Tagarchief: tno

Handboek voor hulp bij opsporing

Opsporing is niet langer het exclusieve domein van de overheid. Iedereen die dat zou willen kan een bijdrage leveren. Maar hoe kunnen politie en burger(organisaties) samen onze veiligheid en rechtvaardigheid garanderen? En hoe worden wederzijdse verwachtingen in deze samenwerking waargemaakt? Het nieuwe TNO handboek ‘Eerste Hulp bij Opsporing – Handboek Burgerdetectives’ biedt hulp.

Overhandiging handboek hulp bij opsoring

v.l.n.r: Fred Westerbeke (politie), Shanna Wemmers (TNO) en Arnout de Vries (TNO)

De burgerdetectives

Is er sprake van een overheid die burgers betrekt (burgerparticipatie) of van burgers die de overheid betrekken bij misstanden (overheidsparticipatie)? Steeds meer burgers en organisaties onderzoeken misdrijven zoals bijvoorbeeld een fietsendiefstal, ondermijning of oorlogsmisdrijven in Oekraïne en Afghanistan. Deze ontwikkeling is niet te stoppen en wordt aangejaagd doordat data en informatie via sociale media en apps eenvoudig toegankelijk zijn.

Samenwerking essentieel?

TNO doet hier onderzoek naar. En wat blijkt? Burgers hebben niet alleen behoefte aan begeleiding maar men verwacht ook iets terug. Bijvoorbeeld bij een strafzaak. Daarnaast vragen politie en justitie zich af hoe men meer gebruik kan maken van de capaciteit, kennis en kunde vanuit de maatschappij? En hoe aan te sluiten op deze initiatieven? Wat zijn de kansen en wat zijn de risico’s? En hoe ga je daarmee om?

Praktisch toepasbaar

Al deze vragen komen aan bod in het handboek die hulporganisaties kunnen gebruiken om burgerinitiatieven te begeleiden en te ondersteunen. Hierbij gelden de wettelijke regels en politie en het Openbaar Ministerie kunnen aangeven wat de grenzen zijn in de samenwerking met opsporende burgers en het gebruik van informatie die van burgers afkomstig is. Eigenrichting dient te worden voorkomen, in dergelijke gevallen is vervolging van burgeropspoorders die strafbare feiten plegen of andere fundamentele belangen schenden die relevant zijn voor het strafproces, mogelijk. Zo zal de overheid burgers kunnen bekrachtigen waar dat kan, begrenzen waar dat moet en zich inzetten om de veiligheid van alle betrokkenen te beschermen.

In het handboek komen 24 onderzoeksmethodieken aan bod. Deze zijn vanuit de opsporingspraktijk van de politie vertaald naar de praktijk van de burgerrechercheur. De toelichtingen op de methodieken worden gegeven aan de hand van een voorbeeldmisdrijf.

Eerste Hulp bij Opsporing, Handboek Burgerdetectives

Het door TNO ontwikkelde handboek is een kennisbundel gericht op burgers, organisaties en beroepsgroepen die hulp bieden aan slachtoffers van misdrijven. Denk hierbij aan politie, gemeenten, verzekeraars, advocatuur, onderzoeksjournalisten, particuliere recherchebureaus of vrijwilligersorganisaties”.

Lees of download hier het gehele boek.

Bron: TNO

Heel Holland spoort op

Naar een afwegingsmodel voor de politie in de omgang met burgers die zelfstandig onderzoek doen
Auteurs: Arnout de Vries, Shanna Wemmers, Stan Duijf & Victor Kallen, Eerder gepubliceerd in Tijdschrift voor Veiligheid 2020 (19) 2-3

Burgers die zelfstandig misdrijven onderzoeken is een groeiende trend vanwege de democratisering van informatie (zoals sociale media), onderzoeksmiddelen (zoals apps) en kennis (zoals op YouTube). Meer en meer burgers doen hun eigen onderzoek als moderne Sherlocks. Dit artikel onderzoekt hoe de politie participeert in hedendaagse onderzoeken van burgers, inclusief de ervaren voor- en nadelen. De verkregen inzichten van het gepresenteerde onderzoek dienen als leidraad om politieagenten te helpen begrijpen hoe ze kunnen participeren met burgers die zelfstandig onderzoek gestart zijn of willen starten. Het gepresenteerde afwegingsmodel legt uit hoe de politie burgers beter kan begeleiden en stimuleren, maar ook stoppen of beschermen in hun onderzoeksactiviteiten als dat nodig is. In vier politie-eenheden is onder professionele begeleiding een app getoetst waarmee de politie kan participeren in onderzoek dat burgers zelf hebben opgestart en te leren van wederzijdse verwachtingen en ervaringen. De conclusie is dat burgers begeleiding nodig hebben, maar belangrijker nog is dat ze een zekere mate van wederkerigheid verwachten in de samenwerking met de politie bij het strafrechtelijk onderzoek.

Inleiding: moderne Sherlocks

‘Ik bel de politie en ga ervan uit dat ze meteen ingrijpen en die foto’s willen bekijken, toch? Maar nee. Ze zeggen letterlijk: “Die foto’s willen we niet. Je mag ze niet aan ons
laten zien, want als dat strafbare foto’s zijn en jij hebt ze, dan ben jij strafbaar.” Wat?!?’ – passage uit een YouTube-vlog van Vrije Vogels (Van der Meulen, 2018).

Sven van der Meulen, ook wel bekend als de Meppelse vlogger, heeft na zelf onderzoek te doen foto’s en een filmpje ontvangen van een man die jonge jongens drogeert en seksueel misbruikt. Hij wil dit materiaal direct met de politie delen en wil een afspraak met de man maken, maar de politie wijst hem erop dat dit materiaal strafbaar is en slaat dit ‘bewijsaanbod’, en daarmee ook de opvolging in deze zaak, af (Van der Meulen, 2018).

Sven is een voorbeeld van een burger die zelf onderzoek uitvoert naar misdrijven. Burgers kruipen steeds meer in de rol van politie, op gebieden als handhaving, hulpverlening en opsporing. Als ze worden geconfronteerd met een strafbaar feit, starten ze op eigen initiatief met ‘opsporen’. De maatschappelijke aandacht naar dit fenomeen ‘Do-It-Yourself Policing’ groeit al jaren levendig (Denef et al., 2017), net zoals het aantal burgers dat zelf start met opsporen gestaag lijkt toe te nemen (De Vries, 2018). Van het internationale onderzoekscollectief Bellingcat tot aan de vele duizenden lokale WhatsApp-buurtgroepen, heel Holland spoort op, zo lijkt het. Noemenswaardig is dat de aandacht voornamelijk is uitgegaan naar de opsporende burger en het romantiserende mediagenieke Sherlock Holmesgehalte van dit fenomeen dat in de breedte van private opsporing groeit (De Vries, 2015). De casus van Sven illustreert echter dat burgeronderzoek naar misdrijven
iets complexer ligt dan alleen de kunst van deductie. Wettelijke bevoegdheden en beperkingen van politie en burgers zijn niet altijd in lijn met wederzijdse verwachtingen, terwijl de behoefte en mogelijkheden om zelf onderzoek uit te voeren steeds meer lijken toe te nemen.

Participatie binnen de opsporing is een internationale trend, waarin Nederland tot de koplopers lijkt te behoren (Denef et al., 2017). De politie ontwikkelt haar rol binnen deze trend waarin steeds meer burgers op allerlei wijzen en bij allerlei misdrijven participeren of handelen in politietaken (Politie & Justitie, 2019). Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Operationele handvatten in de politiepraktijk voor het versterken van voordelen en het minimaliseren van nadelen door amateurspeurneuzen ontbreken echter nog. In dit artikel worden door een reflectie op de huidige situatie wensen en eisen afgeleid voor de omgang tussen politie en initiatiefrijke burgers. De vertaling hiervan is verwerkt in een model met praktijkgerichte handvatten voor de politie om te komen tot de uitvoering van de ontwikkelde visie. Door gebrek aan wetenschappelijk onderzoek naar de operationele interactie tussen burger en politie bij burgeronderzoek dient dit model echter verder
gevalideerd te worden in meer praktijksituaties.

Methode

Op basis van de huidige status en ontwikkelingen van burgeronderzoek bij misdrijven is een afwegingsmodel ontwikkeld voor de samenwerking tussen burgeronderzoekers en politie. Dit model is gebaseerd op de huidige literatuur, casuïstiek, wetgeving en het beleid van de Nederlandse politie. Het model is iteratief ontwikkeld met behulp van diverse expertsessies en een praktijkproef.

Het model is in samenwerking met burgers in de praktijk getoetst aan de hand van de app die de politie samen met het OM op 1 juni 2019 heeft gelanceerd: ‘Mijn Onderzoek’. Met deze app konden burgers zelf onderzoek doen als zij slachtoffer waren geworden van eenvoudige diefstal. Burgers kregen in de proeftuin na aangifte de mogelijkheid om via de app hun onderzoek uit te voeren. Met de app konden zij onderzoekshandelingen verrichten en opsporingsindicaties vastleggen door het uploaden van beeldmateriaal, het maken van notities, het uitvoeren van online buurtonderzoek en het afnemen van getuigeninterviews. Aan de proef deden tientallen burgers (N=46) en politieagenten (N=20) mee uit basisteams van zes verschillende politie-eenheden. Vooraf zijn de deelnemers via enquêtes bevraagd over hun verwachtingen en achteraf is via telefonische interviews gevraagd naar hun ervaringen.

Voorafgaand aan de proeftuin is het afwegingsmodel middels een viertal expertsessies iteratief besproken volgens de Delphi-methode (Dalkey et al., 1963; Ono & Wedemeyer, 1994) en met de opgehaalde feedback verwerkt. Tientallen experts, zoals aanwezig op de conferentie ‘de politie van overmorgen’, kwamen vanuit de politie, Politieacademie, het OM en van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op een MUSIS-bijeenkomst waren er aanvullend nog strafrechters en strafrechtadvocaten. De proeftuin bood een eerste validatie van het model in een praktijkomgeving. Aan de hand van de resultaten van de proeftuin zijn geen nieuwe iteraties gemaakt aan het model, maar worden wel aandachtspunten in de afsluitende discussie van dit artikel besproken.

Theoretisch kader

Burgeronderzoek
‘Opsporing’ is een juridische term die duidt op het ‘in het Nederlands strafprocesrecht […] doen van onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen’ (art. 132a Wetboek van Strafvordering). Burgers die zelfstandig handelen kunnen dus juridisch gezien niet opsporen; daarom wordt binnen dit artikel de term ‘burgeronderzoek’ toegepast. Dit burgeronderzoek naar strafbare feiten doen burgers regelmatig volledig autonoom en onafhankelijk, bij gelegenheid in wereldwijde (virtuele) netwerken en slechts soms in samenwerking met de politie. Het aantal en de variëteit van initiatieven is groot, de ene burger bericht over zijn gestolen fiets op Facebook2 en de ander spant samen om via een online community pedoseksuelen3 of oorlogsmisdadigers te ontmaskeren.4

2 Fiets is foetsie’ als website waarop burgers hun verloren of gevonden fietsen kunnen posten: www.fietsisfoetsie.nl.
3 Op het YouTube-kanaal ‘Betrapt’ laat men zien hoe vermeende pedoseksuelen worden geconfronteerd,
bijvoorbeeld: www.youtube.com/channel/UC1QRdOZ6zwpe0fUVOyGWuvw.
4 Hackers van Anonymous voeren strijd tegen IS verder op: https://nos.nl/artikel/2069431-hackers-van-anonymous-voeren-strijd-tegen-is-verder-op.html.

Abstracte ontwikkelingen zoals globalisering en individualisering dragen volgens velen bij aan deze ontwikkeling (Duijf, 2018), maar de integratie van technologie en internet in het dagelijks leven lijkt nog prominenter bij te dragen aan het opsporend vermogen van deze zelfstartende Sherlocks (De Vries & Smilda, 2014). Burgers staan in continue verbinding met elkaar en internet biedt informatie op alle vlakken. Denk hierbij aan de opmars van open-bronnenonderzoek. Oprichter van Bellingcat – Elliot Higgins – noemde open-bronnenonderzoek door burgers zelfs een vreedzame revolutie die waarheidsvinding bevordert (Higgins, 2018). Met zijn onderzoek naar de MH17 hielp dit onderzoekscollectief het internationale Joint Investigation Team (JIT) en won het internationaal erkende mediaprijzen. Samenwerking met burgers kan waardevol zijn voor politie en justitie en
hun opsporingsonderzoeken, maar risico’s zijn er ook.

Slimmer samenwerken
Samenwerking met burgers is de politie niet vreemd. De politie zet burgers in wanneer zij mogelijk informatie hebben die de politie kan helpen bij haar opsporingsonderzoek. Denk aan de inzet van Burgernet bij zoekacties of televisieprogramma Opsporing Verzocht, dat ook bewezen effecten sorteert (Van Erp, Van Gastel & Webbink, 2012). Van oudsher worden burgers betrokken bij het opsporingsonderzoek in de rol van bijvoorbeeld slachtoffer, verdachte of getuige. Ook op digitaal vlak heeft de politie de laatste jaren fors geïnvesteerd, zoals in de aanwezigheid op het web met sociale-media-accounts (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012) en zelfs via een politie-podcast zoekt de politie op een moderne manier de interactie met het publiek op (Van der Graaf, 2019).

Een kenmerk van de huidige participatie is dat de politie het initiatief neemt, zij stelt een vraag en verwacht antwoord van de burger. De burger antwoordt en de politie onderzoekt zelf verder. Wanneer de politie het initiatief neemt en de burger ondersteunt of participeert, spreken we van burgerparticipatie (De Vries & Smilda, 2014).

Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers blijken alerter te worden, voelen zich na enige tijd veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot en heterdaadkracht is altijd al grotendeels afhankelijk geweest van de inbreng van burgers (Kerstholt, De Vries, Mente & Huis in ’t Veld, 2015; De Vries et al., 2016). Verschillende hedendaagse praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010). Burgers melden en signaleren via moderne sociale-mediakanalen in hun buurt, middels websites, apps of telefonisch en het zijn juist deze signalen van de burger waar de overheid grotendeels van afhankelijk is. Burgerparticipatie loont, want van alle aangehouden verdachten wordt 85% op heterdaad betrapt en gearresteerd. Daarvan is 60% te danken aan de alertheid en meldingsbereidheid van de burger. Dit komt neer op 51% van het totaal aantal aangehouden verdachten (Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde, 2007).

In een groeiend aantal gevallen wordt het initiatief echter ingegeven door een volgens de burger tekortschietende politie (Schreurs, 2019). Burgers denken dat de politie hun verwachtingen niet kan waarmaken en besluiten zelf op zoek te gaan naar waarheidsvinding en rechtspreking (Duijf, 2018). Bij deze nieuwe vormen van participatie zien we nu dan ook steeds vaker dat de rollen worden omgedraaid. In het voorbeeld van Sven is te zien hoe hij op eigen initiatief onderzoek heeft uitgevoerd en de politie niet of nauwelijks betrokken is geweest. Wanneer Sven zijn onderzoeksresultaten wil overdragen aan de politie voor opvolging, neemt de politie deze niet (zomaar) aan. In de opsporing willen politie en justitie vooral zelf veel invloed en regie hebben op het gehele proces (Duijf, 2018). Het is niet de bedoeling dat burgers onder het mom van ‘onderzoek’ materiaal verzamelen dat strafbaar is. Sven heeft als burger geen (opsporings)bevoegdheid om
dergelijk materiaal te verzamelen. De politie heeft bovendien geen controle over de manier waarop het materiaal wordt verkregen en hoe rechtmatig en betrouwbaar dat heeft plaatsgevonden. Burgers kunnen onbedoeld zaken verstoren als zij op een verkeerde manier met potentieel bewijsmateriaal omgaan. Daarbij heeft de politie geen controle over de mogelijk schadelijke effecten die deze bemoeienis kan hebben.

Politieparticipatie: bekrachtigen, beschermen en begrenzen van burgers

Politieparticipatie, wat wordt ermee bedoeld?

Figuur 1 Verschil tussen burgerparticipatie en politieparticipatie

Een traditionele monopoliepositie in de opsporing, daar is al lang geen sprake meer van. Politie en justitie realiseren zich steeds meer dat anderen nodig zijn om de opsporing fundamenteel te verbeteren (Politie, 2018). In haar koersdocument (N.N., 2017) laat de politie dit duidelijk blijken en staat de samenwerking met anderen die opsporen niet meer aan de zijlijn, maar in het speelveld. Maar wat betekent politieparticipatie eigenlijk? De Vries en Smilda (2014) positioneerden politieparticipatie tussen enerzijds burgerparticipatie, waar de burger gevraagd meedoet met de politie, en anderzijds burgeractiviteiten, waar de burger anderzijds zonder enige betrokkenheid van overheden opspoort (figuur 1). Er is sprake van politieparticipatie wanneer de politie deelneemt aan opsporingsactiviteiten die geïnitieerd zijn door burgers en waarin burgers de leiding nemen. In de zaak van Sven, maar ook in minder controversiële zaken zou de rol van de
politie meer participerend moeten zijn naar welwillende burgers om deze zaken in goede banen te leiden, kansen te benutten en risico’s te beperken. Op basis van literatuuronderzoek worden in dit artikel burgers die zelf het initiatief nemen om onderzoek te doen gedefinieerd als: Een of meer burgers die onafhankelijk activiteiten initiëren om informatie te verzamelen in relatie tot een gepleegd strafbaar feit met als doel om de waarheid te vinden en om recht te spreken (Duijf, 2018).

Vandaag de dag is politieparticipatie meer een strategisch voornemen van de politie dan werkelijkheid. Veiligheid is niet alleen een taak voor de overheid; burgers tonen meer en meer de behoefte om actiever te participeren binnen het veiligheidsdomein. De informatie die burgers binnenbrengen kan de politie echter

niet altijd gebruiken. De politie is daarbij gehouden aan bepaalde wettelijke opsporingsbevoegdheden en -beperkingen en heeft een terughoudende attitude wat betreft samenwerking (Duijf, 2018). Doordat burgers geen opsporingsbevoegdheid en hiervoor geen opleiding hebben gehad, bestaat voor de politie het risico dat zij de wet overtreden of onderzoeken verstoren. Om de rechtmatigheid en bewijskracht te verhogen kunnen politie en burgers wel een vorm van samenwerking opzoeken. Politie en justitie hebben daartoe ‘Leidende Principes’ (Politie en justitie, 2019) ontwikkeld binnen het Programma Versterking Opsporing en Vervolging (PVOV)5 in samenwerking met politieagenten, juristen en wetenschappers met diverse achtergronden. Uit deze principes en gebaseerd op haar algemene missie volgt dat afhankelijk van de omstandigheden de politie dient te bekrachtigen, beschermen en begrenzen.6 Bekrachtigen betekent ondersteuning van gewenst gedrag en het creëren van (structurele) samenwerkingsverbanden die de veiligheid bevorderen. Bij het beschermen van burgers gaat het bijvoorbeeld om hun leven, vrijheid en bezittingen. Bij begrenzen gaat het om het beperken en beëindigen van ongeoorloofd gedrag. De principes bieden uitgangspunten voor hoe politie en justitie zich kunnen verhouden tot een samenleving die zelfstandig onderzoek doet dat kan worden opgevolgd in het opsporings- en vervolgingsproces.

Een andere reactie van de politie op de behoefte van burgers die willen bijdragen aan opsporing is de app ‘Mijn Onderzoek’.7 Met deze app is in de zomer van 2019 voor het eerst geëxperimenteerd om de behoeften en kansen van burgeronderzoek te combineren. Met de app kunnen burgers na een delict hun eigen onderzoeksdossier creëren dat bij een aangifte gevoegd kan worden. Middels tips en waarschuwingen communiceert de politie de afwegingskaders uit het ontwikkelde model voor het onderzoek dat de burger uitvoert om daarmee de bewijskracht te verhogen en risico’s zo veel mogelijk te minimaliseren. Deze ondersteuning is bedoeld om burgeractiviteiten in goede banen te leiden, zodat zowel burgers als politie en justitie maximaal baat hebben bij de uitgevoerde onderzoekshandelingen.

5 PVOV is ontwikkeld in 2005: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30300-VI-32-b1.pdf.
6 “Onveranderd is de politie waakzaam en dienstbaar te zijn aan de waarden van de rechtstaat. Deze missie vervult de politie door afhankelijk van de situatie gevraagd en ongevraagd te beschermen, te begrenzen of te bekrachtigen.” Zie: www.politie.nl/over-de-politie/pijlers.html.
7 Zie: www.politie.nl/nieuws/2019/mei/27/00-politie-en-om-lanceren-app-voor-burgeronderzoek.html.

Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers en politieprocessen te veranderen naar co-creatie van veiligheid. De politie zoekt naar kaders voor de ondersteuning van wederzijdse behoeften. Tot op heden heeft de (wetenschappelijke) onderzoekswereld opvallend weinig gedegen belangstelling getoond voor de wijze waarop de politie reageert op en interacteert met deze zelfstartende opsporende burger (Duijf, 2018). Opgedane ervaringen kunnen ons iets leren over de gewenste samenwerking, onderlinge verhoudingen en verwachtingen, voor de toekomst. Een casus als illustratief voorbeeld:

De ‘wraakvader’ uit Helmond
‘Wanhopig was hij, omdat de politie maar niet in actie kwam. Dus spoorde bezorgde vader Mario H. de vermeende online belager, Jack S., van zijn dochter zelf op. Daar heeft hij nu spijt van. Eenmaal oog in oog met de man die het voorzien zou hebben op zijn kind escaleert de situatie volledig. Het Openbaar Ministerie vervolgt Mario voor poging tot moord op de vermeende belager Jack. Mario zou hem ernstig toegetakeld hebben met een sneeuwschep. Het is de climax van een periode van bijna twee weken waarin Mario actief naar Jack heeft gezocht.

[…] Begin januari 2017 wordt duidelijk dat de internetliefde van de 14-jarige dochter des huizes niet de tiener Jessie is, maar de 46-jarige ex-TBS-er Jack S. die zijn behandeling er net op heeft zitten. De man stuurt als Jessie rozen en chocolade naar de woning van het meisje. De ouders vertrouwen het niet en gaan op onderzoek uit, waaruit blijkt dat Jack achter de cadeautjes zit. Ze doen aangifte.

Via Facebook start vader Mario vervolgens ook een online zoektocht naar Jack S. Mario’s oproep wordt breed opgepakt. Regionale media schrijven erover en ook landelijke media hebben er aandacht voor. Tips op basis van de oproep “gezocht pedofiel” waarin foto en een kenteken worden getoond, stromen binnen. Het zijn er wel 800.

“Ik doe het niet alleen voor mijn dochters, maar voor alle meiden. Iedereen moet gewaarschuwd zijn”, zegt Mario in een van de verhoren tegen de politie. S. zou niet alleen zijn dochter online lastigvallen, maar ook andere meisjes, zo hoort hij. Mario rijdt zelf ook op meldingen af met het idee dat wanneer hij Jack ziet hij de politie kan inschakelen zodat zij in actie komen. “Ik heb diverse keren gebeld”, zegt hij.

[…] In een brief aan EenVandaag schrijft advocaat Jan Hein Kuijpers: “Uiteraard heeft mijn cliënt spijt van hetgeen hij deed. Dat heeft hij ook meerdere malen, op emotionele wijze geuit jegens zijn verhoorders. Hij had niet voor eigen rechter mogen spelen. Dat weet hij en hij zal zijn verantwoordelijkheid en de consequenties dragen. Mijn cliënt hoopt echter dat zijn daad wel heeft geleid tot het voorkomen van nieuwe lokpogingen en bedreigingen door dhr S. in de richting van andere jonge meisjes.”’8 Uit EenVandaag: https://eenvandaag.avrotros.nl/item/wraakvader-heeft-spijt-morgen-voor-derechter.

Mario H. handelde in de overtuiging dat hij het goede deed. Hij had niet het plan om te vervolgen, maar om op te sporen. Het OM pakt deze vorm van eigenrichting aan en noemt deze vorm van burgeronderzoek een ‘jacht’. Zanger Dean Saunders startte een crowdfundingsactie voor de ‘wraakvader’, die hij Super Mario noemde. Het opgehaalde geld kon H. gebruiken voor de schadevergoeding aan de man die hij heeft geslagen. Mario H. krijgt 4,5 jaar cel.

Hoe moet de politie omgaan mensen als Mario H., die zelfstandig onderzoekshandelingen verrichten, daarover contact zoeken met de politie, maar uiteindelijk terecht kunnen komen in een situatie van eigenrichting?

Komt een burgerspeurneus aan de balie

Er zijn diverse praktijkvoorbeelden en Duijf (2018) deed eerder onderzoek naar bovenstaande vraagstukken om het proces met betrekking tot burgeronderzoekers en politie in kaart te brengen. Een eerste bevinding uit dat onderzoek laat zien dat de politie primair terughoudend en met voorzichtigheid op burgers reageert die, nadat ze met een strafbaar feit werden geconfronteerd, zelf het initiatief namen om onderzoek te doen.

Door onbekendheid en wantrouwen weet de politie niet echt hoe ze om moet gaan met deze burgers en wil ze zo veel mogelijk zelf controle houden in het opsporingsonderzoek. De politie realiseert zich ook dat deze zelfstartende burgers niet makkelijk te stoppen zijn en dat ze mogelijk ook van positieve betekenis zijn voor een onderzoek. Daarnaast realiseert de politie zich dat enige mate van samenwerking hun invloed op het burgerinitiatief kan vergroten. Om deze redenen ontstaat er dikwijls wel enige verbinding tussen initiatiefnemende burgers en politie. Om het bewustzijn over onderzoek bij burgers te vergroten is het dan ook vaak de politie die aanstuurt op een gesprek over potentiële risico’s en consequenties. De politie probeert afspraken te maken over de wijze waarop burgers hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren, zodat zij invloed houdt op het proces. De mate van invloed die de politie wil hebben op burgers lijkt daarbij toe te nemen bij omvangrijke, gevoelige onderzoeken met significante impact. De zaak Anne Faber is hierin exemplarisch (Lam, Kop & Plancken, 2019). Deze mate van behoefte aan invloed lijkt vele mate hoger dan bij veelvoorkomende criminaliteit zoals diefstal van een fiets of telefoon. Bij dergelijke ‘kleine’ zaken adviseert de politie juist steeds vaker aan burgers om zelf op onderzoek uit te gaan, met alle risico’s van dien.

‘Dezelfde avond nog ontdekte het meisje dat haar zojuist gestolen fiets online te koop werd aangeboden. Ze belde 0900-8844 om aangifte te doen. Ze kreeg het advies van de politie om online aangifte te doen en een afspraak te maken met de verkoper om te controleren of het ook echt haar fiets was. Wanneer ze haar eigen fiets zou aantreffen, kon ze de politie terugbellen. Het meisje werd door de politie niet gewezen op eventuele risico’s.’ (Duijf, 2018)

Er kunnen diverse praktische vormen van de wijze waarop de politie reageert onderscheiden worden. Een van de meest primaire vormen wanneer burgers onderzoeksinitiatieven nemen, is informatiedeling. Dit is, ook nu nog, vaak eenrichtingsverkeer: van burgers naar politie. De politie heeft in de door Duijf (2018) onderzochte casussen waardevolle informatie gekregen die ook daadwerkelijk bijdroeg aan waarheidsvinding. Hierbij kampt de politie echter met twee vraagstukken. Enerzijds wil de politie burgers betrokken houden, maar doordat ze hun opsporingsinformatie dikwijls niet (mogen) delen, haakt de betrokken burger, door dit gebrek aan wederkerigheid, nog wel eens af. Anderzijds dient de politie er rekening mee te houden dat informatie bewust of onbewust gemanipuleerd kan zijn, bijvoorbeeld informatie afkomstig uit open bronnen. Dergelijke informatie dient vanzelfsprekend niet de betrouwbaarheid van het strafrechtelijk onderzoek in het geding te brengen en de politie moet een weg vinden om hiermee om te gaan.

Het wordt door de politie dan ook als erg moeilijk ervaren om te reageren, laat staan te anticiperen, op onderzoeksactiviteiten door zelfstartende burgers (Duijf, 2018). Deze burgers organiseren zichzelf razendsnel. Dit vraagt van de politie een grote mate van flexibiliteit, een mate die ze lang niet altijd niet gewend is. De politie organiseert zich immers niet zo snel als een fluïde burgerinitiatief dat zojuist is ontstaan op bijvoorbeeld Twitter. Dergelijke dynamiek kan snel uitmonden in honderden burgers die samen klaarstaan om te zoeken naar een vermist persoon, terwijl de politie nog bezig is om alles eerst in haar systeem vast te leggen. Daarnaast wordt informatie vliegensvlug online gedeeld, waardoor de politie alleen al door de snelheid en de hoeveelheid van informatiestromen wordt overweldigd.

Resultaat

Samenwerking in de praktijk
Hoe kan de politie beter omgaan met onderzoekende burgers en hoe kunnen politie en burger de bewijskracht en rechtvaardigheid zo veel mogelijk garanderen middels een vorm van samenwerking, waarbij ook wederzijdse verwachtingen worden waargemaakt?

Wat bleek uit het praktijkonderzoek in de proeftuin was dat zowel burgers (56%) als politie (67%) het overwegend een goed idee vinden dat burgers zelfstandig onderzoek doen. Net als bleek uit diverse expertsessies verwachtten ook de politiedeelnemers uit het onderzoek niet dat elke burger in staat zal zijn zelfstandig onderzoek te doen (slechts 35% verwacht het wel). Ook burgers twijfelen nog over hun eigen capaciteiten: niemand voelt zich goed in staat zelf onderzoek te doen, 60% is neutraal en 40% vind het afhangen van de situatie (type delict en beschikbare tijd) (TNO, 2019).

Uit expertsessies werd bovendien sterk betwijfeld of iedere burger wel zelfstandig onderzoek zou mogen doen en daarin samenwerking met de politie mag verwachten. Onder burgers en politie vindt ongeveer de helft (resp. 50% en 47%) dat iedere burger hetzelfde recht heeft zelf onderzoek te doen, terwijl anderen dit niet altijd (resp. 25% en 29%) of alleen onder bepaalde condities (25% en 24%) zouden toestaan (TNO, 2019).

De voornaamste motieven van burgers zijn ‘het gevoel er alles aan gedaan te hebben’ (31%), een ‘principekwestie’ (19%) en ‘een steentje bijdragen’ (19%). Verrassend genoeg zijn emotionele en financiële motieven in de minderheid (resp. 13% en 6%). Dat maakt de risico’s zoals eigenrichting wellicht iets kleiner, maar verwachtingen ten aanzien van een goede samenwerking en communicatie met politie zijn hoog. Burgers en politie ervaren als belangrijkste resultaat tevredenheid over het proces, de samenwerking en meer begrip voor elkaar. Betekenisvolle
afdoening (ofwel ‘afronding’) wordt door burgers als zeer belangrijk gezien, vooral als de kans op het terugvinden van het gestolen goed of de dader klein is (TNO, 2019).

Afwegingsmodel voor de praktijk
Om de ervaren kansen en risico’s bij burgeronderzoek zo goed mogelijk te kaderen geeft het afwegingsmodel in figuur 2 eerste handvatten voor de operationele interactie met burgeronderzoekers. Het model dient verder gevalideerd te worden door nieuwe toepassingen in de praktijk, niet alleen door expertbeoordelingen en een proeftuin rondom eenvoudige diefstal.

Het model doorloopt het proces van een burger die bij de politie komt en biedt zo veel mogelijk objectieve onderbouwing voor de beoordeling van agenten in diverse onderzoekssituaties. Een belangrijk principe is dat op basis van een transparant proces de politie de burger beter kan begrenzen, beschermen en bekrachtigen in de onderzoeksactiviteiten en optimaal rendement uit het onderzoek en de samenwerking kan halen voor beide partijen.

1. Is er sprake van een strafbaar feit?
De afweging of tot een samenwerking kan worden overgegaan, vangt aan wanneer een burger aangifte of melding doet van een strafbaar feit. Een strafbaar feit is een misdrijf of een overtreding zoals beschreven in respectievelijk Boek 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een vermissing is door experts nog genoemd als mogelijke uitzondering op deze regel.

2. Zijn er opsporingsindicaties?
Het is van belang om vast te leggen of en welke opsporingsindicaties al door de burger verzameld zijn. De opsporingsindicaties zijn aanknopingspunten voor het onderzoek. De politie kan het burgeronderzoek en de samenwerking op basis van deze indicaties in onderlinge afstemming in goede banen leiden of deze zelf gebruiken voor onderzoek wanneer zij het onderzoek overneemt van de burger.

3. Beoordeling van de bewijsvergaring
In het geval van opsporingsindicaties worden deze beoordeeld op (in) hoe(verre) deze indicaties aanknopingspunten zijn voor (vervolg)onderzoek door burgers of politie op basis van rechtmatigheid, risico-implicaties en kwaliteit. In het beste geval komt een burger met een ronde zaak bij de politie, waarin veilig en rechtmatig onderzoek is uitgevoerd en opsporingsindicaties zijn verzameld die voldoende kwalitatief (onder andere betrouwbaar) zijn voor vervolging: een ‘klip-en-klaar’-zaak. Dit zal echter niet altijd het geval zijn.

De recent ontwikkelde leidende principes burgeropsporing (Politie en Justitie, 2019) stellen dat van samenwerking geen sprake kan zijn indien de burger een strafbaar feit pleegt tijdens de bewijsvergaring, zoals hacken of chantage. Ook wanneer uit verzameld bewijs stevige risico’s blijken, is het onderzoeksbelang van de burger ondergeschikt aan de veiligheid.

Wanneer sprake is van een ronde zaak of wanneer sprake is van reële risico’s of problemen, wordt de zaak beoordeeld door het OM voor verdere besluitvorming en kan de samenwerking (tijdelijk) worden beëindigd. In andere gevallen wordt er in principe van uitgegaan dat meer (kwalitatieve) opsporingsindicaties verzameld  unnen worden. Vervolgens is het dan zaak om de objectieve geschiktheid van het delict voor burgeronderzoek vast te stellen.

4. Is het delict geschikt?
In beginsel wordt zo veel mogelijk de samenwerking opgezocht wanneer een burger aangeeft zelf onderzoek te willen uitvoeren, nog afgezien van de situatie en context. Veiligheid staat echter voorop (Politie & Justitie, 2019) en op basis van alleen al de aard van het delict kan er een (te) hoog risico zijn, bijvoorbeeld op represailles.

Van een aantal misdrijven is het al dan niet betrekken van burgers zelfs wettelijk vastgelegd, zie Boek 1, titel VA en titel VC van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierbij gaat het om voorlopige hechtenis (VH-)feiten (art. 67 Sv), waarbij (ook) sprake kan zijn van minimaal het beramen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband (art. 126o Sv), terrorisme (art. 126zt en 126zu), of waarbij gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert (art. 126h). Bij dergelijke delicten kan de officier van justitie betrokken worden in het eventuele samenwerkingsproces. Bijstand door burgers aan andere (potentieel risicovolle) feiten dan in Boek 1, titel VA en VC Sv is nog niet wettelijk geregeld. Wanneer vanuit de aard van andere strafbare feiten naar eigen inschatting risico’s blijken, dienen deze meegenomen te worden in combinatie met stap 5, 6 en 7.

5. Wat is de rol en het belang van de burger?
Na de vaststelling van de objectieve aard en ernst van het misdrijf is het zaak de rol, motivaties en het belang van de burger in de specifieke kwestie te onderzoeken. Het expliciet vaststellen van de aard van een misdrijf is van belang om een betere weging te kunnen maken van de mogelijke motivaties van burgers. Zo zijn er duidelijk verschillen tussen bijvoorbeeld vermogens- en geweldsdelicten of bijvoorbeeld afpersingszaken in wat dit zou kunnen betekenen voor de motivatie van betrokkenen om informatie te zoeken en/of te delen. Omdat het hierbij gaat
om de psychologische processen die van invloed (kunnen) zijn op de door de burger genomen beslissing(en), verschilt deze inschatting van de – sec juridische – beoordeling van het misdrijf. En hoewel deze processen (vooralsnog) in de objectieve, juridische, zin van het woord nog lang niet altijd een rol spelen in de (strafrechtelijke) overwegingen, dragen ze wel substantieel bij aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verkregen informatie. Zo is het een bekend gegeven dat onder hoge (mentale) druk, bijvoorbeeld veroorzaakt door een sterke emotionele betrokkenheid, het oog voor (potentieel relevante) details verloren gaat (Martin, McLeod, Périard, Rattray, Keegan & Pyne, 2019; Levine & Edelstein, 2009). Dat maakt dat de omstandigheden waaronder burgers informatie verzamelen mogelijk relevant zijn voor het op waarde schatten van de resultaten. Dit is overigens een effect dat ook opgaat bij ‘retrieval’ (een bewust opgeroepen herinnering)
wanneer er bijvoorbeeld door betrokkenen later verklaard moet worden (Gagnon, Waskom, Brown & Wagner, 2019; Quervain, Aernni, Schelling & Roozendaal, 2009).

De wetenschappelijke inzichten in dergelijke processen ontwikkelen zich snel. Ook gerelateerd aan persoonlijke factoren zoals motivatie, intenties en zelfs vooroordelen (met bepaalde, vaak onbewuste, vooringenomenheid naar informatie zoeken). De mogelijke praktische consequenties van deze psychologische processen voor de validiteit en betrouwbaarheid van verklaringen of anderszins aangeleverde informatie wordt soms door ‘schade en schande’ maar al te evident. De ontwikkeling van methodes om dergelijke factoren bij aangevers adequaat te kunnen beoordelen staat nog in de kinderschoenen en de beoordeling daarvan steunt daarom vooralsnog op de eigen professionele inschattingen. Voor agenten impliceert dit dat dergelijke factoren een rol (kunnen) spelen in het onderzoek en dat omstandigheden, motivaties en de relatie van de aangever tot het misdrijf mogelijk relevante informatie is die zou kunnen worden meegewogen in de samenwerking, mits objectief vastgelegd (‘ik hoorde dat aangever noemde dat hij de dader wil vinden’ in plaats van ‘aangever was wraakzuchtig’).

6. Wat is het onderzoeksniveau?
Aan de hand van alle genoemde factoren kan gekozen worden voor het bekrachtigen of begrenzen van de onderzoeksmethodieken voor de burger. Deze vorm van dienstverlening is erop gericht de burger handvatten te bieden voor het rechtmatig, veilig en betrouwbaar uitvoeren van onderzoek en dient daarom op zowel de burger als de situatie te worden afgestemd. Het is hier enerzijds van belang af te wegen of de burger dan wel de maatschappij gevaar loopt bij de (vervolg)uitvoering, anderzijds of bewijs zo kwalitatief mogelijk kan worden verzameld.

Wanneer het om politioneel (vervolg)onderzoek gaat, zijn drie factoren van belang, namelijk uiteraard de onderzoeksmogelijkheden die het delict biedt, de kennis en kunde van de burger, maar ook de politiecapaciteit om het burgeronderzoek binnen de wenselijke kaders te laten verlopen. Wanneer de capaciteiten van de burger niet direct helder zijn, kan in ieder geval een aantal basisonderzoeksmethoden aan de meeste burgers worden aangeboden, zoals deels ook al in de Mijn Onderzoek-app is gedaan. Denk aan het bijhouden van een logboek, het vastleggen van een situatie, een buurtonderzoek of een open-bronnenonderzoek. Deze methoden zijn relatief laagdrempelig en veilig uit te voeren.

Gezien de diversiteit in betrokkenheid en kennis en kunde van burgers is de verwachting dat burgers in verschillende mate een bijdrage kunnen leveren. Capaciteiten  van een burger kunnen delictspecifiek worden benut bij het onderzoek. Kennis en kunde kunnen gestoeld zijn op specifieke expertise, maar ook op ervaring met burgeronderzoek. De meest actieve en langstzittende leden van Bellingcat bijvoorbeeld zijn ook door schade en schande wijzer geworden in hoe ze het meest effectief kunnen bijdragen aan een onderzoek. De politie heeft op dit moment nog geen specifieke richtlijn voor het toebedelen van onderzoekmethodieken aan de hand van de capaciteiten van de burger. Het inschatten van het ‘onderzoeksniveau’ op beginner, gemiddeld of geavanceerd is vooralsnog een eigen inschatting van de agent.

7. Samenwerking?
Op basis van de eerdere stappen kan worden afgewogen op welke wijze de samenwerking wordt vormgegeven. De uitkomst van de voorgaande stappen is leidend bij het vormen van de start van een samenwerking. Wanneer het burgeronderzoek op basis van voorgaande stappen relatief veel risico’s meebrengt, dienen eerder meer afspraken gemaakt te worden, zal een indringend gesprek nodig zijn, moet worden afgezien van burgeronderzoek of kan zelfs strafrechtelijke vervolging een maatregel zijn, dan wanneer er weinig risico’s zijn.

De samenwerkingsbeoordeling gedurende het onderzoek is een continu proces. De stappen uit dit model worden dan ook meerdere malen gedurende het proces getoetst. Aan afspraken, of juist het niet nakomen daarvan door burgers, dienen consequenties te worden verbonden. De politie kan besluiten de samenwerking te continueren, de samenwerking bij te sturen of besluiten de samenwerking (tijdelijk) te stoppen. Stoppen is verplicht indien de veiligheid van de burger in het geding komt of als deze strafbare feiten pleegt tijdens het onderzoek (Politie & Justitie, 2019).

Essentieel bij de samenwerking is dat beide partijen op de hoogte zijn van de ‘spelregels’; de wettelijke (on)mogelijkheden van zowel burgers als politie om onderzoek uit te (doen) voeren. Het moet immers voorkomen worden dat de politie (on)bedoeld burgers inzet om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen. Eventuele onrechtmatigheid van de bewijsvergaring is dan terug te leiden naar de politie.

8. Afhandeling/opvolging?
Wanneer de burger het onderzoek als afgerond aanlevert, kan de politie beoordelen of de zaak daadwerkelijk kan worden afgehandeld. In dat geval kan de zaak doorgestuurd worden naar het OM. Ook is het mogelijk dat de politie beoordeelt dat meer bewijs is vereist of dat het onderzoek niet in het strafrechtdomein, maar in een ander rechtsdomein dient te worden voortgezet. De politie kan ervoor kiezen het onderzoek op basis van de huidige stand van zaken te beoordelen en deze eventueel weer terug te leggen bij de burger of zelf opvolging te geven aan het dossier.

Discussie: Wat kunnen we aanbevelen?

Door het beschikbaar komen van allerhande technische middelen en mogelijkheden kunnen burgers makkelijker en massaler dan voorheen strafrechtelijk relevante informatie verzamelen en onderzoeken. Er ontstaat hiermee ook een verandering in het verwachtingspatroon van de burger over politie en justitie. Men wil snelle opvolging door politie en vervolging door justitie. De praktijk van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde wordt tegenwoordig echter nog (mede) gekenmerkt door schaarstemanagement, beleidskeuzes en lange doorlooptijden,
waarbij de communicatie of samenwerking met de burger soms niet of moeizaam verloopt. Hierdoor kunnen risico’s ontstaan en potentiële winsten worden misgelopen.

De overheid dient het potentieel van burgers te herkennen en erkennen. Participatie, zowel vormen van burgerparticipatie als van politieparticipatie, is gebaseerd op wederkerigheid en past in de trend van horizontalisering van verhoudingen tussen burgers en overheid (Cleiren, 2010). Rechtsstatelijkheid staat voor de politie en het Openbaar Ministerie daarbij altijd voorop, in iedere vorm van samenwerking. Niet iedere samenwerking is echter juridisch ingekaderd. De proeftuin zoals met de app ‘Mijn Onderzoek’ en eerder onderzoek naar casussen uit de praktijk van Duijf (2018) laten zien dat de politie wel meer kan leren (learning by doing) in de samenwerking met (zelfstartende) onderzoekende burgers. Meer ervaring opdoen met dit fenomeen helpt politie en justitie, maar ook burgers, waarin iedereen kan ontdekken hoe de samenwerking het beste vormgegeven kan worden om kansen te benutten en risico’s te beperken.

Er is meer empirisch onderzoek nodig om vast te stellen hoe burgers en de politie samen participeren in opsporingsonderzoeken, zeker waar dit verder gaat dan een enkel individu. Het wetenschappelijk onderzoek zou voornamelijk gericht moeten zijn op de praktische effecten van een meer participerende rol van de politie en een meer onafhankelijke rol voor zelfstartende onderzoekende burgers in het opsporingsonderzoek, waarbij aan wederzijdse behoeften kan worden voldaan.

Veel politieagenten weten niet hoe ze moeten reageren op burgers die op eigen initiatief starten met het onderzoeken van misdrijven. Voor burgers voelt het nu mogelijk niet transparant als zij in de samenwerking worden afgewezen. Richtinggevende kaders, zoals het gepresenteerde model dat daartoe een eerste aanzet geeft, kunnen politieagenten in de praktijk ondersteunen en voorzien daarnaast mogelijk ook in een meer eenduidige politionele attitude op dit domein. Het zou helpen om deze richtinggevende kaders verder door te ontwikkelen voor doe-hetzelf-burgeronderzoek. Het model bespreekt vooral het voortraject en gaat minder in op fasen van opvolging in het strafrechtdomein. Ook de opvolging in andere rechtsdomeinen behoeft nadere uitwerking. Met het model kan hopelijk gedeeltelijk worden voorkomen dat burgers wettelijke en ethische grenzen overtreden, dat er onnodig gevaarlijke situaties ontstaan en dat bewijs (al dan niet per ongeluk)
gemanipuleerd wordt. Daarnaast kan de politie burgers ook gidsen en ondersteunen in de wijze waarop ze hun onderzoeksactiviteiten uitvoeren: begrenzen, beschermen en bekrachtigen. Burgers die zich mengen in politieonderzoeken en politie die zich mengt in burgeronderzoeken stelt echter nieuwe vragen aan het huidige beleid. Want op het snijvlak van burgerparticipatie en politieparticipatie ontstaan wezenlijk nieuwe dilemma’s voor de verhouding tussen overheid en samenleving.

Literatuur

  • Cleiren, C.P.M. (2010) Evolueren naar meer horizontale en multidimensionale verhoudingen in het strafrecht. Mechelen: Kluwer 2010.
  • Cornelissens, A. & H. Ferwerda (2010) Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • Dalkey, N. & O. Helmer (1963) An experimental application of Delphi method to the use of experts. Management Science, 9(3), 458.
  • De Quervain, D.J.-F., A. Aerni, G. Schelling & B. Roozendaal (2009) Glucocorticoids and the regulation of memory in health and disease. Frontiers in Neuroendocrinology, 30(3),
    358-370. doi: 10.1016/j.yfrne.2009.03.002.
  • De Vries, A. (2015) Moderne Sherlock zit in ons allemaal [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/moderne-sherlock-zit-ons-allemaal.
  • De Vries, A. (2018) Opsporen? Doe het zelf! [blog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op https://socialmediadna.nl/opsporen-doe-het-zelf.
  • De Vries, A. & F. Smilda (2014) Social Media: het nieuwe DNA. Amsterdam: Reed Business Education.
  • De Vries, A., M. Steen, A. Stoter, K. Brouwer, M. den Hengst & C. Nevejan (2016) BART! Rapport: resultaten uit fase 2C. Geraadpleegd op 6 januari 2020 op www.bartportal.nl/
    documents/samenvatting-concrete-resultaten-fase-2c-ha-v-09.
  • Denef, S., A. de Vries, K. Hadjimatheou, A. Roosendal, H. van Vliet, M. Cecowski, J. Diego, R. Fernández, K. Hadjimatheou, J. Coaffee, E. Kermitsis, N. Moustakidis, K. Tani,
    P. de la Torre & F. Williamson (2017) DIY Policing. European Union: Medi@4sec.
  • Duijf, S. (2018) Modern Sherlock Holmes. How will the police respond? A multiple case study into forms of police participation in citizen criminal investigation. Apeldoorn: Canterbury Christ Church University en Politieacademie.
  • Gagnon, S.A., M.L. Waskom, T.I. Brown & A.D. Wagner (2019) Stress Impairs Episodic Retrieval by Disrupting Hippocampal and Cortical Mechanisms of Remembering. Cerebral cortex, 29(7), 2947-2964. doi: 10.1093/cercor/bhy162.
  • Higgins, E. (2016). Finding truth in a post-truth world | Elliot Higgins | TEDxAmsterdam [YouTube]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op TEDxAmsterdam: www.youtube.com/watch?v=mozxTk3Brqw.
  • Kerstholt, J.H., A. de Vries, R. Mente & M. Huis in ’t Veld (2015) Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking. Tijdschrift voor Veiligheid 0304(14). doi: 10.5553/TvV/1872794820150140304005.
  • Lam, J., N. Kop & C. Plancken (2019) Burgerparticipatie: leren van de zaak van Anne Faber. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.websitevoordepolitie.nl/coverstoryburgerparticipatie-leren-van-de-zaak-anne-faber.
  • Lectoraat Gemeenschappelijke veiligheidskunde (2007) Meer heterdaadkracht: ‘Aanhoudend in de buurt’. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/42929.pdf.
  • Levine, L.J. & R.S. Edelstein (2009) Emotion and memory narrowing: A review and goalrelevance approach. Cognition and Emotion, 23(5), 833-875. doi: 10.1080/02699930902738863.
  • Martin, K., E. McLeod, J. Périard, B. Rattray, R. Keegan & D.B. Pyne (2019) The Impact of Environmental Stress on Cognitive Performance: A Systematic Review. Human Factors, 61(8), 1205-1246. doi: 10.1177/0018720819839817.
  • Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie, M. Thaens & P. Siep (2012) Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
  • N.N. (2017) Naar een toekomstbestendige opsporing en vervolging, Koersdocument. Geraadpleegd op 27 januari 2020 op https%3A%2F%2Fwww.regioburgemeesters.nl%2Fsave419%2F&usg=AOvVaw1zadEfcnxrHzOyzd00nenD.
  • Ono, R. & D.J. Wedemeyer (1994) Assessing the Validity of the Delphi Technique. Futures, 26(3), 289-304.
  • Politie (2018) Ontwikkelagenda Opsporing. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/11/16/tkbijlage-hoofdlijnenversie-ontwikkelingagenda-opsporing/tk-bijlage-hoofdlijnenversieontwikkelingagenda-opsporing.pdf.
  • Politie & Justitie (2019) Leidende principes Burgeropsporing [intern document].
  • Schreurs, W. (2019) Crossing lines together: how and why citizens participate in the police domain. Enschede: University of Twente. doi: 10.3990/1.9789036548496.
  • TNO (2019) Enquêteresultaten Mijn Onderzoek [intern document].
  • Van der Graaf, A. (2019) Luistermoord: De podcast als opsporingsmiddel. Blauw magazine, 5.
  • Van der Meulen, S. (2018) Undercover met politie – Vrije Vogels [vlog]. Geraadpleegd op 17 januari 2020 op www.youtube.com/watch?v=e_Nu5Jx15PU.
  • Van Erp, J.G., F. van Gastel & H.D. Webbink (2012) Opsporing verzocht. Een quasi-experimentele studie naar de bijdrage van het programma Opsporing Verzocht aan de oplossing van delicten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap.

Boer en burger schieten politie te hulp bij rellen

Boeren, buurtwachten en voetbalfans: allemaal stonden ze opeens klaar om de politie te helpen bij het bedwingen van de rellen. Is dat een goed idee?

Hulp bij het beheersen van de rellen kwam dinsdagavond uit onverwachte hoek. In Zwolle en Doetinchem meldde zich een groep boeren bij de politie om te vragen of de straten niet met
trekkers geblokkeerd hoefden te worden. Handig, want zo komt geen relschopper er meer in of uit. En in Maastricht liepen honderden voetbalsupporters in een optocht door de straten om
‘de stad te beschermen’. Ook in onder andere Alkmaar, Tilburg en Nijmegen gingen voetbalsupporters de straat op. Het hulpaanbod is opvallend, want voetbalsupporters en boerenactivisten staan niet bekend als de grootste vrienden van de politie. Zo werd Thijs Wieggers, voorman bij Farmers Defence Force, afgelopen zomer nog gearresteerd tijdens een boerenactie. Woensdag bood hij echter zijn diensten aan. “We laten het land niet slopen”, zei hij tegen het ANP.

Burgemeesters reageerden woensdag met waardering op de voorstellen, maar namen deze niet aan. Alleen Emile Roemer, de burgemeester van Alkmaar, sprak zijn lof uit over hoe AZsupporters
samen met wijkagenten de stad hadden ‘beschermd’.

Anonimiteit relschoppers opheffen
Alleen als mensen het geweldsmonopolie van de politie respecteren, is meehelpen mogelijk, stelt Jerôme Lam, wetenschappelijk onderzoeker bij de Politieacademie. “Voor alle groepen geldt: sommige taken zijn gewoon van de politie, zoals ordehandhaving. Daar kun je gewoon niet mee helpen. Er moeten geen knokploegen ontstaan. Of een soort burgerwacht, zoals je sommige bewoners van getroffen wijken zag doen.”

Zijn collega, lector politieacademie Nicolien Kop, benadrukt dat er genoeg andere manieren zijn om de politie te helpen met rellen tegengaan. “Sommige mensen hebben echt een voorbeeldfunctie binnen bepaalde groepen. Het helpt als sleutelfiguren duidelijk maken dat rellen niet stoer is.” Ook kunnen burgers helpen met het ‘weghalen van de anonimiteit van relschoppers’. “Niet alleen door filmpjes en foto’s op te sturen, maar ook bijvoorbeeld door als ouder, docent of buurman jongeren aan te spreken.” Waar komt de wens om te helpen ineens vandaan? Kop heeft wel
een verklaring. “De maatschappelijke betrokkenheid is groot op dit moment. We zitten midden in een pandemie en iedereen probeert er het beste van te maken. Wanneer relschoppers dan moedwillig dingen kapotmaken, vinden we dat extra erg. Dat roept het gevoel op: dit is niet de samenleving die we willen.”

Burgers nemen vaker initiatief
Volgens haar collega Lam vinden mensen het bovendien juist nu fijn om zich onderdeel van een groep te voelen. “In tijden van crisis gaan mensen zich ook juist meer identificeren met een groep waar ze bij horen. Dat kan ook de plek zijn waar ze wonen of vandaan komen.” Dat burgers graag de politie willen bijstaan komt de laatste jaren ook steeds meer voor. Kop: “Burgers kunnen de laatste jaren steeds meer, met hun telefoon en met internet. Ze nemen inderdaad ook vaker het initiatief, zoals bijvoorbeeld gebeurde in de zaak-Anne Faber. Dat moet je als politie omarmen, al zal je ook een weg moeten vinden om de juiste taken voor burgers te vinden.”

Harde kern die zorgt voor veiligheid, dat voelt vreemd
,,Hun optreden heeft denk ik aardig preventief gewerkt. Als twintig, dertig relschoppers de beelden van de honderden voetbalsupporters zien die uitstralen ‘dit is onze stad, dit laten we niet toe’, dan bedenken ze zich wel”, zegt socioloog Jaap Timmer van de Vrije Universiteit, onderzoeker naar geweld tegen politie. Hij noemt de actie voor herhaling vatbaar. ,,Ik vind het een prachtig signaal dat hun chauvinisme zich niet beperkt tot de club, maar ook afstraalt op de stad. Hier kunnen we als samenleving verder. Hier wordt aangegeven dat dit gaat om onze stad, onze ondernemers en onze winkels, waar wij klant zijn. Als mensen dat sentiment hebben, prima. Het mag zelfs breder. Maar het moet niet gewelddadig worden.”

Burgers schieten de politie al langere tijd en in toenemende mate te hulp, signaleert Arnout de Vries, specialist bij TNO in burgeropsporing. Bijvoorbeeld bij zoekacties naar vermiste personen. De groeiende burgerinzet is „een signaal” dat de politie tekortschiet. Met het tegenhouden van relschoppers, is volgens de TNO-deskundige normaal gesproken buiten de avondklok niet veel mis. Burgerinzet brengt echter ook risico’s met zich mee. „Onder groepen met goede bedoelingen bevinden zich altijd mensen die uit sensatie wel een klap willen uitdelen.” Het is niet een taak van burgers om relschoppers aan te pakken. „Burgers zijn niet opgeleid om de-escalerend op te treden”, verklaart de TNO-deskundige. „Zij gebruiken eerder hun postuur of vuisten als wapen in plaats van hun mond. De politie is getraind in de-escalerend optreden. We hebben niet voor niets de ME.” Toch snapt De Vries als bijvoorbeeld een ondernemer in actie komt als zijn winkel wordt geplunderd. „Dat mag ook. Dankzij het burgerarrest mogen burgers relschoppers of vandalen staande houden.” Regels zijn echter onduidelijk. De huidige inzet van bijvoorbeeld voetbalsupporters of Hell’s Angels, die zelf vaak niet vies zijn van rellen en vernielingen, voelt „ongemakkelijk”, geeft De Vries aan. „Je weet nooit wat die bij zich hebben.” Het gevaar is „heel groot” dat groepen burgers lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. „Op sociale media zien we dit al.” De burgemeester van Eindhoven sprak al over een burgeroorlog. „De toenemende polarisatie dwingt mensen ergens voor of tegen te zijn. Het kan zijn dat groepen echt slaags raken met elkaar.” De politie „waardeert” het aanbod van burgers bij de aanpak rellen, zegt politiewoordvoerder Sherlo Esajas van de Landelijke Eenheid. „Een goed bedoeld gebaar, een steuntje in de rug.” Burgers helpen de politie echter het beste door zich aan de regels en de avondklok te houden, benadrukt de woordvoerder. „De politie heeft de hulp niet nodig.”

Hoe moeten we hiermee omgaan?
,,Natuurlijk voelt dit even ongemakkelijk, ook voor de politie”, zegt Jaap Timmer. ,,Maar dit is de samenleving. Het wijst ons erop dat supporters ook mensen zijn met sentimenten en dat onze
beelden van hen vaak niet terecht zijn. En gemeenten kunnen dit gebruiken als een mooi voorbeeld van elkaar aanspreken en corrigeren, niet alleen in coronatijd. Want door het wegvallen van de verzuiling is er geen mechanisme meer van sociale controle en correctie. Als voetbalsupporters dat doen, prima. Maar wel in alle redelijkheid en binnen de wet.” Brouwer zou het mooi vinden als veel andere burgers zich bij de voetbalfans aansluiten. Hij gelooft niet dat het optreden van de Angel-Side aantoont dat we voor de handhaving afhankelijk zijn geworden van anderen dan de politie, ook al leek het erop dat de politie het maandagavond niet overal meteen aankon. ,,Stel je voor dat we dit toelaten? Dan denken ze dat ze bij de eerstvolgende voetbalwedstrijd ook de orde kunnen handhaven. Maar je kunt er geen bezwaar tegen hebben als burgers ergens postvatten, zolang ze zich aan de avondklok houden. Het gebeurt vaker dat burgerwachten of buurtvaders voor veiligheid zorgen waar de politie dat niet kan. Maar dit was geen burgerwacht die de taak van de overheid overneemt. Dit was een erekwestie, ze waren in hun trots gekrenkt dat anderen hun stad wilden aanvallen.”

Bronnen: Trouw, De Limburger, Reformatorisch Dagblad

Beeld in de meldkamer is mensenwerk

Meldingen naar 112 worden nu nog telefonisch gedaan. Maar meldkamers verwachten dat burgers en bedrijven steeds vaker beeld zullen willen sturen. Uit de eerste experimenten blijkt echter dat het gebruik van foto’s en video’s in de meldkamer minder vanzelfsprekend is dan het lijkt.

Door Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder, Kees van Dongen

We leven in een beeldcultuur. Volgens Facebook worden er per minuut 200.000 foto’s op de site gezet. Samen kijken we een miljard uur per dag video op YouTube. Elke seconde maken 50.000 mensen een foto met hun telefoon. Nederland, waar 93 procent van de inwoners een smartphone heeft, loopt in deze trend wereldwijd voorop. Vooral voor jongeren is de beeldcultuur een feit: 63 procent zegt foto’s en video’s over zichzelf te delen met anderen. Maar vlak ook ouderen niet uit. 9 van de 10 Nederlandse 55-plussers lopen met een smartphone op zak, en 34 procent is volgens het CBS actief op sociale media.

Beelden in de meldkamer

Die maatschappelijke ontwikkeling raakt ook aan veiligheidsprocessen, zoals handhaving, opsporing en hulpverlening. Burgers zetten zelfgenomen beelden van inbraken, ongelukken en (vermeende) daders op internet. Een buurtgroep wil met eigen foto’s en video’s de politie ondersteunen.

Het ligt voor de hand dat door burgers gemaakte beelden ook in toenemende mate gebruikt gaan worden in de meldkamers van 112. Op dit moment is dat nog niet goed mogelijk. Zo zijn de systemen van de centralisten nog niet ingericht op het weergeven en opslaan van foto’s en video’s die burgers sturen. De meldkamers staan echter wel open voor het gebruik hiervan. Ook de samenleving verwacht in toenemende mate dat zelfgemaakte digitale foto’s en video’s de telefonische melding kunnen ondersteunen.

Maar wat is het effect van foto, video en live-beeld in de meldkamer op het 112-intakeproces? En op de 112-centralist? Dat onderzocht TNO in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Landelijke Meldkamer Samenwerking. Er zijn 2 verkennende experimenten gedaan met 12 centralisten van de Meldkamers Noord-Nederland en Noord-Holland. Zij waren werkzaam in de ambulancezorg, bij de brandweer en bij de politie. Een derde experiment, dat onder andere zou gaan over het effect van de kwaliteit van het aangeboden beeld, moet nog worden uitgevoerd.

Niet sneller en niet per se beter

Het eerste experiment ging om de vraag wat het effect was van foto, video en ‘live’-beeld op de snelheid van het intakeproces en de volledigheid en juistheid van de vergaarde informatie. De deelnemende centralisten werden onder meer geconfronteerd met een door een acteur gedane melding van bijvoorbeeld huiselijk geweld, een persoon te water of een uitslaande brand. In totaal werd gebruikgemaakt van 8 veel voorkomende duidelijke meldingen. De resultaten van dit experiment zijn afgezet tegen een eerder onderzoek met dezelfde meldingen maar dan zonder beeld. Omdat destijds de meldingen alleen verzoeken om noodhulp en zorg betroffen, kon voor dit onderzoek alleen dit type meldingen worden gebruikt.

En wat bleek? De afhandeling van een melding met beeld duurde gemiddeld langer dan een melding zonder beeld. En gemiddeld werd geen kwaliteitsverbetering in de vergaarde informatie waargenomen; eerder een marginale afname. Vooral bij de melding met een live-beeld was er sprake van een (gering) negatief effect. Een interessante waarneming was dat beelden zekerheid, maar ook onzekerheid kunnen veroorzaken bij de centralist. Dit laatste is het geval als beeld en mondelinge melding niet overeen lijken te komen.

Meerwaarde van het beeld

Toch zagen de deelnemende centralisten meerwaarde in het gebruik van beeld. Na afloop was 80 procent positief. Vóór het experiment was dat 25 tot 30 procent. De centralisten gaven achteraf aan dat burgerbeelden de melding kunnen verduidelijken, met name bij gebruik van jargon of bijvoorbeeld bij een taalbarrière. Ook in het geval van een zeer emotionele beller, die bijvoorbeeld geen vragen kan of wil beantwoorden, voegde beeld iets toe. Verder droegen beelden bij om een situatie van een ongeval of stadium van een brand beter te beoordelen. Een ander voordeel, zo vonden centralisten, was dat zij veronderstelden te kunnen zien of instructies daadwerkelijk werden opgevolgd door de melder. Livebeelden genoten de voorkeur, omdat deze de meest actuele beelden gaven en als betrouwbaarder gezien werden.

Impact van beeld

Dat burgers foto’s en video’s maken bij ongevallen, is niet onomstreden. Aan de andere kant kunnen beelden, wanneer die worden gedeeld met de 112-meldkamer, bijdragen aan een beter inzicht in de situatie. Wel kunnen beelden van ongevallen of misdrijven heftige emoties oproepen.

Om te onderzoeken wat de impact van beeld is op centralisten deed TNO een tweede experiment. De 22 eerder genoemde centralisten voerden een gesimuleerde meldkamertaak uit. Tijdens het verwerken van de informatie van de melding werd geen foto, een neutrale foto (zoals een auto) of een heftige foto (zoals een verwonding) getoond.

Emotioneel en mentaal belastend

Om meldingen waarbij foto’s werden getoond te verwerken moesten centralisten meer mentale inspanning leveren dan bij meldingen waarbij geen foto’s werden getoond. Heftige foto’s leidden niet tot meer inspanning dan neutrale foto’s. De emotionele belasting is gemeten met vragenlijsten tijdens het experiment en bevraagd in een interview na afloop. De vragenlijsten lieten geen effect van foto’s op emotionele belasting zien, in de interviews gaven centralisten wel duidelijk aan dat ze verwachten dat heftige beelden in de toekomst belastend kunnen zijn voor henzelf of voor collega’s. Ook vertelden centralisten in de interviews dat de beelden in het experiment ervoor zorgden dat het moeilijker was om de aandacht te verdelen. Dit sluit aan op het resultaat uit het eerste experiment dat centralisten gemiddeld minder volledig waren bij het vergaren van de informatie. Zowel met heftige als met neutrale beelden werden meer auditieve informatie-elementen gemist dan zonder beelden. Bij heftige beelden werd meer gemist dan bij neutrale beelden. Reflecterend vonden centralisten de getoonde foto’s over het algemeen nuttig en zien ze het nut van beelden voor de meldkamer van de toekomst. Ze hielpen om prioriteit en behoefte in te schatten bij een melding.

Toegevoegde waarde

Uit de eerste experimenten blijkt dat beeldmateriaal als ondersteuning van telefonische meldingen niet zonder meer tot kwaliteitsverbetering zal leiden. De grootste toegevoegde waarde van beeld bij het duiden van een melding door de centralist lijkt er te zijn in situaties waarbij de melding of melder onduidelijk is, of de centralist onzeker is over de toestand ter plaatse. De juistheid van deze veronderstelling vraagt om aanvullend onderzoek. Dit staat overigens nog los van de waarde die het beeld verder in de keten kan hebben voor het opbouwen van een informatiepositie op de meldkamer en de opvolging, zoals bijvoorbeeld de waarde voor de opsporing.

Verder blijkt dat beelden zorgen voor extra mentale en emotionele belasting van de centralist. Centralisten geven aan dat ze behoefte hebben aan eigen regie over het bekijken van eventueel beeldmateriaal. Dit kan echter leiden tot keuzestress en dilemma’s. Zij moeten een afweging maken tussen enerzijds het goed uitvoeren van de functie en dus alle beelden uitkijken en anderzijds zichzelf beschermen tegen (te) veel emotionele belasting.

Vaardigheden van de centralist

Het toevoegen van beeld aan het meldproces vraagt daarom niet alleen om technische en analytische skills van de centralist, maar ook typevaardigheid (blind kunnen typen) en het vermogen om te gaan met emotionele stimuli en stress. Hier zal bij de selectie, training en opleiding van personeel rekening mee moeten worden gehouden.

Het gebruik van beeld in de meldkamer zal sterk toenemen. Dit past bij de maatschappelijke trend, waarbij foto’s en video’s steeds nadrukkelijker aanwezig zijn. Initiatieven om beeld in de meldkamer te brengen en te beproeven worden daarom aangemoedigd. De impact van beeld op de centralist mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Dit vraagt om zorgvuldig beleid en betrokkenheid van mensen met een achtergrond in het personeelsbeleid en de psychologie. Om het beleid te kunnen formuleren is bovendien meer onderzoek nodig. Bijvoorbeeld naar het effect van de verschillende manieren waarmee beeld het beste aan de centralist kan worden aangeboden.

Onderzoek

Lees ook: J.S. Barnhoorn en C.J.G. Van Dongen (2019) De impact van beeld in 112 meldkamers op de centralist (TNO rapport R10211) en M. Menkhorst en C.M.C. Schilder (2019) Effect van beeld op het 1-1-2 intake proces (TNO rapport R11729). Of lees hieronder de rapporten:

Samenvatting:

[slideshare id=143053720&doc=tno-2019-m10233-190501071611&type=d]

De impact van beeld in 112 meldkamers op de centralist

[slideshare id=143053568&doc=tno-2019-r10211-190501071323&type=d]

Effect van beeld op het 1-1-2 intake proces

[slideshare id=143053619&doc=tno-2018-r11729-190501071426&type=d]

Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder en Kees van Dongen zijn werkzaam bij TNO. Jonathan Barnhoorn is bereikbaar voor vragen en discussies via e-mail: [email protected]

Bron: Secondant

Pas op met de burger als parttime politieman

We nemen steeds vaker zélf het initiatief bij de opsporing van criminaliteit. Daar zitten voordelen maar ook haken en ogen aan. Op 2 mei organiseren RTL Z en Open Universiteit een online seminar over dit thema, Sven Brinkhoff van Open Universiteit licht vast een tipje van de sluier op.

Een Whatsappgroep waar buurtbewoners elkaar waarschuwen als ze tussen de vitrage iets verdachts zien. Bezorgde burgers die in linie door een bos trekken, op zoek naar de verdwenen Anne Faber. Astrid Holleeder die de ruzies met haar broer opneemt. “Steeds vaker doen burgers opsporingswerk dat gewoonlijk was voorbehouden aan politie en recherche.”, zegt Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht en strafprocesrecht aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen van de Open Universiteit. “Een onmiskenbare trend.”

Volgens Brinkhoff komt burgeropsporing voort uit toenemende onvrede bij burgers over het functioneren van de politie. Met name kleine zaken die blijven liggen zorgen voor veel onvrede. Daarnaast is er de beschikbaarheid van digitale apparatuur, zoals smartphones. “Dat maakt het verzamelen van bewijsmateriaal niet alleen makkelijker, het is ook steeds eenvoudiger om die gegevens snel bij de politie aan te leveren.”

Brinkhoff geeft als voorbeeld de app Sherlock van TNO die de burger helpt bij het aanmaken van een opsporingsdossier. Daarin kunnen gegevens zoals locatie en het mogelijke motief worden genoteerd, maar ook zichtbare sporen en een lijst van gestolen goederen. “Heel handig, want zo’n kant-en-klaar dossier neemt de politie veel werk uit handen.”

Sven Brinkhoff van Open Universiteit

Dat politie en justitie meer medewerking vragen van burgers bij de bestrijding en opsporing van criminaliteit begrijpt hij dan ook wel. Ook in het smartphoneloze tijdperk werden burgers al gevraagd om te getuigen, tips te delen of aangifte te doen.

Maar aan de ontwikkeling van burgerparticipatie zitten ook minder rooskleurige kanten. Brinkhoff noemt de Amerikaanse app Vigilante die oproepen stuurde naar burgers om actief mee te zoeken naar daders in de buurt op het moment dat bijvoorbeeld een overval gaande was. “Daar is een stokje voor gestoken. Niet alleen breng je burgers zo in gevaar, je schaadt ook het geweldsmonopolie van de staat.”

Burgers zijn nu eenmaal burgers en geen getrainde opsporingsambtenaren. Ze weten niet hoe ze een plaats delict veilig moeten stellen. Daardoor kunnen sporen verloren gaan of raakt materiaal ‘vervuild’. Ook met al te actieve opsporing van ‘verdachte personen’ in een buurt kan veel mis gaan, benadrukt Brinkhoff: “Dat werkt eigenrichting of racisme in de hand, waarbij de participerende burger misschien wel een paar tikken verkoopt aan een onschuldige.”

Naast de alertheid die een BuurtWhatsapp-groep opwekt en het snel delen van beeldmateriaal en andere informatie is, zitten er echter ook nog andere nadelen aan burgerparticipatie, aldus Brinkhoff. Een valkuil is de juridische houdbaarheid van door burgers verzameld bewijsmateriaal. “De advocaat van de verdachte schiet daar onmiddellijk gaten in. Met als risico dat al het werk voor niks is geweest.”

Steeds vaker ziet Brinkhoff dat door de opkomst van particuliere recherchebureaus en eigenrichting de route langs politie en OM maar helemaal overgeslagen wordt. Volgens hem is dat een groot probleem omdat burgers die het heft in eigen hand nemen, het geweldsmonopolie van de staat ondermijnen. “Dat is echt een glijdende schaal.”

Brinkhoff waarschuwt dan ook voor te grote verwachtingen van de burger die voor politieagent gaat spelen. Burgerparticipatie mag dan wel een reactie zijn op de permanente onderbezetting bij de politie, het uit handen willen nemen van de opsporing hoeft niet tot minder politiewerk te leiden, zegt Brinkhoff: “Als het digitaal steeds makkelijker wordt om een dossier aan te leveren, dan verwacht de meewerkende burger wel dat daar iets mee gedaan wordt. Als dat vervolgens door capaciteitsproblemen niet gebeurt, dan vergroot je de kloof alleen maar.”

Politie en het OM die gebruik willen maken van burgeropsporing, zullen hoe dan ook moeten voorkomen dat ze hun eigen betrouwbaarheid en rechtvaardigheid op het spel zetten door te veel taken naar de burger door te schuiven, aldus Brinkhoff. Ook al is dat vanwege de permanente bezuinigingen wel verleidelijk.

Brinkhoff verwacht dat de rol van burgers bij opsporingswerk hoe dan ook zal toenemen de komende jaren. Dat heeft niet alleen met capaciteit maar ook met kennis te maken, zegt hij. “Kijk maar naar een collectief als Bellingcat. Dat heeft wel de middelen om hoogopgeleide digitale speurneuzen in te zetten, waar de politie geen geld voor heeft. Die expertise van buitenaf, die blijft natuurlijk welkom.”

Kijk en discussieer mee over dit thema

Op 2 mei gingen Sven Brinkhoff (universitair hoofddocent strafrecht) en Emile Kolthoff (hoogleraar criminologie) van Open Universiteit verder in op dit thema tijdens een online seminar bij RTL Z. Ze bespreken recente voorbeelden van burgerparticipatie bij opsporing en belichten de kansen en bedreigingen voor de politie en het OM. Bekijk het online seminar hier terug.

Bron: RTL Nieuws, Open Universiteit

Voorspellen van de spoedvraag met live databronnen

Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er steeds meer sensoren en data beschikbaar komen. Slimme, voorspellende algoritmes kunnen deze data gebruiken om op de spoedvraag te anticiperen en zo een belangrijke bijdrage leveren aan het noodhulpproces.

Dat blijkt uit onderzoek naar hoe het gebruik van live data kan leiden tot specifiekere voorspellingen van de spoedvraag. In samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Landelijke Meldkamer Samenwerking en de hulpverleningsdiensten voerde TNO in het najaar van 2018 dit onderzoek naar het voorspellen van de spoedvraag uit.

Betrouwbaar voorspellen
Het gebruik van (big) data voor het aansturen van het noodhulpproces is niet nieuw. Een voorbeeld hiervan is het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) dat de politie gebruikt om te voorspellen waar en wanneer misdrijven als straatroof en inbraak plaatsvinden. De voorspellingen van CAS en vergelijkbare systemen zijn grotendeels gebaseerd op trendanalyses van historische data, zoals het aantal incidenten in het verleden en demografische factoren. De voorspellingen geven informatie over de kans dat een bepaald type incident zal plaatsvinden gegeven de locatie en datum. Deze voorspellingen kunnen gebruikt worden bij het plannen van de benodigde inzet of voor het positioneren van eenheden. Maar deze voorspellingen geven alleen een trend aan en houden geen rekening met de huidige situatie. Hierdoor is het meestal niet wenselijk om op basis van deze informatie direct uit te rukken; in veel gevallen zal er namelijk helemaal geen incident plaatsvinden. In dit onderzoek is verkend in hoeverre het gebruik van live data kan helpen om specifieke incidenten te voorspellen met een dusdanige betrouwbaarheid dat het loont om ook direct op de voorspellingen te acteren.

Challenge in de meldkamer
Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een challenge. In samenwerking met de meldkamer Rotterdam heeft een team van onderzoekers van TNO in één week een prototype algoritme gebouwd dat op basis van historische en live data specifieke incidenten in het gebied Rotterdam-Rijnmond kan voorspellen. Het algoritme gebruik hiervoor onder andere meldingen uit het Generieke Meldkamer Systeem, weersvoorspellingen en evenementen kalenders. Tijdens de challenge zijn drie type meldingen uitgewerkt: openbare schennispleging, wateroverlast en liftopsluiting. Deze drie soorten zijn gekozen op basis van het aantal relevante meldingen in de dataset en de verwachte voorspelbaarheid van het type incident gegeven de bronnen die op dat moment beschikbaar waren. Met de huidige dataset bleek de liftopsluiting het beste te voorspellen, voor de andere twee type incidenten maakte het gebruik van live data geen significant verschil ten opzichte van standaard trendanalyses.

Conclusies
De resultaten van de challenge tonen aan dat de betrouwbaarheid van de voorspelling (de kans dat een incident ook echt plaatsvindt op de voorspelde plaats en tijd) erg verschilt per type incident. De meldkamer beschikt op dit moment vooral over databronnen die informatie bevatten over openbare fenomenen zoals weer en drukte; hierdoor zullen op korte termijn de incidenten die sterk met dergelijke factoren samenhangen het beste te voorspellen zijn. Het onderzoek toonde aan dat wanneer het algoritme een incident voorspelde dit in 30% van de gevallen juist was. Of deze en mate van betrouwbaarheid voldoende is om proactief op te treden is aan de hulpdiensten om te bepalen.

Gerichte experimenten kunnen meer inzicht bieden in de toegevoegde waarde van verschillende databronnen en de te verwachte betrouwbaarheid van voorspellingen voor deze specifieke incident types. Om de precisie van de voorspellingen in het algemeen te verbeteren moeten vervolgstappen zich richten op het aanvullen van voorspellingen met data van slimme sensoren zoals camera’s met automatische beeld- en geluidsanalyses.

Er blijft sprake van een continue schaal waarop de spoedvraag voorspeld kan worden: aan de ene kant is de precisie van de voorspelling hoog, maar is er weinig tijdswinst, aan de andere kant is voorspelling onbetrouwbaarder maar is er nog veel tijd om te reageren. Per type incident moet worden bepaald waar op dit spectrum de kosten, zowel in privacy als in geld, in balans zijn met de baten.

Meer weten
Wil je meer lezen over de aanpak, uitkomsten en conclusies van dit onderzoek? Lees dan de flyer Het Nieuwe Melden: voorspellen spoedvraag:

[slideshare id=142988155&doc=flyer-challenge-voorspellen-spoedvraag-april-2019-190430164742&type=d]

Bron: K-LMO

BART! Burger Alert Real Time: verbindingsplatform tussen bewoners, gemeente en politie.

Burger Alert Real Time (BART!) is een digitaal meldingsplatform voor een veilige en leefbare buurt. Zaken met ?n zonder spoed kunnen buurtbewoners?24/7delen met politie, gemeente en andere BART! -gebruikers.

Bij overlast, verdachte situaties of sociale problemen geven burgers een digitale waarschuwing en indien nodig onderneemt de politie of de gemeente direct actie. Geen wachtrijen meer. Ook kan de politie zelf alarmeren: ?Momenteel veel auto-inbraken in uw buurt?.

BART! is een samenwerkingsproject waarin de gemeente Den Haag, de politie, CGI, TNO, TU Delft en TIGNL samen investeren. BART! is nu nog in een testfase. Momenteel wordt met kleine stappen experimenteel gewerkt voor de Haagse stadsdelen Escamp en Leidscheveen/ Ypenburg, zodat kleinere resultaten bijdragen aan de opbouw van een volledig participatiesysteem.

Samen bouwen aan een participatiesysteem dat zorgt voor vertrouwen en verbondenheid

BART! is een samenwerkingsproject waarin de?gemeente Den Haag,?de politie,?CGI,?TNO,?TU Delft?en?TIGNL?samen investeren in een digitaal meldingsplatform voor een veilige buurt. Bij overlast, verdachte situaties of sociale problemen waarschuwen burgers elkaar en indien nodig de politie of gemeente via een app. Ook kan de politie zelf alarmeren:
?Momenteel veel auto-inbraken in de buurt?. BART! is in een testfase. Momenteel wordt met kleine stappen experimenteel gewerkt voor de Haagse stadsdelen Escamp en Leidscheveen/ Ypenburg, zodat kleinere resultaten bijdragen aan de opbouw van een volledig participatiesysteem.



Alle ontwikkelde kennis wordt verspreid onder de partners:

Gemeente Den Haag: BART! is belangrijk voor de gemeente Den Haag, want het zorgt voor meer verbondenheid in de buurt en het stimuleert het gevoel dat de bewoners samen de wijk prettig en veilig houden. BART! bevordert het samen optrekken van buurtgenoten, lokale ondernemers, politie en gemeente. Gemeente Den Haag brengt openbare orde, veiligheid en leefbaarheidskennis in en stelt hiervoor de deskundigheid beschikbaar van professionals, leidinggevenden, wijkmanagers, wijkteams en klantcontactspecialisten.
Politie: De ontwikkeling van BART! sluit aan bij de doelstelling van de politie om een meer moderne, flexibele en effectieve organisatie te worden. Ook kan BART bijdragen aan een gevoel van vertrouwen door sterk politiewerk dichtbij de buurtbewoners. Met BART! wordt een meer eigentijdse dienstverlening gerealiseerd dat betere samenwerking met verschillende partners mogelijk maakt. De politie brengt al haar kennis in.
CGI: Het CGI is een grote dienstverlener op het gebied van informatietechnologie en bedrijfsprocessen. Het bedrijf onderzoekt hoe ICT-technieken het BART-concept kunnen ondersteunen. CGI ontwikkelt kortweg de technische kant van het communicatieknooppunt van BART! Momenteel is een prototype in de maak dat uitgebreid zal worden getest. Daarna wordt het doorontwikkeld op basis van de eerste ervaringen.
TNO: Kennisinstituut TNO brengt innovatie in op het gebied van maatschappelijke veiligheid en met name de inrichting van nieuwe media meldprocessen. De organisatie richt zich vooral op het ontwerpen van de bijbehorende processen en participatiesystemen van de betrokken deelnemers.
TU Delft: De Technische Universiteit Delft levert wetenschappelijke kennis vanuit haar jarenlange onderzoek naar participatiesystemen. Inmiddels heeft de universiteit een speciaal Participatory Systems Lab opgezet. De TU Delft richt zich hiermee op het optimaliseren van de samenwerking en het vertrouwen tussen burgers en overheid (gemeente en politie).
TIGNL: Technology Investment Group (TIG) brengt innovatiemanagement-kennis in met betrekking tot wetshandhaving, burgerparticipatie en private publieke samenwerkingsprojecten. TIGNL doet onderzoek en ontwikkelt inzichten voor aandachtsgebieden als competentie-ontwikkeling, ethiek, privacy en dataprotectie. Daarnaast organiseert en modereert zij verspreiding van kennis en registreert de interne en externe projectactiviteiten. Ook verzorgt TIGNL de administratie en de verantwoording van deze activiteiten.

Burgers in opsporing

Meer leren over burgeropsporing? Kom 11 april naar het?Nieuwspoort Seminar ?De Veilige Gemeente 2019 ? Burgers in opsporing? georganiseerd door het Haags Congres Bureau.Met o.a. Wim van Amerongen (Nationale Politie), Arnout de Vries (TNO), Eric Bervoets (Bureau Bervoets), Ronald van Steden (VU Amsterdam, SMV) en Marnix Eysink Smeets (Inholland).

De Veilige Gemeente 2019 -?Burgers in opsporing
Kansen, risico’s & randvoorwaarden
Donderdag 11 april 2019

13.30 – 17.00 uur met gezamenlijke lunch vanaf 12.30 uur
Internationaal Perscentrum Nieuwspoort, Den Haag

Met medewerking van o.a. Dr. Ronald van Steden, Vrije Universiteit Amsterdam, Stichting Maatschappij en Veiligheid (SMV), Dr. Eric Bervoets, Bureau Bervoets,? Arnout de Vries, TNO, Marnix Eysink Smeets, Hogeschool Inholland en Wim van Amerongen, Nationale Politie

Cybervrijwilligers? Buurt Preventie Teams? Buurt Whatsappgroepen?? Burgerrechercheurs?? Platforms van (burger)journalisten??

Burgers helpen gevraagd en ongevraagd steeds vaker in het opsporen van criminelen en ophelderen van zaken.

Hierdoor kan de opsporingskracht van politie, gemeente en OM sterk toenemen. Er zijn echter ook risico’s en dilemma’s die om uw aandacht vragen.?Wat zijn de do’s and don’ts en welke randvoorwaarden moet u in acht nemen bij burgeropsporing?

Tijdens het Nieuwspoort Seminar ‘De Veilige Gemeente – Burgers in opsporing ‘ krijgt u inzicht in:

  • Actuele ontwikkelingen, trends en onderzoeken
  • Voorbeelden van initiatieven op dit gebied
  • Welke kansen bieden de initiatieven u?
  • Welke juridische kaders moet u kennen?
  • Wat zijn de do’s and the dont’s en welke randvoorwaarden moet u in acht nemen?

Welke innovaties zijn voor u als kleine, middelgrote of grote gemeente bruikbaar in de uitvoering??En hoe zorgt u er voor dat u rationeel met risico?s blijft omgaan? Wat vraagt het van u, als gemeente-ambtenaar of politieman/politievrouw?

Met behulp van vele praktijkvoorbeelden, uw eigen kennis en ervaring en die van de andere deelnemers helpen de sprekers u kansen, risico’s en randvoorwaarden in kaart te brengen.

Programma De Veilige Gemeente 2019 -?Burgers in opsporing

Kansen, risico?s en randvoorwaarden

13.30 uur?Opening en introductie op het thema?door uw middagvoorzitter, Eric Bervoets, onderzoeker en eigenaar, Bureau Bervoets

Aan bod komen onder meer:

* Welke trends en ontwikkelingen zijn er op dit gebied?

* Wat zijn daarbij de uitdagingen?

13.45 uur?Opsporing door burgers, Arnout de Vries, onderzoeker en adviseur, TNO

* Risico?s (eigenrichting, vertrouwelijkheid, privacy, eigen veiligheid) en kansen (extra capaciteit en denkkracht, snelheid, preventieve werking)

* Vele voorbeelden uit de praktijk nader onder de loep: Van Bellingcat tot buurtonderzoek in Whatsapp buurtgroepen

* Blik in de toekomst

14.25 uur?Praktijkvoorbeeld 1: Burgerrechercheurs

Wim van Amerongen, Programmadirecteur Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen, Nationale Politie

* Juridisch kader en rechtsbescherming

* Begeleiding en samenwerking

* Rol van de politie in het burger ? burger perspectief

14.45 uur?Vragen stellen aan de inleiders?o.l.v. uw middagvoorzitter

15.15 uur?Pauze met koffie en thee

15.35 uur?Doe-het-zelfsurveillance, Ronald van Steden, VU Amsterdam en SMV

* Resultaten onderzoek naar Whatsapp-buurtgroepen in Almere, Amstelveen, Amsterdam en Tilburg

* Welke lessen kunnen we trekken voor de toekomst?

16.10 uur?Burgeropsporing: veelbelovend landschap of listig mijnenveld??Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid Hogeschool Inholland

* Samenwerken met de burger of burger als verlengstuk?

* Burgerparticipatie als meerloops geweer: Over effecten op veiligheid, veiligheidsbeleving, sociale cohesie, burgerschap en rechtsstatelijkheid

* Burgers komen van Mars, professionals van Venus

* De noodzaak van precisie, preventie en prudentie

16.45 uur?Wrap Up, door uw middagvoorzitter

17.00 uur Afsluiting en borrel

Dr. Ronald van Steden?is Universitair Hoofddocent Bestuurswetenschappen en Politicologie aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Ook is hij voor ??n dag per week verbonden aan de Stichting Maatschappij en Veiligheid. Meer in het bijzonder houdt Van Steden zich bezig met vraagstukken rondom het thema ?lokale veiligheid en politie?. Hij doceert in de master Besturen van Veiligheid aan de VU. Daarnaast verricht hij onderzoek naar privatisering van veiligheid, toezicht en handhaving van de gemeente, wijkpolitie, veiligheidsnetwerken en vrijwilligers/actieve burgers in veiligheid.

Dr. Eric Bervoets?is?criminoloog en bestuurskundige.?Eric is sinds 1997 actief,?na een doctoraal bestuurskunde in?Rotterdam en een academische promotie?(in 2006) aan de Universiteit Twente in Enschede.?Bureau Bervoets richt zich op toepassingsgericht criminologisch en veiligheidskundig onderzoek, vaak in opdracht van gemeenten, politie en ministeries.?Ambitie is het ondersteunen van het veiligheidsdomein en lokaal bestuur met praktijkgericht onderzoek, advies en onderwijs.? We zijn ervan overtuigd dat kennis en kunde nodig zijn voor de effectiviteit en draagvlak van beleid, projecten en interventies. Maar het commitment en doorzettingsvermogen van de mensen in de uitvoering zijn doorslaggevend, daar kan geen ‘evidence based’ kennis tegenop! Lees verder via de?website van Bureau Bervoets.

Arnout de Vries is onderzoeker en adviseur op het gebied van internet en maatschappelijke veiligheid bij TNO. Hij ontwikkelt en onderzoekt digitale middelen die hulp kunnen bieden bij een effectievere burgerparticipatie, zoals applicaties voor burgeropsporing: ?Samen Zoeken? en ?Sherlock?. Daarnaast schrijft hij op zijn site SocialMediaDNA over social media in relatie tot maatschappelijke veiligheid.

Marnix Eysink Smeets?is sinds 2007 lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid en voorzitter van de Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid. Samen met studenten en (docent)onderzoekers draagt hij bij aan de ontwikkeling van (veiligheids)beleid dat burgers vertrouwen geeft. Eysink Smeets houdt zich vooral bezig met de vraag hoe de burger veiligheid beziet en beleeft, en hoe dat kan worden verbeterd. Formeler gezegd: met het publiek vertrouwen in veiligheid en veiligheidszorg. Met veiligheidsbeleving, vertrouwen en rechtsvaardigheidsbeleving als belangrijke deelgebieden.?Naast zijn werk voor Inholland is Marnix Eysink Smeets voorzitter van de Landelijke Expertisegroep Veiligheidsbeleving, een netwerkorganisatie die zich richt op innovatief onderzoek en advies op het gebied van veiligheidsbeleving. Verder is hij actief lid van onder andere de wetenschappelijke Politiekring van het Directoraat-Generaal Politie, de redactie van het veiligheidsvakblad Secondant en de landelijke Expertgroep Zelfredzaamheid. Ook is hij co-redacteur van het blog Bordwatching.

Wim van Amerongen?is programmadirecteur Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen bij de politie. Als gevolg van de snelle ontwikkelingen in maatschappij en technologie werken politie en het openbaar ministerie in dit programma nauw samen op het realiseren en versterken van de vernieuwings- en innovatiekracht in de opsporing en vervolging. Als programmadirecteur houdt hij zich daarnaast bezig met thema?s als ketensamenwerking, burgeropsporing en datadeling binnen de strafrechtketen. Zijn ervaringen met veranderprocessen zowel binnen als buiten de politie helpen hem bij het vinden van transitiestrategie?n die de effectiviteit van de opsporing kunnen vergroten.

Dark Markets: De IKEA’s van de cybercrime

Hoe begint en opereert iemand in de cybermisdaad? En wat kunnen we doen om dit tegen te gaan? Dat zijn vragen waar criminoloog Rolf van Wegberg zich aan de TU Delft mee bezig houdt. Hij probeert de verbinding te leggen tussen de technische kant van cybercrime en de meer economische en sociale aspecten. En dat soort mensen zijn er nog niet zo veel.?

Het jaar 2018 stond voor Rolf van Wegberg bijna geheel in het teken van zijn onderzoek naar?commoditization in cybercrime. De promovendus van de faculteit Techniek, Bestuur en Management (TBM) presenteerde zijn resultaten op de USENIX Security conferentie in het Amerikaanse Baltimore.

Cybercrime is een groeiend misdaadprobleem en kan vele vormen aannemen, bijvoorbeeld creditcardfraude, digitale afpersing en spyware. Onder commoditization van cybercrime verstaan we het aanbieden van vaardigheden en diensten door gespecialiseerde partijen in de ondergrondse economie, die je als gebruiker kant-en-klaar kunt kopen. Dit maakt het voor cybercriminelen mogelijk om zaken uit te besteden, waardoor de belemmeringen om met cybercrime te beginnen, kleiner worden. ?Je koopt een bepaalde dienst in en je hoeft er dus zelf geen verstand van te hebben om aan de slag te gaan. Je kunt dan bij wijze van spreken naar een ?cybercrime-IKEA? gaan om je gewenste pakket te kopen en samen te stellen?, verklaart Van Wegberg.

Misdrijven als digitale afpersing en creditcardfraude worden dus een stuk eenvoudiger als criminelen de daarvoor benodigde?commodities kunnen aanschaffen op ondergrondse markten, het?dark web. Althans, dat is de theorie. Onderzoekers nemen wel een stijgende?commoditization?van cybercrime waar, maar hoe serieus is het probleem nu echt in de praktijk, vroeg Van Wegberg zich af.

?Wij hebben daarom, samen met collega?s van Carnegie Mellon University (CMU) in de VS, bekeken of die gevreesde?commoditization wel echt zo?n vlucht neemt. We bekeken daarvoor de transactiegegevens van zes jaar van acht online anonieme marktplaatsen, van Silk Road tot AlphaBay. Die dekken samen een groot deel van deze markt af. Het is voor het eerst dat een dergelijke grootschalige analyse is gedaan van deze ondergrondse online economie.?

Cash-out

?We zien dan inderdaad aanwijzingen voor?commoditizationvan allerlei producten en diensten, maar zeker niet voor alle. Niet alles is te koop, je moet altijd iets zelf blijven doen als cybercrimineel. Bovendien is de omvang van de handel zeer beperkt, in vergelijking met bijvoorbeeld de omvang van drugshandel op deze markten. Er is wel groei, maar minder dan verwacht. We schatten de totale omzet van?cybercrime commoditiesop online anonieme marktplaatsen rond de 8 miljoen dollar tussen 2011-2017.?

Zogenaamdecash-out services worden het vaakst verhandeld. Onder elk crimineel businessmodel ligt immers de vraag: hoe krijg je het geld van het slachtoffer op ?verantwoorde? wijze weggesluisd? Iedere ?criminele ondernemer? heeft dit nodig en daarom is de vraag logischerwijs groot. Dit gaat om tussenpersonen, geldezels, bankrekeningen, bitcoin-wisseldiensten en dergelijke.

Het probleem van?commoditization lijkt dus vooralsnog volgens Van Wegberg en zijn collega?s mee te vallen. Hoe waren de reacties op de presentatie van deze onderzoeksresultaten? ?In het algemeen waren die heel positief. Heel belangrijk is voor mij dat het ook goed is ontvangen door de politie, waar we nauw mee hebben samengewerkt.?

Ook vakgenoten op de conferentie in Baltimore reageerden positief. ?Het was op zich al heel bijzonder dat we daar in Baltimore als?softe technologen tussen de?die hard?ICT?ers mochten staan. We waren een vreemde eend in de bijt, ik als criminoloog zeker. Veel cybersecurity- onderzoekers richten zich vooral op de technologie, terwijl wij toch meer proberen te letten op de bredere sociale verbanden en economische patronen. Hoe ziet de hele criminele keten eruit, hoe start iemand in de cybercriminaliteit? Maar ons onderzoek werd in Baltimore goed ontvangen.?

Persaandacht

Naast de vakmensen, kwamen er ook reacties in de pers. ?Ja, dat was wel eervol. Het onderzoek haalde bijvoorbeeld de voorpagina van Trouw.? Kreeg Van Wegberg niet het verwijt dat hij de gevaren van cybercrime enigszins bagatelliseert? ?Misschien was dat een beetje het geval, maar dat is volgens mij niet de goede manier om er naar te kijken. Met de uitkomsten van ons onderzoek kun je namelijk veel gerichter kijken naar het probleem en bijvoorbeeld beperkte politionele middelen en capaciteit beter inzetten. Uiteindelijk wil je namelijk proberen om het criminele ecosysteem kapot te maken. En daar heb je dit soort informatie hard voor nodig.?

We hebben in het onderzoek overigens nog een ander fenomeen bekeken. Want naast criminele aanbieders die handelen met andere criminelen, B2B, vonden we ook een significante hoeveelheid retail cybercrime, dus rechtstreeks naar de eindconsument. Dan gaat het bijvoorbeeld om gehackte Netflix- of Spotify-accounts. We schatten de totale omzet van de handel in deze vorm van cybercrime op online anonieme marktplaatsen rond de acht miljoen dollar tussen 2011-2017.? Ook dat lijkt dus ?vooralsnog ? een relatief onschuldig probleem.?

“De combinatie van vaardigheden en kennis, dus met zowel de technische insteek als de criminologische, is helaas nog vrij zeldzaam. Types als ik, zijn nog op de vingers van ??n hand te tellen.”

Criminoloog

Rolf van Wegberg is sinds 2015 promovendus aan de faculteit TBM (sectie Organisation & Governance) maar is van oorsprong criminoloog. Hij haalde zijn master in Criminologie (cum laude) in 2011 aan de Universiteit van Leiden met een afstudeeronderzoek naar witwassen van geld en naar het financieren van terrorisme in Nederland.

Na zijn afstuderen, ging hij aan de slag bij de afdeling Criminal Law and Criminology aan de Leidse universiteit, als researcher en docent. Daar richtte hij zich vooral op het Nederlandse beleid tegen financi?le misdaad. In 2013 ging hij naar TNO, waar hij nog steeds werkt als wetenschapper op het gebied van (financi?le) cybercrime en ondergrondse markten. Op dit moment is hij drie dagen per week aan het werk bij de TU Delft en twee dagen per week bij TNO. Zijn research is onderdeel van het MALPAY-project, dat zich focust op?malwaregericht op financi?le instellingen. Van Wegberg onderzoekt specifiek de strategie?n van cybercriminelen en de interactie tussen die strategie?n en het (veiligheids)beleid van financi?le dienstverleners en de politie.

Net als op de conferentie in Baltimore, moet de criminoloog Van Wegberg zich aan de TU Delft wel eens een beetje ?anders? voelen, zou je denken. ?Ik ben inderdaad opgeleid in de conventionele tak van het criminologische onderzoek. Maar die aanpak, met enqu?tes, zelfrapportages en aangiftecijfers, kent uiteindelijk zijn beperkingen, zeker als je cybercrime wilt bestuderen. Daarom ben ik blij dat ik dit soort onderzoek aan een technische universiteit veel breder kan maken. De combinatie van vaardigheden en kennis, dus met zowel de technische insteek als de criminologische, is helaas nog vrij zeldzaam. Types als ik, zijn nog op de vingers van ??n hand te tellen.?

?Een ander verschil dat ik hier aan de TU Delft ervaar, is het ?wij?-gevoel. Vanuit mijn studie was ik gewend om ?ik? te zeggen; nu is het veel meer ?wij?. En terecht, want wetenschap is nu eenmaal een teamsport. Het is zonde om maar ??n stel hersens aan een probleem te laten werken.?

Promovendi

In 2019 gaat Van Wegberg zijn promotieonderzoek afronden. ?Daar zal volgend jaar de meeste aandacht en tijd naar toe gaan. Daarnaast geef ik onderwijs, bijvoorbeeld in onze Cyber Security master-opleiding, en begeleid ik masterstudenten bij hun scriptie. Sowieso vind ik het onderwijs, het contact hebben en het samenwerken met studenten, het leukste wat ik hier doe aan de universiteit.?

Maar eerst dus maar eens dat proefschrift afmaken, waar het bovengenoemde onderzoek ook een deel van is. Van Wegberg weet uit ervaring hoe hoog de druk voor promovendi kan zijn en maakt zich daar zorgen over. Hij hield zich bezig met de belangenbehartiging van de promovendi in Nederland en was tot afgelopen zomer voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN). ?De positie van promovendi is voor mij echt een belangrijk onderwerp. Niet in het minst omdat die positie naar mijn mening behoorlijk in de knel komt. De arbeidsvoorwaarden staan onder druk en er worden speciale constructies bedacht om toch promovendi te kunnen aanstellen. Aan de TU Delft gaat het gelukkig nog allemaal vrij goed, maar toch moeten we oppassen dat we geen race to the bottom aangaan ten koste van promovendi. In deze hele discussie wordt de stem van de mensen waarom het gaat, te weinig gehoord. Ik ken mijn weg in Den Haag redelijk goed en dus probeerde ik als PNN-voorzitter die stem te laten klinken.?

Bron: TUDelft magazine