Tagarchief: beleid

Amper beleid bij forse groei buurtpreventie door burgers

Gemeenten stimuleren buurtpreventie, zonder te weten waarom. Terwijl het regelmatig tot problemen leidt, blijkt uit onderzoek.

Buurtpreventie blijft in Nederland groeien. Vooral het aantal buurtappgroepen is de afgelopen jaren fors gegroeid. Hoewel veel gemeenten de groei van buurtpreventie actief stimuleren, ontwikkelen ze nauwelijks beleid op dat gebied, terwijl in een op de vijf gemeenten de controlecultuur die met de buurtapps gepaard gaat tot problemen leidt.

Dat blijkt uit onderzoek van de aan de Erasmus Universiteit verbonden socioloog Vasco Lub, in opdracht van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, onder meer dan tweehonderd gemeenten.

Politie en bestuurders omarmen buurtpreventie als manier om burgers te betrekken bij het voorkomen en opsporen van criminaliteit. Dat kan via patrouilleteams die door de wijk lopen of via appgroepen, waarin buurtbewoners elkaar op de hoogte houden van verdachte situaties. Van de gemeenten stimuleert 65 procent buurtpreventie actief, bijvoorbeeld via informatieavonden, de eigen website of brieven aan inwoners.

In het merendeel van de gemeenten is er dan ook nauwelijks beleid over hoe om te gaan met de patrouilleteams en buurtappgroepen, constateert Lub. Van de 187 gemeenten die aangaven dat ze buurtpreventie hebben, hebben 109 er niets op papier over vastgelegd in officiële documenten zoals een collegeakkoord, veiligheidsplan of verordening. „En zelfs als er iets is vastgelegd, dan is dat minimaal”, zegt Lub. „Meestal wordt er alleen gemeld: we hebben het. Er staat vrijwel nooit in wat de reden is en welke strategie wordt gevolgd. Bijvoorbeeld: we kampen met overlast van een jeugdsoos of periodieke inbraak, en vragen daarom hulp van burgers. Of: we kunnen beperkter politie inzetten.”

Lub noemt dat een risico. „Als je geen prioriteiten of grenzen stelt, blijft vaag waarop het kan worden afgerekend.”

Rotonde afgezet

Ruim een vijfde van de gemeenten met buurtpreventie gaf in het onderzoek aan negatieve effecten van buurtpreventie te ondervinden. Door een overdaad aan meldingen worden ambtenaren en politiemensen overvraagd, en ook een doorgeslagen controlecultuur waarin burgers elkaar wantrouwen en eigenrichting zijn een probleem.

Bij het extreemste voorbeeld dat Lub van ambtenaren hoorde, hadden burgers na berichten in de appgroep een verdacht persoon staande gehouden en met tie-wraps vastgebonden. Elders zetten burgers na meldingen over een inbreker een rotonde af om een mogelijke verdachte te kunnen aanhouden.

Vaak zijn de negatieve effecten subtieler en zien ambtenaren dat de appgroepen voor een dreigende sfeer in de buurt zorgen. Maar, merkte Lub in zijn gesprekken: praten doen ze daarover liever niet. „Gemeenten zijn huiverig om het over de schaduwkanten te hebben. Ze hebben het nu eenmaal omarmd, actieve burgers zijn per definitie goed. Ik vermoed dat het werkelijke aantal plekken waar negatieve effecten zijn veel groter is.”

Appgroepen professionaliseren

Lub volgt de opkomst van buurtpreventie al langer: drie jaar geleden leidde hij een vergelijkbaar onderzoek en onlangs publiceerde hij voor het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap een rapport over de samenwerking tussen burgers en politie. Het verbaast hem hoe weinig aandacht er vanuit de overheid is voor het fenomeen. „Er wordt nergens bijgehouden hoe groot dit is, of wat werkt en wat niet. Er wordt overal ingezet op burgermoed en burgerkracht, maar een landelijke richtlijn is er niet.”

Een deel van de buurtpreventiegroepen is de afgelopen jaren geprofessionaliseerd. Ze nemen de vorm aan van een vereniging, heffen contributie en betalen daarvan particuliere beveiligers of camera’s. Verschillende gemeenten experimenteren ondertussen met preventieteams die in opdracht van de politie na een misdrijf buurtonderzoek doen.

Zorgelijk, vindt Lub, die in zijn aanbevelingen voor duidelijker beleid pleit. „Het wordt nu klakkeloos gestimuleerd. Men bekijkt het praktisch: burgers kunnen een handje helpen. Maar er is een reden waarom buurtonderzoeken altijd door de politie zijn gedaan: omdat die onpartijdig is en weet hoe je objectieve informatie kunt verzamelen die standhoudt in de rechtbank.”

Cursussen worden wel aangeboden, maar richten zich volgens Lub louter op praktische zaken, zoals hoe je omgaat met een agressief persoon. „Niet op vragen als: wanneer vind ik een situatie verdacht? Wat is etnisch profileren? Wat mag ik wel en niet?” Groei van apps is door de overheid niet tegen te houden, erkent Lub. „Maar je kunt wel proberen ze beter te reguleren. En als mensen voor burgerwacht gaan spelen moet je dat proberen te bestrijden.”

Lees het volledige rapport:

[slideshare id=143055413&doc=de-burger-kijkt-mee-jh09-190501074916&type=d]

Bronnen: NRC, NOS, Volkskrant, RTL Nieuws, Hart van Nederland

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen
Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politie 

Politie, Politieacademie, Politie en Wetenschap en het directoraat generaal Politie (ministerie Justitie en Veiligheid) organiseerden op 9 april 2019 de jaarlijkse conferentie over onderzoek naar, voor en door de politie. De conferentie bood een overzicht van actueel wetenschappelijk onderzoek in Nederland en brengt beleidsmakers, wetenschappers en politie samen om in gesprek te gaan over de betekenis van dit onderzoek voor de toekomst van de politie.

De conferentie bood volop gelegenheid tot interactie, kennisuitwisseling en netwerkvorming. Centraal stond de vraag naar de relevantie en doorwerking van de verschillende onderzoeken in beleidsvorming en politiepraktijk en -onderwijs. Tijdens de conferentie werd ook ingegaan op de strategische onderzoeksagenda voor de politie 2019-2022. Ook werd stilgestaan bij verschillende vormen van praktijkonderzoek binnen de context van de politie.

[slideshare id=140312201&doc=192961-strategischeonderzoeksagendapolitie2019-2022-190410135109&type=d]

De dag werd afgetrapt door Ferd Grapperhaus (Minister van Justitie en Veiligheid), Liesbeth Huijzer (Lid Korpsleiding Politie) en Edwin Bakker (Hoofd Kennis & Onderzoek Politieacademie).

Hieronder een overzicht van alle dialoogsessies:

1. Gebiedsgebonden politie: hervorming is broodnodig
Nikita Rombouts en Judith van Valkenhoef, onderzoekers Politieacademie
Dennis van Kommer, teamchef Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag
Jur Westra, operationeel specialist C team Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag

De Nederlandse politie zet met gebiedsgebonden politie (GGP) al decennialang veel kaarten op lokale kennis, contacten en invloed. Tevredenheid over de openbare orde en over GGP veronachtzaamde hoe makkelijk drugscriminelen geld verdienen en op hun manier bijdragen aan het lokale leefklimaat. Wijkagenten en andere medewerkers van basisteams signaleren in wijken en dorpen vandaag de dag veel georganiseerde (drugs)criminaliteit, vaak zonder (kans) dat er een opsporingsonderzoek wordt gestart. Dit is een ongemakkelijke realiteit die vraagt om andere lokale politie: herdefiniëring van het GGP-concept en een betere organisatorische inrichting op lokaal niveau. De huidige basisteams zijn de XL-variant van de oude wijkteams die vanaf jaren zeventig van de vorige eeuw werden ingevoerd. De personele samenstelling van de basisteams is te generalistisch. De basisteams zijn gebaseerd op ontwerpkeuzen die structurele knelpunten opleveren bij een belangrijke kernopdracht van de politie, namelijk opsporing.

De geringe slagkracht van generalistische politiemensen bij misdaadbestrijding laat al ruim dertig jaar veel ruimte bestaan voor criminelen. Dat is een probleem met kenmerken van een creeping crisis of institutionele crisis. Immers, het dominante GGP-concept negeert al lange tijd de grote behoefte onder politiemensen (juist ook wijkagenten), burgers en burgemeesters aan een politie die steviger en effectiever optreedt tegen lokale misdaad. Als een instituut dergelijke kritiek veronachtzaamt, brokkelt haar legitimiteit langzaam maar zeker af. Hervorming is dan noodzakelijk. We verwerpen het idee van GGP niet, maar het is noodzakelijk om het te hervormen en om zo de basis op orde te brengen. We gaan in deze dialoogsessie graag in gesprek over wat deze bevindingen betekenen voor de politie van overmorgen. Link naar de notitie: https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/95323.PDF

[slideshare id=140312749&doc=95323-190410135646&type=d]

2. The ecological validity of evidence disclosure models in interviews with suspects
Martijn van Beek, docent-onderzoeker Politieacademie / promovendus University of Derby Jos Hoekendijk, recherchepsycholoog Politie eenheid Noord-Nederland

De ervaren hoeveelheid bewijs is voor een verdachte een belangrijke factor bij de beslissing om in verhoor wel of geen aanvullende informatie te verstrekken. Het (a) moment waarop en (b) de manier waarop in verhoor bewijs (tactische aanwijzingen) onthuld wordt aan de verdachte zijn voor de verhoorder dan ook belangrijke instrumenten om verdere informatie te kunnen verzamelen. In onderhavig promotieonderzoek worden drie modellen daarvoor onderling vergeleken: het model dat momenteel gebruikelijk is in de Nederlandse politiepraktijk en twee buitenlandse, vanuit de wetenschap ontwikkelde modellen.

Uit de eerste bevindingen blijkt dat de drie modellen er ook in een praktijkgerichte setting inderdaad toe leiden dat verdachten van een pseudo-diefstal meer informatie verstrekken dan wanneer hen alleen naar hun eigen verklaring wordt gevraagd. Dit geldt voor zowel schuldige als onschuldige verdachten. Onderzocht wordt of deze extra informatie het ook mogelijk maakt een beter onderscheid te maken tussen schuldige en onschuldige verdachten.

Recherchepsycholoog Jos Hoekendijk van de eenheid Noord-Nederland gaat tijdens de dialoogsessie in op de vraag hoe de bevindingen van het onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan meer op maat gemaakt verhooradvies en aanpassingen in verhoorstrategieën.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Verdachten in Nederland hebben tegenwoordig recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens verhoor. Onderzoek uit landen waar deze rechten eerder al ingevoerd zijn, laat zien dat de advocaat voor zijn advies aan de verdachte vaak ook vaart op het bewijs dat de politie voor of tijdens het verhoor onthult. Het verdachtenverhoor krijgt daarmee een meer strategisch karakter. Inzicht in wat het meest effectieve moment en wat de meeste effectieve wijze van onthullen van bewijs is, helpt de politie zich aan deze veranderingen aan te passen.

3. Van reactief naar proactief: de meerwaarde van data-driven AI modellen om criminaliteit tegen te gaan
Bob van der Vecht en Selmar Smit, senior researchers TNO

Hoe kunnen data-driven modellen bijvoorbeeld overlast of kleine criminaliteit voorspellen in een stad? En als je dit kan voorspellen, wat doe je daar dan vervolgens mee? Er zijn meerdere initiatieven voor data-driven AI modellen ter ondersteuning van politiewerk. Door maatregelen te nemen op basis van voorspellingen, kunnen er waterbedeffecten en andere neveneffecten optreden. AI modellen en simulaties kunnen op basis van gedragstheorieën helpen om deze aan te zien komen. Maar hoe kunnen deze modellen in praktijk effectief ingezet worden?

Het inzetten van AI vereist een goed inbedding van expertkennis van politiemensen in de modellen. Hoe kan daarvoor gezorgd worden? En gaan de recherche skills en intuïtie van politiemensen op termijn niet verloren door gebruik van modellen? En versterkt het gebruik van modellen juist tunnelvisie?

Het gebruik van AI roept veel vragen op. In deze dialoogsessie presenteren wij recente AI-onderzoekprojecten voor politietoepassingen, waarin wij data-driven AI technieken integreren met expertkennis en criminologische theorieën. We bespreken de consequenties van vragen zoals bovenstaande voor zowel onderzoek als praktijk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Door ontwikkelingen van AI-onderzoek zal er bij de politie in de toekomst een verschuiving plaatsvinden van reactief af gaan op meldingen naar proactief optreden. Voor de politieorganisatie heeft dit impact op mens, organisatie en techniek.

4. Medewerkersparticipatie bij de politie
Ivo van Duijneveldt, adviseur/onderzoeker AEF
Fleur Hilhorst en Justine Kaasjager, senior organisatieadviseurs, Politie / PDC HRM / Team Ontwikkelen en Veranderen

Hoe kunnen medewerkers participeren bij beslissen in en over het werk? Deze vraag staat centraal in een onderzoek naar medewerkersparticipatie bij de politie. Het onderzoek vindt plaats in opdracht van de Korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad. Doel van het onderzoek is een groter inzicht te verkrijgen in medewerkersparticipatie. Welke betekenis geven medewerkers en leidinggevenden eraan? In hoeverre vinden zij het van belang? Wat maakt dat medewerkersparticipatie soms als vanzelf ontstaat, maar soms ook heel moeizaam? Deze vragen worden beantwoord op basis van veldwerk in uiteenlopende teams in de politieorganisatie. In het onderzoek zijn zowel blauwe, grijze als ondersteunende teams betrokken. Ook richten de onderzoekers zich op een analyse van goede voorbeelden, verbeterinitiatieven en innovaties die vanuit het werk zijn ontstaan. Het onderzoek wordt eind 2019 afgerond. In deze dialoogsessie geven de onderzoekers een presentatie van de eerste inzichten uit het veldwerk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De korpsleiding beschouwt medewerkersparticipatie van strategisch belang voor de politie. Om adequaat en snel in te kunnen spelen op wat er speelt in de maatschappij is het van belang dat politiemensen zelf richting en invulling kunnen geven aan hun werk. Medewerkersparticipatie veronderstelt dat medewerkers actief bijdragen aan het onderzoeken van vraagstukken die spelen in het werk en aan het bedenken van oplossingen. Dit leidt tot groter eigenaarschap voor zowel het vraagstuk als de oplossingen. Medewerkersparticipatie draagt bij aan draagvlak voor beslissingen en voor beleid, als medewerkers zelf betrokken zijn bij het analyseren en definiëren van het vraagstuk en bij het bedenken van oplossingen. Daarnaast is uit onderzoek bekend dat ruimte voor participatie positief bijdraagt aan de kwaliteit van het werk en aan de arbeidssatisfactie. Als medewerkers ruimte ervaren om zelf te kunnen sturen op het werk, draagt het bij aan reductie van werkstress en daaraan gerelateerd verzuim.

5. Op zoek naar de Buzz: (sociale) media en het delictgedrag van plegers van high impact crimes
Nicole Bouman, onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jos van der Stap, landelijk overvalcoördinator Politie

Onderzoek naar de sterke groei van het aantal overvallen in Nederland leverde een interessante bijvangst op. Overal in het land, letterlijk van Groningen tot Maastricht, doken ineens overvallers op die vergelijkbaar delictgedrag lieten zien. Bijvoorbeeld in hun keuze voor bepaalde objecten, of hun modus operandi (Rovers et al. 2010). Dit patroon van kopiëren kon niet verklaard worden uit het feit dat het hier over dezelfde daders ging of over daders die elkaar allemaal kenden. Er leek sprake van een copycat effect (Coleman 2004). Er hing iets ‘in de lucht’, dat die overvallers kennelijk oppikten en waar ze hun delictgedrag op leken aan te passen.

In 2016 liet de Taskforce Overvallen de intensieve aanpak van overvallen evalueren. Die aanpak bleek een succes. In 2009 piekte het aantal overvallen in Nederland nog met ongeveer 3000 incidenten. In 2016 was dit teruggelopen tot ongeveer 1200 incidenten per jaar. Eén van de factoren die dit succes zouden kunnen verklaren, was dat in de voorbije jaren allerlei partijen in allerhande media veel aandacht hadden besteed aan de aanpak van overvallen. Zou het dan zo kunnen zijn, dat deze mediacommunicatie een eigenstandig effect had op de beslissing van potentiële daders om (voorlopig) niet meer voor dit delict te kiezen (Rovers & Fijnaut 2016)?

Stel dat in kringen van overvallers is gaan rondzingen dat je dit delict beter even niet kan plegen. Dat er zoiets als een Buzz is ontstaan. Met deze hypothese begon dit onderzoek. En dat (sociale) media daar een rol bij speelden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van delictgedrag, lag voor de hand. Surette (2014) vroeg daders of ze ooit via de media een idee hadden opgedaan voor het plegen van een delict. Een kwart van de betrokkenen antwoordde hierop bevestigend.

Met dit onderzoek wilden we een beter inzicht krijgen in wat er in kringen van plegers van high impact crimes (HIC: overvallen, straatroven, woninginbraken en geweld) precies gebeurt naar aanleiding van bepaalde (sociale) media-uitingen. Over wat voor type uitingen gaat het dan, via welke kanalen en met welke content? Verder wilden we weten wat de effecten van die media-invloed zijn op individuele beslissingen om wel of niet een delict te plegen. En of het zo zou kunnen zijn, dat die media-invloed ook tot groepseffecten leidt. Want in dat laatste geval zouden we van een Buzz kunnen gaan spreken.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid door Hans Moors, Ben Rovers en Nicole Bouman. Publicatie wordt verwacht voor april 2019.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

In de voorbije jaren zijn beleidmakers tot de conclusie gekomen dat enkel repressie niet werkt bij plegers van HIC-feiten. Aanvullende beleidsstrategieën, zoals een persoonsgerichte aanpak, zijn nodig om de frequentie van deze delicten terug te dringen. Beïnvloeding van deze groep (potentiële) daders via mediacommunicatie is mogelijk een aanvullende strategie om dit doel te realiseren. Dit onderzoek maakt duidelijk of dit een zinvolle strategie kan zijn.

Daarmee wordt een belangrijke leemte opgevuld in de bestaande kennis over dadergerichte preventie door middel van communicatie. Onderzoek naar de effecten van (preventieve) communicatie op delictgedrag focust namelijk vaak op de zendende partij (Santos & Santos 2016). Hiermee gaat het voorbij aan een vitaal aspect in de causale keten: de criminelen, hun mediaconsumptie, en de betekenis daarvan voor hun delictgedrag. Er is opmerkelijk weinig bekend over hoe specifieke groepen criminelen naar (sociale) media kijken en morele afwegingen maken die hun handelen beïnvloeden (Van Ommen 2018; Janicke 2013; Tamborini et al. 2012). Dit onderzoek richt zich op dat vitale aspect en start juist aan de kant van de ontvanger van de boodschap: de (HIC-)delictpleger. Deze kennis is in hoge mate praktijkrelevant, omdat die concrete aanknopingspunten kan bieden voor evidence-based communicatiestrategieën gericht op daders van wie de delicten een grote impact hebben op de samenleving.

6. Politiewerk in een diverse samenleving
Sandra ter Woerds en Valerie Peeck, onderzoekers Politie eenheid Amsterdam (Team A&O)
Rutger Hendriksen, teamchef basisteam Zuidoost-Bijlmermeer, Politie eenheid Amsterdam
Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke

In 2018 werd binnen de eenheid Amsterdam tegelijkertijd onderzoek gedaan naar het politiewerk in de Bijlmer én naar de aanpak van professioneel controleren binnen de eenheid. In deze dialoogsessie presenteren onderzoekers van Bureau Beke en onderzoekers van de politie in samenhang de bevindingen van deze onderzoeken.
De nadruk zal liggen op de raakvlakken tussen beide: het vormgeven van professioneel politiewerk in een diverse samenleving. Hoe gaat (en ging) dat in de Bijlmermeer? En hoe meet je de effecten van professionalisering op dit vlak?

Waar staan we in de Bijlmermeer? (Team A&O politie eenheid Amsterdam)
In de media wordt soms scherpe kritiek geuit op het werk van de politie bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarbij burgers onjuist bejegend of onterecht behandeld worden. De relatie tussen de burger en de politie zou onder druk staan, voornamelijk in wijken met een diverse bevolking. In de media is veel aandacht voor de beleving van de burger. Maar hoe wordt dit door politiemedewerkers ervaren?

Vanuit het district Oost (Eenheid Amsterdam) werd opdracht gegeven voor een onderzoek om te achterhalen welke perceptie politiemedewerkers van basisteam Bijlmermeer hebben van de zeer diverse samenleving in hun werkgebied, de tegenstellingen tussen groepen onderling en de verhouding tussen burgers en de politie.
De vraag is hoe zij daarbinnen invulling geven aan hun professioneel handelen en hun vakmanschap? In dit onderzoek staan de verhalen en ervaringen van de medewerkers van het basisteam centraal. Zij zijn uitvoerig geïnterviewd over hun werk in de Bijlmermeer en hun contact met de burgers in de wijk. Het vertelt ‘het verhaal’ van het basisteam Bijlmermeer gebaseerd op hun beleving.

Professioneel controleren (Bureau Beke)
De aanpak van professioneel controleren staat momenteel binnen politie-eenheid Amsterdam volop in de belangstelling, ook omdat de politie regelmatig het verwijt van etnisch profileren krijgt. Momenteel worden al bestaande maatregelen voor professioneel controleren aangevuld met nieuwe, vaak innovatieve maatregelen. Nu er zoveel aandacht uitgaat naar de aanpak, bestaat ook de wens om te kijken naar de effecten hiervan. Maar voor de driehoek is het nog de vraag welke criteria hiervoor relevant zijn. Deze criteria zijn nader bepaald in dit onderzoek en zullen worden gebruikt voor een periodieke scan op de maatregelen. Bureau Beke zal een toelichting geven op dit onderzoek.
Wat betekent je onderzoek volgens jou voor de toekomst van de politie?

Deze beide onderzoeken geven inzicht in de ontwikkeling(en) van de professionalisering van het omgaan met diversiteit binnen het politiewerk. Hoe kan je hier handen en voeten aan geven en hoe blijf je aangaande deze materie een vinger aan de pols houden?

Daarnaast maakt het onderzoek ‘Waar staan we in de Bijlmermeer?’ duidelijk dat het basisteam Bijlmermeer een uniek verhaal te vertellen heeft wat betreft de aard en de ontwikkeling van het politiewerk in de eigen wijk. En zo zal ieder basisteam in Nederland op soortgelijke wijze een geheel eigen verhaal te vertellen hebben over het politiewerk en het contact tussen de politie en de burgers in de wijk. Hoe mooi zou het zijn om ook de verhalen van andere basisteam op soortgelijke wijze voor het voetlicht te brengen?

7. Geolinkage & Geoselectie; geografische analyses voor efficiënter politiewerk.
Jasper van der Kemp, universitair docent Criminologie, VU School of Criminology, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam
Rixt Brouwer, analist A&O, Politie eenheid Amsterdam
Sander Tulp, procesmanager BI (OSB), Politie eenheid Noord-Nederland

Politiewerk vraagt om het maken van keuzes om de beperkte capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. De noodzaak tot het maken van efficiënte keuzes geldt voor surveillances die gericht zijn op het genereren van een preventief effect door de aanwezigheid van meer blauw op straat tot het gericht zoeken naar verdachten in grootschalig opsporingsonderzoek. Door gebruik te maken van geografische analyses kan gerichtere inzet worden bewerkstelligd; door surveillance te sturen naar die locaties waar de incidenten zich vooral afspelen, door gebiedsgebonden probleemgericht te interveniëren of door het geografisch gedragskundig koppelen van zaken tot series om effectief te rechercheren.
In deze dialoogsessie zullen verschillende geografische analyses aan de hand van voorbeelden worden toegelicht en bediscussieerd in het licht van de mate waarin deze in de politiepraktijk kunnen worden toegepast. Denk hierbij aan het bepalen van de risk terrain profielen van wijken voor woninginbraak; het vaststellen van de hot streets van autobranden (vs hot spots) en het selecteren en koppelen van zaken tot mogelijke series.

8. Openbare orde online; de rol van gemeente en politie
Willem Bantema, senior-onderzoeker NHL Stenden Hogeschool
Imke Smulders, docent communicatie en taalvaardigheden Juridische Hogeschool Avans-Fontys / onderzoeker expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool
Sander Hoed, digitaal wijkagent team Nijmegen Zuid, Politie eenheid Oost Nederland

Willem Bantema et al. (2018). Burgmeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld (Politie en Wetenschap).
Imke Smulders (2017). #Politie. Twittergebruik door wijkagenten & de veiligheidsbeleving van de burger (Proefschrift – OU).

Er zijn veel voorbeelden van openbare ordeverstoringen met een digitale component. Te denken valt aan oproepen tot snelwegblokkades, boze burgers, bedreigingen aan bestuurders, aankondiging van demonstraties en bijvoorbeeld sexting-zaken die gevolgen voor de openbare kunnen hebben. In tegenstelling tot fysieke openbare ordeverstoringen is het bij openbare ordeverstoringen met een digitale component minder duidelijk in hoeverre zij onder verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters vallen. Juridisch gezien blijkt uit de studie ‘burgemeesters in cyberspace’ dat openbare-ordebevoegdheden van burgemeesters niet zijn toegesneden op de online wereld. Vanuit de praktijk worden strafrecht en OM vaak als aangewezen partij gezien voor handhaving in cyberspace, mede door het grens overstijgende karakter ervan.

Dit roept meer fundamentele vragen op die zich natuurlijk niet beperken tot de gemeente. Wat is precies de rol van gemeenten op dit gebied? Welke verstoringen kunnen gezien worden als een openbare orde probleem en welke niet? Lopen gemeenten de politie niet voor de voeten als ze hier een meer actieve rol zouden willen spelen? Waar begint de rol van de gemeente en of politie en waar houdt die op, hoe verhouden hun taken zich tot elkaar? Zijn partijen voldoende toegerust op de uitvoering van hun taken? Doen soortelijke discussies en problemen zich buiten de gemeente ook voor binnen de politiepraktijk, wat betekenen de digitale ontwikkelingen voor hun werk in de toekomst?

De rol en ervaringen van gemeente worden belicht door Willem Bantema die ook vervolgonderzoek gaat doen naar mogelijke gemeentelijke interventies in cyberspace (Justitie en Veiligheid) en naar het monitoren in cyberspace door gemeenten (Politie en Wetenschap). De rol van de politie wordt belicht door de recent gepromoveerde Imke Smulders die onderzoek heeft gedaan naar het twittergebruik van digitale wijkagenten en het effect daarvan op ervaren veiligheid door burgers en door digitale wijkagent Sander Hoed vanuit zijn praktijkervaring.

De dialoogsessie heeft tot doel discussie te voeren over ervaringen met online dreigingen (signalering en interventies) en het voeren van discussie over de rollen en onderlinge verhoudingen tussen politie en gemeenten. In hoeverre is de politie gebaat bij handelingen van gemeenten en burgers op dit gebied? Welke input zou het politiewerk bevorderen en welke input werkt juist belemmerend? Waar kunnen partijen elkaar effectief aanvullen en of versterken? Is de burger überhaupt bereid en bekwaam om een actieve rol te spelen en zo ja, liggen er dan ook mogelijk ongewenste neveneffecten op de loer? Invloed op onder andere de veiligheidsbeleving of het oordeel over de politie is niet ondenkbaar. Naast juridische vragen gaat het dan ook over normatieve en organisatorische vragen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door de toenemende digitalisering is de vraag of er wat moet gebeuren inmiddels achterhaald, maar het is wel vaak onduidelijk wie die dreigingen moet signaleren en wie moet ingrijpen.
Nu is het vaak onduidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Zeker wanneer er niet sprake is van een strafbaar feit (geen OM) maar wanneer er wel duidelijk bedreigingen zijn voor de openbare orde en veiligheid. Wanneer gemeenten een actieve rol zouden spelen bij het signaleren en interveniëren in cyberspace zou dat de lokale gemeenschap en politie veel tijd en moeite schelen en kan politietijd ingezet worden voor meer ‘harde’ criminaliteit. Aan de andere kant kan ook de overweging meespelen dat de wijkagent in deze tijden juist ook online het contact met zijn wijk wil en moet houden; wanneer gemeenten vanuit een actievere rol zaken gaan afvangen, ontstaat dan niet het risico dat kennis die relevant is voor de taakuitoefening van de wijkagent niet meer bij hem terechtkomt? Of het risico dat bepaalde informatie niet meer wordt gedeeld, omdat de burger het lijntje met de (bekende) wijkagent als korter ervaart dan dat met de gemeente? Het is ook de vraag in hoeverre vanuit de politie behoefte is aan steun op dit gebied door gemeenten en de vraag waartoe gemeenten/burgemeesters en politie op aarde zijn en hoe ze elkaar in de werkzaamheden/handhaven van de openbare orde en veiligheid het beste kunnen versterken. Moet er bijvoorbeeld massaal geïnvesteerd worden in het opleiden van digitale wijkagenten of moet de politieorganisatie juist verder ontlast worden en moeten gemeenten een grotere rol krijgen op dat gebied?

9. ‘Komt een amateur rechercheur bij de politie’
Arnout de Vries, wetenschappelijk onderzoeker TNO
Shanna Wemmers, scientist innovator TNO

Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing? Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze dialoogsessie willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/

10. Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie
Nanette Slagmolen, wetenschappelijk onderzoeker Politieacademie
Basya Berends, coördinator Master Tactisch Leidinggevenden Politieacademie
Dave Deswijzen, toegevoegd teamchef C team Maastricht, Politie eenheid Limburg

Het prijsgeven van vertrouwelijke politie-informatie wordt onderkend als een ernstig vergrijp, zowel door politiemensen zelf als in de samenleving. Vooral gevallen waarin zulke informatie aan criminelen blijkt te zijn verkocht, kunnen op massale media-aandacht rekenen. Ze leiden tot speculatie over de omvang (neemt het toe?) en de oorzaken (frustratie onder agenten over de reorganisatie, gerichte ondermijning door georganiseerde misdaad?).

Voor het onderzoek ‘Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Aard, omvang en ernst van het fenomeen bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee’ kregen de onderzoekers toegang tot alle dossiers (2015 en 2016) van de afdelingen die integriteitsschendingen onderzoeken bij de Politie en de Marechaussee. Voor het eerst zijn zo middels systematische dossieranalyse aard, omvang en ernst van lekken in kaart gebracht. Deze fenomeenbeschrijving geeft de politie handvatten voor preventieve maatregelen. Ook beschrijven de onderzoekers de wijze waarop meldingen van lekken worden behandeld, wat aanknopingspunten voor verbeteringen biedt.

Uit het onderzoek blijkt dat het lekken van politie-informatie vaak voortkomt uit onoplettendheid in de alledaagse, uitvoerende politiepraktijk. Ook zien sommige politiebeambten niet altijd kwaad in het onrechtmatig opzoeken van informatie omdat ze het niet delen met derden, het zogenoemde lekken aan jezelf. Waar de onderzoekers nauwelijks zicht op kregen, was het perspectief van de leidinggevende op het feit dat een medewerker verdacht werd van of bestraft werd voor het lekken van informatie. In de dossiers werd bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek of verhoor met de leidinggevende gevonden.

Als het gaat om onoplettendheid en het ongeoorloofde gedrag – wat lekken van informatie aan anderen en aan jezelf is – verwachten de onderzoekers dat leidinggevenden een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie. Om meer aandacht en bewustzijn te stimuleren voor het fenomeen lekken van informatie, is de rol van leidinggevende van belang. Die rol van de leidinggevende is een blinde vlek gebleken in het huidige onderzoek en daarom willen we tijdens de dialoogsessie met de groep verkennen hoe leidinggevenden die rol kunnen vervullen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Burgers mogen verwachten dat de politie integer is en zorgvuldig omgaat met gevoelige en vertrouwelijke informatie. Politiemedewerkers hebben daarin een voorbeeldfunctie. Fouten en integriteitsschendingen zijn niet voor honderd procent te voorkomen aangezien politiewerk mensenwerk is en mensen fouten kunnen maken. Voor politiemensen die misbruik maken van hun positie en over de schreef gaan, is echter geen plaats in de organisatie. De Korpsleiding heeft om deze reden opdracht gegeven tot dit onderzoek, het onderzoeken van het fenomeen lekken van politie-informatie. Met de uitkomsten van het onderzoek heeft de Korpsleiding handvatten om aan de slag te gaan met het vóórkomen van oneigenlijke gebruik van politie-informatie.
Bovendien is integriteit in het algemeen en het lekken van informatie in het bijzonder een zeer actueel thema. In februari 2018 werd Mark M. veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het langdurig tegen betaling verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan Brabantse criminelen. Op 11 januari jl. werd ons onderzoek naar het lekken van politie-informatie vroegtijdig naar de pers gelekt; in de Telegraaf was een uitvoerige weergave van de inhoud van ons rapport gepubliceerd. Wat ons betreft is integriteit een belangrijk thema en zeker ook een ingewikkeld thema dat om een zorgvuldig en open verkenning vraagt.

11. De sociale impact van kunstmatige intelligentie
Dennis de Kool, onderzoeker Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam
Ron Boelsma, kennis en innovatiemakelaar Politie Landelijke Eenheid

De politie wil kunstmatige intelligentie breed inzetten om de kwaliteit van werkprocessen te verbeteren. De focus van dit onderzoek is gericht op een belangrijk proces bij de politie, namelijk het aangifteproces. Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dat de inzet van kunstmatige intelligentie niet alleen impact heeft op medewerkers die betrokken zijn bij het primaire (aangifte)proces, maar ook op ondersteunende (PIOFACH) organisatieonderdelen, ketenpartners en burgers en bedrijven die aangifte doen. Dit onderzoek belicht in dat kader de sociale impact van kunstmatige intelligentie. Daarmee is de inzet van kunstmatige intelligentie niet (louter) een innovatieproces, maar een sociaal veranderingsproces, waarbij het van groot belang is dat alle belanghebbende partijen actief zijn aangehaakt.

Bij de uitvoering van het (lopende) onderzoek wordt een incrementele en gefaseerde aanpak gehanteerd, waarbij vier fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase (september-oktober 2018) bestaat uit een literatuurstudie, waarin het begrip en verschillende dimensies van kunstmatige intelligentie, de kansen en de risico’s nader zijn verkend, evenals de noodzakelijke randvoorwaarden om kunstmatige intelligentie op een verantwoorde en succesvolle manier in te zetten. Op basis van deze inzichten is een conceptueel model ontwikkeld, waarbij tevens is geput uit literatuur over verandermanagement. De tweede fase (november-december 2018) omvat het interviewen van experts binnen de politieorganisatie en de keten (Openbaar Ministerie). De resultaten van de interviews zijn beschreven in een rapportage. Bij de derde fase (januari-februari 2019) wordt informatie verzameld aan de hand van twee focusgroepen, namelijk een focusgroep met een afvaardiging van PIOFACH en een focusgroep waarin het burgerperspectief centraal staat. De concrete invulling van fase 4 van het onderzoek wordt eind januari besproken met de begeleidingscommissie van het onderzoek.

De dialoogsessie in Den Haag is een uitermate geschikte onderzoeksmethode om de voorlopige resultaten van de eerste drie fasen van het onderzoek voor het voetlicht te brengen en kritische feedback te verzamelen. Deze feedback kan dan in fase 4 van het onderzoek worden verwerkt.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek richt zich primair op het aangifteproces bij de politie. Het aangifteproces is een erg belangrijk proces binnen de politie. Een gerobotiseerd aangifteproces kan resulteren in betere aangiftes en completere dossiers en aldus een bijdrage leveren aan de centrale opdracht van de politie, namelijk het veiliger maken van de samenleving. Daarnaast kan de inzet van kunstmatige intelligentie in het aangifteproces (en andere processen) zorgen voor taakverrijking voor medewerkers. Zowel de politieorganisatie als de maatschappij kunnen dus baat hebben bij de inzet van kunstmatige intelligentie. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met factoren en kritische succesfactoren die in de literatuur over verandermanagement zijn genoemd. De dialoogsessie is een uitstekende manier om met de deelnemers in gesprek te gaan over de voorlopige resultaten van het onderzoek.

12. Politie in beeld; Analyse van politieoptreden bij conflicten tussen burgers
Wim Bernasco, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Lisa van Reemst, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam

Hoewel de alomtegenwoordigheid van camera’s in zowel de publieke als de private ruimte van tijd tot tijd vraagtekens oproept over privacy en effectiviteit, biedt beeldmateriaal unieke mogelijkheden om menselijk gedrag te observeren en vervolgens te analyseren. Dat geldt ook voor conflicten tussen burgers, voor criminaliteit, voor de reacties van omstanders en voor interventies door de politie en andere rechtshandhavers.

In de afgelopen jaren hebben we bij het NSCR, deels ondersteund door financiering vanuit de politie, een onderzoeksprogramma ontwikkeld waarin we beeldmateriaal gebruiken om inzicht te verwerven in de interacties tussen daders, slachtoffers en omstanders in uiteenlopende conflictsituaties, variërend van gewapende overvallen in de detailhandel tot opstootjes op straat. Omdat gedragsobservatie met beeldmateriaal in de criminologie nog nauwelijks gebruikt werd, hebben we methoden en technieken leren toepassen uit andere disciplines, zoals de gedragsbiologie en de ontwikkelingspsychologie.

In onderzoek naar overvallen in de detailhandel in Rotterdam en Amsterdam hebben we bestudeerd hoe interacties tussen overvallers en slachtoffers in sommige gevallen wel maar in andere gevallen niet tot gebruik van fysiek geweld leiden. Een belangrijke bevinding is de ondersteuning van het bestaande advies aan slachtoffers om de overvalsituatie te aanvaarden, en overvallers geen tegenstand te bieden (het RAAK principe).

Voor gedragsobservaties in het openbaar vervoer (in Denemarken) maken we gebruik van beeldmateriaal van bodycams, en onderzoeken we de rol van controleurs en passagiers in conflictsituaties. Vanuit de gedachte dat omstanders mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in zowel escalatie als de-escalatie van conflicten, bestuderen ook hun rol in detail.
We gaan binnenkort ook gedrag van politieagenten bestuderen. Met hulp van het team Technisch Toezicht van de eenheid Amsterdam hebben we beeldmateriaal verzameld van conflicten die zich op straat afspeelden onder het oog van toezichtscamera’s. Het gaat hier om beginnende conflicten die soms uit de hand lopen maar vaak ook met een sisser aflopen. In het merendeel van deze situaties observeren we de aankomst en de interventies van de politie. We leggen vast wat politieagenten precies doen en welke effecten die interventies hebben. Ook hier wordt de rol van omstanders meegenomen, zowel in relatie tot de conflictpartijen als in relatie tot de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De uitkomsten van het onderzoek zullen bruikbaar zijn in de opleiding van politiepersoneel. Zij kunnen empirische ondersteuning geven (evidence-based) aan bestaande instructies, maar kunnen ook inzichten verschaffen die aanleiding geven tot aanpassing van de inhoud van trainingen in conflicthantering.

13. Design Science onderzoek naar de opsporing
Karin Michiels en Coen Visser, operationeel specialisten Dienst Landelijke en Operationele Samenwerking, Politie Landelijke Eenheid

Het onderzoek
Er is wetenschappelijk gezien relatief weinig bekend over het verloop van opsporingsonderzoeken. In het voortraject van twee promotieonderzoeken is een model ontwikkeld dat de stand van zaken en de voortgang van een opsporingsonderzoek in beeld kan brengen vanaf de start tot de afronding. In de volgende onderzoeksfasen wordt rond dit model een protocol ontwikkeld om (1) sturing van opsporingsonderzoeken te verbeteren en (2) het delen van informatie in opsporingsonderzoeken te verbeteren.

In het algemeen verloopt de doorwerking van wetenschappelijk onderzoek binnen de politieorganisatie moeizaam. Om deze te vergemakkelijken is gekozen voor design science als onderzoeksmethodologie. Binnen design science wordt expliciet een verbinding gemaakt tussen aan de ene kant wetenschappelijke theorie en aan de andere kant een generiek praktijkprobleem.
Design Science

In de sociale wetenschappen wordt veel gebruik gemaakt van kwantitatief (statistisch) onderzoek en kwalitatief (beschrijvend/verklarend) onderzoek. In bedrijfskundige informatica, geneeskunde en bouwkunde wordt ook gebruik gemaakt van een constructieve onderzoeksmethodologie. Vanwege de mogelijkheid om kennis te ontwikkelen waarmee verbeteringen kunnen worden ontworpen, wordt deze methodologie ook sinds enige decennia toegepast in management- en organisatiewetenschappen.

De opsporing betreft een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject. De vele kritische geluiden op het opsporingsproces en de wens voor verbeteringen zijn de afgelopen jaren niet van de lucht zoals is op te maken uit ‘Handelen naar Waarheid’, een sterkte- en zwakteanalyse die in 2016 in opdracht van het Programmateam Herijking Opsporing is opgesteld en het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012 over de prestaties in de strafrechtketen. Het deelnemen aan opsporingsonderzoeken maakt het mogelijk de voortgang van opsporingsonderzoeken te bestuderen en was aanleiding ‘iets’ te bedenken wat handvatten geeft voor het structureren van een opsporingsonderzoek. Zoekende naar een passende methodologie is ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek onder de aandacht gekomen: Onderzoek dat zich niet alleen richt op het beschrijven en verklaren van typen veldproblemen maar zich vervolgens ook richt op het ontwikkelen en testen van generieke oplossingen voor die veldproblemen. Deze vorm van wetenschappelijk onderzoek levert generieke kennis voor het ontwerpen van oplossingen voor specifieke veldproblemen door de professionals die met die problemen te maken hebben. Omdat dit onderzoek door haar generieke aard geen kant-en-klare oplossingen biedt maar ‘slechts’ input voor het ontwerpen van specifieke oplossingen, wordt deze vorm van praktijkgericht onderzoek ook wel ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek genoemd. De onderzoekers werken bij dit type onderzoek zowel in een kennisstroom als in een praktijkstroom en halen inspiratie en voldoening uit de combinatie van beiden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De dialoogsessie laat een alternatieve onderzoeksmethode zien waarbij de nadruk ligt op de toepassing van ontwerpkennis in de praktijk. Dit betekent prescriptief onderzoek met gebruikmaking van kwalitatieve en kwantitatieve methoden van onderzoek en het ontwerpen en testen van een oplossingsstructuur voor het veldprobleem. Deze dialoogsessie toont de toepassing van een wetenschappelijke methodologie gericht op het ontwerpen van organisatorische verbeteringen.

14. Het NICHD-interviewprotocol en hoe dit kan bijdragen aan een betere samenwerking tussen Veilig Thuis en de politie
Deze dialoogsessie is vervallen.

15. Kinderen van criminelen uit de georganiseerde misdaad
Melvin Soudijn, operationeel specialist D Politie Landelijke Eenheid
Meintje van Dijk, promovenda Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Veroni Eichelsheim, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)

‘De appel valt niet ver van de boom’ is een herkenbaar spreekwoord. Kinderen lijken namelijk in diverse aspecten vaak op hun ouders. Bepaalde kenmerken of gedragingen kunnen zo van generatie op generatie worden overgedragen. Die overdracht kan in positieve zin plaatsvinden, maar ook in negatieve zin. Zo is gebleken dat criminaliteit kan worden doorgegeven of overgenomen: in diverse studies is aangetoond dat kinderen van criminele ouders, vergeleken met kinderen met niet-criminele ouders, een verhoogde kans hebben om zelf ook in de criminaliteit te belanden. Dat effect treedt niet alleen bij huis-tuin en keukencriminaliteit, maar ook bij zwaardere vormen van misdaad. Zo heeft pilotonderzoek naar een beperkt aantal kinderen (N=48) van plegers van georganiseerde misdaad in Amsterdam laten zien dat hun kinderen een zeer groot risico lijken te lopen om in de voetsporen van hun ouders te treden: ongeveer 90 procent van de zonen en 48 procent van de dochters staat zelf geregistreerd voor één of meer delicten (Van Dijk et al. 2018). Dit is reden tot zorg over deze groep kinderen en vormt de aanleiding om grootschalig vervolgonderzoek op te zetten naar een landelijke sample veroordeelde plegers van georganiseerde misdaad (N= 478) en hun kinderen (N= 722).

In de dialoogsessie presenteren we de resultaten van dit vervolgonderzoek en gaan we onder andere in op de mate van intergenerationele overdracht van criminaliteit bij zonen en dochters van zowel mannelijke als vrouwelijke plegers van georganiseerde misdaad, het relatieve risico op criminaliteit ten opzichte van andere kinderen (met en zonder criminele ouders) in Nederland, de typen gepleegde delicten door ouders en kinderen en of bepaalde delict typen een hoger risico hebben op intergenerationele overdracht in deze groep. Na de presentatie van de bevindingen gaan we door middel van een interactief debat in gesprek met de aanwezigen over wat de resultaten betekenen voor de politiepraktijk. De studie is een gezamenlijk initiatief van de politie en het NSCR.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Bewustmaking van risico’s op intergenerationele overdracht bij georganiseerde misdaad. Nadenken over interventies binnen gezinnen waarbij de ouders nadrukkelijk binnen de georganiseerde misdaad betrokken zijn.

16. Onder de Loep: het effect van een slachtofferverklaring en de ernst van een misdrijf op de meldingsbereidheid van burgers
Wendy Schreurs, promovenda (proefschrift afgerond op 1 april 2019) Universiteit Twente
Sterre ten Berge, opsporingscommunicatie Politie eenheid Oost-Nederland

Veel zaken worden opgelost met behulp van burgers. Eén manier om burgers te betrekken bij het oplossen van misdrijven, is het inzetten van opsporingscommunicatie via televisieprogramma’s zoals Onder de Loep en Opsporing Verzocht. Het inzetten van burgers wordt steeds belangrijker en de politie kan hier, door de grote toename aan beschikbaar beeldmateriaal, slim op in spelen. De meldingsbereidheid van burgers kan afhankelijk zijn van hoe misdrijven in zulke programma’s worden weergegeven. Zijn burgers bijvoorbeeld eerder bereid iets te melden als het om een moreel verwerpelijker misdrijf gaat, of als er een slachtoffer uitlegt wat de impact van het misdrijf op hem/haar is geweest? In deze studie hebben we in samenwerking met Onder de Loep vier video’s gemaakt waarin werd gemanipuleerd welk misdrijf de respondenten te zien kregen (fietsendiefstal of babbeltruc) en of er wel of geen slachtofferverklaring werd uitgezonden. In totaal keken 100 deelnemers naar een van de vier ‘Onder de Loep’-video’s; 63 deelnemers namen ook deel aan de tweede fase in samenwerking met het Mobile Media Lab, waarbij ze op straat “toevallig” werden blootgesteld aan de verdachte uit de video en de mogelijkheid kregen om deze informatie te melden. Na het bekijken van de video, werden het feitelijke meldgedrag van de respondent, zijn bereidheid om in de toekomst te melden en in te grijpen gemeten en de relatie met mogelijk onderliggende psychologische factoren (waargenomen morele verwerpelijkheid, morele waarden, morele emoties en eerder melden en ingrijpen) onderzocht.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek kan een bijdrage leveren aan hoe de politie instrumenten als opsporing verzocht, of regionale versies als Onder de Loep in de toekomst in kan zetten. Dit was een van de eerste studies om het feitelijke meldgedrag van burgers na het bekijken van opsporingscommunicatie televisieprogramma’s te meten. De opgedane inzichten kunnen worden gebruikt als startpunt voor toekomstig onderzoek over dit onderwerp en voor tv-programma’s over criminaliteit om de bereidheid van burgers en het feitelijke rapportagegedrag te vergroten.

17. Flexibel Rechercheren: oude wijn of revitaliserend bruiswerk?
Peter Klerks, raadadviseur Openbaar Ministerie, Parket-Generaal
Lisanne Kramer, recherchekundige / operationeel specialist Politie eenheid Zeeland-West-Brabant
Gerben Euwijk, operationeel specialist B Politie eenheid Zeeland-West-Brabant

In de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant introduceerde de Dienst Regionale Recherche in 2015 het concept Flexibel Rechercheren (FR). Dit komt neer op het herontdekken van traditioneel recherche-vakmanschap en het pakken van kansen. Een training en voortdurende aandacht moest een eind maken aan vrijblijvendheid. Gerard Hertsenberg en Peter Klerks onderzochten voor het landelijk programma Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen (TOV) samen met recherchekundige Lisanne Kramers (ZWB) het Flexibel Rechercheren op kernelementen, waardering en effectiviteit door middel van interviews en dossierstudie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Meerdere eenheden en rechercheafdelingen onderzoeken momenteel de toepasbaarheid van FR. Het onderzoek kan bijdragen aan vernieuwing van de recherche, opmerkelijk genoeg door traditionele vaardigheden en attitudes opnieuw centraal te stellen.

18. Predictieve textmining in politieregistraties naar cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit
Nikolaj Tollenaar, onderzoeker WODC
André van der Laan, senior onderzoeker WODC
René Hesseling, operationeel specialist D / senior-onderzoeker Politie eenheid Den Haag

In deze studie is onderzocht of het mogelijk was een machine learning model te ontwikkelen om politieregistraties in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) die betrekking hebben op cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit te classificeren. Met dat model is de omvang van deze online criminaliteit in de BVH-registratie van 2016 geschat. Tevens zijn de achtergrondkenmerken beschreven van bekende verdachten bij deze registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Het onderzoek richt zich op registraties van drie typen cybercriminaliteit (hacken, ransomware en DDoS-aanvallen) en vijf typen gedigitaliseerde criminaliteit (online bedreiging, online stalken, online smaad/laster/belediging, online identiteitsfraude en online aan- en verkoopfraude).

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat predictieve textmining (PTM) bruikbaar is om accuraat registraties als (één of meerdere van de acht) online delicten te classificeren. En onder voorwaarden is het ook mogelijk om binnen een 95%-betrouwbaarheidsinterval omvangschattingen te geven van de aantallen registraties betreffende cyber- en gedigitaliseerde delicten in de BVH-2016. Omdat strenge eisen moeten worden gesteld aan de precisie van het classificeren om achtergrondkenmerken van verdachten te kunnen beschrijven, bleek het model alleen registraties van hacken, ransomware en online aan- en verkoopfraude voldoende accuraat te kunnen classificeren. We verwachten dat het ontwikkelde ML-model bruikbaar kan zijn voor trendonderzoek, wel is daarvoor nader onderzoek nodig. Door te verwachten veranderingen in de verschijningsvorm van cybercriminaliteit en veranderingen in de (kwaliteit van de) registratiebron is het noodzakelijk het model voor andere jaren te updaten. Dat vraagt de nodige investeringen.

De werkwijze, methode en resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd. Daarnaast zal de bruikbaarheid van het ontwikkelde model en de omvangschattingen worden bediscussieerd.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

PTM en het ontwikkelde ML-model kan bruikbaar zijn als voorsorteer-tool om uit de BVH-registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit te halen.

19. Wanneer blaffende honden bijten. Een onderzoek naar de verschillen tussen fataal huiselijk geweld en huiselijk geweld zonder dodelijke afloop
Christine Boelema, junior onderzoeker, Institute for Security and Global Affairs, Universiteit Leiden

Jaarlijks zijn ongeveer 200.000 slachtoffers van huiselijk geweld te betreuren. In sommige gevallen loopt het fataal af: in Nederland vindt ongeveer 30 procent van alle moorden plaats in gezinsverband. Eerder huiselijk geweld vormt één van de belangrijkste voorspellers van fataal huiselijk geweld. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de risicofactoren die huiselijk geweld onderscheiden van fataal huiselijk geweld. Dergelijk onderzoek kan de politie in haar dagelijkse taken ondersteunen, omdat zij vaak de eerste responders zijn bij een melding van huiselijk geweld. Zo kan de politie geholpen worden bij het inschatten van de situatie en samen met Veilig Thuis interventies aanbieden ter voorkoming van een verdere escalatie van (mogelijk) fataal geweld, bij zowel partners als bij kinderen.

Het Institute of Security and Global Affairs, Universiteit Leiden, heeft een verdiepend dossieronderzoek gedaan naar geweld tegen partners en kinderen. Op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze is gekeken naar de risicofactoren dat huiselijk geweld van fataal huiselijk geweld onderscheidt. Deze dialoogsessie zal, op basis van de onderzoeksresultaten, een voorzet geven in de discussie naar het vinden van strategieën die kunnen bijdragen aan het voorkomen van fataal huiselijk geweld.

20. Betrokkenheid en verbondenheid in de integrale aanpak overlast en jeugdcriminaliteit
Anne van Uden, docent Universiteit Leiden
Jan Dirk de Jong, lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden
Marco den Dunnen, operationeel specialist A Politie eenheid Rotterdam

Tijdens deze dialoogsessie worden twee onderzoeken gepresenteerd: één vanuit het perspectief van de politie en één vanuit het perspectief van de jongeren.
Politie

Anne van Uden vertelt over de voorlopige resultaten van haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de politieaanpak van jeugdgroepen en de vraag wat daarin goed politiewerk is. Voor het onderzoek bestudeerde zij drie Nederlandse politieaanpakken. Uit het onderzoek blijkt dat de politie in haar werk rekening moet houden met meerdere waarden. Deze waarden en de verschillende manieren waarop de politie zich daar rekenschap van kan geven, vullen elkaar aan, maar staan tegelijkertijd op gespannen voet met elkaar. In dit complexe samenspel speelt het tonen van betrokkenheid door politiemensen een cruciale rol en in de presentatie wordt getoond hoe politiemensen dat doen.

Jongeren
Jan Dirk de Jong en Marco den Dunnen belichten juist het perspectief vanuit jongeren. Een jongere ‘van de straat’ bepaalt doorgaans snel: Heeft deze professional me gehoord? En is wat ik zei van betekenis voor hem of haar? De beleving van verbondenheid blijkt al jaren van cruciaal belang bij de aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit. In deze presentatie draait het om het onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden naar verbondenheid. De vraag is of een kwetsbare jongere het gevoel krijgt dat hij of zij echt wordt gezien, erbij hoort en ertoe doet. De essentie is of die beleving komt van positieve of negatieve krachten. Het kwantitatief meten daarvan is geheel nieuw en heeft veel praktische implicaties om de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit verder te helpen!

Wat betekenen de onderzoeken voor de toekomst van de politie?
Beide onderzoeken laten zien dat contact en de wijze waarop politiemensen met burgers omgaan een belangrijke rol spelen binnen het werk van de politie. Dat is relevant voor de politiepraktijk. Tevens bieden de onderzoeken aanknopingspunten voor de vraag hoe goed politiewerk ‘meetbaar’ kan worden gemaakt en kunnen de onderzoeksresultaten worden gebruikt om de kwaliteit van de werkrelatie met jeugd inzichtelijk te krijgen en daar beter op te sturen. Tot slot kan de politie de onderzoeksuitkomsten benutten voor de samenwerkingsrelatie met ketenpartners binnen de integrale aanpak, in het bijzonder in het sociale domein.

21. Doorvoer van cocaïne via Nederland
Irma Vermeulen en Wouter van der Leest, onderzoekers Afdeling Analyse en Onderzoek, Politie Landelijke Eenheid
Vanessa Dirksen, onderzoeker Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica

In opdracht van de portefeuillehouder drugs van de politie is onderzoek gedaan naar de doorvoer van cocaïne via Nederland. De import van cocaïne in Nederland is grotendeels in beeld, aangezien de opsporing in Nederland zich vooral op die import richt. De doorvoer van cocaïne via Nederland vormde echter een blinde vlek, en dat terwijl de hoofdmoot van de in Nederland ingevoerde cocaïne bestemd is voor de buitenlandse afzetmarkt. Een (integrale) aanpak is gebaat bij het kunnen verstoren van de hele criminele cocaïneketen en dus ook het kunnen verstoren van de doorvoer.

Het onderzoek heeft niet alleen de belangrijkste vormen van doorvoer en bestemmingen inzichtelijk gemaakt. Ook is meer inzicht verkregen in de werking van de cocaïnemarkt, de cruciale rol van de transporteur en van Nederland als distributiecentrum voor verschillende verdovende middelen.

Wat betekent je het voor de toekomst van de politie?
Het kan opsporingsonderzoeken context bieden, evenals context om te komen tot een integrale aanpak van (de ondermijnende werking van) de cocaïnehandel.

22. Ondersteunende technologie voor politie(vaardigheidstraining)
Randy Klaassen, Merijn Bruijnes en Dirk Heylen, onderzoekers Human Media Interaction Universiteit Twente
Robbert Rietveld Wunderink, Innovatie Inspirator, Directie Operatien Politie Staf Korpsleiding

Technologie kan opsporingsambtenaren op verschillende gebieden ondersteunen. In deze dialoogsessie bespreken we ontwikkelingen op het gebied van het toepassen van technologie in het opsporingsveld aan de hand van een aantal voorbeelden. Hierbij kan men denken aan het toepassen van spraakherkenningstechnologie waarmee het verhoor ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door het automatisch te transcriberen en doorzoekbaar te maken. Daarnaast bespreken wij toepassingen binnen het vaardigheidsonderhoud en de opleiding. Denk hierbij aan serious games waarmee politieagenten getraind kunnen worden in verhoorvaardigheden en virtual reality installaties waarmee geoefend kan worden met bijvoorbeeld reanimatie of het veiligstellen van materiaal en sporen. Tijdens de dialoogsessie kunnen de deelnemers zelf ervaring op doen met de huidige toepassingen die ontwikkeld worden binnen de vakgroep Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Tijdens de dialoogsessie nodigen we de deelnemers graag uit om samen te brainstormen waar soortgelijke toepassingen ingezet kunnen worden binnen de opsporingsdiensten.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het krijgen van een overzicht van technologieën en voorbeeld van ontwikkelingen die toepasbaar zijn binnen de opsporingsdiensten. Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot efficiëntere en betere opleiding, training en uitvoering van het opsporingswerk.

23. Vluchtelingen onder de loep: Risicotaxatie op basis van big data. Een onderzoek naar de waardengedreven en procesmatige achtergrond van risicotaxatietooling binnen het veiligheidsdomein
Jeffrey Seij, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam
Mieke Struik, analist Taskforce Vreemdelingen en Migratiecriminaliteit Politie

Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA)
De vluchtelingencrisis speelde de afgelopen jaren een bijzonder grote rol binnen de samenleving. Belangrijk hierbij was een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Risicoprofilering middels risicotaxatietooling zou dit positief kunnen beïnvloeden en vandaar ook dat men ging inzetten op dergelijke kansrijke technologische ontwikkelingen binnen de vreemdelingenketen. Dit heeft onder meer geresulteerd in de creatie van hetgeen hier in dit onderzoek onderzocht is: het Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA). Hiermee wordt in essentie beoogd om binnen de eerste fase van het asielproces de besluitvormers te ondersteunen door middels veel data een risico-inschatting te produceren betreffende onder meer de kwaadwillendheid en kwetsbaarheid van een vluchteling.

In relatie hiertoe zijn er veel invloedrijke aspecten die de beoogde technologische vooruitgang op instrumentniveau significant kunnen stagneren. Deze kunnen op basis van hun veronderstelde uitwerking worden gecategoriseerd in twee groepen. Ten eerste de waardengedreven inhoudskant, welke voornamelijk verwijst naar factoren die specifiek ingaan op de waarden die men toekent aan de gebruikte data en het model zelf. Daarnaast de procesmatige clusterkant, waartoe factoren behoren die gerelateerd zijn aan het proces van ontwikkeling.
Deze categorieën zijn van belang voor de centrale vraagstelling binnen dit onderzoek: ‘Welke waardengedreven en procesmatige factoren hebben invloed op de succesvolle ontwikkeling van risicotaxatietools binnen het veiligheidsdomein?’. In deze dialoogsessie presenteer ik samen met Mieke mijn bevindingen en ervaringen aan de hand van het onderstaande conceptuele model. Daarnaast gaan wij graag met de aanwezigen in gesprek over hun visie omtrent een datagedreven Nationale Politie en de rol van risicotaxatietooling hierbinnen.
‘Datagedreven politiewerk zal de toekomst van de Nationale Politie dicteren’

Vanwege de bedreigende risico’s van jihadisten die meereizen met vluchtelingenstromen, is een efficiënte, effectieve en verantwoorde omgang van vluchtelingen bovenmatig van belang. Datagedrevenheid gaat hierbij een steeds grotere rol spelen en dit is dan ook direct één van de redenen waarom dit onderzoek relevant is voor de toekomst van de Nationale Politie. Er wordt namelijk op landelijk niveau bijzonder hard ingezet op het werken met grote hoeveelheden data en de daarop gebaseerde profilering. In relatie hiertoe geven diverse gerenommeerde onderzoekers zelfs aan dat als deze ontwikkelingen competent en coherent worden doorgezet, dit de toekomstige rol van politiewerk zal dicteren.

Daarnaast is er middels dit onderzoek beoogd om de maatschappelijke discussie aangaande het toenemende gebruik van big data en de hierop gebaseerde handelingen te voeden. Hiermee wordt onder meer gedoeld op het spanningsveld tussen veiligheid aan de ene kant en privacy tezamen met ethiek aan de andere kant. Ondanks dat dit wel in het achterhoofd van veel mensen speelt, krijgt dit thema relatief weinig aandacht waardoor duidelijke grenzen ontbreken en het thema zich in een grijs gebied blijft verkeren. Dit is nadelig voor de Nationale Politie, maar ook voor de samenleving als geheel.

24. Een efficiëntere noodhulpfunctie, het is mogelijk!
Astrid Scholtens, onderzoeker Crisislab
Ira Helsloot, hoogleraar Crisislab

Regelmatig zijn er signalen dat de politiecapaciteit te beperkt is om al het politiewerk uit te voeren. De wissel die de noodhulp (spoedeisende meldingen) op die capaciteit trekt zou een belangrijke oorzaak zijn. Samen met vier basisteams heeft Crisislab in opdracht van Politie en Wetenschap daarom drie experimentele werkwijzen voor de noodhulpfunctie ontwikkeld die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.

De werkwijzen zijn een uitwerking van een van twee hoofdrichtingen. De eerste hoofdrichting is om noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede is het opheffen van de specifieke noodhulp suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris.

De werkwijzen zijn in drie basisteams (tijdelijk) geïmplementeerd en aan de hand van een nul- en éénmeting op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.
Een eerste conclusie is dat momenteel politieleidinggevenden niet in staat lijken werkelijk sturing te geven om hun medewerkers aan te sturen zodat de eerste hoofdrichting weinig kansrijk is.
Het opheffen van de noodhulp suborganisatie blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Het blijkt dan overigens ook dat er momenteel niet genoeg zinvol werk kan worden gegenereerd om alle uitvoerende politiefunctionarissen aan het werk te houden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Zoals gezegd leidt het afschaffen van de noodhulp tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk.

Om definitief over te (kunnen) gaan tot het afschaffen van de noodhulp is binnen de politie een paradigmashift nodig. Om dit kans van slagen te geven is een belangrijke taak voor de (team)leiding weggelegd. Maar … is de politie daartoe wel in staat?

25. Shishalounges: de problematiek en de aanpak
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

26. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over WhatsAppgroepen
Ronald van Steden, universitair hoofddocent Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Shanna Mehlbaum, zelfstandig onderzoeker Mehlbaum Onderzoek Sherwin Tjin-Asjoe, teamchef, Politie eenheid Noord-Holland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan alledaagse inbraken die veel impact op het veiligheidsgevoel van mensen hebben en hen daarom verenigen in WhatsApp-preventiegroepen. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.

Ronald van Steden en Shanna Mehlbaum concluderen op basis van hun recente onderzoek dat WhatsApp-preventiegroepen goed zijn voor de sociale cohesie in de buurt, maar dat je er nauwelijks boeven mee vangt. Politie en gemeenten hebben wel baat bij dergelijke groepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van de politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting, te voorkomen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals zichzelf organiserende burgers om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn. Mehlbaum Onderzoek voert projecten uit voor onder andere gemeenten, politie en wetenschap, provincies en universiteiten.

27. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over polarisatie
Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Ronald Zwarter, lid eenheidsleiding Politie eenheid Noord-Nederland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan polarisatie dat tot spanningen, segregatie en conflicten tussen bevolkingsgroepen kan leiden. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Jacquelien van Stekelenburg en Ronald Zwarter gaan in op processen van polarisatie. Het begrip polarisatie wordt in het huidig tijdsgewricht veel gebezigd, maar wat verstaan we precies onder polarisatie, welke mechanismen en processen liggen er aan ten grondslag, wat is de invloed van geopolitieke spanningen en hoe kunnen we hier in de samenleving en organisaties mee omgaan? Dit zijn allemaal onbeantwoorde vragen met grote relevantie voor de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals polarisatie om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn.

28. De mogelijkheden van netwerkprofilering op individueel niveau
Lydia ter Haar, docent-onderzoeker Politieacademie
Marlies van den Berg, FSNA praktijkonderzoeker FPC Dr. S. van Mesdag

Binnen de forensische psychiatrie is er groeiende aandacht voor persoonlijke netwerkbenaderingen. Door aandacht te hebben voor het relationele verhaal (narratief) van de forensisch psychiatrische patiënt en zijn netwerk krijgt het behandelteam meer inzicht in cruciale netwerkfactoren die het behandelsucces en de resocialisatiemogelijkheden van de patiënt beïnvloeden. Het onderhavig promotieonderzoek beschrijft een Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA) benadering. Deze benadering is gebaseerd op inzichten vanuit de risicotaxatie en –management literatuur gecombineerd met inzichten vanuit de wetenschappelijke discipline Sociale Netwerk Analyse (SNA) en gerelateerde netwerktheorieën. Binnen een FSNA onderzoek wordt het netwerk van de patiënt beschreven en geanalyseerd ten tijde van de delictperiode en gedurende de behandeling. Daarnaast worden verwachtingen in kaart gebracht over de netwerksituatie bij een eventuele terugkeer van de patiënt in de samenleving. Voor het verzamelen van de netwerkgegevens is het FSNA-interview ontwikkeld. De patiënt en meerdere geselecteerde netwerkleden worden geïnterviewd. Er is bijvoorbeeld gedetailleerde informatie nodig over of en op welke manier het netwerk van de patiënt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het delict. Bovendien is het belangrijk te weten of de mensen die ten tijde van het delict een rol in het leven van de patiënt speelden, nu nog steeds een rol vervullen in het netwerk.

In het promotieonderzoek is op casusniveau onderzocht in hoeverre netwerkkenmerken in de loop ter tijd veranderen en in hoeverre deze eventuele veranderingen als beschermend of risicovol voor toekomstig risicovol gedrag kunnen worden gezien.

Tijdens de dialoogsessie wordt aan de hand van een praktijkcasus de belangrijkste onderliggende theoretische en praktische concepten van de FSNA benadering uitgelegd. Wij willen samen met de deelnemers brainstormen over hoe een dergelijke benadering een bijdrage kan leveren binnen de politie. In de afgelopen jaren is de FSNA al in enigszins aangepaste vorm toegepast bij meerdere cold case onderzoeken, maar waar liggen nog meer kansen?

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De toepassing van sociale netwerk analyse op individueel niveau staat in de forensische praktijk nog in de kinderschoenen. Dit staat op gespannen voet met de bestaande inzichten dat bij het bestuderen van crimineel gedrag de analyse van sociale relaties van groot belang is. Een samenwerking tussen onderzoekers van verschillende forensische domeinen – zoals samenwerking tussen de politie en forensisch psychiatrische centra – is van toegevoegde waarde om dit onderzoeksdomein verder te ontwikkelen.

29. Beter geïnformeerd oordelen in lastige situaties
Teresa Cardoso Ribeiro, strategisch adviseur en leiderschapstrainer bij de Universiteit Leiden / L&D, Publidox advies, training en strategisch management
Michel Bravo, hoofd Strategie DG Pol, Ministerie van Justitie en Veiligheid

De methode die wij in de dialoogsessie kunnen aanreiken, nodigt uit om meer ‘hands on’ gebruik te maken van het beschikbare onderzoek dat duiding geeft aan en verklaringen biedt voor lastige vraagstukken waar de politie mee te maken heeft. Het creëert urgentie om naar onderzoek op zoek te gaan. Daarmee is het juist gericht op het helpen integreren van de doelstelling van de conferentie in het dagelijks werk. Het laat deelnemers zelf ervaren waarom het van meerwaarde is voor hun werk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Als je de werkwijze van de dialoogsessie breed inzet binnen de politieorganisatie, dan kun je het ook als onderzoekstool gebruiken om te inventariseren waar de behoefte aan versterking zit bij de professionals van de politie die onderzoek/evidence willen benutten bij hun werk. Dit kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met het hebben/bouwen aan een relevant kennisnetwerk. Op basis daarvan kun je hen vervolgens gericht ondersteunen.

30. Onderzoek naar sociale netwerken die zich uiten over geweldsaanwending door de politie en hun associaties daarbij
Kevin Willemsen, onderzoeker EMMA | Experts in Media en Maatschappij & Communicatie Politie
Rianne de Vries, adviseur communicatieonderzoek, Dienst Communicatie Politie

EMMA | Experts in Media en Maatschappij heeft voor de politie een analyse gemaakt van sociale netwerken die zich roeren rondom het thema ‘geweldsaanwending door de politie’. Tevens is in kaart gebracht welke associaties ze bij dit thema hebben. De analyses zijn uitgevoerd in opdracht van de politie.

De analyse laat zien dat er sprake is van verschillende ‘kampen’ in de online berichtgeving (in dit geval geanalyseerd op Facebook). Er zijn kampen die zich verzamelen rondom accounts van de politie en het gebruik van geweld over het algemeen steunen. Daarentegen zijn er ook groepen mensen die geweldsaanwending zien als een teken van etnisch profileren of discriminatie. Deze groepen kijken elk heel anders aan tegen nieuws over de politie. Er is binnen deze groepen veel contact, maar tussen deze groepen veel minder.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De resultaten van het onderzoek geven de politie inzicht in hoe haar communicatie effectief kan worden gericht op de informatiebehoefte van verschillende groepen in de samenleving. Sommige netwerken zijn makkelijker te bereiken dan andere en daar moet een verschillende toon voor worden aangeslagen. Bovendien levert de methode op zichzelf inzicht in de dynamiek die zich voordoet op sociale media met het oog op voor de politie relevante thema’s. Het onderzoek vestigt tevens aandacht op slimme data-combinaties om publiekscommunicatie te versterken.

31. Communicative Policing in een nieuwe wereld
Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid, Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid, Hogeschool Inholland
Hans Moors, directeur EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jaco van Hoorn, directeur Operatiën, Staf Korpsleiding Politie

Het is de hoogste tijd dat de politie zich beweegt van community policing naar communicative policing, zo stelde Innes (2002) al in het begin van deze eeuw. Dat advies lijkt sindsdien alleen maar in belang te hebben gewonnen: door de social media revolutie die zich sindsdien voltrok, maar ook door de – deels daarmee samenhangende – veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat. Beelden lijken steeds belangrijker te worden dan feiten. En het lijken vooral die beelden te zijn die politieke en maatschappelijke impact hebben. Hoe acteert de politie daarin? In hoeverre stuurt de politie ook op dergelijke beelden? Is de politie zich daarbij voldoende bewust van de effecten? In hoeverre gebruiken politie (en politiebonden!) dergelijke beelden ook als middel in het vraagstuk van ‘probleemdefinitie’, het vraagstuk dat volgens Beck (2018) een sleutelrol speelt in de kosmopolitische risicosamenleving? Blijft het leidend motto ‘waakzaam en dienstbaar aan de kernwaarden van de rechtsstaat’ daarbij onverkort overeind? De bijdrage is gebaseerd op een combinatie van onderzoeken, waaronder het lopende promotieonderzoek Public Reactions to Crime, een analyse van de communicatie over de jaarwisseling 2018/2019, lopend onderzoek naar Digitale Buurtpreventie in Rotterdam en het onderzoek Effecten van de communicatie rond de aanpak van woninginbraken (Eysink Smeets et al, 2017).

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie? Scherper bewustzijn van de gewilde en ongewilde doorwerking van politiecommunicatie, zowel op strategisch als uitvoerend niveau.

32. Vingersporen, de bron en verder
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

33. Hoger opgeleiden binnen de politie: Luctor et emergo
Teun Meurs, promotieonderzoeker Hogeschool Arnhem Nijmegen / docent Politieacademie
Daffney Dekker, operationeel specialist B Politie eenheid Midden-Nederland

Deze dialoogsessie gaat over mijn promotieonderzoek naar de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Samen met participant Daffney Dekker bespreek ik ten eerste de worsteling van studenten en afgestudeerde bachelors binnen de recherche- en basisteams op het gebied van hun positie, identiteit en handelingsperspectief. Hiertoe worden de ervaringen van Daffney en andere participanten geduid met behulp van het bestuurskundig concept ‘hybride professionaliteit’. Ten tweede zoomen we – wederom aan de hand van Daffney’s ervaringen – in op de wijze waarop hoger opgeleiden gaandeweg grip krijgen op hun hybride positie, identiteit en handelingsperspectief. Met betrekking tot het laatste presenteren we tenslotte het concept ‘Actieonderzoekend Vermogen als politiespecifieke variant van het – in het HBO – invloedrijke perspectief van ‘Onderzoekend Vermogen’. Hiermee bieden we een handelingsperspectief dat hoger opgeleiden en hybride professionals meer houvast kan geven bij het invullen van hun verbindende rol binnen de beroepsuitoefening.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek draagt ten eerste bij aan het beter begrijpen van de beoogde meerwaarde en de belangrijkste uitdagingen van hoger opgeleide professionals binnen de politie. Dit kan worden gebruikt door hoger opgeleiden zelf om hun verbindende rol betekenisvol in te vullen. Ook kan het worden gebruikt door leidinggevenden om hoger opgeleiden gericht te coachen en door het onderwijs om hoger opgeleiden te scholen en beter voor te bereiden op hun taak.

34. Bewegen in opsporen
Wouter Landman, onderzoeker en adviseur Twynstra Gudde
Roderik Kouwenhoven, onderzoeker en adviseur Roderik Kouwenhoven Consultancy

Tijdens deze dialoogsessie geven wij inzicht in de (dan nog niet gepubliceerde) inzichten van anderhalf jaar actieonderzoek binnen de opsporing in opdracht van Politie en Wetenschap. We presenteren deze inzichten in de vorm van patronen in de manier van werken, organiseren en veranderen die de ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing belemmeren dan wel bevorderen. Hierbij kan worden gedacht aan een (belemmerend) patroon als een ‘straatperspectief op de opsporing’ (werkpatroon) of het ‘fragmenteren van werksystemen’ en aan bevorderende patronen als ‘meervoudig sturen’ en ‘diepgaand veranderen’. We lichten de werking van de patronen toe en illustreren deze met voorbeelden uit de praktijk. De deelnemer krijgt een raamwerk van patronen aangereikt waarmee naar de eigen opsporingspraktijk kan worden gekeken. De bevorderende patronen bieden handelingsperspectief om de eigen praktijk te ontwikkelen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing is een van de belangrijkste prioriteiten van de huidige korpsleiding. Hoewel er tegenwoordig veel nadruk ligt op de rol die technologie hierbij kan spelen, is het ook essentieel om inzicht te hebben in de organisatiepatronen die belemmeren of helpen bij het vernieuwen van de opsporing. Ons onderzoek draagt bij aan dit inzicht en kan daarom hopelijk bijdragen aan de toekomst van de politie.

[slideshare id=140312265&doc=overzicht-dialoogsessies-conferentie-090419-190410135148&type=d]

Bron: Conferentie politieonderzoek

Burgers in het digitale opsporingstijdperk

In het eerste issue van het Nederlands juristenblad 2019 staat het volgende artikel van Eelco Moerman over burgeropsporing:

De rol en positie van de burger in de opsporing in het digitale tijdperk is aan het veranderen. Huidige technologische mogelijkheden bieden nieuwe opsporingsmogelijkheden voor politie en justitie, maar tegelijkertijd neemt de autonomie van het Openbaar Ministerie in de opsporing af en wordt aan het juridische monopolie van de overheid op het onderzoek naar strafbare feiten getornd. Van een zelfstandig strafrechtelijk beleid van het Openbaar Ministerie kan niet meer gesproken worden. Van een omlijnd overheidsbeleid om invulling te geven aan deze veranderingen, is geen sprake. Een dergelijke meer vrijblijvende benadering van burgers en opsporing dwingt op een bepaald moment tot keuzes. Worden de bijdragen van burgers definitief juridisch omarmd en wordt daarmee de insteek van het strafrecht meer publiek-privaat, of wordt vastgehouden aan de klassieke centrale rol van de overheid in de opsporing en wordt ingezet op betere waarborgen hieromtrent?

Lees hieronder verder:

[slideshare id=128944981&doc=f-8832c-a-c-74300163784d-8b-0873260f-e-5pdf-190123153642&type=d]

Eerder schreef Eelco Moerman een proefschrift over de rol van burgers in opsporing:

In dat onderzoek staat de juridische positie van de burger in de opsporing van strafbare feiten centraal. Als gevolg van handhavingstekorten, nieuwe technologische mogelijkheden en een toegenomen verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid is de burger steeds meer een zichtbare rol gaan spelen in de opsporing. Burgers blijken bereid om op eigen initiatief of met actieve bemoeienis van de overheid een bijdrage aan de opsporing te leveren. In het Wetboek van Strafvordering staat echter de overheidstaak tot opsporing centraal. Tegen deze achtergrond rijst de vraag hoe de bijdrage van de burger aan de opsporing zich verhoudt tot de verantwoordelijkheden van de overheid in het kader van de opsporing. Het thema burgers en opsporing wordt in deze studie vanuit verschillende perspectieven belicht. Stilgestaan wordt bij de rol die burgers binnen en buiten de kaders van het Wetboek van Strafvordering vervullen. Onder meer burgerinformanten, burgerinfiltranten, onderzoeksjournalisten en particuliere rechercheurs passeren de revue. Tevens wordt de betekenis van door burgers vergaard bewijs in het strafproces besproken. Aan de hand van deze en andere aspecten wordt inzicht gegeven in de ?inburgering? van derden in de opsporing.

Bron:?Nederlands juristenblad

Zorgen om buurtwachten en burgeropsporing: ?Voor eigen rechter spelen ligt op de loer?

Burgers die de politie helpen via appgroepen en buurtpreventieteams gaan daarin soms te ver, blijkt uit onderzoek. Zo zouden burgers zelf tot opsporing overgaan en is er sprake van discriminatie tegenover jongeren en mensen met een migratieachtergrond.

Onderzoekers van het onafhankelijke programma Politie en Wetenschap concluderen dat de hulp van burgers in bepaalde vormen effectief kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor diefstal en inbraakpreventie. Maar ze zien ook gebreken in de groeiende sociale controle van actieve bewoners, die concurreert met het toezicht van de politie.

Zelf opsporen
Aan de hand van interviews en buurtapp-communicatie blijkt dat burgers soms onrechtmatig handelen. Onrechtmatigheden, zoals beschreven in het onderzoek, als ‘actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden.’


Volgens Vasco Lub van Politie en Wetenschap zou de politie meer betrokken moeten zijn om burgerhulp soepeler te laten verlopen. “De verhouding tussen de politie en de burger is niet goed ingekaderd. Er is een risico dat burgers zich miskend voelen en zelf ingrijpen en een opsporing opzetten. Dat is niet de bedoeling. Je mag als burger niet voor politieagent spelen.”

Beter begeleiden
De politie zou burgers die hen proberen te helpen beter moeten begeleiden, zegt Vasco Lub. “Het is makkelijk gezegd om burgers in te zetten, maar burgergroepen beginnen steeds meer zelf te doen: opsporing, patrouilleren zonder dat de politie het weet en voertuigcontrole.” Hij vraagt zich af of dit wenselijk is.

In een reactie laat de politie weten dat zij burgerparticipatie in veiligheidsvraagstukken zien ‘als een belangrijke en positieve ontwikkeling in de samenleving.’ De politie zegt te willen voorkomen dat ‘burgers andere burgers daarbij in hun vrijheden beperken of schade berokkenen’.

Volgens de politie zijn veel burgerinitiatieven relatief nieuw, waardoor de spelregels duidelijk opgesteld moeten worden. Dit gaat om kwesties als de privacyregels die burgers moeten respecteren en ervoor zorgen dat bewijs dat burgers verkrijgen bruikbaar is. “We zijn als politie een landelijk project gestart om via lokale experimenten adviezen en spelregels op te stellen om de samenwerking tussen burgers en de politie in de opsporing te versterken.”

Bronnen: EenVandaag, RTL Nieuws, Hart van Nederland, AD. Nu.nl

Politie en actief burgerschap: een veilig verbond? Onderzoek naar samenwerking, controle en (neven)effecten

De politie werkt steeds vaker samen met burgers op het terrein van veiligheid, toezicht en openbare orde, maar dit heeft niet alleen maar positieve effecten. De ruimte die burgers claimen ? bijvoorbeeld via buurtpreventieteams en app-groepen ? kan leiden tot onrechtmatigheden en risico?s voor niet-actieve burgers. Dit blijkt uit een uitgebreid etnografisch onderzoek van socioloog Vasco Lub en criminoloog Tom de Leeuw. In het onderzoek zijn voor het eerst ook app-data tussen politie en burgers geanalyseerd.

Het onderzoek vond plaats in veilige en onveilige wijken in verschillende gemeenten aan de hand van observaties, interviews en analyse van buurtapp-communicatie. Het laat diverse vormen zien van effectieve samenwerking, bijvoorbeeld op het terrein van heling-aanpak, diefstal en inbraakpreventie. Maar het illustreert tegelijk dat de politie nog vaak op afstand opereert van actieve burgers. De politie is nog vooral gericht op urgente meldingen van actieve burgers, waardoor minder urgente maar waardevolle informatie, over bijvoorbeeld minder zichtbare ondermijnende criminaliteit, onbenut blijft.

Door de ruimte die actieve bewoners claimen ?n krijgen, wordt de sociale controle van burgers op straat bovendien steeds concurrerender ten opzichte van het toezicht van de politie. Het onderzoek laat zien dat dit tot onrechtmatigheden kan leiden, bijvoorbeeld actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden. De politie is wettelijk bevoegd voor taken rond opsporing, toezicht en handhaving, wordt geacht onpartijdig te zijn, en valt onder de controle van de overheid. Burgers hebben die bevoegdheden niet en handelen ? bewust of onbewust ? regelmatig ook uit eigen belang.

Als aanbeveling formuleren de onderzoekers dat de politie in de praktijk meer betrokken moet zijn om actief burgerschap op het terrein van veiligheid in goede banen te leiden (niet verslappen of verstoppen). Verder kan de politie zich in onveilige wijken beter richten op haar kerntaken dan op het werven van nieuwe vrijwilligers. Ook kan zij meer gebruik maken van burgerfora om aan gedeelde referentiekaders te werken en het informatiebeheer van digitale communicatiekanalen met burgers zoals buurtapps moet verbeteren.

[slideshare id=127772405&doc=politieenactiefburgerschap-190111150341&type=d]

Bronnen: Politie en Wetenschap, Nu.nl

Kennis voor de politie van morgen

Op 5 april jl. was er de conferentie Kennis voor de Politie van morgen. Een conferentie met de focus op onderzoek bij, naar en voor de politie.?Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politiefunctie.

Een mix van beleidsmakers, wetenschappers en politiemensen gingen in dialoog over de betekenis van actuele onderzoeken bij, voor en naar de politie en wat dit betekent voor de toekomst van politiewerk en de gewenste onderzoeksprogrammering. Onderzoekers van binnen en buiten de politie zijn gevraagd een bijdrage te leveren. Relevante, vernieuwende en actuele onderzoeken op vier thema?s; wijken en veiligheid, intelligence, opsporing en politiemedewerkers. De dialoog tussen de workshopgevers en genodigden draagt bij aan het overbruggen van de afstand tussen wetenschap en politieprofessie, beleid en praktijk; waardevolle inzichten vanuit onderzoek kunnen dan vertaald worden in bruikbare handvaten voor de politieorganisatie en haar partners.

Nederland herbergt heel wat politieonderzoekers, van heel diverse pluimage, maar een centrale ontmoetingsplaats ontbrak nog. Dat is jammer voor politiemensen die hun vak beter willen uitoefenen of die een nieuwe taak hebben en willen leren van eerdere ervaringen. Dat is jammer voor docenten die politiemensen opleiden en up-to-date willen blijven. Dat is jammer voor beleidsambtenaren die politiewerk moeten beoordelen en wetten, regels en beleid moeten formuleren en lang moeten zoeken voor ze de juiste deskundige hebben gevonden. Maar het is bovenal jammer voor onderzoekers omdat onderzoek gedijt bij uitwisseling van idee?n, kritische discussie en toetsing aan de praktijk.

Daarom organiseerden Politie, Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Politieacademie ook dit jaar weer een conferentie over onderzoek naar en voor de politie. Meer dan tachtig onderzoekers, verdeeld over ongeveer veertig workshops, presenteerden hun bevindingen en gingen met elkaar en de bezoekers in discussie. Aan bod kwamen onderwerpen als politie in contact met vluchtelingen, ondermijning, licht verstandelijk beperkten in het strafproces, verhoor, discriminatie en polarisatie, weerbaarheid en presteren onder druk en nog veel meer.

Lees hier het programma of meer over de onderwerpen in het boekje.

[slideshare id=93344263&doc=kennisvoordepolitievanmorgen-180409154650&type=d]

Bronnen: Politie

Predictive Policing: te vroeg, te snel of precies op tijd?

pp1

Onderstaand onderzoek naar de invloed van de fasen van technologie?n op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie is gedaan door Melissa Kont,?Erasmus Universiteit Rotterdam.

In dit onderzoek is onderzocht of predictive policing zich bevindt in de laatste fase van technologische ontwikkelingen. Filosoof, Alan Drengson, stelt dat technologische ontwikkelingen bepaalde fasen doormaken en dat de menselijke houding tegenover technologie, de fasen onderscheidt. De theorie stelt dat de laatste fase, appropiate technology, leidt tot succesvolle implementatie van technologie?n. Mocht predictive policing zich in deze fase bevinden, dan zou dat kunnen leiden tot een versterkend effect op de Advocacy Coalition Framework van Sabatier en Smith. In dit onderzoek zou dat betekenen dat predictive policing een versterkend effect heeft op advocacy coalities, die betrokken zijn bij predictive policing, invloed uitoefenen op beleidsvorming bij de Nationale Politie. Hiertoe is een documentenonderzoek uitgevoerd en zijn interviews afgenomen met de politie en betrokken actoren. Uit de voortgekomen data blijkt dat predictive policing zich niet in de fase van appropiate technology bevindt. Hierdoor is er geen sprake van een versterkend effect van advocacy coalities op beleidsvorming bij de politie. De betrokken actoren spreken van verschillende voordelen en mogelijkheden rondom predictive policing, maar niet van een systeem dat de menselijke ontwikkeling kan bevorderen en een onmisbaar systeem is in de samenleving. Om vast te stellen in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt, vereist vervolgonderzoek.

Hoofdstuk 1: Probleemstelling

1.1.De glazen bol van de politie

?De organisatieontwikkeling bij de politie is een beetje als surfen. Soms is het even wachten op de juiste golf. In sommige coalities zijn die golven klein en is het surfen niet spectaculair. Maar die juiste golf waar op gewacht wordt komt, en dan wordt ervoor gegaan. Dat is niet eenvoudig, maar al die andere, kleine golfjes in de windstille periodes hebben de organisaties gelouterd. Nu staat het getij, de wind en de stroming goed? (Spelier, 2011).

Henk Pethke, senior-adviseur Ministerie Veiligheid en Justitie, doet deze uitspraak op 08 april 2011 over de ontwikkeling van de reorganisatie bij de politie (Spelier, 2011). De politie staat in de huidige, steeds verder globaliserende, informatiesamenleving voor een grote uitdaging. Sinds de invoering van de reorganisatie, kampt de Nationale Politie met moeilijkheden om het nieuwe beleid succesvol uit te voeren. Daarnaast is er sprake van financi?le druk bij de politie; de effectiviteit moet omhoog (Jonker, 2015). De politie moet meer zien te realiseren met dezelfde middelen. Ook zijn er nieuwe vormen van criminaliteit ontstaan door ontwikkeling van nieuwe technologie?n. Criminelen weten elkaar digitaal makkelijker te vinden en kunnen in groten getale criminele activiteiten uitvoeren (Prins, 2004). De aanslagen in Parijs en Brussel zijn hier een treurend voorbeeld van.

?L? o? il n’y a pas de gendarmes, une certaine race d’honn?tes gens est capable de tout.? (Mauriac, 1968). Vertaalt stelt Frans schrijver en Nobelprijswinnaar Mauriac dat waar geen politie is, een bepaald slag ?nette mensen? tot alles in staat is.

Mocht de uitspraak van Francois Mauriac juist zijn, dan is het de vraag of de politie door alle bezuinigingen en nieuwe vormen van criminaliteit wel is opgewassen tegen de huidige criminelen. Nieuwe vormen van criminaliteit vragen om nieuwe vormen van aanpak in de huidige informatiesamenleving. Als altijd en overal aanwezig door de bezuinigingen niet realistisch is, is altijd op de juiste locatie dat dan wel; is criminaliteit voorspelbaar?

Het bepalen waar en wanneer politie inzet ertoe doet is het terrein van predictive policing. Dit wordt bepaald aan de hand van statistische voorspellingen om te kunnen anticiperen op criminele incidenten. De informatie die resulteert vanuit de statistische voorspellingen, kan misdaad voorkomen of de heterdaadkracht vergroten, dat is gebaseerd op harde feiten afkomstig uit data analyses (Noort, 2016). Een voorwaarde voor het succesvol kunnen inzetten van predictive policing is dat gegevens over criminele activiteiten ontgrendeld worden in een datawarehouse, en dat andere data hieraan gekoppeld kunnen worden (Doeleman, 2014).

Momenteel wordt het Criminaliteits Anticipatie Systeem ingezet om criminaliteit te voorspellen en de politie inzet erop te baseren. De toegepaste technologie kan leiden tot verandering in beleid bij de politie. Zo zou succesvolle resultaten van CAS kunnen leiden tot uitbreiding van het systeem naar meerdere Nederlandse steden (Rienks, 2015). Om tot beleidsvorming rondom predictive policing te kunnen komen, moeten verschillende betrokken actoren tot een gezamenlijk besluit komen. In dit onderzoek zal onderzocht worden welke actoren betrokken zijn bij dit proces en wat de invloed is van deze actoren op beleidsvorming. Daarbij wordt onderzocht wat de invloed is van predictive policing op de invloed van de betrokken actoren. Als predictive policing uitgebreid wordt naar andere steden in Nederland, is het van grote waarde om te weten welke actoren die uitbreiding kunnen voorkomen of ondersteunen. Het is daarom interessant onderzoek te doen naar de invloed van predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie.

Doelstelling in dit onderzoek is:

Het toetsen van de theorie over de fasen van technologie op predictive policing door interviews en bureauonderzoek bij betrokken actoren.

Vraagstelling in het onderzoek is:

Wat is de invloed van de fasen van technologie op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie?

1.2.Relevantie

Predictive policing is ontstaan door de politie in Los Angeles. De succesvolle resultaten hebben geleid tot uitbreiding naar andere steden en landen. Er is al veel onderzoek gedaan naar de toepassing van dit nieuwe systeem en de voordelen ervan. Echter, betreft dit onderzoek een toetsing door gebruik te maken van al bestaande theorie over technologie. Er is nog geen wetenschappelijke literatuur bekend over de toetsing van de theorie van Drengson op predictive policing. Veelal baseert literatuur over predictive policing zich op de invloed ervan op criminaliteit. Dit onderzoek is wetenschappelijk relevant, omdat het een basis betreft om te kijken of predictive policing zich in de juiste ontwikkelingsfase bevindt van technologie?n. De resultaten kunnen een basis vormen voor verdere wetenschappelijk onderzoek.

Daarnaast is dit onderzoek maatschappelijk relevant, omdat wordt onderzocht in welke fase van technologie predictive policing zich bevindt. Hierdoor kan gekeken of predictive policing wel past in de huidige maatschappij. Predictive policing staat in lijn met het alom bekende dilemma van de rechtstaat: aan de ene kant wil de burger zich zo veilig mogelijk voelen, maar aan de andere kant daar zo weinig mogelijk privacy voor opgeven. Daarom wordt onderzocht of de samenleving klaar is voor dit systeem. Ook biedt predicitive policing kansen voor een veiligere samenleving en kan de effectiviteit van de politie vergoot worden. Dit is een belangrijke kans in tijden van financi?le druk; er kan immers meer met minder worden gerealiseerd.

1.3.????? Structuur

Het onderzoek bestaat uit vijf hoofdstukken, waarbij in het laatste hoofdstuk de hoofdvraag wordt beantwoord. Hiertoe zal in hoofdstuk twee alle gebruikte theorie?n voor het onderzoek worden toegelicht. Het theoretisch kader wordt vervolgens gebruikt om in hoofdstuk drie het conceptueel model te schetsen. De verwachtingen van het onderzoek zullen worden besproken aan de hand van het conceptueel model. Vervolgens zal in hoofdstuk drie, de operationalisatie plaatsvinden. De variabelen zullen in dit gedeelte van het onderzoek meetbaar worden gemaakt aan de hand van indicatoren in het codeerschema. Daarnaast wordt in hoofdstuk drie de methodologie besproken waarbij belangrijke keuzes omtrent het onderzoek worden toegelicht. In hoofdstuk vier worden de resultaten gepresenteerd waaruit vervolgens de analyse volgt in hoofdstuk vijf. Tot slot wordt in hoofdstuk zes aan de hand van de conclusie antwoord gegeven op de hoofdvraag en zal de discussie een kritische reflectie schetsen op het onderzoek.?

pp5

Hoofdstuk 2: Theoretisch Kader
Om in kaart te brengen welke theorie al bestaat omtrent de opgestelde probleemstelling, zullen een aantal theorie?n worden toegelicht. Deze theorie?n zijn zo gekozen om een sterke ondersteuning mogelijk te maken voor het onderzoek.

Het begrip technologie zal allereerst met de theorie van Val Dusek?(Dusek, 2006) worden toegelicht aan de hand van drie karakteristieken over technologie. Vervolgens volgt de theorie van Alan Drengson (Drengson, 1982) waarin vier fasen over technologische ontwikkeling worden toegelicht. Hierin is het meest kenmerkende onderscheid de menselijke houding tegenover technologie. Om beleidsvorming toe te kunnen lichten zal gebruik worden gemaakt The Advocacy Coalition Framework van Sabatier en Smith (Sabatier, 2014).

2.1.????? Val Dusek
Val Dusek noemt drie karakteristieken om technologie te omschrijven, namelijk technologie als hardware, technologie als regels en technologie als systeem. De drie karakteristieken zullen hieronder worden toegelicht:

  • Technology as hardware bevat alle technologie als machines en gereedschap. Hierbij kan gedacht worden aan computers, energiecentrales en fabrieken. Technologie als hardware is concreet en grijpbaar, het is om ons heen (Dusek, 2006).
  • Technology as rules wordt door Jacques Ellul, Frans filosoof en socioloog, omschreven als organisatorische methodes, managementtechnieken en het denken op een mechanistische wijze (Ellul, 1964). Hierbij wordt technologie beschreven als regels in plaats van grijpbare middelen (Dusek, 2006).
  • Technology as system houdt in dat technologie moet dienen als technologisch middel om het begrip technologie eraan toe te schrijven. Zo zijn technologische middelen die honderden jaren geleden werden gebruikt als technologie, maar nu enkel dienen als museumstukken om te bezichtigen, niet als technologie. Binnen technology as system is een samenleving van gebruikers, onderhouders en reparateurs van technologie dan ook een vereiste. Technologie moet immers onderhouden worden om de oorspronkelijke doel te kunnen realiseren (Dusek, 2006).

Dusek licht drie karakteristieken van technologie toe om het begrip technologie te omschrijven. Alan Drengson neemt deze karakteristieken op in zijn theorie. Hierin maakt hij onderscheid in verschillende fasen van technologie, waarin ook de drie karakteristieken van Dusek zijn opgenomen.

2.2.????? Alan Drengson
Alan Drengson beschrijft vier stages van technologie (Drengson, 1982) welke hieronder zullen worden toegelicht:

  1. Technological anarchy houdt in dat technologie en technologische kennis enkel dienen als instrumenten en nagestreefd moeten worden om macht en welvaart te realiseren en om de natuur te kunnen temmen. Technologie dient hierbij als middel en moet ingezet worden waar mogelijk om de doelen na te kunnen streven (Drengson, 1982). De overheid behoort een kleine rol te spelen en zou technologische ontwikkelingen de vrijheid moeten geven om plaats te vinden. Alleen de marktsector bepaalt welke technologie?n blijven bestaan (Drengson, 1982). Technologie krijgt in deze fase zekere autonome kenmerken op een grote schaal. Technologie, oorspronkelijk bedoeld om bepaalde wensen en doelen na te streven, wordt in dit proces een doel op zichzelf. Technolgische anarchie verliest in dit proces haar machtspositie en maakt hierdoor de weg vrij voor technophilia, een structuur met technocratische kenmerken (Drengson, 1982).
  2. Technophilia is de liefde voor technologie, waarbij mensen verliefd worden op hun eigen mechanische kennis, op hun technieken en trucs en de technische apparatuur en processen (Drengson, 1982). Drengson beschrijft technophilia als volgt:

?It is like the love of adolescence (Drengson, 1982).? De producten van technologie worden niet meer enkel gebruikt als productieve instrumenten, maar ook als speelgoed van de mens; technologie wordt een spel van het leven. Als gevolg hiervan, heeft technologie de neiging om de mens te controleren, aangezien de mens niet in staat is om zichzelf van technologie te distanti?ren. De mens kan niet objectief kijken naar technologie (Drengson, 1982). De liefde voor technologie verandert in dit proces naar het streven van technologie in alle vormen van het alledaagse leven, zoals onderwijs, overheid, zorg en seks. In dit geval wordt gesproken van technocratie, aangezien technologie nu een regerende kracht is, waarbij het in de samenleving louter draait om mechanisme (Drengson, 1982).

  1. Technophobia ontstaat wanneer men zich realiseert dat alleen mensen en menselijke waarden de gevaren van technologie kan tegenhouden. Een reactie hierop is dat technophobia tracht om het menselijk leven van alle technologie te ontdoen (Drengson, 1982). Er heerst een onbewust verlangen om terug te keren naar de menselijke controle over technologie, complexe technologie?n worden wantrouwt te en een ?do-it-yourself? houding tegenover technologie is ontstaan (Drengson, 1982). Uiteindelijk is het doel van deze fase om technologie?n op grote schaal te be?indigen en technologie opnieuw onder menselijke controle te houden. De fase technophobia zet de basis voor de volgende fase.

Hoewel in de eerste fase werd gedacht dat maximale ontwikkeling van technologie het leven gemakkelijker zou maken, is onvoldoende rekening gehouden met de innovatie en planning van de technologie. Dit werd namelijk vaak gedaan door personeel dat onvoldoende begrip had van verantwoordelijkheid over complexe en machtige technologie?n. Of omdat personeel in situaties werd gebracht waarbij verantwoordelijkheid uitdragen in moeilijkheden werd gebracht (Drengson, 1982). Hierdoor wordt in de fase van technophobia de autonomie van de mens boven technologische autonomie geplaatst. In de fase van technophobia is het een vereiste de relatie tussen technologie en mens te begrijpen (Drengson, 1982). Vanuit dit gezichtspunt kan technophobia worden gezien als een van de fases, waarin groei inhoudt dat men zich bewust wordt van het gebruik van technologie op een reflectieve, kritische wijze (Drengson, 1982).

  1. Appropiate technology is de laatste fase van technologische ontwikkeling. Deze fase omvat een rijpingsproces van de wederzijdse relatie tussen technologie, mens en wereld. Appropiate technology vereist dat men nadenkt over eigen doelen en waarden, voordat men zich inzet voor de ontwikkeling van nieuwe technologie?n, of zelfs voor de voortzetting en het gebruik van bepaalde oudere technologie?n (Drengson, 1982). In de fase van appropiate technology wordt men steeds beter in het beheersen van technologie als instrument, om eigen doeleinden te bereiken. In deze fase behoren technologie?n volgens Drengson (1982) aan bepaalde eisen te voldoen. Allereerst moet er behoud van diversiteit zijn. Ten tweede moeten technologie?n goedaardige interactie tussen mensen, hun machines en de biosfeer promoten. Tot slot, moet de menselijke ontwikkeling bevorderd worden door het gebruik van technologie, technologie is in deze fase een onmisbaar systeem. Wanneer wordt voldaan aan de bovengenoemde vereisten, worden de technologische processen een leven verbeterend deel van een significante reeks van waarden. Arbeid wordt in dit geval zinvol werk, waarbij technologie wordt ontworpen om individuele personen, ecologische integriteit en culturele gezondheid te verbeteren (Drengson, 1982).

Volgens Drengson (1982) is appropiate technology de meest complete fase, aangezien meer relevante waarden worden aangehaald. Ook brengt deze fase het object en subject samen in een verantwoordelijke, wederzijdse interactie. In deze fase is er de mogelijkheid tot verdere technologische ontwikkeling, op een manier dat de negatieve gevolgen van de moderne geschiedenis van de mensheid kan oplossen (Drengson, 1982). Daarnaast brengt approtiate technology volgens Dengson (1982), technologie dichterbij. De meeste systemen zijn te centraal volgens Drengson (1982), door appropiate technology kan technologie veel meer toegepast worden op een lokaal probleem of situatie.

Dusek en Drengson zijn van belangrijke waarde geweest in theorie over technologie. De theorie van Sabatier en Smith wat hieronder zal worden toegelicht, is een theorie over beleidsvorming wat van groot belang is in de publieke sector.

2.3.????? Sabatier & Smith

Advocacy Coalition Framework is een beleidsvorming model, gebaseerd op het gebruik van diverse instrumenten door concurrerende coalities binnen een beleidssubsysteem (Cairney, 2013). Tijdens dit proces spelen externe actoren een belangrijkere rol dan interne actoren, doordat de externe actoren meer invloed hebben op het beleidsvorming proces. Het model is afkomstig van Sabatier en Smith en volgens het model is beleidsevolutie het product van verschillende coalities om juridische en politieke instrumenten in te zetten om doelen te bereiken en om tot een gewenst beleid te komen (Sabatier, 2014).

Binnen het ACF beleidsmodel is het van belang de belangrijkste concepten van het model te beschrijven om tot een beleidsproces te kunnen komen. Een eerste concept is ?advocacy coalitions?. Dit zijn coalities bestaande uit hele diverse leden met verschillende functies die een gezamenlijk doel willen bereiken binnen het politiek systeem?(Sabtier, 2007). Leden kunnen journalisten of onderzoekers zijn, maar ook vakbonden, ambtenaren of belangenorganisaties. Daarnaast spelen de belangen van de coalities een belangrijke rol binnen het proces, doordat deze belangen diep geworteld zijn binnen de leden van de coalitie. Ieder coalitie binnen het politiek systeem wil de eigen belangen vertalen in beleid en gelijke belangen tussen coalities zorgt ervoor dat er samenwerking plaatsvindt. Om overtuiging van de eigen standpunten te realiseren worden politieke instrumenten en sturende mechanismen ingezet (Cairney, 2013). Voorbeelden hiervan zijn publicaties van evaluatierapporten, technische informatie dat wordt gepolitiseerd, wijziging in wetgeving of participatie in agentschappen. De instrumenten worden bewust en rationeel ingezet door coalities om de eigen belangen te realiseren in subsystemen?(Cairney, 2013) .Subsystemen zijn issue-specifieke netwerken en zijn actief in de regering omdat verkozen ambtenaren verantwoordelijkheid over beleidsvorming overdragen aan bureaucraten, die op hun beurt, regelmatig overleggen met leden van advocacy coalitions zoals belangengroepen. Hierdoor stelt ACF dat externe actoren meer invloed uitoefenen op politieke kwesties dan interne actoren binnen het politiek systeem. Hieronder vallen ook veranderingen in de omgeving zoals veranderingen in de publieke opinie en veranderingen in sociaaleconomische condities (Sabtier, 2007).

m1

Zoals bovenstaand schema toont ontstaat beleid volgens Sabatier doordat coalities, eigen waarden en instrumenten omzetten naar strategie?n. Deze strategie?n be?nvloeden keuzes die gemaakt worden door beleidsmakers. De veranderingen in het beleidsproces komt volgens ACF tot stand, doordat advocacy coalitions invloed uitoefenen op beleid (Sabtier, 2007). Volgens het ACF is bijna altijd sprake van een dominante coalitie die de meeste instrumenten en sturingsmechanismen in bezit heeft. Externe veranderingen kunnen openingen bieden voor coalities om beleidsveranderingen door te duwen in het subsysteem, aangezien actoren dan eerder geneigd zullen zijn om de eigen beleidsvisie aan te passen. Bemiddeling tussen coalities om tot nieuw beleid te komen versoepelt in dit geval. De overheid kan de bemiddelde strategie overnemen, waardoor een beleidsverandering in werking treedt (Sabtier, 2007).

Hoofdstuk 3: Operationalisatie, onderzoeksontwerp en methodologische verantwoording
Om tot een succesvolle analyse te komen van de invloed van de fasen van technologie voor predictive policing op veranderingen van beleidsvorming bij de Nationale Politie zal in dit hoofdstuk allereerst het conceptueel model worden getoond. In dit model worden de variabelen in vereenvoudigde vorm geschetst. Daarnaast blijkt uit dit model wat de verwachte uitkomsten zijn. Vervolgens zullen de variabelen in het conceptueel model meetbaar worden gemaakt, door deze te operationaliseren. Ook zal de strategie van het onderzoek en de methodes die hiertoe worden toegepast, worden beschreven. Tot slot zal beargumenteerd worden in hoeverre dit onderzoek valide en betrouwbaar is.

3.2. ? ? ?Conceptueel model

m2

Bovenstaand conceptueel model toont de concepten die onderzocht zullen worden binnen dit onderzoek. Daarnaast worden verwachte richtingen getoond in het model. De verwachtingen zijn:

Advocacy coalities zoals beschreven in de theorie van Sabatier hebben veel invloed op beleidsvorming. In dit onderzoek is de verwachting dat advocacy coalities invloed uitoefenen op beleidsvorming. De verwachte invloed is sterker wanneer predicitive polcicing zich bevindt in de fase van approtiate technology. Drensgon stelt namelijk dat de fase appropiate technology de beste fase is om technologische ontwikkelingen toe te passen in de samenleving, omdat in deze fase de meeste acceptatie aanwezig is voor technologie. Hierdoor heeft de variabel approtiate technology een medi?rend effect op beleidsvorming.

De verwachting van dit onderzoek volgens de toegelichte theorie?n is:

De invloed van advocacy coalities die predicitive policing nastreven op beleidsvorming, is groter wanneer de fase van appropiate technology van toepassing is op predicitive policing.

 

3.2.????? Operationalisatie
De variabelen in het conceptueel model zullen worden geoperationaliseerd aan de hand van het operationalisatieschema. In dit schema worden de variabelen weergegeven en als subcode worden meetbare indicatoren gepresenteerd. Daarnaast is gebruik gemaakt van subsubcodes, waardoor een variabel verder kan worden gespecifieerd.

m3

3.3. ? ? ?Strategie

In dit onderzoek is gekozen voor het gebruik van kwalitatief onderzoek. Om de hoofdvraag te beantwoorden is namelijk kennis vereist over verschillende inzichten. Daarnaast zijn de uitkomsten van de hoofdvraag minder goed te voorspellen, vergeleken met kwantitatief onderzoek. Er is ook geen sprake van cijfers, waardoor de data ook niet statistisch verwerkt kan worden, wat wel gebeurt bij kwantitatief onderzoek (Doorewaard, 2015).

Tijdens dit onderzoek is er sprake van een deductieve nadruk. In het onderzoek wordt immers empirie getoetst aan wetenschappelijke theorie, waarbij van theorie naar data wordt gewerkt. Daarnaast worden de belangrijkste concepten in de theorie geoperationaliseerd om de betrouwbaarheid en validiteit te garanderen (Doorewaard, 2015).

Het onderzoek betreft een enkelvoudige casestudy, waarbij getracht wordt om diepgaand inzicht te verkrijgen in predictive policing bij de Nationale Politie door middel van methodentriangulatie. Er is sprake van een smal domein, er zullen acht individuele interviews worden afgenomen bij de Nationale politie en betrokken actoren. De respondenten zijn werkzaam bij de politie en zijn selectief gekozen om verschillende inzichten mogelijk te maken, ofwel een strategische steekproef (Doorewaard, 2015). Doordat het afnemen van acht interviews met belangrijke sleutelfiguren bij politie-eenheden niet werd toegestaan door de communicatieafdeling van de Nationale Politie, vanwege de drukte door de reorganisatie en kwesties bij de politie rondom publicaties met gevoelige informatie, is gekozen om vijf interviews af te nemen met betrokken actoren. Hierbij is gekozen voor TNO en Risbo vanwege de kennis over technologie?n, die worden ingezet bij de politie en vanwege kennis over samenwerkingen. Daarnaast is ook gekozen voor een interview met een ICT-jurist vanwege de juridische aspecten rondom predictive policing.

De interviews zijn semi-gestructureerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van een vragenlijst dat flexibel wordt gehanteerd. Het is de bedoeling om de respondent zoveel mogelijk aan het woord te laten en als interviewer enkel te sturen in het gesprek, wanneer te veel van de vragenlijst wordt afgeweken. Op basis van de operationalisering zijn interviewvragen en ?topics opgesteld en zijn te raadplegen in bijlage 8.1. Daarnaast zal een bureauonderzoek worden uitgevoerd, wat bestaat uit het boek Predictive policing: kansen voor een veiligere toekomst (Rienks, 2015) en de publicatie van het Inrichtingsplan Nationale Politie (Justitie, 2012) en mogelijk andere relevante literatuur. Rutger Rienks is zelf werkzaam als intelligenceprofessional bij de politie en geeft weer welke kansen en mogelijkheden de auteur ziet omtrent predictive policing. In het Inrichtingsplan van de Nationale Politie gebruikt (Justitie, 2012) wordt beleidsvorming bij de Nationale Politie beschreven en verschillende samenwerkingen met hun doelen beschreven.

  • Validiteit en betrouwbaarheid

Om de kwaliteit van het onderzoek te meten wordt gebruik gemaakt van de indicatoren validiteit en betrouwbaarheid. De validiteit wordt onderverdeeld in interne validiteit en externe validiteit. Vervolgens wordt de betrouwbaarheid van dit onderzoek beoordeeld.

De interne validiteit meet of er wordt gemeten wat gemeten wilt worden. In dit onderzoek wordt voldaan aan de interne validiteit, omdat alle stappen in het onderzoek op elkaar zijn gebaseerd. De belangrijkste concepten in het theoretisch kader leidt tot het conceptueel model. Vervolgens worden de variabelen in het conceptueel model geoperationaliseerd, waaruit de interviewvragen worden opgesteld. De data afkomstig van de interviews, leiden mede tot een antwoord op de hoofdvraag.

De externe validiteit meet of de uitkomsten uit het onderzoek generaliseerbaar zijn over andere organisaties, dan wel andere sectoren. Dit onderzoek betreft een casestudy waarbij wordt getracht diepgaand informatie te verkrijgen over de Nationale politie. De verkregen informatie is daarom niet te betrekken op andere organisaties. De resultaten zijn gebaseerd op data verkregen van de Nationale Politie en betrokken actoren en daarom zijn de resultaten enkel te betrekken op politie in Nederland. Predictive policing wordt in iedere samenleving anders, of niet uitgevoerd. De resultaten zijn daarom niet extern valide.

De betrouwbaarheid meet of dezelfde resultaten verkregen worden, wanneer hetzelfde onderzoek opnieuw wordt uitgevoerd. De betrouwbaarheid is in dit onderzoek gering. Immers worden medewerkers ge?nterviewd en kunnen medewerkers na verloop van tijd van mening veranderen. Ook kunnen ontwikkelingen omtrent predictive policing optreden waardoor het beeld van predictive policing verandert. Om de betrouwbaarheid toch te kunnen waarborgen, worden twee soorten methoden van onderzoek toegepast. Hierdoor wordt uit meerdere bronnen data verkregen, namelijk documenten over predictive policing.

pp3

Hoofdstuk 4: Context en Bevindingen
In dit deel van het onderzoek worden de bevindingen uit het onderzoek gepresenteerd. Allereerst zal er een context beschrijving plaatsvinden en vervolgens zullen de resultaten verkregen uit interviews worden besproken.

4.1.????? Context
Predictive policing is de toepassing van verschillende analytische technieken, met name kwantitatieve technieken om risico?s van criminele activiteiten te kunnen bepalen en criminele activiteiten te kunnen voorkomen door het doen van statistische voorspellingen. De term is in 2008 geintroduceerd door politiechef William Bratton van de Los Angeles Police Department (Perry, 2013, p.1). Inmiddels zijn er vele ontwikkelingen geweest rondom de voorspellingstool. In Amsterdam wordt het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) gebruikt om High Impact Crimes mee te voorspellen. Onder High Impact Crimes vallen woninginbraak, straatroof en overvallen (De Vries, 2016). CAS doet voorspellingen op basis van criminaliteitsgegevens, maar ook andere variabelen, zoals de dichtstbijzijnde snelwegenoprit en bekende criminele bedrijven in het gebied, worden gebruikt als input voor de voorspelling (Rienks, 2015, p.23). Daarnaast worden in vier grote steden in Nederland pilots uitgerold, waarbij predictive policing systemen worden gebruikt bij de politie. Het predictive policing model kan een goede duiding kan geven van het risico, maar ook maatregelen voorstellen om deze risico?s zo goed en effici?nt mogelijk te neutraliseren. De komst van predictive policing zou de ?pre-recherche? introduceren, waarbij niet wordt gericht op waarheidsvinding, maar op waarheidsvinding in de toekomst (Rienks, 2015, p.24).

De reorganisatie van de Nationale Politie heeft ertoe geleid dat de politie voor grote problemen is komen te staan?(Lieshout, 2014). In het Inrichtingsplan van de Nationale Politie wordt verwezen naar het doel van de Nationale Politie; bijdragen aan een veiliger samenleving. Hiertoe zijn strategische doelen opgesteld waarbij samenwerking met interne partijen, maar ook met externe partijen van groot belang is, om de doelen te realiseren (Justitie, 2012). In het plan wordt gesproken van samenwerkingen met de gemeente, burgers en politieacademie maar ook van internationale samenwerkingen. Rienks (2015) sluit aan op de voordelen van samenwerkingen door te stellen dat criminaliteit verandert en de ingevoerde data dus moet mee veranderen om de voorspelling up-to-date te houden. Zoveel mogelijk data zou de voorspelling sterker kunnen maken qua impact. Samenerkingen op verschillende gebieden, met verschillende actoren kan dus een grote bijdrage leveren aan predictive policing. Door het volgen van soortgelijke delicten zouden er ook geografische patronen kunnen ontstaan, waaruit verwachtingen kunnen worden afgeleid over een eventueel volgend delict (Rienks, 2015, p.64). Een uitdaging is hierbij het interpreteren van data naar concrete beleidsstappen.

Juridische aspecten om de bevoegdheden van de politie te garanderen zijn vastgelegd in wetten, zoals de Wet Politie Gegevens, die bepaalde vormen van verwerking en verstrekking van politiegegevens mogelijk maakt en hierover waarden en condities vaststelt. Rienks (2015, p.79) stelt het volgende over inbeslagname van gegevens in juridische zin:

?De inbeslagname van gegevens in juridische zin is trouwens nog een lastig geval. Want volgens artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering zijn alleen voorwerpen (onder andere die de ?waarheid aan de dag kunnen brengen?) vatbaar voor inbeslagname. Een gegeven is in deze context geen voorwerp. Gegevens zijn een abstract begrip. Gegevensdragers kunnen daarentegen wel in beslag worden genomen. Dus bij het vermoeden dat de gegevens, vastgelegd op een gegevensdrager, kunnen worden gebruikt voor waarheidsvinding, is slechts deze drager vatbaar voor inbeslagname.

?4.2.???? Bevindingen interviews

Om een helder overzicht te bieden van de bevindingen, zullen per actor de bevindingen worden gepresenteerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de actor politie en onderzoeksinstelling TNO, Risbo en een ICT-jurist als actor.

De medewerkers van de politie zijn te spreken over de voordelen van predictive policing. Het programma CAS zou volgens de innovatiemakelaar ertoe kunnen leiden dat politie inzet wordt gebaseerd op het programma en dit op een effectieve en effici?nte wijze kan gebeuren. De generalist spreekt ook van voordelen voor capaciteitsmanagement. De projectleider zegt hierover kort:

?Ja de voordelen zijn denk ik dat je anders dan gebaseerd op trends, intelligenter met je informatie omgaat.?

De projectleider voegt hier wel aan toe dat tijdens de pilot, dat de echte concrete voorspelling redelijk laat werd gedaan door het programma CAS. De aard van de interventie naar aanleiding van het predictive signaal, wordt daardoor moeilijk om op aan te passen. Daarnaast spreekt de innovatiemakelaar van bepaalde aannames intern bij de politie:

?Dus je kunt bij wijze van spreken uitrekenen waar en wanneer het zal plaatsvinden. Dat is best een gek idee voor politiemensen die uit de praktijk komen. En zeggen: ?Ja het is toch een beetje je instinct want je kijkt naar de omgeving en je denkt dit is mogelijk en dat niet.? Dus die eigen subjectieve invulling maakt ook wel dat ze het lastig vinden om te doorleven, om te denken, ja misschien zit er wel een systeem in, misschien zit er wel een patroon in.??

Ook de andere medewerkers spreken hierover, en stellen dat dit ook voor een deel uit onwetendheid komt. Zo stelt de projectleider dat in de beginfase van de pilot in Hoorn de medewerkers nogal sceptisch waren over de voorspellingen, omdat de variabelen waarmee werd gewerkt, nog onbekend waren. Over andere actoren, betrokken bij predictive policing, stelt de innovatiemakelaar dat het heel goed mogelijk is dat er andere belangen invloed uitoefenen op de samenwerking:

?Een gemeente heeft naast veiligheid natuurlijk ook leefbaarheid. Die moeten ook hun budget rondkrijgen dus die willen ook dingen doen waarvan politie zegt: ?Hey dat vraagt best wel veel inzet van ons voor de veiligheid.? Belangen zijn niet altijd helemaal gelijk. Er kan dan weleens gebeuren dat de gemeente zegt: ?Ik zie hier dat een tool een bepaalde verhoogde onveiligheid voorspelt, maar ik ga het toch doen, want ik wil mijn gemeente die kermis gunnen of die feestweek.??

De projectleider is het hier volkomen mee eens, en voegt eraan toe dat de beste resultaten wellicht ook behaald kunnen worden als het samen wordt gedaan met de gemeente, besturing, handhavers, maar misschien ook wel nog meer als de maatschappij er ook bij wordt betrokken. De innovatiemakelaar bespreekt tevens een ander voordeel van predicitive policing en stelt dat predictive policing niet een totaal nieuw systeem is:

?We weten niet tot op huishoudniveau hoe het zit met de beveiliging, sloten en honden. Dat weten we gelukkig niet, dat hoeft ook helemaal niet. Maar we weten wel: waar zijn de mensen gemiddeld wel thuis en waar zijn ze gemiddeld niet thuis overdag? Maar dat weet een inbreker ook als hij vier keer op een dag rondfietst door een wijk. Zo doen ze die dingen. Predictive policing is dus niet nieuw in die zin, maar het systematisch onderbouwen met data wat we nu op grote schaal kunnen verzamelen en die combineren en naast elkaar leggen. Ja, voor een deel zeggen mensen ja ik herken dit van mijn onderbuik gevoel maar dat is niet overal waar. Want er zijn ook mythes in de criminaliteitsbestrijding en die kunnen we nu mooi ontkrachten.?

Het onderbuik gevoel wordt ook besproken door de andere medewerkers. Er wordt door alle politiemedewerkers veel waarde gehecht aan de inzichten van ervaren agenten. Volgens de generalist, wordt hier zelfs onvoldoende aandacht aan besteedt. De projectleider zegt het volgende erover:

?Wat we gezien hebben bij die pilots van CAS wel hebben gezien dat het wel heel belangrijk is om al die verschillende bronnen van informatie, van onderbuik gevoel tot gewoon de klassieke manier van hotspots, die trendanalyses, te bundelen met de informatie die CAS oplevert. Maar je niet verlaten op 1 bron, dus als in we hebben nu CAS dus we gaan nu alleen daarmee plannen. Ten eerste, stuit je dan ook echt op weerstand, want mensen zeggen dan krijg je: ?Mijn gevoel zegt wat anders en ik vertrouw mijn gevoel meer dan een vaag kaartje wat ik uit de computer krijg.? Dus dat soort weerstanden, maar tegelijkertijd, en ten tweede zie je dat je ondanks het gebruik van big data en intelligentie systemen dat je niet volledig daarop kunt vertrouwen.?

Tot slot zou predictive policing volgens alle politiemedewerkers nog veel meer kunnen bieden dan dat het nu doet en kan het effect van predictive policing veel groter en uitgebreider zijn dan op dit moment. Er zullen hier nog wel een aantal ontwikkelingen vooraf moeten gaan volgens de projectleider. Zo zal data beter aangeleverd moeten worden en is het ook vrijwel onmogelijk om van een causaal verband te spreken tussen predictive policing en het effect op de buitenwereld, omdat vele andere factoren ook van invloed kunnen zijn en het niet altijd duidelijk is welke factor, wat voor invloed speelt. De innovatiemakelaar zegt over de toekomst van predictive policing dat er verwacht wordt, dat intelligenter gestuurd zal worden op de inzet van de capaciteit en dat dit iets vraagt van de operationale medewerker, maar voegt daaraan toe:

?Daarnaast is er een leidinggevende laag, die moet daarop gaan sturen. Dit is wat we zien, daarom verwachten we dat en daarom vragen we jou: ?wil je vooral op die fiets in die wijk?? Daar gaat gewoon ingebroken worden, we kunnen het gewoon uittellen en de meeste inbraken zijn overdag dus fiets vooral overdag als burger. Of met een scootertje, jij ziet er heel jong uit, dus trek lekker kleding aan waarbij je tussen die jongeren in blendt. Ga op dat pleintje zitten en kijk dan of je die kerel te pakken kan krijgen.?

pp4

Maar de innovatiemakelaar ziet hierin ook meer schakels waaronder:

?Welke ketenpartners zijn hier van belang? Want misschien hoef je er niet als politie te zijn. Misschien kun je bij een wijk wat geteisterd wordt door inbraken, de groenvoorziening vragen om juist daar te gaan schoffelen, want ja er moet toch iemand wat zien. Het kan ook zo zijn en nu ben ik misschien wat achterdochtig, dat als wij het patroon weten van de groenvoorziening en we denken nou dat is toch ook toevallig die zijn altijd in de wijk aan het schoffelen waar wordt ingebroken. Dan moet je een andere vraag stellen natuurlijk haha.?

De generalist deelt in het interview ook mee dat de komende vijf jaar predictive policing zich zeker zal uitbreiden naar meerdere delen van het land. Echter, moet er dan nog het een en ander gebeuren. De projectleider spreekt ook over positieve effecten in de toekomst, maar stelt ook dat het programma CAS tegenwoordig ook kaarten aanbiedt in heel veel andere teams in het land. Echter, wordt dit gedaan zonder begeleidende methode van gebruik. Hierdoor gaat ieder team er op zijn eigen manier mee om en dan wordt het vaak gebruikt als een hotspot kaart, terwijl CAS meer zou kunnen bieden. De projectleider zegt het volgende hierover:

?Daarmee doe je iets als predictive policing te kort, want het wordt dan gebruikt als een soort trendanalyse. En dat vind ik te kort en dat is jammer. Er zit meer in.?

De actor onderzoeksinstellingen wijst ook op bepaalde voordelen, die ook worden gedeeld door de politiemedewerkers. Alle respondenten die werkzaam zijn bij TNO wijzen op de voordelen voor politie inzet en de onderzoeker bij Risbo stelt daarnaast:

?Ik denk natuurlijk meteen aan de preventie. Kijk van oudsher is de politie heel erg reactief van aard. Er gebeurt een bepaald incident, mensen doen daar al dan niet aangifte op en de politie gaat dan rechercheren om te kijken kan ik het misdrijf, incident, ect. opsporen. Je loopt daarmee achter de feiten aan. Het grote voordeel van predictive policing is dat je aan die preventieve sfeer wijkt. Dus je probeert incidenten voor te zijn, erop te anticiperen, op gedragingen van burgers, groepen, terroristen.?

Echter, hebben de vier respondenten wel hun bedenkingen van de effectiviteit op dit moment. Volgens de program manager bij TNO, is predictive policing slechts een signaal, waarvan de impact op het moment nog relatief bescheiden ligt. Het signaal is niet dwingend, slechts suggestief en de overige respondenten sluiten zich ook hierbij aan. Daarnaast spreekt de program manager van TNO van belangen die een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van predictive policing:

?Uh ja, ten eerste kan het natuurlijk stigmatiserend zijn. Als je in een bepaalde wijk, bepaalde tijdsstip veel aanwezig gaat zijn met politiemensen. Dat is het lastige van je baseren op historische data, je bevestigt het, je typeert het. Dus dat kan een effect zijn. Wat ook een effect kan zijn, is dat politiemensen op straat zich heel erg gestuurd voelen. Dat hangt heel erg van de implementatie af, van hoe je dat doet. Als je het ?rescriptief? (voortschrijvend) gaat gebruiken, dan kunnen agenten het als lastig ervaren, het is verlies van vrijheid. Omdat je als een marionet van de ene naar de andere kant moet hollen. Door het systeem geregeerd worden. Dus dat kan een effect zijn.?

Ook is predictive policing volgens een medewerker bij TNO momenteel een hype, doordat heel veel mensen nog niet precies zouden weten hoe die voorspellingen werken. Echter, is volgens de TNO medewerker, men wel al heel snel blij met het programma, zonder echt een goede effectmeting te doen.

Een andere medewerker van TNO spreekt over belangrijke aspecten bij het gebruik van predictive policing:

?Dan liggen er wel maatschappelijk / ethische vragen. Als je nou eigenlijk niet echt begrijpt wat een tool doet en je laat je politiemensen erop inzetten. Je levert je dus over naar artificial intelligence, dus daarmee is een stapje gezet naar een moeilijk te controleren overheidsoptreden. En daarmee verlies je ook als het ware de regie, want machines doen dan het werk. Zo ver is het natuurlijk nog niet. De huidige tool is redelijk eenvoudig. Maar dat zet wel aan het denken.?

De respondenten van TNO en Risbo spreken over samenwerkingen met de politie en de TNO medewerkers stellen dat er sprake is van nauwe contacten. Zo zitten medewerkers van TNO ook bij de politie aan tafel om te overleggen. Echter, door de drukte van de reorganisatie medewerkers er ook voor kiezen om via het ministerie te helpen. Tijdens de interviews spreken de respondenten van verschillende belangen om mee te werken aan predictive policing. Hierbij speelt financieel belang een rol, maar stelt een respondent ook over samenwerkingen met de gemeente en de private beveiliging:

?Zeker, gemeentes zijn heel erg ge?nteresseerd in dit soort ontwikkelingen. Want heel veel dingen die je kunt veranderen om criminaliteit terug te dringen is niet iets wat de politie alleen kan. Dus de gemeente is een hele interessante. Het andere is, heel veel dingen die je doet voor de politie, kun je een op een kopi?ren naar private beveiligers. Ook als je een bedrijventerrein wilt bewaken, is het interessant om te weten of het nu op vrijdagavond populaire tijd is in dat bepaalde gebied. Dus moet ik daar nu een mannetje extra heen sturen? Dus ook met dat soort partners, zijn we ook bezig om te kijken: hoe kunnen we dit voor jullie inzetten??

Belangen kunnen volgens de onderzoeker bij Risbo ook hele andere doelen hebben:

?Maar daarnaast, informatie kan ook een politieke perspectief hebben. Informatie is ook een potentiele bron van macht, er komen allemaal strategische gedragingen uit. Op het moment dat je met verschillende actoren, data, kennis deelt. Dat kan gevoelig liggen, want iedereen heeft een bepaald kennismonopolie. En om dat te delen, ja dat kan bepaalde weestanden oproepen.?

De respondenten spreken allen van bepaalde barri?res. Zo wordt gesproken over juridische barri?res zoals etnisch profileren en het invoegen van bepaalde variabelen aan de voorspellingstool die in een rechtszaak in twijfel getrokken kunnen worden. Zo licht de ICT-jurist toe dat dit soort zaken nieuw zijn en nog vrij onbekend terrein. Een medewerker van TNO vertelt hierover dat er ook geen jurisprudentie bekend is over predictive policing en dat uiteindelijk juridisch zal blijken of wat de politie doet ook wettelijk mag. Tot slot bespreekt de onderzoeker bij Risbo van nog andere mogelijke belemmeringen:

?Dus als je puur uitgaat van de techniek dan denk ik dat je heel weinig barri?res hebt. Maar je hebt natuurlijk ook een andere kant en dat is natuurlijk wat wel een rem kan zijn. Als je kijkt naar de politie, de Nationale Politie, de reorganisatie, heeft geleid tot bepaalde knelpunten, onzekerheden, dingen die niet helemaal goed lopen. Mensen die onzeker zijn over hun baan. Dus zijn er wel een aantal organisatorische belemmeringen om dit soort dingen in de organisatie in te voeren uit te rollen, over alle politie-eenheden. Dat is een barri?re. Je hebt natuurlijk ook een financi?le barri?re, je kan bijvoorbeeld inzetten op predictive policing, maar dat is een aspect en je kunt ook op tal van andere dingen inzetten. En uiteindelijk is er een budget kwestie, waar ga je op investeren??

pp2

Hoofdstuk 5: Analyse
In dit deel van het onderzoek worden de resultaten getoetst aan de theoretische concepten die eerder in het onderzoek zijn behandeld. Hiertoe worden de bevindingen gebruikt om te kunnen reflecteren op het conceptueel model in dit onderzoek.

Uit de bevindingen blijkt dat de verschillende actoren bepaalde belangen delen maar er ook grote verschillen bestaan in een aantal aspecten rondom predictive policing. De interviews tonen aan dat alle respondenten te spreken zijn over de voordelen. Veiligheid wordt tijdens de meeste interviews aangehaald als een gedeeld belang om samen te werken, maar autonomie en kennismonopolie zijn belangen die kunnen leiden tot barri?res in het samenwerkingsproces. Uit de interviews blijkt dus dat er wel degelijk advocacy coalities zijn die predictive policing nastreven. Ook worden verschillende instrumenten aangehaald tijdens de interviews om beleidsvorming bij de politie te be?nvloeden. Hoewel het bij de meeste respondenten blijft bij een adviserende taak, worden verschillende actoren genoemd die wel degelijk politieke en juridische invloed uitoefenen op beleidsvorming bij de politie. Daarnaast wordt gesproken van andere wegen die bewandeld kunnen worden om alsnog enige invloed te kunnen uitoefenen. Het gebruik van gepolitiseerde technische informatie en publicaties van evaluatierapporten is tevens een instrument, dat ingezet kan worden bij onderzoeksorganisaties.

Verschillende actoren proberen dus op verschillende manieren invloed uit te oefenen op beleidsvorming bij de politie. Hiertoe hebben actoren verschillende belangen. Dit kunnen belangen zijn om samenwerkingen omtrent predictive policing met de politie te realiseren, zoals financi?le belangen of het stimuleren van het maatschappelijk debat rondom ethische kwesties. Maar ook kan er sprake zijn van tegenstrijdige belangen waardoor er barri?res optreden in de ontwikkeling van predictive policing.

Daarnaast zou de onderzochte data, getoetst worden aan de laatste fase van de theorie van Drengson. Uit de toetsing blijkt dat predictive policing zich niet bevindt in de fase van appropiate technology, de laatste fase. Om te kunnen spreken van appropitate technology moet sprake zijn van het gebruik van het systeem als instrument om bepaalde doelen te bereiken. Interviews tonen aan dit het geval is; alle respondenten stellen dat predictve policing belangrijke doelen kan realiseren bij de Nationale Politie. Het vergroten van efficiency en effectiviteit is een van de meest genoemde voordelen. De mogelijkheden en diversiteit zijn groot, er worden voorbeelden aangehaald waarbij mogelijke toekomstige terroristische aanslagen voorkomen kunnen worden. Ook blijkt het voorspelbare tool bruikbaar in meerdere organisaties, zoals de Belasting om belastingontduiking effectiever op te sporen. Het systeem zou dus ook, indien verdere ontwikkeling plaatsvindt, lokale en specifieke criminaliteitsproblemen kunnen oplossen. Er is daardoor ook sprake van diversiteit in het gebruik van predictive policing op het gebied van criminaliteit. Hoewel het systeem nu nog vrij simpel wordt gebruikt, tonen de interviews klaarblijkelijk aan dat er grote mogelijkheden denkbaar zijn. De menselijke attitude is kenmerkend voor scheiding tussen verschillende fasen. Wanneer de menselijke attitudes over mogelijke barri?res en gevaren worden besproken in de ontwikkeling van predictive policing, blijkt uit de interviews dat er een bepaalde angst heerst om gestuurd te worden door een technologisch systeem. Verlies van de eigen menselijke autonomie en onvoldoende kennis van het daadwerkelijke programma, heeft hier invloed op. Respondenten zijn momenteel kritisch over de daadwerkelijke effecten van het voorspellende programma en zien predictive policing merendeels als een signaal dat genegeerd kan worden als de politiecapaciteit ontoereikend. In de toekomst is de kans groot, dat predicive policing grote invloed kan hebben op beleid, vanwege de diversiteit en effectiviteit. Echter, kan er aan de interviews momenteel nog niet vastgesteld worden dat predictive policing een onmisbaar systeem is in de samenleving. Het technologisch systeem, wat in dit onderzoek predictive policing voorstelt, is daardoor niet een systeem dat menselijke ontwikkeling bevordert. De data in dit onderzoek toont aan dat de menselijke houding tegenover predictive policing niet overeenkomt met de fase van appropiate technology. Predictive policing bevindt zich dus niet in de laatste fase. Drengson stelt over de fasen waarin technologie?n kunnen worden geplaatst, dat appropiate technology de beste fase is voor implementatie van beleidsvorming. Uit de data in dit onderzoek blijkt dat de implementatie nog niet volledig succesvol is. De belangen van de actoren wegen mee in deze implementatie.

Aan het eind van het conceptueel model werd een verwachting geschetst aan de hand van de theoretische concepten. De verwachting was het volgende:

De invloed van advocacy coalities die predicitive policing nastreven op beleidsvorming, is groter wanneer de fase van appropiate technology van toepassing is op predicitive policing.

Deze verwachting is niet uitgekomen in dit onderzoek. Dit onderzoek heeft namelijk geleid tot resultaten waaruit blijkt dat predictive policing zich niet in de gestelde fase bevindt. Hierdoor kan de verwachting niet worden bevestigd. De fase waarin predictive policing zich bevindt, zorgt er juist voor dat respondenten kritisch kijken naar de toepassing. Een deel van de respondenten geven aan juist door middel van onderzoek, de politie te adviseren een meer terughoudende positie aan te nemen in de ontwikkelingen rondom predictive policing. Er zijn momenteel nog juridische barri?res waaruit moet blijken of de voorspellende technologie wel is toegestaan in de samenleving. Daarnaast zijn er barri?res in de samenleving en intern bij de politie zelf. Draagvlak en sturing door technologie zijn veel aangehaalde argumenten. Een deel van de actoren wenst dat de experimenteerfase wordt verlengd in plaats van uitbreiding plaatsvindt naar meerdere steden, zoals de politie dat wenst. Verschillende instrumenten worden ingezet om de eigen belangen van de coalities te realiseren in dit proces. Zo blijkt uit de interviews dat er sprake is van een eigen website van de onderzoeksinstelling waarin verschillende kritische onderzoeken van de politie aan het licht worden gebracht. Als achterliggende belang van de website wordt gesproken van het stimuleren van het maatschappelijk debat en de zin en onzin rondom predictive policing te onderscheiden. De actoren onderling proberen dus het beleid te be?nvloeden. Echter, bevindt predictive policing zich mogelijk in een fase waardoor actoren niet meewerken aan verdere uitbreiding zoals de politie dat wenst. Er wordt juist invloed uitgeoefend door actoren om een meer terughoudende positie te realiseren bij de politie. De actoren geven verschillende argumenten om het debat te stimuleren, van juridische tot aan organisatorische argumenten.

pp7

Hoofdstuk 6: Conclusie
In dit deel van het onderzoek, wordt antwoord gegeven op de hoofdvraag. De hoofdvraag zal allereerst herhaald worden, waarna aan de hand van de analyse een antwoord gegeven zal worden op de hoofdvraag.

Om tot de conclusie te komen zal allereerst de hoofdvraag hieronder worden geformuleerd:

Wat is de invloed van de fasen van technologie op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie?

Het onderzoek heeft aangetoond dat predictive policing zich niet in de fase appropiate technology bevindt. Er wordt niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen spreken van deze fase. Bij de toepassing van het systeem ontbreekt de bevordering van de menselijke ontwikkeling en het ervaren van een onmisbaar systeem tijdens het gebruik. De menselijke houding tegenover het voorspellingstool wijst op een meer terughouding en meer experimenten om effecten te verduidelijken van preditcive policing op de criminaliteit en samenleving. Hierdoor heeft predictive policing niet een versterkend invloed op beleidsvorming bij de politie. Uit de interviews blijkt wel enthousiasme voor voorspelbare programma?s, maar wordt ook gewezen op de gevaren. Predictive policing wordt op dit moment gezien als een programma met veel mogelijkheden maar tevens serieuze ethische kwestie in de huidige informatiesamenleving. De menselijke houding is kritisch naar deze vorm van technologie. Overgeleverd worden aan een technologisch systeem, waarbij de eigen autonomie wordt ingekort, stuit tot veel weerstand bij betrokken actoren. Dit wordt versterkt, doordat er onvoldoende kennis is over de technologie. De totstandkoming van de voorspelling is voor veel gebruikers nog een raadsel en daardoor wordt het enkel als een voorspellend signaal gezien onder de meeste respondenten. Verschillende inzichten zijn hierop mogelijk, de discussie blijven voeren tussen betrokken actoren is dan ook van groot belang om tot gezamenlijk beleid te kunnen komen. De betrokken actoren zijn in staat om invloed uit te oefenen op beleidsvorming bij de politie, door de inzet van verschillende instrumenten.

Uit dit onderzoek blijkt dan ook dat de Advocacy Coalition Framework van toepassing is op beleidsvorming bij de Nationale Politie. Echter, kan er geen versterkend invloed van predictive policing vastgesteld worden op beleidsvorming bij de politie. Er is in dit onderzoek sprake van invloed vanuit de betrokken actoren om de experimenteerfase te verlengen. De theorie van Drengson benoemt vier fasen waarin de laatste fase is getoetst in dit onderzoek. Echter, blijkt uit de analyse dat er sprake is van een andere fase. De eerste fase stelt dat ontwikkelingen worden gediend als instrument om macht en welvaart te realiseren. De tweede fase stelt dat er een liefde ontstaat voor technologie, waarin technologie een spel van het leven wordt. De derde fase technophobia benoemt de angst voor bepaalde technolgische ontwikkelingen en stelt als belangrijk kenmerk dat de mens de behoefte heeft om de technologie zelf te sturen in plaats van dat de mens wordt gestuurd door de technologie. Dit is een overeenkomst met de data en zou kunnen verklaren waarom actoren een verlening van de experimenteerfase wensen. Doordat er geen onderzoek is gedaan naar de eerste drie fasen, kunnen hieruit geen conclusies over worden getrokken.

Om tot deze conclusie te komen zijn er acht interviews afgenomen met betrokken actoren die voldoende kennis hebben van predictive policing om een eigen inzicht te bieden aan de onderzoeker met betrekking tot het onderwerp predictive policing, beleidsvorming bij de politie en betrokken actoren in dit proces. In dit onderzoek is gekozen om enkel de laatste fase te toetsen door gebrek aan tijd en data. Hierdoor kan in dit onderzoek niet worden getoetst in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt. De toetsing op andere fasen binnen de theorie van Drengson vereist vervolgonderzoek.

pp6

Hoofdstuk 7: Discussie

In dit afsluitend deel van het hoofdstuk zal een kritische reflectie plaatsvinden op het onderzoek dat is uitgevoerd. Hierbij zullen kanttekeningen worden geplaatst op het onderzoek.

Allereerst kan kanttekeningen worden geplaatst bij het lage aantal respondenten met een functie binnen de politie. Het afnemen van interviews met sleutelfiguren bij de politie bleek een lastige taak. Hierdoor is gekozen betrokken actoren te benaderen. Meer sleutelfiguren binnen de politie op het gebied van predictive policing en beleid, had meer diepgaand inzicht kunnen bieden. Daarnaast kunnen acht respondenten weinig zijn om te onderzoeken welke actoren er zijn betrokken bij samenwerking omtrent predictive policing. Om de belangen van de betrokken actoren allemaal afzonderlijk te meten, zijn meer interviews vereist. Doordat kennisinstellingen veel informatie tot beschikking hadden over de politie en betrokken actoren, is gekozen om deze actor te interviewen. In de samenleving spelen veel meer actoren een rol bij beleidsvorming omtrent predictive policing.

Daarnaast kunnen er bedenkingen worden geplaatst bij de toetsing op louter de laatste fase van de theorie van Drengson. Door beperkte tijd en enkel acht interviews is gekozen om de overige fasen niet toetsen. Echter, had het veel waarde kunnen toevoegen aan het onderzoek als wel gesteld kon worden in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt. De invloed op beleidsvorming zou in dat geval beter onderzocht kunnen worden.

Literatuurlijst

Cairney, P. (2013, Oktober 30). Paul Cairney. Opgehaald van Policy Concepts in 1000 words: The Advocacy Coalition Framework: https://paulcairney.wordpress.com/2013/10/30/policy-concepts-in-1000-words-the-advocacy-coalition-framework/

De Vries, A. & Smit. S. (2016, april 25). Predictive policing: een overzicht. Opgehaald van socialmediadna: http://socialmediadna.nl/predictive-policing-overzicht/

Doeleman, D. W. (2014). Predictive policing – wens of werkelijkheid? het Tijdschrift voor de Politie, 29-42.

Doorewaard, P. V. (2015). Het ontwerpen van een onderzoek. Amsterdam: Boom Lemma uitgevers.

Drengson, A. R. (1982, Summer). Four Philosophies of Technology. Philosophy Today, 103-117.

Dusek, V. (2006). Philosophy of Technology: An Introduction. In V. Dusek, Philsophy of Technology: An Introduction (pp. 26-37). USA, UK, Australia: Blackwell Publishing.

Ellul, J. (1964). In The Technological Society (J. Wilkinson, Vert., pp. 333-343). New York: Alfred A. Knopf, Inc. and Random House, Inc.

Jonker, J. (2015, augustus 31). Rem op reorganisatie politie. De Telegraaf.

Justitie, M. V. (2012). Inrichtingsplan Nationale Politie. kwartiermaker Nationale Politie.

Lieshout, L. v. (2014, november 15). De vijf grootste problemen van de politie. Opgehaald van nrcreader: http://www.nrcreader.nl/artikel/7368/de-vijf-grootste-problemen-van-de-politie

Mauriac, F. (1968). Le nouveau bloc-notes 1961-1964. Frankrijk: Flammarion.

Noort, W. (2016, april 15). Slimme stad of dataslurper. NRC.nl.

Paul A. Sabatier, C. M. (2014). Theories of the policy process. Boulder: Westview Press.

Prins, J. (2004). Tehcnologie en de nieuwe dilemma’s rond identificatie. Justiti?le Verkenningen, 1-47.

Rienks, R. (2015). Predictive Policing: Kansen voor een veiligere toekomst. Apeldoorn: Politieacademie Apeldoorn.

Sabtier, W. (2007). The Advocacy Coalition Framework: Innovations and Clarifications. Boulder: Wetsview Press. Opgehaald van The Advocacy Coalition Framework: Innovations and Clarifications: http://collectivememory.fsv.cuni.cz/CVKP-29-version1-priloha_2_FF.pdf

Spelier, R. (2011). Onderweg naar nationale politie?! Utrecht: Department Bestuurs- en Organisatiewetenschap.

Walter L. Perry, B. M. (2013). Predictive Policing: The Role of Crimecasting in Law Enforcement Operations. RAND Corporation.

Bijlage

Bijlage 8.1.: Kwalitatieve vragenlijst

Appropiate technology

  1. Wat is predicitive policing en wat is het doel van het gebruik ervan?
  2. Wat zijn de voordelen van predictive policing?
  3. Hoe wordt predicitive policing gebruikt in het dagelijks leven?

Advocacy coalition framework

  1. Welke coalities zijn betrokken bij beleidsvorming omtrent preventief opsoringsbeleid?
  2. Wat zijn de belangen van die coalities?
  3. Welke instrumenten hebben zij om beleidsvorming te be?nvloeden (zowel meewerken als beleid hinderen)?
  4. Wat is het belang voor de desbetreffende organisatie om mee te werken met de politie?
  5. Op wat voor manier komen de coalities tot een gezamenlijk standpunt?

Veranderingen in beleidsvorming

  1. Hoe is beleid omtrent predictiev policing ontstaan?
  2. Hoe ziet u predictive policing over vijf jaar?
  3. Wat voor invloed heeft predictive policing gehad op beleidsvorming?
  4. Wat voor effect kan het nog hebben op beleidsvorming?

Bekijk, download of print het onderzoek hier:

[slideshare id=69627654&doc=bachelorscriptiemelissakont-161129090425&type=d]

Of bekijk het onderzoek uit Chicago naar de effecten van Predictive Policing daar:

[slideshare id=65229286&doc=predictionsputintopractice-aquasi-experimentalevaluationofchicagospredictivepolicingpilot-160822101738&type=d]

Bronnen: The Verge, Mic

Predictive policing predicts police harassment, not crime

 

Agenten twitteren dom?

politie twitter

Linda Duits reageerde in NRC in een artikel “Agent, u twittert zelf ook dom” op (re)acties van de politie op Twitter. Want het digitale politiebeleid hangt van willekeur aan elkaar, zegt?Linda Duits.

Als u op Facebook of Twitter meldt dat u met vakantie bent, is uw inboedelverzekering niet langer van kracht. Dat klinkt raar en bespottelijk, en het is dan ook niet waar. Deze claim werd niet gemaakt in een dubieuze kettingbrief, maar werd in de zomer van 2013 op sociale media verspreid door verschillende politieagenten.

verzekeren

Afgelopen weekend verstuurde het twitterkanaal van de wijkagenten Sint-Michielsgestel een foto waarop een Pegida-aanhanger met een vlaggestok inslaat op een agent. Er stond bij: ?Deze politieman was misschien gisteren bezig aanranders op te sporen. Vandaag overkwam hem dit. Wereld op zijn kop.?

De foto gaat al een tijdje op sociale media rond, maar is een hoax: het is geen Duitse agent en het Pegida-logo is erin gephotoshopt. De oorspronkelijke foto is genomen tijdens rellen in Athene in 2009. De wijkagenten hebben de tweet verwijderd met als ?excuus? dat ze geen boze opzet hadden. Dit weekend liet datzelfde account zich uit over de rechtsstaat: ?Een #advocaat adviseert een verdachte (bijna) altijd zich te beroepen op zwijgrecht. Respect voor slachtoffers is ver te zoeken.? Ook deze tweet is inmiddels verwijderd, maar ditmaal zonder toelichting.

De politie heeft een algemeen twitteraccount en iedere politieregio heeft een eigen twitterkanaal. Daarnaast is er een wildgroei aan lokale accounts. Ze voeren meestal het logo van de politie en in de bio staat vaak vermeld dat het een officieel account betreft. Wijkagenten of -bureaus informeren burgers over van alles en nog wat via zulke kanalen. Ze schrijven over bijzondere gebeurtenissen, geven anti-inbraaktips of laten hun mening horen. Er lijkt daarbij geen enkele sturing of controle van bovenaf te zijn. Het aantal feitelijk onjuiste of ethisch discutabele berichten is inmiddels zo hoog dat er niet meer van incidenten gesproken kan worden. Een ander voorbeeld. Een wijkagent uit een kleine gemeente op de Veluwe twitterde deze zomer een foto van een meisje dat buiten westen op een bankje lag, voorzien van de tekst ?laveloos op straat aangetroffen, 15 jaar, weet wat je kinderen doen zo laat nog op straat?. Het zal ongetwijfeld goed bedoeld zijn, maar het meisje droeg opvallende kleding die door bekenden zeker herkend zou worden. De wijkagent nagelde dus een minderjarige aan de digitale schandpaal. Verschillende twitteraars reageerden vol afschuw en de wijkagent verwijderde de tweet. Excuses of een verklaring zijn nooit gekomen.

In hetzelfde weekend twitterde correspondent Olaf Koens dat hij tijdens zijn bezoek aan Lowlands gefouilleerd was door undercoveragenten. In een bericht erna schreef hij ?ACAB?, een Engelse afkorting die vooral gebezigd wordt in subculturen waar ze het niet zo op de politie hebben. Hij staat voor ?All Cops Are Bastards?, maar om onder rechtsvervolging uit te komen kun je gemakkelijk claimen dat het wat anders betekent. ?Acht Cola, Acht Bier? bijvoorbeeld, en dat was dan ook de reactie van de journalist toen hij online overstelpt werd door boze politiemensen. Zij riepen hun collega?s op massaal aangifte te doen van belediging. Ook zijn vaste opdrachtgever RTL Nieuws werd aangespoord afstand te nemen van Koens? uitspraak.

ACAB Agenten uiten niet alleen online hun woede over beledigingen aan het adres van de politie, ze ondernemen ook offline actie. De politie van Schiedam schreef in augustus triomfantelijk dat ze aan de deur waren geweest bij ?een man die het nodig vond om ons te beledigen via Social Media?. De man, die niet bij naam genoemd werd, heeft de tweet verwijderd en zijn excuses aangeboden. Het is niet duidelijk wat de belediging inhield en of hij direct gericht was aan een specifieke agent. Op Twitter vroegen mensen de politie Schiedam om toelichting. De reactie was simpel: ?Wij tolereren geen beledigingen, ook niet online?.

Agenten in functie mogen online blijkbaar van alles roepen, maar de burger mag dat dus niet. Zijn vrijheid van meningsuiting is in het geding. NRC berichtte woensdag dat de politie huisbezoeken brengt aan burgers die zich op sociale media negatief uitlaten over asielzoekerscentra. De woordvoerder van de Nationale Politie zei in de krant dat hiervoor geen specifieke regels zijn: er wordt steeds een nieuwe inschatting gemaakt. Het is voor de burger zo moeilijk om te weten wat strafbaar is en wat niet. Racistische tweets lijken voor de politie bijvoorbeeld geen reden tot ferm optreden. Burgers die daarvan aangifte doen lopen op tegen een muur van bureaucratie, zoals blijkt uit de ervaringen van kunstenaar Quinsy Gario.

Bovengenoemde voorbeelden zijn indicatief voor een veranderde bedrijfscultuur bij de politie. Antropoloog?Paul Mutsaers promoveerde in juni 2015 aan Tilburg University op de handelingsvrijheid van Nederlandse agenten. Net als bij allerlei andere overheden en commerci?le organisaties is er volgens hem bij de politie sprake van een psychologisering van werkrelaties. Agenten wordt gevraagd hun persoonlijkheid mee naar het werk te nemen. Die cultuur moedigt het aan om vanuit eigen politieke opvattingen keuzes te maken bij arrestaties, of dat nu gaat om ?ongezellige? demonstranten tegen het Koningshuis, een twitteraar die op zijn plek gezet moet worden of een burger die boos is over het opvangbeleid van zijn gemeente. Willekeur en voor rechter spelen liggen op de loer. Er geldt bovendien een ongelijke machtsverhouding. De politieagenten hoeven niet steeds verantwoording af te leggen voor hun blunders en fouten, maar burgers lopen wel het risico opgepakt te worden wegens een uitglijder.

De politie is een organisatie waar een strakke top-down cultuur wenselijk is en waar een individu in diensttijd ondergeschikt is aan zijn publieke rol. Een agent moet op zijn werk niet ?lekker zichzelf zijn?, maar hij moet waakzaam op en dienstbaar zijn aan de waarden van de rechtsstaat. Dat geldt ook voor de digitale werkvloer.
Agent, u twittert zelf ook dom

Bronnen: NRC, Universiteit Tilburg

Handreiking beleid voor de social media rechercheur

Social media sites spelen steeds vaker een rol in de uitvoering van criminele activiteiten. De overheid moet het DNA van social media en de mogelijkheden leren begrijpen, maar ook weten hoe social media tools en middelen kunnen worden gebruikt om criminaliteit te voorkomen, te beperken, in te grijpen en criminele activiteiten op te sporen.

Social media sites zijn bijna onmisbare hulpmiddelen voor burgers, bedrijven en de overheid geworden, maar criminelen weten in toenemende mate ook hoe ze het voor onrechtmatige doeleinden kunnen gebruiken. Social media sites kunnen worden gebruikt om ??crimineel-gerelateerde flash mobs te co?rdineren, een overval te plannen en terroristische groepen maken steeds meer gebruik van sociale media sites om nieuwe leden te werven en criminele plannen tot uitvoer te brengen. Om de informatie die wordt verkregen uit social media bronnen voor opsporing in goede banen te leiden is rechtmatigheid van belang, en daarmee de bescherming van individuen en groepen, waaronder privacy, burgerrechten en burgerlijke vrijheden.

Daarom heeft de IACP (De International Association of Chiefs of Police)een handreiking voor social media beleid gemaakt. Hierin is samengewerkt met het Bureau of Justice Assistance (BJA), het Global Justice Information Sharing Initiative (Global) Advisory Committee (GAC), een Federaal Adviescomite (FAC) en de Criminele Inlichtingen Co?rdinerende Raad (CICC).

Het IACP definieert social media als “een verzameling van op internet gebaseerde middelen die user-generated content en gebruikersparticipatie? integreert. Dit omvat, maar is niet beperkt tot, sociale netwerksites (Facebook, MySpace), microblogging sites (Twitter), foto-en video-sharing sites (Flickr, YouTube), wiki’s (Wikipedia), blogs en nieuwssites (Digg, Reddit). ”

Police badge

Sociale media kan op een aantal manieren worden gebruikt waaronder:

  • Antecedenten onderzoeken
  • Bereik en betrokkenheid in de gemeenschap
  • Noodhulp alerteringen
  • Analyses
  • ?Situational awareness? rapporten
  • Opbouw intelligence
  • Strafrechtelijke onderzoeken

Analyses en situationeel bewustzijn rapportages verstrekken informatie over een bepaald onderwerp dat handhaving en openbare veiligheid ondersteund. Deze beoordelingen kunnen dienen als een graadmeter voor het bepalen van de aard van de criminele activiteit binnen een regio of bepalen of er dreigingen zijn in verband met een op handen zijnde openbaar evenement. Informatie uit sociale media bronnen kan worden gebruikt in analyses die het huidige niveau van criminele activiteiten in kaart brengen. Zo kan een eenheid in Twitter-feeds zoeken naar informatie over bende-gerelateerde activiteiten of in Flickr zoeken naar foto’s van bende-gerelateerde graffiti.

Volgens het IACP richt het document zich op “traditionele” sociale media, waaruit blijkt dat er al een gevestigde orde lijkt te zijn. Hoewel in veel gevallen social media ?informatie openbaar is en beschikbaar gesteld is voor iedereen met internettoegang, mag de overheid alleen gebruik maken van dit soort informatie bij een ?geldig rechtshandhavingsdoel.

De essentie van de social media beleid zou volgens de handreiking daarom moeten bestaan uit:
1. Het gebruik van sociale media middelen moeten in overeenstemming zijn met wetgeving, voorschriften, en andere beleid.
2. Bepalingen die duidelijk aangeven wanneer ?gebruik van sociale media sites of hulpmiddelen is toegestaan ??(evenals gebruik van de informatie uit deze bronnen op grond van de juiste juridische kaders).
3. Definieer de bevoegdheden per niveau die nodig zijn om informatie van sociale media bronnen te gebruiken.
4. Informatie afkomstig uit social media bronnen zal zorgvuldige moeten worden geevalueerd om betrouwbaarheidsniveaus te bepalen (waarbij betrouwbaarheid van de bron en inhoudsvaliditeit wordt meegenomen).
5. Specificeer hoe gedocumenteerd wordt.
6. Identificeer de redenen en het doel (ook voor agenten buiten hun dienst om) als social media-informatie gebruikt wordt in verband met een onderzoek, alsmede hoe en wanneer politie middelen gebruikt kunnen worden voor bepaalde geautoriseerde rechtshandhavingsdoeleinden.
7. Leg procedures vast over hoe intelligence wordt gedeeld en hoe opsporings-producten die verkregen zijn via social media bronnen. Het mag alleen gedeeld worden als “er een legitiem doel” is. ?In het geval van intelligence, mag de informatie niet worden verzameld of bijgehouden, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat om aan te nemen dat het individu is of betrokken kan raken bij crimineel gedrag of – activiteiten en de informatie direct is te relateren aan strafbare gedragingen of activiteiten.

Amerika heeft natuurlijk iets andere wetgeving. In het stuk wordt daarom in het bijzonder ingegaan op het Fourth Amendment. Iedere persoon heeft het recht om vrij te zijn van “onredelijke huiszoekingen en inbeslagnemingen” van hun “personen, huizen en papieren.” Deze zelfde bescherming is ook toe te passen bij het gebruik van sociale media bronnen, zoals het uploaden van foto’s, het plaatsen van berichten, en zichtbare relaties tussen individuen en groepen. Met het toenemende gebruik van technologie en de vrije stroom van informatie op het internet kan het moeilijk zijn om te bepalen wanneer toegang onredelijk zou zijn onder het Vierde Amendement. Het social media beleid zou hierin duidelijk moeten zijn.

De Katz test is hierbij een methode die wordt aangereikt om te bepalen of informatie openbaar of priv? is op social media sites. Deze test is gebaseerd op een Supreme Court case Katz v. United States, 389 US 347 (1967), die privacyverwachtingen en de intentie om informatie priv? te maken adresseert. Deze methode kan helpen in het bepalen of een social media gebruiker van de site bepaalde informatie heeft vrijgegeven met bepaalde privacyverwachtingen die redelijk zouden zijn. Informatie op het internet (via een social media site) waarbij een gebruiker geen moeite heeft gedaan om deze priv?-of verborgen te maken, levert hoogstwaarschijnlijk op dat de informatie dus openbaar is.

Onderstaand plaatje geeft weer hoe richtlijnen onderscheiden kunnen worden voor diverse rollen:

  • Agent in uniform
  • Agent in burger
  • Undercover agent

IACPpolicy

Dan enige jurisprudentie, waarin duidelijk wordt wat het belang is van validatie van informatie die verkregen wordt via social media:

In Griffin v. Maryland, 2011 Md LEXIS 226 (Md 2011), oordeelde het hof dat MySpace-pagina’s ten onrechte werden toegelaten tot het bewijs, omdat ze niet goed geverifieerd waren. De rechtbank gaf wel toe dat de posts op MySpace bij de foto en het profiel behoorden van de vermeende eigenaar van die pagina (die overeenkomstige geboorteplaats en datum hadden als de verdachte). Maar de foto vormden niet voldoende “onderscheidende kenmerken” om het profiel en de postings daarmee onomstotelijk te verifi?ren en toe te kennen aan de verdachte, omdat de mogelijkheid bestond dat iemand anders het profiel kon hebben aangemaakt of toegang had kunnen hebben tot het account. De rechtbank verklaarde daarom dat er verschillende problemen waren bij de verificatie van de gebruikte sociale media sites die verder gaan dan slechts de authenticatie van e-mails, chats via internet, en SMS-berichten. Sommigen bepleitten daarom dat voor goede sociale media authenticatie van de gestelde profieleigenaar er een onderzoek nodig is van de computer van de verdachte waarbij onder andere de browsergeschiedenis, en eventueel het IP-adres, wordt onderzocht om met zekerheid vast te stellen dat de betreffende computer door betreffende persoon is gebruikt om informatie op social media te zetten.

Gebruik van sociale media buiten diensttijd

Bijvoorbeeld, een agent plaatst buiten diensttijd een update op zijn Twitter-pagina. Terwijl hij op Twitter zit, valt hem een trending topic op voor zijn stad waarin gesproken wordt over een overval op een juwelier. Het bureau waar hij werkt kan hierbij middels het social media beleid vereisen dat deze agent dit probleem netjes vermeld, voordat er verdere actie wordt ondernomen, waarbij hij dient te documenteren wat hij gezien heeft, waar, wanneer en welke actie hij heeft ondernomen gebaseerd op die informatie.

En als laatste een inlichtingenofficier die gespecialiseerd is in bende-gerelateerde misdrijven. Hij gebruikt zijn persoonlijke Twitter-account om een expert van een bedrijf te volgen op het gebied van de bende identificatie en trend. Het beleid van de eenheid staat hem toe om op persoonlijke titel actief te zijn op social media, waarbij de officier regelmatig zijn leidinggevende en inlichtingeneenheid informeert van trends zoals die door het bedrijf worden aangereikt en welke gevolgen dit kan hebben in het gebied.

Lees hier het hele document (Engels):

Social media investigative guidance from socialmediadna

En download of bekijk hieronder het beleidstemplate:

Social media policy from socialmediadna

Altijd al een nummer willen zijn? Nu kan dat met Social Number

Social Number is een nieuwe social networking dienst die recentelijk in beta is gelanceerd. Het maakt het mogelijk om slechts een nummer te zijn en volledig anoniem (zie hier hun claim) berichten uit te wisselen, door slechts een nummer aan te nemen. Op deze manier is het grote goed van internet vrijheid weer een nieuwe impuls, daar waar Google en Facebook hardnekkig de real-name policy in de wereld probeerden te brengen. En de internet “oorlog” ?die er op volgde: Nymwars.

Google Plus ziet het liefst (oa voor commerci?le?doeleinden) dat je je echte naam gebruikt en stelt het als volgt:

Google+ makes connecting with people on the web more like connecting with people in the real world. Because of this, it?s important to use your common name so that the people you want to connect with can find you. Your common name is the name your friends, family or coworkers usually call you. For example, if your legal name is Charles Jones Jr. but you normally use Chuck Jones or Junior Jones, any of these would be acceptable.

Uiteraard zijn er voors-en tegens tegen zowel de real-name policy als deze nieuwe social number dienst. Maar nieuw? Het is helemaal niet nieuw, want als je al wat langer sociaal actief bent op internet weet je dat het eigenlijk altijd al zo was. De populariteit van ICQ (spreek uit I Seek You) in Nederland liet ook iedereen met nummer communiceren.

socialnumber

Maar toch, als de trend op internet weer?terugschiet?van namen naar nummers en diensten als social number aan populariteit winnen, heeft dat wel weer de nodige consequenties in de maatschappij. De vrijheid neemt toe, dat is heel mooi, maar het kan op gespannen voet staan met hoe veilig we ons voelen op het net. Het wordt voor een ieder steeds makkelijker gemaakt om anoniem op internet te bewegen, en steeds meer diensten en?technologie?n?maken dit mogelijk. Een online naam zei al weinig over de identiteit van iemand, maar ook IP adressen zeggen steeds minder over de echte identiteit of verblijfplaats van een internetgebruiker (oa vanwege het gebruik van TORnets in eenvoudig verkrijgbare downloadsoftware).

On Social Number, two users could simultaneously be on the social network and be unaware of one another's presence.

Foto: Deze twee gebruikers weten wellicht van elkaar niet dat ze met elkaar praten omdat ze op internet slechts een nummer zijn.

Je kunt online je identiteit proberen te beschermen. Maar sommigen geven er de voorkeur aan om helemaal geen identiteit te hebben. In plaats van een naam of een andere indicator of een miniatuur foto van jezelf, worden gebruikers slechts ge?dentificeerd door een nummer. Op deze manier moedigt de site gebruikers aan om alles, van een vervelende baan tot een taboe debat of een misbruik probleem te kunnen bespreken zonder angst dat het gesprek kan worden verbonden met hun echte identiteit.

“Ik had al langer het gevoel dat er privacy issues zijn met de meeste social networking sites,” zei de maker van SocialNumber, die zijn naam met slechts “M.K.” aangeeft. ?”Ik vond dat als je zocht op ?iemands naam, het op allerlei manieren verschijnt?vari?rend?van Facebook en Twitter en andere vormen … Ik vond dat er een site nodig was waar mensen vrij kunnen praten … en zich geen zorgen hoeven te maken over wie gaat lezen en wat er daarna kan gebeuren. ”
Social Number speelt in op de eerder genoemde langdurige discussie over anonimiteit op het internet. Het speelt in op fenomenen als?online pesten, internet trollen en geruchtenmachines zoals over de Notre Dame football ster Manti Te’O. Aan de ene kant zijn er veel mensen die wijzen op de waarde van online anonimiteit, zoals voor politieke activisten in landen waar de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd, terwijl er aan de andere kant velen zijn die waarschuwen voor de gevaren van anonimiteit.

De controversi?le site 4chan, waar anonieme gebruikers bekend staan om het plaatsen van aanstootgevend materiaal, heeft al langer kenbaar gemaakt dat vanuit hun filosofie “alles kan'”. Sommige apps en sites die gericht op studenten, zoals Bored@Baker en Whisper, moedigen ook aan om anoniem te posten. Met een nieuwe app genaamd Spraffl (met de slogan “The Revolution will not be personalized…”)?kunnen gebruikers anoniem locatie-gebaseerde berichten over lokale gebeurtenissen plaatsen.
Maar de sociale netwerken die gebaseerd zijn op anonimiteit zijn nog steeds zeldzaam, en de gebruikersbase relatief klein. De meesten van ons zien onze online identiteit als een uitbreiding van onze “IRL” identiteit (In Real Life), waarbij veel mensen hun werkelijke identiteit verbergen achter een gebruikersnaam. Maar M.K. stelt dat het gebruik van een uniek nummer de anonimiteitsmantel nog veel veiliger maakt, zodat dit genummerde alias niet gekoppeld kan worden aan de echte identiteit.?Zoals hij CNN vertelde, “een nummer heeft geen verband met wie je bent.”

Politiek, religie en geslacht
Social Number’s community is nog steeds klein: Sinds de offici?le lancering van de site medio december, schat MK zijn ledenaantal op minder dan 10.000, waarbij 50% tot 70% van de gebruikers woonachtig zijn in de Verenigde Staten.?Tot nu toe zijn de meeste onderwerpen al gecentreerd rond politiek, religie en geslacht, vertelt MK verder. Maar volgens hem is er niemand die iets heeft gedaan dat hem ertoe bewoog iets te onderzoeken of een gebruiker te verwijderen.?”Zolang mensen legale dingen doen op de site, is het een vrijheid-van-meningsuiting kwestie,” aldus MK waarbij hij verwijst naar de gebruiksvoorwaarden. (De lange gebruiksvoorwaarden bevatten “algemene verboden” ?die beperkingen opleggen tegen pesten, intimideren of lastigvallen van gebruikers, het plaatsen van berichten die haat zaaien, pornografisch zijn, bedreigend, of anderszins illegaal zijn of illegale activiteiten stimuleren).
De inhoud op Social Number wordt gecontroleerd, maar ook de gebruikers zijn een instrument in het handhavingsproces om elkaar aan te spreken en zaken te melden, geeft MK aan.

Geen brandmerk meer
Social Number gebruikers geven aan het fijn te vinden om openlijk over gevoelige onderwerpen te spreken zonder zorgen over vervreemding of beledigingen.?”Met dit anonimiteitsaspect kan ik eigenlijk alles zeggen dat mijn gedachten plaatsvindt”, zegt Yuri Spiro, een 68-jaar oude uitgever die woont in Californi?. “Met Twitter ben ik een identificeerbaar persoon, en ik wil mezelf zeker niet in een controversi?le situatie brengen ten aanzien van mijn vrienden of kennissen … ze kunnen besluiten om niet meer met me om te gaan. Ik zou Twitter nooit op deze manier gebruiken. “?Simrat Kaur, 38, is het daarmee eens. De software-marketing professional bezoekt Facebook vijf tot tien keer per dag, maar er zijn bepaalde onderwerpen die ze liever aansnijdt op Social Number. Op die manier vermijdt ze moeilijke gesprekken of het vonnis van Facebook vrienden en stelt ze zich open voor nieuwe idee?n.?”Ik krijg meningen (op Facebook) die zeer vergelijkbaar zijn met de mijne. 80 procent van mijn vrienden denken net als ik,” zei ze. “Dus als een sociaal netwerk, zoals Social Number kan me helpen om standpunten te horen die drastisch anders zijn dan de mijne, welke ik anders niet eens in overweging genomen zou hebben.”
Een andere gebruiker met de naam Joni, een 45-jarige grafisch ontwerper die weigerde haar achternaam te geven, zei dat ze houdt van “het idee van anonimiteit, het in staat zijn om politieke meningen te uiten zonder dat je gebrandmerkt wordt. ” Joni zei dat ze niets plaatst dat niet gezien zou mogen worden. In plaats daarvan, maakt de anonimiteit het haar mogelijk ?om meer gepassioneerd te zijn in haar standpunten.?”. Op Facebook zou ik onderwerpen als een baan of vrouwendingen, zoals misschien een dieet of kapsels, veel lichtvoetiger bespreken, het is niet te vergelijken,” zegt ze. Wanneer ze opinies over politiek of actuele gebeurtenissen op Facebook zet reageren veel van haar vrienden “Joni, ik wist niet dat je er zo over dacht.”
“In plaats daarvan is het veel beter en leuker om volledig anoniem je punt te kunnen maken,” zegt ze.

“Ik denk dat dat gaat gebeuren. Je zult zien dat de meeste gebruikers nog steeds hun open sociale media accounts (zoals Facebook of Twitter) gebruiken, en daarnaast een account aanmaken op Social Number,” zei hij. “Het is als een tweede leven. Je wilt een plek hebben om naartoe te kunnen gaan waar niemand je kent.”

Bronnen: CNN