Tagarchief: tno

Videobellen naar 112?

Tekst?Charlotte van den Berg,?Foto?Rob Acket

Wie alarmnummer 112 belt, krijgt een hulpverlener van de meldkamer aan de telefoon. Deze centralist luistert en informeert zo goed mogelijk om snel te bepalen welke hulp nodig is. Hoe mooi zou het zijn als de beller niet alleen kan beschrijven wat er speelt, maar de noodsituatie ook kan laten zien? Deze manier van melden ? m?t beeld – is dit najaar getest met centralisten in twee meldkamers. ?Wat telt is hoe het w?rkelijk gaat, daarom is beeld zo waardevol.?

Wanneer een centralist iemand aan de telefoon krijgt, is het eerste doel: zorgen dat de juiste hulpverlening op de plek belandt waar hulp nodig is. Ambulance, brandweer, politie en marechaussee (of alle vier) moeten zo snel mogelijk de juiste kant op. Zodra eerste hulp onderweg is, vraagt de centralist verder. Hoe is de situatie nu? Hoe reageert een slachtoffer? Alle informatie wordt vermeld in een centraal systeem waar meerdere hulpdiensten uit kunnen putten.

Mobiel

?Als een melder foto?s of filmpjes heeft die de situatie kunnen verduidelijken, wil je zulk beeld als hulpdienst natuurlijk gebruiken?, vertelt Marjan Dol, directeur van?meldkamer Noord-Nederland. Maar hoe krijg je die beelden goed en snel de meldkamer in? ?Als iemand ons nu beelden wil sturen, lossen we dat hier op dit moment praktisch op: we geven het nummer van een mobiele telefoon van de meldkamer en bekijken de beelden daarop. Ik houd wel van die pragmatische aanpak; wat telt is dat we iemand zo snel en goed mogelijk te hulp kunnen komen.?

‘Het kan toch niet zo zijn dat we als meldkamer alleen de telefoon kunnen opnemen?’

Marjan Dol, directeur van meldkamer Noord-Nederland in Drachten

Wil je beeld structureel, goed en snel gebruiken, dan moet melden met beeld een solide plek krijgen op het computerscherm van de centralisten. En dat willen de meldkamers, omdat ze op die manier zo goed mogelijk kunnen aansluiten bij mensen die hulp zoeken. Dol: ?Het kan toch niet zo zijn dat we alleen de telefoon kunnen opnemen? Daarom willen we graag meedoen aan experimenten die alle meldkamers beter laten aansluiten bij de samenleving.? Bij jongeren bijvoorbeeld, die gewend zijn elkaar foto?s en video?s te sturen. ?De samenleving communiceert al met beelden. Wat je zou willen is dat de melder in staat is dat beeld snel aan ons over te brengen, in aanvulling op het telefoongesprek. Zodat je als melder je camera kunt aanzetten en de beelden?live?kunt laten zien aan onze centralist.?

Camerabeelden

Meldkamers maken al gebruik van beelden: livebeelden die gemaakt worden door openbare camera?s, politiehelikopters of ?drones. Maar de hulpverleningsdiensten willen meer, vertelt Dol: ?Je zorgt als meldkamer dat je de basis van je werkzaamheden op orde houdt, zodat je betrouwbare hulpverlening kunt bieden. Daarnaast is het belangrijk je bezig te houden met onderzoek, zodat je met innovaties en ontwikkelingen ook in de toekomst de goede dingen blijft doen.? Daarom staat ook de?Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS) achter meer gebruik van beeld.

Levensecht

Voor het experiment, dit najaar gehouden in meldkamers van Noord-Nederland en Noord-Holland, zijn acht levensechte meldingen nagebootst door acteurs. Deze fictieve meldingen bevatten zo veel mogelijk elementen van een gecompliceerde noodsituatie. Groot verschil met eerder onderzoek: de twaalf centralisten konden nu ook gebruik maken van foto?s, video?s en zelfs live beeld van de calamiteit. Beeldmateriaal dat zogenaamd gemaakt is door de melder aan de telefoon.

Regie

Alle centralisten waren na afloop van het experiment positief: het gebruik van beeld gaat volgens hen werken in de praktijk. Vooral een verbinding die het mogelijk maakt rechtstreekse beelden van de noodsituatie te zien, helpt hen met meer zekerheid in te schatten wat er gebeurd is. En ook in welk perspectief ze de melding moeten zien. Want wat voor een melder een gigantische wond is, kan voor de centralist heel anders zijn.

De belangrijkste ervaring die de centralisten deelden, was dat ze zelf regie willen behouden: ze willen zelf bepalen of en wanneer ze beeld te zien krijgen. ?Zodat zij vanuit hun vakmanschap kunnen beoordelen wanneer het zien van beelden kan helpen en in welke situatie het alleen zou afleiden?, aldus Dol.

Scherp

Voldoet de huidige situatie in de meldkamers dan niet? Dol: ?Op basis van de woorden van de beller analyseren centralisten een noodsituatie. Ze zijn daar geoefend in en doen dat uitstekend. Maar het blijft zo dat je gebaseerd op wat je hoort, een beeld vormt dat altijd enigszins afwijkt van de werkelijkheid. En wat telt is natuurlijk hoe het buiten w?rkelijk gaat, daarom is beeld zo waardevol. Het helpt ons zo veel mogelijk feitelijke informatie naar boven te krijgen en daarmee de situatie zo scherp mogelijk te krijgen. Daarom gaat het werken met beeld echt helpen.?

Melden met Beeld

Een ander experiment in dezelfde meldkamers testte het effect dat beeld heeft op centralisten zelf. Hoe belastend is het voor hen om een werkdag lang geconfronteerd te worden met heftige beelden? Dol: ?Stel je voor dat je in de meldkamer de hele dag beelden ziet van gewonde mensen. Ik vergelijk het altijd zo: een centralist maakt op een dag ongeveer vijftig keer zo veel mee als hulpverleners die op straat werken. Daar bestaat dus wat zorg over.? Samen zullen de?twee experimenten?antwoord geven op de vraag: ?Wanneer heeft welk soort beeld impact bij het doen van een 112-melding en welke impact is dat??

Bron: JenV Magazine 2018 nr4

Eerste Hulp Bij Opsporing: burgerhulp bij sporenonderzoek

Het komt geregeld voor dat opsporingszaken vastlopen, bijvoorbeeld omdat de politie de mankracht mist om het onderzoek voort te zetten of dat er te weinig opsporingsindicaties zijn. Of een simpele zaak wordt niet behandeld, omdat de prioriteit van de politie ergens anders ligt. Dit hoeft niet het einde van een onderzoek te zijn. Door de hulp in te schakelen van burgers kunnen nieuwe aanknopingspunten worden gevonden. Helaas is burgeropsporing niet altijd zo succesvol en behulpzaam. Meer dan eens denken de burgers voor eigen rechter te kunnen spelen.?In Arnhem wordt een dader van een woninginbraak doodgereden door slachtoffers van een woninginbraak. Wat er precies gebeurt is, is deels onduidelijk (De Telegraaf, 2017). Maar het is wel duidelijk dat er voor de burgeropsporing kansen liggen. Echter er zijn duidelijke richtlijnen, handleidingen en soms adequaat optreden nodig van politie of OM zodat het niet uit de hand loopt. Momenteel ontbreken deze spelregels en is het onduidelijk hoe de politie sporen die door burgers zijn waargenomen, effectiever veilig gesteld kunnen worden. Kortom: handelingsperspectief voor burgers die iets meemaken.

TNO deed samen met de politie en experts uit de forensische opsporing en forensic science een verkenning “Eerste Hulp Bij Opsporing: Burgers betere mogelijkheden bieden om aan forensische opsporing bij te dragen”. Eerder berichtten we al over het interactief Plaats Delict, waar burgers voorlichting kregen over hoe om te gaan met sporen.

?Misschien heeft iedereen dan wel een mini NFI-hulptasje in de metenkast hangen. Het ideale plaatje is dat alle burgers weten wat er gedaan moet worden om forensische sporen te beschermen tot de Forensische Opsporing is geweest. Dat iedere burger weet wat er wel en niet gedaan moet worden als er een delict is gepleegd. De politie moet veel meer ogen en oren krijgen voor wat de burger kan/wil en burgers zoveel mogelijk bij de opsporing betrokken worden. Daarnaast zou de politie meer voorlichtingen moeten gaan geven aan de burgers over het hoe en wat.?

Een van de resultaten van dit onderzoek is een infographic voor burgers nadat zij slachtoffer zijn geworden van een woninginbraak. Woninginbraak is gekozen omdat er gemiddeld per jaar een kleine 100.000 woninginbraken zijn en omdat een goede bijdrage van burgers de kans op goede opsporing kan verbeteren en daardoor ook kan meewerken aan het versterken van het onveiligheidsgevoel van de burger en betere preventie. Betere preventie kan ontstaan omdat burgers meer betrokken zijn bij opsporing en beter bewust raken van de manier waarop inbrekers werken (modus operandus) en daarmee ook beter zichzelf en hun buurtgenoten kunnen waarschuwen.

[slideshare id=104943955&doc=tnoehbwoninginbraaka4-180709104336&type=d]

Na een misdrijf zijn er op de plaats delict verschillende forensische sporen te vinden. De opsporingsmethodes voor deze forensische sporen verschillen per soort spoor. Zo worden er andere opsporingsmethodes gebruikt voor een digitaal spoor dan voor een DNA-spoor. Op dezelfde manier verschillen ook de methodes van veiligstellen. Alle verschillende opsporingmethodes en methodes voor veiligstellen staan vast in de Forensisch Technische normen samengesteld door het Nederland Forensisch Instituut (NFI) (NFI & Justitie, 2007). Binnen dit onderzoek wordt er voornamelijk gekeken naar het veiligstellen van forensische sporen.

Wat quotes uit het onderzoek, waarin voor-en nadelen blijken:

?De burger heeft een feilloos gevoel voor wat normaal is in de buurt en wat niet.?

?Vooral bij de heterdaadkracht kan dit leiden tot een verhoogd succes van de opsporing.?

?Als burgers zelf dingen gaan doen, kunnen forensische sporen beschadigen.?

?Het verhaal zal; niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid, omdat het de beleving is van een burger.?

?De forensisch experts hebben ervoor gestudeerd. De politie zou het moeten weten, maar doet het soms ook al fout. Bij de burger is de kans op contaminatie maar ook fraude alleen nog maar groter.?

“In hoeverre is de burger objectief genoeg om dit aan te kunnen??

Forensische wetenschap

De definitie van forensische wetenschap is het toepassen van voornamelijk technische en (natuur) wetenschappelijke methoden en technieken ten behoeve van de waarheidsvinding in de rechtspleging. Daarnaast zijn er ook een aantal andere disciplines, zoals rechtspsychologie en forensische accountancy. De nadruk ligt bij forensische wetenschap voornamelijk op het recht. De wetenschap is slechts een hulpmiddel dat het recht in staat stelt haar doeleinden optimaal te bereiken (A. P. A. Broeder, 2008).

Forensische sporen

Biologische sporen ontstaan wanneer een persoon lichaamsvloeistoffen (bloed, sperma of speeksel) of haren achterlaat op een plaats delict. Het onderzoek aan deze sporen wordt voornamelijk uitgevoerd om achter de identiteit van het persoon te komen die dit heeft achtergelaten. De sporen worden veiliggesteld op de plaats delict en daarna behandeld in een speciaal daarvoor ingericht laboratorium. Om de aard van het biologische spoor te bepalen zijn er diverse biochemische en immunologische methoden beschikbaar. Om het DNA vast te stellen zijn er speciale DNA-technologi?n. Biologische sporen zijn de belangrijkste sporen, maar niet altijd zijn deze bruikbaar. Dan worden er naar andere sporen gekeken; zoals vingersporen, schoensporen, inbraaksporen of digitale sporen. Schoensporen ontstaan wanneer er een indruk of een afdruk van een schoenzool wordt achter gelaten. Inbraaksporen ontstaan wanneer er met een werktuig geprobeerd worden om een raam of een deur open te krijgen. Dit laat een identieke indruk achter van het werktuig dat gebruikt is. Digitale sporen ontstaan wanneer informatie- en communicatietechnologie (ICT) gebruikt wordt. Tegenwoordig ligt bijna elke handeling binnen de ICT ergens vastgelegd en opgeslagen. Cybercrime ontstaat wanneer ICT gebruikt wordt als hulpmiddel of als doel bij het plegen van misdrijven. Wanneer ICT als hulpmiddel wordt gebruikt, gaat het vaak om een klassiek delict zoals woninginbraak. Alleen dit keer worden Google Maps en Facebook gebruikt om het potenti?le slachtoffer uit te zoeken. Dit laat digitale sporen achter die gebruikt kunnen worden voor de digitale opsporing. Als ICT gebruikt wordt als alleen het doel, is er sprake van een serie nieuwe delicten. Voorbeelden hiervan zijn: hacken, malware/ransomware, phishing, internetoplichting, DDoS-aanvallen. Deze delicten bevinden zich in het zogenoemde Cyberspace, een niet-fysieke omgeving met een sociale structuur dat vergelijkbaar is met de sociale structuur van de offline wereld, en waar afstand en tijd geen belangrijke rol spelen. (A. P. A. Broeder, 2008) (E. R. Leukfeldt, 2012).?Op dit moment is het veiligstellen van forensische sporen alleen weggelegd voor de Forensische Opsporing (FO). De FT-normen, waarin staat beschreven hoe een spoor veiliggesteld moet worden, zijn niet openbaar in te zien.

Burgeropsporing/-participatie
De politie is vaak afhankelijk van de medewerking van de burger. Burgerparticipatie is van alle jaren, maar tegenwoordig is de manier waarop de burger bij de opsporing betrokken wordt, aan het veranderen. Door het gebruik van digitale technieken en mediakanalen zijn er veel meer burgers tegelijk te bereiken en kunnen zij makkelijker de informant van de politie zijn. Toch blijft er een belangrijk verschil tussen burgerparticipatie en burgeropsporing. Bij de participatie blijft de regie in de handen van de politie. De burger krijgt alleen de gelegenheid om mee te kijken en mee te denken. Bij de opsporing wordt de opsporing geheel door de burger uitgevoerd (L. G. Moor, 2011).

Eigenrichting
Over het algemeen wordt er onder ?eigenrichting? het volgende verstaan: iemand heeft het recht in eigenhanden genomen door geweld tegen een dader van een misdrijf te gebruiken dan nodig was geweest in de situatie. Eigenrichting is een van de gevolgen van een niet-gereguleerde burgeropsporing (L. G. Moor, 2011).

‘Zoekt u mee naar deze fiets?’, vraagt de chatbot

Met het project BART! brengt Den Haag bewonersinformatie van digitale buurtgroepen en sociale media overzichtelijk samen in de meldkamer. Met algoritmes en chatbot-technologie doet de gemeente steeds meer beroep op het zelfoplossend vermogen van de bewoners. ?Zij kunnen van grotere betekenis zijn voor de veiligheid in hun eigen buurt.?

Een verloren fiets, vuilnis op de stoep buiten de ophaaltijden, een verdachte auto langs de weg. Dit soort problemen komen van oudsher op het bordje van de politie of de gemeente. Maar hoe effectief is dat? Tegenwoordig zijn veel mensen met elkaar verenigd in WhatsAppgroepen of op Facebook. Digitale buurtgroepen zijn inmiddels ingeburgerd. Daar delen buurtbewoners van alles en ze helpen elkaar verder met het terugvinden van voorwerpen en personen of ze houden een extra oogje in het zeil. Op deze manier tonen flink wat wijken een groot zelfoplossend vermogen, zonder overheidsinterventie. Dat is een enorme verschuiving in de samenleving. Echter, al die groepen vormen kanaaltjes naast elkaar, de gedeelde informatie komt niet samen.

?Het is aan ons om een meldkamer te verzinnen, waarin we signalen van burgers bij elkaar kunnen krijgen?

?Vroeger schreven we een brief aan de gemeente, toen kwam de telefoon, maar nu communiceren mensen veel meer via WhatsApp of sociale media?, zegt Pauline Krikke, burgemeester van Den Haag, in een filmpje over?Burgers Alert Real Time (BART!). ?Het is aan ons, de gemeente, om een meldkamer te verzinnen, waarin we signalen van burgers bij elkaar kunnen krijgen en daar goed op te kunnen reageren.? De meldkamer, operationeel centrum, is nog ingericht op telefonisch contact. Tekstberichten, foto?s en videobeelden zijn moeilijk te verwerken voor een operationeel centrum. Hoe haakt het aan op de digitale buurtgroepen? Daar zijn er inmiddels zoveel van, hoe hou je het overzicht in de databrij?

Zwerfvuil en verdachte zaken

BART! biedt een platform waar bewoners, politie en gemeente met elkaar samenwerken aan leefbaarheid en veiligheid in wijken. Het kan duiding geven aan telefonische informatie of van het socialemedia-verkeer tussen wijkbewoners, politie en gemeente. Vorig jaar experimenteerde Den Haag ermee in de wijken Berestein en Ypenburg. Samenredzaamheid is de kerngedachte van BART!: wijkbewoners nemen eigenaarschap over een probleem in hun buurt, ze zoeken eerst zelf een oplossing. Bijvoorbeeld door mee uit te kijken naar een verloren fiets, een medebewoner aan te spreken als hij zijn huishoudelijk afval niet op de juiste manier aanbiedt of uit te zien naar de eigenaar van de verdachte auto. Lukt het de bewoners niet om zelf het probleem te adresseren, dan kunnen ze het bij de gemeente of politie neerleggen.

Eerst zelf zoeken naar een oplossing?

?BART! is een experimenteel project en technisch gezien een?Complex Event Processor, een CEP?, legt Richard Vriesde uit. Vanuit de politie-eenheid Den Haag is hij betrokken bij dit project, samen met de gemeente Den Haag,?TU Delft,?TNO,?CGI?en?TIGNL. De CEP is in staat om uit een stroom data informatie uit digitale buurtgroepen te destilleren en hanteerbaar te maken. Via BART! communiceert de gemeente Den Haag straks met verschillende buurtgroepen, zoals?Veilige Buurt,?MijnBuur,??Waaksamen?en?Next Door. Hier kunnen bewoners anoniem tekstberichten, foto?s, video?s en locatiegegevens delen. Ze hoeven niet te kiezen waar een melding heen moet en ze komen ook niet in een wachtrij terecht. Met de CEP kan het operationeel centrum de databrij structureren, een beeld geven van wat er aan de hand is en een melding doorgeven aan politie, gemeente, of het via chatbot-technologie teruggeven aan de gemeenschap. Bewoners gaan dan eerst met elkaar zoeken naar een oplossing.

?Wat als een Hagenaar in een tekstbericht laat weten dat er ‘geklauwd’ of ‘gejat’ is?’

In de praktijklaboratoria van Berestein en Ypenburg werden 5 praktijkcasussen ge?nsceneerd, zoals een inbraak, een verdachte persoon bij een pinautomaat en een gewonde op straat. Vriesde: ?We stuurden mensen op pad met mobiele telefoons en we richtten een operationeel centrum in, ons laboratorium, waar professionals van het operationeel centrum van het?Real Time Intelligence Center?(RITC) en het Regionaal Service Centrum samenwerkten, om te zien wat er gebeurt als een bewoner in een tekstbericht een melding doet van een verdachte situatie. En wat is er vanuit ons nodig om te reageren?? Onderzoekers van TNO en de ontwikkelaars van de CEP, namen het werkproces en de privacyaspecten onder de loep en bekeken welke informatie de politie nodig heeft om betekenis te kunnen geven aan de informatie uit de data.

Technische horden

De ontwikkelaars van de CEP vinden allerlei praktische en technologische hobbels op hun pad. ?Bij een verdachte omstandigheid gebruiken burgers geen woorden die voorkomen in het wetboek van strafrecht?, zegt Vriesde. ?De CEP categoriseert op steekwoorden als ?verdacht persoon? en ?diefstal?, maar wat als een Hagenaar in een tekstbericht laat weten dat er ?geklauwd? of ?gejat? is? De slimme technologie moet politievakjargon en gewone spreektaal kunnen begrijpen, zodat wij uit de informatiestroom politie-informatie kunnen genereren. Google gaat voor ons niet zo ver.?

Een andere technische horde die het team nu moet nemen, is om te kunnen inschatten hoe actueel en urgent een melding is. Vereist het directe actie, kan het wachten tot morgen of speelde dit vorige week? De CEP moet de data chronologisch in de tijd kunnen plaatsen. En waar heeft een incident precies plaatsgevonden? Een centralist van het operationeel centrum kan weinig met een melding van een vermist kind dat voor het laatst is gezien in de Albert Heijn, als hij niet over de gps-locatie beschikt. Een buurtbewoner zal direct weten om welke winkel het gaat. Directe uitwisseling van geografische data is essentieel.

?De centralist kan op basis van de woordwolk al zien wat er speelt’

Momenteel sleutelt het team aan het geografisch verwerken van de informatie, zodat er bij meerdere meldingen een woordwolk ontstaat rondom een bepaald gebied. ?Op basis van steekwoorden zoals ?verdacht persoon? en ?auto?, krijgen we al snel een beeld van wat er gaande is,? aldus Vriesde. ?Nog voordat de centralist alle tekstberichten heeft doorgenomen of 5 bellers te woord heeft gestaan, kan hij op basis van de woordwolk al zien wat er speelt en erop reageren.?

Veranderende taak van de centralist

Wat voor gevolgen heeft deze ontwikkeling voor de centralisten? Om daar een goed antwoord op te vinden, bekijken de betrokken onderzoekers de invloed daarvan op politieprocessen. In plaats van een individuele beller, heeft het operationeel centrum nu een hele buurt tegelijk aan de lijn, legt Vriesde uit. ?Door datagestuurd te werken, gaan we over naar een-op-veel-communicatie. Nu neemt de centralist een melding een-op-een aan en geeft dat door. Met de nieuwe digitale werkvorm, verschuift zijn werk naar analyse, waarbij hij veel meer de regie krijgt in de operatie.? Het systeem heeft al vastgesteld wat er aan de hand is, de centralist controleert vervolgens of dat juist is en geeft daar duiding aan.

?We laten het volume van de data toenemen, om het algoritme nauwkeuriger te maken?

Door het werken met CEP en chatbot-technologie, kan er automatisch een handelingsperspectief uitgaan naar de digitale buurtgroepen: heeft u al naar buiten gekeken, heeft u het kenteken genoteerd, zoekt u mee naar deze persoon? Het kan zelfs een ingezonden foto blurren en delen in de betreffende buurtgroep, volgens de eisen van de privacywetgeving. In de nabije toekomst kan die interactie razendsnel datagestuurd gebeuren. De centralist komt dan vooral in beeld om de professionals aan te sturen. Hoeveel politie-inzet is gewenst, hoeveel auto?s zijn er nodig, is de situatie onder controle of moeten we opschalen? Vriesde: ?De centralist zal nog steeds veel beslissingen moeten nemen, maar hij wordt enorm geholpen door de technologie.?

Tijdens de pilots is gestart met het ontwikkelen van algoritmes, die in combinatie met chatbot-technologie grote hoeveelheden data heel vlot inzichtelijk kunnen maken. ?Nu proberen we de ongestructureerde data te structureren?, besluit Vriesde. ?We laten het volume van de data toenemen, om het algoritme nauwkeuriger te maken en de CEP beter tot zijn recht te laten komen. Op die manier worden de inspanningen van de bewoners krachtiger en zij kunnen van grotere betekenis zijn voor de veiligheid in hun eigen buurt.?

Bron: Secondant

Was wraakvader Mario Haazen een uitzondering? ‘Burgers sporen steeds vaker zelf criminelen op’

Twee weken had Mario Haazen nodig om de man te vinden die zijn dochter maandenlang online lastig viel. Zijn gewelddadige ontmoeting met deze Jack S. moest hij vervolgens bekopen met 4,5 jaar cel voor poging tot doodslag. Een drama voor alle betrokkenen. Hoe moet de politie omgaan met mensen die zelf op onderzoek uitgaan?

“Ook de politie weet dat je dit niet kan tegenhouden, maar er is nog genoeg huiver”, zegt Arnout de Vries, onderzoeker bij TNO en expert als het gaat om opsporen via internet.

Achtervolging
Het ging mis bij Mario Haazen. Zijn 14-jarige dochter dacht dat ze contact had met een leuke jongen van zeventien via sociale media. Het bleek een oud-tbs’er van 47. Toen hij dit hoorde deed Haazen direct aangifte bij de politie. Maar hij zette ook zelf de achtervolging in.

Bij zijn zoektocht naar de dader gebruikte de vader niet alleen de zoekbalk op Facebook en Google. Hij zocht ook contact met vestigingen van Albert Heijn en Hema om erachter te komen wie cadeautjes kocht voor zijn dochter. Van de Hema kreeg hij bewakingsbeelden waarop te zien was hoe Jack S. precies dat deed. Haazen wist vervolgens te achterhalen waar de man woonde. Hoe het afloopt weten we.

‘Niet te stoppen’
Volgens De Vries kun je het niet stoppen dat mensen zelf op onderzoek uitgaan. “Je moet dit zo goed mogelijk begeleiden.” Dat is volgens hem cruciaal om te voorkomen dat mensen uiteindelijk zelf rechter kunnen gaan spelen, zoals bij Haazen. “Hier moet de politie burgers ook tegen zichzelf in bescherming nemen.”

In het geval van Haazen deed de politie weinig met de informatie die de vader doorspeelde. Dat had volgens De Vries wel gemoeten. Maar hij ziet toch ook grote voordelen in burgers die helpen met het opsporen van boeven. “Je ziet nu al dat het merendeel van de zaken wordt opgelost met hulp van burgers. Zij zijn expert in hun eigen straat, en anderen zijn weer heel goed op internet. Die hulp kan je heel goed inschakelen.”

Om de politie ?n burgers te helpen, is De Vries bezig met de ontwikkeling van de app My Sherlock. Hierin wordt het mogelijk gemaakt voor mensen om gestructureerd onderzoek te doen en om dit te delen met de politie. “In de app kan je een onderzoek starten met behulp van professionele methoden die door de politie en het Openbaar Ministerie zijn ontwikkeld.”

Aanwijzingen online delen
Zo kunnen mensen op een simpele manier aanwijzingen invoeren die ze online hebben gevonden. Ook kan er een digitale compositietekening worden gemaakt. En er kan een motief van een verdachte worden toegevoegd. De politie kan dit profiel makkelijk inzien en de voortgang van het onderzoek volgen. “Het is dan wel zaak dat de politie de zaak op een gegeven moment overneemt.”

Volgens De Vries is het een manier om de behoefte van burgers om tot actie over te gaan op een positieve manier in te zetten. “De aangiftes van mensen worden alleen maar beter op deze manier. We hopen dat het oplossingspercentage hiermee omhoog gaat.”

Maar er is volgens de onderzoeker nog ‘genoeg huiver’ bij de politie en in het lokaal bestuur. De angst dat hordes amateur-Sherlocks het recht in eigen hand nemen, of sporen vernietigen, is moeilijk af te schudden. “Een paar jaar geleden worstelde de politie hier enorm mee. Maar je zag bij de zaak rond Anne Faber dat de politie ook is gaan samenwerken met mensen die gingen zoeken. Ze weten ook dat je dit niet kan tegenhouden. Bij zo’n vermissingszaak kan je moeilijk een rood-wit lint om het hele bos spannen.”

Bron: Omroep Brabant?of beluister na 41 mins het korte radio item?erover.

TNO en politie werken samen aan nieuwe technologie?n voor het politiewerk

TNO en politie slaan de handen in ??n om gezamenlijk de maatschappelijke uitdagingen rond veiligheid aan te gaan. Op 8 november jl. bezocht Paul de Krom (Voorzitter RvB TNO) Erik Akerboom (Korpschef politie). Er werd teruggeblikt op de behaalde resultaten van de onderlinge samenwerking en vooruitgekeken naar de te realiseren maatschappelijke uitdagingen op het gebied van veiligheid.

Inspelen op technologische veranderingen

Voortschrijdende digitalisering, de toenemende beschikbaarheid van informatie en nieuwe vormen van criminaliteit dagen de politieorganisatie voortdurend uit tot innoveren. Om in te spelen op deze veranderingen, werkt de politie samen met kennisintensieve organisaties die thuis zijn in deze sociale en technologische vraagstukken. TNO is hierbij een belangrijke partner voor de politie. Vandaag bezocht Paul de Krom (voorzitter Raad van Bestuur TNO) Erik Akerboom (Korpschef politie). Het gesprek markeert een grote stap die TNO en politie samen zetten in de samenwerking. Er werd teruggeblikt op de behaalde resultaten van de onderlinge samenwerking en vooruitgekeken naar de uitdagingen waar de politie voor staat.

Samen vooruit: strategisch ?n operationeel

In 2018 is de samenwerking politie ? TNO versterkt door de start van meerjarige onderzoekprogramma?s op het gebied van informatieprocessen, politiewerk in het cyberdomein, politie in verbinding met de burgers en de ontwikkeling en de weerbaarheid van de professional. De meerjarige programma?s bieden de mogelijkheid om grote thema?s in de volle breedte aan te pakken. Van het analyseren van de impact van interventies op het Dark Web tot aan het ontwikkelen van technologische en sociale innovaties om de ontwikkeling van de professional te ondersteunen. Van het ondersteunen van SGBO’s met behulp van een dynamisch draaiboek tot aan het het ontwikkelen en beproeven van nieuwe applicaties voor burgeropsporing en dienstverlening. Deze programma?s bieden politie en TNO de kans om de vragen van vandaag, morgen en overmorgen op te pakken.

De komende drie maanden neemt TNO Insights vijf voorbeelden onder de loep waarbij TNO’ers en hun ‘innovatiepartners’ bij politie spreken over hun drijfveren, ervaringen en de resultaten van hun samenwerking. Lees ze op?TNO Insights.

Wetenschapper op de werkvloer

De ?scientists on the job? van TNO zijn wetenschappers die zich onderdompelen in de praktijk. Enerzijds stellen zij hun wetenschappelijke kennis beschikbaar aan de organisaties en bedrijven waaraan zij verbonden zijn. Ook gaan zij op zoek naar resultaten uit nieuw onderzoek die direct toepasbaar zijn op de werkvloer. Anderzijds gebruiken ze de dagelijkse praktijk om hun eigen onderzoek te voeden, maar ook universiteiten en hogescholen met de praktijk te verbinden. Dr. Victor Kallen is bijvoorbeeld neurowetenschapper en werkt sinds 2015 samen met de recherche in West-Brabant. Kallen: ?Het geeft veel voldoening om met sociale wetenschap te kunnen bijdragen aan een veiligere samenleving. Het mooiste vind ik dat in een aantal voorheen beruchte wijken en gemeenschappen de sfeer inmiddels zover is omgeslagen, dat de bewoners gemeentelijke handhavers weer durven aan te spreken en te informeren over veiligheids- en sociale vraagstukken. Een buitengewoon sterk signaal van gegroeide maatschappelijk weerbaarheid.?

Meer weten?

Het succes van de bestaande voorbeelden van samenwerking tussen TNO en politie dagen uit tot een meer duurzame en strategische samenwerking met de focus op een toekomstbestendige veiligheidsorganisatie.

Bronnen: TNO

Innovatiecongres Niveau S

We horen de verhalen nu al langer. Criminelen die het sociaal weefsel ontwrichten door met hun rijkdom het hoofd van jongeren op hol te brengen. Maffiajongens die zich als heftruckchauffeur of boekhouder verkleden en zo malafide drugsgeld binnenbrengen. Een fitnessclub op de hoek als wasmachine voor dat zwarte geld. Of cybercriminelen die onschuldige burgers verleiden om onbewust hand-en-spandiensten te verlenen.

Daarom vraagt Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken Jan Jambon aan de FOD Binnenlandse Zaken en Vias institute het probleem van ondermijning in kaart te brengen ?n oplossingen aan te rijken.?Op een groot tweedaags evenement in Square Brussels (Kunstberg) slaan innovators, disruptors, professionals, investeerders, ? de handen in elkaar. Voor het eerst.

Aan het evenement koppelen we ook een grote job- en innovatiebeurs. Want er is nood aan kennis, maar ook aan mensen. En aan disruptieve idee?n en technologie. Doe bijvoorbeeld mee aan de wedstrijd:

Niveau S

Het concept van ?een veilige samenleving? heeft het de laatste tijd zwaar te verduren gekregen. Mensen zoeken krampachtig naar een antwoord op de vraag: ?Wie of wat kan mij een veilig gevoel geven??. Maar wat als we het denken niet langer aan anderen overlaten? Wat als we al onze innovatieve idee?n over veiligheid bundelen en ze werkelijkheid maken?

Stel je voor. Een perfect veilige, geborgen samenleving waarin van criminaliteit of gevaar geen sprake is. Stel je voor. Een niveau van veiligheid waarin burgers weerbaar zijn voor al het malafide dat hen wil verleiden. Een niveau waar tegelijk de meest innovatieve technologie ons bewaakt.

Dat is Niveau S.

In Niveau S (een verwijzing naar het dreigingsniveau) brengen overheid,?burgers en technologie samen veiligheid en rust. Het weerspiegelt een maatschappij waarin malafide ontwrichting en ondermijning geen kans krijgen. Het staat in schril contrast met Niveau 4, waarbij de dreiging van de malafide infiltratie van onze maatschappelijke weefsels te groot is. Zo groot dat militairen over straat patrouilleren en steden in lock down gaan. Niveau S is geen wollig theoretisch begrip. Niveau S is de start van een nieuwe veiligheidscultuur. En dus vragen we iedereen, maar vooral aan jou:? wat doe j?j in Niveau S?

Kennis

Waar staat Belgi? met de inzet van technologische innovaties in ons veiligheidssysteem? Tijdens een plenair deel bespreken specialisten hoe technologie en samenwerking tot een veiligere maatschappij kunnen bijdragen. Daarbij kijken we ook naar het buitenland.

Een van de thema?s die minister Jambon zelf op de agenda wil plaatsen, is de informatie-uitwisseling. ?We moeten nadenken over hoe we slim de confrontatie aangaan met criminele netwerken, die zich ook steeds gewiekster organiseren?, aldus Jambon. Hij wijst onder meer naar het voetbalschandaal, waarbij onderzoek naar witwassen een breder crimineel netwerk rond matchfixing lijkt bloot te leggen.

Tijdens het werkbezoek wordt ook een samenwerkingsakkoord tussen het Belgische expertisecentrum Vias Institute en het Nederlandse TNO (Nederlandse organisatie voor toegepast Natuurwetenschappelijk onderzoek) getekend. Vias Institute zal maar liefst ? 100.000 euro per jaar investeren in de samenwerking. Zo moet Belgi? samen met Nederland ??n van de pioniers worden in de technologische innovatie van het veiligheidswezen.

Expertise

Niveau S bereiken is enkel mogelijk mits de inzet van de juiste mensen. Met een grote jobbeurs wil Niveau S nieuwe?innovators?en?disruptors?in contact brengen met publieke en private diensten die instaan voor onze veiligheid. Tijdens deze jobbeurs zullen bedrijven actief op zoek gaan naar talent ?n ervaring om hun vacatures in te vullen.

Met de conferentie hoopt minister Jambon de veiligheidsberoepen ook sexyer te maken. Er staan nog veel vacatures open in het veiligheidsapparaat. Door een innovatief verhaal te vertellen , en beveiligingstechnologie misschien naar het niveau van biotechnologie te tillen, hoopt Jambon het tij te keren.

Disruptieve technologie

Het is 2018. Technologie valt niet meer weg te denken uit ons leven. Die technologie maakt ons leven?makkelijker, maar wordt onvoldoende gebruikt om het ook?veiliger te maken. FOD Binnenlandse Zaken en Vias institute koppelen het evenement daarom aan een innovatiebeurs. Tijdens een innovatiewedstrijd vragen we iedereen naar de technologische mogelijkheden die ons samen leven kunnen verrijken. Wij zorgen ervoor dat die allernieuwste idee?n en concepten aan toplui uit de politiek, bedrijfs- en veiligheidswereld kunnen worden voorgesteld.

Maarten Swinnen, woordvoerder safety and security Vias Institute:??Om in Niveau S te komen hebben we een cocktail van innovatieve kennis, technologie en mensen nodig als tegengif tegen de sluipende ondermijning. Technologische innovaties worden in het buitenland al volop gebruikt om tot een veiligere samenleving te komen. Ook Belgi? moet dat kunnen. Dit tweedaags event is geen eindpunt, maar de start van een nieuwe manier om met veiligheid en innovatieve technologie om te gaan. We willen van Belgi? een voortrekker maken en zetten dus niet alleen in op het evenement, maar koppelen er voor het eerst ook een jobbeurs en innovatiewedstrijd aan vast.?

Schijf je hieronder in voor het congres. Een verslag van het congres zal later dit jaar volgen.

Bronnen: Niveau-S

Trendradar voor Het Nieuwe Melden

Trendradar brengt ontwikkelingen in kaart voor Het Nieuwe Melden (HNM), een programma met visievormend en experimenteel onderzoek naar nieuwe ontwikkelingen binnen het meldproces. De interactie tussen burgers en hulpverleningsinstanties ten behoeve van veiligheid en dienstverlening staat hierbij centraal.

De wereld verandert continu. Technologische ontwikkelingen en nieuwe toepassingen volgen elkaar in rap tempo op. Nieuwe mogelijkheden voor communicatie tussen mensen onderling en met bedrijven en de overheid scheppen ook verwachtingen voor ?het melden?. De HNM-Trendradar brengt deze ontwikkelingen in kaart.

‘Lifeline voor burgers

Om de veiligheid en (nood)hulpdienstverlening zo goed mogelijk te blijven ondersteunen is het belangrijk te weten wat er speelt qua trends en technologische ontwikkelingen. Deze zullen zowel kansen als potentiele risico?s met zich meebrengen. Vanuit de kennis van deze ontwikkelingen kan een visie en een strategie worden vastgesteld om een ?lifeline? voor burgers te kunnen zijn en blijven.

De juiste informatie op de juiste plek

Het waarborgen van veiligheid en het zo goed mogelijk inzetten van (nood)hulpdienstverlening is afhankelijk van de snelheid en overdracht van juiste en relevante informatie naar de juiste schakels in de keten. Maar het gaat ook om interpretatie van deze informatie en vandaaruit correcte vertaling naar effici?nt en effectief handelen. In het meldproces zijn een aantal generieke stappen te onderscheiden: Waarnemen ? Melden ? Duiden ? Opvolgen. In de stap Duiden wordt de gemelde informatie ge?nterpreteerd en vertaald naar handelen, dus van: ?Wat is er aan de hand? naar: ?Wat kunnen we doen.? Deze stap is te zien als de kernstap in het meldproces.

De juiste koers voor Het Nieuwe Melden

Het meldproces is onderhevig aan technische, maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen. Om een ?lifeline? voor burgers te kunnen zijn en blijven, dienen we gebruik te maken, dan wel rekening te houden, met deze ontwikkelingen.
Een algemene actie gekoppeld aan maatschappelijke trends is het inspelen op ontwikkelingen in de maatschappij om de voorkant van het meldproces slimmer te organiseren en daarmee het contact tussen hulpdiensten en burgers te behouden en verder te verbeteren. Qua organiseren kan er ingespeeld worden op bestaande ontwikkelingen van netcentrisch werken. Voor wat betreft het beschermen van informatie zal het bewustzijn moeten worden vergroot en er een groei moeten komen in expertise.
De trendradar laat zien aan welke acties gedacht kan worden voor de verschillende stappen of aspecten uit het meldproces. Met deze acties kan door gericht invulling te geven aan experimenteel onderzoek Het Nieuwe Melden de juiste koers inzetten.

Lees hier de hele trendradar:

[slideshare id=115342522&doc=tno-trendradar-hnm-180919062207]

Bronnen: TNO

Man and machine: Partners in (preventing) crime?

Onderzoek van Martijn Wessels laat zien hoe politiemensen met artificial intelligence samenwerken binnen de politieorganisatie. Hij heeft daarbij als casus het werken met het predictive policing systeem CAS onderzocht. Hieronder de samenvatting van het onderzoek en de resultaten en het volledige rapport.?

Politieorganisaties over de hele wereld maken steeds meer gebruik van algoritmes die hen helpen om tijdruimtelijke voorspellingen te maken van waar en wanneer criminaliteit de grootste kans heeft om plaats te vinden in de toekomst. Rondom dit zogenaamde predictive policing heerst veel controverse en scepsis. Allereerst wordt eraan getwijfeld in hoeverre deze vorm van politievoering inderdaad leidt tot een verbetering van de effectiviteit en effici?ntie van de politie, aangezien empirisch bewijs schaars is en het lastig is om het effect van predictive policing methoden te isoleren. Daarnaast worden er ook ethische bezwaren aan het gebruik van algoritmen genoemd. Er wordt gesteld dat dergelijke algoritmen niet transparant zijn en het gebruik ervan wellicht kan leiden tot de profilering en stigmatisatie van bevolkingsgroepen. Wat er echter ontbreekt in dit wetenschappelijke debat is hoe politieprofessionals momenteel omgaan met dergelijke algoritmen. Dit is van groot belang voor de evaluatie van deze vorm van politievoering omdat menselijk handelen uiteindelijk bepaalt in hoeverre de (eventuele) onbedoelde consequenties van predictive policing tot uiting kunnen komen.

Om het debat rondom predictive policing te voorzien van context is de Nederlandse politieorganisatie bestudeerd om inzichtelijk te maken hoe een dergelijk algoritme (het Criminaliteitsanticipatiesysteem; CAS) wordt gebruikt. Binnen de Nederlandse Politie hebben de zogenaamde intelligence specialisten de taak om de agenten op straat te adviseren in hun handelen. Hiervoor kunnen zij gebruik maken van een aantal informatiesystemen, waaronder CAS. Vandaar dat de werkwijze van deze functiegroep binnen een veiligheidsregio in Nederland is bestudeerd. In dit onderzoek is gekeken naar de organisatiestructuren die het gebruik van CAS be?nvloeden, maar ook naar de consequenties die het gebruik van CAS heeft voor de politieorganisatie. Voor deze studie is bewust gekozen om onderzoek te verrichten binnen een regio die al een langere tijd gebruik maakt van CAS.

De hoofdvraag die centraal staat in het onderzoek luidt:

Hoe en in hoeverre gebruiken de intelligence specialisten van de Nationale Politie het Criminaliteitsanticipatiesysteem en interacteren daarbij met bestaande organisatiestructuren?

Orlikowski?s (2000) theorie van technologies-in-practice is gebruikt om te bestuderen hoe technologie wordt gebruikt binnen een organisationele context. Deze practice lens gaat ervan uit dat de manier waarop technologie wordt gebruikt wordt be?nvloed door bestaande organisatiestructuren, maar dat tegelijkertijd diezelfde organisatiestructuren worden be?nvloed door het technologiegebruik. Het model van Orlikowski (2000) is aangepast voor dit onderzoek zodat dit geschikter is voor het bestuderen van het gebruik van algoritmes. Algoritmes verschillen namelijk van traditionele informatiesystemen omdat het gebruik van algoritmes ook vraagt om de evaluatie van de output van het systeem: de verwachtingen van CAS dienen te worden vertrouwd alvorens de intelligence specialisten dit systeem ook echt betrekken in hun werk. Deze notie is daarom toegevoegd aan het analytische model van Orlikowski (2000), wat heeft geresulteerd in een aangepaste analytische lens: de algorithm in practice lens.

Middels een combinatie van semigestructureerde interviews en de analyse van beleidsdocumenten is onderzocht hoe de intelligencespecialisten gebruik maken van CAS en hoe dit gebruik wordt be?nvloed door organisatiestructuren. De eerste structuur die wordt herkend is de trend van de Nederlandse politie richting informatie-gestuurde politievoering. De politie heeft namelijk voor ogen om het gebruik van informatie en data een steeds belangrijkere rol te geven en probeert ook haar organisatieprocessen hieraan aan te passen. Dit heeft ogenschijnlijk geleid tot een verdere standaardisatie van het werk van de intelligence specialisten en een centrale rol van deze functiegroep in het politieproces, waarin de intelligencespecialisten uitgebreid contact hebben met verschillende partijen binnen de politie, waaronder de agenten op straat. Dit is dan ook de tweede
organisatiestructuur die invloed heeft op het gebruik van CAS: de behoeften van de agenten op straat. De intelligence specialisten lijken zeer gericht te zijn op de wensen en (informatie)behoeften van de agenten op straat, waardoor er een continue wisselwerking bestaat tussen beide partijen.

De normen van de intelligence specialisten lijken daarbij sterk te worden be?nvloed door de trend richting het informatie-gestuurde werken ?n door de behoeften van de straatagenten. De normen van de intelligence specialisten worden voornamelijk omschreven als het verschaffen van kwalitatief hoogwaardig advies (in termen van bruikbaarheid voor de agenten op straat). Dit resulteert in het feit dat de percepties en interpretaties van de intelligence specialisten ten aanzien van CAS doorslaggevend zijn: als CAS niet als toegevoegde waarde voor hun advies wordt gezien zal het ook niet worden gebruikt. Deze attitude jegens CAS lijkt door een derde organisationele structuur te worden be?nvloed: de opinie van de directe sociale omgeving van de intelligence specialisten. Omdat een aantal van de ge?nterviewde intelligence specialisten met CAS kennismaakte via een collega, is de mening van die collega over CAS van groot belang. Indien degene die CAS moet uitleggen aan een nieuwe collega negatief is over het gebruik van CAS, is de kans waarschijnlijk groter dat de nieuwe intelligence specialist zijn/haar percepties en interpretaties van het systeem over zal nemen.

Uiteindelijk zijn er drie categorie?n herkend hoe CAS wordt gebruikt:

1) De ondersteunende collega: CAS wordt gebruikt als een ondersteunend middel voor het opstellen van een advies. Hierbij worden meerdere voordelen van CAS genoemd. CAS zou de intelligence specialisten helpen omdat het tunnelvisie kan voorkomen, het anders ?denkt? aangezien het meerde databronnen combineert, het snel is in het verwerken van grote hoeveelheden data en dat intelligence specialisten advies kunnen geven als ze zelf niet over voldoende informatie beschikken. Desalniettemin achten ze hun eigen kennis en expertise als het allerbelangrijkst en verschaffen daarbij ook advies op de actuele trends en gebeurtenissen die zij op dat moment observeren.

2) De ongeschikte of onnodige collega: CAS voegt geen waarde toe aan het advies van de intelligence specialisten omdat het ofwel niet accuraat is in zijn voorspellingen, of omdat de output geen toegevoegde waarde zou zijn voor de operationele laag van de politie. Vandaar dat de intelligence specialisten in deze categorie advies ontwikkelen dat vooral is gebaseerd op eigen kennis en ervaringen.

3) De sturende collega: CAS wordt gebruikt als een middel om direct de operationele laag mee te sturen. De intelligence specialist communiceert de uitkomst van CAS nadrukkelijk omdat dit wordt gezien als een legitiem middel om beslissingen op de baseren.

Deze drie manieren van het gebruik van CAS hebben verschillende consequenties voor de trend richting de informatie-gestuurde politievoering. De adviezen die worden gegeven door de intelligence specialisten in de eerste categorie ontstaan uit een combinatie van eigen ervaringen, kennis, observaties en statistische informatie uit CAS. Dit lijkt de notie van informatie-gestuurde politievoering te versterken omdat het gebruik van expliciete informatie een prominente rol heeft. De intelligence specialist horende bij de derde groep benadrukt het gebruik van data en informatie ogenschijnlijk nog meer aangezien de eigen ervaringen en kennis minder belangrijk lijken te zijn. De intelligence specialisten die CAS niet gebruiken in hun werk baseren hun advies op de eigen assumpties en kennis, waardoor de informatie-gestuurde politietrend afhankelijk blijft van de (impliciete) assumpties van de intelligence specialist.

Dit onderzoek heeft meerdere theoretische contributies. Allereerst laat het zien hoe een algoritme wordt gebruikt binnen een politieorganisatie. Dit kan het debat rondom predictive policing verder helpen. Dit onderzoek laat zien dat er (momenteel) nog steeds voldoende menselijke invloed lijkt te zijn bij de vorming van beslissingen. Daarnaast benadrukt deze studie dat er verder wetenschappelijk onderzoek moet komen naar het gebruik van dergelijke algoritmen. Ook lijken de aanpassingen die zijn gedaan aan het originele model van Orlikowski (2000) geschikt om het gebruik van algoritmen te begrijpen en wordt het aangemoedigd om deze ook toe te passen bij vergelijkbaar onderzoek in de toekomst.

Verder heeft dit onderzoek ook praktische implicaties. Middels dit onderzoek is inzichtelijk gemaakt hoe CAS wordt gebruikt door intelligence specialisten en welke organisationele processen en mechanismen dit gebruik be?nvloeden. De Nederlandse Politie kan deze inzichten gebruiken om het huidige CAS gebruik te evalueren en om te bepalen wat zou moeten worden aangepast in de politieorganisatie om het gebruik van CAS waar nodig te veranderen. Daarnaast lijkt de grootste groep van respondenten CAS te zien als een ondersteunend systeem. Zij beschouwen de uitkomsten van CAS niet als een absolute waarheid maar zien het voornamelijk als een middel dat ze kunnen gebruiken om de kwaliteit van hun adviezen te vergroten. Vandaar dat er kan worden gesteld dat d?t misschien ook de toegevoegde waarde van CAS is in het politieproces. De politie kan overwegen of en in hoeverre ze CAS een centraal element willen maken voor de politieregio?s die in de toekomst dit systeem gaan gebruiken, of dat het een ondergeschikt systeem moet worden. Tot slot lijkt het erop dat de transparantie en ?uitlegbaarheid? van het systeem moet/kan worden verbeterd om de intelligence specialisten beter te kunnen helpen bij hun werk. Een dergelijke verbetering zal ook een bijdrage leveren aan de beoordeling van de vertrouwelijkheid en accuraatheid van het systeem.

[slideshare id=106562797&doc=masterthesismartijnwessels12072018-180719080416&type=d]

MEDI@4SEC project: Europees onderzoek naar hoe social media voor veiligheid ingezet kan worden

Sociale media verandert de spelregels in onderlinge communicatie tussen mensen en gemeenschappen. De impact ervan kan zowel positief als negatief zijn. Voor de veiligheid en beveiliging van stedelijke omgevingen en de mensen die er wonen, biedt dit een scala aan kansen en uitdagingen.

Hoe kunnen veiligheidsinstanties beter begrijpen op welke manieren sociale media om hen heen worden gebruikt? En hoe kunnen deze organisaties zich aanpassen aan en gebruik maken van sociale media bij het leveren van een veiligere omgeving?

Door middel van dit Europese onderzoek en een reeks thematische workshops voor vakprofessionals biedt MEDI@4SEC een netwerk van veiligheidsinstanties die wereldwijd ervaringen kunnen uitwisselen en het gebruik van sociale media in de dagelijkse praktijk van openbare orde en veiligheid kunnen verbeteren. Partners in dit project zijn de universiteit van Warwick, TNO, Fraunhofer, EOS, Efus, KEMEA, X-Lab, universiteit van Utrecht, Politie Valencia en de Noord-Ierse Politie PSNI.

Het project bestaat uit 6 thematische workshops, met verslagen en rapportages over de opbrengsten ervan:

  1. Do It Yourself Policing
  2. Rellen en grootschalige evenementen
  3. Dark Web
  4. Alledaagse veiligheid
  5. Trolling
  6. Innovatieve marktoplossingen

Naast deze rapportages en verslagen zijn er ook een aantal belangrijke kernpublicaties uit het project die hier gratis beschikbaar zijn. Deze zijn ondermeer de internationale stand van zaken van social media gebruik door veiligheidsinstanties, best practices en geleerde lessen, ethische en juridische aspecten en een framework om social media gebruik te beoordelen. Ook is er een overzicht gemaakt van de social media patronen zoals die door diverse veiligheidsinstanties worden gebruikt.

Bron: MEDI@4SEC

Alert op de toekomst

Wanneer zich in Nederland een incident of ramp voordoet welke een potentieel gevaar vormt voor de bevolking, heeft de overheid de taak hen te alerteren. Het domein van alertering is in de afgelopen jaren onderhevig geweest aan een aantal transities door allerlei ontwikkelingen in de maatschappij.? In de publicatie ?Alert op de toekomst? schetst TNO een langere termijnvisie.

Voorheen ging alertering van de bevolking met sirenes, maar inmiddels zijn er andere systemen bijgekomen zoals NL-alert, AMBER Alert, etc. Bij een calamiteit ontvangt de burger ook steeds vaker en gemakkelijker informatie vanuit allerlei andere richtingen zoals sociale media en kan zij gemakkelijk zelf op zoek naar informatie. Daarbij is ook ‘fake news’ opkomend. In de publicatie ?Alert op de toekomst? schetst TNO een langere termijnvisie op alerteringen in het veiligheidsdomein aan burgers.

De wereld verandert

Veranderingen in de maatschappij brengen teweeg dat de overheid opnieuw wil en moet nadenken over haar rol binnen het domein van alertering. Waarvoor zou zij verantwoordelijk moeten zijn, met welk doel, en hoe ziet dat er dan uit? Voor welk soort incidenten moet er eigenlijk een alertbericht uitgaan? Wat moet er dan gecommuniceerd worden en naar wie wel en wie niet? Welk kanaal moet er worden gebruikt? Maar ook niet onbelangrijk, wat is eigenlijk de behoefte van de burger in dit hele verhaal?

Toekomstige leefwerelden

Om deze vragen te kunnen beantwoorden zijn experts binnen het veld gevraagd naar hun visie, los van huidige bestaande processen en systemen. Daarnaast is gekeken naar de manier waarop de maatschappij zich de komende jaren ontwikkelt. Daartoe zijn mogelijke toekomstige leefwerelden geschetst met elk hun eigen ontwikkelingen en behoeften en dus elk hun eigen implicaties voor alertering. Dit geeft richting aan de keuzes die gemaakt moeten worden in het heden.

Transities

Op de weg naar het nieuwe alerteren voorzien wij een aantal transities met verschillende opties. Op basis van de toekomstinschattingen van de experts zal alertering in ieder geval de richting uit moeten gaan van meer dienstverlening die inspeelt op de individuele behoeften van burgers, en van meer duurzame betrokkenheid in de leefomgeving van burgers. Daarnaast staat vast dat de overheid haar verantwoordelijkheid voor alertering moet behouden voor incidenten die betrekking hebben op fysieke veiligheid. Alle burgers die het aangaat moeten bereikt kunnen worden en handelingsperspectief ontvangen. Voor de burger moet duidelijk zijn dat de informatie die zij ontvangt, van een betrouwbare, gezaghebbende en authentieke bron komt.

Alert op de toekomst

Bovengenoemde transities zijn deels al in gang gezet, maar er is nog een innovatieve weg te gaan. De toekomstverkenning in het boekje ?Alert op de toekomst? is daarom geen eindpunt, maar juist een startpunt voor discussie, om ? alert op de toekomst ? vandaag de juiste keuzes te kunnen maken voor morgen. Keuzes waarin alle overheden, markt- en ketenpartijen en niet in de laatste plaats burgers moeten worden betrokken.

[slideshare id=94009008&doc=tno-2018-alert-180416191715&type=d]

Deze toekomstvisie is een vervolg op de?TNO-publicatie ?Wie belt er nog???in het kader van Het Nieuwe Melden, verschenen in 2016.

[slideshare id=59600264&doc=hetnieuwemelden-160315191155&type=d]

Bronnen: TNO