Tagarchief: erasmus

Predictive Policing: te vroeg, te snel of precies op tijd?

pp1

Onderstaand onderzoek naar de invloed van de fasen van technologie?n op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie is gedaan door Melissa Kont,?Erasmus Universiteit Rotterdam.

In dit onderzoek is onderzocht of predictive policing zich bevindt in de laatste fase van technologische ontwikkelingen. Filosoof, Alan Drengson, stelt dat technologische ontwikkelingen bepaalde fasen doormaken en dat de menselijke houding tegenover technologie, de fasen onderscheidt. De theorie stelt dat de laatste fase, appropiate technology, leidt tot succesvolle implementatie van technologie?n. Mocht predictive policing zich in deze fase bevinden, dan zou dat kunnen leiden tot een versterkend effect op de Advocacy Coalition Framework van Sabatier en Smith. In dit onderzoek zou dat betekenen dat predictive policing een versterkend effect heeft op advocacy coalities, die betrokken zijn bij predictive policing, invloed uitoefenen op beleidsvorming bij de Nationale Politie. Hiertoe is een documentenonderzoek uitgevoerd en zijn interviews afgenomen met de politie en betrokken actoren. Uit de voortgekomen data blijkt dat predictive policing zich niet in de fase van appropiate technology bevindt. Hierdoor is er geen sprake van een versterkend effect van advocacy coalities op beleidsvorming bij de politie. De betrokken actoren spreken van verschillende voordelen en mogelijkheden rondom predictive policing, maar niet van een systeem dat de menselijke ontwikkeling kan bevorderen en een onmisbaar systeem is in de samenleving. Om vast te stellen in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt, vereist vervolgonderzoek.

Hoofdstuk 1: Probleemstelling

1.1.De glazen bol van de politie

?De organisatieontwikkeling bij de politie is een beetje als surfen. Soms is het even wachten op de juiste golf. In sommige coalities zijn die golven klein en is het surfen niet spectaculair. Maar die juiste golf waar op gewacht wordt komt, en dan wordt ervoor gegaan. Dat is niet eenvoudig, maar al die andere, kleine golfjes in de windstille periodes hebben de organisaties gelouterd. Nu staat het getij, de wind en de stroming goed? (Spelier, 2011).

Henk Pethke, senior-adviseur Ministerie Veiligheid en Justitie, doet deze uitspraak op 08 april 2011 over de ontwikkeling van de reorganisatie bij de politie (Spelier, 2011). De politie staat in de huidige, steeds verder globaliserende, informatiesamenleving voor een grote uitdaging. Sinds de invoering van de reorganisatie, kampt de Nationale Politie met moeilijkheden om het nieuwe beleid succesvol uit te voeren. Daarnaast is er sprake van financi?le druk bij de politie; de effectiviteit moet omhoog (Jonker, 2015). De politie moet meer zien te realiseren met dezelfde middelen. Ook zijn er nieuwe vormen van criminaliteit ontstaan door ontwikkeling van nieuwe technologie?n. Criminelen weten elkaar digitaal makkelijker te vinden en kunnen in groten getale criminele activiteiten uitvoeren (Prins, 2004). De aanslagen in Parijs en Brussel zijn hier een treurend voorbeeld van.

?L? o? il n’y a pas de gendarmes, une certaine race d’honn?tes gens est capable de tout.? (Mauriac, 1968). Vertaalt stelt Frans schrijver en Nobelprijswinnaar Mauriac dat waar geen politie is, een bepaald slag ?nette mensen? tot alles in staat is.

Mocht de uitspraak van Francois Mauriac juist zijn, dan is het de vraag of de politie door alle bezuinigingen en nieuwe vormen van criminaliteit wel is opgewassen tegen de huidige criminelen. Nieuwe vormen van criminaliteit vragen om nieuwe vormen van aanpak in de huidige informatiesamenleving. Als altijd en overal aanwezig door de bezuinigingen niet realistisch is, is altijd op de juiste locatie dat dan wel; is criminaliteit voorspelbaar?

Het bepalen waar en wanneer politie inzet ertoe doet is het terrein van predictive policing. Dit wordt bepaald aan de hand van statistische voorspellingen om te kunnen anticiperen op criminele incidenten. De informatie die resulteert vanuit de statistische voorspellingen, kan misdaad voorkomen of de heterdaadkracht vergroten, dat is gebaseerd op harde feiten afkomstig uit data analyses (Noort, 2016). Een voorwaarde voor het succesvol kunnen inzetten van predictive policing is dat gegevens over criminele activiteiten ontgrendeld worden in een datawarehouse, en dat andere data hieraan gekoppeld kunnen worden (Doeleman, 2014).

Momenteel wordt het Criminaliteits Anticipatie Systeem ingezet om criminaliteit te voorspellen en de politie inzet erop te baseren. De toegepaste technologie kan leiden tot verandering in beleid bij de politie. Zo zou succesvolle resultaten van CAS kunnen leiden tot uitbreiding van het systeem naar meerdere Nederlandse steden (Rienks, 2015). Om tot beleidsvorming rondom predictive policing te kunnen komen, moeten verschillende betrokken actoren tot een gezamenlijk besluit komen. In dit onderzoek zal onderzocht worden welke actoren betrokken zijn bij dit proces en wat de invloed is van deze actoren op beleidsvorming. Daarbij wordt onderzocht wat de invloed is van predictive policing op de invloed van de betrokken actoren. Als predictive policing uitgebreid wordt naar andere steden in Nederland, is het van grote waarde om te weten welke actoren die uitbreiding kunnen voorkomen of ondersteunen. Het is daarom interessant onderzoek te doen naar de invloed van predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie.

Doelstelling in dit onderzoek is:

Het toetsen van de theorie over de fasen van technologie op predictive policing door interviews en bureauonderzoek bij betrokken actoren.

Vraagstelling in het onderzoek is:

Wat is de invloed van de fasen van technologie op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie?

1.2.Relevantie

Predictive policing is ontstaan door de politie in Los Angeles. De succesvolle resultaten hebben geleid tot uitbreiding naar andere steden en landen. Er is al veel onderzoek gedaan naar de toepassing van dit nieuwe systeem en de voordelen ervan. Echter, betreft dit onderzoek een toetsing door gebruik te maken van al bestaande theorie over technologie. Er is nog geen wetenschappelijke literatuur bekend over de toetsing van de theorie van Drengson op predictive policing. Veelal baseert literatuur over predictive policing zich op de invloed ervan op criminaliteit. Dit onderzoek is wetenschappelijk relevant, omdat het een basis betreft om te kijken of predictive policing zich in de juiste ontwikkelingsfase bevindt van technologie?n. De resultaten kunnen een basis vormen voor verdere wetenschappelijk onderzoek.

Daarnaast is dit onderzoek maatschappelijk relevant, omdat wordt onderzocht in welke fase van technologie predictive policing zich bevindt. Hierdoor kan gekeken of predictive policing wel past in de huidige maatschappij. Predictive policing staat in lijn met het alom bekende dilemma van de rechtstaat: aan de ene kant wil de burger zich zo veilig mogelijk voelen, maar aan de andere kant daar zo weinig mogelijk privacy voor opgeven. Daarom wordt onderzocht of de samenleving klaar is voor dit systeem. Ook biedt predicitive policing kansen voor een veiligere samenleving en kan de effectiviteit van de politie vergoot worden. Dit is een belangrijke kans in tijden van financi?le druk; er kan immers meer met minder worden gerealiseerd.

1.3.????? Structuur

Het onderzoek bestaat uit vijf hoofdstukken, waarbij in het laatste hoofdstuk de hoofdvraag wordt beantwoord. Hiertoe zal in hoofdstuk twee alle gebruikte theorie?n voor het onderzoek worden toegelicht. Het theoretisch kader wordt vervolgens gebruikt om in hoofdstuk drie het conceptueel model te schetsen. De verwachtingen van het onderzoek zullen worden besproken aan de hand van het conceptueel model. Vervolgens zal in hoofdstuk drie, de operationalisatie plaatsvinden. De variabelen zullen in dit gedeelte van het onderzoek meetbaar worden gemaakt aan de hand van indicatoren in het codeerschema. Daarnaast wordt in hoofdstuk drie de methodologie besproken waarbij belangrijke keuzes omtrent het onderzoek worden toegelicht. In hoofdstuk vier worden de resultaten gepresenteerd waaruit vervolgens de analyse volgt in hoofdstuk vijf. Tot slot wordt in hoofdstuk zes aan de hand van de conclusie antwoord gegeven op de hoofdvraag en zal de discussie een kritische reflectie schetsen op het onderzoek.?

pp5

Hoofdstuk 2: Theoretisch Kader
Om in kaart te brengen welke theorie al bestaat omtrent de opgestelde probleemstelling, zullen een aantal theorie?n worden toegelicht. Deze theorie?n zijn zo gekozen om een sterke ondersteuning mogelijk te maken voor het onderzoek.

Het begrip technologie zal allereerst met de theorie van Val Dusek?(Dusek, 2006) worden toegelicht aan de hand van drie karakteristieken over technologie. Vervolgens volgt de theorie van Alan Drengson (Drengson, 1982) waarin vier fasen over technologische ontwikkeling worden toegelicht. Hierin is het meest kenmerkende onderscheid de menselijke houding tegenover technologie. Om beleidsvorming toe te kunnen lichten zal gebruik worden gemaakt The Advocacy Coalition Framework van Sabatier en Smith (Sabatier, 2014).

2.1.????? Val Dusek
Val Dusek noemt drie karakteristieken om technologie te omschrijven, namelijk technologie als hardware, technologie als regels en technologie als systeem. De drie karakteristieken zullen hieronder worden toegelicht:

  • Technology as hardware bevat alle technologie als machines en gereedschap. Hierbij kan gedacht worden aan computers, energiecentrales en fabrieken. Technologie als hardware is concreet en grijpbaar, het is om ons heen (Dusek, 2006).
  • Technology as rules wordt door Jacques Ellul, Frans filosoof en socioloog, omschreven als organisatorische methodes, managementtechnieken en het denken op een mechanistische wijze (Ellul, 1964). Hierbij wordt technologie beschreven als regels in plaats van grijpbare middelen (Dusek, 2006).
  • Technology as system houdt in dat technologie moet dienen als technologisch middel om het begrip technologie eraan toe te schrijven. Zo zijn technologische middelen die honderden jaren geleden werden gebruikt als technologie, maar nu enkel dienen als museumstukken om te bezichtigen, niet als technologie. Binnen technology as system is een samenleving van gebruikers, onderhouders en reparateurs van technologie dan ook een vereiste. Technologie moet immers onderhouden worden om de oorspronkelijke doel te kunnen realiseren (Dusek, 2006).

Dusek licht drie karakteristieken van technologie toe om het begrip technologie te omschrijven. Alan Drengson neemt deze karakteristieken op in zijn theorie. Hierin maakt hij onderscheid in verschillende fasen van technologie, waarin ook de drie karakteristieken van Dusek zijn opgenomen.

2.2.????? Alan Drengson
Alan Drengson beschrijft vier stages van technologie (Drengson, 1982) welke hieronder zullen worden toegelicht:

  1. Technological anarchy houdt in dat technologie en technologische kennis enkel dienen als instrumenten en nagestreefd moeten worden om macht en welvaart te realiseren en om de natuur te kunnen temmen. Technologie dient hierbij als middel en moet ingezet worden waar mogelijk om de doelen na te kunnen streven (Drengson, 1982). De overheid behoort een kleine rol te spelen en zou technologische ontwikkelingen de vrijheid moeten geven om plaats te vinden. Alleen de marktsector bepaalt welke technologie?n blijven bestaan (Drengson, 1982). Technologie krijgt in deze fase zekere autonome kenmerken op een grote schaal. Technologie, oorspronkelijk bedoeld om bepaalde wensen en doelen na te streven, wordt in dit proces een doel op zichzelf. Technolgische anarchie verliest in dit proces haar machtspositie en maakt hierdoor de weg vrij voor technophilia, een structuur met technocratische kenmerken (Drengson, 1982).
  2. Technophilia is de liefde voor technologie, waarbij mensen verliefd worden op hun eigen mechanische kennis, op hun technieken en trucs en de technische apparatuur en processen (Drengson, 1982). Drengson beschrijft technophilia als volgt:

?It is like the love of adolescence (Drengson, 1982).? De producten van technologie worden niet meer enkel gebruikt als productieve instrumenten, maar ook als speelgoed van de mens; technologie wordt een spel van het leven. Als gevolg hiervan, heeft technologie de neiging om de mens te controleren, aangezien de mens niet in staat is om zichzelf van technologie te distanti?ren. De mens kan niet objectief kijken naar technologie (Drengson, 1982). De liefde voor technologie verandert in dit proces naar het streven van technologie in alle vormen van het alledaagse leven, zoals onderwijs, overheid, zorg en seks. In dit geval wordt gesproken van technocratie, aangezien technologie nu een regerende kracht is, waarbij het in de samenleving louter draait om mechanisme (Drengson, 1982).

  1. Technophobia ontstaat wanneer men zich realiseert dat alleen mensen en menselijke waarden de gevaren van technologie kan tegenhouden. Een reactie hierop is dat technophobia tracht om het menselijk leven van alle technologie te ontdoen (Drengson, 1982). Er heerst een onbewust verlangen om terug te keren naar de menselijke controle over technologie, complexe technologie?n worden wantrouwt te en een ?do-it-yourself? houding tegenover technologie is ontstaan (Drengson, 1982). Uiteindelijk is het doel van deze fase om technologie?n op grote schaal te be?indigen en technologie opnieuw onder menselijke controle te houden. De fase technophobia zet de basis voor de volgende fase.

Hoewel in de eerste fase werd gedacht dat maximale ontwikkeling van technologie het leven gemakkelijker zou maken, is onvoldoende rekening gehouden met de innovatie en planning van de technologie. Dit werd namelijk vaak gedaan door personeel dat onvoldoende begrip had van verantwoordelijkheid over complexe en machtige technologie?n. Of omdat personeel in situaties werd gebracht waarbij verantwoordelijkheid uitdragen in moeilijkheden werd gebracht (Drengson, 1982). Hierdoor wordt in de fase van technophobia de autonomie van de mens boven technologische autonomie geplaatst. In de fase van technophobia is het een vereiste de relatie tussen technologie en mens te begrijpen (Drengson, 1982). Vanuit dit gezichtspunt kan technophobia worden gezien als een van de fases, waarin groei inhoudt dat men zich bewust wordt van het gebruik van technologie op een reflectieve, kritische wijze (Drengson, 1982).

  1. Appropiate technology is de laatste fase van technologische ontwikkeling. Deze fase omvat een rijpingsproces van de wederzijdse relatie tussen technologie, mens en wereld. Appropiate technology vereist dat men nadenkt over eigen doelen en waarden, voordat men zich inzet voor de ontwikkeling van nieuwe technologie?n, of zelfs voor de voortzetting en het gebruik van bepaalde oudere technologie?n (Drengson, 1982). In de fase van appropiate technology wordt men steeds beter in het beheersen van technologie als instrument, om eigen doeleinden te bereiken. In deze fase behoren technologie?n volgens Drengson (1982) aan bepaalde eisen te voldoen. Allereerst moet er behoud van diversiteit zijn. Ten tweede moeten technologie?n goedaardige interactie tussen mensen, hun machines en de biosfeer promoten. Tot slot, moet de menselijke ontwikkeling bevorderd worden door het gebruik van technologie, technologie is in deze fase een onmisbaar systeem. Wanneer wordt voldaan aan de bovengenoemde vereisten, worden de technologische processen een leven verbeterend deel van een significante reeks van waarden. Arbeid wordt in dit geval zinvol werk, waarbij technologie wordt ontworpen om individuele personen, ecologische integriteit en culturele gezondheid te verbeteren (Drengson, 1982).

Volgens Drengson (1982) is appropiate technology de meest complete fase, aangezien meer relevante waarden worden aangehaald. Ook brengt deze fase het object en subject samen in een verantwoordelijke, wederzijdse interactie. In deze fase is er de mogelijkheid tot verdere technologische ontwikkeling, op een manier dat de negatieve gevolgen van de moderne geschiedenis van de mensheid kan oplossen (Drengson, 1982). Daarnaast brengt approtiate technology volgens Dengson (1982), technologie dichterbij. De meeste systemen zijn te centraal volgens Drengson (1982), door appropiate technology kan technologie veel meer toegepast worden op een lokaal probleem of situatie.

Dusek en Drengson zijn van belangrijke waarde geweest in theorie over technologie. De theorie van Sabatier en Smith wat hieronder zal worden toegelicht, is een theorie over beleidsvorming wat van groot belang is in de publieke sector.

2.3.????? Sabatier & Smith

Advocacy Coalition Framework is een beleidsvorming model, gebaseerd op het gebruik van diverse instrumenten door concurrerende coalities binnen een beleidssubsysteem (Cairney, 2013). Tijdens dit proces spelen externe actoren een belangrijkere rol dan interne actoren, doordat de externe actoren meer invloed hebben op het beleidsvorming proces. Het model is afkomstig van Sabatier en Smith en volgens het model is beleidsevolutie het product van verschillende coalities om juridische en politieke instrumenten in te zetten om doelen te bereiken en om tot een gewenst beleid te komen (Sabatier, 2014).

Binnen het ACF beleidsmodel is het van belang de belangrijkste concepten van het model te beschrijven om tot een beleidsproces te kunnen komen. Een eerste concept is ?advocacy coalitions?. Dit zijn coalities bestaande uit hele diverse leden met verschillende functies die een gezamenlijk doel willen bereiken binnen het politiek systeem?(Sabtier, 2007). Leden kunnen journalisten of onderzoekers zijn, maar ook vakbonden, ambtenaren of belangenorganisaties. Daarnaast spelen de belangen van de coalities een belangrijke rol binnen het proces, doordat deze belangen diep geworteld zijn binnen de leden van de coalitie. Ieder coalitie binnen het politiek systeem wil de eigen belangen vertalen in beleid en gelijke belangen tussen coalities zorgt ervoor dat er samenwerking plaatsvindt. Om overtuiging van de eigen standpunten te realiseren worden politieke instrumenten en sturende mechanismen ingezet (Cairney, 2013). Voorbeelden hiervan zijn publicaties van evaluatierapporten, technische informatie dat wordt gepolitiseerd, wijziging in wetgeving of participatie in agentschappen. De instrumenten worden bewust en rationeel ingezet door coalities om de eigen belangen te realiseren in subsystemen?(Cairney, 2013) .Subsystemen zijn issue-specifieke netwerken en zijn actief in de regering omdat verkozen ambtenaren verantwoordelijkheid over beleidsvorming overdragen aan bureaucraten, die op hun beurt, regelmatig overleggen met leden van advocacy coalitions zoals belangengroepen. Hierdoor stelt ACF dat externe actoren meer invloed uitoefenen op politieke kwesties dan interne actoren binnen het politiek systeem. Hieronder vallen ook veranderingen in de omgeving zoals veranderingen in de publieke opinie en veranderingen in sociaaleconomische condities (Sabtier, 2007).

m1

Zoals bovenstaand schema toont ontstaat beleid volgens Sabatier doordat coalities, eigen waarden en instrumenten omzetten naar strategie?n. Deze strategie?n be?nvloeden keuzes die gemaakt worden door beleidsmakers. De veranderingen in het beleidsproces komt volgens ACF tot stand, doordat advocacy coalitions invloed uitoefenen op beleid (Sabtier, 2007). Volgens het ACF is bijna altijd sprake van een dominante coalitie die de meeste instrumenten en sturingsmechanismen in bezit heeft. Externe veranderingen kunnen openingen bieden voor coalities om beleidsveranderingen door te duwen in het subsysteem, aangezien actoren dan eerder geneigd zullen zijn om de eigen beleidsvisie aan te passen. Bemiddeling tussen coalities om tot nieuw beleid te komen versoepelt in dit geval. De overheid kan de bemiddelde strategie overnemen, waardoor een beleidsverandering in werking treedt (Sabtier, 2007).

Hoofdstuk 3: Operationalisatie, onderzoeksontwerp en methodologische verantwoording
Om tot een succesvolle analyse te komen van de invloed van de fasen van technologie voor predictive policing op veranderingen van beleidsvorming bij de Nationale Politie zal in dit hoofdstuk allereerst het conceptueel model worden getoond. In dit model worden de variabelen in vereenvoudigde vorm geschetst. Daarnaast blijkt uit dit model wat de verwachte uitkomsten zijn. Vervolgens zullen de variabelen in het conceptueel model meetbaar worden gemaakt, door deze te operationaliseren. Ook zal de strategie van het onderzoek en de methodes die hiertoe worden toegepast, worden beschreven. Tot slot zal beargumenteerd worden in hoeverre dit onderzoek valide en betrouwbaar is.

3.2. ? ? ?Conceptueel model

m2

Bovenstaand conceptueel model toont de concepten die onderzocht zullen worden binnen dit onderzoek. Daarnaast worden verwachte richtingen getoond in het model. De verwachtingen zijn:

Advocacy coalities zoals beschreven in de theorie van Sabatier hebben veel invloed op beleidsvorming. In dit onderzoek is de verwachting dat advocacy coalities invloed uitoefenen op beleidsvorming. De verwachte invloed is sterker wanneer predicitive polcicing zich bevindt in de fase van approtiate technology. Drensgon stelt namelijk dat de fase appropiate technology de beste fase is om technologische ontwikkelingen toe te passen in de samenleving, omdat in deze fase de meeste acceptatie aanwezig is voor technologie. Hierdoor heeft de variabel approtiate technology een medi?rend effect op beleidsvorming.

De verwachting van dit onderzoek volgens de toegelichte theorie?n is:

De invloed van advocacy coalities die predicitive policing nastreven op beleidsvorming, is groter wanneer de fase van appropiate technology van toepassing is op predicitive policing.

 

3.2.????? Operationalisatie
De variabelen in het conceptueel model zullen worden geoperationaliseerd aan de hand van het operationalisatieschema. In dit schema worden de variabelen weergegeven en als subcode worden meetbare indicatoren gepresenteerd. Daarnaast is gebruik gemaakt van subsubcodes, waardoor een variabel verder kan worden gespecifieerd.

m3

3.3. ? ? ?Strategie

In dit onderzoek is gekozen voor het gebruik van kwalitatief onderzoek. Om de hoofdvraag te beantwoorden is namelijk kennis vereist over verschillende inzichten. Daarnaast zijn de uitkomsten van de hoofdvraag minder goed te voorspellen, vergeleken met kwantitatief onderzoek. Er is ook geen sprake van cijfers, waardoor de data ook niet statistisch verwerkt kan worden, wat wel gebeurt bij kwantitatief onderzoek (Doorewaard, 2015).

Tijdens dit onderzoek is er sprake van een deductieve nadruk. In het onderzoek wordt immers empirie getoetst aan wetenschappelijke theorie, waarbij van theorie naar data wordt gewerkt. Daarnaast worden de belangrijkste concepten in de theorie geoperationaliseerd om de betrouwbaarheid en validiteit te garanderen (Doorewaard, 2015).

Het onderzoek betreft een enkelvoudige casestudy, waarbij getracht wordt om diepgaand inzicht te verkrijgen in predictive policing bij de Nationale Politie door middel van methodentriangulatie. Er is sprake van een smal domein, er zullen acht individuele interviews worden afgenomen bij de Nationale politie en betrokken actoren. De respondenten zijn werkzaam bij de politie en zijn selectief gekozen om verschillende inzichten mogelijk te maken, ofwel een strategische steekproef (Doorewaard, 2015). Doordat het afnemen van acht interviews met belangrijke sleutelfiguren bij politie-eenheden niet werd toegestaan door de communicatieafdeling van de Nationale Politie, vanwege de drukte door de reorganisatie en kwesties bij de politie rondom publicaties met gevoelige informatie, is gekozen om vijf interviews af te nemen met betrokken actoren. Hierbij is gekozen voor TNO en Risbo vanwege de kennis over technologie?n, die worden ingezet bij de politie en vanwege kennis over samenwerkingen. Daarnaast is ook gekozen voor een interview met een ICT-jurist vanwege de juridische aspecten rondom predictive policing.

De interviews zijn semi-gestructureerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van een vragenlijst dat flexibel wordt gehanteerd. Het is de bedoeling om de respondent zoveel mogelijk aan het woord te laten en als interviewer enkel te sturen in het gesprek, wanneer te veel van de vragenlijst wordt afgeweken. Op basis van de operationalisering zijn interviewvragen en ?topics opgesteld en zijn te raadplegen in bijlage 8.1. Daarnaast zal een bureauonderzoek worden uitgevoerd, wat bestaat uit het boek Predictive policing: kansen voor een veiligere toekomst (Rienks, 2015) en de publicatie van het Inrichtingsplan Nationale Politie (Justitie, 2012) en mogelijk andere relevante literatuur. Rutger Rienks is zelf werkzaam als intelligenceprofessional bij de politie en geeft weer welke kansen en mogelijkheden de auteur ziet omtrent predictive policing. In het Inrichtingsplan van de Nationale Politie gebruikt (Justitie, 2012) wordt beleidsvorming bij de Nationale Politie beschreven en verschillende samenwerkingen met hun doelen beschreven.

  • Validiteit en betrouwbaarheid

Om de kwaliteit van het onderzoek te meten wordt gebruik gemaakt van de indicatoren validiteit en betrouwbaarheid. De validiteit wordt onderverdeeld in interne validiteit en externe validiteit. Vervolgens wordt de betrouwbaarheid van dit onderzoek beoordeeld.

De interne validiteit meet of er wordt gemeten wat gemeten wilt worden. In dit onderzoek wordt voldaan aan de interne validiteit, omdat alle stappen in het onderzoek op elkaar zijn gebaseerd. De belangrijkste concepten in het theoretisch kader leidt tot het conceptueel model. Vervolgens worden de variabelen in het conceptueel model geoperationaliseerd, waaruit de interviewvragen worden opgesteld. De data afkomstig van de interviews, leiden mede tot een antwoord op de hoofdvraag.

De externe validiteit meet of de uitkomsten uit het onderzoek generaliseerbaar zijn over andere organisaties, dan wel andere sectoren. Dit onderzoek betreft een casestudy waarbij wordt getracht diepgaand informatie te verkrijgen over de Nationale politie. De verkregen informatie is daarom niet te betrekken op andere organisaties. De resultaten zijn gebaseerd op data verkregen van de Nationale Politie en betrokken actoren en daarom zijn de resultaten enkel te betrekken op politie in Nederland. Predictive policing wordt in iedere samenleving anders, of niet uitgevoerd. De resultaten zijn daarom niet extern valide.

De betrouwbaarheid meet of dezelfde resultaten verkregen worden, wanneer hetzelfde onderzoek opnieuw wordt uitgevoerd. De betrouwbaarheid is in dit onderzoek gering. Immers worden medewerkers ge?nterviewd en kunnen medewerkers na verloop van tijd van mening veranderen. Ook kunnen ontwikkelingen omtrent predictive policing optreden waardoor het beeld van predictive policing verandert. Om de betrouwbaarheid toch te kunnen waarborgen, worden twee soorten methoden van onderzoek toegepast. Hierdoor wordt uit meerdere bronnen data verkregen, namelijk documenten over predictive policing.

pp3

Hoofdstuk 4: Context en Bevindingen
In dit deel van het onderzoek worden de bevindingen uit het onderzoek gepresenteerd. Allereerst zal er een context beschrijving plaatsvinden en vervolgens zullen de resultaten verkregen uit interviews worden besproken.

4.1.????? Context
Predictive policing is de toepassing van verschillende analytische technieken, met name kwantitatieve technieken om risico?s van criminele activiteiten te kunnen bepalen en criminele activiteiten te kunnen voorkomen door het doen van statistische voorspellingen. De term is in 2008 geintroduceerd door politiechef William Bratton van de Los Angeles Police Department (Perry, 2013, p.1). Inmiddels zijn er vele ontwikkelingen geweest rondom de voorspellingstool. In Amsterdam wordt het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) gebruikt om High Impact Crimes mee te voorspellen. Onder High Impact Crimes vallen woninginbraak, straatroof en overvallen (De Vries, 2016). CAS doet voorspellingen op basis van criminaliteitsgegevens, maar ook andere variabelen, zoals de dichtstbijzijnde snelwegenoprit en bekende criminele bedrijven in het gebied, worden gebruikt als input voor de voorspelling (Rienks, 2015, p.23). Daarnaast worden in vier grote steden in Nederland pilots uitgerold, waarbij predictive policing systemen worden gebruikt bij de politie. Het predictive policing model kan een goede duiding kan geven van het risico, maar ook maatregelen voorstellen om deze risico?s zo goed en effici?nt mogelijk te neutraliseren. De komst van predictive policing zou de ?pre-recherche? introduceren, waarbij niet wordt gericht op waarheidsvinding, maar op waarheidsvinding in de toekomst (Rienks, 2015, p.24).

De reorganisatie van de Nationale Politie heeft ertoe geleid dat de politie voor grote problemen is komen te staan?(Lieshout, 2014). In het Inrichtingsplan van de Nationale Politie wordt verwezen naar het doel van de Nationale Politie; bijdragen aan een veiliger samenleving. Hiertoe zijn strategische doelen opgesteld waarbij samenwerking met interne partijen, maar ook met externe partijen van groot belang is, om de doelen te realiseren (Justitie, 2012). In het plan wordt gesproken van samenwerkingen met de gemeente, burgers en politieacademie maar ook van internationale samenwerkingen. Rienks (2015) sluit aan op de voordelen van samenwerkingen door te stellen dat criminaliteit verandert en de ingevoerde data dus moet mee veranderen om de voorspelling up-to-date te houden. Zoveel mogelijk data zou de voorspelling sterker kunnen maken qua impact. Samenerkingen op verschillende gebieden, met verschillende actoren kan dus een grote bijdrage leveren aan predictive policing. Door het volgen van soortgelijke delicten zouden er ook geografische patronen kunnen ontstaan, waaruit verwachtingen kunnen worden afgeleid over een eventueel volgend delict (Rienks, 2015, p.64). Een uitdaging is hierbij het interpreteren van data naar concrete beleidsstappen.

Juridische aspecten om de bevoegdheden van de politie te garanderen zijn vastgelegd in wetten, zoals de Wet Politie Gegevens, die bepaalde vormen van verwerking en verstrekking van politiegegevens mogelijk maakt en hierover waarden en condities vaststelt. Rienks (2015, p.79) stelt het volgende over inbeslagname van gegevens in juridische zin:

?De inbeslagname van gegevens in juridische zin is trouwens nog een lastig geval. Want volgens artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering zijn alleen voorwerpen (onder andere die de ?waarheid aan de dag kunnen brengen?) vatbaar voor inbeslagname. Een gegeven is in deze context geen voorwerp. Gegevens zijn een abstract begrip. Gegevensdragers kunnen daarentegen wel in beslag worden genomen. Dus bij het vermoeden dat de gegevens, vastgelegd op een gegevensdrager, kunnen worden gebruikt voor waarheidsvinding, is slechts deze drager vatbaar voor inbeslagname.

?4.2.???? Bevindingen interviews

Om een helder overzicht te bieden van de bevindingen, zullen per actor de bevindingen worden gepresenteerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de actor politie en onderzoeksinstelling TNO, Risbo en een ICT-jurist als actor.

De medewerkers van de politie zijn te spreken over de voordelen van predictive policing. Het programma CAS zou volgens de innovatiemakelaar ertoe kunnen leiden dat politie inzet wordt gebaseerd op het programma en dit op een effectieve en effici?nte wijze kan gebeuren. De generalist spreekt ook van voordelen voor capaciteitsmanagement. De projectleider zegt hierover kort:

?Ja de voordelen zijn denk ik dat je anders dan gebaseerd op trends, intelligenter met je informatie omgaat.?

De projectleider voegt hier wel aan toe dat tijdens de pilot, dat de echte concrete voorspelling redelijk laat werd gedaan door het programma CAS. De aard van de interventie naar aanleiding van het predictive signaal, wordt daardoor moeilijk om op aan te passen. Daarnaast spreekt de innovatiemakelaar van bepaalde aannames intern bij de politie:

?Dus je kunt bij wijze van spreken uitrekenen waar en wanneer het zal plaatsvinden. Dat is best een gek idee voor politiemensen die uit de praktijk komen. En zeggen: ?Ja het is toch een beetje je instinct want je kijkt naar de omgeving en je denkt dit is mogelijk en dat niet.? Dus die eigen subjectieve invulling maakt ook wel dat ze het lastig vinden om te doorleven, om te denken, ja misschien zit er wel een systeem in, misschien zit er wel een patroon in.??

Ook de andere medewerkers spreken hierover, en stellen dat dit ook voor een deel uit onwetendheid komt. Zo stelt de projectleider dat in de beginfase van de pilot in Hoorn de medewerkers nogal sceptisch waren over de voorspellingen, omdat de variabelen waarmee werd gewerkt, nog onbekend waren. Over andere actoren, betrokken bij predictive policing, stelt de innovatiemakelaar dat het heel goed mogelijk is dat er andere belangen invloed uitoefenen op de samenwerking:

?Een gemeente heeft naast veiligheid natuurlijk ook leefbaarheid. Die moeten ook hun budget rondkrijgen dus die willen ook dingen doen waarvan politie zegt: ?Hey dat vraagt best wel veel inzet van ons voor de veiligheid.? Belangen zijn niet altijd helemaal gelijk. Er kan dan weleens gebeuren dat de gemeente zegt: ?Ik zie hier dat een tool een bepaalde verhoogde onveiligheid voorspelt, maar ik ga het toch doen, want ik wil mijn gemeente die kermis gunnen of die feestweek.??

De projectleider is het hier volkomen mee eens, en voegt eraan toe dat de beste resultaten wellicht ook behaald kunnen worden als het samen wordt gedaan met de gemeente, besturing, handhavers, maar misschien ook wel nog meer als de maatschappij er ook bij wordt betrokken. De innovatiemakelaar bespreekt tevens een ander voordeel van predicitive policing en stelt dat predictive policing niet een totaal nieuw systeem is:

?We weten niet tot op huishoudniveau hoe het zit met de beveiliging, sloten en honden. Dat weten we gelukkig niet, dat hoeft ook helemaal niet. Maar we weten wel: waar zijn de mensen gemiddeld wel thuis en waar zijn ze gemiddeld niet thuis overdag? Maar dat weet een inbreker ook als hij vier keer op een dag rondfietst door een wijk. Zo doen ze die dingen. Predictive policing is dus niet nieuw in die zin, maar het systematisch onderbouwen met data wat we nu op grote schaal kunnen verzamelen en die combineren en naast elkaar leggen. Ja, voor een deel zeggen mensen ja ik herken dit van mijn onderbuik gevoel maar dat is niet overal waar. Want er zijn ook mythes in de criminaliteitsbestrijding en die kunnen we nu mooi ontkrachten.?

Het onderbuik gevoel wordt ook besproken door de andere medewerkers. Er wordt door alle politiemedewerkers veel waarde gehecht aan de inzichten van ervaren agenten. Volgens de generalist, wordt hier zelfs onvoldoende aandacht aan besteedt. De projectleider zegt het volgende erover:

?Wat we gezien hebben bij die pilots van CAS wel hebben gezien dat het wel heel belangrijk is om al die verschillende bronnen van informatie, van onderbuik gevoel tot gewoon de klassieke manier van hotspots, die trendanalyses, te bundelen met de informatie die CAS oplevert. Maar je niet verlaten op 1 bron, dus als in we hebben nu CAS dus we gaan nu alleen daarmee plannen. Ten eerste, stuit je dan ook echt op weerstand, want mensen zeggen dan krijg je: ?Mijn gevoel zegt wat anders en ik vertrouw mijn gevoel meer dan een vaag kaartje wat ik uit de computer krijg.? Dus dat soort weerstanden, maar tegelijkertijd, en ten tweede zie je dat je ondanks het gebruik van big data en intelligentie systemen dat je niet volledig daarop kunt vertrouwen.?

Tot slot zou predictive policing volgens alle politiemedewerkers nog veel meer kunnen bieden dan dat het nu doet en kan het effect van predictive policing veel groter en uitgebreider zijn dan op dit moment. Er zullen hier nog wel een aantal ontwikkelingen vooraf moeten gaan volgens de projectleider. Zo zal data beter aangeleverd moeten worden en is het ook vrijwel onmogelijk om van een causaal verband te spreken tussen predictive policing en het effect op de buitenwereld, omdat vele andere factoren ook van invloed kunnen zijn en het niet altijd duidelijk is welke factor, wat voor invloed speelt. De innovatiemakelaar zegt over de toekomst van predictive policing dat er verwacht wordt, dat intelligenter gestuurd zal worden op de inzet van de capaciteit en dat dit iets vraagt van de operationale medewerker, maar voegt daaraan toe:

?Daarnaast is er een leidinggevende laag, die moet daarop gaan sturen. Dit is wat we zien, daarom verwachten we dat en daarom vragen we jou: ?wil je vooral op die fiets in die wijk?? Daar gaat gewoon ingebroken worden, we kunnen het gewoon uittellen en de meeste inbraken zijn overdag dus fiets vooral overdag als burger. Of met een scootertje, jij ziet er heel jong uit, dus trek lekker kleding aan waarbij je tussen die jongeren in blendt. Ga op dat pleintje zitten en kijk dan of je die kerel te pakken kan krijgen.?

pp4

Maar de innovatiemakelaar ziet hierin ook meer schakels waaronder:

?Welke ketenpartners zijn hier van belang? Want misschien hoef je er niet als politie te zijn. Misschien kun je bij een wijk wat geteisterd wordt door inbraken, de groenvoorziening vragen om juist daar te gaan schoffelen, want ja er moet toch iemand wat zien. Het kan ook zo zijn en nu ben ik misschien wat achterdochtig, dat als wij het patroon weten van de groenvoorziening en we denken nou dat is toch ook toevallig die zijn altijd in de wijk aan het schoffelen waar wordt ingebroken. Dan moet je een andere vraag stellen natuurlijk haha.?

De generalist deelt in het interview ook mee dat de komende vijf jaar predictive policing zich zeker zal uitbreiden naar meerdere delen van het land. Echter, moet er dan nog het een en ander gebeuren. De projectleider spreekt ook over positieve effecten in de toekomst, maar stelt ook dat het programma CAS tegenwoordig ook kaarten aanbiedt in heel veel andere teams in het land. Echter, wordt dit gedaan zonder begeleidende methode van gebruik. Hierdoor gaat ieder team er op zijn eigen manier mee om en dan wordt het vaak gebruikt als een hotspot kaart, terwijl CAS meer zou kunnen bieden. De projectleider zegt het volgende hierover:

?Daarmee doe je iets als predictive policing te kort, want het wordt dan gebruikt als een soort trendanalyse. En dat vind ik te kort en dat is jammer. Er zit meer in.?

De actor onderzoeksinstellingen wijst ook op bepaalde voordelen, die ook worden gedeeld door de politiemedewerkers. Alle respondenten die werkzaam zijn bij TNO wijzen op de voordelen voor politie inzet en de onderzoeker bij Risbo stelt daarnaast:

?Ik denk natuurlijk meteen aan de preventie. Kijk van oudsher is de politie heel erg reactief van aard. Er gebeurt een bepaald incident, mensen doen daar al dan niet aangifte op en de politie gaat dan rechercheren om te kijken kan ik het misdrijf, incident, ect. opsporen. Je loopt daarmee achter de feiten aan. Het grote voordeel van predictive policing is dat je aan die preventieve sfeer wijkt. Dus je probeert incidenten voor te zijn, erop te anticiperen, op gedragingen van burgers, groepen, terroristen.?

Echter, hebben de vier respondenten wel hun bedenkingen van de effectiviteit op dit moment. Volgens de program manager bij TNO, is predictive policing slechts een signaal, waarvan de impact op het moment nog relatief bescheiden ligt. Het signaal is niet dwingend, slechts suggestief en de overige respondenten sluiten zich ook hierbij aan. Daarnaast spreekt de program manager van TNO van belangen die een negatieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van predictive policing:

?Uh ja, ten eerste kan het natuurlijk stigmatiserend zijn. Als je in een bepaalde wijk, bepaalde tijdsstip veel aanwezig gaat zijn met politiemensen. Dat is het lastige van je baseren op historische data, je bevestigt het, je typeert het. Dus dat kan een effect zijn. Wat ook een effect kan zijn, is dat politiemensen op straat zich heel erg gestuurd voelen. Dat hangt heel erg van de implementatie af, van hoe je dat doet. Als je het ?rescriptief? (voortschrijvend) gaat gebruiken, dan kunnen agenten het als lastig ervaren, het is verlies van vrijheid. Omdat je als een marionet van de ene naar de andere kant moet hollen. Door het systeem geregeerd worden. Dus dat kan een effect zijn.?

Ook is predictive policing volgens een medewerker bij TNO momenteel een hype, doordat heel veel mensen nog niet precies zouden weten hoe die voorspellingen werken. Echter, is volgens de TNO medewerker, men wel al heel snel blij met het programma, zonder echt een goede effectmeting te doen.

Een andere medewerker van TNO spreekt over belangrijke aspecten bij het gebruik van predictive policing:

?Dan liggen er wel maatschappelijk / ethische vragen. Als je nou eigenlijk niet echt begrijpt wat een tool doet en je laat je politiemensen erop inzetten. Je levert je dus over naar artificial intelligence, dus daarmee is een stapje gezet naar een moeilijk te controleren overheidsoptreden. En daarmee verlies je ook als het ware de regie, want machines doen dan het werk. Zo ver is het natuurlijk nog niet. De huidige tool is redelijk eenvoudig. Maar dat zet wel aan het denken.?

De respondenten van TNO en Risbo spreken over samenwerkingen met de politie en de TNO medewerkers stellen dat er sprake is van nauwe contacten. Zo zitten medewerkers van TNO ook bij de politie aan tafel om te overleggen. Echter, door de drukte van de reorganisatie medewerkers er ook voor kiezen om via het ministerie te helpen. Tijdens de interviews spreken de respondenten van verschillende belangen om mee te werken aan predictive policing. Hierbij speelt financieel belang een rol, maar stelt een respondent ook over samenwerkingen met de gemeente en de private beveiliging:

?Zeker, gemeentes zijn heel erg ge?nteresseerd in dit soort ontwikkelingen. Want heel veel dingen die je kunt veranderen om criminaliteit terug te dringen is niet iets wat de politie alleen kan. Dus de gemeente is een hele interessante. Het andere is, heel veel dingen die je doet voor de politie, kun je een op een kopi?ren naar private beveiligers. Ook als je een bedrijventerrein wilt bewaken, is het interessant om te weten of het nu op vrijdagavond populaire tijd is in dat bepaalde gebied. Dus moet ik daar nu een mannetje extra heen sturen? Dus ook met dat soort partners, zijn we ook bezig om te kijken: hoe kunnen we dit voor jullie inzetten??

Belangen kunnen volgens de onderzoeker bij Risbo ook hele andere doelen hebben:

?Maar daarnaast, informatie kan ook een politieke perspectief hebben. Informatie is ook een potentiele bron van macht, er komen allemaal strategische gedragingen uit. Op het moment dat je met verschillende actoren, data, kennis deelt. Dat kan gevoelig liggen, want iedereen heeft een bepaald kennismonopolie. En om dat te delen, ja dat kan bepaalde weestanden oproepen.?

De respondenten spreken allen van bepaalde barri?res. Zo wordt gesproken over juridische barri?res zoals etnisch profileren en het invoegen van bepaalde variabelen aan de voorspellingstool die in een rechtszaak in twijfel getrokken kunnen worden. Zo licht de ICT-jurist toe dat dit soort zaken nieuw zijn en nog vrij onbekend terrein. Een medewerker van TNO vertelt hierover dat er ook geen jurisprudentie bekend is over predictive policing en dat uiteindelijk juridisch zal blijken of wat de politie doet ook wettelijk mag. Tot slot bespreekt de onderzoeker bij Risbo van nog andere mogelijke belemmeringen:

?Dus als je puur uitgaat van de techniek dan denk ik dat je heel weinig barri?res hebt. Maar je hebt natuurlijk ook een andere kant en dat is natuurlijk wat wel een rem kan zijn. Als je kijkt naar de politie, de Nationale Politie, de reorganisatie, heeft geleid tot bepaalde knelpunten, onzekerheden, dingen die niet helemaal goed lopen. Mensen die onzeker zijn over hun baan. Dus zijn er wel een aantal organisatorische belemmeringen om dit soort dingen in de organisatie in te voeren uit te rollen, over alle politie-eenheden. Dat is een barri?re. Je hebt natuurlijk ook een financi?le barri?re, je kan bijvoorbeeld inzetten op predictive policing, maar dat is een aspect en je kunt ook op tal van andere dingen inzetten. En uiteindelijk is er een budget kwestie, waar ga je op investeren??

pp2

Hoofdstuk 5: Analyse
In dit deel van het onderzoek worden de resultaten getoetst aan de theoretische concepten die eerder in het onderzoek zijn behandeld. Hiertoe worden de bevindingen gebruikt om te kunnen reflecteren op het conceptueel model in dit onderzoek.

Uit de bevindingen blijkt dat de verschillende actoren bepaalde belangen delen maar er ook grote verschillen bestaan in een aantal aspecten rondom predictive policing. De interviews tonen aan dat alle respondenten te spreken zijn over de voordelen. Veiligheid wordt tijdens de meeste interviews aangehaald als een gedeeld belang om samen te werken, maar autonomie en kennismonopolie zijn belangen die kunnen leiden tot barri?res in het samenwerkingsproces. Uit de interviews blijkt dus dat er wel degelijk advocacy coalities zijn die predictive policing nastreven. Ook worden verschillende instrumenten aangehaald tijdens de interviews om beleidsvorming bij de politie te be?nvloeden. Hoewel het bij de meeste respondenten blijft bij een adviserende taak, worden verschillende actoren genoemd die wel degelijk politieke en juridische invloed uitoefenen op beleidsvorming bij de politie. Daarnaast wordt gesproken van andere wegen die bewandeld kunnen worden om alsnog enige invloed te kunnen uitoefenen. Het gebruik van gepolitiseerde technische informatie en publicaties van evaluatierapporten is tevens een instrument, dat ingezet kan worden bij onderzoeksorganisaties.

Verschillende actoren proberen dus op verschillende manieren invloed uit te oefenen op beleidsvorming bij de politie. Hiertoe hebben actoren verschillende belangen. Dit kunnen belangen zijn om samenwerkingen omtrent predictive policing met de politie te realiseren, zoals financi?le belangen of het stimuleren van het maatschappelijk debat rondom ethische kwesties. Maar ook kan er sprake zijn van tegenstrijdige belangen waardoor er barri?res optreden in de ontwikkeling van predictive policing.

Daarnaast zou de onderzochte data, getoetst worden aan de laatste fase van de theorie van Drengson. Uit de toetsing blijkt dat predictive policing zich niet bevindt in de fase van appropiate technology, de laatste fase. Om te kunnen spreken van appropitate technology moet sprake zijn van het gebruik van het systeem als instrument om bepaalde doelen te bereiken. Interviews tonen aan dit het geval is; alle respondenten stellen dat predictve policing belangrijke doelen kan realiseren bij de Nationale Politie. Het vergroten van efficiency en effectiviteit is een van de meest genoemde voordelen. De mogelijkheden en diversiteit zijn groot, er worden voorbeelden aangehaald waarbij mogelijke toekomstige terroristische aanslagen voorkomen kunnen worden. Ook blijkt het voorspelbare tool bruikbaar in meerdere organisaties, zoals de Belasting om belastingontduiking effectiever op te sporen. Het systeem zou dus ook, indien verdere ontwikkeling plaatsvindt, lokale en specifieke criminaliteitsproblemen kunnen oplossen. Er is daardoor ook sprake van diversiteit in het gebruik van predictive policing op het gebied van criminaliteit. Hoewel het systeem nu nog vrij simpel wordt gebruikt, tonen de interviews klaarblijkelijk aan dat er grote mogelijkheden denkbaar zijn. De menselijke attitude is kenmerkend voor scheiding tussen verschillende fasen. Wanneer de menselijke attitudes over mogelijke barri?res en gevaren worden besproken in de ontwikkeling van predictive policing, blijkt uit de interviews dat er een bepaalde angst heerst om gestuurd te worden door een technologisch systeem. Verlies van de eigen menselijke autonomie en onvoldoende kennis van het daadwerkelijke programma, heeft hier invloed op. Respondenten zijn momenteel kritisch over de daadwerkelijke effecten van het voorspellende programma en zien predictive policing merendeels als een signaal dat genegeerd kan worden als de politiecapaciteit ontoereikend. In de toekomst is de kans groot, dat predicive policing grote invloed kan hebben op beleid, vanwege de diversiteit en effectiviteit. Echter, kan er aan de interviews momenteel nog niet vastgesteld worden dat predictive policing een onmisbaar systeem is in de samenleving. Het technologisch systeem, wat in dit onderzoek predictive policing voorstelt, is daardoor niet een systeem dat menselijke ontwikkeling bevordert. De data in dit onderzoek toont aan dat de menselijke houding tegenover predictive policing niet overeenkomt met de fase van appropiate technology. Predictive policing bevindt zich dus niet in de laatste fase. Drengson stelt over de fasen waarin technologie?n kunnen worden geplaatst, dat appropiate technology de beste fase is voor implementatie van beleidsvorming. Uit de data in dit onderzoek blijkt dat de implementatie nog niet volledig succesvol is. De belangen van de actoren wegen mee in deze implementatie.

Aan het eind van het conceptueel model werd een verwachting geschetst aan de hand van de theoretische concepten. De verwachting was het volgende:

De invloed van advocacy coalities die predicitive policing nastreven op beleidsvorming, is groter wanneer de fase van appropiate technology van toepassing is op predicitive policing.

Deze verwachting is niet uitgekomen in dit onderzoek. Dit onderzoek heeft namelijk geleid tot resultaten waaruit blijkt dat predictive policing zich niet in de gestelde fase bevindt. Hierdoor kan de verwachting niet worden bevestigd. De fase waarin predictive policing zich bevindt, zorgt er juist voor dat respondenten kritisch kijken naar de toepassing. Een deel van de respondenten geven aan juist door middel van onderzoek, de politie te adviseren een meer terughoudende positie aan te nemen in de ontwikkelingen rondom predictive policing. Er zijn momenteel nog juridische barri?res waaruit moet blijken of de voorspellende technologie wel is toegestaan in de samenleving. Daarnaast zijn er barri?res in de samenleving en intern bij de politie zelf. Draagvlak en sturing door technologie zijn veel aangehaalde argumenten. Een deel van de actoren wenst dat de experimenteerfase wordt verlengd in plaats van uitbreiding plaatsvindt naar meerdere steden, zoals de politie dat wenst. Verschillende instrumenten worden ingezet om de eigen belangen van de coalities te realiseren in dit proces. Zo blijkt uit de interviews dat er sprake is van een eigen website van de onderzoeksinstelling waarin verschillende kritische onderzoeken van de politie aan het licht worden gebracht. Als achterliggende belang van de website wordt gesproken van het stimuleren van het maatschappelijk debat en de zin en onzin rondom predictive policing te onderscheiden. De actoren onderling proberen dus het beleid te be?nvloeden. Echter, bevindt predictive policing zich mogelijk in een fase waardoor actoren niet meewerken aan verdere uitbreiding zoals de politie dat wenst. Er wordt juist invloed uitgeoefend door actoren om een meer terughoudende positie te realiseren bij de politie. De actoren geven verschillende argumenten om het debat te stimuleren, van juridische tot aan organisatorische argumenten.

pp7

Hoofdstuk 6: Conclusie
In dit deel van het onderzoek, wordt antwoord gegeven op de hoofdvraag. De hoofdvraag zal allereerst herhaald worden, waarna aan de hand van de analyse een antwoord gegeven zal worden op de hoofdvraag.

Om tot de conclusie te komen zal allereerst de hoofdvraag hieronder worden geformuleerd:

Wat is de invloed van de fasen van technologie op predictive policing op beleidsvorming bij de Nationale Politie?

Het onderzoek heeft aangetoond dat predictive policing zich niet in de fase appropiate technology bevindt. Er wordt niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen spreken van deze fase. Bij de toepassing van het systeem ontbreekt de bevordering van de menselijke ontwikkeling en het ervaren van een onmisbaar systeem tijdens het gebruik. De menselijke houding tegenover het voorspellingstool wijst op een meer terughouding en meer experimenten om effecten te verduidelijken van preditcive policing op de criminaliteit en samenleving. Hierdoor heeft predictive policing niet een versterkend invloed op beleidsvorming bij de politie. Uit de interviews blijkt wel enthousiasme voor voorspelbare programma?s, maar wordt ook gewezen op de gevaren. Predictive policing wordt op dit moment gezien als een programma met veel mogelijkheden maar tevens serieuze ethische kwestie in de huidige informatiesamenleving. De menselijke houding is kritisch naar deze vorm van technologie. Overgeleverd worden aan een technologisch systeem, waarbij de eigen autonomie wordt ingekort, stuit tot veel weerstand bij betrokken actoren. Dit wordt versterkt, doordat er onvoldoende kennis is over de technologie. De totstandkoming van de voorspelling is voor veel gebruikers nog een raadsel en daardoor wordt het enkel als een voorspellend signaal gezien onder de meeste respondenten. Verschillende inzichten zijn hierop mogelijk, de discussie blijven voeren tussen betrokken actoren is dan ook van groot belang om tot gezamenlijk beleid te kunnen komen. De betrokken actoren zijn in staat om invloed uit te oefenen op beleidsvorming bij de politie, door de inzet van verschillende instrumenten.

Uit dit onderzoek blijkt dan ook dat de Advocacy Coalition Framework van toepassing is op beleidsvorming bij de Nationale Politie. Echter, kan er geen versterkend invloed van predictive policing vastgesteld worden op beleidsvorming bij de politie. Er is in dit onderzoek sprake van invloed vanuit de betrokken actoren om de experimenteerfase te verlengen. De theorie van Drengson benoemt vier fasen waarin de laatste fase is getoetst in dit onderzoek. Echter, blijkt uit de analyse dat er sprake is van een andere fase. De eerste fase stelt dat ontwikkelingen worden gediend als instrument om macht en welvaart te realiseren. De tweede fase stelt dat er een liefde ontstaat voor technologie, waarin technologie een spel van het leven wordt. De derde fase technophobia benoemt de angst voor bepaalde technolgische ontwikkelingen en stelt als belangrijk kenmerk dat de mens de behoefte heeft om de technologie zelf te sturen in plaats van dat de mens wordt gestuurd door de technologie. Dit is een overeenkomst met de data en zou kunnen verklaren waarom actoren een verlening van de experimenteerfase wensen. Doordat er geen onderzoek is gedaan naar de eerste drie fasen, kunnen hieruit geen conclusies over worden getrokken.

Om tot deze conclusie te komen zijn er acht interviews afgenomen met betrokken actoren die voldoende kennis hebben van predictive policing om een eigen inzicht te bieden aan de onderzoeker met betrekking tot het onderwerp predictive policing, beleidsvorming bij de politie en betrokken actoren in dit proces. In dit onderzoek is gekozen om enkel de laatste fase te toetsen door gebrek aan tijd en data. Hierdoor kan in dit onderzoek niet worden getoetst in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt. De toetsing op andere fasen binnen de theorie van Drengson vereist vervolgonderzoek.

pp6

Hoofdstuk 7: Discussie

In dit afsluitend deel van het hoofdstuk zal een kritische reflectie plaatsvinden op het onderzoek dat is uitgevoerd. Hierbij zullen kanttekeningen worden geplaatst op het onderzoek.

Allereerst kan kanttekeningen worden geplaatst bij het lage aantal respondenten met een functie binnen de politie. Het afnemen van interviews met sleutelfiguren bij de politie bleek een lastige taak. Hierdoor is gekozen betrokken actoren te benaderen. Meer sleutelfiguren binnen de politie op het gebied van predictive policing en beleid, had meer diepgaand inzicht kunnen bieden. Daarnaast kunnen acht respondenten weinig zijn om te onderzoeken welke actoren er zijn betrokken bij samenwerking omtrent predictive policing. Om de belangen van de betrokken actoren allemaal afzonderlijk te meten, zijn meer interviews vereist. Doordat kennisinstellingen veel informatie tot beschikking hadden over de politie en betrokken actoren, is gekozen om deze actor te interviewen. In de samenleving spelen veel meer actoren een rol bij beleidsvorming omtrent predictive policing.

Daarnaast kunnen er bedenkingen worden geplaatst bij de toetsing op louter de laatste fase van de theorie van Drengson. Door beperkte tijd en enkel acht interviews is gekozen om de overige fasen niet toetsen. Echter, had het veel waarde kunnen toevoegen aan het onderzoek als wel gesteld kon worden in welke fase predictive policing zich dan wel bevindt. De invloed op beleidsvorming zou in dat geval beter onderzocht kunnen worden.

Literatuurlijst

Cairney, P. (2013, Oktober 30). Paul Cairney. Opgehaald van Policy Concepts in 1000 words: The Advocacy Coalition Framework: https://paulcairney.wordpress.com/2013/10/30/policy-concepts-in-1000-words-the-advocacy-coalition-framework/

De Vries, A. & Smit. S. (2016, april 25). Predictive policing: een overzicht. Opgehaald van socialmediadna: http://socialmediadna.nl/predictive-policing-overzicht/

Doeleman, D. W. (2014). Predictive policing – wens of werkelijkheid? het Tijdschrift voor de Politie, 29-42.

Doorewaard, P. V. (2015). Het ontwerpen van een onderzoek. Amsterdam: Boom Lemma uitgevers.

Drengson, A. R. (1982, Summer). Four Philosophies of Technology. Philosophy Today, 103-117.

Dusek, V. (2006). Philosophy of Technology: An Introduction. In V. Dusek, Philsophy of Technology: An Introduction (pp. 26-37). USA, UK, Australia: Blackwell Publishing.

Ellul, J. (1964). In The Technological Society (J. Wilkinson, Vert., pp. 333-343). New York: Alfred A. Knopf, Inc. and Random House, Inc.

Jonker, J. (2015, augustus 31). Rem op reorganisatie politie. De Telegraaf.

Justitie, M. V. (2012). Inrichtingsplan Nationale Politie. kwartiermaker Nationale Politie.

Lieshout, L. v. (2014, november 15). De vijf grootste problemen van de politie. Opgehaald van nrcreader: http://www.nrcreader.nl/artikel/7368/de-vijf-grootste-problemen-van-de-politie

Mauriac, F. (1968). Le nouveau bloc-notes 1961-1964. Frankrijk: Flammarion.

Noort, W. (2016, april 15). Slimme stad of dataslurper. NRC.nl.

Paul A. Sabatier, C. M. (2014). Theories of the policy process. Boulder: Westview Press.

Prins, J. (2004). Tehcnologie en de nieuwe dilemma’s rond identificatie. Justiti?le Verkenningen, 1-47.

Rienks, R. (2015). Predictive Policing: Kansen voor een veiligere toekomst. Apeldoorn: Politieacademie Apeldoorn.

Sabtier, W. (2007). The Advocacy Coalition Framework: Innovations and Clarifications. Boulder: Wetsview Press. Opgehaald van The Advocacy Coalition Framework: Innovations and Clarifications: http://collectivememory.fsv.cuni.cz/CVKP-29-version1-priloha_2_FF.pdf

Spelier, R. (2011). Onderweg naar nationale politie?! Utrecht: Department Bestuurs- en Organisatiewetenschap.

Walter L. Perry, B. M. (2013). Predictive Policing: The Role of Crimecasting in Law Enforcement Operations. RAND Corporation.

Bijlage

Bijlage 8.1.: Kwalitatieve vragenlijst

Appropiate technology

  1. Wat is predicitive policing en wat is het doel van het gebruik ervan?
  2. Wat zijn de voordelen van predictive policing?
  3. Hoe wordt predicitive policing gebruikt in het dagelijks leven?

Advocacy coalition framework

  1. Welke coalities zijn betrokken bij beleidsvorming omtrent preventief opsoringsbeleid?
  2. Wat zijn de belangen van die coalities?
  3. Welke instrumenten hebben zij om beleidsvorming te be?nvloeden (zowel meewerken als beleid hinderen)?
  4. Wat is het belang voor de desbetreffende organisatie om mee te werken met de politie?
  5. Op wat voor manier komen de coalities tot een gezamenlijk standpunt?

Veranderingen in beleidsvorming

  1. Hoe is beleid omtrent predictiev policing ontstaan?
  2. Hoe ziet u predictive policing over vijf jaar?
  3. Wat voor invloed heeft predictive policing gehad op beleidsvorming?
  4. Wat voor effect kan het nog hebben op beleidsvorming?

Bekijk, download of print het onderzoek hier:

[slideshare id=69627654&doc=bachelorscriptiemelissakont-161129090425&type=d]

Of bekijk het onderzoek uit Chicago naar de effecten van Predictive Policing daar:

[slideshare id=65229286&doc=predictionsputintopractice-aquasi-experimentalevaluationofchicagospredictivepolicingpilot-160822101738&type=d]

Bronnen: The Verge, Mic

Predictive policing predicts police harassment, not crime

 

In de h200d: een eigentijdse etnografie

Robby Roks heeft verslag gelegd van een langdurig etnografisch onderzoek onder (ex-)leden van de Haagse jeugdbende Rollin 200 Crips. Drs. Robby Roks is als universitair docent verbonden aan de sectie Criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Gedurende het veldwerk heeft de auteur de mogelijkheden van sociale media verkend. Hij laat zien dat de activiteiten van deze jongeren zich in toenemende mate op social media afspelen en dat de grens tussen offline en online steeds moeilijker te trekken is. Posts en foto?s op social media kunnen op eenvoudige wijze door criminologen worden gebruikt voor dataverzameling, terwijl social media ook kunnen dienen als platform om contact te leggen en te communiceren met informanten. Ten slotte staat deze auteur stil bij de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Juan: ?Twitter tripple OG?S? (11-08-2013 17:06)
Fernando: @Juan: ?hahahah Rollin Twitter Crips? (11-08-2013 17:10)

De bovenstaande ?tweets? zijn afkomstig van twee jongeren die ik in?het kader van het veldwerk voor mijn promotieonderzoek vanaf 2011?tot en met 2013 heb gevolgd. Juan en Fernando, twee gefingeerde?namen, hebben allebei deel uitgemaakt van de Rollin 200 Crips, een?Nederlandse ?gang? naar Amerikaans voorbeeld die sinds de jaren?negentig in de media geregeld van zich heeft laten horen. (o.a. in de documentaire Strapped ?n strong uit 2009, maar ook in het boek Crips.nl van Saul van Stapele uit 2003 en diverse artikelen in het tijdschrift Nieuwe Revu, zoals Van Stapele 1998; 2009). Hun tweets?verwijzen naar de toenemende virtualisering van de Nederlandse?straatcultuur. OG, oftewel ?Original Gangster?, is slang die afkomstig is?uit de Verenigde Staten, maar als gevolg van de mondiale verspreiding?van Amerikaanse gang- en straatstijlen ook onderdeel is geworden van?het vocabulaire van jongeren in Nederland. Op Twitter wordt volgens?Juan geclaimd dat mensen ?Tripple OG? zijn: een term die gebruikt?wordt als verwijzing naar een hoge hi?rarchische en respectabele positie?op straat. Fernando lacht uitbundig om de opmerking van Juan en
maakt van Rollin 200 Crips de ?Rollin Twitter Crips?, implicerend dat?de activiteiten van de Crips zich in toenemende mate op social media?afspelen.

In deze bijdrage wil ik laten zien dat social media een relatief onontgonnen?bron van criminologisch relevante data kunnen opleveren. In?het bijzonder wil ik daarbij het belang van deze online praktijken illustreren?voor eigentijds etnografisch onderzoek. Ten slotte sta ik stil bij?de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het?gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Etnografisch onderzoek
Sinds de Chicago School kent etnografisch onderzoek een stevige verankering?in de historie van de criminologie. Door de jaren heen lijkt er?een wisselende belangstelling te bestaan voor deze onderzoeksbenadering,?mede als gevolg van discussies over ethiek (Adler & Adler 1998)?en het tijdsintensieve proces van dataverzameling. In toenemende?mate wordt echter gewezen op de meerwaarde van dit methodologische?perspectief voor de criminologie (Ferrell & Hamm 1998), ook in?Nederland (Schuilenburg e.a. 2011, p. 13-14).

Etnografisch onderzoek vormt niet zozeer een methode van onderzoek,?maar dient gezien te worden als een onderzoeksbenadering die?meerdere methoden behelst. Naast participerende observatie, wordt?veldwerk gekenmerkt door het gebruik van diverse methoden en technieken,?zoals interviewen, maar ook het verzamelen en analyseren van?allerlei persoonlijke documenten. De kern van het verrichten van?etnografisch veldwerk is gelegen in het ?being there?: het langdurig?deelgenoot worden van een gemeenschap, cultuur of setting om deze?leefwereld van binnenuit te begrijpen en te beschrijven (Zaitch e.a.?2010, p. 262-274). Er valt een aantal ontwikkelingen waar te nemen die?inwerken op het centrale uitgangspunt van ?being there?. Allereerst?hebben processen van mondialisering invloed op de betekenis die?wordt gehecht aan de notie van lokaliteit (Wittel 2000). Hannerz pleit?om die reden voor zogenaamde ?multi-sited ethnographies? om recht?te doen aan het feit dat personen, verhalen en objecten steeds mobieler?worden (Hannerz 2003). Een hieraan verwante ontwikkeling betreft?de komst van het internet en de toenemende virtualisering van het?dagelijks leven.

Het internet biedt voor onderzoekers interessante uitdagingen, vooral?in methodologische zin. Ook binnen de criminologie is aandacht voor?het gebruik van internet bij het verrichten van kwalitatief onderzoek?(vgl. Flick 2010). In een themanummer van het Tijdschrift voor Criminologie?(2013) wordt daarbij onder andere gewezen op het gebruik van?online dader- en slachtofferenqu?tes, de opkomst van Big Data, digitale?of virtuele vormen van participerende observatie of het gebruik?van computertechnologie als aanvullend hulpmiddel waarmee respondenten
aan virtuele situaties kunnen worden blootgesteld (Van?Erp e.a. 2013, p. 332-333). Wat opvalt wanneer de mogelijkheden van?de gedigitaliseerde wereld worden verkend, is dat er over het algemeen?een (te) strikte scheiding wordt aangebracht tussen het verrichten?van online en offline onderzoek. Het is de vraag of een dergelijke?binaire scheiding voldoende recht doet aan de werkelijkheid (vgl. o.a.?Leander & McKim 2003; De Jong & Schuilenburg 2006; Murthy 2008;?Ferrell e.a. 2015). Online en offline praktijken raken immers in toenemende?mate verweven met elkaar, een ontwikkeling die nadrukkelijke?consequenties heeft voor het ?being there?. Etnografisch onderzoek?zou anno 2016 niet enkel aandacht moeten hebben voor wat respondenten
offline doen en zeggen, maar tevens proberen te incorporeren?wat zij online doen en zeggen. De mogelijkheden en moeilijkheden die?daarmee gepaard gaan, wil ik illustreren aan de hand van mijn veldwerk??in de h200d? (Roks 2016).

Offline in de h200d
Het startpunt voor mijn onderzoek naar de inbedding van criminaliteit?en identiteit was een kleine wijk in Den Haag, die in de volksmond?bekendstaat als het Vergeten Dorp. Sinds eind jaren tachtig van de?vorige eeuw claimen de Haagse Crips deze buurt als hun territorium?en noemen ze het hun ?h200d?.

?H200d? (uitgesproken als ?hood?) vormt een verbastering van het Engelse ?neighborhood?. Het vervangen van de letters ?O? in het woord door het getal ?200? vormt een verwijzing naar de volledige naam van deze Haagse Crips, de Rollin 200 Crips. Het gebruik van de term ?h200d? dient te worden gezien als een manier waarmee de Rollin 200 Crips de fysieke ruimte van het Vergeten Dorp claimen als hun territorium.

In januari 2011 begon ik mijn veldwerk?in de h200d met het intensiveren van de contacten die ik daar?had opgedaan in een eerder onderzoek (Roks 2007). Omdat mijn gatekeeper?Keylow, de leider en oprichter van deze Haagse Crips, op dat?moment in detentie verbleef, zocht ik naar plekken in de buurt waar?het sociale leven zich afspeelt. In navolging van anderen (o.a. Van
Gemert 1998; De Jong 2007) begon ik in het lokale buurthuis. Daar?bezocht ik, na overleg met de jongerenwerker, een paar keer per week?de inloop van het jongerenwerk. Ongeveer vijftig jongeren tussen de?12 en 20 jaar uit het Vergeten Dorp en omringende buurten kwamen?daar op vaste tijden bijeen in een kleine ruimte van het buurthuis.

Omdat deze inloop alleen werd bezocht door jonge buurtbewoners,?besloot ik ook contact te zoeken met de actieve bewonersorganisatie?die het Vergeten Dorp van oudsher kent. Een halfjaar en een flink aantal?e-mails later kwam ik in contact met de voorzitter en penningmeester?en werd ik uitgenodigd om de maandelijkse vergaderingen?van de bewonersorganisatie bij te wonen.

Toen Keylow een halfjaar na de start van mijn veldwerk weer in vrijheid?werd gesteld, besloot ik meer te investeren in het opbouwen van?relaties met leden van de Crips. Een direct gevolg hiervan was dat ik?minder tijd stak in het onderhouden en uitbouwen van contacten met?jongeren uit de buurt en oudere buurtbewoners. Omdat het buurthuis?bovendien in de zomermaanden gesloten bleef, zorgde dit voor een?extra complicerende factor voor mijn relaties met jongeren uit de?buurt. Ook het contact met de Crips verliep in het begin moeizaam,?ook al had ik al enkele jaren geleden het vertrouwen van mijn gatekeeper?Keylow weten te winnen. Bij afwezigheid van Keylow in de h200d?werd ik niet gegroet en op tijden zelfs opzichtig genegeerd wanneer ik?een gesprek probeerde aan te knopen. Het duurde bij sommige respondenten?meer dan een jaar, waarin ik de buurt meermaals per week?bezocht, voordat ze mijn aanwezigheid in hun nabijheid tolereerden?en mij actief betrokken in gesprekken. Na een jaar waarin vooral de?nadruk op observeren lag en ik bewust niemand van de Crips heb?ge?nterviewd, was ik gedurende de zomermaanden van 2012 in staat
om mezelf te midden van de Crips te begeven. Langzaamaan begon ik?met het systematisch verzamelen van informatie over de individuele?leden van de Crips. Mijn rol verschoof hierbij gradueel richting participerende?vormen van onderzoek in de vorm van gezamenlijke sportactiviteiten?en het luisteren van muziek, maar hoofdzakelijk het hele?dagen rondhangen in de h200d.

Het leggen van contacten in het buurthuis verliep in het begin eveneens?uiterst moeizaam. Tijdens mijn bezoeken aan het buurthuis trof?ik dezelfde jongeren die ik eerder in 2007 had gezien in de buurt, maar?die toen nog hooguit 10 of 11 jaar waren. Bovendien herkende ik een?deel van de bezoekers van het buurthuis van gezicht omdat zij naar?voren komen in de documentaire Strapped ?n strong (2009) over de?Rollin 200 Crips. Naarmate ik vaker in het buurthuis kwam, werd het?contact met sommige jongeren beter. In de periode dat ik meer tijd op?straat met de Crips doorbracht, zag ik deze jongeren echter steeds?minder. Slechts sporadisch trof ik ze nog op straat of in de wijk en het?contact met een deel van hen dreigde te verwateren.

Online in de h200d
Tijdens mijn eerste bezoeken aan de inloop sprong in het oog hoezeer?de jongeren gebruik maakten van sociaalnetwerksites als Hyves en?Twitter via de internetverbinding op de vaste computers in het buurthuis?of op hun mobiele telefoons. Op momenten dat ik niet in het Vergeten?Dorp of in het buurthuis was, probeerde ik de jongeren online te?vinden. Een probleem daarbij was dat lang niet iedereen onder zijn of?haar eigen naam actief is op social media. Na het nodige zoekwerk en?het systematisch doorzoeken van zogenaamde ?followlijsten? en hun?online ?vrienden? vond ik het grootste deel van de jongeren uit de?buurt online. Uiteindelijk heb ik van veertig jongere respondenten die?actief gebruik maken van social media als Twitter, Facebook en Instagram?gedurende drie jaar hun online activiteiten gemonitord, opgeslagen?en geanalyseerd.

Social media bieden mogelijkheden voor verschillende rollen, analoog?aan de methode van participerende observatie in bredere zin. De?nadruk tijdens mijn bezoeken aan de inloop in het buurthuis lag op?observeren. Onder de noemer ?lurking? (Leander & McKim 2003) of??cyberstealth? (Murthy 2008) is dit ook mogelijk online. De socialmedia-accounts?van de jongeren uit de buurt bevatten een scala aan relevante?informatie. Demografische gegevens, zoals leeftijd, afkomst en?woonplaats, waren te vinden op de openbare profielen. Op ?timelines??op Twitter stond daarnaast informatie over school, bijbanen, werk,?hobby?s en andere activiteiten in hun vrije tijd. De interactie tussen?jongeren op social media leerde mij bovendien veel over welke jongeren?met elkaar in contact staan en online veel contact met elkaar?onderhouden.

Door het volgen van hun online praktijken op social media kreeg ik op?een eenvoudige manier veel te weten over deze jongeren. Enigszins tot?mijn verbazing stuitte ik op social media bovendien op informatie?waarvan ik op voorhand niet direct had verwacht deze online te vinden.?In het buurthuis en op straat gingen gesprekken tussen jongeren?onderling geregeld over hun criminele betrokkenheid of hun aanrakingen?met politie. In het begin vonden dergelijke conversaties niet in?mijn aanwezigheid plaats en vielen jongeren stil of deden ze geheimzinnig?wanneer ik in staat was om delen van een gesprek op te vangen.?Met de jongeren sprak ik hoofdzakelijk over meer neutrale onderwerpen,?in het bijzonder omdat ik door enkele jongeren uitgemaakt was?voor ?po-po? of ?scotoe?. Dezelfde jongeren leken op social media veel?minder bezig met het afschermen van hun activiteiten op straat. Sterker?nog: social media werden expliciet gebruikt om de indruk te wekken?van criminele betrokkenheid.

Het eerste thema dat op social media valt waar te nemen, is geweld, in?het bijzonder in de vorm van het tonen van (vuur)wapens of kogels?(zie figuur 1 en 2).

Figuur 1

hood1

Figuur 1 is een beeldfragment dat afkomstig is uit de documentaire?Strapped ?n strong (2009), waarop twee jongeren uit de buurt, gehuld?in de voor de Crips kenmerkende blauwe kledingstijl, een volautomatisch?machinegeweer dragen. Het onderschrift ?hoodmovement? verhult?bovendien de mate van trots en identiteit die ontleend wordt aan?het feit dat de jongen afkomstig is uit de wijk waar de Crips hun wortels?hebben. Ondanks de symboliek van de Crips die hier gecommuniceerd?wordt, maakt de jongen in kwestie geen onderdeel uit van de?Rollin 200 Crips. Sterker nog: tijdens mijn onderzoek stond hij lange?tijd op gespannen voet met enkele jongere leden van de Crips.?Figuur 2 is een voorbeeld van een post waarop een vuurwapen wordt?getoond. Er bestaan hierbij verschillen tussen jongeren wat betreft

Figuur 2

hood2

hun herkenbaarheid wanneer ze afbeeldingen met vuurwapens of?kogels plaatsen op social media. Gedurende mijn veldwerk viel hierin?een ontwikkeling waar te nemen en verschenen de jongeren steeds?minder met hun gezicht in beeld. Deels was dit het gevolg van verhalen?die er op straat verteld werden over jongeren die door de politie?opgepakt werden vanwege het posten van dergelijke foto?s. Bovendien?bleven afbeeldingen met vuurwapens over het algemeen slechts een?beperkte tijd online staan en werden ze vaak nog dezelfde dag, nadat?de foto?s tientallen likes hadden gekregen, weer verwijderd.?Een tweede veelvoorkomend thema betreft het tonen van grote hoeveelheden?contact geld. Railey toont op figuur 3 dat hij in zijn zak een??bom? heeft bestaande uit diverse gekleurde bankbiljetten.

Figuur 3

hood3

Reynaldo plaatste een video op Instagram, waarvan figuur 4 een?snapshot vormt, waarop hij gedurende enkele seconden demonstratief?een stapel geld aan het tellen is. Naast het tentoonspreiden van?hun weelde, laat een deel van deze jongeren er op social media geen?misverstand over bestaan wat de herkomst van deze verdiensten is. In?tweets bieden zij onder andere scooters, televisies, tablets of telefoons?te koop aan, maar wordt er eveneens geadverteerd met diensten op?het gebied van de verkoop van drugs.

Social media worden ook gebruikt om uitdrukking te geven aan het?feit dat de politie op straat beschouwd wordt als ?de natuurlijke vijand?

Figuur 4

hood4

(De Jong 2007, p. 67). Met tweets als ?Fuck the Cops?, ?Fucc a popo? en??Fuck de 5?0??presenteren sommige jongeren op wekelijkse basis ? en?een enkeling zelfs dagelijks ? hun aversie tegen de politie.?Over de ontstaansgeschiedenis van deze denigrerende termen voor de politie doen op?internet diverse verhalen de ronde. Door populaire Amerikaanse films, series en (rap)muziek hebben deze termen?een mondiale verspreiding gekregen.

Een enkeling?heeft dit in de vorm van een tatoeage met ?FTP? ? oftewel Fuck The?Police ? zelfs vereeuwigd op zijn lichaam. Een specifiek thema waarin?de relatie met de politie naar voren komt, is ?snitchen?: het geven van?belastende verklaringen bij de politie over anderen, onder andere tijdens?verhoren (Roks 2015). Naast scheldkanonnades richting het?adres van politie, plaatsen de jongeren foto?s online van vrienden die?staande worden gehouden, worden gearresteerd, vrienden die vastzitten?en zich laten fotograferen tijdens hun gevangenisstraf van achter?de tralies (figuur 5), en ook verdachte vrienden worden tijdens rechtszaken?in de beklaagdenbank op de gevoelige plaat vastgelegd.

Figuur 5

hood5

Ook de afwikkeling van strafzaken valt online te volgen. Zo doet Jack?eigenhandig verslag van zijn rechtszaak. Hij begint op 11 mei 2011 met?de tweets ?Dood zenuw8tig main?, gevolgd door ?Morgen voorkomen?.?Een dag later brengt hij uitvoeriger verslag uit:

?@paleis van justesie? (12-05-2011 08:49)
?Fuck rechtzaken? (12-05-2011 09:55)
?Fuck werk school allleS !? (12-05-2011 09:55)
?Nu rechtzaak? (12-05-2011 10:33)
?Nu w8ten op uitspraak? (12-05-2011 11:14)
?Vrij kkk gesproken mossssssss !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!? (12-05-2011 13:00)
?Moss eerst 90 dagen zitten nu gewooon vrygesproken? (12-05-2011?13:08)

De eerdergenoemde Fernando plaatst eerst ?OMW rechtzaak?, om vervolgens?figuur 6 op Instagram te plaatsen. De foto, genomen voor het?Paleis van Justitie in Den Haag, is zo bewerkt dat er staat ?Eis van Justitie?,?terwijl de print op de rode trui van Fernando leest: ?FOKDEMCOPS?.

Naast inhoudelijk relevante informatie bieden social media eveneens?mogelijkheden tot het benaderen en werven van respondenten. Zo?werden telefoonnummers en e-mailadressen genoemd in berichten,?geplaatst onder afbeeldingen of gepubliceerd op gebruikersprofielen.?Daarnaast maakten veel jongeren gebruik van social media om met?elkaar af te spreken. Op die manier kreeg ik zicht op locaties in de stad?of buurt waar respondenten zich bevonden of openbare plekken waar?zij veel tijd doorbrachten. Bovendien bieden diverse sociaalnetwerksites?functies die gebruikers in staat stellen om priv?berichten of een?zogenaamde ?DM? (Direct Message) te sturen. Deze mogelijkheden?gebruikte ik om af te spreken met jongeren die ik offline langere tijd?niet had gezien of die ik wat langer een-op-een wilde spreken. Toch?was deze laagdrempelige manier van het leggen van contacten niet?altijd even succesvol en heeft een aantal respondenten nooit gereageerd?op mijn verzoeken, ondanks herhaaldelijke berichten. In die?gevallen probeerde ik hen offline te benaderen.?Ook offline verliep het benaderen van respondenten niet zonder problemen. De centrale?bevindingen in mijn proefschrift baseer ik op een netwerk van 150 respondenten. Van zestig?van deze respondenten heb ik gedetailleerde informatie verzameld, ofwel op basis van
??n (of meerdere) interview(s), ofwel omdat ik ze gedurende drie jaar meermaals op informele?basis heb gesproken en heb geobserveerd.

Beperkingen en dilemma?s: selectie, het gebruik van beelden en?performance
Social media bieden diverse mogelijkheden voor criminologisch?onderzoek, maar het gebruik van deze data dwingt ook tot een reflectie?op de beperkingen en brengt bovendien een aantal ethische
dilemma?s met zich mee. Een aantal van deze methodologische vertekeningen?is vergelijkbaar met de problemen en dilemma?s die inherent?zijn aan de meer klassieke, offline kwalitatieve methoden. Etnografisch?onderzoek kent als evident nadeel dat de nadrukkelijke aanwezigheid?van de onderzoeker en zijn of haar ?selectieve oog? invloed?kunnen hebben op de resultaten van de studie. Naast de beperkte?externe validiteit, gaat het gebruik van deze onderzoeksbenadering

Figuur 6

hood6

gepaard met diverse morele, juridische en ethische dilemma?s (Zaitch?e.a. 2010, p. 282-284). De toevoeging van een online dimensie aan?offline praktijken roept een aantal nieuwe vragen op.

De eerste beperking ten aanzien van online vormen van kwalitatief?onderzoek betreft selectiviteit. Tussen de respondenten in mijn studie?bleek een verschil te bestaan in de mate waarin zij actief waren op?social media. Vrijwel iedere jongere maakte gebruik van (meerdere)?social media en plaatste dagelijks meerdere foto?s of berichten. De?online praktijken van respondenten boven de 30 vielen veel minder?goed waar te nemen.?Wel viel er een opmerkelijke gelijkenis waar te nemen tussen wat jongere respondenten?op social media plaatsten en de profielfoto?s op BlackBerry ?Ping? en WhatsApp van?oudere respondenten.

Daarnaast bestond er een duidelijk verschil tussen?welke informatie online werd geplaatst. Sommigen plaatsten allerlei?facetten van hun dagelijks leven online, inclusief (de suggestie van)
hun criminele betrokkenheid, terwijl anderen zich beperkten tot het?reageren op berichten en foto?s van anderen. Als onderzoeker heb ik?hierdoor (slechts) zicht gekregen op een deel van de activiteiten van?deze veertig respondenten op social media. Dit geldt overigens eveneens?voor de offline praktijken van mijn respondenten: ondanks dat ik?getracht heb zo veel mogelijk deelgenoot te worden van hun dagelijks?leven, is er onherroepelijk een deel aan mijn oog onttrokken gebleven.?Het is immers onmogelijk om altijd en overal in het veld aanwezig te?zijn. Daarnaast hebben respondenten, ongeacht hoe hecht of vriendschappelijk?onze relatie in de loop der jaren werd, ook altijd een deel?van hun leven voor mij weten af te schermen.?Een bijkomende uitdaging op social media was dat jongeren zich in?toenemende mate?bewust leken van hun zichtbaarheid en privacy op?internet en zodoende hun profielen en accounts afschermden met de?mogelijkheden die sociaalnetwerksites daartoe bieden. Rond de start van mijn veldwerk was hier nauwelijks sprake van. Tegen het einde van mijn?onderzoek leken respondenten echter veel meer gebruik te maken van de mogelijkheden?die sociaalnetwerksites bieden om hun profielen af te schermen. Om toch toegang?te krijgen tot de inhoud van iemands online profiel of timeline,?dient dan een vriendschaps- of volgverzoek te worden verstuurd. Aan?de veertig respondenten die ik op social media gedurende drie jaar?heb gevolgd, heb ik allemaal een vriendschaps- of volgverzoek verstuurd.?Daarbij kwam het overigens ook voor dat respondenten mij een vriendschaps- of volgverzoek?stuurden.?Op een enkel geval na werden deze verzoeken vrijwel direct?geaccepteerd, naar alle waarschijnlijkheid omdat ik hen, op een enkeling na, ook offline ken of wel eens ontmoet heb. Daarbij was ik online?transparant over mijn identiteit als onderzoeker. Naast persoonlijke
foto?s valt in de profielen van mijn eigen socialmedia-accounts te?lezen dat ik als criminoloog verbonden ben aan de Erasmus Universiteit?Rotterdam.

Het gebruik van de berichten, afbeeldingen en video?s op social media?roept vervolgens de vraag op hoe deze informatie gebruikt kan worden,?in het bijzonder als het gaat om publicatie. Een dergelijk dilemma?doet zich ook voor als het gaat om offline vormen van etnografisch?onderzoek. Het gaat daarbij om ethische afwegingen rondom herkenen?herleidbaarheid, waarbij het de taak van de onderzoeker is om er zo?veel mogelijk zorg voor te dragen dat respondenten geen nadelige?gevolgen ondervinden van hun participatie aan het onderzoek (Van de?Bunt 2015). Op social media spelen deze overwegingen evenzeer,?maar wordt het complexer vanwege de visuele component: veel jongeren?maken immers foto?s en video?s van zichzelf, en elkaar, en plaatsen
deze in veel gevallen op openbaar toegankelijke profielen op internet.?Over de manier van het gebruiken van visuele data woeden discussies?over ethiek (Vanderveen 2010, p. 406-408). Allen (2015) werpt?de terechte vraag op of het anonimiseren van afbeeldingen, iets dat?gemeengoed is als het gaat om de verslaglegging van offline onderzoek,?geen farce maakt van de visuele dimensie van het onderzoek,?omdat het de respondent diens ?stem? ontneemt wanneer foto?s worden?geretoucheerd of ?geblurd?. In deze bijdrage, en in mijn proefschrift,?heb ik tweets geanonimiseerd en gezichten onherkenbaar?gemaakt. Een belangrijke overweging daarbij was dat het gaat om?afbeeldingen waarop strafbare feiten worden gepleegd, afgebeeld of?verbeeld. Ik heb ervoor gekozen om wel de verbeelding van deze?gedragingen, zoals wapens, kogels, grote hoeveelheden contant geld,?drugs en gestolen goederen te tonen, maar zonder gebruikersnaam of?gezicht. Herkenbaarheid van de respondent in kwestie had in dergelijke?gevallen geen meerwaarde of functie.

Een laatste beperking hangt samen met het voorgaande thema. Op?social media is het lang niet altijd duidelijk of afbeeldingen ?echt? of?authentiek zijn. Van Erp e.a. stellen daarnaast de terechte vraag ?of?online beweringen ook offline worden waargemaakt? (Van Erp e.a.?2013, p. 333). Social media bieden een dankbaar podium voor vormen?van ?impression management? (Goffman 1959), iets dat in het bijzonder?zichtbaar wordt als het gaat om online uitingen van straatcultuur?(Van den Broek 2013). In het geval van de voorbeelden in deze bijdrage?is het moeilijk om te achterhalen of we van doen hebben met echte?wapens of echt geld en of diegene die de afbeelding plaatst ook diegene?is die gefotografeerd is, behoudens de gevallen waarin gezichten?of andere duidelijk herkenbare persoonskenmerken zichtbaar zijn. De?informatie op social media lijkt in eerste instantie meer te zeggen over?de indrukken die respondenten willen overbrengen. Dit vormt een?beperking in het analyseren van online praktijken, maar dit geldt in?het bijzonder wanneer enkel wordt afgegaan op wat respondenten?online doen. Over het algemeen is kwalitatief onderzoek in staat om?zicht te geven op het bestaan van verschillen tussen wat mensen zeggen?en wat ze doen. In het geval van etnografisch onderzoek kan dit?bijvoorbeeld door het combineren van gesprekken met het observeren?van gedrag. Social media kunnen hierbij een extra dimensie aanbrengen,?die de onderzoeker in staat stelt om een inschatting te maken van?de manier waarop posts en poses zich verhouden tot offline praktijken,?maar ook andersom.

Conclusie
De prominente plaats van internet in ons dagelijks leven dwingt tot?een reflectie op de rol van online praktijken in wetenschappelijk?onderzoek. Het centrale punt dat ik in deze bijdrage heb willen maken,?is dat social media diverse relatief laagdrempelige, aanvullende mogelijkheden?bieden voor het verzamelen van data en het leggen van contacten?met respondenten. De toenemende mobiliteit en virtualisering?van het dagelijks leven hebben gevolgen voor het klassieke etnografische?uitgangspunt van ?being there?. Het gebruik van social media?kent daarbij beperkingen die in het verlengde liggen van discussies?rondom selectiviteit en ethiek die opgeld doen in offline vormen van?etnografisch onderzoek. Maar bovenal hoop ik dat deze bijdrage heeft?laten zien dat het incorporeren van online praktijken onderzoekers in?staat stelt om beter recht te doen aan het gegeven dat verhalen, ook?criminologisch relevante verhalen, zich niet langer enkel offline afspelen.

Literatuur
Adler & Adler 1998
P. Adler & P. Adler, ?Foreword:?Moving backward?, in: F. Ferrell?& M. Hamm (red.), Ethnography?at the edge: Crime, deviance and?field research, Boston: Northeastern?University Press 1998, p. xiixvi.

Allen 2015
L. Allen, ?Losing face? Photo-anonymisation?and visual research?integrity?, Visual Studies (30)?2015, afl. 3, p. 295-308.

Van den Broek 2013
J.B.A. van den Broek, Van de?straathoek naar Facebook. Een?onderzoek naar het gebruik van?social media door jongeren binnen?de straatcultuur (ongepubliceerde?masterscriptie). Erasmus
Universiteit Rotterdam 2013.?Van de Bunt 2015?H.G. van de Bunt, ?Ethische?dilemma?s bij criminologisch?onderzoek?, Tijdschrift over Cultuur?en Criminaliteit (5) 2015, afl.?1, p. 55-70.

Van Erp e.a. 2013
J. van Erp, D.W. Stol & J. van?Wilsem, ?Criminaliteit en criminologie?in een gedigitaliseerde?wereld?, Tijdschrift voor Criminologie?(55) 2013, afl. 4, p. 327-341.

Ferrell & Hamm 1998
J. Ferrell & M.S. Hamm, Ethnography?at the edge. Crime, deviance,?and field research, Boston:?Northeastern University Press?1998.

Ferrell e.a. 2015
J. Ferrell, K. Hayward & J. Young,?Cultural criminology: An invitation,?Londen: Sage 2015.

Flick 2010
U. Flick, ?Kwalitatief onlineonderzoek:?gebruik van internet?,?in: T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven/Den?Haag: Acco 2010,?p. 407-431.

Van Gemert 1998
F.H.M. van Gemert, Ieder voor?zich. Kansen, cultuur en criminaliteit?van Marokkaanse jongens,?Amsterdam: Het Spinhuis 1998.

Goffman 1959
E. Goffman, The presentation of?self in everyday life, Harmondsworth,?Middelsex: Penguin Books?1959.

Hannerz 2003
U. Hannerz, ?Being there? and?there? and there! Reflections on?multi-site ethnography?, Ethnography?(4) 2003, afl. 2, p. 201-216.

De Jong 2007
J.D. de Jong, Kapot moeilijk. Een?etnografisch onderzoek naar?opvallend delinquent groepsgedrag?van ?Marokkaanse? jongens,?Amsterdam: Aksant 2007.

De Jong & Schuilenburg 2006
A. de Jong & M. Schuilenburg,?Mediapolis. Populaire cultuur en?de stad, Rotterdam: Uitgeverij?010, 2006.

Leander & McKim 2003
K.M. Leander & K.K. McKim,??Tracing the everyday ?sitings? of?adolescents on the Internet: A?strategic adaption of ethnography?across online and offline?spaces?, Education, Communication
& Information (3) 2003, afl. 2,?p. 211-240.

Murthy 2008
D. Murthy, ?Digital ethnography:?An examination of the use of new?technologies for social research?,?Sociology (42) 2008, afl. 5,?p. 837-855.

Roks 2007
R.A. Roks, ?Het is hier toch geen?Amerika?? Reconstructie van de?criminele carri?re van een Nederlandse??gangsta? (ongepubliceerde?masterscriptie), Erasmus?Universiteit Rotterdam 2007.

Roks 2015
R.A. Roks, ?Never snitch broertje,?want de straat hoort het?, Ars?Aequi (64) 2015, afl. 5, p. 422-425.

Roks 2016
R.A. Roks, In de h200d. Een eigentijdse?etnografie over de inbedding?van criminaliteit en identiteit,?Rotterdam: Erasmus School?of Law 2016.

Schuilenburg e.a. 2011
M. Schuilenburg, D. Siegel,?R. Staring & R. van Swaaningen,??Over cultuur en criminaliteit?,?Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit?2011, afl. 1, p. 3-17.

Van Stapele 1998
S. van Stapele, ?Crips?, Nieuwe?Revu (15) 1998, afl. 3, p. 42-47.

Van Stapele 2003
S. van Stapele, Crips.nl: 15 jaar?gangcultuur in Nederland,?Amsterdam: Vassallucci 2003.

Van Stapele 2009
S. van Stapele, ?Papa is een Crip?,?Revu (45) 2009, afl. 14, p. 22-28.

Vanderveen 2010
G. Vanderveen, ?Visuele data en?methoden in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven:?Acco 2010, p. 380-413.

Wittel 2000
A. Wittel, ?Ethnography on the?move: From field to net to Internet?,?Forum: Qualitative Sozialforschung/Forum:?Qualitative?Social Research (1) 2000, afl. 1,

Zaitch e.a. 2010
D. Zaitch, D. Mortelmans &?T. Decorte, ?Participerende?observatie in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie.?Leuven: Acco 2010, p. 257-309.

Bron: Justiti?le verkenningen, jrg. 42, nr. 1, 2016