Tagarchief: utrecht

Burgerparticipatie in het politiedistrict Oost-Utrecht: kwalitatief onderzoek naar de kansen

Auteurs: Roelof Benning en Job Nauta

Onveiligheid wordt in toenemende gezien als maatschappelijk probleem. Dit komt door de nieuwe opvattingen over de verhouding tussen burgers en de overheid sinds de jaren tachtig.
In het verleden werd de burger bij criminaliteit en overlast vooral om een passieve reactie gevraagd (politie bellen en niets doen), terwijl we nu zien dat er een actieve bijdrage wordt verwacht in de strijd tegen onveiligheid. We zien vandaag de dag dan ook steeds vaker allerlei vormen van samenwerking met de burger.

In het politiedistrict Oost-Utrecht hebben een aantal incidenten plaatsgevonden waarbij er sprake was van een grote maatschappelijke impact, grote burgerbetrokkenheid en ook samenwerking met de burger. Denk hierbij aan een serie autobranden in Den Dolder en de zaken Romy en Savannah en Anne Faber.

De omvang van deze zaken, de verwachting dat de intensiteit en frequentie van burgerparticipatie alleen maar toe zal nemen en het gebrek aan kennis over burgerparticipatie binnen het district, zijn aanleiding geweest voor dit onderzoek. De centrale vraag van dit onderzoek luidt:

Waar liggen volgens de literatuur, politiemensen en burgers de kansen voor district Oost- Utrecht met betrekking tot burgerparticipatie?

We hebben deze vraag door middel van een kwalitatief onderzoek beantwoord. Naast het bestuderen van literatuur, hebben wij een vragenlijst onder politiemensen uitgezet en een tweetal focusgroepinterviews uitgevoerd. Deze interviews voerden wij met burgerrechercheurs uit Den Dolder en buurtvaders in Amersfoort.

We hebben onderzocht wat het begrip burgerparticipatie inhoudt en hoe het wordt omschreven. Het begrip burgerparticipatie is geen zwart-wit-begrip. Hoe het wordt gedefinieerd, hangt vaak af van de context waarin het gebruikt wordt en het referentiekader van de betreffende persoon of instantie. De opbrengsten van burgerparticipatie zijn de toename van het veiligheidsgevoel, meer vertrouwen in de politie, een afschrikwekkende preventieve werking op criminaliteit en overlast, een grotere meldingsbereidheid en daarmee samenhangend, een betere informatiepositie.

Vervolgens zijn we in de literatuur op zoek gegaan naar succes- en faalfactoren, randvoorwaarden en aanbevelingen op het gebied van burgerparticipatie. Belangrijke factoren voor burgerparticipatie zijn betrokkenheid, vertrouwen, eigenaarschap, sociale kracht, zelfredzaamheid en respect voor burgers. Best persons, sleutelfiguren in participatienetwerken, hebben een belangrijk aandeel in de samenwerking met burgers.

Onze derde deelvraag richtte zich op hetgeen er binnen het district geregeld is met betrekking tot burgerparticipatie, hoe politiemensen de samenwerking met de burger ervaren en wat zij daarbij nodig hebben. In het Inrichtingsplan en Deelrealisatieplan Midden- Nederland wordt het belang van burgerparticipatie op landelijk en eenheidsniveau benadrukt. In het district is weinig vastgelegd of geborgd. Het is overigens niet zo dat er niets gebeurt.

Op één basisteam na, hebben alle basisteams en de districtelijke recherche een operationeel expert of specialist die burgerparticipatie in zijn portefeuille heeft. De activiteiten richten zich echter voornamelijk op social media en het beheren van WhatsAppgroepen. Daarnaast kent het district de bondgenotenaanpak. Politiemensen geven aan overwegend goede ervaringen met burgerparticipatie te hebben, maar zij missen wel tijd, middelen en kennis. Uit de resultaten van de focusgroepinterviews blijkt dat zij burgerparticipatie voornamelijk zien als het fungeren als ogen en oren voor de politie. Zij spreken overwegend positief over hun samenwerking met de politie. Communicatie en terugkoppeling worden

genoemd als belangrijke punten in de samenwerking. Daar waar de politie duidelijk uitleg gaf en het belang van de samenwerking benadrukte, was te zien dat er daadwerkelijk een gedragsverandering bij de burgers plaatsvond. De kracht van burgerparticipatie is door de samenwerking met burgerrechercheurs en buurtvaders duidelijk aangetoond.

Conclusie en aanbevelingen
Ons onderzoek laat het belang van burgerparticipatie zien. De twee kansen die wij voor het district Oost-Utrecht op het gebied van samenwerking zien, zijn het ontwikkelen en uitbreiden
van de vormen van burgerparticipatie die momenteel in het district worden uitgevoerd en het uitbreiden van de rol van portefeuillehouders burgerparticipatie.

De eerste kans voor ons district richt zich op het uitbreiden en borgen van burgerparticipatie in het district. Burgerparticipatie zou structureel in meer vormen moeten worden ontplooid. Met uitzondering van de coördinatie van WhatsAppgroepen, het verspreiden van informatie via social media (zoals burgerparticipatie in de meeste portefeuilles is vormgegeven) en de bondgenotenaanpak, kenmerkt burgerparticipatie in het district zich als incidenteel en gericht op improvisatie en ad-hocsituaties. Succesvolle voorbeelden van burgerparticipatie, zoals de samenwerking met burgerrechercheurs en buurtvaders, komen gefragmenteerd voor.

De tweede kans, het uitbreiden van de rol van de portefeuillehouders, ligt in het feit dat zij als best persons in de organisatie en in de samenwerking met burgers een sleutelrol kunnen vervullen in het ontwikkelen van burgerparticipatie. Op dit moment geven collega’s die met burgerparticipatie zijn belast aan, dat zij over onvoldoende tijd en kennis beschikken om burgerparticipatie te ontwikkelen. Dat resulteert momenteel in een beperkte benutting van het potentieel dat burgerparticipatie in zich heeft.

Aanbevelingen
De aanbevelingen richten zich op de twee ontwikkelingsmogelijkheden die in de conclusie zijn benoemd. De aanbevelingen per kans zijn:

1. De uitbreiding en borging van burgerparticipatie
– Formuleer een gezamenlijke visie op burgerparticipatie.
– Organiseer structurele en functionele samenwerking met burgers.
– Borg kennis en ervaring, maak portefeuillehouders daarvoor verantwoordelijk.
– Faciliteer participerende politiemensen in tijd.

2. De uitbreiding van de rol van portefeuillehouders burgerparticipatie
– Breid het aantal verantwoordelijken voor burgerparticipatie uit.
– Faciliteer portefeuillehouders in tijd en kennis.
– Breid de portefeuille burgerparticipatie uit.
– Organiseer een structureel (ontwikkelings)overleg tussen portefeuillehouders.

Tot slot hebben wij een denkkader opgesteld met onze belangrijkste bevindingen. Deze kan worden gebruikt bij de ontwikkeling van burgerparticipatie in het district en is in het hoofdstuk met conclusies en aanbevelingen te vinden.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425371&doc=kansenvoorburgerparticipatiedistrictoostutrecht-200909071257&type=d]

Bron: Politieacademie

Man and machine: Partners in (preventing) crime?

Onderzoek van Martijn Wessels laat zien hoe politiemensen met artificial intelligence samenwerken binnen de politieorganisatie. Hij heeft daarbij als casus het werken met het predictive policing systeem CAS onderzocht. Hieronder de samenvatting van het onderzoek en de resultaten en het volledige rapport.?

Politieorganisaties over de hele wereld maken steeds meer gebruik van algoritmes die hen helpen om tijdruimtelijke voorspellingen te maken van waar en wanneer criminaliteit de grootste kans heeft om plaats te vinden in de toekomst. Rondom dit zogenaamde predictive policing heerst veel controverse en scepsis. Allereerst wordt eraan getwijfeld in hoeverre deze vorm van politievoering inderdaad leidt tot een verbetering van de effectiviteit en effici?ntie van de politie, aangezien empirisch bewijs schaars is en het lastig is om het effect van predictive policing methoden te isoleren. Daarnaast worden er ook ethische bezwaren aan het gebruik van algoritmen genoemd. Er wordt gesteld dat dergelijke algoritmen niet transparant zijn en het gebruik ervan wellicht kan leiden tot de profilering en stigmatisatie van bevolkingsgroepen. Wat er echter ontbreekt in dit wetenschappelijke debat is hoe politieprofessionals momenteel omgaan met dergelijke algoritmen. Dit is van groot belang voor de evaluatie van deze vorm van politievoering omdat menselijk handelen uiteindelijk bepaalt in hoeverre de (eventuele) onbedoelde consequenties van predictive policing tot uiting kunnen komen.

Om het debat rondom predictive policing te voorzien van context is de Nederlandse politieorganisatie bestudeerd om inzichtelijk te maken hoe een dergelijk algoritme (het Criminaliteitsanticipatiesysteem; CAS) wordt gebruikt. Binnen de Nederlandse Politie hebben de zogenaamde intelligence specialisten de taak om de agenten op straat te adviseren in hun handelen. Hiervoor kunnen zij gebruik maken van een aantal informatiesystemen, waaronder CAS. Vandaar dat de werkwijze van deze functiegroep binnen een veiligheidsregio in Nederland is bestudeerd. In dit onderzoek is gekeken naar de organisatiestructuren die het gebruik van CAS be?nvloeden, maar ook naar de consequenties die het gebruik van CAS heeft voor de politieorganisatie. Voor deze studie is bewust gekozen om onderzoek te verrichten binnen een regio die al een langere tijd gebruik maakt van CAS.

De hoofdvraag die centraal staat in het onderzoek luidt:

Hoe en in hoeverre gebruiken de intelligence specialisten van de Nationale Politie het Criminaliteitsanticipatiesysteem en interacteren daarbij met bestaande organisatiestructuren?

Orlikowski?s (2000) theorie van technologies-in-practice is gebruikt om te bestuderen hoe technologie wordt gebruikt binnen een organisationele context. Deze practice lens gaat ervan uit dat de manier waarop technologie wordt gebruikt wordt be?nvloed door bestaande organisatiestructuren, maar dat tegelijkertijd diezelfde organisatiestructuren worden be?nvloed door het technologiegebruik. Het model van Orlikowski (2000) is aangepast voor dit onderzoek zodat dit geschikter is voor het bestuderen van het gebruik van algoritmes. Algoritmes verschillen namelijk van traditionele informatiesystemen omdat het gebruik van algoritmes ook vraagt om de evaluatie van de output van het systeem: de verwachtingen van CAS dienen te worden vertrouwd alvorens de intelligence specialisten dit systeem ook echt betrekken in hun werk. Deze notie is daarom toegevoegd aan het analytische model van Orlikowski (2000), wat heeft geresulteerd in een aangepaste analytische lens: de algorithm in practice lens.

Middels een combinatie van semigestructureerde interviews en de analyse van beleidsdocumenten is onderzocht hoe de intelligencespecialisten gebruik maken van CAS en hoe dit gebruik wordt be?nvloed door organisatiestructuren. De eerste structuur die wordt herkend is de trend van de Nederlandse politie richting informatie-gestuurde politievoering. De politie heeft namelijk voor ogen om het gebruik van informatie en data een steeds belangrijkere rol te geven en probeert ook haar organisatieprocessen hieraan aan te passen. Dit heeft ogenschijnlijk geleid tot een verdere standaardisatie van het werk van de intelligence specialisten en een centrale rol van deze functiegroep in het politieproces, waarin de intelligencespecialisten uitgebreid contact hebben met verschillende partijen binnen de politie, waaronder de agenten op straat. Dit is dan ook de tweede
organisatiestructuur die invloed heeft op het gebruik van CAS: de behoeften van de agenten op straat. De intelligence specialisten lijken zeer gericht te zijn op de wensen en (informatie)behoeften van de agenten op straat, waardoor er een continue wisselwerking bestaat tussen beide partijen.

De normen van de intelligence specialisten lijken daarbij sterk te worden be?nvloed door de trend richting het informatie-gestuurde werken ?n door de behoeften van de straatagenten. De normen van de intelligence specialisten worden voornamelijk omschreven als het verschaffen van kwalitatief hoogwaardig advies (in termen van bruikbaarheid voor de agenten op straat). Dit resulteert in het feit dat de percepties en interpretaties van de intelligence specialisten ten aanzien van CAS doorslaggevend zijn: als CAS niet als toegevoegde waarde voor hun advies wordt gezien zal het ook niet worden gebruikt. Deze attitude jegens CAS lijkt door een derde organisationele structuur te worden be?nvloed: de opinie van de directe sociale omgeving van de intelligence specialisten. Omdat een aantal van de ge?nterviewde intelligence specialisten met CAS kennismaakte via een collega, is de mening van die collega over CAS van groot belang. Indien degene die CAS moet uitleggen aan een nieuwe collega negatief is over het gebruik van CAS, is de kans waarschijnlijk groter dat de nieuwe intelligence specialist zijn/haar percepties en interpretaties van het systeem over zal nemen.

Uiteindelijk zijn er drie categorie?n herkend hoe CAS wordt gebruikt:

1) De ondersteunende collega: CAS wordt gebruikt als een ondersteunend middel voor het opstellen van een advies. Hierbij worden meerdere voordelen van CAS genoemd. CAS zou de intelligence specialisten helpen omdat het tunnelvisie kan voorkomen, het anders ?denkt? aangezien het meerde databronnen combineert, het snel is in het verwerken van grote hoeveelheden data en dat intelligence specialisten advies kunnen geven als ze zelf niet over voldoende informatie beschikken. Desalniettemin achten ze hun eigen kennis en expertise als het allerbelangrijkst en verschaffen daarbij ook advies op de actuele trends en gebeurtenissen die zij op dat moment observeren.

2) De ongeschikte of onnodige collega: CAS voegt geen waarde toe aan het advies van de intelligence specialisten omdat het ofwel niet accuraat is in zijn voorspellingen, of omdat de output geen toegevoegde waarde zou zijn voor de operationele laag van de politie. Vandaar dat de intelligence specialisten in deze categorie advies ontwikkelen dat vooral is gebaseerd op eigen kennis en ervaringen.

3) De sturende collega: CAS wordt gebruikt als een middel om direct de operationele laag mee te sturen. De intelligence specialist communiceert de uitkomst van CAS nadrukkelijk omdat dit wordt gezien als een legitiem middel om beslissingen op de baseren.

Deze drie manieren van het gebruik van CAS hebben verschillende consequenties voor de trend richting de informatie-gestuurde politievoering. De adviezen die worden gegeven door de intelligence specialisten in de eerste categorie ontstaan uit een combinatie van eigen ervaringen, kennis, observaties en statistische informatie uit CAS. Dit lijkt de notie van informatie-gestuurde politievoering te versterken omdat het gebruik van expliciete informatie een prominente rol heeft. De intelligence specialist horende bij de derde groep benadrukt het gebruik van data en informatie ogenschijnlijk nog meer aangezien de eigen ervaringen en kennis minder belangrijk lijken te zijn. De intelligence specialisten die CAS niet gebruiken in hun werk baseren hun advies op de eigen assumpties en kennis, waardoor de informatie-gestuurde politietrend afhankelijk blijft van de (impliciete) assumpties van de intelligence specialist.

Dit onderzoek heeft meerdere theoretische contributies. Allereerst laat het zien hoe een algoritme wordt gebruikt binnen een politieorganisatie. Dit kan het debat rondom predictive policing verder helpen. Dit onderzoek laat zien dat er (momenteel) nog steeds voldoende menselijke invloed lijkt te zijn bij de vorming van beslissingen. Daarnaast benadrukt deze studie dat er verder wetenschappelijk onderzoek moet komen naar het gebruik van dergelijke algoritmen. Ook lijken de aanpassingen die zijn gedaan aan het originele model van Orlikowski (2000) geschikt om het gebruik van algoritmen te begrijpen en wordt het aangemoedigd om deze ook toe te passen bij vergelijkbaar onderzoek in de toekomst.

Verder heeft dit onderzoek ook praktische implicaties. Middels dit onderzoek is inzichtelijk gemaakt hoe CAS wordt gebruikt door intelligence specialisten en welke organisationele processen en mechanismen dit gebruik be?nvloeden. De Nederlandse Politie kan deze inzichten gebruiken om het huidige CAS gebruik te evalueren en om te bepalen wat zou moeten worden aangepast in de politieorganisatie om het gebruik van CAS waar nodig te veranderen. Daarnaast lijkt de grootste groep van respondenten CAS te zien als een ondersteunend systeem. Zij beschouwen de uitkomsten van CAS niet als een absolute waarheid maar zien het voornamelijk als een middel dat ze kunnen gebruiken om de kwaliteit van hun adviezen te vergroten. Vandaar dat er kan worden gesteld dat d?t misschien ook de toegevoegde waarde van CAS is in het politieproces. De politie kan overwegen of en in hoeverre ze CAS een centraal element willen maken voor de politieregio?s die in de toekomst dit systeem gaan gebruiken, of dat het een ondergeschikt systeem moet worden. Tot slot lijkt het erop dat de transparantie en ?uitlegbaarheid? van het systeem moet/kan worden verbeterd om de intelligence specialisten beter te kunnen helpen bij hun werk. Een dergelijke verbetering zal ook een bijdrage leveren aan de beoordeling van de vertrouwelijkheid en accuraatheid van het systeem.

[slideshare id=106562797&doc=masterthesismartijnwessels12072018-180719080416&type=d]

Hoe de burger de politie te hulp kan schieten in de opsporing

Op Twitter verschenen na de dood van Romy en Savannah veel berichten over mannen in een kleine zwarte auto die meisjes zouden lastigvallen.? De J.H. Donnerschool in De Glind herdacht dinsdag de overleden leerling Romy uit Hoevelaken. ‘De kinderen zijn opgevangen in de klassen. Er was veel verdriet, radeloosheid maar ook saamhorigheid en verbondenheid’, zei directeur Jan Hofman. De school biedt onderwijs aan leerlingen met sociaal-emotionele problematiek. Het schoolprogramma wordt deze week aangepast aan hun behoeften. Op de school van de overleden Savannah, het Oostwende College in Bunschoten, begonnen leerlingen en medewerkers vanmorgen gezamenlijk. Er werd een filmpje getoond met beelden van Savannah, gemaakt door een klasgenoot. Directeur Henk Koelewijn las Psalm 23 en de mentorklas van Savannah sloot af met het lied De kracht van Uw liefde. De school volgt deze week in overleg met slachtofferhulp zo veel mogelijk het reguliere rooster. Donderdag wordt in Bunschoten een stille tocht gehouden voor Savannah.

Geruchtenmachine

Tal van geruchten zaten de politie in de weg in het onderzoek naar de dood van Romy en Savannah. Lastig, maar als de politie info op sociale media beter weet te stroomlijnen, kan ze er veel aan hebben.

Het politieonderzoek naar de omgekomen meisjes Romy en Savannah is tijdens de pinksterdagen nog in volle gang als de geruchten en verwijten over de sociale media vliegen. Namen en foto’s van onschuldige ‘verdachten’ worden gedeeld via Facebook en Twitter, er gaan paniekerige berichten rond over mannen in een kleine zwarte auto die meisjes zouden lokken. ‘Zulke berichten verspreiden zich razendsnel. En iedereen neemt het voor waar aan, of het nu klopt of niet’, zegt Bernhard Jens, politiewoordvoerder van de regio Midden-Nederland. ‘Daar doe je niks aan, het is de tijd waarin we leven.’

Het zijn de dagen waarop de politie ervaart dat sociale media in de opsporing een zegen en een vloek tegelijk zijn. Jens: ‘Het kan ons ontzettend helpen, maar het kan ons ook in de weg zitten als heel veel mensen ongeverifieerde informatie op het net zetten. Het kost ons ontzettend veel tijd iedereen dan weer terug te brengen in de realiteit.’

Burgers inschakelen?

En toch: als de politie de informatie van burgers in goede banen weet te leiden, kan ze daar veel aan hebben in de opsporing. Dat zegt tenminste Arnout de Vries, onderzoeker bij TNO, en gespecialiseerd in sociale media en opsporing. Hij wijst op ­Europol, dat via Twitter burgers inschakelt bij het vinden van mensen die kinderporno maken en verkopen. Ook noemt hij een geval in Haarlem, waarbij meisjes die in een park in elkaar waren geslagen, via Facebook de daders in no-time hadden gevonden. De recherche hoefde de daders alleen maar te horen, en de zaak was opgelost. Een advocaat die vond dat zijn cli?nten op grond van dit amateurspeurwerk niet veroordeeld konden worden, kreeg van de rechter ongelijk, zegt De Vries: ‘Die zei: dat kan wel degelijk, welkom in de 21e eeuw.’

De Vries snapt de terughoudendheid bij de politie voor de inzet van burgers bij opsporing. ‘Burgers vernielen sporen, ze maken inbreuk op de privacy en kunnen overgaan tot eigenrichting. Dat wil je allemaal niet. Maar ze kunnen ook enorm veel bijdragen.’

De wil om te helpen is ook erg groot, signaleert hij. ‘Mensen kunnen niet op hun handen gaan zitten en afwachten.’

Dat is een gegeven waarmee de politie iets moet, vindt De Vries. ‘Op de site van de politie staat op dit moment niet hoe je als burger kunt bijdragen aan de opsporing. Dat is eigenlijk heel ouderwets. Vertel als politie wat burgers wel en niet mogen: als er bij je is ingebroken, mag je dan zelf buurtonderzoek gaan doen?’ Zo kunnen er ook handreikingen voor burgers komen over wat ze in vermissingszaken wel en niet kunnen doen. Of hoe ze het best een opsporingsbericht de wereld in kunnen sturen. De Vries: ‘Vaak zie je in vermissingszaken dat familieleden een emotionele oproep doen, zonder dat ze aanwijzingen krijgen. Het Openbaar Ministerie heeft daar allerlei tips en trucs voor; dat kun je wel wat behapbaarder maken voor burgers.’

Dat wil allemaal niet zeggen dat de Nederlandse politie op het gebied van sociale media op achterstand staat. Eerder het omgekeerde, zegt Rianne Dekker, die aan de Universiteit Utrecht werkt aan een Europees onderzoeksproject Media4Sec?over de manier waarop de politie sociale media kan gebruiken om de openbare orde en veiligheid te handhaven.

Voorop?

Volgens haar loopt de Nederlandse politie op dat gebied voorop en leren andere Europese landen daarvan. Duidelijk en consistent communiceren is daarin volgens haar ‘een hele belangrijke’.? Zo zet de politie Twitter en Facebook in bij het bestrijden van cybercrime, en ook bij opsporing, en bij handhaving tijdens grote evenementen. ‘Dat heeft zich steeds meer ontwikkeld tot een wederkerige relatie, waarbij informatie van burgers door de politie kan worden gebruikt. Vaak pakt dat goed uit, soms wat minder. ‘Soms verspreiden mensen informatie die onwaar of niet relevant is’, zegt Dekker. ‘Geruchten ontstaan nu eenmaal in een situatie van direct gevaar of onzekerheid.’

Vragen en antwoorden

Om de geruchtenstroom in te dammen, besloot de politie Midden-Nederland zondag op internet vragen en antwoorden te publiceren naar aanleiding van de onderzoeken naar de dood van Romy en Savannah. ‘De vragen die we daar stellen en beantwoorden, zijn gebaseerd op wat wij zien dat er in de buitenwereld speelt’, zegt Jens daarover. Zo gaat de politie daar in op de vraag waarom het een tijd duurde voordat de identiteit van Savannah werd bekendgemaakt (Antwoord: ‘De onderzoekers ter plekke benaderden het lichaam uiterst voorzichtig. Zorgvuldigheid is van groot belang om eventuele sporen niet te missen of onbedoeld te wissen’).

Wat de politie verder kan doen? ‘Ja, geef eens goeie tip’, reageert politiewoordvoerder Bernhard Jens. ‘Het is een utopie dat je dat onder controle krijgt. We scannen sociale media om te kijken of we dingen zien die we moeten downsizen.’

Zijn collega Paul Heidanus, co?rdinator woordvoering in Noord-Nederland luchtte op internet zijn hart over ‘aannames en vooroordelen’ op sociale media over het politiewerk. ‘De ongenuanceerdheid, grofheid en respectloosheid van sommige mensen over het werk van mijn collega’s is ronduit stuitend.’

Jens reageert met minder emotie. ‘Dat zijn we wel gewend. Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat we de dood van Savannah hadden kunnen voorkomen met een Amber Alert. Tja. Zeg het maar. Ook daar is een gedegen afweging op gemaakt. Maar niet alles kun je een-op-een delen.’

Op Twitter verschenen na de dood van Romy en Savannah veel berichten over mannen in een kleine zwarte auto die meisjes zouden lastigvallen.

De J.H. Donnerschool in De Glind herdacht dinsdag de overleden leerling Romy uit Hoevelaken. ‘De kinderen zijn opgevangen in de klassen. Er was veel verdriet, radeloosheid maar ook saamhorigheid en verbondenheid’, zei directeur Jan Hofman. De school biedt onderwijs aan leerlingen met sociaal-emotionele problematiek. Het schoolprogramma wordt deze week aangepast aan hun behoeften. Op de school van de overleden Savannah, het Oostwende College in Bunschoten, begonnen leerlingen en medewerkers vanmorgen gezamenlijk. Er werd een filmpje getoond met beelden van Savannah, gemaakt door een klasgenoot. Directeur Henk Koelewijn las Psalm 23 en de mentorklas van Savannah sloot af met het lied De kracht van Uw liefde. De school volgt deze week in overleg met slachtofferhulp zo veel mogelijk het reguliere rooster. Donderdag wordt in Bunschoten een stille tocht gehouden voor Savannah.

‘Onbegrijpelijk en ook zorgelijk’, vindt Bernhard Jens, politiewoordvoerder Midden-Nederland, de onzorgvuldigheid waarmee sommige traditionele media over de vermissing en dood van de veertienjarige meisjes Romy en ­Savannah berichtten. Eind vorige week meldde? De Telegraaf? korte tijd dat het lichaam van Savannah was gevonden, terwijl het om Romy ging. Jens: ‘Dat werd op de site geknald zonder enige vorm van wederhoor. Vervolgens werd de familie van Savannah gecondoleerd door mensen in hun omgeving.’ En een andere journalist meldde maandag dat een van de verdachten in vrijheid was gesteld, zonder dat bij de politie of het Openbaar Ministerie te checken. ‘Je wilt niet weten wie daar allemaal over gaat bellen. Men denkt er totaal niet bij na wat het betekent voor de twee gezinnen die een kind kwijt zijn.’

Op sociale media ging het afgelopen weken veel over vermissingen. Na het dramatische nieuws van de dood van twee jonge meisjes in Hoevelaken en Bunschoten draait de geruchtenmolen in andere delen van het land op volle toeren. Iedere vermissing is voer voor geruchten. In de regio Tilburg zijn twee meisjes, allebei op de fiets, sinds zondag spoorloos. Daarvoor is een burgernetmelding uitgestuurd. En ook in Leeuwarden en Groningen waren er vermissingen.

Op Twitter en Facebook leiden zulke berichten tot grote zorgen. Met name uit het Gooi komen er verhalen. Daar zijn er meerdere meldingen van jonge meisjes die klemgereden zouden zijn door een auto. Er zou sprake zijn van poging tot ontvoering. Een eerste melding kwam uit Soest, waar een meisje is achtervolgd door twee mannen in een kleine donkere auto. En een soortgelijke auto met twee mannen werd bij een vergelijkbare melding uit Bunschoten-Spakenburg gezien.

Of deze meldingen te met elkaar te maken hebben is volstrekt onduidelijk, maar het leidt tot enorm veel ophef en ongerustheid op sociale media. Even terug naar Tilburg, op sociale media is veel verontwaardiging over de vaagheid van de burgernet melding. Waarom geen foto?s van de meisjes, is de vraag die op sociale media wordt gesteld.

Een woordvoerster vertelde eerder op Radio1 dat ze de foto?s van de meisjes niet verspreiden omdat dat de kansen van de meisjes in kwestie op het vinden van werk in de toekomst ?zou verkleinen. ?Werkgevers gaan natuurlijk op internet zoeken als er iemand bij ze solliciteert. En dan wil je dit niet tegenkomen?, zei ze. De politiewoordvoerder liet ook weten deze burgernet melding vooral te beschouwen als een oproep aan de meisjes zelf, zodat ze zien dat het serieus en ze zich zullen melden. ?Volgens heel veel mensen is zo?n alarmerende oproep via de media niet bedoeld voor 2 stoute weglopers.

Aandachtspunten bij het gebruik van social media zijn te vinden op de website van het landelijk initiatief ZoekJeMee. Sociale media goede middelen zijn om een vermist persoon te helpen vinden. Ook geven de sociale mediaberichten steun aan de achterblijver (steuntje in de rug) en aan de vermiste persoon. Die ziet achteraf namelijk welke moeite is gedaan om hem of haar terug te vinden. De punten zijn afkomstig uit een onderzoek van?Wieke de Zwart (VU Amsterdam, MA Criminologie) ?Vermist, een onderzoek naar het aandeel en de impact van het gebruik van sociale media door burgers bij vermissingen?.

Vooraf

  • Het vermelden van de vermissing op de sociale media is een schending van de privacy van de vermiste.
    • Geef niet te veel gevoelige informatie over een vermist persoon, zoals informatie over de toestand (boos of verward). Geef een feitelijke beschrijving van de persoon zodat anderen deze kunnen herkennen
    • De politie kan adviseren over het al dan niet plaatsen van een vermissing op de sociale media. Een andere partij is Stichting ZoekJeMee: specialisten in communicatie rondom vermissingen en voor praktische hulp voor achterblijvers.

Tijdens

  • Naast mogelijk positieve kunnen er ook negatieve reacties gegeven worden, zoals opmerkingen over het uiterlijk of (ongenuanceerde) oordelen, zoals: ?Wie laat nou iemand met Alzheimer alleen op pad gaan??;
  • De bruikbare tips zijn wellicht moeilijk verifieerbaar (zonder hulp van de politie);
  • Meer bekendheid kan soms nadelig uitpakken voor de veiligheid van een vermiste.
    Bijvoorbeeld als deze in handen is van een loverboy of een ontvoerder.

Na afloop

  • Het weghalen van vermissingsbericht lukt niet altijd voor 100%.
    • Er kan een blijvende confrontatie met de vermissing ontstaan, ook lang na afloop.
      Voor de vermiste persoon kan het ook carri?reproblemen opleveren, bijvoorbeeld als nog online staat dat een vermiste in verwarde toestand is weggegaan;
    • Het vermissingsbericht en/of de foto kan door anderen (opnieuw) online worden gedeeld. Het lijkt daardoor dat de vermiste opnieuw o?f nog steeds is vermist.

Bronnen: Nederlands Dagblad, EenVandaag, ZoekJeMee

Vuurwerk monitoring: Jacht op hinder

Met een geluiddectieysysteem, het monitoren van Twitter en Facebook en een mobiel vuurwerkteam dat surveilleert door de stad, moet de vuurwerkoverlast dit jaar worden teruggedrongen. De gemeente Utrecht zet alles op alles om vuurwerkhinder een halt toe te roepen. Dat blijkt na een dagje meedraaien in de meldkamer en een avond op de fiets nog lastig genoeg.

Anil, Mandy en Joeri staan te wachten voor een rood stoplicht in de Van Hoornekade, Zuilen. Het is tot nu toe een rustige dienst voor de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) van de gemeente Utrecht. Het trio is samen met een ander team deze avond op pad in Utrecht om te surveilleren en op overlastmeldingen af te gaan.Het licht is nog steeds rood als plots, aan de overkant van de drukke Marnixlaan, een harde knal klinkt. Onmiddellijk spieden de drie met hun ogen de overkant af. Waar is de afsteker heen? Hoe groot is de rookwolk die ervan afkomt? Is dat illegaal vuurwerk? Omdat de boa’s zich aan de verkeersregels moeten houden is dat het enige, dat ze kunnen doen. Als het licht op groen springt, schieten de drie weg, als ware de Tour de France voor heel even terug is in de stad.boa

De opsporingsambtenaren Anil, Mandy en Joeri overleggen met teamleader Geurts over het plan van aanpak.?

Helaas, een ‘heterdaadje’ zit er niet meer in. De bikers zijn te laat. Wat de drie nog kunnen doen, is een melding maken die zowel bij de gemeente meldkamer als bij de politie voorbijkomt. ,,Het kan zijn dat op basis daarvan de politie hier nog even langs komt en bij een paar woningen aanbelt. Dat maakt hopelijk genoeg indruk op die jochies, zodat ze niet nog een keer met vuurwerk gooien,” zegt Joeri.

De melding die het vuurwerkteam net heeft gemaakt komt binnen in de meldkamer op de dertiende verdieping van het Stadskantoor. Daar zitten drie operators te turen naar een aantal schermen, waarop kaarten van de stad zijn geprojecteerd.

media_l_3486358
Op de centrale in het Stadskantoor komen alle meldingen binnen en worden de vuurwerkteams aangestuurd.

Aansturen
Op die kaarten is goed te zien waar de vuurwerkoverlast zich concentreert. ,,Op die manier kunnen we onze mensen op straat goed en snel aansturen,” zegt teamleider Alex Geurts.

,,We hebben vooraf een aantal locaties aanegewezen waar op basis van eerdere meldingen de meeste overlast valt te verwachten. Dat zijn de hotspots. Op de kaarten kunnen we zien of de overlast zich verplaatst van die hotspots naar andere plekken in de stad. En als dat gebeurt kunnen we daar ook onze inzet op straat meteen op aanpassen.”

Dagelijks komen de mannen en vrouwen, die de vuurwerkoverlast tegen moeten gaan, bij elkaar voor een korte briefing. Daarin worden ze – iedere dag opnieuw – bijgepraat over de gevaren van vuurwerk en wat te doen als ze op een grote partij illegaal vuurwerk stuiten. Tassen gevuld met legaal vuurwerk tot 25 kilo mogen de boa’s zelf vervoeren, grotere partijen en illegaal vuurwerk zijn voor de politie. ,,We blijven het erin stampen, want de veiligheid van onze mensen is erg belangrijk,” zegt Geurts. ,,Iedere dag opnieuw het zelfde praatje.”

In de briefing komen ook de resultaten en de meldingen van de voorgaande dagen voorbij. Samenmet de mensen die de straat opgaan wordt besproken welke plekken in de stad nog eens extra bezocht kunnen worden.

“Omdat onze mensen via een gps-systeem perfect te volgen zijn, kunnen we in de meldkamer meteen zien welk team het snelst ter plekke kan zijn” -?Teamleider Alex Geurts

Geluiddetectie
Ook maakt de gemeente dit jaar voor het eerst gebruik van een geluiddectiesysteem. Op verschillende plekken in de stad zijn er microfoons geplaatst die harde knallen opnemen. ,,Het systeem meet hoe hard die knal is. En als het echt hard is, duidt dat vaak op illegaal vuurwerk. Omdat onze mensen via een gps-systeem perfect te volgen zijn, kunnen we in de meldkamer meteen zien welk team het snelst ter plekke kan zijn,” zegt teamleider Geurts. Waar die microfoons hangen wil de gemeente om tactische redenen niet kwijt.Daarbij komt dit jaar dat ook social media zoals Facebook, Twitter en Instagram nadrukkelijk worden afgezocht.Abdullah Pehlivan, die daarmee is belast, vertelt dat er via een groot aantal zoektermen gezocht kan worden op welke plekken mensen overlast ervaren. Ook zijn er jongeren die er foto’s en filmpjes plaatsen van ontploffend vuurwerk. ,,Het is een experiment en het kan ondersteunend werken aan alles wat we hier al doen,” aldus Pehlivan.

Terug naar de straat, waar Anil, Mandy en Joeri inmiddels door Overvecht fietsen. Dit is een van de wijken die vooraf als hotspot is aangemerkt en waar veel overlast verwacht wordt. Er is geen steegje of pleintje dat de bikers overslaan. En stuiten ze op een groepje hangjongeren, dan gaan ze een praatje aan.

,,Het is belangrijk dat we ons even laten zien,” verduidelijkt Mandy, terwijl ze stevig doortrapt. ,,Sinds 10 december zijn we iedere middag en avond op straat te vinden. Ze weten dat ze in de gaten gehouden worden.”

?”We kunnen niet op alle plekken tegelijk zijn, maar we doen ons best. Bovendien is het signaal ook belangrijk. We laten zien dat we er bovenop zitten” -?Opsporingsambtenaar Joeri

Nooit op tijd
Is de aanpak succesvol? Dat moet nog blijken, oudejaarsdag is pas over ruim een week. En hoewel de bikers strak worden aangestuurd en snel kunnen reageren, zijn ze vrijwel nooit op tijd en zijn de daders alweer weg.

Bovendien zijn er slechts zes bikers actief, op een stad die ruim 300.000 inwoners kent. ,,Dat is wel eens frustrerend,” zegt Joeri. ,,We kunnen niet op alle plekken tegelijk zijn, maar we doen ons best. Bovendien is het signaal ook belangrijk. We laten zien dat we er bovenop zitten.”

,,En”, zegt hij, ,,het is goed voor de conditie. ,,We fietsen zo’n 45 kilometer per dag.”

Bronnen: AD, TaxiPrijzenUtrecht

 

Bloedlink krijgt Hein Roethofprijs

De jury van de Hein Roethofprijs heeft dit jaar voor het eerst in de 29-jarige geschiedenis van de prijs twee projecten beloond. Minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur reikte op maandag 26 oktober de prijs uit aan?zowel?BuurTent uit Tilburg en Bloedlink uit Utrecht.

De Hein Roethofprijs is in het leven geroepen door het ministerie van Veiligheid en Justitie. De bedoeling van de prijs is om nationale bekendheid te geven aan projecten die resultaten bereiken met de preventie van criminaliteit. De organisatie van de Hein Roethofprijs is in handen van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).

Het project Bloedlink kenmerkt zich door de vooruitstrevende en sympathieke aanpak en het brengt het gesprek over taboeonderwerpen als sexting en grooming op gang tussen jongeren en hun ouders.?De andere winnaar is Buurtent, een Tilburgse samenwerking waarbij na woninginbraak een tent wordt neergezet van waaruit voorlichting wordt gegeven over de betreffende inbraak en inbraakpreventie in het algemeen.

Bloedlink

Het zijn vooral Turkse en Marokkaanse meisjes rond dertien en zestien jaar die slachtoffer worden van sexting en grooming. Online komen zij in contact met (jonge) mannen die ze paaien, overhalen zich naakt voor de webcam te tonen of seks met hen te hebben. Daarbij worden foto?s of filmpjes gemaakt. Naderhand dreigt het ‘vriendje’ die online te verspreiden als het meisje niet doet wat hij wil. De eer, angst en schaamte van de meisjes verschaft hem een machtspositie.

Bloedlink is een project van de Utrechtse politie,?Pretty Woman?en?JoU (Jongerenwerk Utrecht), om het taboeonderwerp seksualiteit in de brugklas en de moskee bespreekbaar te maken met jongeren uit niet-westerse culturen. Bij het project is een islamitisch geestelijk werker betrokken. Tevens zijn er voorlichtingsbijeenkomsten voor ouders. Positief bijeffect is dat veel islamitische ouders aan het denken worden gezet over opvoeden in 2015.

?Echt positief dat samenwerking zoiets kan opleveren,? reageert Bregje Spaans, teamleider van Pretty Woman.

Indruk

Bloedlink is onder regie van de gemeente Utrecht als pilot gestart in Overvecht. Zowel meiden als jongens worden (in aparte groepen) getraind in gezond seksueel contact maken. Doel is het veranderen van attitude en seksueel gedrag van zowel daders als slachtoffers. De participatie van de politie tijdens de trainingen heeft duidelijk meerwaarde. De politie wordt serieus genomen en maakt indruk. Daarnaast is het goed dat de politie vanuit haar rol benoemt dat bepaald gedrag strafbaar is. Pretty Woman met haar expertise op het gebied van relaties en seksualiteit benadrukt de sociaal emotionele kant in de voorlichting.

De samenwerking tussen hulpverlening en de politie maakt de voorlichting zeer krachtig. ?De scholen waar we voorlichting hebben gegeven, vertelden dat door die voorlichting er echt een mentaliteitsverandering is geweest, vertelt Nora el Abdouni, hulpverleenster bij Pretty Woman. ?Er ging bijvoorbeeld een filmpje rond van een leerling die orale seks had met een jongen. Zij wist niet dat ze gefilmd was. Ze werd niet gepest zoals we zouden verwachten, maar juist gesteund door haar klasgenoten.?

Taboe

Cijfers wijzen uit dat alle meiden, onafhankelijk van hun opleidingsniveau, slachtoffer kunnen worden van ?sexting? (het versturen van naaktfilmpjes) en ?grooming? (iemand inpalmen). Verschil is echter dat sommige meiden van Turkse en Marokkaanse afkomst extra kwetsbaar zijn omdat het onderwerp vanwege hun culturele achtergrond taboe is.? Binnen het gezin van herkomst wordt niet over seks gepraat. Slachtoffers zijn chantabel doordat daders dreigen hun ouders te informeren over het onzedelijke gedrag van hun dochter. Om deze reden wordt ook migrantenorganisatie Al Amal ingezet om ouders voor te lichten. Deze voorlichtingen worden aangeboden in de moskee. Bloedlink zorgt er op deze manier voor dat ouders met elkaar en met hun kinderen in gesprek raken over sexting.

Toekomst

Omdat in Overvecht goede resultaten zijn geboekt is het de bedoeling dat de aanpak ook wordt ge?mplementeerd in andere wijken van Utrecht. Onder regie van de gemeente wordt een platform opgericht op het thema seksualiteit en internet binnen het domein school en veiligheid. Binnen dit platform wordt de vraag vanuit de scholen gekoppeld aan aanbod van diverse partijen die actief zijn binnen dit thema. Op grond van de vraag van de school wordt gekeken welke partij of partijen het best ingezet kunnen worden. Het platform is gericht op samenwerken, elkaar aanvullen en versterken.

beeldje_bloedlink_klein

Bronnen: CCV, Pretty Woman Utrecht

Social Media censuur als antwoord op terrorisme?

In het meest recente magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing schrijft Mirko Tobias Sch?fer over ‘het onzinnige sociale mediabeleid in de integrale aanpak van Jijadisme’. Mirko is universitair docent op de universiteit van Utrecht, Instituut Media en Cultuurwetenschap en medeoprichter en directeur van de Utrecht Data School. Hij doet onderzoek naar de impact van sociale media op burgerparticipatie, politiek en democratie. In 2011 is zijn boek ?Bastard Culture! How User Participation Transforms Cultural Production? verschenen bij Amsterdam University Press. Hieronder?zijn stuk en de reactie van de NCTV daarop:

censored

Sinds de zogenaamde Arabische Lente staan sociale media bekend?als instrumenten voor politiek activisme en massamobilisatie.?Na de rellen in Haren omtrent Project X hadden sociale media in de ogen van politie en openbaar bestuur hun onschuld verloren.?Tweets die vergelijkbare evenementen in Hoorn, Amsterdam of?Arnhem aankondigden, leidden toen tot wanhopige en overhaaste?reacties van de kant van de politie en overheid. De reacties waren?op zijn zachtst gezegd g?nant (Hoorn). In het ergste geval waren?ze een inbreuk op de burgerrechten (Arnhem). De aanwezigheid van terroristische groepen op sociale media leidt nu tot vragen?over de noodzakelijkheid van een verscherpt beleid en de expliciete?oproep tot censuur.

In het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme wordt voorgesteld?om propaganda op sociale media te bestrijden. De auteurs?vestigen hoop op een ?notice and take down? procedure waarbij ze zich baseren op het wetsvoorstel computercriminaliteit III. Het is?hierbij de bedoeling dat een team van de Nationale Politie haatzaaiende?(jihadistische) content verwijdert. Het actieprogramma verwijst naar een ?vrijwillige gedragscode? die internetbedrijven?moet stimuleren om ?radicaliserende, haatzaaiende, jihadistische?content? te verwijderen. Het gebruik van het woord ?vrijwillig? in verband met de gedragscode is dubieus, wat blijkt uit het vervolg?van de tekst: “bedrijven die aan deze gedragscode tekortkomen,?zullen worden gedwongen om twijfelachtige content te verwijderen door de toepassing van verschillende bestaande of nog te cre?ren?wetten”.

De voorgestelde aanpak is op verschillende punten zorgwekkend.?Hij laat zien dat er een schrikbarend gebrek heerst aan kennis bij?politici en bestuurders wat betreft internettechnologie en het?gebruik daarvan.

Het is het niet verwonderlijk dat iedereen gebruik maakt van de?goedkope communicatiekanalen van sociale media. Ook terroristische?groeperingen zijn geen uitzondering op de regel. Vrijwel alle?partijen die een rol spelen in het conflict in het Midden-Oosten zijn?te vinden op sociale media. Ook andere media worden ten behoeve?van propaganda ingezet: het Amerikaanse leger maakt bijvoorbeeld gebruik van de online-game America?s Army om op een speelse manier soldaten te werven. Hezbollah tracht de moraal van haar jonge achterban te bevorderen door de computer game Special Force, en de Islamitische Staat haalde onlangs het nieuws met een gemodificeerde versie van Grand Theft Auto die zij voor propagandadoeleinden gebruiken.

gta ISIS

Tevens verspreiden niet alleen jihadisten hun haatzaaiende berichten via internet; ook de racistische Stormfront, de Ku Klux Klan, diverse linksradicale groeperingen, nationalisten en chauvinisten van elke etnische minderheid en nationaliteit verspreiden hun radicale opvattingen via dezelfde kanalen. Op websites zoals 4chan is een oneindige stroom aan vernederende, haatzaaiende en politiek meer dan incorrecte uitingen te vinden. Moet deze content niet ook allemaal gecensureerd worden? Een les die te leren valt uit het proces tegen politicus Geert Wilders is dat het niet makkelijk is om te bepalen wat haatzaaiende content is. Maar als het actieplan omgezet wordt, zal deze definitie in toekomst zonder tussenkomst van een rechter in handen van de politie zijn.

Het actieplan suggereert dat jihadistische content doelgericht verwijderd kan worden. Er wordt echter met de internationale dimensies van deze klus ? de verschillende regelgevingen van de landen waar de content uiteindelijk ligt opgeslagen ? geen rekening gehouden.

Hoewel de auteurs benadrukken dat het actieplan ondersteuning?moet bieden voor een actieve maatschappij waarin diverse?stemmen gehoor krijgen, wordt er geen enkele moeite gedaan om?elke burger het recht op vrije meningsuiting te garanderen. Er wordt?met geen enkel woord benoemd, wie de procedure van censuur ? en?dit is waar het verwijderen van content op neerkomt ? zou moeten?controleren. Tevens wordt niet duidelijk welke criteria voor het?censureren gehanteerd zullen worden of hoe de censuur gedocumenteerd?zal worden. Is het de bedoeling dat een politieagent zelfstandig de opdracht geeft om content te verwijderen zoals dat?nu in Turkije het geval is?

De affaire omtrent de samenwerking van de AIVD met buitenlandse?diensten heeft duidelijk laten zien dat onze gekozen volksvertegenwoordigers,?die de controle over dergelijke procedures zouden moeten uitoefenen, hooguit een symbolische functie hebben. Ze?bleken zelfs uitermate slecht over de gang van zaken ge?nformeerd.?Is het in dit licht verstandig om het verwijderen van willekeurige content onder het mom van terrorismebestrijding ongecontroleerd?over te dragen aan de executieve? Zonder enige juridische of?parlementaire controle? Het zal een kwestie van tijd zijn voordat copyright-houders, politici of bedrijven druk uitoefenen om?ongewenste content zonder tussenkomst van een rechter te laten?verwijderen.

Met een censuur van het internet plaatsen we ons land in hetzelfde?schuitje met landen zoals Turkije, Wit-Rusland, Rusland, China,?Egypte en talloze andere landen. Deze landen staan terecht elk jaar opnieuw op de lijst van de onderdrukkers van het internet en de vrije meningsuiting. Censuur blijkt echter vooral de civiele maatschappij te onderdrukken, in plaats van dat deze maatregel terroristen effici?nt in het nastreven van hun doelen belemmert.

Het actieplan suggereert dat door het verwijderen van haatzaaiende content de radicalisering van internetgebruikers tegengehouden zou kunnen worden. Deze suggestie geeft blijk van een incorrect begrip van media-effecten. Radicalisering is nooit het effect van het?lezen van twijfelachtige content hetzij op online media of in de printmedia. De Britse cultuurtheoreticus Stuart Hall ontkrachte dit idee al in de jaren ?70 van de vorige eeuw op basis van zijn beroemde encoding-decoding-model. Politieke opvattingen formeren zich als gevolg van de individuele situatie en de sociale context van een individu.

Ook om andere redenen is een extreme en nauwelijks gecontroleerde?censuur van sociale media een volledig ineffectief middel. Aan de?ene kant worden alle activiteiten in de context van sociale media al?nauwkeurig gecontroleerd door de platformaanbieder zelf. Verder?zijn deze activiteiten openbaar toegankelijk voor analyse door social?media monitoring, welke niet alleen door marketingbedrijven maar?ook door politie en AIVD toegepast wordt. Een censuur zal voor deze?diensten echter betekenen dat waardevolle informatie verloren gaat.

Aan de andere kant betekent de censuur van bepaalde online media?niet dat de communicatiestromen zullen afbreken. Terroristische?groeperingen zullen andere, wellicht minder goed te monitoren platformen vinden om hun opvattingen te verspreiden. Internet?Relay Chat of het TOR-netwerk zijn slechts twee voorbeelden van?media die moeilijker te traceren communicatievormen voor?gebruikers aanbieden. Er kan voorondersteld worden dat veel?bestuurders niet eens weten hoe deze software te vinden, te?installeren en te gebruiken is. Volgens onderzoek van het Oxford?Internet Institute gebruiken in Nederland dagelijks tussen de?100.000 en 200.000 mensen het TOR-netwerk. Sociale media?en het door Google te doorzoeken web stellen maar een kleine?percentage van het internet voor.

Tor_Hexagons

Wat echter wel een oplossing kan bieden, is de inzet van goed?ge?nformeerde en meertalige rechercheurs met kennis van?interculturele aspecten. Tegenwoordig doorzoekt al een aantal?rechercheurs openbaar toegankelijke bronnen online om strafbare?handelingen op te sporen. De afdelingen binnen de politie die zich?met deze waardevolle taak bezighouden, verdienen de steun van de?politiek en de waakzame toezicht van de rechterlijke macht. De?censuur van sociale media is slechts symboolpolitiek en bovendien?gevaarlijker voor de democratische samenleving dan de haatzaaiende?content die op sociale media te vinden is.


De reactie van het NCTV, programmadirectie Contraterrorisme, ten aanzien van de bestrijding van jihadistische content online:

Internationaal ? en in Nederland ? spelen het internet en?sociale media een belangrijke rol bij jihadistische radicalisering.?De jihadistische content biedt een platform om de?gewelddadige jihadistische ideologie te verspreiden en?draagt bij aan verdere radicalisering en het binnen halen van?nieuwe aanwas. Zoals geconcludeerd door de AIVD in zijn?rapport Transformatie van het jihadisme in Nederland hebben?sociale media de jihadistische beweging in Nederland?gestimuleerd. Waar voorheen propaganda verticaal?verspreid werd via vrij ontoegankelijke webfora (van?enkelen naar velen), gebeurt dit nu op horizontale wijze (van?velen naar velen). Dit heeft de professionalisering van?vervaardigers en verspreiders doen toenemen, waardoor de?propaganda een groter bereik en meer impact heeft.?Hierdoor is de jihadistische boodschap toegankelijker en?makkelijker te verspreiden. Het internet en sociale media?spelen daarmee een belangrijke rol bij jihadistische?radicalisering. Er zijn websites en sociale mediakanalen die?Nederlandstalige jihadistische propaganda verspreiden, de?strijd verheerlijken en oproepen tot jihadgang. Het is?onacceptabel dat terroristische organisaties propaganda?vrijelijk verspreiden via onder andere Nederlandse?websites en social media. Ook tegen uitingsdelicten online?dient opgetreden te worden.

Onderdeel van het actieprogramma Integrale Aanpak?Jihadisme is de bestrijding van online jihadistische propaganda?met als doel het reduceren van de impact, hoeveelheid?en toegankelijkheid van jihadistische propaganda.?Hiervoor wordt ingezet op samenwerking met sociale media?bedrijven en Internet Service Providers, hosting partijen etc.?die de door hun aangeboden internetdiensten misbruikt zien?worden voor jihadistische doeleinden. De NCTV is in gesprek?met sociale media bedrijven, internet service providers en?hosting partijen over de wijze waarop zij, binnen hun?bestaande (juridische) mogelijkheden, kunnen bijdragen aan?het bestrijden van de online jihadistische content. De NCTV?ervaart deze gesprekken als zeer constructief. Sociale media?bedrijven kennen en erkennen het probleem en ook internet?service providers en hosting partijen denken mee over het?verbeteren van bestaande (juridische) procedures.

Second Life

SL1Virtuele werelden zijn driedimensionale omgevingen waarin internetgebruikers samenkomen. Er zijn vele virtuele werelden actief op het internet maar Second Life is momenteel de bekendste. Second Life (SL) is een zogenaamd Massively Multiplayer Online Role Playing Game (MMORPG), oftewel een platform waarin de gebruiker een personage aanneemt en daarmee met andere personages communiceert. Om SL te spelen, dient een gebruiker een ?avatar? te cre?ren. Dit is de personage die in SL rondbeweegt. Een avatar kan helemaal naar wens gemaakt worden (dus ook een politieagent). Het kan dus het evenbeeld van de speler zijn, of juist het tegenovergestelde. Door middel van een chat kunnen spelers met elkaar communiceren en elkaar leren kennen. Als de gebruiker een goede microfoon heeft kan ook gebruik gemaakt worden van de voicechat. Vanuit de ontmoetingsplaats kan de speler naar andere plekken vliegen.

SL2De politie Utrecht heeft begin 2007 een eiland in SecondLife gekocht om te kunnen experimenteren met deze toepassing. Er is een plaats delict uit een echt vastgelopen moordonderzoek nagebouwd. Tevens is er een ruimte gemaakt waarin het mogelijk is om virtueel met burgers te communiceren. In 2007 leek SecondLife heel veelbelovend maar in 2008 liepen de bezoekersaantallen enorm terug. De politie Utrecht heeft ondanks de terugloop toch veel geleerd van het experiment en wil ook nog een keer testen met echt publiek (nu staat het eiland nog steeds? ?under construction?). Het experiment gaat in december 2008 starten en op dit moment kan er nog geen resultaat worden benoemd.

 

FBI benut Second Life bij opsporing criminelen

De FBI heeft zich sinds kort?in de virtuele wereld van Second Life gepositioneerd. Het Amerikaanse, federale onderzoeksbureau hoopt zo onder meer voortvluchtige criminelen alsnog in de kraag te kunnen vatten.

De FBI heeft met deze?aanwezigheid?niet het doel om criminele activiteiten binnen de virtuele wereld van Second Life op te sporen.?In plaats daarvan wil zij Second Life gebruiken om onder meer nieuwe agenten te rekruteren en om posters van voortvluchtige misdadigers te verspreiden.?Volgens het bureau gaat het vooralsnog om een ?testronde?.

?Online ervaring?

?In tegenstelling tot tien jaar geleden heeft iedereen nu wel online ervaring opgedaan door middel van virtuele media, of dat nou via een game-console is of populaire sites als die van Second Life?, verklaart Jonathan Cox van de FBI.??Het gemak waarmee informatie nu kan worden overgedragen, idee?n kunnen worden geuit en technologie gedeeld kan worden, zullen hopelijk leiden tot het arresteren van voortvluchtige criminelen of het terugvinden van vermiste kinderen?, aldus de medewerker van de FBI.

De FBI onderzoekt Second Life, maar dan op een positieve manier

Virtual Worlds News?bericht over de FBI die SecondLife overweegt voor recruiting doeleinden, maar ook misdaadmeldingen wil aannemen en zelf aandacht wil vragen voor gezochte criminelen. ??Jonathan Cox, een analist die deze verkenning leidt zegt: “Unlike 10 years ago, almost everyone today has had an experience connecting online through virtual media, whether through a gaming console or popular sites like Second Life. The ease at which information can be transferred, ideas can be exposed, and technology can be shared in virtual worlds will hopefully lead to the arrest of a fugitive or the location of a missing child in the near future.?In addition to SL, the FBI outlines it use of other forms of social media?here.

 

 

Decay: een Forensische ICT leeromgeving

Ook interessant is de?virtuele omgeving ?Decay? dat in het kader van Forensische ICT is ontwikkeld. Decay is een onderdeel van het virtuele innovatie- en educatiecentrum ?Within Ten Years? dat in de samenwerking met Hogeschool Leiden is ontwikkeld.

Bronnen:?Nu.nl, GamePolitics.com

Tot slot?hier?een interessant stuk over?hoe het leger Second Life gebruikt.?En natuurlijk de IACP fact sheet over virtuele werelden:

Drakontas real crimes in virtual worlds

Seminar cocreatie in de opsporing (verslag en presentaties)

Het lectoraat Criminaliteitsbeheersing & Recherchekunde organiseerde op 11 september jongstleden het seminar ?Cocreatie in de opsporing.? Een druk bezochte bijeenkomst met vertegenwoordigers uit de politiepraktijk, het politieonderwijs en ? inherent aan het thema ? burgemeesters, gemeenteraadsleden en vertegenwoordigers van andere partners in de veiligheidsketen. In de maandelijkse seminars van de Politieacademie delen lectoraten hun visie en onderzoeksresultaten met politiepraktijk en -onderwijs.?Conclusie van deze avond: cocreatie kan de politie veel brengen, maar vraagt ook veel. Kansen en risico?s, dilemma?s, opbrengsten, randvoorwaarden en succesvolle voorbeelden: het lectoraat zal een belangrijke bijdrage hebben door deze in kaart te brengen.?
?
Cocreatie is een van de speerpunten van het lectoraat, zo maakte lector Nicolien Kop al duidelijk in haar lectorale rede op 21 juni ?Van opsporing naar criminaliteitsbeheersing.? Volgens Kop moet de politie van een incidentgerichte, reactieve werkwijze naar een meer pro-actieve, op problemen gerichte aanpak van criminaliteit. De samenwerking met burgers en veiligheidspartners en publiek-private samenwerking is daarin onontbeerlijk. Kop: ?Het is niet effectief om de politie alleen verantwoordelijk te stellen voor het opsporen van daders van gepleegde misdrijven. Willen we echt wat doen aan de veiligheid in Nederland dan moeten we meer inzetten op het voorkomen van misdrijven en zowel burgers, bestuur als bedrijfsleven daarbij betrekken.? Nicolien verwees daarbij naar enkele actuele voorbeelden uit de praktijk, onder meer in Rotterdam-Rijnmond (zie?www.helpmonikavinden.nl).
Vermaatschappelijking
Na de inleiding van Nicolien Kop was het woord aan Pieter Tops, portefeuillehouder kennis en onderzoek binnen het College van Bestuur van de Politieacademie. Hij sprak over ?vermaatschappelijking van de opsporing? als verbijzondering van de vijfentwintig jaar geleden ingezette vermaatschappelijking van de politie als geheel. Tops sprak in navolging van Kop van een onvermijdelijke ontwikkeling, maar wees ook op de ?geboortepijnen? die ermee gepaard gaan. In dat kader benadrukte hij het belang van wederkerigheid. ?Cocreatie is niet een kwestie van over de schutting gooien van taken. Het vraagt van de politie dat zij ook informatie deelt en terugkoppelt wat zij doet met informatie. Om vrijblijvendheid te voorkomen is het van het grootste belang om betrouwbaar te zijn als politie, om afspraken na te komen. Dat vraagt om het nadrukkelijk uitspreken van verwachtingen tussen de samenwerkende partijen.? De Politieacademie gaat onderzoek uitvoeren naar de invoering van de Nationale Politie. Dat onderzoek zal zich onder meer toespitsen rondom de robuuste basisteams en de rechercheteams. Tops deed hierbij een oproep aan de aanwezige recherchechefs om zich hiervoor aan te melden.
?
Cultuurverandering
Albert Meijer van?de Universiteit Utrecht, ging vervolgens dieper in op de kenmerken en het ontstaan van cocreatie en het gebruik??van nieuwe media voor cocreatie in de opsporing. Ook hij benadrukte dat het veel verder gaat dan het benutten van de burger als informatiebron. De relatie moet wederkerig zijn en de burger is nadrukkelijk bezig met het bedenken van creatieve idee?n. Volgens Meijer past het versterken van burgerparticipatie bij een ?strong democracy? en zijn er indicaties voor positieve opbrengsten voor de politie. Wel zijn er ook ongewenste effecten, maar dat is geen reden om het niet te doen. Volgens Meijer vraagt cocreatie wel om een cultuurverandering bij de politie.
?
Opbrengsten en randvoorwaarden
De volgende spreker, Martin van Bochove van het Centrum Versterking Opsporing, gaf aan dat in zijn optiek cocreatie onvermijdelijk is en derhalve niet om een??cultuurverandering bij de politie vraagt maar die cultuurverandering zelf zal brengen. Hij ging verder in op cocreatie als een van de drie hefbomen die een dreigende crisis in de opsporing moet bezweren. Naast cocreatie zijn dat netwerkend werken en directe aanpak & afhandeling. Arnout de Vries van TNO ging vervolgens in op?Burgeropsporing?online: van crowdsourcing naar online cocreatie. Met een pakkende presentatie wist hij de aanwezigen mee te nemen in de nabije toekomst waar de politie in haar netwerken effectief is als gelijkwaardige partner in het proces naar criminaliteitsbe?nvloeding. De avond werd afgesloten met een paneldiscussie tussen de sprekers en het publiek.?Een van de aanwezige burgemeesters zei de politie in de praktijk als een ?gesloten bastillon? te ervaren, met weinig oog voor de verantwoordelijkheid voor veiligheid van het openbaar bestuur. Een tweede aanwezige burgemeester had daar weer heel andere ervaringen mee. Beiden erkenden het belang van cocreatie voor de politie. Er lijkt nog een wereld te winnen.
?
De presentaties van Albert Meijer en Arnout de Vries vind je hieronder:
En de lectorale rede van Nicolien Kop: