Tagarchief: wetenschap

Naar een proactieve participatie tegen ondermijning: Op het raakvlak van mens en machine

De toenemende aandacht voor georganiseerde en ondermijnende criminaliteit en de doorwerking ervan binnen de verschillende geledingen van de maatschappij hebben Arnout de Vries, Selmar Smit en Jerôme Lam ertoe aangezet om te onderzoeken in welke mate het gebruik van technologieën zoals predictive policing, maar ook apps die burgerparticipatie dienen te faciliteren, kunnen bijdragen tot het versterken van een preventieve en proactieve aanpak van deze fenomenen. De auteurs stellen hierbij niet enkel vast dat de nieuwe technologieën kritiek krijgen en dilemma’s opwerpen, maar ook dat het proactief betrekken van burgers evenzeer op kritiek stuit en dilemma’s met zich meebrengt. Desalniettemin bespeuren de auteurs kansen bij het combineren van technologieën en menselijke intelligentie in de aanpak van ondermijnende criminaliteit indien aan een aantal randvoorwaarden kan worden voldaan op het gebied van informatiedeling, verwachtingen en een gedegen voeding van de voorspellingsalgoritmes.

Arnout de Vries is Senior Scientist bij TNO.
Selmar Smit is Senior Scientist bij TNO.
Jerôme Lam is wetenschappelijk onderzoeker aan de afdeling Kennis en Onderzoek van de Politieacademie.

De aanpak van diep gewortelde criminaliteit die de fundamenten van de samenleving systematisch aantast, ook wel aangeduid als ondermijning, vraagt om een aanpak waarin diezelfde samenleving ook heel gericht betrokken wordt. De politie, overheid of welke veiligheidsinstantie dan ook kan dit niet alleen. Het heel gericht benaderen en betrekken van de actoren in deze samenleving, zoals overheden, bedrijfsleven en burgers, is niet alleen noodzakelijk voor een integrale benadering, maar biedt ook innovatieve kansen. Deze kansen liggen onder andere op het  raakvlak van trends zoals predictive policing en apps die gericht ingezet kunnen worden om verdergaande burgerparticipatie te stimuleren. Innovaties met als ambitie om zwakke signalen en vroegtijdige betrokkenheid van de samenleving te verbinden met de kracht van big data analyses. Dit artikel gaat in op de lessen uit deze huidige trends en nodigt uit om zo ook proactiever en preventiever op te treden tegen zwaardere criminaliteit Want voorkomen is nog altijd beter dan genezen.

1. Inleiding

1.1 Ondermijning: onzichtbare en verweven problematiek

In de Nederland wordt de discussie over criminaliteit de laatste jaren voor een groot deel gedomineerd door ondermijning. Gedurende het laatste decennium verschijnt er een aanzienlijk aantal (wetenschappelijke) publicaties die het probleem beschrijven, agenderen en prioriteren. De berichtgeving rondom de ondermijningsproblematiek wordt ook steeds urgenter van toon. Recent onderzoek van de politieacademie berekende bijvoorbeeld dat er in Nederland bijna 19 miljard euro omgaat bij de handel in synthetische drugs (Tops, Valkenhoef, van der Torre, van Spijk, 2018). Een volgend rapport van dezelfde onderzoeksgroep zoomt in op de drugscriminaliteit in Amsterdam, waarin misdaadbestrijders opperen dat de strijd tegen de onderwereld verloren is (Tops
& Tromp, 2019 en Voskuil, 2019).

Ondanks alle recente onderzoeksrapporten en mediaberichtgeving is de onderliggende problematiek echter niet nieuw. Nederland kent een lange geschiedenis op het gebied van onder andere smokkel in de grensstreken. In de jaren ’70 deed de handel in harddrugs zijn intrede in Nederland. De toenmalige handel in heroïne werd de jaren daarop opgevolgd door de handel in cannabis. De recherche ziet met lede ogen hoe er vanaf eind jaren ’70 een ware cannabis-industrie ontstaat (Lam, Van Wal & Kop, 2018). Midden jaren ’80 doet vervolgens de xtc-industrie zijn intrede in Nederland. Hoewel harde cijfers ontbreken, is Nederland inmiddels waarschijnlijk de grootste producent van XTC ter wereld (Tops, et al., 2018).

Rond 2007 komt de term ondermijning op, een directe verwijzing naar de wijze waarop criminaliteit deze fundamenten van de samenleving aantast (Lam et al., 2018). Tegenwoordig wordt het begrip ondermijning bijna als synoniem gebruikt voor de georganiseerde handel en productie van drugs. De term ondermijning verwijst echter niet naar een specifieke vorm van criminaliteit, maar naar respectievelijk een (criminele) activiteit of een effect daarvan (Faber, 2013). In de kern gaat het om alle vormen van criminaliteit waardoor de samenleving wordt aangetast.
Deze aantasting kan door twee mechanismen worden veroorzaakt. Ten eerste doordat criminaliteit sterk verweven raakt met de legale wereld. Bijvoorbeeld door zich te nestelen in het bestuur, het financiële stelsel of sterk gebruik te maken van legale dienstverlening zoals transport of woningverhuur. Ten tweede kan de samenleving worden aangetast doordat criminelen zich kunnen afschermen van de overheid. Hierdoor kan de overheid haar controlerende of toezichthoudende functie niet langer uitoefenen. Hierbij valt te denken aan criminele vrijplaatsen of Outlaw  Motorcycle Gangs (Lam.et al., 2018; Lam & Kop, 2018).

Het is met name het systematische en cumulatieve effect van criminaliteit dat zorgt voor de aantasting van de maatschappij (Politie Amsterdam-Amstelland, 2009; Faber, 2013; Lam & Kop, 2018). Ondermijning vindt plaats op vijf maatschappelijke domeinen, namelijk het financieel-economisch stelsel, de leefomgeving, de ecologische omgeving, moraliteits- en rechtsgevoel. En uiteindelijk op de rechtstaat zelf, zoals wanneer de politie en het openbaar bestuur onder druk komen door corruptie en intimidatie (Lam et al., 2018). Naast de handel in drugs zijn er meer vormen van criminaliteit die als ondermijnend voor de samenleving kunnen worden gezien. Grootschalige fraude, mensenhandel en milieucriminaliteit tasten de samenleving systematisch aan doordat
zij naast het directe leed voor de slachtoffers ook vergaande economische of ecologische gevolgen hebben.

De laatste jaren is de focus van de aanpak meer verschoven van daders en criminaliteitsvormen naar het maatschappelijke effect van zowel criminaliteit als aanpak. Het besef is gegroeid dat er naast een strafrechtelijk probleem ook sprake is van een breder maatschappelijk probleem. Waar vroeger de aanpak vooral een taak was voor gespecialiseerde rechercheteams, is er nu sprake van een meer integrale benadering. De politie kan niet alles alleen, bijvoorbeeld vanwege de beperkte opsporingscapaciteit. Daarnaast is de aanpak effectiever samen met partners. Hierdoor wordt de informatiepositie versterkt, kunnen onder andere fiscale of bestuurlijke interventies worden gedaan en kunnen preventieve barrières worden opgeworpen. Strafrecht is een belangrijk, maar niet het enige wapen. Daarom wordt intensief samengewerkt met onder andere gemeenten en  belastingdienst. Maar ook met niet-overheidspartijen, zoals woningbouwverenigingen. De Regionale Expertise en Informatie Centra (RIEC’s) hebben een belangrijke aanjagende en verbindende functie binnen deze integrale aanpak (Lam et al., 2018).

1.2 Nieuwe ontwikkelingen, nieuwe kansen

Ondanks de toenemende inspanningen van de overheid de laatste jaren blijft ondermijning een hardnekkig probleem. Voor een groot deel heeft dit te maken met de ondermijningsparadox: hoewel ondermijning uiteindelijk iedereen raakt, lijken er geen directe slachtoffers te zijn. Daardoor blijven de effecten van ondermijning onderschat en raken verschillende vormen van criminaliteit genormaliseerd. Het gebruik van XTC op een festival wordt door een groot deel van de bevolking normaal gevonden. En er zijn talloze wijken in Nederland waar hennepteelt een publiek geheim is. Het gevolg is onder andere een lage meldingsbereidheid. Bovendien blijft ondermijning door zijn belangrijkste kenmerken, verwevenheid en afscherming, vaak onzichtbaar.

Dit artikel gaat in op innovaties en trends die kansen bieden om het onzichtbare zichtbaar te maken. Hiervoor worden twee trends op het gebied van veiligheid onder de loep genomen, namelijk predictive policing en burgerparticipatie. Predictive policing maakt het mogelijk om op basis van veel kleine datapunten richting te geven aan een informatievraagstuk, zoals ondermijning. Niet alleen kan door middel van artificial intelligence een beeld worden opgebouwd, ook kan deze richting geven aan het handelen van overheid en burgers. De toenemende rol van technologie gaat hand in hand met een tweede trend op het gebied van veiligheid, namelijk die van de participerende burgers. Onder andere door de opkomst van internet en smartphones zijn burgers steeds beter in staat te worden om informatie te vinden en te delen. Het gevolg is dat burgers de laatste jaren gevraagd en ongevraagd een steeds grotere rol zijn gaan spelen op het gebied van veiligheid. Burgers melden en signaleren via WhatsApp-buurtgroepen, zoeken gestolen goederen op online marktplaatsen en onderzoeken zelfs oorlogsmisdaden in Syrië op basis van open source intelligence. En het is juist van deze signalen van burgers waar de overheid grotendeels afhankelijk is om ondermijning zichtbaar te maken.

Voorspellen van veilige routes
Pizzakoeriers moeten vaak ’s avonds laat maaltijden bezorgen en zijn kwetsbaar op hun scooters. Ze schijnen hun routes dusdanig te kiezen dat ze onveilige plekken mijden. Dit menselijke gedrag wordt steeds vaker door computers benut. Er zijn al apps, zoals Safe And the City in Londen of Red Zone Map uit de VS, waarin eindgebruikers worden gewaarschuwd door informatie van historische incidenten en waarmee ze zelf ook gevaarlijke plekken kunnen aanmerken, bijvoorbeeld plaatsen waar ze zijn lastig gevallen. De apps bieden een routenavigatiesysteem dat slim
onveilige plekken vermijdt. Ze gebruiken voorspellingen op basis van gedeelde informatie uit het verleden om de meest veilige route te berekenen en te tonen aan bestuurders.

2. Predictive policing

Al enige tijd zijn er veel mooie verhalen over predictive policing, oftewel politiewerk aan de hand van voorspellingen. Net zoals het voorspellen van beurskoersen een complexe aangelegenheid is, is dat ook met criminaliteit het geval. Maar de politie heeft inmiddels een goudmijn aan gegevens (big data) over misdaden uit het verleden tot haar beschikking. Door hier een diepe analyse op los te laten is de hoop dat de politie straks in combinatie met verfijnde algoritmen toekomstige misdaden kan voorspellen. Computermodellen dus, op basis van misdaadgegevens. Er lonken toepassingen op allerlei criminaliteitsvormen: van eenvoudig zakkenrollen tot complexere fenomenen als ondermijning. Maar werkt het nu echt en hoe dan precies? En is het alleen een
exclusief speeltje van politie, of is er meer mogelijk?

2.1 Hot of hype?
Tijd om de mythes te doorbreken en de diverse oplossingen die er zijn eens op een rijtje te zetten. Ook geven we iets meer theoretische achtergrond, want voor een deel is het oude wijn in nieuwe zakken.

Door de huidige ontwikkelingen neemt predictive policing een enorme vlucht, ook bij de Nederlandse politie die sinds de vorming van de Nationale Politie in 2013 nu landelijk betere beschikbaarheid heeft over alle databronnen. Maar ook de complexere ‘Big Data’- ontwikkelingen waarin nieuwe databronnen gebruikt kunnen worden, gecombineerd met verbeterde analysecapaciteiten, visualisatietools en krachtigere smartphones op straat, maken dat predictive policing echt ‘hot’ is. Steeds meer toepassingen zijn denkbaar: van preventie tot handhaving en opsporing waarin door het huidige economische klimaat slimmer gewerkt moet worden (meer met minder). Rechercheren verandert in prechercheren. Het heeft de belofte van proactief zijn, in plaats van achter de feiten aan te lopen, zeker in een organisatie die toch al vooral een informatie organisatie is geworden. De vraag is, lossen de huidige oplossingen die belofte ook in? En hoeveel
verschillen ze van elkaar? Sommige softwarepakketten kosten namelijk tonnen aan licentiekosten, anderen worden in-house ontwikkeld, en weer anderen worden op een zolderkamertje gebouwd en open-source op het internet gezet.

2.2 Theorie
Als we weten hoe criminelen denken en doen, dan kunnen we misschien ook voorspellen waar ze gaan toeslaan. En in een vakgebied wat al jaren bestaat, zoals dat van criminologie, is er aan dergelijke theorieën geen gebrek. De ratio, die ook bij criminelen aanwezig is, in combinatie met gelegenheid maakt dat er al snel patronen ontstaan. Zo zegt de immens populaire routine activity theory dat de kans op criminaliteit toeneemt wanneer een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en een gebrek aan toezicht in tijd en plaats samenkomen (Cohen & Felson, 1979). Kortom, zolang er geen grote volksverhuizingen zijn en de gelegenheid niet afneemt, zullen steeds dezelfde gebieden worden getroffen.

De rational choice theory zegt daarentegen juist dat criminelen op zoek zullen gaan naar die locatie waar de afweging tussen risico (pakkans) en buit zo gunstig mogelijk is (Cornish & Clarke, 1987).

crime2

De crime pattern theory ten slotte is een derde populaire theorie over crimineel gedrag, die zegt dat criminelen bepaalde plaatsen hebben die voor hen bekend of vertrouwd zijn, zogeheten nodes of anchor points (Brantingham & Brangtingham, 1981). Gevolg: 1) criminelen altijd zullen toeslaan in een buurt die ze kennen; vlak bij huis/werk/ sportschool, of op de weg daarnaartoe; en 2) criminelen zullen nooit te dicht bij hun eigen huis toeslaan.

crime3

Naast deze drie basistheorieën bestaat er nog een vierde belangrijke, de zogenaamde blended theory, die, zoals de naam al zegt, hun combinatie is (Perry, McInnis, Pice,
Smith & Hollywood, 2013). Volgens deze benadering zal een crimineel toeslaan op een locatie (routine activity theory) langs zijn activiteiten-routes, maar niet te dicht bij huis (crime pattern theory) daar waar de afweging tussen buit en pakkans positief is (rational crime theory).

2.3 Implementatie
In de praktijk worden deze theorieën vaak overboord gegooid en wordt voornamelijk gekeken naar near repeats. Een methode die ervan uitgaat dat er in de buurt van een incident vaak nog een tweede, derde, etc. incident zal volgen. Hoewel dat niet lijkt op de drie eerdere theorieën, zal, zolang de pakkans, buit en activiteiten van criminelen niet veranderen, het effect hetzelfde zijn. Want daar waar al een keer een incident is geweest, was blijkbaar de afweging tussen buit en pakkans positief, en was er blijkbaar ook een crimineel aanwezig. Zolang er niets verandert, zal er dus (volgens de drie theorieën) zich nog een tweede, derde, etc. incident zich in de buurt gaan voordoen.

In bijna alle huidige oplossingen (o.a. Predpol, Daily Crime Forecast, HunchLab, PreCobs en het Nederlandse Criminaliteits Anticipatie Systeem) wordt voor deze versimpelde weg gekozen. Vaak wordt er naast dit trekken van cirkels rond incidenten ook nog gekeken naar tijdsaspecten (spatiotemporele analyse), zowel naar trends zoals verplaatsingen, als naar seizoen, weekdag, of zelfs het specifieke tijdstip. Zo is er al jaren een duidelijke piek van inbraken rond kerst, is een werkdag populairder voor het dievengilde dan een weekend, en is het aantal inbraken rond 08:00 uur ’s ochtends minimaal. Door dit soort aspecten mee te nemen, kun je dus ook inbouwen dat de pakkans, buit of activiteiten van criminelen (uit de basistheorieën) veranderen gedurende het jaar/maand/dag/uur.

Voeg bij die tijdaspecten ook nog andere kenmerken zoals omgevingsfactoren (demografie etc.) en weersvoorspellingen (een regressie-analyse/ data-mining), en afstanden tot vluchtwegen (aantrekkende werking) en politiebureaus (afstotende werking) en je krijgt een complexe formule met tientallen parameters die zo goed mogelijk moeten worden bepaald uit de historische data. Het bepalen van hoe zwaar elk van de parameters wordt meegenomen in de formule, wordt veelal gedaan met behulp van zelflerende algoritmes. Een zelflerend algoritme is een geavanceerd computerprogramma dat in staat is om zelf te bedenken wat een goede oplossing is. Het probeert op een slimme manier een heleboel verschillende oplossingen uit, waarbij het steeds controleert hoe goed de oplossing is, en op basis daarvan een nieuwe oplossing kiest om opnieuw te proberen. Dit proces blijft zich herhalen tot het niet meer beter kan. Hoewel het algoritme dus niet precies weet welke waarden correct zijn, zal het een patroon ontdekken door verschillende dingen te proberen en conclusies te trekken uit de ‘juistheid’. Dan blijkt onder welke omstandigheden (dat wil zeggen: bij welke van de aanwezige objecten) een hoge voorspelling gepast is.

Hoewel het bepalen van de juiste waarde voor al die parameters nog een hele klus is, is een dergelijk voorspelmodel is dus niet echt rocket science. Toch levert het al behoorlijk goede voorspellingen op en dat is dan ook de reden dat vrijwel alle oplossingen in de praktijk ook (in meer of minder mate) kiezen voor deze aanpak. Een effectief model is echter meer dan alleen correct, het moet tot directe actie kunnen leiden. Voorspellen dat er vandaag een inbraak zal zijn in Amsterdam zal altijd correct zijn. Net zoals een voorspelling dat er binnen 10 jaar een inbraak zal plaatsvinden op de Pythagorasstraat. In beide gevallen biedt het niet voldoende handvatten, de vraag is dus hoe effectief dergelijke systemen in praktijk zijn.

2.4 Praktijk

2.4.1 Criminaliteits Anticipatie Systeem en meer…

Een landelijk virtueel raster met vakken van 125 bij 125 meter. Per vlak worden meldingen van bijvoorbeeld inbraken en roofovervallen bijgehouden. Dat is, in het kort,de gedachte achter CAS, het Criminaliteits Anticipatie Systeem.

De agenten gaan nog steeds op pad, maar gerichter. CAS geeft aan waar en wanneer het risico op een misdaad groot is, maar schrijft niet voor wat de agenten moeten doen. Stuur je er extra agenten naartoe, rij je een extra rondje, of plaats je een waarschuwing op Facebook? De leidinggevende bepaalde altijd al waar de agenten naartoe gaan, maar die beslissing is nu deels gebaseerd op de risicobepaling van CAS. In samenwerking met de Universiteit Twente is zelfs informatiegestuurde luchtsteun opgezet: politiehelikopters vliegen preventief naar plekken waar high impact crime als overvallen en inbraken verwacht wordt.

“Het gaat om zichtbaar zijn en contact met burgers maken “in the box”. Dat is waar agenten hun professionaliteit, kennis en expertise kwijt kunnen.” –  (Fons van Gessel, beleidsadviseur, Directoraat-Generaal Politie, ministerie van Justitie en Veiligheid)

De ontwikkeling van dit soort systemen is vooral ingezet door het (commerciële) succes van PredPol, het systeem dat in 2008 bij de politie van Los Angeles is ontwikkeld. Topchef Bill Bratton en Jeff Brantingham van de universiteit UCLA hadden het idee om de algoritmes die aardbevingen konden voorspellen op basis van het verleden toe te passen op oude misdaadstatistieken. Het bleek, zeker commercieel gezien, een gouden greep. Waar voorheen intelligence gestuurde politie (ook wel Intelligence-Led Policing) nog bleef steken bij het maken van hotspotkaartjes, kon men nu ineens veel meer dan alleen een lijntje in een grafiek doortrekken. Een veelvoud aan invloedsfactoren (zoals variaties in criminaliteitstypen, plaatsen en tijden) kon ineens worden meegewogen en
de voorspellingen leken beter te zijn. Het kon, volgens eigen cijfers, al snel anderhalf tot twee keer beter risicogebieden inschatten dan politieanalisten deden. En niet met complexe hoeveelheden data waar analisten en agenten zich doorheen moeten werken, maar alle complexiteit van de oplossing werd teruggebracht tot eenvoudige blokjes op een kaart. Een ontwikkeling die mogelijk ook kan aansluiten bij de wensen van burgers. Ook zij willen weten hoe het zit in hun buurt en misdaadkaarten op maat inzien op het web of in een app, zodat ook zij kunnen meedenken en meedoen. Want niemand wil criminaliteit in de eigen straat.

Het is niet alleen het voorspellen van inbraken op een kaart, maar in principe kan elk soort criminaliteit worden voorspeld op locatie, tijd of doelwit. Hoe betrouwbaar die voorspelling is, verschilt natuurlijk van delict tot delict. Een crime passionele zal, in tegenstelling tot de belofte uit de film Minority Report, waarschijnlijk niet met een goede betrouwbaarheid te voorspellen zijn, maar andere soorten risico’s en delicten wel. Prokid, een signaleringsinstrument dat in 2013 landelijk werd ingevoerd, voorspelt van kinderen tot twaalf jaar wie de grootste kans maakt op te groeien tot delinquent. Risicotaxatie-instrument RTI-Geweld schat van elke persoon die bij de politie bekend is (bijvoorbeeld vanwege betrokkenheid bij een incident) hoe groot de kans is op toekomstig
geweld. ‘Bepaalde vroeger het aantal delicten dat iemand had gepleegd of hij boven aan de lijst kwam’, schrijft politiemedewerker Remco van der Hoorn in het boek van Rutger Rienks, ‘nu is dat het feit of hij het grootste risico laat zien in de toekomst weer over de schreef te gaan.’ (Rienks, 2015).

QUIN

De QUIN-software (Question & Investigate) is vergelijkbaar met het personage Mr. Quin uit de Agatha Christie-boeken, een mystiek individu dat komt en gaat en de hoofdinspecteur in het oor fluistert: “Heb je daar wel aan gedacht?” Een systeem dat gebaseerd is op het feit dat je een misdaad maar op een aantal manieren kunt begaan. Elke misdaad lijkt op een andere misdaad. Dat  maakt dat je kunt inschatten wat een verdachte mogelijk gaat doen. QUIN kan analisten helpen om beschikbare data te verwerken en volgende stappen van verdachten te voorspellen. Zo werd
QUIN onder andere gedemonstreerd in het televisieprogramma ‘Hunted’ waarin voortvluchtigen getraceerd werden.

Op basis van gegevens die bekend zijn van een huidige casus en dezelfde informatie van oude zaken, kan QUIN voorspellingen doen. Denk aan persoonsgegevens, aan de casus gerelateerde gebeurtenissen zoals tijdstippen, locaties en vervoersmiddelen, en woonplaatsen van familie en vrienden. QUIN berekent de afstanden tussen twee casussen, het model vergelijkt verschillende zaken die op elkaar lijken. En kan aan de hand daarvan voorspellingen doen over waar een verdachte zich bevindt of zal gaan slapen. QUIN kan bijvoorbeeld uitspraken doen over of een verdachte waarschijnlijk in een hotel, bij vrienden of ergens anders zal gaan slapen en inschatten hoe groot de kans is dat diegene nog op een al bekende plek zit. Tijdens de opnames van het nieuwe seizoen is gebleken dat QUIN een aantal keer goede voorspellingen heeft gedaan. De tool lijkt dus echt te werken en lijkt de stap te kunnen zetten van ruwe data naar voorspellingen.

Dit is de opmaat naar een fundamenteel andere werkwijze in het veld van data-analyse en predictie. Uiteraard roept dit ook vragen op. Maak je criminelen dan bijvoorbeeld niet onnodig wijzer? Dit vormt waarschijnlijk geen belemmering. Ze kunnen hooguit hun gedrag gaan aanpassen, maar dan wordt het gedrag onnatuurlijk, gaan ze fouten maken én zullen ze juist eerder gepakt kunnen worden.

2.5 Meer dan een voorspelling

En voorspellen is nog maar een klein deel van het hele verhaal, want het handelen op basis van goede voorspellingen is waar de crux zit (Mali, Bronkhorst-Giesen & den Hengst 2017). Want een algoritme doet niet meer dan het uitrekenen van de kans op een delict. Het vangt dus geen boeven, het vertelt zelfs niet wat je er aan kan doen. Stel dat er een groter risico op inbraken in een bepaald postcodegebied, ga je daar staan posten? En als er niet gebeurt, wat dan? Moet je nog langer wachten? En hoeveel langer dan?  ijf minuten? Tien minuten? Waar moet je op letten? En wat moet je eigenlijk doen?

Als je antwoord op dit soort vragen zou kunnen geven, dan haal je waarschijnlijk nog meer rendement uit de voorspellingen. Waar predictive policing je vertelt wat er kan gebeuren als je niets doet (dan zal in dit vakje waarschijnlijk een incident plaatsvinden), is het veel effectiever om te vertellen wat je zou moeten doen om het incident te voorkomen (Smit, de Vries, Kleij & Van Vliet, 2016). Wat is het effect als je hier vijf minuten rondrijdt? En wat als je daar langer blijft?

En als de kans op een heterdaad maar klein is, welke (tijdelijke) preventieve maatregelen kun je dan nemen? Ga je mobiel cameratoezicht plaatsen als een vakje bijna altijd rood is of ga je meer verlichting aanbrengen? Evidence-based policing kan en zal een deel van het antwoord zijn. Big data helpt bij het beantwoorden van de vraag: wat werkt waar en wanneer? Want immers: meten is weten.

Slimme, effectieve en proactieve aanpak tegen misdaad is duidelijk beter dan achter criminelen aanhollen. Predictive policing, tezamen met de ontwikkelingen op het gebied van Big Data, is daarom een enorme vlucht aan het nemen. Maar ondanks deze ontwikkelingen moet het verschil uiteindelijk op straat gemaakt worden: door agenten en burgers die met deze uiterst relevante informatie op de juiste tijden en plaatsen iets slims kunnen doen.

2.6 Risico’s en kritiek

Er zijn bij het maken van predictive policing nog een heel aantal aandachtspunten, zoals op het gebied van privacy, transparantie en rechtmatigheid. Allereerst is het van belang om te bekijken wat de toepassing van de analytische software betekent voor de privacy van individuele burgers. De Nederlandse politie kreeg in oktober van 2015 een Big Brother Award uitgereikt vanwege haar activiteiten rondom predictive policing. Met de prijs zet privacy-voorvechter Bits of Freedom jaarlijks ‘de grofste privacy-schenders’ in de schijnwerpers. Uit het juryrapport: “De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop en nauwlettend in de gaten. Daar zijn ze nu al mee begonnen.” Is er een gevaar dat de politie (of andere partijen) straks allerlei mensen gaat aanpakken,
omdat dat moest van de algoritmen? Straks worden we door Facebook bij de politie aangegeven voordat we ook maar iets hebben gedaan. Of een privédetective koopt onze data. Of mensen worden op grond van de Nederlandse versie van PredPol staande gehouden, terwijl ze totaal onschuldig met een gereedschapskist door een buurt lopen waar statistisch op dat moment veel wordt ingebroken. Dan heb je als burger ineens veel uit te leggen.

“Juridisch kunnen we er moeilijk mee omgaan dat er achter iedere burger een waarschijnlijkheidspercentage of getal staat.” – Rutger Rienks, voormalig politiemedewerker

Of het zo ver komt, is natuurlijk maar de vraag, rechters zullen niet accepteren dat acties worden ondernomen ‘omdat de computer dat zegt’, en de professionaliteit van agenten zal het klakkeloos overnemen van voorspellingen ook tegengaan. Daarentegen zijn mensen vaak intrinsiek lui, en verleren wij snel die dingen die een computer voor ons overneemt. Transparantie van zowel proces als algoritme is daarom in deze gevallen vereist, zodat beslissingen, zoals preventief ingrijpen, te verantwoorden zijn. Algoritmen die tot een advies leiden zullen niet altijd even doorgrondelijk zijn. Bovendien geven voorspellingen vaak een probabiliteit aan. Het zijn dus geen harde, feitelijke waarheden, ook al zullen ze in een groot deel van de gevallen juist zijn. Juist daarom is het van belang
om de systemen als hulpmiddel te gebruiken om efficiënter en gerichter te kunnen werken. Een verkeerd advies over welke serie te kijken is namelijk van een hele andere orde dan met een arrestatieteam de verkeerde woning instappen. De systemen mogen nooit leidend zijn, dat is de kennis en kunde van de ervaren politieagent. Rutger Rienks voormalig politiemedewerker gaf het volgende praktijkvoorbeeld, dat deze potentiële risico’s goed weergeeft (Rienks, 2015):

Herken de drugsrunner
In 2011 is in Driebergen een systeem ontwikkeld dat op vergelijkbare wijze drugsrunners kon detecteren die heroïne over de weg vervoerden (Schakel et al., 2012). Het systeem kon op basis van een tweetal waarnemingen een drugsrunner onderkennen. Enerzijds aan het bewegingspatroon van een voertuig dat op en neer reed tussen twee steden binnen een bepaald (kort) tijdsbestek. Anderzijds aan het feit dat het waargenomen voertuig eerder in verband was gebracht met drugsgerelateerde feiten. Meerdere camera’s konden langs een route voertuigen herkennen met behulp van een referentiebestand met voertuigen die met drugs in aanraking waren geweest. Dit ging op eenzelfde wijze als de herkenning van een gestolen voertuig. Zo reikte het systeem ons op een presenteerblaadje aan welke voertuigen ‘controlewaardig’ waren.

Door de controleploeg te richten op de door het systeem aangewezen voertuigen ging het aantal gevonden grammen heroïne per gecontroleerd voertuig omhoog van 5 naar 1027 gram. Bovendien was de afhandelcapaciteit vele malen kleiner. Metingen hadden van tevoren aangegeven hoeveel voertuigen de politie gemiddeld op een avond kon verwachten. Hierop werd de capaciteit ingericht. Ook hier ging niet alles goed. Een dame, die in haar nieuwe tweedehands auto met een klein poedelhondje een spuitje haalde bij een dokter, werd door het systeem aangewezen als drugsrunner.
Aangezien de politie de voertuigen niet heel vriendelijk tot stoppen maande, was in dit geval een bosje bloemen achteraf gerechtvaardigd.

Wat als in predictive policing ook real-time data, zoals camerabeelden of sociale media, worden gebruikt? Dit impliceert namelijk dat in meer of mindere mate bewegingen van individuen of groepen gevolgd of in kaart gebracht kunnen worden. Indien gegevens herleidbaar zijn tot individuele personen, is er sprake van persoonsgegevens en is de dataprotectiewetgeving van toepassing. Vanuit een breder perspectief zou een analyse op grond van artikel 8 EVRM aangaande het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belang zijn. Ook al gaat het om de publieke ruimte, dan nog is de bewegingsvrijheid van het individu een recht dat door dit artikel beschermd wordt, omdat er ook de vrijheid is om jezelf vrij te bewegen. Een inbreuk op het recht op privacy is wel toegestaan, maar in die gevallen moet er een wettelijke basis voor bestaan en dient tevens aan proportionaliteit en subsidiariteit te zijn voldaan. Die toets is niet altijd eenvoudig.
In het bijzonder wanneer, zoals in dit overzicht aangegeven, het causale verband tussen predictive policing en een daling van criminaliteit niet altijd eenduidig vast te stellen is.

Daarnaast moet de rechtmatigheid van de systemen bekeken worden. Welke waarborgen worden ingebouwd in het systeem of in de organisatie die een systeem gebruikt om te zorgen dat er geen vergissingen worden gemaakt? En in het geval dat er toch iets misgaat, hoe wordt dat dan opgelost? De voorspellingen zijn gebaseerd op patronen, en wanneer het om specifieke groepen of personen gaat, om profielen. Die profielen zijn ook gemiddelden en geen harde waarheden. Het gevolg kan echter wel zijn dat mensen doordat ze aan een profiel voldoen of daarbij worden ingedeeld een ‘stempel’ krijgen en verdacht zijn. Of op zijn minst extra aandacht krijgen. Dergelijke extra aandacht kan op zichzelf al schadelijk zijn. ‘Daar waar rook is, is vuur’ is in sommige gevallen al genoeg reden om uitgestoten te worden door de omgeving, en voor je het weet geef je iemand het beslissende zetje de negatieve (criminele) spiraal in. Paradoxaal genoeg krijgt het
algoritme dan gelijk, niet omdat de voorspelling daadwerkelijk juist was, maar omdat er wat met de onjuiste voorspelling is gedaan. Een zogeheten self-fulfilling prophecy.

Een gelijkend risico treedt op als dit soort systemen gevoed worden door zogenaamde ‘dirty data’. Denk bijvoorbeeld aan een systeem dat voorspelt waar drugdealers gevonden kunnen worden. De gegevens die worden gebruikt zijn data van aanhoudingen en hoewel dat een mooie objectieve bron lijkt is dat niet zo. Aanhoudingen zullen alleen plaatsvinden in gebieden waar politie aanwezig is, dus van een postcodegebied waar de politie veel aanwezig is, zullen ook veel aanhoudingen zijn. Van een postcodegebied waar geen politie aanwezig is, zullen er ook geen aanhoudingen volgen, terwijl er in principe in beide gebieden evenveel dealers aanwezig zouden kunnen zijn. Nog erger, door het voorspelalgoritme zal er zelfs nog meer aandacht komen voor het eerste gebied; en opnieuw heeft het systeem zijn eigen waarheid gecreëerd.

Voor elk van de benoemde risico’s zijn oplossingen te verzinnen. Sommige zullen technisch van aard zijn (bijvoorbeeld het geautomatiseerd compenseren voor eventuele menselijke vooroordelen), anderen sociaal (bijvoorbeeld extra training en coaching op het gebruik), of iets daartussenin. Zo had het systeem voor het detecteren van drugrunners zonder problemen uitgebreid kunnen worden met zo nu en dan een (blinde) willekeurige steekproef. De beambten hadden dan niet geweten of de melding een echte detectie betrof, of een steekproef, en hadden waarschijnlijk een keer extra gekeken naar wie er achter het stuur zat.

2.7 Predictive policing en ondermijning

Voor het voorspellen van ondermijnende criminaliteit of fenomenen die met ondermijning te maken hebben, is al het nodige onderzoek uitgevoerd. Zo heeft The New Inquiry een website (en app) gepresenteerd waarbij niet de gebruikelijke criminaliteit zoals straatroven en inbraken worden voorspeld, maar juist de onzichtbare ‘white collar crime’ zoals fraude, handel met voorkennis, maar ook leeftijdsdiscriminatie. Hiervoor gebruiken ze precies dezelfde technologieën als CAS en PredPol. Hoewel voornamelijk opgezet als activistische boodschap tegen traditionele predictive policing, laat de voorspelde hoeveelheid criminaliteit (volgens de makers met een 90% betrouwbaarheid) zien hoe groot het probleem van de onzichtbare criminaliteit is.

Dichter bij de meer typische ondermijning-problematiek ligt het onderzoek van (Burnum & Lu, 2008). Op basis van geografische analyse en historische data hebben zij een aanpak ontwikkeld waarmee de locaties van meth-labs (voornamelijk van het productietype ‘shake-and-bake’) konden worden voorspeld. Speciaal daaraan was dat de voorspelling niet enkel aangaf of een bepaalde locatie een lab zou bevatten, maar ook de ‘aantrekkelijkheid’ van de locatie en waargenomen trends en verschuivingen. Daarmee bied het niet enkel de mogelijkheid om tot ‘heterdaadjes’ over te gaan, maar juist ook preventief handelen.

In Nederland hebben zowel de gemeente Tilburg, als het RIEC Rotterdam onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheid tot het voorspellen van (hotspots van) ondermijning. Het in Tilburg uitgevoerde onderzoek (Bolsius, Höcük, Prüfer & Kolthoff, 2018) gebruikt een 15-tal indicatoren om van een bedrijfsterrein te bepalen of deze valt binnen het hoge of lage risicoprofiel. Bouwjaar, het aantal hoge capaciteit aansluitingen, de WOZ-waarde, bedrijfsgrootte, en historische informatie bleken daarbij allemaal een bepaalde voorspellende waarde te hebben. De vraag is vooral, wat te doen met dergelijke informatie? Wie kan er, op welke wijze, een bijdrage leveren om de ondermijnende criminaliteit die plaatsvindt op een dergelijk bedrijfsterrein terug te dringen?

3. Burgerparticipatie

Veiligheid is niet een exclusieve taak van politie of overheid. Ook private organisaties en burgers spelen hierin een belangrijke rol. Participerende burgers en bedrijven worden steeds belangrijker als de overheid zich terugtrekt of met schaarste kampt. Vormen van burgerparticipatie zijn niet nieuw. Wat wel nieuw is, is dat door de technologische ontwikkelingen het aantal mogelijkheden een vlucht heeft genomen. Burgerparticipatie draagt bij aan veiligheid: burgers worden alerter, voelen zich veiliger, het vertrouwen van burgers in de politie kan worden vergroot, en heterdaadkracht is grotendeels afhankelijk van de inbreng van burgers. Verschillende praktijkvoorbeelden laten zien dat burgerparticipatie op diverse fronten nu al resultaat oplevert (Cornelissens & Ferwerda, 2010), zoals de zoektocht naar Anne Faber waarbij de jas door burgerzoekteams die samenwerkten met de familie is gevonden en dit de sleutel tot de zaak was (Lam & Kop, 2020).

Burgers zijn de laatste jaren gevraagd en ongevraagd een steeds grotere rol zijn gaan spelen op het gebied van veiligheid. Burgers melden en signaleren via moderne sociale media kanalen in hun buurt, middels apps of op internet en het is juist van deze signalen van burgers dat de overheid grotendeels afhankelijk is om ondermijning zichtbaar te maken.

Ondermijning kent relatief weinig geregistreerde slachtoffers, en burgers lijken in hun normale leven niet veel last te ondervinden van ondermijnende activiteiten, waardoor meldingsbereidheid laag ligt. Maar wat nu als burgers op de hoogte zijn van de mogelijke dreigingen en risico’s, en liefst in een fase waarin ze het verschil kunnen maken?

Er is in Nederland de afgelopen jaren een sterke groei geweest in duizenden buurten waarin bewoners elkaar op de hoogte houden van verdachte omstandigheden met een Whatsapp-groep. En het lijkt effect te hebben: in Tilburg daalde het aantal inbraken met minstens 50% (Akkermans, & Vollaard, 2015). Als zo’n simpele interventie al zorgt voor 50%, wat doet een op maat gemaakte interventie dan wel niet? En hoe is deze vorm van burgerparticipatie toepasbaar op andere criminele activiteiten? De gedeelde informatie onder burgers heeft in potentie grote impact op de effectiviteit van de aanpak. Niet alleen biedt dit handvatten en handelingsperspectief, maar het kan ook helpen om inzet en interventies te evalueren. Pas dan zal kunnen blijken wat beter werkt: meer controleren en bonnen schrijven of elkaar aanspreken op gedrag.

3.1 Hot of hype?

De politie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers. Zelfs in de opsporing van criminaliteit. In de zomer van 2019 is een app gelanceerd waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf of iets vermoeden. Technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten en met deze app “Mijn onderzoek” proberen politie en justitie op die beweging in te spelen en burgers te faciliteren. Met de app leggen ze – afhankelijk van het misdrijf – de locatie, zichtbare sporen, het mogelijke motief, getuigenverklaringen en gestolen goederen vast. Een andere mogelijkheid is het samenstellen van een compositiefoto van een verdachte. Veel mensen vinden het moeilijk om de juiste ogen, oren of neus op een gezicht te plakken. Daarom bevat de app een trainingsspel, waarmee gezichten van bekende personen ‘bij
elkaar geklikt’ moeten worden. Is het dossier met aanwijzingen compleet? Dan deelt die burger eenvoudig via diverse sociale mediakanalen of e-mail een getuige oproep, en stuurt het complete dossier naar de politie zodat die actie kan ondernemen. Vervolgens wisselen de burger en politie updates uit via de app.

“Vooral technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten. Met de app ‘Mijn onderzoek’ proberen we op die beweging in te spelen en mensen te faciliteren.”  – Oscar Dros, portefeuillehouder burgerparticipatie, politiechef Eenheid Oost-Nederland.

Maar wat als misdaadanalyses in deze dossiers al door software gedaan kunnen worden? Wat als algoritmes de aanwijzingen in het dossier aan elkaar kunnen knopen en mogelijke scenario’s kunnen schetsen? Een foto of schets van een gezicht kan misschien al online gezocht worden. Open source speurwerk dat nu handmatig door burgeronderzoekers zoals Bellingcat wordt gedaan (Bellingcat is een burgerjournalistiek netwerk dat onderzoek doet op basis van open bronnen. De organisatie werd onder andere bekend door haar onderzoek naar de MH17-ramp). Wat als burgers gericht kunnen opletten op basis van slimme software?

Sarea: Samen zoeken met een algoritme als gids
De politie experimenteert sinds kort met diverse apps om burgers actief te laten meezoeken of onderzoek te plegen na een misdrijf. Zo is er de app Sarea waarmee burgers zelf een zoekactie kunnen opzetten naar een vermist persoon. Een slim algoritme berekent op basis van een aantal kenmerken een zoekgebied waarin de vermiste persoon zich kan begeven. Want buurtonderzoek kost veel tijd en mankracht. En wie kun je nu het beste om hulp vragen en waar kun je het beste zoeken? Jaarlijks worden meer dan 40.000 mensen als vermist opgegeven. Gelukkig zijn 70%
van de personen binnen 24 uur teruggevonden. In sommige gevallen helaas niet. Burgers starten vaak zelf een zoekactie voordat de politie in beeld komt. Dat is goed, want juist de eerste 24 uur zijn cruciaal.

Burgers willen graag, maar weten niet altijd hoe ze een zoekactie moeten leiden. Hoe weet je wie waar zoekt? Hoe stuur je mensen aan? De vermissingsapp Sarea (Search Area) helpt door de zoekactie te structureren en te organiseren. Doordat Sarea een afgebakend zoekgebied bepaalt en doordat de coördinator overzicht behoudt van waar wel en niet gezocht is, zorgt Sarea voor cruciale afstemming en samenwerking tussen alle partijen die betrokken zijn bij het zoeken naar een vermiste persoon.

Een zoekactie met Sarea begint doordat iemand (de coördinator) een opsporingsbericht aanmaakt. De coördinator kan naam, geslacht, leeftijd, laatst bekende locatie, datum en tijd van vermissing, mobiliteit, foto en een (korte) omschrijving van de vermiste ingeven. Deze gegevens zijn onder andere nodig om een zoekgebied te bepalen. De coördinator stuurt vervolgens het opsporingsbericht naar mensen in zijn of haar netwerk.

Vooraf en tijdens de zoektocht krijgen de deelnemers via de coördinator aanwijzingen. Bijvoorbeeld over waar te zoeken, of hoe om te gaan met bewijsmateriaal. Op deze manier biedt de app overzicht en coördinatie tijdens de zoekactie naar een vermiste persoon.

3.2 Risico’s en kritiek

De angst voor represailles is legitiem, zeker in het geval van ondermijning. Bovendien zijn burgers zelf soms onbewust of onbedoeld een schakel in criminele handel. Als burgers te actief worden, zoals het zelf opsporen van daders, brengt dat zo mogelijk nog meer risico’s met zich mee. Hoogoplopende emoties kunnen bovendien leiden tot eigenhandig optreden. De ontwikkeling van burgers die een grotere rol spelen in opsporing is nu nog relatief klein, maar het is wel een trend die steeds belangrijker wordt. Daar moet je wat mee. Daarom helpt de app ‘Mijn Onderzoek’ niet alleen bij de opsporing, maar geeft het burgers ook informatie over preventie en over wat volgens de wet wel en niet mag. Daarnaast maakt de app inzichtelijk wat de consequenties zijn van sommige handelingen, zoals het online delen van namen en foto’s van verdachten personen of slachtoffers. Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers, en politieprocessen te veranderen naar cocreatie van veiligheid.

3.3 Burgerparticipatie en ondermijning

Burgers kunnen op allerlei manieren betrokken worden in de aanpak van ondermijning, uiteraard op een veilige en verantwoorde manier. De participatie begint al bij het waarnemen. Zo lanceerde het openbaar ministerie onlangs een campagne rondom speciaal ontwikkeld ‘parfum’: XTACY. Onder het motto ‘eens geroken wordt later herkend’ hoopt men dat burgers de geur van een drugslab waar xtc wordt geproduceerd gaan herkennen op basis van de parfum die doet denken aan de geur van anijsblokjes.

Naast het vergroten van bewustwording en het beter signaleren, zijn er ook nieuwe mogelijkheden om vroege of zwakke signalen te delen. Hieronder een voorbeeld van het anoniem delen van signalen ten aanzien van ondermijning in de stad Milaan:

MafiaMaps


“Maffiosi zijn bang van kennis, veel banger dan dat ze van alle speurders en wetten bij elkaar zijn. Dus hoe meer details we kennen, hoe sterker we staan.” Zo klinkt het in een filmpje van Mafiamaps van vijf jonge onderzoekers aan de universiteit van Milaan die via crowdfunding heel Italië willen bedienen met een app. Er was al een online anonieme Wikimafia waarop beschreven wordt wie de maffiosi zijn, maar het was nog moeilijk om het reilen en zeilen van ze vast te leggen. Mafiamaps biedt een simpele kaart waarop iedereen een digitale punaise kan drukken met iets
dat ze hebben waargenomen, van een maffiabaas die een cappuccino drinkt in een café tot het uitladen van een vrachtwagen of een schietpartij.

Crime mapping, zoals in het voorbeeld van MafiaMaps, is internationaal gezien enorm in ontwikkeling. Niet alleen misdaad in brede zin wordt in kaart gebracht. Er zijn ook thematische kaarten, zoals drugsgerelateerde misdaad, illegale handel en moord. Bij ondermijning hangen veel fenomenen vaak samen, waardoor deze toepassingen aan populariteit winnen. Aangezien het vaak publiek-private samenwerkingen zijn die crime mapping mogelijk maken, en data steeds vaker uit meerdere bronnen zal komen (ook van burgers), is er enerzijds steeds meer mogelijk maar zijn er ook risico’s. Er is meer mogelijk als meersoortige informatie bij elkaar komt en geavanceerde analyses, waaronder voorspellingen, bieden allerlei nieuwe inzichten waarop gerichtere interventies mogelijk zijn. Anderzijds zijn er discussies over de betrouwbaarheid van de data (ook maffiosi delen valse gegevens op MafiaMap), ethische afwegingen zoals de verborgen vooroordelen in de data waardoor bepaalde buurten meer opvallen dan andere, en juridische dilemma’s rondom eigendom en verantwoordelijkheden in het publiek-private domein.

4. Proactieve participatie

Predictive policing kan helpen om op de juiste tijden en plaatsen aanwezig te zijn, zodat burgers zich veiliger voelen en de politie meer gaan waarderen, omdat ze er zijn wanneer het er in hun ogen toe doet (legitimiteit). Maar wat als je ook burgers een rol hierin geeft? Op dat moment creëer je proactieve participatie. Daarmee wordt burgerparticipatie niet alleen een passieve stroom van informatie van burgers naar politie of vice versa, maar kunnen burgers optimaal en daar waar nodig worden ingezet. Optimaal betekend daarin niet enkel kostenefficiënt (extra ogen en oren), maar vooral ook betere mogelijkheden tot het ‘doseren’ van de interventie, en een groter gevoel van betrokkenheid. Het stopzetten van toeslagen, staande houden van auto’s, en het binnenvallen in een pand hebben allemaal potentieel veel grotere negatieve bijeffecten dan een extra stel ogen of iemand aanspreken.

Proactieve participatie in het (opsporings)proces rond ondermijning kan op drie verschillende wijzen.

4.1 De burger als proactief interventiemiddel

De wijze die het meest al daadwerkelijk wordt beproeft is het inzetten van de burger als proactief interventiemiddel. Kortom: waarom de voorspelkaartjes van CAS (of vergelijkbare producten) enkel gebruiken voor het sturen van politie, als dezelfde kaartjes ook kunnen worden gebruikt om burgers in de ‘hot-spots’ en ‘hot-moments’ extra te attenderen op gevaar of zelfs de buurtwacht te vragen een extra rondje te lopen. De Zwitserse politie doet dat al met hun app ‘KAPO Aargau’, maar ook Interpolis heeft een InbraakBarometer beschikbaar gesteld waarin burgers kunnen zien wat die dag het risico is op een inbraak.

Op het gebied van ondermijning gaat het dan vooral om het – zichtbaar – aanwezig zijn in de buurt van locaties die gebruikt kunnen worden als drugspand, illegaal bordeel of samenkomstlocatie, waardoor de aantrekkelijkheid afneemt. Ook het eventueel aanspreken van potentiële (kleine) criminelen valt binnen deze categorie.

4.2 De burger als proactieve barrière

Door de vermenging van boven- en onderwereld worden burgers en bedrijven vaak gewild, of ongewild, onderdeel van de keten van ondermijnende criminaliteit. Denk bijvoorbeeld aan een boer die zijn leegstaande schuur verhuurt voor drugsproductie, (noodlijdende) bedrijven en clubs die worden ingezet voor het witwassen met geld, en hotels die kamers gebruikt zien worden voor (gedwongen) prostitutie. Elk van deze schakels binnen de keten kan worden ingezet als barrière.

Als personen en bedrijven gericht aangesproken kunnen worden op hun (mogelijke) rol kan dat zowel de bewustwording verbeteren, als ook een afschrikkend effect hebben. Een algemeen bericht dat boeren moeten oppassen voor huurders die ‘te veel’ betalen voor het huren van een schuur, zal minder effect hebben dan als een specifieke boer (die voldoet aan de kenmerken van aantrekkelijkheid voor criminelen) persoonlijk op precies hetzelfde risico wordt gewezen.

4.3 De burger als informatiebron

Tenslotte kunnen burgers ook de doorslaggevende informatiebron vormen voor voorspellende algoritmes. Niet alleen door informatie te delen over de daadwerkelijke criminaliteit die ze zien, maar ook door zogenaamde ‘zwakke signalen’ vroegtijdiger te delen. Signalen die niet direct een indicatie van criminaliteit vormen, maar samen met andere trends en gesloten bronnen gecombineerd kunnen worden tot een accurate voorspelling. Zo is de aanwezigheid van bepaalde personen, nachtelijke activiteit of de aankoop van bepaalde grondstoffen niet noodzakelijk strafbaar, maar kan wel degelijke leiden tot een beter beeld, en daarmee ook betere voorspellingen op het gebied van ondermijning.

4.4 Dilemma’s

Net zoals burgerparticipatie en predictive policing los van elkaar behoorlijke kritiek krijgen en dilemma’s oproepen, brengt proactieve participatie ook zijn eigen risico’s met zich mee.

Welke informatie kun je burgers geven? En de vraag is natuurlijk of dat ook altijd handig is. Als je op huisniveau kunt bepalen wat de dreiging is van een inbraak, wil je dan echt naar de bewoners communiceren dat er een grote dreiging is? Zelfs als die dreiging een kans van 1 op 100 is?

Door burgerparticipatie kunnen preventie en heterdaadkracht worden vergroot. Dit zou betekenen dat data of voorspellingen beschikbaar moeten komen voor burgers om ze te activeren. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar het effect dat dit heeft dit op burgers. Vergroot dit de angst? Crime maps in Engeland laten zien dat dit zeker in het begin een negatief effect heeft op het gevoel van onveiligheid, maar vervolgens juist weer een positief gevoel van samenredzaamheid teweegbrengt (1, 2). Eerst schrikt men, dan besluit men er iets aan te doen. De politie moet dus goed nadenken over het effect van de informatie die wordt gedeeld. Niets delen betekent ook verwachtingsmanagement. Want wat hoort de burger te weten?

Daarnaast worden niet alleen eerlijke burgers wijzer, maar ook criminelen. Als de politie exact zou handelen naar de eigen (publieke) misdaadkaarten, dan betekent dat ook dat criminelen precies weten waar ze vooral niet moeten komen. Nog erger: precies dezelfde informatie kan worden gebruikt door criminelen om te voorspellen waar ze de grootste buit kunnen vinden met de laagste pakkans.

Tenslotte is het maar de vraag hoe betrouwbaar voorspelalgoritmes worden als ze worden gevoed door de vaak subjectieve of onjuiste informatie van burgers. Het zal niet de eerste keer zijn dat iemand uit wraak zijn buurman van dingen beschuldigd of dat iemand met een lekke band wordt aangezien voor fietsendief. Een menselijke analist is vaak nog in staat om de brede context te zien van dergelijke meldingen, maar voor een algoritme zijn het gewoon cijfers waarover statistiek berekend kan worden. In een tijd waarin er al twijfels zijn over de legitimiteit en effectiviteit van predictive policing methoden op basis van politiegegevens, is het maar de vraag of burgers wel de juiste bron vormen.

Deze ontwikkeling heeft nog een aantal uitdagingen in zich, die in dit artikel kort benoemd zijn. Het begint al bij de startinformatie. Want zonder deze informatie kan een algoritme en mens niet aan de slag. En “Garbage In is Garbage Out”. Validatieslagen op data zijn van belang, zoals het opwerken van een enkel zwak signaal naar het combineren van een veelheid van bronnen waarin zwakke signalen te vinden zijn.

Maar een belangrijke schakel voordat er informatie binnenkomt is bewustwording. Eén van problemen bij de aanpak van ondermijning is dat veel mensen zich niet bewust zijn van ondermijning: wat is het, hoe herken je het, wat zijn de effecten? Met als gevolg dat mensen het of niet belangrijk vinden en/of niet weten welke signalen zij moeten melden. Het belangrijkste is dus: hoe wordt iedereen bewuster welke informatie hij of zij moet aanleveren en hoe wakker je de urgentie aan? En ook: hoe groot is de kans op criminele contra-strategieën? Criminelen die bewust desinformatie in het systeem voeden om zelf buitenschot te blijven of de concurrent een hak te zetten?

Bij de verwerking van vroege en zwakke signalen hebben we laten zien dat computersystemen en algoritmes simpelweg verwerken wat aan ze gevoed wordt. Een reëel risico dat dan ontstaat is dat zo’n systeem selectieve informatie gebruikt (bijvoorbeeld van bepaalde mensen of buurten) wat kan leiden tot een bias; vooroordelen in de informatie en daardoor (te) selectieve inzet. Dit kan vervolgens leiden tot criminalisering van bepaalde gebieden, personen of sectoren en dat bestaande blinde vlekken in stand blijven of worden versterkt. Voor predictive policing is in de verwerking van deze informatie en het handelen op dit moment nog expertkennis nodig over veel specifieke details van crimineel handelen. Wat voor soort panden worden nu precies gebruikt, welke
vervoersmiddelen, welke witwaspraktijken, etc. Mensen en computers moeten beiden nog beter gaan leren hoe het dagelijks leven van een crimineel, die zich in de onder- en bovenwereld beweegt, er nu precies uitziet.

Naast betere bewustwording, een beter begrip en gericht voorspellen van het fenomeen ondermijning, is het ook nodig de effecten van interventies te kunnen inschatten. Hoe voorkom je bijvoorbeeld tweede-orde-effecten? Het onderscheppen van een lading drugs kan bijvoorbeeld leiden tot strijd in een crimineel netwerk. Een interventie heeft dan mogelijk niet tot gevolg dat Nederland veiliger wordt, maar dat er liquidaties plaatsvinden op straat.

Tenslotte is de vraag wat je met elkaar mag en wilt delen om tot handelen of nieuwe informatie te komen. Met wie deel je wat, en hoe deel je informatie op zo’n manier dat het tot gewenst handelen leidt? En wat is het doel? De aanpak van criminaliteit, het veiligheidsgevoel, of ook de legitimiteit van bijvoorbeeld de politie? Een belangrijk aandachtspunt met betrekking tot het delen van informatie is wederkerigheid, zodat burgers weten dat hun bijdrage daadwerkelijk effect had.

Het risico van enkel een technologie is dat het anoniem wordt en onder de motorkap verdwijnt, waardoor burgers geen zicht meer hebben op het effect van hun handelen. Vanuit motivatiepsychologie is bekend dat dit belangrijk is. Er zullen de komende tijd meer ondersteunende middelen ontwikkeld moeten worden om alle partners in veiligheid optimaal gericht tot handelen aan te zetten. Ondanks de genoemde dilemma’s zit er toekomst in, zij het stapje voor stapje.

5. Toekomst

De kenmerken van ondermijning maken dat het per definitie gaat om een diepgeworteld probleem. Het zit zo diep verankerd in de samenleving, dat het noodzakelijk is om diezelfde samenleving aan te spreken en te benutten om deze problematiek te beheersen. De laatste jaren wordt deze beweging ook zichtbaar in de aanpak. Er is een verschuiving van een strafrechtelijke aanpak, naar een integrale aanpak en in toenemende mate een maatschappelijk georiënteerde aanpak. Deze partijen zijn allemaal in de eerste plaats afhankelijk van informatie om effectief op te kunnen treden.

Tegelijkertijd is informatie vaak het knelpunt in de aanpak. Niet alleen de informatiedeling tussen de verschillende partijen, maar vooral ook het krijgen van informatie en signalen van mensen die met ondermijning te maken krijgen. Hierbij gaat het om informatie van professionals, maar vooral ook van burgers. Een fundamenteel probleem bij de aanpak van ondermijning is dat burgers, overheid en bedrijfsleven ondermijning niet goed herkennen, het niet altijd als last ervaren of onvoldoende bewust zijn van de gevolgen. In sommige gevallen wordt ook bewust weggekeken. En als men al bewust wordt van het fenomeen en de gevolgen is er vaak onvoldoende handelingsperspectief om een waardevolle bijdrage te leveren in de aanpak ervan.

De kernopgave is dus om de juiste informatie en signalen uit de samenleving te verzamelen, deze te duiden en hier betekenisvolle patronen in te herkennen en dit om te zetten naar een handelingsperspectief. Dat is waar de kracht van predictive policing om de hoek komt kijken.

Predictive policing kan ten eerste worden ingezet om de aandacht van burgers en buurten, bedrijven en bedrijfstakken, ambtenaren en overheidsorganen veel meer te richten op die aspecten die van belang zijn voor de aanpak van ondermijning. Bijvoorbeeld het signaleren van criminele ontmoetingsplaatsen, drugskwekerijen en laboratoria, maar ook verdachte transacties of transporten. Het benutten van predictive policing voor de aanpak van ondermijning kan vervolgens een zelfversterkend mechanisme worden. Door de integrale aandacht vanuit verschillende gezichtspunten te richten kunnen meer vroegtijdige signalen worden verzameld. Als men weet waar en waarnaar men moet kijken, ziet men immers meer. Als er meer informatie binnenkomt, is het mogelijk om
op basis van algoritmen steeds beter patronen en kritieke indicatoren te herkennen. Meer en betere informatie houdt in dat partners in de integrale samenwerking meer mogelijkheden hebben en beter in positie te komen om interventies toe te passen.

Toepassingsmogelijkheden van predictive policing blijven echter niet beperkt tot de integrale samenwerkingspartners. Burgers kunnen vervolgens met voorspellend advies op maat gericht worden geprikkeld om te kunnen participeren in de aanpak. De huidige rol van burgers als ogen en oren kan door het bieden van handelingsperspectieven op basis van geanalyseerde informatie worden uitgebreid naar die van preventive guardian. Met handelingen die zodanig zijn afgestemd op spelers uit zowel het publieke als het private domein, zodat eenieder bewust of onbewust een steentje bijdraagt. De eerder genoemde theorieën, zoals de routine activity theory, kunnen hierbij handvatten bieden. Het voorspellen van waar de kans op criminaliteit aannemelijk is, geeft namelijk ook
aanknopingspunten voor eventuele interventies die gericht zijn op de aanpak van verdachten, de aantrekkelijkheid van kwetsbare doelwitten of het verbeteren van toezicht. Deze knooppunten kunnen scherper in beeld worden gebracht door de kracht van big data en de bewustwording van burgers. Er ontstaat een integrale aanpak, inclusief burgers en publiek-private partijen, die door moderne technologie beter gericht en gestimuleerd kan worden met de hoop ondermijning vroegtijdig te signaleren en te voorkomen. Bijvoorbeeld door een looproute die een handhaver of de postbode neemt, tot de looproute bij een buurtschouw van een buurtpreventieteam om verdachte bewegingen rond gebouwen en op straat te signaleren.

Afsluitend kan worden gesteld dat zowel predictive policing als burgerparticipatie kansen biedt voor een innovatieve aanpak. En mogelijk is het raakvlak van beide, ‘human intelligence x artificial intelligence’, daarmee dé formule voor de toekomst op het gebied van ondermijning.

Bibliografie
Akkermans, M., & Vollaard, B. (2015). “Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken – een evaluatie”, Tilburg universiteit, Tilburg. Bolsius, Y., Höcük, S., Prüfer, P., & Kolthoff, E. (2018). “Indicatoren van (georganiseerde) criminaliteit en ondermijning op bedrijventerreinen. Een verkennend onderzoek in de gemeente Tilburg”, Tilburg University – CentERdata, Avans hogeschool, WODC, Tilburg.
Brantingham, P.J., & Brantingham, P.L. (1981). “Environmental Criminology”. Beverly Hills, CA: Sage Publications.
Cohen, L.E., & Felson, M. (1979). “Social Change and Crime Rate Trends: A Routine Activity Approach”. American Sociological Review. 44(4): 588-608.
Cornelissens, A., & Ferwerda, H. (2010). “Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar de aard, werkwijzen en opbrengsten”. Politie en Wetenschap, Apeldoorn.
Cornish, D.B., & Clarke, R.V. (1987). “Understanding Crime Displacement: An Application of Rational Choice Theory”. Criminology, 25(4), 933-947.
Faber, W. (2013). Ondermijning als activiteit en als gevolg. Een poging tot duiding van een lastig te definiëren fenomeen. Finecscience. Geraadpleegd van .
Lam, J., & Kop, N. (2018, 30 april). In het schemergebied van de wet. Secondant.
Lam, J., Wal, R. van, & Kop, N. (2018). “Sluipend gif. Een onderzoek naar ondermijnende criminaliteit”. Apeldoorn/Den Haag: Politieacademie/Boom Criminologie.
Lam, J., & Kop, N. (2020). “Schouder aan schouder. Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber”. Politieacademie, Apeldoorn.
Lu M., & Burnum J. (2008). “Spatial Patterns of Clandestine Methamphetamine Labs in Colorado Springs, Colorado”. In: Thomas Y.F., Richardson D., & Cheung I. (eds), Geography and Drug Addiction. Springer, Dordrecht.
Mali, B., Bronkhorst-Giesen, C., & den Hengst, M. (2017) “Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot”. Politieacademie, Apeldoorn.
Perry, W., McInnis, B., Price, C., Smith, S., & Hollywood, J. (2013). “Predictive policing: The Role of Crime Forecasting in Law Enforcement Operations”. Santa Monica:RAND.
Politie Amsterdam-Amstelland (2009). Over ondermijning. Een verkenning naar het fenomeen, de aanpak en mogelijke verbeteringen. Amsterdam: Politie Amsterdam-Amstelland.
Rienks, R. (2015): “Predictive Policing. Kansen voor een veiligere toekomst”. Politieacademie, Apeldoorn.
Smit, S., de Vries, A., van der Kleij, R., & van Vliet, H., (2016). “Van predictive naar prescriptive policing; Verder dan vakjes voorspellen”, TNO, Den Haag.
Tops, P., Valkenhoef, J. van, Torre, E. van der, Spijk, L. van (2018). “Waar een klein land groot in kan zijn. Nederland en synthetische drugs in de afgelopen 50 jaar”, Politieacademie,
Boom criminologie, Den Haag.
Tops, P., & Tromp, J. (2019). “De achterkant van Amsterdam. Een verkenning van drugsgerelateerde criminaliteit”, Gemeente Amsterdam, Amsterdam.
Voskuil, K. (2019). “Drugseconomie Amsterdam is onbeheersbaar geworden”, Algemeen Dagblad.

Bron: Cahier Politiestudies

Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden

Het schrikt inbrekers af als er buurtwachten op straat lopen. Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals een WhatsApp-buurtpreventiebord, heeft veel minder effect. Dat blijkt uit een onderzoek in opdracht van het programma Politie en Wetenschap, waarbij het gedrag van inbrekers met virtual reality werd bestudeerd. Inzicht in de denkwijze van inbrekers en de keuze van hun doelwitten, kan helpen om woninginbraken te voorkomen.

Het onderzoek werd uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Twente. Zij gingen met 181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers aan de slag. Hierbij kregen de deelnemers een virtual reality-bril op, waarmee zij door twee virtuele wijken ‘liepen’. Via deze methode werd onderzocht wat inbrekers in een wijk afschrikt.

Sybren van der Velden, projectleider woninginbraken bij de politie, reageert op de onderzoeksresultaten. ‘We zijn natuurlijk geïnteresseerd in dit innovatieve onderzoek. De aanpak van woninginbraken is en blijft belangrijk. We zien een groei van de buurtwachten, die extra “ogen en oren” in de wijk vormen. Als politie werken we samen met deze buurtteams. Buurtwachten kunnen niet 24/7 zichtbaar zijn en dat geldt wel voor de buurtpreventieborden. In onze ogen versterken de buurtwacht en preventieborden elkaar dan ook. En dat geldt ook voor andere maatregelen zoals bijvoorbeeld goed hang- en sluitwerk en aandacht voor het afsluiten van ramen en deuren. Zeker in deze periode rond de feestdagen – waarin we een toename van het aantal inbraken zien – is het advies bij afwezigheid om ramen en deuren goed af te sluiten en een lamp aan te laten, bijvoorbeeld met een automatische tijdschakelaar. ‘

Buurtpreventie

Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, schrikt inbrekers nauwelijks af. De zichtbare, fysieke aanwezigheid van buurtbewoners op straat doet dit wel.

181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers namen deel aan dit unieke onderzoek. Het onderzoek had twee doelen. Het eerste doel was om vast te stellen of virtual reality als onderzoeksmethode gebruikt kan worden om inbrekers te bestuderen. Het tweede doel was om te onderzoeken of en hoe de fysieke of symbolische aanwezigheid van buurtbewoners inbrekers afschrikt. Hiervoor werden twee virtuele wijken ontwikkeld. In de eerste wijk werden deelnemers blootgesteld aan verschillende afschrikkingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, in de tweede wijk werden zij virtual blootgesteld aan de aanwezigheid van een buurtbewoner. Aan deelnemers werd gevraagd beide wijken te scouten alsof zij een woninginbraak wilden plegen. Na dit scoutingsproces werden er verschillende vragenlijsten afgenomen over wat hen aantrok of afschrikte en werd een kort interview gehouden met de inbrekers.

Uit de reacties van de inbrekers bleek dat zij de virtuele wijken als realistisch ervoeren. Zij hadden veelal het gevoel daadwerkelijk in de virtuele omgeving te zijn. Dit wijst erop dat het gedrag in de virtuele wereld sterk lijkt op het gedrag dat deze inbrekers vertonen in de echte wereld. Hiermee wordt bevestigd dat virtual reality een effectieve onderzoeksmethode kan zijn om inbrekers te bestuderen.
De effectiviteit van het plaatsen van borden om inbrekers af te schrikken lijkt bescheiden te zijn. Vooral niet-inbrekers reageerden op afschrikkingsborden, waarbij zij bijvoorbeeld sociale cohesie in de buurt hoger achtten wanneer deze borden aanwezig waren. Dit laat zien dat, alhoewel een bord misschien voor de gewone burger een bepaalde impact heeft, dit voor inbrekers niet het geval is.

De aanwezigheid van buurtbewoners had wel een afschrikkend effect op inbrekers. Wanneer er een virtuele buurtbewoner in de wijk aanwezig was werd onder andere de waargenomen pakkans als hoger gezien, terwijl de aantrekkelijkheid van de wijk afnam. Hiermee wordt bevestigd dat de fysieke aanwezigheid van buurtbewoners een belangrijke factor is om inbraken te voorkomen.

Rapport

Het onderzoeksrapport ‘Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden’ vindt u hier.

[slideshare id=207784342&doc=vr-191219153522&type=d]

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen
Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politie 

Politie, Politieacademie, Politie en Wetenschap en het directoraat generaal Politie (ministerie Justitie en Veiligheid) organiseerden op 9 april 2019 de jaarlijkse conferentie over onderzoek naar, voor en door de politie. De conferentie bood een overzicht van actueel wetenschappelijk onderzoek in Nederland en brengt beleidsmakers, wetenschappers en politie samen om in gesprek te gaan over de betekenis van dit onderzoek voor de toekomst van de politie.

De conferentie bood volop gelegenheid tot interactie, kennisuitwisseling en netwerkvorming. Centraal stond de vraag naar de relevantie en doorwerking van de verschillende onderzoeken in beleidsvorming en politiepraktijk en -onderwijs. Tijdens de conferentie werd ook ingegaan op de strategische onderzoeksagenda voor de politie 2019-2022. Ook werd stilgestaan bij verschillende vormen van praktijkonderzoek binnen de context van de politie.

[slideshare id=140312201&doc=192961-strategischeonderzoeksagendapolitie2019-2022-190410135109&type=d]

De dag werd afgetrapt door Ferd Grapperhaus (Minister van Justitie en Veiligheid), Liesbeth Huijzer (Lid Korpsleiding Politie) en Edwin Bakker (Hoofd Kennis & Onderzoek Politieacademie).

Hieronder een overzicht van alle dialoogsessies:

1. Gebiedsgebonden politie: hervorming is broodnodig
Nikita Rombouts en Judith van Valkenhoef, onderzoekers Politieacademie
Dennis van Kommer, teamchef Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag
Jur Westra, operationeel specialist C team Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag

De Nederlandse politie zet met gebiedsgebonden politie (GGP) al decennialang veel kaarten op lokale kennis, contacten en invloed. Tevredenheid over de openbare orde en over GGP veronachtzaamde hoe makkelijk drugscriminelen geld verdienen en op hun manier bijdragen aan het lokale leefklimaat. Wijkagenten en andere medewerkers van basisteams signaleren in wijken en dorpen vandaag de dag veel georganiseerde (drugs)criminaliteit, vaak zonder (kans) dat er een opsporingsonderzoek wordt gestart. Dit is een ongemakkelijke realiteit die vraagt om andere lokale politie: herdefiniëring van het GGP-concept en een betere organisatorische inrichting op lokaal niveau. De huidige basisteams zijn de XL-variant van de oude wijkteams die vanaf jaren zeventig van de vorige eeuw werden ingevoerd. De personele samenstelling van de basisteams is te generalistisch. De basisteams zijn gebaseerd op ontwerpkeuzen die structurele knelpunten opleveren bij een belangrijke kernopdracht van de politie, namelijk opsporing.

De geringe slagkracht van generalistische politiemensen bij misdaadbestrijding laat al ruim dertig jaar veel ruimte bestaan voor criminelen. Dat is een probleem met kenmerken van een creeping crisis of institutionele crisis. Immers, het dominante GGP-concept negeert al lange tijd de grote behoefte onder politiemensen (juist ook wijkagenten), burgers en burgemeesters aan een politie die steviger en effectiever optreedt tegen lokale misdaad. Als een instituut dergelijke kritiek veronachtzaamt, brokkelt haar legitimiteit langzaam maar zeker af. Hervorming is dan noodzakelijk. We verwerpen het idee van GGP niet, maar het is noodzakelijk om het te hervormen en om zo de basis op orde te brengen. We gaan in deze dialoogsessie graag in gesprek over wat deze bevindingen betekenen voor de politie van overmorgen. Link naar de notitie: https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/95323.PDF

[slideshare id=140312749&doc=95323-190410135646&type=d]

2. The ecological validity of evidence disclosure models in interviews with suspects
Martijn van Beek, docent-onderzoeker Politieacademie / promovendus University of Derby Jos Hoekendijk, recherchepsycholoog Politie eenheid Noord-Nederland

De ervaren hoeveelheid bewijs is voor een verdachte een belangrijke factor bij de beslissing om in verhoor wel of geen aanvullende informatie te verstrekken. Het (a) moment waarop en (b) de manier waarop in verhoor bewijs (tactische aanwijzingen) onthuld wordt aan de verdachte zijn voor de verhoorder dan ook belangrijke instrumenten om verdere informatie te kunnen verzamelen. In onderhavig promotieonderzoek worden drie modellen daarvoor onderling vergeleken: het model dat momenteel gebruikelijk is in de Nederlandse politiepraktijk en twee buitenlandse, vanuit de wetenschap ontwikkelde modellen.

Uit de eerste bevindingen blijkt dat de drie modellen er ook in een praktijkgerichte setting inderdaad toe leiden dat verdachten van een pseudo-diefstal meer informatie verstrekken dan wanneer hen alleen naar hun eigen verklaring wordt gevraagd. Dit geldt voor zowel schuldige als onschuldige verdachten. Onderzocht wordt of deze extra informatie het ook mogelijk maakt een beter onderscheid te maken tussen schuldige en onschuldige verdachten.

Recherchepsycholoog Jos Hoekendijk van de eenheid Noord-Nederland gaat tijdens de dialoogsessie in op de vraag hoe de bevindingen van het onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan meer op maat gemaakt verhooradvies en aanpassingen in verhoorstrategieën.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Verdachten in Nederland hebben tegenwoordig recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens verhoor. Onderzoek uit landen waar deze rechten eerder al ingevoerd zijn, laat zien dat de advocaat voor zijn advies aan de verdachte vaak ook vaart op het bewijs dat de politie voor of tijdens het verhoor onthult. Het verdachtenverhoor krijgt daarmee een meer strategisch karakter. Inzicht in wat het meest effectieve moment en wat de meeste effectieve wijze van onthullen van bewijs is, helpt de politie zich aan deze veranderingen aan te passen.

3. Van reactief naar proactief: de meerwaarde van data-driven AI modellen om criminaliteit tegen te gaan
Bob van der Vecht en Selmar Smit, senior researchers TNO

Hoe kunnen data-driven modellen bijvoorbeeld overlast of kleine criminaliteit voorspellen in een stad? En als je dit kan voorspellen, wat doe je daar dan vervolgens mee? Er zijn meerdere initiatieven voor data-driven AI modellen ter ondersteuning van politiewerk. Door maatregelen te nemen op basis van voorspellingen, kunnen er waterbedeffecten en andere neveneffecten optreden. AI modellen en simulaties kunnen op basis van gedragstheorieën helpen om deze aan te zien komen. Maar hoe kunnen deze modellen in praktijk effectief ingezet worden?

Het inzetten van AI vereist een goed inbedding van expertkennis van politiemensen in de modellen. Hoe kan daarvoor gezorgd worden? En gaan de recherche skills en intuïtie van politiemensen op termijn niet verloren door gebruik van modellen? En versterkt het gebruik van modellen juist tunnelvisie?

Het gebruik van AI roept veel vragen op. In deze dialoogsessie presenteren wij recente AI-onderzoekprojecten voor politietoepassingen, waarin wij data-driven AI technieken integreren met expertkennis en criminologische theorieën. We bespreken de consequenties van vragen zoals bovenstaande voor zowel onderzoek als praktijk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Door ontwikkelingen van AI-onderzoek zal er bij de politie in de toekomst een verschuiving plaatsvinden van reactief af gaan op meldingen naar proactief optreden. Voor de politieorganisatie heeft dit impact op mens, organisatie en techniek.

4. Medewerkersparticipatie bij de politie
Ivo van Duijneveldt, adviseur/onderzoeker AEF
Fleur Hilhorst en Justine Kaasjager, senior organisatieadviseurs, Politie / PDC HRM / Team Ontwikkelen en Veranderen

Hoe kunnen medewerkers participeren bij beslissen in en over het werk? Deze vraag staat centraal in een onderzoek naar medewerkersparticipatie bij de politie. Het onderzoek vindt plaats in opdracht van de Korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad. Doel van het onderzoek is een groter inzicht te verkrijgen in medewerkersparticipatie. Welke betekenis geven medewerkers en leidinggevenden eraan? In hoeverre vinden zij het van belang? Wat maakt dat medewerkersparticipatie soms als vanzelf ontstaat, maar soms ook heel moeizaam? Deze vragen worden beantwoord op basis van veldwerk in uiteenlopende teams in de politieorganisatie. In het onderzoek zijn zowel blauwe, grijze als ondersteunende teams betrokken. Ook richten de onderzoekers zich op een analyse van goede voorbeelden, verbeterinitiatieven en innovaties die vanuit het werk zijn ontstaan. Het onderzoek wordt eind 2019 afgerond. In deze dialoogsessie geven de onderzoekers een presentatie van de eerste inzichten uit het veldwerk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De korpsleiding beschouwt medewerkersparticipatie van strategisch belang voor de politie. Om adequaat en snel in te kunnen spelen op wat er speelt in de maatschappij is het van belang dat politiemensen zelf richting en invulling kunnen geven aan hun werk. Medewerkersparticipatie veronderstelt dat medewerkers actief bijdragen aan het onderzoeken van vraagstukken die spelen in het werk en aan het bedenken van oplossingen. Dit leidt tot groter eigenaarschap voor zowel het vraagstuk als de oplossingen. Medewerkersparticipatie draagt bij aan draagvlak voor beslissingen en voor beleid, als medewerkers zelf betrokken zijn bij het analyseren en definiëren van het vraagstuk en bij het bedenken van oplossingen. Daarnaast is uit onderzoek bekend dat ruimte voor participatie positief bijdraagt aan de kwaliteit van het werk en aan de arbeidssatisfactie. Als medewerkers ruimte ervaren om zelf te kunnen sturen op het werk, draagt het bij aan reductie van werkstress en daaraan gerelateerd verzuim.

5. Op zoek naar de Buzz: (sociale) media en het delictgedrag van plegers van high impact crimes
Nicole Bouman, onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jos van der Stap, landelijk overvalcoördinator Politie

Onderzoek naar de sterke groei van het aantal overvallen in Nederland leverde een interessante bijvangst op. Overal in het land, letterlijk van Groningen tot Maastricht, doken ineens overvallers op die vergelijkbaar delictgedrag lieten zien. Bijvoorbeeld in hun keuze voor bepaalde objecten, of hun modus operandi (Rovers et al. 2010). Dit patroon van kopiëren kon niet verklaard worden uit het feit dat het hier over dezelfde daders ging of over daders die elkaar allemaal kenden. Er leek sprake van een copycat effect (Coleman 2004). Er hing iets ‘in de lucht’, dat die overvallers kennelijk oppikten en waar ze hun delictgedrag op leken aan te passen.

In 2016 liet de Taskforce Overvallen de intensieve aanpak van overvallen evalueren. Die aanpak bleek een succes. In 2009 piekte het aantal overvallen in Nederland nog met ongeveer 3000 incidenten. In 2016 was dit teruggelopen tot ongeveer 1200 incidenten per jaar. Eén van de factoren die dit succes zouden kunnen verklaren, was dat in de voorbije jaren allerlei partijen in allerhande media veel aandacht hadden besteed aan de aanpak van overvallen. Zou het dan zo kunnen zijn, dat deze mediacommunicatie een eigenstandig effect had op de beslissing van potentiële daders om (voorlopig) niet meer voor dit delict te kiezen (Rovers & Fijnaut 2016)?

Stel dat in kringen van overvallers is gaan rondzingen dat je dit delict beter even niet kan plegen. Dat er zoiets als een Buzz is ontstaan. Met deze hypothese begon dit onderzoek. En dat (sociale) media daar een rol bij speelden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van delictgedrag, lag voor de hand. Surette (2014) vroeg daders of ze ooit via de media een idee hadden opgedaan voor het plegen van een delict. Een kwart van de betrokkenen antwoordde hierop bevestigend.

Met dit onderzoek wilden we een beter inzicht krijgen in wat er in kringen van plegers van high impact crimes (HIC: overvallen, straatroven, woninginbraken en geweld) precies gebeurt naar aanleiding van bepaalde (sociale) media-uitingen. Over wat voor type uitingen gaat het dan, via welke kanalen en met welke content? Verder wilden we weten wat de effecten van die media-invloed zijn op individuele beslissingen om wel of niet een delict te plegen. En of het zo zou kunnen zijn, dat die media-invloed ook tot groepseffecten leidt. Want in dat laatste geval zouden we van een Buzz kunnen gaan spreken.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid door Hans Moors, Ben Rovers en Nicole Bouman. Publicatie wordt verwacht voor april 2019.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

In de voorbije jaren zijn beleidmakers tot de conclusie gekomen dat enkel repressie niet werkt bij plegers van HIC-feiten. Aanvullende beleidsstrategieën, zoals een persoonsgerichte aanpak, zijn nodig om de frequentie van deze delicten terug te dringen. Beïnvloeding van deze groep (potentiële) daders via mediacommunicatie is mogelijk een aanvullende strategie om dit doel te realiseren. Dit onderzoek maakt duidelijk of dit een zinvolle strategie kan zijn.

Daarmee wordt een belangrijke leemte opgevuld in de bestaande kennis over dadergerichte preventie door middel van communicatie. Onderzoek naar de effecten van (preventieve) communicatie op delictgedrag focust namelijk vaak op de zendende partij (Santos & Santos 2016). Hiermee gaat het voorbij aan een vitaal aspect in de causale keten: de criminelen, hun mediaconsumptie, en de betekenis daarvan voor hun delictgedrag. Er is opmerkelijk weinig bekend over hoe specifieke groepen criminelen naar (sociale) media kijken en morele afwegingen maken die hun handelen beïnvloeden (Van Ommen 2018; Janicke 2013; Tamborini et al. 2012). Dit onderzoek richt zich op dat vitale aspect en start juist aan de kant van de ontvanger van de boodschap: de (HIC-)delictpleger. Deze kennis is in hoge mate praktijkrelevant, omdat die concrete aanknopingspunten kan bieden voor evidence-based communicatiestrategieën gericht op daders van wie de delicten een grote impact hebben op de samenleving.

6. Politiewerk in een diverse samenleving
Sandra ter Woerds en Valerie Peeck, onderzoekers Politie eenheid Amsterdam (Team A&O)
Rutger Hendriksen, teamchef basisteam Zuidoost-Bijlmermeer, Politie eenheid Amsterdam
Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke

In 2018 werd binnen de eenheid Amsterdam tegelijkertijd onderzoek gedaan naar het politiewerk in de Bijlmer én naar de aanpak van professioneel controleren binnen de eenheid. In deze dialoogsessie presenteren onderzoekers van Bureau Beke en onderzoekers van de politie in samenhang de bevindingen van deze onderzoeken.
De nadruk zal liggen op de raakvlakken tussen beide: het vormgeven van professioneel politiewerk in een diverse samenleving. Hoe gaat (en ging) dat in de Bijlmermeer? En hoe meet je de effecten van professionalisering op dit vlak?

Waar staan we in de Bijlmermeer? (Team A&O politie eenheid Amsterdam)
In de media wordt soms scherpe kritiek geuit op het werk van de politie bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarbij burgers onjuist bejegend of onterecht behandeld worden. De relatie tussen de burger en de politie zou onder druk staan, voornamelijk in wijken met een diverse bevolking. In de media is veel aandacht voor de beleving van de burger. Maar hoe wordt dit door politiemedewerkers ervaren?

Vanuit het district Oost (Eenheid Amsterdam) werd opdracht gegeven voor een onderzoek om te achterhalen welke perceptie politiemedewerkers van basisteam Bijlmermeer hebben van de zeer diverse samenleving in hun werkgebied, de tegenstellingen tussen groepen onderling en de verhouding tussen burgers en de politie.
De vraag is hoe zij daarbinnen invulling geven aan hun professioneel handelen en hun vakmanschap? In dit onderzoek staan de verhalen en ervaringen van de medewerkers van het basisteam centraal. Zij zijn uitvoerig geïnterviewd over hun werk in de Bijlmermeer en hun contact met de burgers in de wijk. Het vertelt ‘het verhaal’ van het basisteam Bijlmermeer gebaseerd op hun beleving.

Professioneel controleren (Bureau Beke)
De aanpak van professioneel controleren staat momenteel binnen politie-eenheid Amsterdam volop in de belangstelling, ook omdat de politie regelmatig het verwijt van etnisch profileren krijgt. Momenteel worden al bestaande maatregelen voor professioneel controleren aangevuld met nieuwe, vaak innovatieve maatregelen. Nu er zoveel aandacht uitgaat naar de aanpak, bestaat ook de wens om te kijken naar de effecten hiervan. Maar voor de driehoek is het nog de vraag welke criteria hiervoor relevant zijn. Deze criteria zijn nader bepaald in dit onderzoek en zullen worden gebruikt voor een periodieke scan op de maatregelen. Bureau Beke zal een toelichting geven op dit onderzoek.
Wat betekent je onderzoek volgens jou voor de toekomst van de politie?

Deze beide onderzoeken geven inzicht in de ontwikkeling(en) van de professionalisering van het omgaan met diversiteit binnen het politiewerk. Hoe kan je hier handen en voeten aan geven en hoe blijf je aangaande deze materie een vinger aan de pols houden?

Daarnaast maakt het onderzoek ‘Waar staan we in de Bijlmermeer?’ duidelijk dat het basisteam Bijlmermeer een uniek verhaal te vertellen heeft wat betreft de aard en de ontwikkeling van het politiewerk in de eigen wijk. En zo zal ieder basisteam in Nederland op soortgelijke wijze een geheel eigen verhaal te vertellen hebben over het politiewerk en het contact tussen de politie en de burgers in de wijk. Hoe mooi zou het zijn om ook de verhalen van andere basisteam op soortgelijke wijze voor het voetlicht te brengen?

7. Geolinkage & Geoselectie; geografische analyses voor efficiënter politiewerk.
Jasper van der Kemp, universitair docent Criminologie, VU School of Criminology, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam
Rixt Brouwer, analist A&O, Politie eenheid Amsterdam
Sander Tulp, procesmanager BI (OSB), Politie eenheid Noord-Nederland

Politiewerk vraagt om het maken van keuzes om de beperkte capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. De noodzaak tot het maken van efficiënte keuzes geldt voor surveillances die gericht zijn op het genereren van een preventief effect door de aanwezigheid van meer blauw op straat tot het gericht zoeken naar verdachten in grootschalig opsporingsonderzoek. Door gebruik te maken van geografische analyses kan gerichtere inzet worden bewerkstelligd; door surveillance te sturen naar die locaties waar de incidenten zich vooral afspelen, door gebiedsgebonden probleemgericht te interveniëren of door het geografisch gedragskundig koppelen van zaken tot series om effectief te rechercheren.
In deze dialoogsessie zullen verschillende geografische analyses aan de hand van voorbeelden worden toegelicht en bediscussieerd in het licht van de mate waarin deze in de politiepraktijk kunnen worden toegepast. Denk hierbij aan het bepalen van de risk terrain profielen van wijken voor woninginbraak; het vaststellen van de hot streets van autobranden (vs hot spots) en het selecteren en koppelen van zaken tot mogelijke series.

8. Openbare orde online; de rol van gemeente en politie
Willem Bantema, senior-onderzoeker NHL Stenden Hogeschool
Imke Smulders, docent communicatie en taalvaardigheden Juridische Hogeschool Avans-Fontys / onderzoeker expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool
Sander Hoed, digitaal wijkagent team Nijmegen Zuid, Politie eenheid Oost Nederland

Willem Bantema et al. (2018). Burgmeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld (Politie en Wetenschap).
Imke Smulders (2017). #Politie. Twittergebruik door wijkagenten & de veiligheidsbeleving van de burger (Proefschrift – OU).

Er zijn veel voorbeelden van openbare ordeverstoringen met een digitale component. Te denken valt aan oproepen tot snelwegblokkades, boze burgers, bedreigingen aan bestuurders, aankondiging van demonstraties en bijvoorbeeld sexting-zaken die gevolgen voor de openbare kunnen hebben. In tegenstelling tot fysieke openbare ordeverstoringen is het bij openbare ordeverstoringen met een digitale component minder duidelijk in hoeverre zij onder verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters vallen. Juridisch gezien blijkt uit de studie ‘burgemeesters in cyberspace’ dat openbare-ordebevoegdheden van burgemeesters niet zijn toegesneden op de online wereld. Vanuit de praktijk worden strafrecht en OM vaak als aangewezen partij gezien voor handhaving in cyberspace, mede door het grens overstijgende karakter ervan.

Dit roept meer fundamentele vragen op die zich natuurlijk niet beperken tot de gemeente. Wat is precies de rol van gemeenten op dit gebied? Welke verstoringen kunnen gezien worden als een openbare orde probleem en welke niet? Lopen gemeenten de politie niet voor de voeten als ze hier een meer actieve rol zouden willen spelen? Waar begint de rol van de gemeente en of politie en waar houdt die op, hoe verhouden hun taken zich tot elkaar? Zijn partijen voldoende toegerust op de uitvoering van hun taken? Doen soortelijke discussies en problemen zich buiten de gemeente ook voor binnen de politiepraktijk, wat betekenen de digitale ontwikkelingen voor hun werk in de toekomst?

De rol en ervaringen van gemeente worden belicht door Willem Bantema die ook vervolgonderzoek gaat doen naar mogelijke gemeentelijke interventies in cyberspace (Justitie en Veiligheid) en naar het monitoren in cyberspace door gemeenten (Politie en Wetenschap). De rol van de politie wordt belicht door de recent gepromoveerde Imke Smulders die onderzoek heeft gedaan naar het twittergebruik van digitale wijkagenten en het effect daarvan op ervaren veiligheid door burgers en door digitale wijkagent Sander Hoed vanuit zijn praktijkervaring.

De dialoogsessie heeft tot doel discussie te voeren over ervaringen met online dreigingen (signalering en interventies) en het voeren van discussie over de rollen en onderlinge verhoudingen tussen politie en gemeenten. In hoeverre is de politie gebaat bij handelingen van gemeenten en burgers op dit gebied? Welke input zou het politiewerk bevorderen en welke input werkt juist belemmerend? Waar kunnen partijen elkaar effectief aanvullen en of versterken? Is de burger überhaupt bereid en bekwaam om een actieve rol te spelen en zo ja, liggen er dan ook mogelijk ongewenste neveneffecten op de loer? Invloed op onder andere de veiligheidsbeleving of het oordeel over de politie is niet ondenkbaar. Naast juridische vragen gaat het dan ook over normatieve en organisatorische vragen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door de toenemende digitalisering is de vraag of er wat moet gebeuren inmiddels achterhaald, maar het is wel vaak onduidelijk wie die dreigingen moet signaleren en wie moet ingrijpen.
Nu is het vaak onduidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Zeker wanneer er niet sprake is van een strafbaar feit (geen OM) maar wanneer er wel duidelijk bedreigingen zijn voor de openbare orde en veiligheid. Wanneer gemeenten een actieve rol zouden spelen bij het signaleren en interveniëren in cyberspace zou dat de lokale gemeenschap en politie veel tijd en moeite schelen en kan politietijd ingezet worden voor meer ‘harde’ criminaliteit. Aan de andere kant kan ook de overweging meespelen dat de wijkagent in deze tijden juist ook online het contact met zijn wijk wil en moet houden; wanneer gemeenten vanuit een actievere rol zaken gaan afvangen, ontstaat dan niet het risico dat kennis die relevant is voor de taakuitoefening van de wijkagent niet meer bij hem terechtkomt? Of het risico dat bepaalde informatie niet meer wordt gedeeld, omdat de burger het lijntje met de (bekende) wijkagent als korter ervaart dan dat met de gemeente? Het is ook de vraag in hoeverre vanuit de politie behoefte is aan steun op dit gebied door gemeenten en de vraag waartoe gemeenten/burgemeesters en politie op aarde zijn en hoe ze elkaar in de werkzaamheden/handhaven van de openbare orde en veiligheid het beste kunnen versterken. Moet er bijvoorbeeld massaal geïnvesteerd worden in het opleiden van digitale wijkagenten of moet de politieorganisatie juist verder ontlast worden en moeten gemeenten een grotere rol krijgen op dat gebied?

9. ‘Komt een amateur rechercheur bij de politie’
Arnout de Vries, wetenschappelijk onderzoeker TNO
Shanna Wemmers, scientist innovator TNO

Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing? Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze dialoogsessie willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/

10. Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie
Nanette Slagmolen, wetenschappelijk onderzoeker Politieacademie
Basya Berends, coördinator Master Tactisch Leidinggevenden Politieacademie
Dave Deswijzen, toegevoegd teamchef C team Maastricht, Politie eenheid Limburg

Het prijsgeven van vertrouwelijke politie-informatie wordt onderkend als een ernstig vergrijp, zowel door politiemensen zelf als in de samenleving. Vooral gevallen waarin zulke informatie aan criminelen blijkt te zijn verkocht, kunnen op massale media-aandacht rekenen. Ze leiden tot speculatie over de omvang (neemt het toe?) en de oorzaken (frustratie onder agenten over de reorganisatie, gerichte ondermijning door georganiseerde misdaad?).

Voor het onderzoek ‘Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Aard, omvang en ernst van het fenomeen bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee’ kregen de onderzoekers toegang tot alle dossiers (2015 en 2016) van de afdelingen die integriteitsschendingen onderzoeken bij de Politie en de Marechaussee. Voor het eerst zijn zo middels systematische dossieranalyse aard, omvang en ernst van lekken in kaart gebracht. Deze fenomeenbeschrijving geeft de politie handvatten voor preventieve maatregelen. Ook beschrijven de onderzoekers de wijze waarop meldingen van lekken worden behandeld, wat aanknopingspunten voor verbeteringen biedt.

Uit het onderzoek blijkt dat het lekken van politie-informatie vaak voortkomt uit onoplettendheid in de alledaagse, uitvoerende politiepraktijk. Ook zien sommige politiebeambten niet altijd kwaad in het onrechtmatig opzoeken van informatie omdat ze het niet delen met derden, het zogenoemde lekken aan jezelf. Waar de onderzoekers nauwelijks zicht op kregen, was het perspectief van de leidinggevende op het feit dat een medewerker verdacht werd van of bestraft werd voor het lekken van informatie. In de dossiers werd bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek of verhoor met de leidinggevende gevonden.

Als het gaat om onoplettendheid en het ongeoorloofde gedrag – wat lekken van informatie aan anderen en aan jezelf is – verwachten de onderzoekers dat leidinggevenden een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie. Om meer aandacht en bewustzijn te stimuleren voor het fenomeen lekken van informatie, is de rol van leidinggevende van belang. Die rol van de leidinggevende is een blinde vlek gebleken in het huidige onderzoek en daarom willen we tijdens de dialoogsessie met de groep verkennen hoe leidinggevenden die rol kunnen vervullen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Burgers mogen verwachten dat de politie integer is en zorgvuldig omgaat met gevoelige en vertrouwelijke informatie. Politiemedewerkers hebben daarin een voorbeeldfunctie. Fouten en integriteitsschendingen zijn niet voor honderd procent te voorkomen aangezien politiewerk mensenwerk is en mensen fouten kunnen maken. Voor politiemensen die misbruik maken van hun positie en over de schreef gaan, is echter geen plaats in de organisatie. De Korpsleiding heeft om deze reden opdracht gegeven tot dit onderzoek, het onderzoeken van het fenomeen lekken van politie-informatie. Met de uitkomsten van het onderzoek heeft de Korpsleiding handvatten om aan de slag te gaan met het vóórkomen van oneigenlijke gebruik van politie-informatie.
Bovendien is integriteit in het algemeen en het lekken van informatie in het bijzonder een zeer actueel thema. In februari 2018 werd Mark M. veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het langdurig tegen betaling verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan Brabantse criminelen. Op 11 januari jl. werd ons onderzoek naar het lekken van politie-informatie vroegtijdig naar de pers gelekt; in de Telegraaf was een uitvoerige weergave van de inhoud van ons rapport gepubliceerd. Wat ons betreft is integriteit een belangrijk thema en zeker ook een ingewikkeld thema dat om een zorgvuldig en open verkenning vraagt.

11. De sociale impact van kunstmatige intelligentie
Dennis de Kool, onderzoeker Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam
Ron Boelsma, kennis en innovatiemakelaar Politie Landelijke Eenheid

De politie wil kunstmatige intelligentie breed inzetten om de kwaliteit van werkprocessen te verbeteren. De focus van dit onderzoek is gericht op een belangrijk proces bij de politie, namelijk het aangifteproces. Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dat de inzet van kunstmatige intelligentie niet alleen impact heeft op medewerkers die betrokken zijn bij het primaire (aangifte)proces, maar ook op ondersteunende (PIOFACH) organisatieonderdelen, ketenpartners en burgers en bedrijven die aangifte doen. Dit onderzoek belicht in dat kader de sociale impact van kunstmatige intelligentie. Daarmee is de inzet van kunstmatige intelligentie niet (louter) een innovatieproces, maar een sociaal veranderingsproces, waarbij het van groot belang is dat alle belanghebbende partijen actief zijn aangehaakt.

Bij de uitvoering van het (lopende) onderzoek wordt een incrementele en gefaseerde aanpak gehanteerd, waarbij vier fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase (september-oktober 2018) bestaat uit een literatuurstudie, waarin het begrip en verschillende dimensies van kunstmatige intelligentie, de kansen en de risico’s nader zijn verkend, evenals de noodzakelijke randvoorwaarden om kunstmatige intelligentie op een verantwoorde en succesvolle manier in te zetten. Op basis van deze inzichten is een conceptueel model ontwikkeld, waarbij tevens is geput uit literatuur over verandermanagement. De tweede fase (november-december 2018) omvat het interviewen van experts binnen de politieorganisatie en de keten (Openbaar Ministerie). De resultaten van de interviews zijn beschreven in een rapportage. Bij de derde fase (januari-februari 2019) wordt informatie verzameld aan de hand van twee focusgroepen, namelijk een focusgroep met een afvaardiging van PIOFACH en een focusgroep waarin het burgerperspectief centraal staat. De concrete invulling van fase 4 van het onderzoek wordt eind januari besproken met de begeleidingscommissie van het onderzoek.

De dialoogsessie in Den Haag is een uitermate geschikte onderzoeksmethode om de voorlopige resultaten van de eerste drie fasen van het onderzoek voor het voetlicht te brengen en kritische feedback te verzamelen. Deze feedback kan dan in fase 4 van het onderzoek worden verwerkt.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek richt zich primair op het aangifteproces bij de politie. Het aangifteproces is een erg belangrijk proces binnen de politie. Een gerobotiseerd aangifteproces kan resulteren in betere aangiftes en completere dossiers en aldus een bijdrage leveren aan de centrale opdracht van de politie, namelijk het veiliger maken van de samenleving. Daarnaast kan de inzet van kunstmatige intelligentie in het aangifteproces (en andere processen) zorgen voor taakverrijking voor medewerkers. Zowel de politieorganisatie als de maatschappij kunnen dus baat hebben bij de inzet van kunstmatige intelligentie. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met factoren en kritische succesfactoren die in de literatuur over verandermanagement zijn genoemd. De dialoogsessie is een uitstekende manier om met de deelnemers in gesprek te gaan over de voorlopige resultaten van het onderzoek.

12. Politie in beeld; Analyse van politieoptreden bij conflicten tussen burgers
Wim Bernasco, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Lisa van Reemst, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam

Hoewel de alomtegenwoordigheid van camera’s in zowel de publieke als de private ruimte van tijd tot tijd vraagtekens oproept over privacy en effectiviteit, biedt beeldmateriaal unieke mogelijkheden om menselijk gedrag te observeren en vervolgens te analyseren. Dat geldt ook voor conflicten tussen burgers, voor criminaliteit, voor de reacties van omstanders en voor interventies door de politie en andere rechtshandhavers.

In de afgelopen jaren hebben we bij het NSCR, deels ondersteund door financiering vanuit de politie, een onderzoeksprogramma ontwikkeld waarin we beeldmateriaal gebruiken om inzicht te verwerven in de interacties tussen daders, slachtoffers en omstanders in uiteenlopende conflictsituaties, variërend van gewapende overvallen in de detailhandel tot opstootjes op straat. Omdat gedragsobservatie met beeldmateriaal in de criminologie nog nauwelijks gebruikt werd, hebben we methoden en technieken leren toepassen uit andere disciplines, zoals de gedragsbiologie en de ontwikkelingspsychologie.

In onderzoek naar overvallen in de detailhandel in Rotterdam en Amsterdam hebben we bestudeerd hoe interacties tussen overvallers en slachtoffers in sommige gevallen wel maar in andere gevallen niet tot gebruik van fysiek geweld leiden. Een belangrijke bevinding is de ondersteuning van het bestaande advies aan slachtoffers om de overvalsituatie te aanvaarden, en overvallers geen tegenstand te bieden (het RAAK principe).

Voor gedragsobservaties in het openbaar vervoer (in Denemarken) maken we gebruik van beeldmateriaal van bodycams, en onderzoeken we de rol van controleurs en passagiers in conflictsituaties. Vanuit de gedachte dat omstanders mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in zowel escalatie als de-escalatie van conflicten, bestuderen ook hun rol in detail.
We gaan binnenkort ook gedrag van politieagenten bestuderen. Met hulp van het team Technisch Toezicht van de eenheid Amsterdam hebben we beeldmateriaal verzameld van conflicten die zich op straat afspeelden onder het oog van toezichtscamera’s. Het gaat hier om beginnende conflicten die soms uit de hand lopen maar vaak ook met een sisser aflopen. In het merendeel van deze situaties observeren we de aankomst en de interventies van de politie. We leggen vast wat politieagenten precies doen en welke effecten die interventies hebben. Ook hier wordt de rol van omstanders meegenomen, zowel in relatie tot de conflictpartijen als in relatie tot de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De uitkomsten van het onderzoek zullen bruikbaar zijn in de opleiding van politiepersoneel. Zij kunnen empirische ondersteuning geven (evidence-based) aan bestaande instructies, maar kunnen ook inzichten verschaffen die aanleiding geven tot aanpassing van de inhoud van trainingen in conflicthantering.

13. Design Science onderzoek naar de opsporing
Karin Michiels en Coen Visser, operationeel specialisten Dienst Landelijke en Operationele Samenwerking, Politie Landelijke Eenheid

Het onderzoek
Er is wetenschappelijk gezien relatief weinig bekend over het verloop van opsporingsonderzoeken. In het voortraject van twee promotieonderzoeken is een model ontwikkeld dat de stand van zaken en de voortgang van een opsporingsonderzoek in beeld kan brengen vanaf de start tot de afronding. In de volgende onderzoeksfasen wordt rond dit model een protocol ontwikkeld om (1) sturing van opsporingsonderzoeken te verbeteren en (2) het delen van informatie in opsporingsonderzoeken te verbeteren.

In het algemeen verloopt de doorwerking van wetenschappelijk onderzoek binnen de politieorganisatie moeizaam. Om deze te vergemakkelijken is gekozen voor design science als onderzoeksmethodologie. Binnen design science wordt expliciet een verbinding gemaakt tussen aan de ene kant wetenschappelijke theorie en aan de andere kant een generiek praktijkprobleem.
Design Science

In de sociale wetenschappen wordt veel gebruik gemaakt van kwantitatief (statistisch) onderzoek en kwalitatief (beschrijvend/verklarend) onderzoek. In bedrijfskundige informatica, geneeskunde en bouwkunde wordt ook gebruik gemaakt van een constructieve onderzoeksmethodologie. Vanwege de mogelijkheid om kennis te ontwikkelen waarmee verbeteringen kunnen worden ontworpen, wordt deze methodologie ook sinds enige decennia toegepast in management- en organisatiewetenschappen.

De opsporing betreft een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject. De vele kritische geluiden op het opsporingsproces en de wens voor verbeteringen zijn de afgelopen jaren niet van de lucht zoals is op te maken uit ‘Handelen naar Waarheid’, een sterkte- en zwakteanalyse die in 2016 in opdracht van het Programmateam Herijking Opsporing is opgesteld en het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012 over de prestaties in de strafrechtketen. Het deelnemen aan opsporingsonderzoeken maakt het mogelijk de voortgang van opsporingsonderzoeken te bestuderen en was aanleiding ‘iets’ te bedenken wat handvatten geeft voor het structureren van een opsporingsonderzoek. Zoekende naar een passende methodologie is ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek onder de aandacht gekomen: Onderzoek dat zich niet alleen richt op het beschrijven en verklaren van typen veldproblemen maar zich vervolgens ook richt op het ontwikkelen en testen van generieke oplossingen voor die veldproblemen. Deze vorm van wetenschappelijk onderzoek levert generieke kennis voor het ontwerpen van oplossingen voor specifieke veldproblemen door de professionals die met die problemen te maken hebben. Omdat dit onderzoek door haar generieke aard geen kant-en-klare oplossingen biedt maar ‘slechts’ input voor het ontwerpen van specifieke oplossingen, wordt deze vorm van praktijkgericht onderzoek ook wel ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek genoemd. De onderzoekers werken bij dit type onderzoek zowel in een kennisstroom als in een praktijkstroom en halen inspiratie en voldoening uit de combinatie van beiden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De dialoogsessie laat een alternatieve onderzoeksmethode zien waarbij de nadruk ligt op de toepassing van ontwerpkennis in de praktijk. Dit betekent prescriptief onderzoek met gebruikmaking van kwalitatieve en kwantitatieve methoden van onderzoek en het ontwerpen en testen van een oplossingsstructuur voor het veldprobleem. Deze dialoogsessie toont de toepassing van een wetenschappelijke methodologie gericht op het ontwerpen van organisatorische verbeteringen.

14. Het NICHD-interviewprotocol en hoe dit kan bijdragen aan een betere samenwerking tussen Veilig Thuis en de politie
Deze dialoogsessie is vervallen.

15. Kinderen van criminelen uit de georganiseerde misdaad
Melvin Soudijn, operationeel specialist D Politie Landelijke Eenheid
Meintje van Dijk, promovenda Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Veroni Eichelsheim, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)

‘De appel valt niet ver van de boom’ is een herkenbaar spreekwoord. Kinderen lijken namelijk in diverse aspecten vaak op hun ouders. Bepaalde kenmerken of gedragingen kunnen zo van generatie op generatie worden overgedragen. Die overdracht kan in positieve zin plaatsvinden, maar ook in negatieve zin. Zo is gebleken dat criminaliteit kan worden doorgegeven of overgenomen: in diverse studies is aangetoond dat kinderen van criminele ouders, vergeleken met kinderen met niet-criminele ouders, een verhoogde kans hebben om zelf ook in de criminaliteit te belanden. Dat effect treedt niet alleen bij huis-tuin en keukencriminaliteit, maar ook bij zwaardere vormen van misdaad. Zo heeft pilotonderzoek naar een beperkt aantal kinderen (N=48) van plegers van georganiseerde misdaad in Amsterdam laten zien dat hun kinderen een zeer groot risico lijken te lopen om in de voetsporen van hun ouders te treden: ongeveer 90 procent van de zonen en 48 procent van de dochters staat zelf geregistreerd voor één of meer delicten (Van Dijk et al. 2018). Dit is reden tot zorg over deze groep kinderen en vormt de aanleiding om grootschalig vervolgonderzoek op te zetten naar een landelijke sample veroordeelde plegers van georganiseerde misdaad (N= 478) en hun kinderen (N= 722).

In de dialoogsessie presenteren we de resultaten van dit vervolgonderzoek en gaan we onder andere in op de mate van intergenerationele overdracht van criminaliteit bij zonen en dochters van zowel mannelijke als vrouwelijke plegers van georganiseerde misdaad, het relatieve risico op criminaliteit ten opzichte van andere kinderen (met en zonder criminele ouders) in Nederland, de typen gepleegde delicten door ouders en kinderen en of bepaalde delict typen een hoger risico hebben op intergenerationele overdracht in deze groep. Na de presentatie van de bevindingen gaan we door middel van een interactief debat in gesprek met de aanwezigen over wat de resultaten betekenen voor de politiepraktijk. De studie is een gezamenlijk initiatief van de politie en het NSCR.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Bewustmaking van risico’s op intergenerationele overdracht bij georganiseerde misdaad. Nadenken over interventies binnen gezinnen waarbij de ouders nadrukkelijk binnen de georganiseerde misdaad betrokken zijn.

16. Onder de Loep: het effect van een slachtofferverklaring en de ernst van een misdrijf op de meldingsbereidheid van burgers
Wendy Schreurs, promovenda (proefschrift afgerond op 1 april 2019) Universiteit Twente
Sterre ten Berge, opsporingscommunicatie Politie eenheid Oost-Nederland

Veel zaken worden opgelost met behulp van burgers. Eén manier om burgers te betrekken bij het oplossen van misdrijven, is het inzetten van opsporingscommunicatie via televisieprogramma’s zoals Onder de Loep en Opsporing Verzocht. Het inzetten van burgers wordt steeds belangrijker en de politie kan hier, door de grote toename aan beschikbaar beeldmateriaal, slim op in spelen. De meldingsbereidheid van burgers kan afhankelijk zijn van hoe misdrijven in zulke programma’s worden weergegeven. Zijn burgers bijvoorbeeld eerder bereid iets te melden als het om een moreel verwerpelijker misdrijf gaat, of als er een slachtoffer uitlegt wat de impact van het misdrijf op hem/haar is geweest? In deze studie hebben we in samenwerking met Onder de Loep vier video’s gemaakt waarin werd gemanipuleerd welk misdrijf de respondenten te zien kregen (fietsendiefstal of babbeltruc) en of er wel of geen slachtofferverklaring werd uitgezonden. In totaal keken 100 deelnemers naar een van de vier ‘Onder de Loep’-video’s; 63 deelnemers namen ook deel aan de tweede fase in samenwerking met het Mobile Media Lab, waarbij ze op straat “toevallig” werden blootgesteld aan de verdachte uit de video en de mogelijkheid kregen om deze informatie te melden. Na het bekijken van de video, werden het feitelijke meldgedrag van de respondent, zijn bereidheid om in de toekomst te melden en in te grijpen gemeten en de relatie met mogelijk onderliggende psychologische factoren (waargenomen morele verwerpelijkheid, morele waarden, morele emoties en eerder melden en ingrijpen) onderzocht.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek kan een bijdrage leveren aan hoe de politie instrumenten als opsporing verzocht, of regionale versies als Onder de Loep in de toekomst in kan zetten. Dit was een van de eerste studies om het feitelijke meldgedrag van burgers na het bekijken van opsporingscommunicatie televisieprogramma’s te meten. De opgedane inzichten kunnen worden gebruikt als startpunt voor toekomstig onderzoek over dit onderwerp en voor tv-programma’s over criminaliteit om de bereidheid van burgers en het feitelijke rapportagegedrag te vergroten.

17. Flexibel Rechercheren: oude wijn of revitaliserend bruiswerk?
Peter Klerks, raadadviseur Openbaar Ministerie, Parket-Generaal
Lisanne Kramer, recherchekundige / operationeel specialist Politie eenheid Zeeland-West-Brabant
Gerben Euwijk, operationeel specialist B Politie eenheid Zeeland-West-Brabant

In de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant introduceerde de Dienst Regionale Recherche in 2015 het concept Flexibel Rechercheren (FR). Dit komt neer op het herontdekken van traditioneel recherche-vakmanschap en het pakken van kansen. Een training en voortdurende aandacht moest een eind maken aan vrijblijvendheid. Gerard Hertsenberg en Peter Klerks onderzochten voor het landelijk programma Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen (TOV) samen met recherchekundige Lisanne Kramers (ZWB) het Flexibel Rechercheren op kernelementen, waardering en effectiviteit door middel van interviews en dossierstudie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Meerdere eenheden en rechercheafdelingen onderzoeken momenteel de toepasbaarheid van FR. Het onderzoek kan bijdragen aan vernieuwing van de recherche, opmerkelijk genoeg door traditionele vaardigheden en attitudes opnieuw centraal te stellen.

18. Predictieve textmining in politieregistraties naar cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit
Nikolaj Tollenaar, onderzoeker WODC
André van der Laan, senior onderzoeker WODC
René Hesseling, operationeel specialist D / senior-onderzoeker Politie eenheid Den Haag

In deze studie is onderzocht of het mogelijk was een machine learning model te ontwikkelen om politieregistraties in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) die betrekking hebben op cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit te classificeren. Met dat model is de omvang van deze online criminaliteit in de BVH-registratie van 2016 geschat. Tevens zijn de achtergrondkenmerken beschreven van bekende verdachten bij deze registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Het onderzoek richt zich op registraties van drie typen cybercriminaliteit (hacken, ransomware en DDoS-aanvallen) en vijf typen gedigitaliseerde criminaliteit (online bedreiging, online stalken, online smaad/laster/belediging, online identiteitsfraude en online aan- en verkoopfraude).

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat predictieve textmining (PTM) bruikbaar is om accuraat registraties als (één of meerdere van de acht) online delicten te classificeren. En onder voorwaarden is het ook mogelijk om binnen een 95%-betrouwbaarheidsinterval omvangschattingen te geven van de aantallen registraties betreffende cyber- en gedigitaliseerde delicten in de BVH-2016. Omdat strenge eisen moeten worden gesteld aan de precisie van het classificeren om achtergrondkenmerken van verdachten te kunnen beschrijven, bleek het model alleen registraties van hacken, ransomware en online aan- en verkoopfraude voldoende accuraat te kunnen classificeren. We verwachten dat het ontwikkelde ML-model bruikbaar kan zijn voor trendonderzoek, wel is daarvoor nader onderzoek nodig. Door te verwachten veranderingen in de verschijningsvorm van cybercriminaliteit en veranderingen in de (kwaliteit van de) registratiebron is het noodzakelijk het model voor andere jaren te updaten. Dat vraagt de nodige investeringen.

De werkwijze, methode en resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd. Daarnaast zal de bruikbaarheid van het ontwikkelde model en de omvangschattingen worden bediscussieerd.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

PTM en het ontwikkelde ML-model kan bruikbaar zijn als voorsorteer-tool om uit de BVH-registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit te halen.

19. Wanneer blaffende honden bijten. Een onderzoek naar de verschillen tussen fataal huiselijk geweld en huiselijk geweld zonder dodelijke afloop
Christine Boelema, junior onderzoeker, Institute for Security and Global Affairs, Universiteit Leiden

Jaarlijks zijn ongeveer 200.000 slachtoffers van huiselijk geweld te betreuren. In sommige gevallen loopt het fataal af: in Nederland vindt ongeveer 30 procent van alle moorden plaats in gezinsverband. Eerder huiselijk geweld vormt één van de belangrijkste voorspellers van fataal huiselijk geweld. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de risicofactoren die huiselijk geweld onderscheiden van fataal huiselijk geweld. Dergelijk onderzoek kan de politie in haar dagelijkse taken ondersteunen, omdat zij vaak de eerste responders zijn bij een melding van huiselijk geweld. Zo kan de politie geholpen worden bij het inschatten van de situatie en samen met Veilig Thuis interventies aanbieden ter voorkoming van een verdere escalatie van (mogelijk) fataal geweld, bij zowel partners als bij kinderen.

Het Institute of Security and Global Affairs, Universiteit Leiden, heeft een verdiepend dossieronderzoek gedaan naar geweld tegen partners en kinderen. Op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze is gekeken naar de risicofactoren dat huiselijk geweld van fataal huiselijk geweld onderscheidt. Deze dialoogsessie zal, op basis van de onderzoeksresultaten, een voorzet geven in de discussie naar het vinden van strategieën die kunnen bijdragen aan het voorkomen van fataal huiselijk geweld.

20. Betrokkenheid en verbondenheid in de integrale aanpak overlast en jeugdcriminaliteit
Anne van Uden, docent Universiteit Leiden
Jan Dirk de Jong, lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden
Marco den Dunnen, operationeel specialist A Politie eenheid Rotterdam

Tijdens deze dialoogsessie worden twee onderzoeken gepresenteerd: één vanuit het perspectief van de politie en één vanuit het perspectief van de jongeren.
Politie

Anne van Uden vertelt over de voorlopige resultaten van haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de politieaanpak van jeugdgroepen en de vraag wat daarin goed politiewerk is. Voor het onderzoek bestudeerde zij drie Nederlandse politieaanpakken. Uit het onderzoek blijkt dat de politie in haar werk rekening moet houden met meerdere waarden. Deze waarden en de verschillende manieren waarop de politie zich daar rekenschap van kan geven, vullen elkaar aan, maar staan tegelijkertijd op gespannen voet met elkaar. In dit complexe samenspel speelt het tonen van betrokkenheid door politiemensen een cruciale rol en in de presentatie wordt getoond hoe politiemensen dat doen.

Jongeren
Jan Dirk de Jong en Marco den Dunnen belichten juist het perspectief vanuit jongeren. Een jongere ‘van de straat’ bepaalt doorgaans snel: Heeft deze professional me gehoord? En is wat ik zei van betekenis voor hem of haar? De beleving van verbondenheid blijkt al jaren van cruciaal belang bij de aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit. In deze presentatie draait het om het onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden naar verbondenheid. De vraag is of een kwetsbare jongere het gevoel krijgt dat hij of zij echt wordt gezien, erbij hoort en ertoe doet. De essentie is of die beleving komt van positieve of negatieve krachten. Het kwantitatief meten daarvan is geheel nieuw en heeft veel praktische implicaties om de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit verder te helpen!

Wat betekenen de onderzoeken voor de toekomst van de politie?
Beide onderzoeken laten zien dat contact en de wijze waarop politiemensen met burgers omgaan een belangrijke rol spelen binnen het werk van de politie. Dat is relevant voor de politiepraktijk. Tevens bieden de onderzoeken aanknopingspunten voor de vraag hoe goed politiewerk ‘meetbaar’ kan worden gemaakt en kunnen de onderzoeksresultaten worden gebruikt om de kwaliteit van de werkrelatie met jeugd inzichtelijk te krijgen en daar beter op te sturen. Tot slot kan de politie de onderzoeksuitkomsten benutten voor de samenwerkingsrelatie met ketenpartners binnen de integrale aanpak, in het bijzonder in het sociale domein.

21. Doorvoer van cocaïne via Nederland
Irma Vermeulen en Wouter van der Leest, onderzoekers Afdeling Analyse en Onderzoek, Politie Landelijke Eenheid
Vanessa Dirksen, onderzoeker Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica

In opdracht van de portefeuillehouder drugs van de politie is onderzoek gedaan naar de doorvoer van cocaïne via Nederland. De import van cocaïne in Nederland is grotendeels in beeld, aangezien de opsporing in Nederland zich vooral op die import richt. De doorvoer van cocaïne via Nederland vormde echter een blinde vlek, en dat terwijl de hoofdmoot van de in Nederland ingevoerde cocaïne bestemd is voor de buitenlandse afzetmarkt. Een (integrale) aanpak is gebaat bij het kunnen verstoren van de hele criminele cocaïneketen en dus ook het kunnen verstoren van de doorvoer.

Het onderzoek heeft niet alleen de belangrijkste vormen van doorvoer en bestemmingen inzichtelijk gemaakt. Ook is meer inzicht verkregen in de werking van de cocaïnemarkt, de cruciale rol van de transporteur en van Nederland als distributiecentrum voor verschillende verdovende middelen.

Wat betekent je het voor de toekomst van de politie?
Het kan opsporingsonderzoeken context bieden, evenals context om te komen tot een integrale aanpak van (de ondermijnende werking van) de cocaïnehandel.

22. Ondersteunende technologie voor politie(vaardigheidstraining)
Randy Klaassen, Merijn Bruijnes en Dirk Heylen, onderzoekers Human Media Interaction Universiteit Twente
Robbert Rietveld Wunderink, Innovatie Inspirator, Directie Operatien Politie Staf Korpsleiding

Technologie kan opsporingsambtenaren op verschillende gebieden ondersteunen. In deze dialoogsessie bespreken we ontwikkelingen op het gebied van het toepassen van technologie in het opsporingsveld aan de hand van een aantal voorbeelden. Hierbij kan men denken aan het toepassen van spraakherkenningstechnologie waarmee het verhoor ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door het automatisch te transcriberen en doorzoekbaar te maken. Daarnaast bespreken wij toepassingen binnen het vaardigheidsonderhoud en de opleiding. Denk hierbij aan serious games waarmee politieagenten getraind kunnen worden in verhoorvaardigheden en virtual reality installaties waarmee geoefend kan worden met bijvoorbeeld reanimatie of het veiligstellen van materiaal en sporen. Tijdens de dialoogsessie kunnen de deelnemers zelf ervaring op doen met de huidige toepassingen die ontwikkeld worden binnen de vakgroep Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Tijdens de dialoogsessie nodigen we de deelnemers graag uit om samen te brainstormen waar soortgelijke toepassingen ingezet kunnen worden binnen de opsporingsdiensten.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het krijgen van een overzicht van technologieën en voorbeeld van ontwikkelingen die toepasbaar zijn binnen de opsporingsdiensten. Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot efficiëntere en betere opleiding, training en uitvoering van het opsporingswerk.

23. Vluchtelingen onder de loep: Risicotaxatie op basis van big data. Een onderzoek naar de waardengedreven en procesmatige achtergrond van risicotaxatietooling binnen het veiligheidsdomein
Jeffrey Seij, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam
Mieke Struik, analist Taskforce Vreemdelingen en Migratiecriminaliteit Politie

Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA)
De vluchtelingencrisis speelde de afgelopen jaren een bijzonder grote rol binnen de samenleving. Belangrijk hierbij was een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Risicoprofilering middels risicotaxatietooling zou dit positief kunnen beïnvloeden en vandaar ook dat men ging inzetten op dergelijke kansrijke technologische ontwikkelingen binnen de vreemdelingenketen. Dit heeft onder meer geresulteerd in de creatie van hetgeen hier in dit onderzoek onderzocht is: het Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA). Hiermee wordt in essentie beoogd om binnen de eerste fase van het asielproces de besluitvormers te ondersteunen door middels veel data een risico-inschatting te produceren betreffende onder meer de kwaadwillendheid en kwetsbaarheid van een vluchteling.

In relatie hiertoe zijn er veel invloedrijke aspecten die de beoogde technologische vooruitgang op instrumentniveau significant kunnen stagneren. Deze kunnen op basis van hun veronderstelde uitwerking worden gecategoriseerd in twee groepen. Ten eerste de waardengedreven inhoudskant, welke voornamelijk verwijst naar factoren die specifiek ingaan op de waarden die men toekent aan de gebruikte data en het model zelf. Daarnaast de procesmatige clusterkant, waartoe factoren behoren die gerelateerd zijn aan het proces van ontwikkeling.
Deze categorieën zijn van belang voor de centrale vraagstelling binnen dit onderzoek: ‘Welke waardengedreven en procesmatige factoren hebben invloed op de succesvolle ontwikkeling van risicotaxatietools binnen het veiligheidsdomein?’. In deze dialoogsessie presenteer ik samen met Mieke mijn bevindingen en ervaringen aan de hand van het onderstaande conceptuele model. Daarnaast gaan wij graag met de aanwezigen in gesprek over hun visie omtrent een datagedreven Nationale Politie en de rol van risicotaxatietooling hierbinnen.
‘Datagedreven politiewerk zal de toekomst van de Nationale Politie dicteren’

Vanwege de bedreigende risico’s van jihadisten die meereizen met vluchtelingenstromen, is een efficiënte, effectieve en verantwoorde omgang van vluchtelingen bovenmatig van belang. Datagedrevenheid gaat hierbij een steeds grotere rol spelen en dit is dan ook direct één van de redenen waarom dit onderzoek relevant is voor de toekomst van de Nationale Politie. Er wordt namelijk op landelijk niveau bijzonder hard ingezet op het werken met grote hoeveelheden data en de daarop gebaseerde profilering. In relatie hiertoe geven diverse gerenommeerde onderzoekers zelfs aan dat als deze ontwikkelingen competent en coherent worden doorgezet, dit de toekomstige rol van politiewerk zal dicteren.

Daarnaast is er middels dit onderzoek beoogd om de maatschappelijke discussie aangaande het toenemende gebruik van big data en de hierop gebaseerde handelingen te voeden. Hiermee wordt onder meer gedoeld op het spanningsveld tussen veiligheid aan de ene kant en privacy tezamen met ethiek aan de andere kant. Ondanks dat dit wel in het achterhoofd van veel mensen speelt, krijgt dit thema relatief weinig aandacht waardoor duidelijke grenzen ontbreken en het thema zich in een grijs gebied blijft verkeren. Dit is nadelig voor de Nationale Politie, maar ook voor de samenleving als geheel.

24. Een efficiëntere noodhulpfunctie, het is mogelijk!
Astrid Scholtens, onderzoeker Crisislab
Ira Helsloot, hoogleraar Crisislab

Regelmatig zijn er signalen dat de politiecapaciteit te beperkt is om al het politiewerk uit te voeren. De wissel die de noodhulp (spoedeisende meldingen) op die capaciteit trekt zou een belangrijke oorzaak zijn. Samen met vier basisteams heeft Crisislab in opdracht van Politie en Wetenschap daarom drie experimentele werkwijzen voor de noodhulpfunctie ontwikkeld die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.

De werkwijzen zijn een uitwerking van een van twee hoofdrichtingen. De eerste hoofdrichting is om noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede is het opheffen van de specifieke noodhulp suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris.

De werkwijzen zijn in drie basisteams (tijdelijk) geïmplementeerd en aan de hand van een nul- en éénmeting op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.
Een eerste conclusie is dat momenteel politieleidinggevenden niet in staat lijken werkelijk sturing te geven om hun medewerkers aan te sturen zodat de eerste hoofdrichting weinig kansrijk is.
Het opheffen van de noodhulp suborganisatie blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Het blijkt dan overigens ook dat er momenteel niet genoeg zinvol werk kan worden gegenereerd om alle uitvoerende politiefunctionarissen aan het werk te houden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Zoals gezegd leidt het afschaffen van de noodhulp tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk.

Om definitief over te (kunnen) gaan tot het afschaffen van de noodhulp is binnen de politie een paradigmashift nodig. Om dit kans van slagen te geven is een belangrijke taak voor de (team)leiding weggelegd. Maar … is de politie daartoe wel in staat?

25. Shishalounges: de problematiek en de aanpak
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

26. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over WhatsAppgroepen
Ronald van Steden, universitair hoofddocent Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Shanna Mehlbaum, zelfstandig onderzoeker Mehlbaum Onderzoek Sherwin Tjin-Asjoe, teamchef, Politie eenheid Noord-Holland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan alledaagse inbraken die veel impact op het veiligheidsgevoel van mensen hebben en hen daarom verenigen in WhatsApp-preventiegroepen. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.

Ronald van Steden en Shanna Mehlbaum concluderen op basis van hun recente onderzoek dat WhatsApp-preventiegroepen goed zijn voor de sociale cohesie in de buurt, maar dat je er nauwelijks boeven mee vangt. Politie en gemeenten hebben wel baat bij dergelijke groepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van de politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting, te voorkomen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals zichzelf organiserende burgers om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn. Mehlbaum Onderzoek voert projecten uit voor onder andere gemeenten, politie en wetenschap, provincies en universiteiten.

27. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over polarisatie
Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Ronald Zwarter, lid eenheidsleiding Politie eenheid Noord-Nederland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan polarisatie dat tot spanningen, segregatie en conflicten tussen bevolkingsgroepen kan leiden. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Jacquelien van Stekelenburg en Ronald Zwarter gaan in op processen van polarisatie. Het begrip polarisatie wordt in het huidig tijdsgewricht veel gebezigd, maar wat verstaan we precies onder polarisatie, welke mechanismen en processen liggen er aan ten grondslag, wat is de invloed van geopolitieke spanningen en hoe kunnen we hier in de samenleving en organisaties mee omgaan? Dit zijn allemaal onbeantwoorde vragen met grote relevantie voor de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals polarisatie om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn.

28. De mogelijkheden van netwerkprofilering op individueel niveau
Lydia ter Haar, docent-onderzoeker Politieacademie
Marlies van den Berg, FSNA praktijkonderzoeker FPC Dr. S. van Mesdag

Binnen de forensische psychiatrie is er groeiende aandacht voor persoonlijke netwerkbenaderingen. Door aandacht te hebben voor het relationele verhaal (narratief) van de forensisch psychiatrische patiënt en zijn netwerk krijgt het behandelteam meer inzicht in cruciale netwerkfactoren die het behandelsucces en de resocialisatiemogelijkheden van de patiënt beïnvloeden. Het onderhavig promotieonderzoek beschrijft een Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA) benadering. Deze benadering is gebaseerd op inzichten vanuit de risicotaxatie en –management literatuur gecombineerd met inzichten vanuit de wetenschappelijke discipline Sociale Netwerk Analyse (SNA) en gerelateerde netwerktheorieën. Binnen een FSNA onderzoek wordt het netwerk van de patiënt beschreven en geanalyseerd ten tijde van de delictperiode en gedurende de behandeling. Daarnaast worden verwachtingen in kaart gebracht over de netwerksituatie bij een eventuele terugkeer van de patiënt in de samenleving. Voor het verzamelen van de netwerkgegevens is het FSNA-interview ontwikkeld. De patiënt en meerdere geselecteerde netwerkleden worden geïnterviewd. Er is bijvoorbeeld gedetailleerde informatie nodig over of en op welke manier het netwerk van de patiënt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het delict. Bovendien is het belangrijk te weten of de mensen die ten tijde van het delict een rol in het leven van de patiënt speelden, nu nog steeds een rol vervullen in het netwerk.

In het promotieonderzoek is op casusniveau onderzocht in hoeverre netwerkkenmerken in de loop ter tijd veranderen en in hoeverre deze eventuele veranderingen als beschermend of risicovol voor toekomstig risicovol gedrag kunnen worden gezien.

Tijdens de dialoogsessie wordt aan de hand van een praktijkcasus de belangrijkste onderliggende theoretische en praktische concepten van de FSNA benadering uitgelegd. Wij willen samen met de deelnemers brainstormen over hoe een dergelijke benadering een bijdrage kan leveren binnen de politie. In de afgelopen jaren is de FSNA al in enigszins aangepaste vorm toegepast bij meerdere cold case onderzoeken, maar waar liggen nog meer kansen?

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De toepassing van sociale netwerk analyse op individueel niveau staat in de forensische praktijk nog in de kinderschoenen. Dit staat op gespannen voet met de bestaande inzichten dat bij het bestuderen van crimineel gedrag de analyse van sociale relaties van groot belang is. Een samenwerking tussen onderzoekers van verschillende forensische domeinen – zoals samenwerking tussen de politie en forensisch psychiatrische centra – is van toegevoegde waarde om dit onderzoeksdomein verder te ontwikkelen.

29. Beter geïnformeerd oordelen in lastige situaties
Teresa Cardoso Ribeiro, strategisch adviseur en leiderschapstrainer bij de Universiteit Leiden / L&D, Publidox advies, training en strategisch management
Michel Bravo, hoofd Strategie DG Pol, Ministerie van Justitie en Veiligheid

De methode die wij in de dialoogsessie kunnen aanreiken, nodigt uit om meer ‘hands on’ gebruik te maken van het beschikbare onderzoek dat duiding geeft aan en verklaringen biedt voor lastige vraagstukken waar de politie mee te maken heeft. Het creëert urgentie om naar onderzoek op zoek te gaan. Daarmee is het juist gericht op het helpen integreren van de doelstelling van de conferentie in het dagelijks werk. Het laat deelnemers zelf ervaren waarom het van meerwaarde is voor hun werk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Als je de werkwijze van de dialoogsessie breed inzet binnen de politieorganisatie, dan kun je het ook als onderzoekstool gebruiken om te inventariseren waar de behoefte aan versterking zit bij de professionals van de politie die onderzoek/evidence willen benutten bij hun werk. Dit kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met het hebben/bouwen aan een relevant kennisnetwerk. Op basis daarvan kun je hen vervolgens gericht ondersteunen.

30. Onderzoek naar sociale netwerken die zich uiten over geweldsaanwending door de politie en hun associaties daarbij
Kevin Willemsen, onderzoeker EMMA | Experts in Media en Maatschappij & Communicatie Politie
Rianne de Vries, adviseur communicatieonderzoek, Dienst Communicatie Politie

EMMA | Experts in Media en Maatschappij heeft voor de politie een analyse gemaakt van sociale netwerken die zich roeren rondom het thema ‘geweldsaanwending door de politie’. Tevens is in kaart gebracht welke associaties ze bij dit thema hebben. De analyses zijn uitgevoerd in opdracht van de politie.

De analyse laat zien dat er sprake is van verschillende ‘kampen’ in de online berichtgeving (in dit geval geanalyseerd op Facebook). Er zijn kampen die zich verzamelen rondom accounts van de politie en het gebruik van geweld over het algemeen steunen. Daarentegen zijn er ook groepen mensen die geweldsaanwending zien als een teken van etnisch profileren of discriminatie. Deze groepen kijken elk heel anders aan tegen nieuws over de politie. Er is binnen deze groepen veel contact, maar tussen deze groepen veel minder.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De resultaten van het onderzoek geven de politie inzicht in hoe haar communicatie effectief kan worden gericht op de informatiebehoefte van verschillende groepen in de samenleving. Sommige netwerken zijn makkelijker te bereiken dan andere en daar moet een verschillende toon voor worden aangeslagen. Bovendien levert de methode op zichzelf inzicht in de dynamiek die zich voordoet op sociale media met het oog op voor de politie relevante thema’s. Het onderzoek vestigt tevens aandacht op slimme data-combinaties om publiekscommunicatie te versterken.

31. Communicative Policing in een nieuwe wereld
Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid, Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid, Hogeschool Inholland
Hans Moors, directeur EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jaco van Hoorn, directeur Operatiën, Staf Korpsleiding Politie

Het is de hoogste tijd dat de politie zich beweegt van community policing naar communicative policing, zo stelde Innes (2002) al in het begin van deze eeuw. Dat advies lijkt sindsdien alleen maar in belang te hebben gewonnen: door de social media revolutie die zich sindsdien voltrok, maar ook door de – deels daarmee samenhangende – veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat. Beelden lijken steeds belangrijker te worden dan feiten. En het lijken vooral die beelden te zijn die politieke en maatschappelijke impact hebben. Hoe acteert de politie daarin? In hoeverre stuurt de politie ook op dergelijke beelden? Is de politie zich daarbij voldoende bewust van de effecten? In hoeverre gebruiken politie (en politiebonden!) dergelijke beelden ook als middel in het vraagstuk van ‘probleemdefinitie’, het vraagstuk dat volgens Beck (2018) een sleutelrol speelt in de kosmopolitische risicosamenleving? Blijft het leidend motto ‘waakzaam en dienstbaar aan de kernwaarden van de rechtsstaat’ daarbij onverkort overeind? De bijdrage is gebaseerd op een combinatie van onderzoeken, waaronder het lopende promotieonderzoek Public Reactions to Crime, een analyse van de communicatie over de jaarwisseling 2018/2019, lopend onderzoek naar Digitale Buurtpreventie in Rotterdam en het onderzoek Effecten van de communicatie rond de aanpak van woninginbraken (Eysink Smeets et al, 2017).

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie? Scherper bewustzijn van de gewilde en ongewilde doorwerking van politiecommunicatie, zowel op strategisch als uitvoerend niveau.

32. Vingersporen, de bron en verder
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

33. Hoger opgeleiden binnen de politie: Luctor et emergo
Teun Meurs, promotieonderzoeker Hogeschool Arnhem Nijmegen / docent Politieacademie
Daffney Dekker, operationeel specialist B Politie eenheid Midden-Nederland

Deze dialoogsessie gaat over mijn promotieonderzoek naar de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Samen met participant Daffney Dekker bespreek ik ten eerste de worsteling van studenten en afgestudeerde bachelors binnen de recherche- en basisteams op het gebied van hun positie, identiteit en handelingsperspectief. Hiertoe worden de ervaringen van Daffney en andere participanten geduid met behulp van het bestuurskundig concept ‘hybride professionaliteit’. Ten tweede zoomen we – wederom aan de hand van Daffney’s ervaringen – in op de wijze waarop hoger opgeleiden gaandeweg grip krijgen op hun hybride positie, identiteit en handelingsperspectief. Met betrekking tot het laatste presenteren we tenslotte het concept ‘Actieonderzoekend Vermogen als politiespecifieke variant van het – in het HBO – invloedrijke perspectief van ‘Onderzoekend Vermogen’. Hiermee bieden we een handelingsperspectief dat hoger opgeleiden en hybride professionals meer houvast kan geven bij het invullen van hun verbindende rol binnen de beroepsuitoefening.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek draagt ten eerste bij aan het beter begrijpen van de beoogde meerwaarde en de belangrijkste uitdagingen van hoger opgeleide professionals binnen de politie. Dit kan worden gebruikt door hoger opgeleiden zelf om hun verbindende rol betekenisvol in te vullen. Ook kan het worden gebruikt door leidinggevenden om hoger opgeleiden gericht te coachen en door het onderwijs om hoger opgeleiden te scholen en beter voor te bereiden op hun taak.

34. Bewegen in opsporen
Wouter Landman, onderzoeker en adviseur Twynstra Gudde
Roderik Kouwenhoven, onderzoeker en adviseur Roderik Kouwenhoven Consultancy

Tijdens deze dialoogsessie geven wij inzicht in de (dan nog niet gepubliceerde) inzichten van anderhalf jaar actieonderzoek binnen de opsporing in opdracht van Politie en Wetenschap. We presenteren deze inzichten in de vorm van patronen in de manier van werken, organiseren en veranderen die de ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing belemmeren dan wel bevorderen. Hierbij kan worden gedacht aan een (belemmerend) patroon als een ‘straatperspectief op de opsporing’ (werkpatroon) of het ‘fragmenteren van werksystemen’ en aan bevorderende patronen als ‘meervoudig sturen’ en ‘diepgaand veranderen’. We lichten de werking van de patronen toe en illustreren deze met voorbeelden uit de praktijk. De deelnemer krijgt een raamwerk van patronen aangereikt waarmee naar de eigen opsporingspraktijk kan worden gekeken. De bevorderende patronen bieden handelingsperspectief om de eigen praktijk te ontwikkelen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing is een van de belangrijkste prioriteiten van de huidige korpsleiding. Hoewel er tegenwoordig veel nadruk ligt op de rol die technologie hierbij kan spelen, is het ook essentieel om inzicht te hebben in de organisatiepatronen die belemmeren of helpen bij het vernieuwen van de opsporing. Ons onderzoek draagt bij aan dit inzicht en kan daarom hopelijk bijdragen aan de toekomst van de politie.

[slideshare id=140312265&doc=overzicht-dialoogsessies-conferentie-090419-190410135148&type=d]

Bron: Conferentie politieonderzoek

Zorgen om buurtwachten en burgeropsporing: ?Voor eigen rechter spelen ligt op de loer?

Burgers die de politie helpen via appgroepen en buurtpreventieteams gaan daarin soms te ver, blijkt uit onderzoek. Zo zouden burgers zelf tot opsporing overgaan en is er sprake van discriminatie tegenover jongeren en mensen met een migratieachtergrond.

Onderzoekers van het onafhankelijke programma Politie en Wetenschap concluderen dat de hulp van burgers in bepaalde vormen effectief kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor diefstal en inbraakpreventie. Maar ze zien ook gebreken in de groeiende sociale controle van actieve bewoners, die concurreert met het toezicht van de politie.

Zelf opsporen
Aan de hand van interviews en buurtapp-communicatie blijkt dat burgers soms onrechtmatig handelen. Onrechtmatigheden, zoals beschreven in het onderzoek, als ‘actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden.’


Volgens Vasco Lub van Politie en Wetenschap zou de politie meer betrokken moeten zijn om burgerhulp soepeler te laten verlopen. “De verhouding tussen de politie en de burger is niet goed ingekaderd. Er is een risico dat burgers zich miskend voelen en zelf ingrijpen en een opsporing opzetten. Dat is niet de bedoeling. Je mag als burger niet voor politieagent spelen.”

Beter begeleiden
De politie zou burgers die hen proberen te helpen beter moeten begeleiden, zegt Vasco Lub. “Het is makkelijk gezegd om burgers in te zetten, maar burgergroepen beginnen steeds meer zelf te doen: opsporing, patrouilleren zonder dat de politie het weet en voertuigcontrole.” Hij vraagt zich af of dit wenselijk is.

In een reactie laat de politie weten dat zij burgerparticipatie in veiligheidsvraagstukken zien ‘als een belangrijke en positieve ontwikkeling in de samenleving.’ De politie zegt te willen voorkomen dat ‘burgers andere burgers daarbij in hun vrijheden beperken of schade berokkenen’.

Volgens de politie zijn veel burgerinitiatieven relatief nieuw, waardoor de spelregels duidelijk opgesteld moeten worden. Dit gaat om kwesties als de privacyregels die burgers moeten respecteren en ervoor zorgen dat bewijs dat burgers verkrijgen bruikbaar is. “We zijn als politie een landelijk project gestart om via lokale experimenten adviezen en spelregels op te stellen om de samenwerking tussen burgers en de politie in de opsporing te versterken.”

Bronnen: EenVandaag, RTL Nieuws, Hart van Nederland, AD. Nu.nl

TNO en politie werken samen aan nieuwe technologie?n voor het politiewerk

TNO en politie slaan de handen in ??n om gezamenlijk de maatschappelijke uitdagingen rond veiligheid aan te gaan. Op 8 november jl. bezocht Paul de Krom (Voorzitter RvB TNO) Erik Akerboom (Korpschef politie). Er werd teruggeblikt op de behaalde resultaten van de onderlinge samenwerking en vooruitgekeken naar de te realiseren maatschappelijke uitdagingen op het gebied van veiligheid.

Inspelen op technologische veranderingen

Voortschrijdende digitalisering, de toenemende beschikbaarheid van informatie en nieuwe vormen van criminaliteit dagen de politieorganisatie voortdurend uit tot innoveren. Om in te spelen op deze veranderingen, werkt de politie samen met kennisintensieve organisaties die thuis zijn in deze sociale en technologische vraagstukken. TNO is hierbij een belangrijke partner voor de politie. Vandaag bezocht Paul de Krom (voorzitter Raad van Bestuur TNO) Erik Akerboom (Korpschef politie). Het gesprek markeert een grote stap die TNO en politie samen zetten in de samenwerking. Er werd teruggeblikt op de behaalde resultaten van de onderlinge samenwerking en vooruitgekeken naar de uitdagingen waar de politie voor staat.

Samen vooruit: strategisch ?n operationeel

In 2018 is de samenwerking politie ? TNO versterkt door de start van meerjarige onderzoekprogramma?s op het gebied van informatieprocessen, politiewerk in het cyberdomein, politie in verbinding met de burgers en de ontwikkeling en de weerbaarheid van de professional. De meerjarige programma?s bieden de mogelijkheid om grote thema?s in de volle breedte aan te pakken. Van het analyseren van de impact van interventies op het Dark Web tot aan het ontwikkelen van technologische en sociale innovaties om de ontwikkeling van de professional te ondersteunen. Van het ondersteunen van SGBO’s met behulp van een dynamisch draaiboek tot aan het het ontwikkelen en beproeven van nieuwe applicaties voor burgeropsporing en dienstverlening. Deze programma?s bieden politie en TNO de kans om de vragen van vandaag, morgen en overmorgen op te pakken.

De komende drie maanden neemt TNO Insights vijf voorbeelden onder de loep waarbij TNO’ers en hun ‘innovatiepartners’ bij politie spreken over hun drijfveren, ervaringen en de resultaten van hun samenwerking. Lees ze op?TNO Insights.

Wetenschapper op de werkvloer

De ?scientists on the job? van TNO zijn wetenschappers die zich onderdompelen in de praktijk. Enerzijds stellen zij hun wetenschappelijke kennis beschikbaar aan de organisaties en bedrijven waaraan zij verbonden zijn. Ook gaan zij op zoek naar resultaten uit nieuw onderzoek die direct toepasbaar zijn op de werkvloer. Anderzijds gebruiken ze de dagelijkse praktijk om hun eigen onderzoek te voeden, maar ook universiteiten en hogescholen met de praktijk te verbinden. Dr. Victor Kallen is bijvoorbeeld neurowetenschapper en werkt sinds 2015 samen met de recherche in West-Brabant. Kallen: ?Het geeft veel voldoening om met sociale wetenschap te kunnen bijdragen aan een veiligere samenleving. Het mooiste vind ik dat in een aantal voorheen beruchte wijken en gemeenschappen de sfeer inmiddels zover is omgeslagen, dat de bewoners gemeentelijke handhavers weer durven aan te spreken en te informeren over veiligheids- en sociale vraagstukken. Een buitengewoon sterk signaal van gegroeide maatschappelijk weerbaarheid.?

Meer weten?

Het succes van de bestaande voorbeelden van samenwerking tussen TNO en politie dagen uit tot een meer duurzame en strategische samenwerking met de focus op een toekomstbestendige veiligheidsorganisatie.

Bronnen: TNO

Doe-het-zelfsurveillance

WhatsApp-buurtpreventiegroepen zijn goed voor de sociale cohesie in de buurt, maar je vangt er nauwelijks boeven mee. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum onderzoek, de Vrije Universiteit en het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van Politie en Wetenschap. De onderzoekers volgden meer dan een jaar zes WhatsApp-buurtgroepen in Almere, Amstelveen, Amsterdam en Tilburg. Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De wijkagent heeft vaak nauw contact met beheerders en blijft zo op de hoogte van wat er speelt in de wijk. Daarnaast kan de politie de WhatsApp-buurtgroepen voeden met informatie over bijvoorbeeld actieve dadergroepen in de buurt, zodat buurtbewoners hiernaar uit kunnen kijken en preventiemaatregelen kunnen treffen. Hier ligt een kans voor de politie om de verbinding met de wijk te verbeteren, in het bijzonder met buurten die gelden als zogenaamde ?hot spots? of waar weinig contact is met buurtbewoners.

WhatsApp-buurtgroepen zijn een wijdverspreid fenomeen in Nederland en duizenden Nederlanders helpen mee om hun buurt in de gaten te houden en delen verdachte situaties met elkaar. In hoeverre dit daadwerkelijk bijdraagt aan sociale veiligheid is echter nog nauwelijks onderzocht. Dit onderzoek heeft, op basis van een analyse van chatgeschiedenissen en gesprekken met beheerders en andere buurtbewoners, politie- en gemeentemedewerkers, in kaart gebracht wat zich allemaal afspeelt in deze appgroepen. Ook werd gekeken welke maatschappelijke gewenste en ongewenste gevolgen dit met zich meebrengt.

Uit het onderzoek blijkt dat buurtbewoners elkaar door de WhatsApp-buurtgroepen (beter) leren kennen en dit mondt vaak uit in andere vormen van contact, zoals een buurtbarbecue of een gezamenlijke Facebookgroep. Het initiatief voor deze groepen komt vaak vanuit een enthousiaste buurtbewoner die het beheer op zich neemt en de huisregels in de groep handhaaft.
De invloed van de appgroepen op sociale veiligheid lijkt echter beperkt. Respondenten wijzen vooral op de preventieve werking van de appgroepen om inbraken of andere delicten te voorkomen. Of dit daadwerkelijk zo is, is echter lastig hard te maken. Buurtbewoners delen wel verdachte situaties met elkaar, maar dit heeft slechts in 1 casus (Amsterdam) geleid tot aanhoudingen. Behalve dat buurtbewoners relatief weinig verdachte situaties opmerken, vari?rend van 0.08 tot 1,5 per maand, melden ze ook niet alle verdachte situaties aan de politie.

Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting te voorkomen. Deelnemers aan de groepen weten hierdoor wat wel en niet geoorloofd is in de groepen en wijzen elkaar hier op. Ongewenste uitwassen zijn we dan ook nauwelijks tegengekomen in de geanalyseerde appgroepen.
De actieve inzet van buurtbewoners voor de veiligheid van hun buurt, roept echter ook verwachtingen op. Buurtbewoners willen graag terugkoppeling ontvangen, wanneer ze een melding doen bij de politie. Uit het onderzoek blijkt dat dit vaak niet gebeurt, waardoor niet duidelijk is op de meldingen opgevolgd zijn door de politie. Ook verwachten buurtbewoners ondersteuning van de gemeente als het gaat om preventiebordjes of -stickers. Per gemeente wordt hier verschillend mee omgegaan en dit kan leiden tot onvrede onder buurtbewoners.

[slideshare id=120818321&doc=doe-het-zelfsurveillance-181026101007&type=d]

Bronnen: Politie en Wetenschap

Burgemeesters in cyberspace

Als op straat ordeverstoringen plaatsvinden, kunnen burgemeesters maatregelen treffen om de veiligheid en orde te herstellen. De burgervaders en burgermoeders hebben echter niet zomaar bevoegdheden om ook online in te grijpen. Dat kan leiden tot moeilijkheden bij de handhaving van de openbare orde, omdat de aanleiding voor verstoringen van de maatschappelijk rust en veiligheid steeds vaker uitingen op internet zijn. Na eerdere onderzoeken naar virtuele wijkagenten, nu ook een eerste juridische en empirische verkenning naar de haalbaarheid van burgemeesters die hun lokale gezag virtueel verlengen.

Burgemeesters hebben online geen bevoegdheden
Treitervloggers, oproepen voor massale feesten, online drugswinkels: het zijn problemen die razendsnel kunnen escaleren, maar waarbij een burgemeester geen bevoegdheden heeft om in te grijpen, zo beschrijven de onderzoekers in het onderzoek??Burgemeesters in cyberspace.?Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld’, dat in opdracht van Programma Politie & Wetenschap werd uitgevoerd. De onderzoekers maakten gebruik van een juridische bronnenanalyse van openbare ordebevoegdheden van burgemeesters en interviews met 33 experts en 14 burgemeesters. Er zijn meerdere problemen aanwijsbaar, schrijven de onderzoekers. ?Openbare-ordebevoegdheden van de burgemeester zijn niet goed toepasbaar in cyberspace. Dit komt deels doordat deze bevoegdheden zijn geschreven met een fysieke wereld in gedachte. Het gedrag van mensen in een sterk gedigitaliseerde maatschappij laat zich echter steeds moeilijker scheiden in een ?online? en ?offline? deel. In werkelijkheid zijn die twee werkelijkheden daarvoor te sterk met elkaar verweven.?

Vrijheid van meningsuiting

E?n van de drie grootste problemen is dat digitale bedreigingen zich niet aan fysieke gemeentegrenzen houden. Een burgemeester mag van oudsher alleen binnen zijn eigen gemeente optreden. ?Wanneer iemand uit een andere gemeente oproept tot een massale samenkomst, is de burgemeester van de ontvangende gemeente niet bevoegd om dat te voorkomen.? Een ander probleem is dat ingrijpen al snel een ontoelaatbare inbreuk op grondrechten betekent, zoals de vrijheid van meningsuiting. ?Preventief ingrijpen via het internet betekent in veel gevallen het aanpassen of verwijderen van berichten van mensen, terwijl de burgemeester daartoe niet bevoegd is.? Ook is het lastig om in te schatten wat de gevolgen op straat kunnen zijn van dreigende berichtgeving. ?Dat maakt de verantwoording bij een eventueel ingrijpen lastig.?

Wetgeving aanpassen

De voor het onderzoek benaderde burgemeesters denken wisselend over de mogelijkheid en wenselijkheid van het online toepassen van hun bevoegdheden, zo geven de onderzoekers aan. ?Sommigen willen geen bevoegdheden op het internet, omdat ze vinden dat burgemeesters zich verre van uitingen van burgers moeten houden en optreden door het Openbaar Ministerie (strafrecht) meer voor hand ligt. Anderen geven aan dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de openbare orde binnen hun gemeente en dat online dreigingen binnen hun gemeente daar ook onder vallen.? Enkele burgemeesters geven de voorkeur aan verandering van wetgeving, waardoor ook online ingrijpen door burgemeesters mogelijk wordt gemaakt. Sommigen pleiten voor de oprichting van een landelijke autoriteit die beter online kan handhaven.

Samenwerking met andere bevoegdheden

Omdat veel vraagstukken voor de openbare orde zonder de inzet van formele bevoegdheden wordt opgelost, bijvoorbeeld door samenwerking met andere bevoegdheden, is er ook een reden om als burgemeester geen extra bevoegdheden te wensen. De onderzoekers pleiten vanwege toenemende digitalisering van de samenleving en de de verwevenheid van online en offline wereld voor het bewuster omgaan met vraagstukken van online ordehandhaving. ?Oplossingen dienen meer toekomstbestendig te zijn. Er kan al veel worden gewonnen met de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen burgemeesters en het Openbaar Ministerie?, schrijven de onderzoekers. Toch zal de wetgever een antwoord moeten geven op fundamentele vragen, zoals in hoeverre ingrijpen in de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is in het kader van de handhaving van de openbare orde en in welke gevallen het aan de burgemeester is om in te grijpen.

Het volledige rapport is?hier?gratis te downloaden, of hieronder online te lezen:

[slideshare id=115342278&doc=burgemeestersincyberspace-180919062020&type=d]

Bronnen: Binnenlands Bestuur, Politie en Wetenschap, NGB

 

Kennis voor de politie van morgen

Op 5 april jl. was er de conferentie Kennis voor de Politie van morgen. Een conferentie met de focus op onderzoek bij, naar en voor de politie.?Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politiefunctie.

Een mix van beleidsmakers, wetenschappers en politiemensen gingen in dialoog over de betekenis van actuele onderzoeken bij, voor en naar de politie en wat dit betekent voor de toekomst van politiewerk en de gewenste onderzoeksprogrammering. Onderzoekers van binnen en buiten de politie zijn gevraagd een bijdrage te leveren. Relevante, vernieuwende en actuele onderzoeken op vier thema?s; wijken en veiligheid, intelligence, opsporing en politiemedewerkers. De dialoog tussen de workshopgevers en genodigden draagt bij aan het overbruggen van de afstand tussen wetenschap en politieprofessie, beleid en praktijk; waardevolle inzichten vanuit onderzoek kunnen dan vertaald worden in bruikbare handvaten voor de politieorganisatie en haar partners.

Nederland herbergt heel wat politieonderzoekers, van heel diverse pluimage, maar een centrale ontmoetingsplaats ontbrak nog. Dat is jammer voor politiemensen die hun vak beter willen uitoefenen of die een nieuwe taak hebben en willen leren van eerdere ervaringen. Dat is jammer voor docenten die politiemensen opleiden en up-to-date willen blijven. Dat is jammer voor beleidsambtenaren die politiewerk moeten beoordelen en wetten, regels en beleid moeten formuleren en lang moeten zoeken voor ze de juiste deskundige hebben gevonden. Maar het is bovenal jammer voor onderzoekers omdat onderzoek gedijt bij uitwisseling van idee?n, kritische discussie en toetsing aan de praktijk.

Daarom organiseerden Politie, Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Politieacademie ook dit jaar weer een conferentie over onderzoek naar en voor de politie. Meer dan tachtig onderzoekers, verdeeld over ongeveer veertig workshops, presenteerden hun bevindingen en gingen met elkaar en de bezoekers in discussie. Aan bod kwamen onderwerpen als politie in contact met vluchtelingen, ondermijning, licht verstandelijk beperkten in het strafproces, verhoor, discriminatie en polarisatie, weerbaarheid en presteren onder druk en nog veel meer.

Lees hier het programma of meer over de onderwerpen in het boekje.

[slideshare id=93344263&doc=kennisvoordepolitievanmorgen-180409154650&type=d]

Bronnen: Politie

Wetenschap helpt politie met data analyse voor recherche

big data analytics

Recherchewerk verandert ingrijpend door de mogelijkheden van Big Data analytics. De politie gaat samenwerken met wetenschappers om beter informatie uit in beslag genomen smartphones en computers van verdachten te kunnen halen. Het idee is dat een computer met nieuwe technieken razendsnel miljoenen foto?s, berichten, locatiegegevens en filmpjes kan doorpluizen op zoek naar verbanden die een agent met het blote oog niet snel ziet.

De politie begint daarvoor het project ?Politielab? met Amsterdam Data Science. Dat is een samenwerkingsverband van de twee universiteiten en hogeschool in Amsterdam, en het Centrum Wiskunde & Informatica.

Drie promovendi van de Universiteit van Amsterdam gaan hun promotieonderzoek doen bij de politie door de?computertechniek deep learning te gebruiken voor opsporingswerk. Deep learning-netwerken zijn goed in het herkennen van patronen.Er is veel belangstelling voor vanuit de wetenschap, zegt de politie. Er moeten programma’s worden ontwikkeld om snelle data-analyse mogelijk te maken.?De promovendi worden gefinancierd vanuit de politie.

“Er zijn steeds meer data aan het werk, waardoor het steeds moeilijker is om verbanden te ontdekken. Daarom willen we de expertise van de wetenschap gebruiken”, zegt Theo van der Plas, programmadirecteur digitalisering en cybercrime bij de politie in het NOS Radio 1 Journaal. De ontwikkelingen in de wetenschap gaan volgens hem zo snel dat de politie daar graag bij wil aansluiten.

NOS Tech podcast in gesprek met?Theo van der Plas:

Misdaden sneller oplossen

De techniek helpt bij het ontdekken van nieuwe verbanden die rechercheurs niet met het blote oog kunnen zien. De computer kan razendsnel grote hoeveelheden bestanden met elkaar vergelijken en verbanden leggen. “Uiteindelijk zullen we daardoor sneller de onderzoekslijn vinden en sneller tot de oplossing van een misdaad kunnen komen”, zegt Van der Plas.

“Er is bijvoorbeeld een grote hoeveelheid foto’s van huiskamers. Combinatie van die beelden kan tot de conclusie leiden dat het om een clubhuis gaat waarvan een criminele bende gebruikmaakt. Door deze data science kunnen we mogelijk herleiden waar dat clubhuis staat en dat helpt ons enorm in het onderzoek.”

Uitdagingen

De enorme hoeveelheid gegevens in strafrechtelijke onderzoeken waar de politie mee te maken krijgt, brengt nieuwe uitdagingen met zich mee, zegt Theo van der Plas, programmadirecteur digitalisering en cybercrime van de politie. ?Zoals hoe je eruit haalt wat je nodig hebt. Of hoe haal je eruit wat je nog niet wist dat je nodig hebt voor het onderzoek? Ik verwacht dat we met de nieuwe technieken verbanden gaan zien die we nooit eerder hebben ontdekt.?

Nu al gebruikt de politie computertools waarmee automatisch kan worden gezocht in gegevens. Politielab moet de volgende stap zetten. Zo moet de rechercheur met een druk op de knop een samenvatting krijgen van wat er interessant kan zijn van alle in beslag genomen apparaten. De computer ziet relaties en (afwijkende) patronen in de gegevens.

Om een voorbeeld te geven: de computer herkent dat twee foto?s op verschillende apparaten op dezelfde plek zijn genomen. Dat kan aan de hand van bijvoorbeeld locatiegegevens en objecten die op de beelden te zien zijn. Voor de politie kan het een indicatie zijn dat twee verdachten op dezelfde plek zijn geweest.

‘Wapenwedloop’

De samenwerking met de wetenschap is voor de politie een belangrijke stap in ?de wapenwedloop? met criminelen, zegt Van der Plas. ?Criminelen hebben veel mogelijkheden om het ons lastig te maken. Ze versleutelen hun berichten en maken gebruik van allerlei verschillende communicatiemiddelen. Door de nieuwe tools kunnen wij straks hopelijk meer kennis halen uit de berg informatie die we in beslag hebben genomen.?

Daarmee worden niet alle problemen voor de politie opgelost, erkent hij. Gegevens die versleuteld zijn, zijn ook met de nieuwe tools niet te doorzoeken. Daarom is ook de nieuwe Wet Computercriminaliteit, die momenteel in behandeling is in de Eerste Kamer, belangrijk, zegt hij. Die geeft de politie de bevoegdheid computersystemen van verdachten te hacken, wat er onder meer voor moet zorgen dat informatie wordt verzameld v??rdat die versleuteld is.

politielab

Toestemming

Daarnaast heeft de Hoge Raad zich onlangs uitgesproken over het doorzoeken van alle informatie op een smartphone. Dat kan een bijna compleet beeld opleveren van iemands persoonlijke leven en mag volgens het arrest dus niet zonder toestemming van een officier van justitie of rechter-commissaris, wat tot voor kort niet altijd gebeurde.

Ook de nieuwe tools die in het Politielab worden ontwikkeld, zullen aan de waarborgen voldoen, zegt Van der Plas. Zo gaat de politie volgens hem niet ongericht analyses toepassen op de in beslag genomen apparaten als de informatie niet relevant is voor het onderzoek.

Computers kunnen steeds beter rechercheren

Zo kunnen computers steeds beter foto?s interpreteren. De politie kan daar haar voordeel mee doen bij onderzoeken. Oefening baart kunst. Dat geldt voor mensen, maar ook voor computers. Dus als je wilt dat een computer herkent dat er bijvoorbeeld een wapen op een foto staat, dan moet je eerst heel veel voorbeelden van wapens tonen.

Op de Amerikaanse Stanford-universiteit zijn ze om die reden bezig geweest met het invoeren van miljoenen gelabelde foto?s van allerlei voorwerpen en alledaagse taferelen. Van die database wordt nog steeds wereldwijd gebruikgemaakt. Straks ook door de onderzoekers van het ?Politielab?. Voor Marcel Worring, hoogleraar informatica aan de UvA en een van de initiatiefnemers van Amsterdam Data Science, bekend terrein. ?De technieken die we daarvoor gebruiken zijn niet nieuw. Ze zijn wel een stuk beter geworden. Kon een computer eerst nog maar een antwoord geven op de vraag wat er op een foto staat, nu herkent hij losse elementen, en zegt hij bijvoorbeeld: er staan hier vier personen op, een boom een auto.?

Wat is de grootste uitdaging van het project met de politie?

?De computer is steeds beter geworden in het herkennen van wat er op een foto staat, en het begrijpen van onze taal. De volgende belangrijke stap is de verbanden tussen beeld en taal maken. Een foto met daarop een wapen kan een andere lading krijgen als daar een bepaalde tekst bij staat.

?Datzelfde geldt voor het zien van patronen. De computer moet gaan herkennen dat er plotseling een reeks foto?s op dezelfde plek is genomen. Dat kan aan de hand van geografische gegevens in smartphones, maar ook door te herkennen dat bepaalde elementen op twee foto?s hetzelfde zijn. Een zelfde gebouw bijvoorbeeld.?

Heeft de politie wel wat aan de al bestaande database van Stanford? Het zijn niet altijd alledaagse dingen waar agenten naar op zoek zijn in strafrechtelijke onderzoeken.

?Over het algemeen geldt: hoe meer elementen de tools kunnen herkennen, hoe makkelijker het wordt om nieuwe dingen te leren. De politie kan dus voor hen relevante beelden toevoegen, zoals bepaalde wapens.?

Is de computer beter in de analyse dan een mens?

?Ik heb altijd gezegd: de computer is dommer dan de mens, alleen wel veel sneller. Maar computers beginnen langzaam op ons in te lopen. Ze zien patronen die je als mens niet makkelijk zult herkennen. Waar de computer alleen absoluut niet tegenop kan, is de ervaring en het onderbuikgevoel van een rechercheur die belast is met het onderzoek naar een in beslag genomen apparaat. Die onderbuikgevoelens kun je niet in regels vatten, dus kun je het een computer niet leren. Echte experts zijn nog altijd beter in het herkennen van subtiele details in beeld zoals een stopcontact, maar computers lopen op hen in. ?

Is het dan straks de techniek die bepaalt of iemand vervolgd gaat worden?

?De interpretatie van de bevindingen moet altijd aan mensen overgelaten worden. Het is niet zo dat de computer straks kant-en-klaar bewijsmateriaal gaat afleveren in de rechtszaal. Een voorbeeld: een computer kan wel constateren dat criminelen opeens een nieuw woord gaan gebruiken en de rechercheur daarop wijzen. Maar begrijpen dat ze daarmee op drugs doelen, is een tweede.?

Hoe gaat deep learning de politie helpen?

?Eerder waren we blij als de computer een zonsondergang of zebra op een foto herkende. Computers kunnen inmiddels bij een foto met een hond aangeven om welk ras het precies gaat, ze kiezen dan uit honderden soorten. Dit soort software willen wij bijvoorbeeld ombouwen, zodat computers ons vertellen welk merk en type vuurwapen op een foto staat.

?Na herkennen van wat op de foto staat, is verbanden leggen een volgende stap. We willen dat computers binnen enkele seconden uitleg kunnen geven over de inhoud van een in beslag genomen smartphone. Gaat het hierbij bijvoorbeeld om een potenti?le terrorist die bezig is geweest met het plannen van een aanslag?

?Daarnaast moet software snel verbanden of afwijkende patronen kunnen vinden in enorme bergen data. Zo moet het mogelijk worden verbanden te vinden tussen beelden en tekst, tussen bijvoorbeeld een foto van Schiphol en dreigende woorden.?

Waarom gebeurt dit niet nu al?

?Wetenschappers werkten natuurlijk al samen met de politie. Zo lukt het computers in onderzoeken naar kinderporno vaak te herkennen of beelden uit dezelfde kamer komen, maar bijvoorbeeld gefilmd vanuit een andere hoek.

?We zetten nu een nieuwe stap. Het Politielab is een groter samenwerkingsproject, en de technieken waarmee wij gaan werken zijn veel intelligenter. Daarmee herkennen computers details ? een bepaald behang, een manier van inrichten. Door locatiegegevens van foto?s aan elkaar te koppelen, kunnen ze zien of criminelen misschien samenwerken.?

De ontwikkelingen binnen deep learning gaan snel. Hoe komt dat?

?Deep learning heeft in het vak van data-analyse de afgelopen jaren tot grote revoluties geleid. Daar zijn twee belangrijke oorzaken voor. Netwerken binnen deep learning worden niet geprogrammeerd, maar getraind door ze als het ware te voeden. Afgelopen jaren hebben onderzoekers, onder meer van de fameuze Stanford-universiteit, computers duizenden voorbeelden gegeven om ze slimmer te maken. De techniek van deep learning komt al uit de vorige eeuw, maar in 2006 is er een grote doorbraak geweest uit de game-industrie. Om ingewikkelde fictieve landschappen in de games snel en scherp te laten zien, was er veel rekenkracht nodig. Het lukte om tientallen, soms honderden lagen neuronen tegelijk berekeningen te laten uitvoeren. Het zou zonde zijn dat vermogen niet te benutten voor de bestrijding van criminaliteit.?

Bronnen: Trouw, NRC, NOS, Politie

Computermodel voorspelt overlast in woonwijken – en wanneer die uitblijft

Computermodel_hoofdfoto

Misschien wel de beste oplossing tegen overlast in woonwijken: een computermodel om overlastsituaties te voorspellen.?Selmar Smit?van TNO ziet re?le kansen voor zo?n model. Daarmee kan een wijk overlastbestendig worden ontworpen. Bijvoorbeeld door een buurthuis te bouwen, of een park aanleggen.

Welke wetenschappelijk onderbouwde handvatten hebben gemeenten om overlast te voorkomen of bestrijden? Modellen om overlast te voorspellen kijken doorgaans naar de sociale en economische eigenschappen van een buurt. Maar ze leveren maar mondjesmaat praktisch bruikbare informatie. De modellen geven bijvoorbeeld geen antwoord op de vraag of ergens een buurthuis moet worden gebouwd, een uitgaansdistrict moet worden verplaatst, of een park moet worden aangelegd.

Het effect van dit soort ingrepen is namelijk zeer wisselend en sterk afhankelijk van de omgeving. Wat in de ene buurt tot overlast leidt, heeft niet noodzakelijk hetzelfde effect in een andere buurt. Zo zijn er nauwelijks meldingen van problemen bij caf? De Uylenburg aan de rand van Delft. Terwijl de caf?s in het centrum een paar kilometer verderop een hotspot van overlast vormen.

Overlastkaart belangrijk
Om te kunnen bepalen welke overlast een buurt kan verwachten, is het dan ook van belang om te weten welke gebouwen van een bepaald type op welke locatie(s) staan. Er kunnen 3 typen panden worden onderscheiden. Gebouwen die overlast cre?ren, die overlast aantrekken en die er geen enkel effect op lijken te hebben.

De 4 grootste bronnen van overlast blijken bars, caf?s, fastfoodrestaurants en supermarkten

Dit artikel laat zien hoe een computer met een voorspelmodel een zogenoemde overlast-heatmap?kan maken. En hoe die kaart in de praktijk werkt om overlastgevende locaties te identificeren en voorkomen.

2 theoretische verklaringen voor overlast
Op dit moment zijn er 2 theorie?n gangbaar die verklaren waarom op de ene locatie wel overlast plaatsvindt, en op de andere locatie niet.

  1. Patricia L. en Paul J. Brantingham introduceerden zogenoemde?crime attractors. Dit zijn plaatsen die potenti?le overlastveroorzakers aantrekken, maar niet noodzakelijk zelf overlast veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een bankje in een park.
  2. De theorie van Richard Wortley geeft juist een verklaring voor de hoeveelheid criminaliteit in een gebied. Hij doet dit met het begrip vancrime precipitators. Dan gaat het om omgevingsfactoren die aanmoedigend werken op personen om overlast te veroorzaken. Een caf? en discotheek zijn daar logische voorbeelden van.

Niet viswinkels trekken overlast aan, maar de pleinen in de directe omgeving

Nieuw voorspelmodel voor overlast
Een nieuw model van TNO gebruikt een wiskundige uitwerking van bovenstaande theorie?n. Ieder object, gebouw of gebied in een omgeving kan fungeren als precipitator, attractor, of allebei. Want precipitators cre?ren een bepaald niveau van overlast, terwijl attractors bepalen waar de overlast.

2 stappen naar overlastvoorspelling
In 2 stappen kan het computermodel een overlastvoorspelling voor een specifieke locatie maken.

pic1

Figuur 1 – Hoeveelheid overlast

Stap 1: Hoeveelheid overlast bepalen
Het caf? is rood gemarkeerd (zie figuur 1). Dit is een precipitator die een bepaalde hoeveelheid overlast kan veroorzaken in alle objecten binnen een bepaalde straal. Daarop duidt de rode balk. In hetzelfde gebied zijn ook 3 attractors aanwezig, namelijk parken. De afstand tussen de precipitator en de attractor ? en de hoogte van de aantrekkingskracht van de attractor ? bepalen hoeveel overlast er daadwerkelijk wordt aangetrokken. Dit is weergegeven in de blauwe balk. Het park dichtbij het caf? trekt een groot gedeelte van de overlast aan, terwijl het park rechtsonder ver genoeg weg ligt om overlastvrij te blijven.

pic2

Figuur 2 – Reikwijdte overlast

Stap 2: Reikwijdte van overlast bepalen
Overlast vindt meestal plaats in een gebied rond de attractor. Voor elk punt binnen de straal van dit gebied kan de hoeveelheid overlast worden voorspeld. De punten zijn aangegeven met een X (zie figuur 2). Vervolgens kan de hoeveelheid overlast in het gebied worden berekend door de effecten van alle attractors in een buurt op te tellen. Het punt in het midden, dat is weergegeven in de gele balk, trekt de meeste problemen aan. Voor de 2 buitenste punten wordt juist geen overlast voorspeld.

Beperkingen van bestaande overlastberekeningen
Maar er is een probleem bij dit soort berekeningen. Hoe weten we welke objecten een precipitator zijn? En welke een attractor? Hoe sterk is het effect van deze objecten? En hoe groot is de straal van verspreiding?

Een antwoord op deze vragen is afhankelijk van gegevens uit het verleden. Deze informatie laat zien waar overlast was, en welke objecten er in de buurt stonden. Deze gebouwen zijn niet noodzakelijkerwijs een precipitator of attractor. Maar met een zogenoemd zelflerend algoritme is dat wel te bepalen.

Oplossing: zelflerend algoritme
Een zelflerend algoritme is een geavanceerd computerprogramma dat in staat is om zelf te bedenken wat een goede oplossing is. Want het rekenmodel wordt ?beloond? bij goed gedrag. Goed gedrag betekent in dit geval: het kiezen van de juiste parameterwaarden om de overlast te voorspellen.

Buurthuizen blijken een effectief middel om overlast te verminderen

Hoewel het algoritme niet precies weet welke waarden correct zijn, zal het een patroon ontdekken door verschillende dingen te proberen en conclusies te trekken uit de beloningen. Dan blijkt onder welke omstandigheden (dat wil zeggen: bij welke van de aanwezige objecten) een hoge voorspelling gepast is.

Voorbeeld: overlast in haaglanden
TNO heeft de beschreven methode toegepast op data over overlastcijfers en omgevingskarakteristieken van de regio Haaglanden. Om zo een voorspelmodel voor de regio te ontwikkelen.

De input over overlast bestaat uit cijfers van hoeveiligismijnwijk.nl. Deze tonen het aantal meldingen op buurtniveau voor diverse vormen van overlast. Het gaat hierbij om jeugdoverlast, overlast van personen, drugsoverlast, geluidsoverlast en een aantal andere soorten overlast in 438 buurten in de periode van 2010 tot en met 2012.

OpenStreetMap dient als databron voor de omgevingskarakteristieken. De regio Haaglanden wordt daarin beschreven in 128 objecttypen met in totaal 10. 545 objecten. Denk aan de functie van gebouwen, en de aanwezigheid van pinautomaten, speeltuinen, bossen, parken en sportfaciliteiten. Met deze gegevens heeft het zelflerende algoritme de effecten van specifieke objecten op overlast in kaart gebracht.

4 grootste bronnen van overlast
De 4 grootste bronnen van overlast blijken bars, caf?s, fastfoodrestaurants en supermarkten. Dit zijn dus de grootste bronnen van overlast. Zolang er geen attractors in de buurt zijn, zoals in woonwijken, hebben ze weinig tot geen effect op de overlastcijfers. Maar in stadskernen en uitgaansgebieden zorgen deze objecten wel voor overlastplegers.

Viswinkels en gebedshuizen: 2 aantrekkers van overlast?
Viswinkels blijken verrassend genoeg de grootste aantrekkers van overlast te zijn. Toch is dit verband te verklaren. Pleinen zijn een notoire aantrekker van overlast, maar zijn niet opgenomen in de gegevens van OpenStreetMap. De viswinkels op de kaart blijken stuk voor stuk op of vlakbij pleinen te liggen.

Niet alle ‘groene’ oplossingen helpen: parkjes en speeltuinen trekken juist ook overlast aan

Daarmee fungeren ze in het rekenmodel als een vervanging van pleinen. Niet viswinkels trekken overlast aan, maar de pleinen in de directe omgeving. Een vergelijkbaar verband is te zien bij gebedshuizen. Ook deze liggen vaak op of bij een plein en worden daarom ten onrechte aangewezen als attractors.

3 effectiefste middelen tegen overlast
Hotels en rechtbanken hebben volgens het zelflerend algoritme van TNO een positieve invloed op overlast. Het ontmoedigende effect op overlastveroorzakers is merkwaardigerwijs het grootst in gebieden waar de overlast juist zeer hoog is. En buurthuizen? Die blijken inderdaad een effectief middel om overlast te verminderen.

Niet al het groen helpt tegen overlast
Het rekenmodel van TNO laat zien dat er verschillende mogelijkheden zijn om in woonwijken de overlast te verminderen. Bijvoorbeeld door kunst te plaatsen en plantsoenen aan te leggen. Maar niet alle ‘groene’ oplossingen helpen. Want parkjes en speeltuinen trekken juist ook overlast aan.

Conclusie: voorspellen ?n aanpakken
Het hier beschreven zelflerende algoritme vormt nog geen eindpunt. Er is behoefte aan extra gegevens om het inzetbaar te maken voor interventies en stadsontwerp. Die data zouden gedetailleerder moeten zijn dan nu beschikbaar is, en afkomstig zijn van verschillende stedelijke gebieden.

Natuurlijk kan het model ook voorspellingen doen over andere onderwerpen dan overlast. Zoals criminaliteit, zorg en welzijn. De voorspellingen daarover zouden dan kunnen worden meegenomen als kwantitatieve onderbouwing van de Veiligheidseffectrapportage. Dan kunnen ze worden gebruikt om concrete interventies te kiezen om overlast effectief te verminderen.

Bronnen: CCV Secondant