (Open Source Intelligence) -experts van binnen en buiten de politie aan de slag gingen
met coldcases, vermissingen en voortvluchtigen. Vooral het opsporen van voortvluchtigen bleek zich goed te lenen voor publiek-private samenwerking.

Daarom werd op dinsdag 21 januari 2020, op de militaire kazerne in Wezep, een 2de hackathon georganiseerd waarbij de opsporing van voortvluchtigen centraal stond. Dit was een gezamenlijk
initiatief van BlueM en het Fugitive Active Search Team Nederland (FASTNL) van de Dienst Landelijke Recherche (DLR). Er werd specifiek gezocht naar voortvluchtige personen die onherroepelijk veroor- deeld zijn en nog minimaal 300 dagen celstraf open hebben staan.

Het doel van de hackathon was om te onderzoeken in hoeverre publiek-private samenwerking bijdraagt aan het rendement van de opsporing. 86 Osint-deskundigen van binnen en buiten de politie beten zich tijdens deze hackathon vast in 85 zaken die door FASTNL werden aangeleverd. Deze manier van samenwerken is te zien als een experiment op het gebied van burgerparticipatie bij de opsporing. De politie wil leren en verbeteren en is blij met deze betrokkenheid van de Politieacademie.

Evaluatie FASTNL Hackathon (Lam & Kop, 2020)

[slideshare id=238231179&doc=lamkop2020fastnlhackathon20200121-200825130609&type=d]

Het is de hoop dat het resultaat van de hackathon bijdraagt aan het nog meer betrekken van burgers en private partijen bij de opsporing. De evaluatie laat er geen misverstand over bestaan; met gedegen open bronnen onderzoek kunnen we gesignaleerden traceren en aanhouden. Deel deze kennis en ervaring en doe mee met opsporingsmogelijkheden waar dat kan!

Digitale sporen? Burgers helpen online mee. Een kwalitatief onderzoek naar burgerparticipatie bij open bronnenonderzoek in de opsporing.

Op 17 juli 2014 is vlucht MH17 van Malaysia Airlines met een BUK-raket neergehaald in Oost-Oekraïne. Sindsdien is er een onderzoek opgestart vanuit Bellingcat, een onderzoekscollectief opgericht door burgers, dat zich bezighoudt met het verzamelen van informatie over strafbare feiten op het internet. Het team van Bellingcat bestaat uit een internationale samenstelling van professionals, die gespecialiseerd zijn in het onderzoeken van openbare bronnen en sociale media (Duijf, 2018). De burgeronderzoekers van Bellingcat achterhalen bijvoorbeeld de route die de BUK-raket aflegt aan de hand van foto’s op sociale media. De informatie die wordt gedeeld met het onderzoeksteam van de politie wordt gezien als extreem waardevol (Rosman, 2019). De positie van burgers in het onderzoek van de MH17 ramp is een voorbeeld van de veranderende rol van burgers in de opsporing. Naast de rol van de burger als getuige, slachtoffer of aangever, speelt de burger een alsmaar actievere rol binnen het opsporingsproces (Kop, 2016). Burgers kruipen individueel of als groep steeds meer in de rol van de recherche en kunnen zodoende hun bijdrage leveren aan het bestrijden van misdaad en het verbeteren van de veiligheid in Nederland (Kerstholt & De Vries, 2018).

Digitalisering en nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat het grote publiek actief kan meedenken bij opsporingszaken (Land, Stokkom & Boutellier, 2014). Het belang van burgerinitiatieven neemt toe door sociale media, omdat zij met behulp van Instagram, Twitter, Facebook en Whatsapp zelf kunnen opsporen en een rol spelen bij het zoeken en vervolgen van daders (Kop, 2016). Om in te spelen op de digitalisering en veranderende rol van de burger ontstaan binnen de politieorganisatie voortdurend experimenten om burgers te betrekken bij opsporingsonderzoeken. Hackathon FASTNL is een voorbeeld van zo’n experiment, waar OSINT-specialisten werkzaam bij de politie, publieke en private organisaties gezamenlijk ‘jagen’ op voortvluchtigen (Walter, 2020). Open Source Intelligence, ‘OSINT’ is het verzamelen van informatie uit open en publieke bronnen om een opsporingsonderzoek te verrijken (Glassman & Kang, 2012).

De focus van dit onderzoek van Severien Verbeek ligt op het betrekken van burgers in opsporingsonderzoeken met behulp van OSINT. In dit onderzoek hebben zeventien semigestructureerde interviews met deelnemers en betrokkenen van de Hackathon FASTNL plaatsgevonden. Een andere manier waarop data is verzameld voor dit onderzoek is het uitvoeren van observaties en documentanalyses.

Probleemstelling
De maatschappij is in de afgelopen twee decennia gedigitaliseerd, waardoor mogelijkheden voor communicatie en informatie-uitwisseling enorm zijn toegenomen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Op het internet heeft een grote verandering plaatsgevonden van Web 1.0 naar Web 2.0 en Web 3.0. Het eerste web bestond uit statische websites met informatie vanuit één kant, er was weinig interactie tussen gebruikers van het internet. De komst van Web 2.0 zorgt ervoor dat er interactie is tussen de gebruikers in sociale netwerken in de vorm van bijvoorbeeld podcasts, blogs, Wikipedia en zoekmachines (De Vries & Smilda, 2014, p. 50; Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18). Bovendien, wordt er in de literatuur gesproken over een ontwikkeling naar Web 3.0 of ‘semantic Web’, waar informatie wordt georganiseerd voor gebruikers. Toepassingen op het internet worden geïntegreerd op de behoefte van individuele gebruikers (Naik & Shivalingaiah, 2009). De nieuwe generaties van internet zorgen ervoor dat er ruimte ontstaat voor ‘gewone’ burgers om zelf op zoek te gaan naar informatie (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 18).

De digitalisering van de samenleving zorgt ervoor dat de politie voor uitdagingen komt te staan. Steeds meer politiemedewerkers krijgen te maken met delicten met een digitale component, waardoor het personeel over nieuwe kennis en digitale vaardigheden moet beschikken. Tegelijkertijd heeft de politie een achterstand gecreëerd op de ‘gedigitaliseerde burger’, omdat voor een lange tijd geïnvesteerd is in traditionele opsporingsmiddelen (Cornelissens & Ferwerda, 2010, p. 24). Een ander gevolg van digitalisering is dat de burger een steeds grotere rol kan spelen binnen een opsporingsonderzoek, omdat er een lagere drempel ontstaat voor burgers om deel te nemen aan het opsporingsproces. Door middel van sociale media kunnen burgers informatie over strafbare feiten verzamelen (Kop, 2016, p. 28). De digitalisering gaat hand in hand met de opkomst van de participatiesamenleving, waar de overheid rekent op de kracht van de burgers in de Nederlandse samenleving (Winthagen, 2014). Burgers nemen ongewild of gewild steeds vaker de touwtjes in eigen handen, wat resulteert in lastige vraagstukken over het vormgeven en organiseren van de verbinding tussen burgers en de politie. Daar komt bij dat de houding van de politie naar burgerparticipatie normaliter terughoudend is, omdat bepaalde informatie niet gedeeld kan worden. Steeds meer burgers nemen het voortouw in een opsporingsonderzoek, waardoor een aantal deskundigen binnen de politie vinden dat de politie burgerinitiatieven moet omarmen in plaats van tegenhouden (Lam & Kop, 2020; Duijf, 2018). Het omarmen van actieve vormen van burgerparticipatie vraagt om een cultuuromslag binnen de organisatie, waar geaccepteerd wordt dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. (Lam & Kop, 2020a). Hierdoor ontstaat vanuit de politie een brede zoektocht naar een effectieve samenwerking met burgers (Politie, 2019).

Dit onderzoek zal een bijdrage leveren aan deze zoektocht en inzichten verzamelen van OSINT-specialisten over de samenwerking tussen burgers en opsporing bij open bronnen onderzoek. De OSINT-specialisten hebben deelgenomen aan activiteiten of experimenten waarbij burgers worden betrokken in een open bronnen onderzoek, zoals Hackathon FASTNL. Hierdoor kunnen zij een beeld schetsen van burgerparticipatie bij open bronnen onderzoek. De doelstelling van dit onderzoek is als volgt geformuleerd:

Het doel van het onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de samenwerking en bijbehorende dillema’s tussen burgers en de opsporing bij een open bronnen onderzoek. Om hierover aanbevelingen te doen zijn de ervaringen, perspectieven en meningen van OSINT-specialisten, die hebben meegedaan aan de Hackathon FASTNL, in kaart gebracht.

Luister de podcast hierover:

En download of lees hieronder het gehele rapport:

[slideshare id=238227788&doc=digitalesporen-6112188-200825093426]

Naar een proactieve participatie tegen ondermijning: Op het raakvlak van mens en machine

De toenemende aandacht voor georganiseerde en ondermijnende criminaliteit en de doorwerking ervan binnen de verschillende geledingen van de maatschappij hebben Arnout de Vries, Selmar Smit en Jerôme Lam ertoe aangezet om te onderzoeken in welke mate het gebruik van technologieën zoals predictive policing, maar ook apps die burgerparticipatie dienen te faciliteren, kunnen bijdragen tot het versterken van een preventieve en proactieve aanpak van deze fenomenen. De auteurs stellen hierbij niet enkel vast dat de nieuwe technologieën kritiek krijgen en dilemma’s opwerpen, maar ook dat het proactief betrekken van burgers evenzeer op kritiek stuit en dilemma’s met zich meebrengt. Desalniettemin bespeuren de auteurs kansen bij het combineren van technologieën en menselijke intelligentie in de aanpak van ondermijnende criminaliteit indien aan een aantal randvoorwaarden kan worden voldaan op het gebied van informatiedeling, verwachtingen en een gedegen voeding van de voorspellingsalgoritmes.

Arnout de Vries is Senior Scientist bij TNO.
Selmar Smit is Senior Scientist bij TNO.
Jerôme Lam is wetenschappelijk onderzoeker aan de afdeling Kennis en Onderzoek van de Politieacademie.

De aanpak van diep gewortelde criminaliteit die de fundamenten van de samenleving systematisch aantast, ook wel aangeduid als ondermijning, vraagt om een aanpak waarin diezelfde samenleving ook heel gericht betrokken wordt. De politie, overheid of welke veiligheidsinstantie dan ook kan dit niet alleen. Het heel gericht benaderen en betrekken van de actoren in deze samenleving, zoals overheden, bedrijfsleven en burgers, is niet alleen noodzakelijk voor een integrale benadering, maar biedt ook innovatieve kansen. Deze kansen liggen onder andere op het  raakvlak van trends zoals predictive policing en apps die gericht ingezet kunnen worden om verdergaande burgerparticipatie te stimuleren. Innovaties met als ambitie om zwakke signalen en vroegtijdige betrokkenheid van de samenleving te verbinden met de kracht van big data analyses. Dit artikel gaat in op de lessen uit deze huidige trends en nodigt uit om zo ook proactiever en preventiever op te treden tegen zwaardere criminaliteit Want voorkomen is nog altijd beter dan genezen.

1. Inleiding

1.1 Ondermijning: onzichtbare en verweven problematiek

In de Nederland wordt de discussie over criminaliteit de laatste jaren voor een groot deel gedomineerd door ondermijning. Gedurende het laatste decennium verschijnt er een aanzienlijk aantal (wetenschappelijke) publicaties die het probleem beschrijven, agenderen en prioriteren. De berichtgeving rondom de ondermijningsproblematiek wordt ook steeds urgenter van toon. Recent onderzoek van de politieacademie berekende bijvoorbeeld dat er in Nederland bijna 19 miljard euro omgaat bij de handel in synthetische drugs (Tops, Valkenhoef, van der Torre, van Spijk, 2018). Een volgend rapport van dezelfde onderzoeksgroep zoomt in op de drugscriminaliteit in Amsterdam, waarin misdaadbestrijders opperen dat de strijd tegen de onderwereld verloren is (Tops
& Tromp, 2019 en Voskuil, 2019).

Ondanks alle recente onderzoeksrapporten en mediaberichtgeving is de onderliggende problematiek echter niet nieuw. Nederland kent een lange geschiedenis op het gebied van onder andere smokkel in de grensstreken. In de jaren ’70 deed de handel in harddrugs zijn intrede in Nederland. De toenmalige handel in heroïne werd de jaren daarop opgevolgd door de handel in cannabis. De recherche ziet met lede ogen hoe er vanaf eind jaren ’70 een ware cannabis-industrie ontstaat (Lam, Van Wal & Kop, 2018). Midden jaren ’80 doet vervolgens de xtc-industrie zijn intrede in Nederland. Hoewel harde cijfers ontbreken, is Nederland inmiddels waarschijnlijk de grootste producent van XTC ter wereld (Tops, et al., 2018).

Rond 2007 komt de term ondermijning op, een directe verwijzing naar de wijze waarop criminaliteit deze fundamenten van de samenleving aantast (Lam et al., 2018). Tegenwoordig wordt het begrip ondermijning bijna als synoniem gebruikt voor de georganiseerde handel en productie van drugs. De term ondermijning verwijst echter niet naar een specifieke vorm van criminaliteit, maar naar respectievelijk een (criminele) activiteit of een effect daarvan (Faber, 2013). In de kern gaat het om alle vormen van criminaliteit waardoor de samenleving wordt aangetast.
Deze aantasting kan door twee mechanismen worden veroorzaakt. Ten eerste doordat criminaliteit sterk verweven raakt met de legale wereld. Bijvoorbeeld door zich te nestelen in het bestuur, het financiële stelsel of sterk gebruik te maken van legale dienstverlening zoals transport of woningverhuur. Ten tweede kan de samenleving worden aangetast doordat criminelen zich kunnen afschermen van de overheid. Hierdoor kan de overheid haar controlerende of toezichthoudende functie niet langer uitoefenen. Hierbij valt te denken aan criminele vrijplaatsen of Outlaw  Motorcycle Gangs (Lam.et al., 2018; Lam & Kop, 2018).

Het is met name het systematische en cumulatieve effect van criminaliteit dat zorgt voor de aantasting van de maatschappij (Politie Amsterdam-Amstelland, 2009; Faber, 2013; Lam & Kop, 2018). Ondermijning vindt plaats op vijf maatschappelijke domeinen, namelijk het financieel-economisch stelsel, de leefomgeving, de ecologische omgeving, moraliteits- en rechtsgevoel. En uiteindelijk op de rechtstaat zelf, zoals wanneer de politie en het openbaar bestuur onder druk komen door corruptie en intimidatie (Lam et al., 2018). Naast de handel in drugs zijn er meer vormen van criminaliteit die als ondermijnend voor de samenleving kunnen worden gezien. Grootschalige fraude, mensenhandel en milieucriminaliteit tasten de samenleving systematisch aan doordat
zij naast het directe leed voor de slachtoffers ook vergaande economische of ecologische gevolgen hebben.

De laatste jaren is de focus van de aanpak meer verschoven van daders en criminaliteitsvormen naar het maatschappelijke effect van zowel criminaliteit als aanpak. Het besef is gegroeid dat er naast een strafrechtelijk probleem ook sprake is van een breder maatschappelijk probleem. Waar vroeger de aanpak vooral een taak was voor gespecialiseerde rechercheteams, is er nu sprake van een meer integrale benadering. De politie kan niet alles alleen, bijvoorbeeld vanwege de beperkte opsporingscapaciteit. Daarnaast is de aanpak effectiever samen met partners. Hierdoor wordt de informatiepositie versterkt, kunnen onder andere fiscale of bestuurlijke interventies worden gedaan en kunnen preventieve barrières worden opgeworpen. Strafrecht is een belangrijk, maar niet het enige wapen. Daarom wordt intensief samengewerkt met onder andere gemeenten en  belastingdienst. Maar ook met niet-overheidspartijen, zoals woningbouwverenigingen. De Regionale Expertise en Informatie Centra (RIEC’s) hebben een belangrijke aanjagende en verbindende functie binnen deze integrale aanpak (Lam et al., 2018).

1.2 Nieuwe ontwikkelingen, nieuwe kansen

Ondanks de toenemende inspanningen van de overheid de laatste jaren blijft ondermijning een hardnekkig probleem. Voor een groot deel heeft dit te maken met de ondermijningsparadox: hoewel ondermijning uiteindelijk iedereen raakt, lijken er geen directe slachtoffers te zijn. Daardoor blijven de effecten van ondermijning onderschat en raken verschillende vormen van criminaliteit genormaliseerd. Het gebruik van XTC op een festival wordt door een groot deel van de bevolking normaal gevonden. En er zijn talloze wijken in Nederland waar hennepteelt een publiek geheim is. Het gevolg is onder andere een lage meldingsbereidheid. Bovendien blijft ondermijning door zijn belangrijkste kenmerken, verwevenheid en afscherming, vaak onzichtbaar.

Dit artikel gaat in op innovaties en trends die kansen bieden om het onzichtbare zichtbaar te maken. Hiervoor worden twee trends op het gebied van veiligheid onder de loep genomen, namelijk predictive policing en burgerparticipatie. Predictive policing maakt het mogelijk om op basis van veel kleine datapunten richting te geven aan een informatievraagstuk, zoals ondermijning. Niet alleen kan door middel van artificial intelligence een beeld worden opgebouwd, ook kan deze richting geven aan het handelen van overheid en burgers. De toenemende rol van technologie gaat hand in hand met een tweede trend op het gebied van veiligheid, namelijk die van de participerende burgers. Onder andere door de opkomst van internet en smartphones zijn burgers steeds beter in staat te worden om informatie te vinden en te delen. Het gevolg is dat burgers de laatste jaren gevraagd en ongevraagd een steeds grotere rol zijn gaan spelen op het gebied van veiligheid. Burgers melden en signaleren via WhatsApp-buurtgroepen, zoeken gestolen goederen op online marktplaatsen en onderzoeken zelfs oorlogsmisdaden in Syrië op basis van open source intelligence. En het is juist van deze signalen van burgers waar de overheid grotendeels afhankelijk is om ondermijning zichtbaar te maken.

Voorspellen van veilige routes
Pizzakoeriers moeten vaak ’s avonds laat maaltijden bezorgen en zijn kwetsbaar op hun scooters. Ze schijnen hun routes dusdanig te kiezen dat ze onveilige plekken mijden. Dit menselijke gedrag wordt steeds vaker door computers benut. Er zijn al apps, zoals Safe And the City in Londen of Red Zone Map uit de VS, waarin eindgebruikers worden gewaarschuwd door informatie van historische incidenten en waarmee ze zelf ook gevaarlijke plekken kunnen aanmerken, bijvoorbeeld plaatsen waar ze zijn lastig gevallen. De apps bieden een routenavigatiesysteem dat slim
onveilige plekken vermijdt. Ze gebruiken voorspellingen op basis van gedeelde informatie uit het verleden om de meest veilige route te berekenen en te tonen aan bestuurders.

2. Predictive policing

Al enige tijd zijn er veel mooie verhalen over predictive policing, oftewel politiewerk aan de hand van voorspellingen. Net zoals het voorspellen van beurskoersen een complexe aangelegenheid is, is dat ook met criminaliteit het geval. Maar de politie heeft inmiddels een goudmijn aan gegevens (big data) over misdaden uit het verleden tot haar beschikking. Door hier een diepe analyse op los te laten is de hoop dat de politie straks in combinatie met verfijnde algoritmen toekomstige misdaden kan voorspellen. Computermodellen dus, op basis van misdaadgegevens. Er lonken toepassingen op allerlei criminaliteitsvormen: van eenvoudig zakkenrollen tot complexere fenomenen als ondermijning. Maar werkt het nu echt en hoe dan precies? En is het alleen een
exclusief speeltje van politie, of is er meer mogelijk?

2.1 Hot of hype?
Tijd om de mythes te doorbreken en de diverse oplossingen die er zijn eens op een rijtje te zetten. Ook geven we iets meer theoretische achtergrond, want voor een deel is het oude wijn in nieuwe zakken.

Door de huidige ontwikkelingen neemt predictive policing een enorme vlucht, ook bij de Nederlandse politie die sinds de vorming van de Nationale Politie in 2013 nu landelijk betere beschikbaarheid heeft over alle databronnen. Maar ook de complexere ‘Big Data’- ontwikkelingen waarin nieuwe databronnen gebruikt kunnen worden, gecombineerd met verbeterde analysecapaciteiten, visualisatietools en krachtigere smartphones op straat, maken dat predictive policing echt ‘hot’ is. Steeds meer toepassingen zijn denkbaar: van preventie tot handhaving en opsporing waarin door het huidige economische klimaat slimmer gewerkt moet worden (meer met minder). Rechercheren verandert in prechercheren. Het heeft de belofte van proactief zijn, in plaats van achter de feiten aan te lopen, zeker in een organisatie die toch al vooral een informatie organisatie is geworden. De vraag is, lossen de huidige oplossingen die belofte ook in? En hoeveel
verschillen ze van elkaar? Sommige softwarepakketten kosten namelijk tonnen aan licentiekosten, anderen worden in-house ontwikkeld, en weer anderen worden op een zolderkamertje gebouwd en open-source op het internet gezet.

2.2 Theorie
Als we weten hoe criminelen denken en doen, dan kunnen we misschien ook voorspellen waar ze gaan toeslaan. En in een vakgebied wat al jaren bestaat, zoals dat van criminologie, is er aan dergelijke theorieën geen gebrek. De ratio, die ook bij criminelen aanwezig is, in combinatie met gelegenheid maakt dat er al snel patronen ontstaan. Zo zegt de immens populaire routine activity theory dat de kans op criminaliteit toeneemt wanneer een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en een gebrek aan toezicht in tijd en plaats samenkomen (Cohen & Felson, 1979). Kortom, zolang er geen grote volksverhuizingen zijn en de gelegenheid niet afneemt, zullen steeds dezelfde gebieden worden getroffen.

De rational choice theory zegt daarentegen juist dat criminelen op zoek zullen gaan naar die locatie waar de afweging tussen risico (pakkans) en buit zo gunstig mogelijk is (Cornish & Clarke, 1987).

crime2

De crime pattern theory ten slotte is een derde populaire theorie over crimineel gedrag, die zegt dat criminelen bepaalde plaatsen hebben die voor hen bekend of vertrouwd zijn, zogeheten nodes of anchor points (Brantingham & Brangtingham, 1981). Gevolg: 1) criminelen altijd zullen toeslaan in een buurt die ze kennen; vlak bij huis/werk/ sportschool, of op de weg daarnaartoe; en 2) criminelen zullen nooit te dicht bij hun eigen huis toeslaan.

crime3

Naast deze drie basistheorieën bestaat er nog een vierde belangrijke, de zogenaamde blended theory, die, zoals de naam al zegt, hun combinatie is (Perry, McInnis, Pice,
Smith & Hollywood, 2013). Volgens deze benadering zal een crimineel toeslaan op een locatie (routine activity theory) langs zijn activiteiten-routes, maar niet te dicht bij huis (crime pattern theory) daar waar de afweging tussen buit en pakkans positief is (rational crime theory).

2.3 Implementatie
In de praktijk worden deze theorieën vaak overboord gegooid en wordt voornamelijk gekeken naar near repeats. Een methode die ervan uitgaat dat er in de buurt van een incident vaak nog een tweede, derde, etc. incident zal volgen. Hoewel dat niet lijkt op de drie eerdere theorieën, zal, zolang de pakkans, buit en activiteiten van criminelen niet veranderen, het effect hetzelfde zijn. Want daar waar al een keer een incident is geweest, was blijkbaar de afweging tussen buit en pakkans positief, en was er blijkbaar ook een crimineel aanwezig. Zolang er niets verandert, zal er dus (volgens de drie theorieën) zich nog een tweede, derde, etc. incident zich in de buurt gaan voordoen.

In bijna alle huidige oplossingen (o.a. Predpol, Daily Crime Forecast, HunchLab, PreCobs en het Nederlandse Criminaliteits Anticipatie Systeem) wordt voor deze versimpelde weg gekozen. Vaak wordt er naast dit trekken van cirkels rond incidenten ook nog gekeken naar tijdsaspecten (spatiotemporele analyse), zowel naar trends zoals verplaatsingen, als naar seizoen, weekdag, of zelfs het specifieke tijdstip. Zo is er al jaren een duidelijke piek van inbraken rond kerst, is een werkdag populairder voor het dievengilde dan een weekend, en is het aantal inbraken rond 08:00 uur ’s ochtends minimaal. Door dit soort aspecten mee te nemen, kun je dus ook inbouwen dat de pakkans, buit of activiteiten van criminelen (uit de basistheorieën) veranderen gedurende het jaar/maand/dag/uur.

Voeg bij die tijdaspecten ook nog andere kenmerken zoals omgevingsfactoren (demografie etc.) en weersvoorspellingen (een regressie-analyse/ data-mining), en afstanden tot vluchtwegen (aantrekkende werking) en politiebureaus (afstotende werking) en je krijgt een complexe formule met tientallen parameters die zo goed mogelijk moeten worden bepaald uit de historische data. Het bepalen van hoe zwaar elk van de parameters wordt meegenomen in de formule, wordt veelal gedaan met behulp van zelflerende algoritmes. Een zelflerend algoritme is een geavanceerd computerprogramma dat in staat is om zelf te bedenken wat een goede oplossing is. Het probeert op een slimme manier een heleboel verschillende oplossingen uit, waarbij het steeds controleert hoe goed de oplossing is, en op basis daarvan een nieuwe oplossing kiest om opnieuw te proberen. Dit proces blijft zich herhalen tot het niet meer beter kan. Hoewel het algoritme dus niet precies weet welke waarden correct zijn, zal het een patroon ontdekken door verschillende dingen te proberen en conclusies te trekken uit de ‘juistheid’. Dan blijkt onder welke omstandigheden (dat wil zeggen: bij welke van de aanwezige objecten) een hoge voorspelling gepast is.

Hoewel het bepalen van de juiste waarde voor al die parameters nog een hele klus is, is een dergelijk voorspelmodel is dus niet echt rocket science. Toch levert het al behoorlijk goede voorspellingen op en dat is dan ook de reden dat vrijwel alle oplossingen in de praktijk ook (in meer of minder mate) kiezen voor deze aanpak. Een effectief model is echter meer dan alleen correct, het moet tot directe actie kunnen leiden. Voorspellen dat er vandaag een inbraak zal zijn in Amsterdam zal altijd correct zijn. Net zoals een voorspelling dat er binnen 10 jaar een inbraak zal plaatsvinden op de Pythagorasstraat. In beide gevallen biedt het niet voldoende handvatten, de vraag is dus hoe effectief dergelijke systemen in praktijk zijn.

2.4 Praktijk

2.4.1 Criminaliteits Anticipatie Systeem en meer…

Een landelijk virtueel raster met vakken van 125 bij 125 meter. Per vlak worden meldingen van bijvoorbeeld inbraken en roofovervallen bijgehouden. Dat is, in het kort,de gedachte achter CAS, het Criminaliteits Anticipatie Systeem.

De agenten gaan nog steeds op pad, maar gerichter. CAS geeft aan waar en wanneer het risico op een misdaad groot is, maar schrijft niet voor wat de agenten moeten doen. Stuur je er extra agenten naartoe, rij je een extra rondje, of plaats je een waarschuwing op Facebook? De leidinggevende bepaalde altijd al waar de agenten naartoe gaan, maar die beslissing is nu deels gebaseerd op de risicobepaling van CAS. In samenwerking met de Universiteit Twente is zelfs informatiegestuurde luchtsteun opgezet: politiehelikopters vliegen preventief naar plekken waar high impact crime als overvallen en inbraken verwacht wordt.

“Het gaat om zichtbaar zijn en contact met burgers maken “in the box”. Dat is waar agenten hun professionaliteit, kennis en expertise kwijt kunnen.” –  (Fons van Gessel, beleidsadviseur, Directoraat-Generaal Politie, ministerie van Justitie en Veiligheid)

De ontwikkeling van dit soort systemen is vooral ingezet door het (commerciële) succes van PredPol, het systeem dat in 2008 bij de politie van Los Angeles is ontwikkeld. Topchef Bill Bratton en Jeff Brantingham van de universiteit UCLA hadden het idee om de algoritmes die aardbevingen konden voorspellen op basis van het verleden toe te passen op oude misdaadstatistieken. Het bleek, zeker commercieel gezien, een gouden greep. Waar voorheen intelligence gestuurde politie (ook wel Intelligence-Led Policing) nog bleef steken bij het maken van hotspotkaartjes, kon men nu ineens veel meer dan alleen een lijntje in een grafiek doortrekken. Een veelvoud aan invloedsfactoren (zoals variaties in criminaliteitstypen, plaatsen en tijden) kon ineens worden meegewogen en
de voorspellingen leken beter te zijn. Het kon, volgens eigen cijfers, al snel anderhalf tot twee keer beter risicogebieden inschatten dan politieanalisten deden. En niet met complexe hoeveelheden data waar analisten en agenten zich doorheen moeten werken, maar alle complexiteit van de oplossing werd teruggebracht tot eenvoudige blokjes op een kaart. Een ontwikkeling die mogelijk ook kan aansluiten bij de wensen van burgers. Ook zij willen weten hoe het zit in hun buurt en misdaadkaarten op maat inzien op het web of in een app, zodat ook zij kunnen meedenken en meedoen. Want niemand wil criminaliteit in de eigen straat.

Het is niet alleen het voorspellen van inbraken op een kaart, maar in principe kan elk soort criminaliteit worden voorspeld op locatie, tijd of doelwit. Hoe betrouwbaar die voorspelling is, verschilt natuurlijk van delict tot delict. Een crime passionele zal, in tegenstelling tot de belofte uit de film Minority Report, waarschijnlijk niet met een goede betrouwbaarheid te voorspellen zijn, maar andere soorten risico’s en delicten wel. Prokid, een signaleringsinstrument dat in 2013 landelijk werd ingevoerd, voorspelt van kinderen tot twaalf jaar wie de grootste kans maakt op te groeien tot delinquent. Risicotaxatie-instrument RTI-Geweld schat van elke persoon die bij de politie bekend is (bijvoorbeeld vanwege betrokkenheid bij een incident) hoe groot de kans is op toekomstig
geweld. ‘Bepaalde vroeger het aantal delicten dat iemand had gepleegd of hij boven aan de lijst kwam’, schrijft politiemedewerker Remco van der Hoorn in het boek van Rutger Rienks, ‘nu is dat het feit of hij het grootste risico laat zien in de toekomst weer over de schreef te gaan.’ (Rienks, 2015).

QUIN

De QUIN-software (Question & Investigate) is vergelijkbaar met het personage Mr. Quin uit de Agatha Christie-boeken, een mystiek individu dat komt en gaat en de hoofdinspecteur in het oor fluistert: “Heb je daar wel aan gedacht?” Een systeem dat gebaseerd is op het feit dat je een misdaad maar op een aantal manieren kunt begaan. Elke misdaad lijkt op een andere misdaad. Dat  maakt dat je kunt inschatten wat een verdachte mogelijk gaat doen. QUIN kan analisten helpen om beschikbare data te verwerken en volgende stappen van verdachten te voorspellen. Zo werd
QUIN onder andere gedemonstreerd in het televisieprogramma ‘Hunted’ waarin voortvluchtigen getraceerd werden.

Op basis van gegevens die bekend zijn van een huidige casus en dezelfde informatie van oude zaken, kan QUIN voorspellingen doen. Denk aan persoonsgegevens, aan de casus gerelateerde gebeurtenissen zoals tijdstippen, locaties en vervoersmiddelen, en woonplaatsen van familie en vrienden. QUIN berekent de afstanden tussen twee casussen, het model vergelijkt verschillende zaken die op elkaar lijken. En kan aan de hand daarvan voorspellingen doen over waar een verdachte zich bevindt of zal gaan slapen. QUIN kan bijvoorbeeld uitspraken doen over of een verdachte waarschijnlijk in een hotel, bij vrienden of ergens anders zal gaan slapen en inschatten hoe groot de kans is dat diegene nog op een al bekende plek zit. Tijdens de opnames van het nieuwe seizoen is gebleken dat QUIN een aantal keer goede voorspellingen heeft gedaan. De tool lijkt dus echt te werken en lijkt de stap te kunnen zetten van ruwe data naar voorspellingen.

Dit is de opmaat naar een fundamenteel andere werkwijze in het veld van data-analyse en predictie. Uiteraard roept dit ook vragen op. Maak je criminelen dan bijvoorbeeld niet onnodig wijzer? Dit vormt waarschijnlijk geen belemmering. Ze kunnen hooguit hun gedrag gaan aanpassen, maar dan wordt het gedrag onnatuurlijk, gaan ze fouten maken én zullen ze juist eerder gepakt kunnen worden.

2.5 Meer dan een voorspelling

En voorspellen is nog maar een klein deel van het hele verhaal, want het handelen op basis van goede voorspellingen is waar de crux zit (Mali, Bronkhorst-Giesen & den Hengst 2017). Want een algoritme doet niet meer dan het uitrekenen van de kans op een delict. Het vangt dus geen boeven, het vertelt zelfs niet wat je er aan kan doen. Stel dat er een groter risico op inbraken in een bepaald postcodegebied, ga je daar staan posten? En als er niet gebeurt, wat dan? Moet je nog langer wachten? En hoeveel langer dan?  ijf minuten? Tien minuten? Waar moet je op letten? En wat moet je eigenlijk doen?

Als je antwoord op dit soort vragen zou kunnen geven, dan haal je waarschijnlijk nog meer rendement uit de voorspellingen. Waar predictive policing je vertelt wat er kan gebeuren als je niets doet (dan zal in dit vakje waarschijnlijk een incident plaatsvinden), is het veel effectiever om te vertellen wat je zou moeten doen om het incident te voorkomen (Smit, de Vries, Kleij & Van Vliet, 2016). Wat is het effect als je hier vijf minuten rondrijdt? En wat als je daar langer blijft?

En als de kans op een heterdaad maar klein is, welke (tijdelijke) preventieve maatregelen kun je dan nemen? Ga je mobiel cameratoezicht plaatsen als een vakje bijna altijd rood is of ga je meer verlichting aanbrengen? Evidence-based policing kan en zal een deel van het antwoord zijn. Big data helpt bij het beantwoorden van de vraag: wat werkt waar en wanneer? Want immers: meten is weten.

Slimme, effectieve en proactieve aanpak tegen misdaad is duidelijk beter dan achter criminelen aanhollen. Predictive policing, tezamen met de ontwikkelingen op het gebied van Big Data, is daarom een enorme vlucht aan het nemen. Maar ondanks deze ontwikkelingen moet het verschil uiteindelijk op straat gemaakt worden: door agenten en burgers die met deze uiterst relevante informatie op de juiste tijden en plaatsen iets slims kunnen doen.

2.6 Risico’s en kritiek

Er zijn bij het maken van predictive policing nog een heel aantal aandachtspunten, zoals op het gebied van privacy, transparantie en rechtmatigheid. Allereerst is het van belang om te bekijken wat de toepassing van de analytische software betekent voor de privacy van individuele burgers. De Nederlandse politie kreeg in oktober van 2015 een Big Brother Award uitgereikt vanwege haar activiteiten rondom predictive policing. Met de prijs zet privacy-voorvechter Bits of Freedom jaarlijks ‘de grofste privacy-schenders’ in de schijnwerpers. Uit het juryrapport: “De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop en nauwlettend in de gaten. Daar zijn ze nu al mee begonnen.” Is er een gevaar dat de politie (of andere partijen) straks allerlei mensen gaat aanpakken,
omdat dat moest van de algoritmen? Straks worden we door Facebook bij de politie aangegeven voordat we ook maar iets hebben gedaan. Of een privédetective koopt onze data. Of mensen worden op grond van de Nederlandse versie van PredPol staande gehouden, terwijl ze totaal onschuldig met een gereedschapskist door een buurt lopen waar statistisch op dat moment veel wordt ingebroken. Dan heb je als burger ineens veel uit te leggen.

“Juridisch kunnen we er moeilijk mee omgaan dat er achter iedere burger een waarschijnlijkheidspercentage of getal staat.” – Rutger Rienks, voormalig politiemedewerker

Of het zo ver komt, is natuurlijk maar de vraag, rechters zullen niet accepteren dat acties worden ondernomen ‘omdat de computer dat zegt’, en de professionaliteit van agenten zal het klakkeloos overnemen van voorspellingen ook tegengaan. Daarentegen zijn mensen vaak intrinsiek lui, en verleren wij snel die dingen die een computer voor ons overneemt. Transparantie van zowel proces als algoritme is daarom in deze gevallen vereist, zodat beslissingen, zoals preventief ingrijpen, te verantwoorden zijn. Algoritmen die tot een advies leiden zullen niet altijd even doorgrondelijk zijn. Bovendien geven voorspellingen vaak een probabiliteit aan. Het zijn dus geen harde, feitelijke waarheden, ook al zullen ze in een groot deel van de gevallen juist zijn. Juist daarom is het van belang
om de systemen als hulpmiddel te gebruiken om efficiënter en gerichter te kunnen werken. Een verkeerd advies over welke serie te kijken is namelijk van een hele andere orde dan met een arrestatieteam de verkeerde woning instappen. De systemen mogen nooit leidend zijn, dat is de kennis en kunde van de ervaren politieagent. Rutger Rienks voormalig politiemedewerker gaf het volgende praktijkvoorbeeld, dat deze potentiële risico’s goed weergeeft (Rienks, 2015):

Herken de drugsrunner
In 2011 is in Driebergen een systeem ontwikkeld dat op vergelijkbare wijze drugsrunners kon detecteren die heroïne over de weg vervoerden (Schakel et al., 2012). Het systeem kon op basis van een tweetal waarnemingen een drugsrunner onderkennen. Enerzijds aan het bewegingspatroon van een voertuig dat op en neer reed tussen twee steden binnen een bepaald (kort) tijdsbestek. Anderzijds aan het feit dat het waargenomen voertuig eerder in verband was gebracht met drugsgerelateerde feiten. Meerdere camera’s konden langs een route voertuigen herkennen met behulp van een referentiebestand met voertuigen die met drugs in aanraking waren geweest. Dit ging op eenzelfde wijze als de herkenning van een gestolen voertuig. Zo reikte het systeem ons op een presenteerblaadje aan welke voertuigen ‘controlewaardig’ waren.

Door de controleploeg te richten op de door het systeem aangewezen voertuigen ging het aantal gevonden grammen heroïne per gecontroleerd voertuig omhoog van 5 naar 1027 gram. Bovendien was de afhandelcapaciteit vele malen kleiner. Metingen hadden van tevoren aangegeven hoeveel voertuigen de politie gemiddeld op een avond kon verwachten. Hierop werd de capaciteit ingericht. Ook hier ging niet alles goed. Een dame, die in haar nieuwe tweedehands auto met een klein poedelhondje een spuitje haalde bij een dokter, werd door het systeem aangewezen als drugsrunner.
Aangezien de politie de voertuigen niet heel vriendelijk tot stoppen maande, was in dit geval een bosje bloemen achteraf gerechtvaardigd.

Wat als in predictive policing ook real-time data, zoals camerabeelden of sociale media, worden gebruikt? Dit impliceert namelijk dat in meer of mindere mate bewegingen van individuen of groepen gevolgd of in kaart gebracht kunnen worden. Indien gegevens herleidbaar zijn tot individuele personen, is er sprake van persoonsgegevens en is de dataprotectiewetgeving van toepassing. Vanuit een breder perspectief zou een analyse op grond van artikel 8 EVRM aangaande het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belang zijn. Ook al gaat het om de publieke ruimte, dan nog is de bewegingsvrijheid van het individu een recht dat door dit artikel beschermd wordt, omdat er ook de vrijheid is om jezelf vrij te bewegen. Een inbreuk op het recht op privacy is wel toegestaan, maar in die gevallen moet er een wettelijke basis voor bestaan en dient tevens aan proportionaliteit en subsidiariteit te zijn voldaan. Die toets is niet altijd eenvoudig.
In het bijzonder wanneer, zoals in dit overzicht aangegeven, het causale verband tussen predictive policing en een daling van criminaliteit niet altijd eenduidig vast te stellen is.

Daarnaast moet de rechtmatigheid van de systemen bekeken worden. Welke waarborgen worden ingebouwd in het systeem of in de organisatie die een systeem gebruikt om te zorgen dat er geen vergissingen worden gemaakt? En in het geval dat er toch iets misgaat, hoe wordt dat dan opgelost? De voorspellingen zijn gebaseerd op patronen, en wanneer het om specifieke groepen of personen gaat, om profielen. Die profielen zijn ook gemiddelden en geen harde waarheden. Het gevolg kan echter wel zijn dat mensen doordat ze aan een profiel voldoen of daarbij worden ingedeeld een ‘stempel’ krijgen en verdacht zijn. Of op zijn minst extra aandacht krijgen. Dergelijke extra aandacht kan op zichzelf al schadelijk zijn. ‘Daar waar rook is, is vuur’ is in sommige gevallen al genoeg reden om uitgestoten te worden door de omgeving, en voor je het weet geef je iemand het beslissende zetje de negatieve (criminele) spiraal in. Paradoxaal genoeg krijgt het
algoritme dan gelijk, niet omdat de voorspelling daadwerkelijk juist was, maar omdat er wat met de onjuiste voorspelling is gedaan. Een zogeheten self-fulfilling prophecy.

Een gelijkend risico treedt op als dit soort systemen gevoed worden door zogenaamde ‘dirty data’. Denk bijvoorbeeld aan een systeem dat voorspelt waar drugdealers gevonden kunnen worden. De gegevens die worden gebruikt zijn data van aanhoudingen en hoewel dat een mooie objectieve bron lijkt is dat niet zo. Aanhoudingen zullen alleen plaatsvinden in gebieden waar politie aanwezig is, dus van een postcodegebied waar de politie veel aanwezig is, zullen ook veel aanhoudingen zijn. Van een postcodegebied waar geen politie aanwezig is, zullen er ook geen aanhoudingen volgen, terwijl er in principe in beide gebieden evenveel dealers aanwezig zouden kunnen zijn. Nog erger, door het voorspelalgoritme zal er zelfs nog meer aandacht komen voor het eerste gebied; en opnieuw heeft het systeem zijn eigen waarheid gecreëerd.

Voor elk van de benoemde risico’s zijn oplossingen te verzinnen. Sommige zullen technisch van aard zijn (bijvoorbeeld het geautomatiseerd compenseren voor eventuele menselijke vooroordelen), anderen sociaal (bijvoorbeeld extra training en coaching op het gebruik), of iets daartussenin. Zo had het systeem voor het detecteren van drugrunners zonder problemen uitgebreid kunnen worden met zo nu en dan een (blinde) willekeurige steekproef. De beambten hadden dan niet geweten of de melding een echte detectie betrof, of een steekproef, en hadden waarschijnlijk een keer extra gekeken naar wie er achter het stuur zat.

2.7 Predictive policing en ondermijning

Voor het voorspellen van ondermijnende criminaliteit of fenomenen die met ondermijning te maken hebben, is al het nodige onderzoek uitgevoerd. Zo heeft The New Inquiry een website (en app) gepresenteerd waarbij niet de gebruikelijke criminaliteit zoals straatroven en inbraken worden voorspeld, maar juist de onzichtbare ‘white collar crime’ zoals fraude, handel met voorkennis, maar ook leeftijdsdiscriminatie. Hiervoor gebruiken ze precies dezelfde technologieën als CAS en PredPol. Hoewel voornamelijk opgezet als activistische boodschap tegen traditionele predictive policing, laat de voorspelde hoeveelheid criminaliteit (volgens de makers met een 90% betrouwbaarheid) zien hoe groot het probleem van de onzichtbare criminaliteit is.

Dichter bij de meer typische ondermijning-problematiek ligt het onderzoek van (Burnum & Lu, 2008). Op basis van geografische analyse en historische data hebben zij een aanpak ontwikkeld waarmee de locaties van meth-labs (voornamelijk van het productietype ‘shake-and-bake’) konden worden voorspeld. Speciaal daaraan was dat de voorspelling niet enkel aangaf of een bepaalde locatie een lab zou bevatten, maar ook de ‘aantrekkelijkheid’ van de locatie en waargenomen trends en verschuivingen. Daarmee bied het niet enkel de mogelijkheid om tot ‘heterdaadjes’ over te gaan, maar juist ook preventief handelen.

In Nederland hebben zowel de gemeente Tilburg, als het RIEC Rotterdam onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheid tot het voorspellen van (hotspots van) ondermijning. Het in Tilburg uitgevoerde onderzoek (Bolsius, Höcük, Prüfer & Kolthoff, 2018) gebruikt een 15-tal indicatoren om van een bedrijfsterrein te bepalen of deze valt binnen het hoge of lage risicoprofiel. Bouwjaar, het aantal hoge capaciteit aansluitingen, de WOZ-waarde, bedrijfsgrootte, en historische informatie bleken daarbij allemaal een bepaalde voorspellende waarde te hebben. De vraag is vooral, wat te doen met dergelijke informatie? Wie kan er, op welke wijze, een bijdrage leveren om de ondermijnende criminaliteit die plaatsvindt op een dergelijk bedrijfsterrein terug te dringen?

3. Burgerparticipatie

Veiligheid is niet een exclusieve taak van politie of overheid. Ook private organisaties en burgers spelen hierin een belangrijke rol. Participerende burgers en bedrijven worden steeds belangrijker als de overheid zich terugtrekt of met schaarste kampt. Vormen van burgerparticipatie zijn niet nieuw. Wat wel nieuw is, is dat door de technologische ontwikkelingen het aantal mogelijkheden een vlucht heeft genomen. Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers worden alerter, voelen zich veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot, en heterdaadkracht is grotendeels afhankelijk van de inbreng van burgers. Verschillende praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten nu al resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010), zoals de zoektocht naar Anne Faber waarbij de jas door burgerzoekteams die samenwerkten met de familie is gevonden en dit de sleutel tot de zaak was (Lam & Kop, 2020).

Burgers zijn de laatste jaren gevraagd en ongevraagd een steeds grotere rol zijn gaan spelen op het gebied van veiligheid. Burgers melden en signaleren via moderne sociale media kanalen in hun buurt, middels apps of op internet en het is juist van deze signalen van burgers dat de overheid grotendeels afhankelijk is om ondermijning zichtbaar te maken.

Ondermijning kent relatief weinig geregistreerde slachtoffers, en burgers lijken in hun normale leven niet veel last te ondervinden van ondermijnende activiteiten, waardoor meldingsbereidheid laag ligt. Maar wat nu als burgers op de hoogte zijn van de mogelijke dreigingen en risico’s, en liefst in een fase waarin ze het verschil kunnen maken?

Er is in Nederland de afgelopen jaren een sterke groei geweest in duizenden buurten waarin bewoners elkaar op de hoogte houden van verdachte omstandigheden met een Whatsapp-groep. En het lijkt effect te hebben: in Tilburg daalde het aantal inbraken met minstens 50% (Akkermans, & Vollaard, 2015). Als zo’n simpele interventie al zorgt voor 50%, wat doet een op maat gemaakte interventie dan wel niet? En hoe is deze vorm van burgerparticipatie toepasbaar op andere criminele activiteiten? De gedeelde informatie onder burgers heeft in potentie grote impact op de effectiviteit van de aanpak. Niet alleen biedt dit handvatten en handelingsperspectief, maar het kan ook helpen om inzet en interventies te evalueren. Pas dan zal kunnen blijken wat beter werkt: meer controleren en bonnen schrijven of elkaar aanspreken op gedrag.

3.1 Hot of hype?

De politie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers. Zelfs in de opsporing van criminaliteit. In de zomer van 2019 is een app gelanceerd waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf of iets vermoeden. Technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten en met deze app “Mijn onderzoek” proberen politie en justitie op die beweging in te spelen en burgers te faciliteren. Met de app leggen ze – afhankelijk van het misdrijf – de locatie, zichtbare sporen, het mogelijke motief, getuigenverklaringen en gestolen goederen vast. Een andere mogelijkheid is het samenstellen van een compositiefoto van een verdachte. Veel mensen vinden het moeilijk om de juiste ogen, oren of neus op een gezicht te plakken. Daarom bevat de app een trainingsspel, waarmee gezichten van bekende personen ‘bij
elkaar geklikt’ moeten worden. Is het dossier met aanwijzingen compleet? Dan deelt die burger eenvoudig via diverse sociale mediakanalen of e-mail een getuige oproep, en stuurt het complete dossier naar de politie zodat die actie kan ondernemen. Vervolgens wisselen de burger en politie updates uit via de app.

“Vooral technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten. Met de app ‘Mijn onderzoek’ proberen we op die beweging in te spelen en mensen te faciliteren.”  – Oscar Dros, portefeuillehouder burgerparticipatie, politiechef Eenheid Oost-Nederland.

Maar wat als misdaadanalyses in deze dossiers al door software gedaan kunnen worden? Wat als algoritmes de aanwijzingen in het dossier aan elkaar kunnen knopen en mogelijke scenario’s kunnen schetsen? Een foto of schets van een gezicht kan misschien al online gezocht worden. Open source speurwerk dat nu handmatig door burgeronderzoekers zoals Bellingcat wordt gedaan (Bellingcat is een burgerjournalistiek netwerk dat onderzoek doet op basis van open bronnen. De organisatie werd onder andere bekend door haar onderzoek naar de MH17-ramp). Wat als burgers gericht kunnen opletten op basis van slimme software?

Sarea: Samen zoeken met een algoritme als gids
De politie experimenteert sinds kort met diverse apps om burgers actief te laten meezoeken of onderzoek te plegen na een misdrijf. Zo is er de app Sarea waarmee burgers zelf een zoekactie kunnen opzetten naar een vermist persoon. Een slim algoritme berekent op basis van een aantal kenmerken een zoekgebied waarin de vermiste persoon zich kan begeven. Want buurtonderzoek kost veel tijd en mankracht. En wie kun je nu het beste om hulp vragen en waar kun je het beste zoeken? Jaarlijks worden meer dan 40.000 mensen als vermist opgegeven. Gelukkig zijn 70%
van de personen binnen 24 uur teruggevonden. In sommige gevallen helaas niet. Burgers starten vaak zelf een zoekactie voordat de politie in beeld komt. Dat is goed, want juist de eerste 24 uur zijn cruciaal.

Burgers willen graag, maar weten niet altijd hoe ze een zoekactie moeten leiden. Hoe weet je wie waar zoekt? Hoe stuur je mensen aan? De vermissingsapp Sarea (Search Area) helpt door de zoekactie te structureren en te organiseren. Doordat Sarea een afgebakend zoekgebied bepaalt en doordat de coördinator overzicht behoudt van waar wel en niet gezocht is, zorgt Sarea voor cruciale afstemming en samenwerking tussen alle partijen die betrokken zijn bij het zoeken naar een vermiste persoon.

Een zoekactie met Sarea begint doordat iemand (de coördinator) een opsporingsbericht aanmaakt. De coördinator kan naam, geslacht, leeftijd, laatst bekende locatie, datum en tijd van vermissing, mobiliteit, foto en een (korte) omschrijving van de vermiste ingeven. Deze gegevens zijn onder andere nodig om een zoekgebied te bepalen. De coördinator stuurt vervolgens het opsporingsbericht naar mensen in zijn of haar netwerk.

Vooraf en tijdens de zoektocht krijgen de deelnemers via de coördinator aanwijzingen. Bijvoorbeeld over waar te zoeken, of hoe om te gaan met bewijsmateriaal. Op deze manier biedt de app overzicht en coördinatie tijdens de zoekactie naar een vermiste persoon.

3.2 Risico’s en kritiek

De angst voor represailles is legitiem, zeker in het geval van ondermijning. Bovendien zijn burgers zelf soms onbewust of onbedoeld een schakel in criminele handel. Als burgers te actief worden, zoals het zelf opsporen van daders, brengt dat zo mogelijk nog meer risico’s met zich mee. Hoogoplopende emoties kunnen bovendien leiden tot eigenhandig optreden. De ontwikkeling van burgers die een grotere rol spelen in opsporing is nu nog relatief klein, maar het is wel een trend die steeds belangrijker wordt. Daar moet je wat mee. Daarom helpt de app ‘Mijn Onderzoek’ niet alleen bij de opsporing, maar geeft het burgers ook informatie over preventie en over wat volgens de wet wel en niet mag. Daarnaast maakt de app inzichtelijk wat de consequenties zijn van sommige handelingen, zoals het online delen van namen en foto’s van verdachten personen of slachtoffers. Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers, en politieprocessen te veranderen naar cocreatie van veiligheid.

3.3 Burgerparticipatie en ondermijning

Burgers kunnen op allerlei manieren betrokken worden in de aanpak van ondermijning, uiteraard op een veilige en verantwoorde manier. De participatie begint al bij het waarnemen. Zo lanceerde het openbaar ministerie onlangs een campagne rondom speciaal ontwikkeld ‘parfum’: XTACY. Onder het motto ‘eens geroken wordt later herkend’ hoopt men dat burgers de geur van een drugslab waar xtc wordt geproduceerd gaan herkennen op basis van de parfum die doet denken aan de geur van anijsblokjes.

Naast het vergroten van bewustwording en het beter signaleren, zijn er ook nieuwe mogelijkheden om vroege of zwakke signalen te delen. Hieronder een voorbeeld van het anoniem delen van signalen ten aanzien van ondermijning in de stad Milaan:

MafiaMaps


“Maffiosi zijn bang van kennis, veel banger dan dat ze van alle speurders en wetten bij elkaar zijn. Dus hoe meer details we kennen, hoe sterker we staan.” Zo klinkt het in een filmpje van Mafiamaps van vijf jonge onderzoekers aan de universiteit van Milaan die via crowdfunding heel Italië willen bedienen met een app. Er was al een online anonieme Wikimafia waarop beschreven wordt wie de maffiosi zijn, maar het was nog moeilijk om het reilen en zeilen van ze vast te leggen. Mafiamaps biedt een simpele kaart waarop iedereen een digitale punaise kan drukken met iets
dat ze hebben waargenomen, van een maffiabaas die een cappuccino drinkt in een café tot het uitladen van een vrachtwagen of een schietpartij.

Crime mapping, zoals in het voorbeeld van MafiaMaps, is internationaal gezien enorm in ontwikkeling. Niet alleen misdaad in brede zin wordt in kaart gebracht. Er zijn ook thematische kaarten, zoals drugsgerelateerde misdaad, illegale handel en moord. Bij ondermijning hangen veel fenomenen vaak samen, waardoor deze toepassingen aan populariteit winnen. Aangezien het vaak publiek-private samenwerkingen zijn die crime mapping mogelijk maken, en data steeds vaker uit meerdere bronnen zal komen (ook van burgers), is er enerzijds steeds meer mogelijk maar zijn er ook risico’s. Er is meer mogelijk als meersoortige informatie bij elkaar komt en geavanceerde analyses, waaronder voorspellingen, bieden allerlei nieuwe inzichten waarop gerichtere interventies mogelijk zijn. Anderzijds zijn er discussies over de betrouwbaarheid van de data (ook maffiosi delen valse gegevens op MafiaMap), ethische afwegingen zoals de verborgen vooroordelen in de data waardoor bepaalde buurten meer opvallen dan andere, en juridische dilemma’s rondom eigendom en verantwoordelijkheden in het publiek-private domein.

4. Proactieve participatie

Predictive policing kan helpen om op de juiste tijden en plaatsen aanwezig te zijn, zodat burgers zich veiliger voelen en de politie meer gaan waarderen, omdat ze er zijn wanneer het er in hun ogen toe doet (legitimiteit). Maar wat als je ook burgers een rol hierin geeft? Op dat moment creëer je proactieve participatie. Daarmee wordt burgerparticipatie niet alleen een passieve stroom van informatie van burgers naar politie of vice versa, maar kunnen burgers optimaal en daar waar nodig worden ingezet. Optimaal betekend daarin niet enkel kostenefficiënt (extra ogen en oren), maar vooral ook betere mogelijkheden tot het ‘doseren’ van de interventie, en een groter gevoel van betrokkenheid. Het stopzetten van toeslagen, staande houden van auto’s, en het binnenvallen in een pand hebben allemaal potentieel veel grotere negatieve bijeffecten dan een extra stel ogen of iemand aanspreken.

Proactieve participatie in het (opsporings)proces rond ondermijning kan op drie verschillende wijzen.

4.1 De burger als proactief interventiemiddel

De wijze die het meest al daadwerkelijk wordt beproeft is het inzetten van de burger als proactief interventiemiddel. Kortom: waarom de voorspelkaartjes van CAS (of vergelijkbare producten) enkel gebruiken voor het sturen van politie, als dezelfde kaartjes ook kunnen worden gebruikt om burgers in de ‘hot-spots’ en ‘hot-moments’ extra te attenderen op gevaar of zelfs de buurtwacht te vragen een extra rondje te lopen. De Zwitserse politie doet dat al met hun app ‘KAPO Aargau’, maar ook Interpolis heeft een InbraakBarometer beschikbaar gesteld waarin burgers kunnen zien wat die dag het risico is op een inbraak.

Op het gebied van ondermijning gaat het dan vooral om het – zichtbaar – aanwezig zijn in de buurt van locaties die gebruikt kunnen worden als drugspand, illegaal bordeel of samenkomstlocatie, waardoor de aantrekkelijkheid afneemt. Ook het eventueel aanspreken van potentiële (kleine) criminelen valt binnen deze categorie.

4.2 De burger als proactieve barrière

Door de vermenging van boven- en onderwereld worden burgers en bedrijven vaak gewild, of ongewild, onderdeel van de keten van ondermijnende criminaliteit. Denk bijvoorbeeld aan een boer die zijn leegstaande schuur verhuurt voor drugsproductie, (noodlijdende) bedrijven en clubs die worden ingezet voor het witwassen met geld, en hotels die kamers gebruikt zien worden voor (gedwongen) prostitutie. Elk van deze schakels binnen de keten kan worden ingezet als barrière.

Als personen en bedrijven gericht aangesproken kunnen worden op hun (mogelijke) rol kan dat zowel de bewustwording verbeteren, als ook een afschrikkend effect hebben. Een algemeen bericht dat boeren moeten oppassen voor huurders die ‘te veel’ betalen voor het huren van een schuur, zal minder effect hebben dan als een specifieke boer (die voldoet aan de kenmerken van aantrekkelijkheid voor criminelen) persoonlijk op precies hetzelfde risico wordt gewezen.

4.3 De burger als informatiebron

Tenslotte kunnen burgers ook de doorslaggevende informatiebron vormen voor voorspellende algoritmes. Niet alleen door informatie te delen over de daadwerkelijke criminaliteit die ze zien, maar ook door zogenaamde ‘zwakke signalen’ vroegtijdiger te delen. Signalen die niet direct een indicatie van criminaliteit vormen, maar samen met andere trends en gesloten bronnen gecombineerd kunnen worden tot een accurate voorspelling. Zo is de aanwezigheid van bepaalde personen, nachtelijke activiteit of de aankoop van bepaalde grondstoffen niet noodzakelijk strafbaar, maar kan wel degelijke leiden tot een beter beeld, en daarmee ook betere voorspellingen op het gebied van ondermijning.

4.4 Dilemma’s

Net zoals burgerparticipatie en predictive policing los van elkaar behoorlijke kritiek krijgen en dilemma’s oproepen, brengt proactieve participatie ook zijn eigen risico’s met zich mee.

Welke informatie kun je burgers geven? En de vraag is natuurlijk of dat ook altijd handig is. Als je op huisniveau kunt bepalen wat de dreiging is van een inbraak, wil je dan echt naar de bewoners communiceren dat er een grote dreiging is? Zelfs als die dreiging een kans van 1 op 100 is?

Door burgerparticipatie kunnen preventie en heterdaadkracht worden vergroot. Dit zou betekenen dat data of voorspellingen beschikbaar moeten komen voor burgers om ze te activeren. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar het effect dat dit heeft dit op burgers. Vergroot dit de angst? Crime maps in Engeland laten zien dat dit zeker in het begin een negatief effect heeft op het gevoel van onveiligheid, maar vervolgens juist weer een positief gevoel van samenredzaamheid teweegbrengt (1, 2). Eerst schrikt men, dan besluit men er iets aan te doen. De politie moet dus goed nadenken over het effect van de informatie die wordt gedeeld. Niets delen betekent ook verwachtingsmanagement. Want wat hoort de burger te weten?

Daarnaast worden niet alleen eerlijke burgers wijzer, maar ook criminelen. Als de politie exact zou handelen naar de eigen (publieke) misdaadkaarten, dan betekent dat ook dat criminelen precies weten waar ze vooral niet moeten komen. Nog erger: precies dezelfde informatie kan worden gebruikt door criminelen om te voorspellen waar ze de grootste buit kunnen vinden met de laagste pakkans.

Tenslotte is het maar de vraag hoe betrouwbaar voorspelalgoritmes worden als ze worden gevoed door de vaak subjectieve of onjuiste informatie van burgers. Het zal niet de eerste keer zijn dat iemand uit wraak zijn buurman van dingen beschuldigd of dat iemand met een lekke band wordt aangezien voor fietsendief. Een menselijke analist is vaak nog in staat om de brede context te zien van dergelijke meldingen, maar voor een algoritme zijn het gewoon cijfers waarover statistiek berekend kan worden. In een tijd waarin er al twijfels zijn over de legitimiteit en effectiviteit van predictive policing methoden op basis van politiegegevens, is het maar de vraag of burgers wel de juiste bron vormen.

Deze ontwikkeling heeft nog een aantal uitdagingen in zich, die in dit artikel kort benoemd zijn. Het begint al bij de startinformatie. Want zonder deze informatie kan een algoritme en mens niet aan de slag. En “Garbage In is Garbage Out”. Validatieslagen op data zijn van belang, zoals het opwerken van een enkel zwak signaal naar het combineren van een veelheid van bronnen waarin zwakke signalen te vinden zijn.

Maar een belangrijke schakel voordat er informatie binnenkomt is bewustwording. Eén van problemen bij de aanpak van ondermijning is dat veel mensen zich niet bewust zijn van ondermijning: wat is het, hoe herken je het, wat zijn de effecten? Met als gevolg dat mensen het of niet belangrijk vinden en/of niet weten welke signalen zij moeten melden. Het belangrijkste is dus: hoe wordt iedereen bewuster welke informatie hij of zij moet aanleveren en hoe wakker je de urgentie aan? En ook: hoe groot is de kans op criminele contra-strategieën? Criminelen die bewust desinformatie in het systeem voeden om zelf buitenschot te blijven of de concurrent een hak te zetten?

Bij de verwerking van vroege en zwakke signalen hebben we laten zien dat computersystemen en algoritmes simpelweg verwerken wat aan ze gevoed wordt. Een reëel risico dat dan ontstaat is dat zo’n systeem selectieve informatie gebruikt (bijvoorbeeld van bepaalde mensen of buurten) wat kan leiden tot een bias; vooroordelen in de informatie en daardoor (te) selectieve inzet. Dit kan vervolgens leiden tot criminalisering van bepaalde gebieden, personen of sectoren en dat bestaande blinde vlekken in stand blijven of worden versterkt. Voor predictive policing is in de verwerking van deze informatie en het handelen op dit moment nog expertkennis nodig over veel specifieke details van crimineel handelen. Wat voor soort panden worden nu precies gebruikt, welke
vervoersmiddelen, welke witwaspraktijken, etc. Mensen en computers moeten beiden nog beter gaan leren hoe het dagelijks leven van een crimineel, die zich in de onder- en bovenwereld beweegt, er nu precies uitziet.

Naast betere bewustwording, een beter begrip en gericht voorspellen van het fenomeen ondermijning, is het ook nodig de effecten van interventies te kunnen inschatten. Hoe voorkom je bijvoorbeeld tweede-orde-effecten? Het onderscheppen van een lading drugs kan bijvoorbeeld leiden tot strijd in een crimineel netwerk. Een interventie heeft dan mogelijk niet tot gevolg dat Nederland veiliger wordt, maar dat er liquidaties plaatsvinden op straat.

Tenslotte is de vraag wat je met elkaar mag en wilt delen om tot handelen of nieuwe informatie te komen. Met wie deel je wat, en hoe deel je informatie op zo’n manier dat het tot gewenst handelen leidt? En wat is het doel? De aanpak van criminaliteit, het veiligheidsgevoel, of ook de legitimiteit van bijvoorbeeld de politie? Een belangrijk aandachtspunt met betrekking tot het delen van informatie is wederkerigheid, zodat burgers weten dat hun bijdrage daadwerkelijk effect had.

Het risico van enkel een technologie is dat het anoniem wordt en onder de motorkap verdwijnt, waardoor burgers geen zicht meer hebben op het effect van hun handelen. Vanuit motivatiepsychologie is bekend dat dit belangrijk is. Er zullen de komende tijd meer ondersteunende middelen ontwikkeld moeten worden om alle partners in veiligheid optimaal gericht tot handelen aan te zetten. Ondanks de genoemde dilemma’s zit er toekomst in, zij het stapje voor stapje.

5. Toekomst

De kenmerken van ondermijning maken dat het per definitie gaat om een diepgeworteld probleem. Het zit zo diep verankerd in de samenleving, dat het noodzakelijk is om diezelfde samenleving aan te spreken en te benutten om deze problematiek te beheersen. De laatste jaren wordt deze beweging ook zichtbaar in de aanpak. Er is een verschuiving van een strafrechtelijke aanpak, naar een integrale aanpak en in toenemende mate een maatschappelijk georiënteerde aanpak. Deze partijen zijn allemaal in de eerste plaats afhankelijk van informatie om effectief op te kunnen treden.

Tegelijkertijd is informatie vaak het knelpunt in de aanpak. Niet alleen de informatiedeling tussen de verschillende partijen, maar vooral ook het krijgen van informatie en signalen van mensen die met ondermijning te maken krijgen. Hierbij gaat het om informatie van professionals, maar vooral ook van burgers. Een fundamenteel probleem bij de aanpak van ondermijning is dat burgers, overheid en bedrijfsleven ondermijning niet goed herkennen, het niet altijd als last ervaren of onvoldoende bewust zijn van de gevolgen. In sommige gevallen wordt ook bewust weggekeken. En als men al bewust wordt van het fenomeen en de gevolgen is er vaak onvoldoende handelingsperspectief om een waardevolle bijdrage te leveren in de aanpak ervan.

De kernopgave is dus om de juiste informatie en signalen uit de samenleving te verzamelen, deze te duiden en hier betekenisvolle patronen in te herkennen en dit om te zetten naar een handelingsperspectief. Dat is waar de kracht van predictive policing om de hoek komt kijken.

Predictive policing kan ten eerste worden ingezet om de aandacht van burgers en buurten, bedrijven en bedrijfstakken, ambtenaren en overheidsorganen veel meer te richten op die aspecten die van belang zijn voor de aanpak van ondermijning. Bijvoorbeeld het signaleren van criminele ontmoetingsplaatsen, drugskwekerijen en laboratoria, maar ook verdachte transacties of transporten. Het benutten van predictive policing voor de aanpak van ondermijning kan vervolgens een zelfversterkend mechanisme worden. Door de integrale aandacht vanuit verschillende gezichtspunten te richten kunnen meer vroegtijdige signalen worden verzameld. Als men weet waar en waarnaar men moet kijken, ziet men immers meer. Als er meer informatie binnenkomt, is het mogelijk om
op basis van algoritmen steeds beter patronen en kritieke indicatoren te herkennen. Meer en betere informatie houdt in dat partners in de integrale samenwerking meer mogelijkheden hebben en beter in positie te komen om interventies toe te passen.

Toepassingsmogelijkheden van predictive policing blijven echter niet beperkt tot de integrale samenwerkingspartners. Burgers kunnen vervolgens met voorspellend advies op maat gericht worden geprikkeld om te kunnen participeren in de aanpak. De huidige rol van burgers als ogen en oren kan door het bieden van handelingsperspectieven op basis van geanalyseerde informatie worden uitgebreid naar die van preventive guardian. Met handelingen die zodanig zijn afgestemd op spelers uit zowel het publieke als het private domein, zodat eenieder bewust of onbewust een steentje bijdraagt. De eerder genoemde theorieën, zoals de routine activity theory, kunnen hierbij handvatten bieden. Het voorspellen van waar de kans op criminaliteit aannemelijk is, geeft namelijk ook
aanknopingspunten voor eventuele interventies die gericht zijn op de aanpak van verdachten, de aantrekkelijkheid van kwetsbare doelwitten of het verbeteren van toezicht. Deze knooppunten kunnen scherper in beeld worden gebracht door de kracht van big data en de bewustwording van burgers. Er ontstaat een integrale aanpak, inclusief burgers en publiek-private partijen, die door moderne technologie beter gericht en gestimuleerd kan worden met de hoop ondermijning vroegtijdig te signaleren en te voorkomen. Bijvoorbeeld door een looproute die een handhaver of de postbode neemt, tot de looproute bij een buurtschouw van een buurtpreventieteam om verdachte bewegingen rond gebouwen en op straat te signaleren.

Afsluitend kan worden gesteld dat zowel predictive policing als burgerparticipatie kansen biedt voor een innovatieve aanpak. En mogelijk is het raakvlak van beide, ‘human intelligence x artificial intelligence’, daarmee dé formule voor de toekomst op het gebied van ondermijning.

Bibliografie
Akkermans, M., & Vollaard, B. (2015). “Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken – een evaluatie”, Tilburg universiteit, Tilburg. Bolsius, Y., Höcük, S., Prüfer, P., & Kolthoff, E. (2018). “Indicatoren van (georganiseerde) criminaliteit en ondermijning op bedrijventerreinen. Een verkennend onderzoek in de gemeente Tilburg”, Tilburg University – CentERdata, Avans hogeschool, WODC, Tilburg.
Brantingham, P.J., & Brantingham, P.L. (1981). “Environmental Criminology”. Beverly Hills, CA: Sage Publications.
Cohen, L.E., & Felson, M. (1979). “Social Change and Crime Rate Trends: A Routine Activity Approach”. American Sociological Review. 44(4): 588-608.
Cornelissens, A., & Ferwerda, H. (2010). “Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten”. Politie en Wetenschap, Apeldoorn.
Cornish, D.B., & Clarke, R.V. (1987). “Understanding Crime Displacement: An Application of Rational Choice Theory”. Criminology, 25(4), 933-947.
Faber, W. (2013). Ondermijning als activiteit en als gevolg. Een poging tot duiding van een lastig te definiëren fenomeen. Finecscience. Geraadpleegd van .
Lam, J., & Kop, N. (2018, 30 april). In het schemergebied van de wet. Secondant.
Lam, J., Wal, R. van, & Kop, N. (2018). “Sluipend gif. Een onderzoek naar ondermijnende criminaliteit”. Apeldoorn/Den Haag: Politieacademie/Boom Criminologie.
Lam, J., & Kop, N. (2020). “Schouder aan schouder. Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber”. Politieacademie, Apeldoorn.
Lu M., & Burnum J. (2008). “Spatial Patterns of Clandestine Methamphetamine Labs in Colorado Springs, Colorado”. In: Thomas Y.F., Richardson D., & Cheung I. (eds), Geography and Drug Addiction. Springer, Dordrecht.
Mali, B., Bronkhorst-Giesen, C., & den Hengst, M. (2017) “Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot”. Politieacademie, Apeldoorn.
Perry, W., McInnis, B., Price, C., Smith, S., & Hollywood, J. (2013). “Predictive policing: The Role of Crime Forecasting in Law Enforcement Operations”. Santa Monica:RAND.
Politie Amsterdam-Amstelland (2009). Over ondermijning. Een verkenning naar het fenomeen, de aanpak en mogelijke verbeteringen. Amsterdam: Politie Amsterdam-Amstelland.
Rienks, R. (2015): “Predictive Policing. Kansen voor een veiligere toekomst”. Politieacademie, Apeldoorn.
Smit, S., de Vries, A., van der Kleij, R., & van Vliet, H., (2016). “Van predictive naar prescriptive policing; Verder dan vakjes voorspellen”, TNO, Den Haag.
Tops, P., Valkenhoef, J. van, Torre, E. van der, Spijk, L. van (2018). “Waar een klein land groot in kan zijn. Nederland en synthetische drugs in de afgelopen 50 jaar”, Politieacademie,
Boom criminologie, Den Haag.
Tops, P., & Tromp, J. (2019). “De achterkant van Amsterdam. Een verkenning van drugsgerelateerde criminaliteit”, Gemeente Amsterdam, Amsterdam.
Voskuil, K. (2019). “Drugseconomie Amsterdam is onbeheersbaar geworden”, Algemeen Dagblad.

Bron: Cahier Politiestudies

Help de Wouten?!

Een onderzoek naar de meldingsbereidheid bij VVC-zaken onder de jeugd in ZeelandKim Leonard

De politie is voor de opsporing van daders van misdrijven altijd afhankelijk van de medewerking van de burger. Zonder burgers als getuige, slachtoffer of aangever is er geen opsporing mogelijk. Specifiek is het melden van criminaliteit de voornaamste vorm van burgerparticipatie. Echter, blijkt dat 66% van massaal voorkomend strafbaar gedrag niet gemeld wordt door de burger. Deze veelvoorkomende criminaliteit is hinderlijk en heeft een versterkende werking op de onveiligheidsgevoelens van burger. (Jit wetenschappelijke onderzoek blijkt dat voornamelijk jongeren achterblijven in het melden van veelvoorkomende criminaliteit, ondanks dat zij hier een zeer belangrijke rol in spelen.

Opvallend is dat jongeren wel de overtuiging hebben dat een melding bijdraagt aan het oplossen van een misdrijf en dat zo snel mogelijk contact opnemen met de politie belangrijk is (Kuppens et. al., 2016). Maar ondanks deze overtuigingen bij jongeren blijft een melding vaak achterwege en blijken jongeren vooral passieve consumenten van informatie (Ferwerda, 2015). Hierbij lijkt het vooral moeilijk om jongeren gemotiveerd en betrokken te houden.

De grootste bevorderende factor voor het vergroten van meldingsbereidheid van de jeugd, is het feit dat de jeugd zelf 00k wil participeren (van Doorn, 2017). Anders gezegd is autonome motivatie nodig om de jeugd vanuit zichzelf te laten melden op het moment dat zij een strafbaar feit ontdekken. Wanneer er sprake is van een ander type motivatie dan autonome motivatie, dient een organisatie hier 00k anders mee om te gaan. De jeugd moet dan op een andere manier benaderd en gestimuleerd worden om hen te motiveren om veelvoorkomende criminaliteit te melden. Dit kwalitatieve onderzoek is daarom gericht op de vraag in hoeverre jongeren uit de regio Oosterscheldebekken autonoom gemotiveerd zijn om veelvoorkomende criminaliteit te melden.

Vanuit de literatuur kan worden gesteld dat autonome motivatie ontstaat wanneer iemand wordt bevredigd in de psychologische basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid. 0m deze vraag te kunnen beantwoorden is daarom onderzocht of jongeren uit de regio Oosterscheldebekken zich bevredigd voelen in deze psychologische basisbehoeften. Dit gevoel is onderzocht door het afnemen van diepte-interviews. Voor het onderzoek zijn in totaal 12 jongeren in de leeftijd van 15 tot 18 jaar geinterviewd. Hierbij werd rekening gehouden met een spreiding tussen geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en woonplaats in de regio Oosterscheldebekken.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de jongeren uit het onderzoek nauwelijks melding maken van veelvoorkomende criminaliteit en dat de psychologische basisbehoeften van de jongeren sterk onder druk staan. Er is dus geen sprake van autonome, maar gecontroleerde motivatie bij de jeugd in de regio Oosterscheldebekken ten opzichte van het melden van veelvoorkomende criminaliteit. Dit betekent dat jongeren een externe stimulans nodig hebben om hun intentie tot het melden te vergroten. Concreet hebben zij behoefte aan uitleg, meer binding met de politie en voldoende gelegenheid om veelvoorkomende criminaliteit op geheel eigen wijze te melden. Wanneer deze stappen worden ondernomen, zal de intentie tot het melden van veelvoorkomende criminaliteit worden vergroot.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425101&doc=helpdewouten-200909065829&type=d]

Bron: Politieacademie

 

Schouder aan schouder. Lessen over burger- en politieparticipatie uit de zaak Anne Faber

Bij de vermissing van Anne Faber hadden burgers veel expertise te bieden. Zelfs als dat niet zo is, moet de politie burgers serieus nemen, adviseert de Politieacademie. Nicolien Kop en Jerôme Lam deden onderzoek naar de rol van burgers bij de zoektocht naar Anne Faber. Zij adviseren om beter te inventariseren welke taken aan burgers uitbesteed kunnen worden.

Anne Faber werd in het najaar van 2017 twee weken vermist. Uiteindelijk bleek dat zedendelinquent en psychiatrisch patiënt Michael P. haar had misbruikt en gedood. Voor Schouder aan schouder: Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber is onder meer aan veertien medewerkers van de politie gevraagd welke lessen ze trekken uit deze periode.

In het NRC valt te lezen:

„De zoektocht naar Anne Faber was een kantelpunt”, zegt Lam. Familieleden gingen voortvarend te werk: ze hadden contacten bij Defensie en vroegen gedetailleerde kaarten op van het gebied waar Anne voor het laatst was gezien. Ze organiseerden een tijdelijk hoofdkantoor en via appgroepen werden verschillende zoekgroepen aangestuurd.

In de eerste dagen van de vermissing vond het zoekproces van de politie en de burgers min of meer onafhankelijk van elkaar plaats, staat in Schouder aan schouder. De politie was in die dagen wel „ter ondersteuning” aanwezig in het gebied waar Anne Faber vermist is geraakt, maar gaf geen sturing omdat ze nog niet zeker wist of ze nog in het gebied was.

De aanwezigheid van de agenten schiep verwarring. „De houding van de politie tegenover de familie werd als storend ervaren”, zegt een van de politiemedewerkers in het onderzoek. Familieleden zagen de politie als een „black box”: de familie deelde al hun bevindingen maar de politie vertelde weinig over wat zij ontdekte.

De samenwerking werd steeds nauwer, onder meer omdat de politie zich aansloot bij het dagelijkse overleg van de familie. Op dag twaalf van de zoektocht liepen burgers en de Mobiele Eenheid van de politie in linie – schouder aan schouder – door het zoekgebied.

„Burgers bieden zich steeds vaker aan”, zegt Lam. „Als je samen kunt werken omdat er zoals bij de familie van Anne Faber veel expertise is, moet je dat doen, maar als je slecht kunt samenwerken moet je er ook iets mee zodat het onderzoek geen schade oploopt.”

Aanbevelingen voor politiepraktijk: ‘judo met burgers’
Burgerparticipatie is niet meer weg te denken uit de moderne samenleving. Burgers pakken steeds vaker gevraagd en ongevraagd hun rol op het gebied van veiligheid en criminaliteit. Dit vraagt om een cultuuromslag bij de politie: accepteer dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. Dit betekent niet dat de politie alle burgerinitiatieven klakkeloos moet goedkeuren. Sommige burgeracties zijn waardevol, andere juist onwenselijk vanuit ethisch en/of juridisch perspectief of omdat ze een bedreiging vormen voor het opsporingsonderzoek. Beoordeel per onderzoek welke vormen van burgerinitiatief ontstaan, hoe en waar deze burgerparticipatie versterkt kan worden, of juist bijgestuurd of begrensd moet worden. De essentie voor de politie is om niet tegen burgerinitiatieven te ‘vechten’, maar deze te omarmen en samen de juiste kant op te bewegen: ‘participatie-judo’. Participatiejudo (zie figuur hieronder) voor de politieorganisatie is gebaseerd op drie principes, die hieronder worden toegelicht.

1. Maak contact
Leg in een vroeg stadium contact met betrokkenen, zoals familie of initiatiefnemers. De politie is een actief onderdeel van de samenleving. Wat de politie doet, heeft vaak direct invloed op burgers en omgekeerd. Burgerinitiatieven bij bijvoorbeeld een vermissing, hebben vaak een directe impact op het politiewerk, doordat mensen zelf gaan zoeken of informatie gaan verzamelen. De uitdaging is om hier als politieorganisatie goed op te anticiperen. Een deel van het moderne politiewerk is daarom zien waar burgers mee bezig zijn en daarover contact onderhouden.

Organiseer een duidelijke politiestructuur waarbij de juiste mensen worden geïnformeerd en in positie gebracht. Goed judo vraagt om balans en een basis om stevig te kunnen staan. Dit is te vergelijken met een goede interne organisatiestructuur, zoals bijvoorbeeld de inrichting van het opsporingsproces of het SGBO-structuur. Informatie is vervolgens de energie die door
deze structuur stroomt. Stevig staan houdt in dat de onderdelen van de interne structuur op elkaar afgestemd moeten zijn. Concreet betekent dit goede interne communicatie en duidelijke afstemming van taken, rollen en posities tussen organisatieonderdelen en processen, bijvoorbeeld de verhouding en afstemming tussen TGO en SGBO. Daarnaast vraagt judo om een goede grip, zodat beide partijen elkaar stevig beet kunnen pakken.
Zorg ervoor dat er stevige contactpunten zijn tussen de politieorganisatie en de burgers, bijvoorbeeld in de rollen van familieagent- en rechercheur.
• Ondersteun goede burgerinitiatieven zich zo sterk mogelijk te organiseren De essentie van judo is om gebruik te maken van de kracht en de structuur van de ander. Vergelijkbaar heeft de politie baat bij een duidelijke structuur bij burgerinitiatieven. Een sterke burgerpartner maakt namelijk dat het makkelijker is om contact te onderhouden en informatie te geven of te halen. Of om gezamenlijk afspraken te maken. Help daarom burgers die in staat zijn om zich te organiseren en om waar nodig een structuur op te zetten.

2. Beweeg mee
• Laat de juiste politiemensen aansluiten bij burgerinitiatieven
Hierdoor kan tussentijds worden beoordeeld of de initiatieven waarde hebben voor het zoekproces of het opsporingsonderzoek. Door bijvoorbeeld politiemensen in te zetten die het opsporingsproces goed kennen, kan de toegevoegde waarde of de opbrengsten van de burgerparticipatie beter worden ingeschat. Politiemensen kunnen burgers ook ondersteunen bij initiatieven, waardoor hun waarde wordt vergroot. Activiteiten kunnen gericht zijn op het fysieke zoekproces, alsook van belang zijn voor de intelligence of het opsporingsonderzoek.
• Wees voorbereid op de informatie die door burgers kan worden gegenereerd en worden gevraagd
Net als bij judo, zijn burgers voortdurend aan het duwen tegen en trekken aan de politieorganisatie. Vaak doen zij dit door informatie te geven (duwen) en informatie te vragen (trekken) Wanneer burgers betrokken raken bij een opsporingsonderzoek of een vermissing, kan de politie overspoeld raken met informatie. Tips die via verschillende kanalen binnenkomen, kunnen oplopen tot enkele duizenden. Daarnaast kan het gaan om zowel digitaal als fysiek bewijsmateriaal, bijvoorbeeld camerabeelden die worden veiliggesteld of mogelijke sporen die burgers vinden. Aan de ene kant is deze informatie onmisbaar voor het politieonderzoek, tegelijkertijd vormt het een belasting voor de organisatie. Bovendien vragen burgers, zoals familieleden, ook veel informatie en uitleg. Iets waar de politie niet altijd voldoende op voorbereid is. Zorg daarom dat het effectief en serieus omgaan met deze informatiestromen op de juiste wijze in de organisatiestructuur is ondervangen, zodat de politie kan meebewegen met de informatiebehoefte van burgers.
• Beoordeel informatie van burgers op de wijze waarop deze is verkregen en waar deze op is gebaseerd Burgers kunnen voor het onderzoek allerlei informatie aanleveren op basis van bronnen
die die politie (nog) niet heeft. Denk aan tips, hypotheses of scenario’s. Lang niet alle informatie zal waardevol zijn, sommige zaken echter wel. Een manier om het kaf van het koren te scheiden, is na te gaan hoe burgers tot hun bevindingen zijn gekomen. Dat vraagt van de politie een actieve en open houding in het aangaan van het gesprek: “Als een burger in een moordonderzoek naar je toekomt en zegt: ‘dat doe je echt niet goed, omdat…’. Dan kun je zeggen: ‘Wij zijn al honderd stappen verder’. Maar je kunt ook zeggen: ‘Wij gaan even zitten, want jij hebt een verhaal. Vertel eens’.”

3. Leid waar nodig
• Stel aan het begin van een onderzoek de vraag wat burgerparticipatie voor het onderzoek kan betekenen
Om een opsporingsonderzoek effectief te leiden, is het van belang dat de politieorganisatie een beeld heeft van het te behalen doel en hoe dat te bereiken. Op het moment dat dit doel scherp is, kan de vraag worden gesteld of burgerparticipatie hierin iets kan betekenen. Soms is dat niets, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid van de betrokkenen bij een liquidatieonderzoek. n andere gevallen kunnen burgers met hun kennis en expertise mogelijk een waardevolle bijdrage leveren.
• Communiceer duidelijk over welke partij de regie heeft
Het is niet vanzelfsprekend dat de politie altijd de leidende rol op zich neemt. Soms is het wenselijk of noodzakelijk dat de politie een ondersteunende of faciliterende rol vervult. Bijvoorbeeld omdat de politie (nog) geen concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek op te starten of een lopend onderzoek richting te geven. In dergelijke gevallen kan de politie wel informatie geven of op andere wijze ondersteuning bieden. De politieorganisatie moet zich goed bewust zijn van het gegeven dat burgers vaak ‘het uniform’ als autoriteit zien en de politie als expert. Dit maakt dat de burger impliciet of expliciet een leidende rol vanuit de politie verwacht. Om misverstanden en verkeerde verwachtingen te voorkomen, is het van belang om aan het begin de verschillende rollen en verantwoordelijkheden expliciet te benoemen.
• Informeer burgers en wees transparant in keuzes
Het effectief leiden van burgerparticipatie vraagt vaak om de juiste vragen stellen aan burgers. Dit betekent mogelijk dat de politie meer informatie aan burgers geeft dan zij gewend is. Immers, als je de helft geeft, krijg je ook maar de helft terug. Net als bij judo zal de politie soms moeten ‘duwen’, door burgers de informatie te geven en ze de juiste kant op te laten bewegen. Vanzelfsprekend kan de politie niet alle inhoudelijke informatie delen in een onderzoek. Maar daar waar keuzes het publiek raken of verontrusten, kunnen die uitgelegd worden. Bijvoorbeeld waarom de politie in het ene geval maximaal inzet en in een ander geval niet. Voor het behoud van haar legitimiteit en de relatie met burgers, heeft de politie namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid om het goede te doen, maar ook om te verantwoorden wat het goede is.

Lees hier het volledige rapport:

[slideshare id=230327039&doc=19433191211defboekannefaberdi-200316092249]

Het artikel in Tijdschrift voor politie

[slideshare id=230326893&doc=001-048tvdp0819schouderaanschouder-200316091944&type=d]

De infographic:

[slideshare id=230326956&doc=infographicburgerparticipatie-200316092108&type=d]

Radio interview op NPO1 met Carlijn Plancken, Chef Opsporing Midden Nederland:

Bron: Politieacademie, Secondant, NRC, Tijdschrift voor Politie, Website voor politie