Tagarchief: criminologie

Dark Markets: De IKEA’s van de cybercrime

Hoe begint en opereert iemand in de cybermisdaad? En wat kunnen we doen om dit tegen te gaan? Dat zijn vragen waar criminoloog Rolf van Wegberg zich aan de TU Delft mee bezig houdt. Hij probeert de verbinding te leggen tussen de technische kant van cybercrime en de meer economische en sociale aspecten. En dat soort mensen zijn er nog niet zo veel.?

Het jaar 2018 stond voor Rolf van Wegberg bijna geheel in het teken van zijn onderzoek naar?commoditization in cybercrime. De promovendus van de faculteit Techniek, Bestuur en Management (TBM) presenteerde zijn resultaten op de USENIX Security conferentie in het Amerikaanse Baltimore.

Cybercrime is een groeiend misdaadprobleem en kan vele vormen aannemen, bijvoorbeeld creditcardfraude, digitale afpersing en spyware. Onder commoditization van cybercrime verstaan we het aanbieden van vaardigheden en diensten door gespecialiseerde partijen in de ondergrondse economie, die je als gebruiker kant-en-klaar kunt kopen. Dit maakt het voor cybercriminelen mogelijk om zaken uit te besteden, waardoor de belemmeringen om met cybercrime te beginnen, kleiner worden. ?Je koopt een bepaalde dienst in en je hoeft er dus zelf geen verstand van te hebben om aan de slag te gaan. Je kunt dan bij wijze van spreken naar een ?cybercrime-IKEA? gaan om je gewenste pakket te kopen en samen te stellen?, verklaart Van Wegberg.

Misdrijven als digitale afpersing en creditcardfraude worden dus een stuk eenvoudiger als criminelen de daarvoor benodigde?commodities kunnen aanschaffen op ondergrondse markten, het?dark web. Althans, dat is de theorie. Onderzoekers nemen wel een stijgende?commoditization?van cybercrime waar, maar hoe serieus is het probleem nu echt in de praktijk, vroeg Van Wegberg zich af.

?Wij hebben daarom, samen met collega?s van Carnegie Mellon University (CMU) in de VS, bekeken of die gevreesde?commoditization wel echt zo?n vlucht neemt. We bekeken daarvoor de transactiegegevens van zes jaar van acht online anonieme marktplaatsen, van Silk Road tot AlphaBay. Die dekken samen een groot deel van deze markt af. Het is voor het eerst dat een dergelijke grootschalige analyse is gedaan van deze ondergrondse online economie.?

Cash-out

?We zien dan inderdaad aanwijzingen voor?commoditizationvan allerlei producten en diensten, maar zeker niet voor alle. Niet alles is te koop, je moet altijd iets zelf blijven doen als cybercrimineel. Bovendien is de omvang van de handel zeer beperkt, in vergelijking met bijvoorbeeld de omvang van drugshandel op deze markten. Er is wel groei, maar minder dan verwacht. We schatten de totale omzet van?cybercrime commoditiesop online anonieme marktplaatsen rond de 8 miljoen dollar tussen 2011-2017.?

Zogenaamdecash-out services worden het vaakst verhandeld. Onder elk crimineel businessmodel ligt immers de vraag: hoe krijg je het geld van het slachtoffer op ?verantwoorde? wijze weggesluisd? Iedere ?criminele ondernemer? heeft dit nodig en daarom is de vraag logischerwijs groot. Dit gaat om tussenpersonen, geldezels, bankrekeningen, bitcoin-wisseldiensten en dergelijke.

Het probleem van?commoditization lijkt dus vooralsnog volgens Van Wegberg en zijn collega?s mee te vallen. Hoe waren de reacties op de presentatie van deze onderzoeksresultaten? ?In het algemeen waren die heel positief. Heel belangrijk is voor mij dat het ook goed is ontvangen door de politie, waar we nauw mee hebben samengewerkt.?

Ook vakgenoten op de conferentie in Baltimore reageerden positief. ?Het was op zich al heel bijzonder dat we daar in Baltimore als?softe technologen tussen de?die hard?ICT?ers mochten staan. We waren een vreemde eend in de bijt, ik als criminoloog zeker. Veel cybersecurity- onderzoekers richten zich vooral op de technologie, terwijl wij toch meer proberen te letten op de bredere sociale verbanden en economische patronen. Hoe ziet de hele criminele keten eruit, hoe start iemand in de cybercriminaliteit? Maar ons onderzoek werd in Baltimore goed ontvangen.?

Persaandacht

Naast de vakmensen, kwamen er ook reacties in de pers. ?Ja, dat was wel eervol. Het onderzoek haalde bijvoorbeeld de voorpagina van Trouw.? Kreeg Van Wegberg niet het verwijt dat hij de gevaren van cybercrime enigszins bagatelliseert? ?Misschien was dat een beetje het geval, maar dat is volgens mij niet de goede manier om er naar te kijken. Met de uitkomsten van ons onderzoek kun je namelijk veel gerichter kijken naar het probleem en bijvoorbeeld beperkte politionele middelen en capaciteit beter inzetten. Uiteindelijk wil je namelijk proberen om het criminele ecosysteem kapot te maken. En daar heb je dit soort informatie hard voor nodig.?

We hebben in het onderzoek overigens nog een ander fenomeen bekeken. Want naast criminele aanbieders die handelen met andere criminelen, B2B, vonden we ook een significante hoeveelheid retail cybercrime, dus rechtstreeks naar de eindconsument. Dan gaat het bijvoorbeeld om gehackte Netflix- of Spotify-accounts. We schatten de totale omzet van de handel in deze vorm van cybercrime op online anonieme marktplaatsen rond de acht miljoen dollar tussen 2011-2017.? Ook dat lijkt dus ?vooralsnog ? een relatief onschuldig probleem.?

“De combinatie van vaardigheden en kennis, dus met zowel de technische insteek als de criminologische, is helaas nog vrij zeldzaam. Types als ik, zijn nog op de vingers van ??n hand te tellen.”

Criminoloog

Rolf van Wegberg is sinds 2015 promovendus aan de faculteit TBM (sectie Organisation & Governance) maar is van oorsprong criminoloog. Hij haalde zijn master in Criminologie (cum laude) in 2011 aan de Universiteit van Leiden met een afstudeeronderzoek naar witwassen van geld en naar het financieren van terrorisme in Nederland.

Na zijn afstuderen, ging hij aan de slag bij de afdeling Criminal Law and Criminology aan de Leidse universiteit, als researcher en docent. Daar richtte hij zich vooral op het Nederlandse beleid tegen financi?le misdaad. In 2013 ging hij naar TNO, waar hij nog steeds werkt als wetenschapper op het gebied van (financi?le) cybercrime en ondergrondse markten. Op dit moment is hij drie dagen per week aan het werk bij de TU Delft en twee dagen per week bij TNO. Zijn research is onderdeel van het MALPAY-project, dat zich focust op?malwaregericht op financi?le instellingen. Van Wegberg onderzoekt specifiek de strategie?n van cybercriminelen en de interactie tussen die strategie?n en het (veiligheids)beleid van financi?le dienstverleners en de politie.

Net als op de conferentie in Baltimore, moet de criminoloog Van Wegberg zich aan de TU Delft wel eens een beetje ?anders? voelen, zou je denken. ?Ik ben inderdaad opgeleid in de conventionele tak van het criminologische onderzoek. Maar die aanpak, met enqu?tes, zelfrapportages en aangiftecijfers, kent uiteindelijk zijn beperkingen, zeker als je cybercrime wilt bestuderen. Daarom ben ik blij dat ik dit soort onderzoek aan een technische universiteit veel breder kan maken. De combinatie van vaardigheden en kennis, dus met zowel de technische insteek als de criminologische, is helaas nog vrij zeldzaam. Types als ik, zijn nog op de vingers van ??n hand te tellen.?

?Een ander verschil dat ik hier aan de TU Delft ervaar, is het ?wij?-gevoel. Vanuit mijn studie was ik gewend om ?ik? te zeggen; nu is het veel meer ?wij?. En terecht, want wetenschap is nu eenmaal een teamsport. Het is zonde om maar ??n stel hersens aan een probleem te laten werken.?

Promovendi

In 2019 gaat Van Wegberg zijn promotieonderzoek afronden. ?Daar zal volgend jaar de meeste aandacht en tijd naar toe gaan. Daarnaast geef ik onderwijs, bijvoorbeeld in onze Cyber Security master-opleiding, en begeleid ik masterstudenten bij hun scriptie. Sowieso vind ik het onderwijs, het contact hebben en het samenwerken met studenten, het leukste wat ik hier doe aan de universiteit.?

Maar eerst dus maar eens dat proefschrift afmaken, waar het bovengenoemde onderzoek ook een deel van is. Van Wegberg weet uit ervaring hoe hoog de druk voor promovendi kan zijn en maakt zich daar zorgen over. Hij hield zich bezig met de belangenbehartiging van de promovendi in Nederland en was tot afgelopen zomer voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland (PNN). ?De positie van promovendi is voor mij echt een belangrijk onderwerp. Niet in het minst omdat die positie naar mijn mening behoorlijk in de knel komt. De arbeidsvoorwaarden staan onder druk en er worden speciale constructies bedacht om toch promovendi te kunnen aanstellen. Aan de TU Delft gaat het gelukkig nog allemaal vrij goed, maar toch moeten we oppassen dat we geen race to the bottom aangaan ten koste van promovendi. In deze hele discussie wordt de stem van de mensen waarom het gaat, te weinig gehoord. Ik ken mijn weg in Den Haag redelijk goed en dus probeerde ik als PNN-voorzitter die stem te laten klinken.?

Bron: TUDelft magazine

Predictive policing: politiewerk aan de hand van voorspellingen

knightscope

Afbeelding: Knightscope

De opkomst van nieuwe technologie?n stelt de politie en andere rechtshandhavingsinstanties in staat proactiever en effectiever te opereren. De toepassing van deze technologie?n in het publieke veiligheidsdomein roept echter ook allerlei vragen op met betrekking tot privacy en andere grondrechten van burgers. Het nieuwe?themanummer van Justiti?le verkenningen beoogt enerzijds die nieuwe technologische toepassingen te beschrijven en anderzijds de (mogelijke) consequenties daarvan nader te beschouwen en aan discussie te onderwerpen.

Naast afzonderlijke artikelen over concrete technologische toepassingen (beeldtechnologie, drones) gaat de aandacht uit naar enkele belangrijke trends die alle voortvloeien uit de groeiende beschikbaarheid van ? onderling koppelbare ? grote hoeveelheden data afkomstig uit allerlei bronnen. Bij politiekorpsen wereldwijd heeft dit geleid tot een de groeiende populariteit van predictive policing: politiewerk doen aan de hand van voorspellingen die gebaseerd zijn op een enorme verzameling historische gegevens over o.a. delicten, de plegers ervan en criminaliteitspatronen, gecombineerd met realtime data. Het politieoptreden wordt aldus datagestuurd en meer op preventie gericht. Een stap verder is prescriptive policing, waarbij de data aangeven wat de meest effectieve interventie zou zijn. Met de film Minority Report in gedachten doemen de zwartste scenario?s op: krijgen we een ?gedachtenpolitie? , staat de onschuldpresumptie op het spel? Deze vragen zijn des te prangender wanneer de rechtshandhaving steeds meer wordt overgelaten aan drones en robots. De grote uitdaging in dit verband is hoe ethische, maatschappelijke en juridische waarden al in het ontwerpproces van articifici?le intelligentie toepassingen kunnen worden ingebouwd. Iets soortgelijks speelt met betrekking tot de bescherming van persoonlijke gegevens en priv?-communicatie bij het gebruik van computers en smartphones e.d. Nieuwe Europese wetgeving schrijft voor dat gegevensbescherming wordt ingebouwd in producten en diensten, een principe dat wordt aangeduid met de term Data Protection by Design and Default.

Predictive policing: politiewerk aan de hand van voorspellingen

Door A. de Vries* en S. Smit**

* Ir. Arnout de Vries is senior onderzoeker en adviseur op het gebied van social media en veiligheid en onder andere auteur van het boek ?Social Media: Het Nieuwe DNA?.
** Dr. Selmar Smit is aan de Vrije Universiteit gepromoveerd op het onderwerp machine learning, en sindsdien werkzaam als data scientist bij TNO.

George Orwell waarschuwt in zijn boek 1984 (Orwell 1949) voor een?overheid die haar onderdanen monitort en alles in de gaten houdt. In?de film Minority Report is de ?pre-crime squad? in staat om moorden te?voorspellen en daders preventief op te pakken. De Nederlandse politie?heeft dankzij de omvorming tot Nationale Politie toegang tot alle landelijke,?regionale en lokale databronnen met betrekking tot criminaliteit?en is daarmee een ?informatieorganisatie? geworden. Door verbeterde?analysetechnieken, visualisatietools en computerkracht kan zij?deze ?Big Data? inzetten om criminaliteit te voorspellen en op basis?daarvan op te treden. Moeten we nu vrezen voor onze toekomst? Pakt?de politie voortaan burgers preventief op? Worden systemen leidend?

Het antwoord op al deze vragen is nee. Maar welke kant gaat het dan?wel op?

pred1

Interessante patronen
Politieorganisaties over de hele wereld, en dus ook in Nederland, houden?zich momenteel bezig met de ontwikkeling van predictive policing?? ofwel: politiewerk doen aan de hand van voorspellingen. De reden?daarvoor is dat zij beschikken over ongelofelijk veel digitale gegevens?over misdaden uit het verleden, die met verfijnde algoritmen en diepe?analyse een goudmijn vormen voor het voorspellen van criminaliteit.

Het gevolg daarvan is dat de politie aanwezig kan zijn op plaatsen?waar de kans op een volgend incident het grootst is. Daar komt bij dat deze hoeveelheid beschikbare data exponentieel blijft groeien als?gevolg van databasekoppelingen met veiligheidspartners en het ontstaan?van het ?Internet of Things?, waarbij alles en iedereen aan het?internet gekoppeld is (?Big Data?). Het effect van Big Data-analyses is?al te zien bij commerci?le bedrijven, die verbanden weten te leggen?tussen bijvoorbeeld iemands aankopen, inkomen, leeftijd en postcodegebied.?Ook de politie is op zoek naar dergelijke verbanden, zodat?zij misdaden kan voorspellen.

In de criminologie zijn er voldoende theorie?n over het denken en?doen van criminelen die inzicht geven in dergelijke patronen. Zo zegt?de routine activity theory dat criminelen zullen toeslaan op die locatie?waar de virtuele cirkels rond criminelen en geschikte slachtoffers?elkaar overlappen. Dit leidt tot de gedachte dat steeds dezelfde gebieden?worden getroffen, als er geen maatregelen worden genomen. De?rational choice theory gaat ervan uit dat criminelen een locatie kiezen?waar de afweging tussen risico (pakkans) en buit zo gunstig mogelijk?is. Volgens de crime pattern theory zullen criminelen nooit te dicht bij?hun eigen huis toeslaan, maar altijd in een buurt die ze kennen, vlak?bij huis, werk, sportschool of op de weg daarnaartoe. De blended theory
is een combinatie van de vorige drie: een crimineel zal toeslaan op?een locatie langs zijn ?activiteitenroutes?, maar niet te dicht bij huis en?daar waar de afweging tussen buit en pakkans positief is. Bij predictive?policing worden deze theorie?n vaak overboord gegooid en wordt?voornamelijk gekeken naar de simpele theorie van near repeats: in de?buurt van een incident zal vaak nog een incident volgen zolang er?niets verandert. Hoewel dit op het eerste gezicht niet lijkt op de voorgaande?theorie?n zal, zolang de pakkans, buit en activiteitenroutes?van criminelen niet veranderen, het effect hetzelfde zijn en zullen incidenten?zich in dezelfde buurt blijven voordoen.

Doorontwikkeling informatiegestuurd optreden
Een slimme, effectieve en proactieve aanpak tegen misdaad is duidelijk?beter dan achter criminelen aan hollen; rechercheren verandert in??prerechercheren?. Predictive policing in combinatie met Big Data?neemt daarom logischerwijs een enorme vlucht. En het geeft de Nationale?Politie de mogelijkheid om invulling te geven aan ?meer doen met?minder middelen?. Maar is predictive policing eigenlijk wel nieuw? Nu?al beschikt de politie over slimme analyseteams die een enorme bijdrage?leveren aan het dagelijkse politiewerk door misdaadstatistieken?en andere gegevens, zoals jaargetijden, tijdstippen en locaties, te interpreteren.?Dit leidt onder andere tot hotspotkaarten, waarop locaties te?zien zijn waar specifieke politie-inzet nodig is. Op die manier kan de
politie bijvoorbeeld haar surveillanceteams effectief inzetten. De?gemeente Eindhoven gebruikt dergelijke hotspot- of inzetkaarten om?de effectiviteit van de BOA?s (buitengewoon opsporingsambtenaren)?van Stadstoezicht te verhogen (Van Weerdt & De Vries 2014). Brandweer?Rotterdam-Rijnmond heeft de brandweerradar die voorspelt?waar de volgende brand zich zal voordoen en zorgt vervolgens dat er?een voertuig in de buurt is (Littooij 2015). Een nieuw computermodel?van TNO wordt gebruikt om overlastsituaties in wijken te voorspellen?en interventies te berekenen die het beste zouden moeten werken in?de betreffende specifieke situatie (Smit 2014). De beweging die wij bij?de politie zien, past dan ook in de huidige tijd waarin nieuwe mogelijkheden?ontstaan door het analyseren van Big Data. Het huidige?informatiegestuurd optreden van de politie (intelligence-led policing)?professionaliseert en ontwikkelt zich door naar predictive policing,?waarbij niet alleen gehandeld en gestuurd wordt op basis van informatie?uit het verleden, maar ook gehandeld, gestuurd ?n geanticipeerd?wordt op basis van voorspellingen. Hiervoor is sinds enige tijd het Criminaliteits?Anticipatie Systeem in gebruik bij basisteams, flexteams en?districten door heel Nederland.

pred3

Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS)
Het CAS vindt zijn oorsprong bij de politie Amsterdam. Via het programma?Politie en Wetenschap ontwikkelt zij een geavanceerd plannings-?en voorspellingssysteem. Diverse politiekorpsen in het land?gebruiken het CAS inmiddels voor het voorspellen van high impact?crimes (woninginbraak, straatroof en overvallen). Als voorbeeld?gebruiken we het operationele gebied van de politie Amsterdam. Het?systeem deelt dit gebied op in vakjes van 125 bij 125 meter. Gebiedjes?waarvan de kans op een incident vooraf al laag kan worden ingeschat,?zoals weilanden en open water, worden verwijderd. Van de overblijvende?vakjes wordt een grote hoeveelheid gegevens verzameld: criminaliteitshistorie, afstand tot bekende verdachten, afstand tot de?dichtstbijzijnde snelwegoprit, soort en aantal bedrijven zoals bekend?bij de politie, en demografische en socio-economische gegevens van?het CBS. Van elk vakje wordt op verschillende peilmomenten geregistreerd?welke gegevens er op dat moment bekend zijn. Vervolgens?wordt bepaald wat er in de twee weken na de peiling aan incidenten?kan plaatsvinden. Er wordt kunstmatige neurale netwerktechnologie?toegepast om te bepalen welke combinatie van kenmerken indicatief?is voor criminaliteit in de nabije toekomst. Het resultaat is dat de vakjes?op de kaart indicatief worden ingekleurd, een zogenoemde heat?map, waarin hoge scores een warmere kleur krijgen.

Betrouwbaarheid
Naast het door de politie zelf ontwikkelde CAS zijn er nog diverse?andere softwarepakketten op de markt. Vrijwel alle pakketten kijken?naast near repeats vaak ook naar tijdsaspecten spatiotemporele analyse)?en trends zoals verplaatsingen, seizoenen, weekdagen of weekend?en zelfs specifieke tijdstippen. Verder wordt er gekeken naar kenmerken?als omgevingsfactoren (bijvoorbeeld demografie), weersvoorspellingen,?afstanden tot vluchtwegen (aantrekkende werking) en?locaties van politiebureaus (afstotende werking). Dat levert complexe?formules op met tientallen parameters. Hoe betrouwbaar zijn de voorspellingen?die deze formules opleveren? Kloppen ze wel? Daar is niet?een direct antwoord op te geven. De betrouwbaarheid van de voorspellingen?is logischerwijs ook afhankelijk van de voorspelbaarheid?van de criminelen. Crimineel gedrag blijkt voor veelvoorkomende criminaliteit?zoals inbraken goed te voorspellen. De mens, en dus ook de?crimineel, is een gewoontedier dat succes op succes en ervaring op?ervaring bouwt. Als een bepaald type woning goed te kraken valt, dan?gaan ze daarmee verder. Een bekende omgeving is voor criminelen?prettig, omdat zij dan een betere risico-inschatting kunnen maken en?daarmee de kans op succes vergroten. Grote veranderingen in gedrag?(de modus operandi) of omgeving (nieuwe ?markten?) zonder directe?aanleiding zijn eerder uitzondering dan regel. Rondtrekkend mobiel?banditisme is echter veel lastiger te voorspellen, laat staan impulsieve?misdaden zoals een crime passionnel. Toch kan in algemene zin wel?de betrouwbaarheid van de voorspellingen worden geduid.

Ten eerste is de betrouwbaarheid van een voorspelmodel afhankelijk?van de hoeveelheid incidenten binnen een vakje op de kaart. Het?gedrag van een individu valt moeilijk te voorspellen, maar het gemiddelde?gedrag van een groep is goed mogelijk. Bedrijven als Amazon en?Bol.com gebruiken ditzelfde principe om aanbevelingen te doen. Zij?kunnen niet voorspellen of een individu ge?nteresseerd is in een product,?maar wel dat mensen met een bepaald profiel er gemiddeld vaak?in ge?nteresseerd zijn. Dit geldt ook voor incidenten. Doordat inbraken?relatief vaak voorkomen, levert dit voldoende input op om profielen te?maken en voorspellingen te doen.

Vaak weten analisten zelf al wel wat de kans is op een inbraak in een?specifiek vakje. Maar als dat 80% is, wat is dan de meerwaarde van een?systeem dat voorspelt dat de kans op inbraak de ene dag 75% is en de?andere dag 85%? Daarom is het belangrijk een detailleringsniveau te?kiezen dat klein genoeg is om meerwaarde te hebben ten opzichte van?de intu?tie van een analist. Ook moet de datahoeveelheid groot genoeg?zijn om een bepaald niveau van betrouwbaarheid te halen. Blijkbaar?kan het. Tijdens een test in de Verenigde Staten moesten ervaren analisten?en een predictive policing-systeem aangeven in welke twintig?vakjes een incident zou kunnen plaatsvinden tijdens een dienst. Het?voorspelmodel had twee keer zo vaak gelijk als de analisten (Mohler?e.a. 2015).

Ten tweede zijn de betrouwbaarheid en validiteit van een voorspelmodel?afhankelijk van de hoeveelheid informatie die het herbergt. Met?informatie bedoelen we hier niet alleen databronnen, maar ook kennis?en expertise over gedrag. Zo zullen bijvoorbeeld modellen die uitgaan?van near repeats (een incident zorgt voor een verhoogde kans op nog?een incident in de buurt) beter werken dan modellen die dergelijke?kennis niet meenemen.

Vooral dit tweede aspect lijkt een grenzeloze groei aan voorspelkracht?te bevatten. Er is immers altijd wel een informatiebron te vinden die?we extra kunnen toevoegen. Het eindeloos toevoegen van bronnen?heeft echter niet zoveel zin, omdat de voorspelkracht op een gegeven?moment niet veel meer zal verbeteren. Het gaat daarom met name om?de kwaliteit van bronnen en minder om de hoeveelheid bronnen die?door data-experts en analisten aan het systeem worden toegevoegd.?Goede bronnen leveren continu kwalitatieve en actuele data aan het?predictive policing-systeem, waardoor dit systeem voorspellingen kan?doen op basis van ?verse? data en daarmee een accurate ondersteuning?biedt voor het politiewerk.

Voorspelkracht en effectiviteit
Zelfs als we ervan uitgaan dat gedrag, met genoeg data, is te voorspellen,?betekent dit echter niet dat de voorspellingen van predictive policing?altijd uitkomen. Naast dat voorspellingen enkel een kans aangeven?en geen vaststaand feit, komen voorspellingen niet uit omdat de?politie acteert op de voorspellingen en haar surveillanceteams op?basis daarvan gericht inzet. Die plotselinge aanwezigheid van ??n of?meer agenten be?nvloedt uiteraard het gedrag van een crimineel op?dat moment. Door deze effici?nte en effectieve inzet van agenten op?plekken waar het ertoe doet, zullen minder misdaden worden?gepleegd. Niet meer blauw op straat, maar gerichter blauw op straat is?de theorie achter predictive policing. Dat dit werkt, laten de cijfers?zien. In Los Angeles daalt de misdaad met 13%(*1)?en in Santa Cruz daalt?het aantal inbraken met 27% (*2)?. In Kent ligt de hitscore van de software?? waarbij daadwerkelijk een misdrijf plaatsvond in een geselecteerd?vakje op de kaart ? bijna 60% hoger dan wanneer de vakjes handmatig?gekozen werden door analisten (Kent Police 2013). In Amsterdam ligt?de hitscore volgens de politie-eenheid Amsterdam-Amstelland in 2015?op 15% en het aantal near hits (een inbraak of straatroof die niet in het?voorspelde vakje valt maar er net naast) ligt voor woninginbraken op?40% en voor straatroof op 60%. Een pilot in Londen richt zich niet op?de locatie van een misdrijf maar op de dader. Dat levert een heat list?op van driehonderd namen, waarvan er zes nieuw zijn voor de politie?en waarvan er vijf in de weken daarna een misdaad plegen (Basulto?2014). In Memphis loopt de algemene criminaliteit terug met 30% en?het aantal geweldsmisdrijven met 15% (Greenburg 2009). Als gevolg
daarvan behoort Memphis niet meer tot de top 3 van gevaarlijkste steden?in de Verenigde Staten. Volgens de politie komt dat door de juiste?politie-inzet (bijvoorbeeld surveillance, auto?s staande houden en?undercoveroperaties) op de juiste tijd en plek (Williams 2006). Autodiefstallen?daalden met 75% en inbraken in bedrijven met 67% (Perry?e.a. 2013). Inmiddels heeft de politie van Memphis een Real Time?Crime Center van $ 3 miljoen neergezet om predictive policing een?vaste plaats te geven in haar manier van werken. Volgens onderzoek?van Nucleus Research levert dit centrum jaarlijks meer dan $ 7 miljoen?op (Nucleus Research 2010). Ook New York heeft een Real Time Crime?Center, waar alle databases ?n meer dan 3.000 politiecamera?s worden?geanalyseerd. In Zwitserland en Duitsland is een aantal politiekorpsen?Precobs software aan het testen, het zogenoemde Pre Crime Observation?System (*3).?De politie in Noordrijn-Westfalen is daarentegen zeer kritisch?over de effecten van predictive policing, omdat de positieve cijfers?en gemeten effecten veelal worden geleverd door softwareleveranciers?of politiekorpsen die baat hebben bij het presenteren van gunstige?cijfers. In het Amerikaanse Richmond is men gestopt met deze?werkwijze vanwege gebrek aan bewijs dat het zou werken (Aldax 2015).

Ondanks deze kritische geluiden lijkt het erop dat criminaliteit wel?degelijk goed te voorspellen is. Het staat echter nog wel in de kinderschoenen?en het zijn vooral wiskundigen die zich op dit moment?bezighouden met het ontwikkelen van voorspellende algoritmen. Predictive?policing richt zich om die reden nu nog vooral op veelvoorkomende?delicten waar een klein aantal mensen een rol in speelt (zoals?veelplegers uit een buurt of rondtrekkende dadergroepen) en vermogensdelicten?zoals woninginbraken en straatroof, waar vaak aangifte?van wordt gedaan. Maar op termijn, als de politie beschikt over meer?informatie en betere databronnen, valt te verwachten dat het systeem?ook andere delicten kan voorspellen, zoals liquidaties in de onderwereld?of een radicaliseringsproces. De maatschappij zal echter nooit?helemaal zonder misdaad zijn en voorspellend politiewerk is geen?oplossing voor alle misdaad. Het is geen panacee voor een veilige
maatschappij en veiligheid kan niet volledig worden ?gedataficeerd?.

pred4

Risico?s
Technologisch gezien zou predictive policing exponentieel verder kunnen?groeien. Maar vanuit maatschappelijk en organisatorisch oogpunt?zit er nog een rem op. Wil de politie wel zoveel gaan vertrouwen op?technologie? Is de organisatie er wel klaar voor? Nemen algoritmen en?robots het werk van agenten op diverse vlakken zo meteen over? En?wat zijn eigenlijk de juridische en ethische haken en ogen? 100%?betrouwbare voorspellingen zijn immers een illusie; of nemen we een?foutmarge voor lief en worden onschuldige burgers opgesloten? (*4).?Dit?zijn relevante vragen die beantwoord moeten worden. Wij zien de?voordelen van predictive policing, omdat de politie hiermee effici?nter?en effectiever op de juiste plaats ingezet kan worden. Maar wij zien
ook risico?s. We benoemen er een aantal.

Ten eerste kan predictive policing het risico in zich hebben dat de politie?straks allerlei mensen gaat oppakken om vervolgens te zeggen: ja,?dat moest van onze algoritmen. Straks worden we door Facebook bij?de politie aangegeven voordat we ook maar iets hebben gedaan. Of je?wordt staande gehouden terwijl je geheel onschuldig met een gereedschapskist?door een buurt loopt waar statistisch gezien op dat?moment veel wordt ingebroken. Dan heb je als burger ineens veel uit?te leggen. De rechter zal hier vanuit de onschuldpresumptie geen?genoegen mee nemen en om bewijs vragen op basis waarvan het algoritme?tot de voorspelling is gekomen en vragen naar de reden waarom?de politie dat advies heeft opgevolgd. Daarom zijn en blijven de kennis?en kunde van de ervaren politieagent leidend. Hij zal moeten beoordelen?hoeveel waarde en bewijswaarde kan worden toegekend aan een?voorspelling van het systeem en hoeveel aanvullend bewijs is vereist.

Dat brengt ons bij een tweede risico, dat het systeem te complex wordt?en niet meer door mensen wordt begrepen. Algoritmen vangen echter?geen boeven. Dat doen mensen van vlees en bloed. Zonder mensen?sta je nergens met intelligence, en al helemaal in de huidige fase van?predictive policing waarin alles nog in de kinderschoenen staat.?Human in the loop by design is de essentie van het principe dat wij?voorstellen, omdat we de mens als belangrijkste schakel in elke toepassing?van predictive policing zien. Alle menselijke schakeltjes moeten?ingebakken zitten in het ontwerp van predictive policing: denk aan?de analisten, de leiding, de beleidsmakers en de agenten op straat.?Hoewel de menselijke schakel onder druk staat in de huidige informatiemaatschappij,
zijn veel data die de politie nu gebruikt nog steeds?door mensen verzameld, verwerkt en in context geplaatst. Analisten?doen vervolgens diverse interpretatieslagen en mensen nemen besluiten op basis van deze adviezen, waarna maatregelen door mensen?worden genomen, die vervolgens weer door mensen worden beoordeeld?op hun effectiviteit. Politiemensen zijn daarom in onze visie de
belangrijkste schakel: het systeem doet de basiszaken, de mens?bepaalt wat ermee gebeurt. Een voorspelling is derhalve dus geen bindend?advies, want mensen zijn slimmer dan een systeem dat alleen?met data werkt. Totdat het moment van singularity aanbreekt, waarbij?computers niet alleen sneller of accurater kunnen rekenen, maar ook?creatiever, slimmer en bewuster zijn dan mensen. Dat duurt nog minstens?twee decennia en zelfs dan is het de vraag of je iets dergelijks in?handen van een machine wilt leggen, want dan komt de ?gedachtepolitie??uit Minority Report wel heel dichtbij.

De menselijke factor levert een derde risico op: dat de data in systemen?een gekleurd beeld geven (zogenoemde bias) en algoritmen dus?gekleurde voorspellingen zullen doen. De voorspelling is zo goed als?de data eronder. Wordt het systeem gevoed met vooroordelen ten aanzien?van bevolkingsgroepen of etnische afkomst, dan zal dat zijn effect?hebben op de resultaten. Daarom is het van belang dat de politie niet?alleen op voorspellingen gaat varen en belangrijke beslissingen alleen?daarop gaat baseren. Tunnelvisie ligt dan op de loer, een bekend?dilemma in het politiewerk. Dit risico zal alleen maar toenemen als het?systeem complexer wordt en kennis over de werking afneemt. Wij pleiten?daarom voor transparantie. Het moet inzichtelijk zijn hoe de systemen?en hun algoritmen werken.

Een vierde risico is dat leveranciers die transparantie niet geven omdat?hun concurrentiepositie dan gevaar loopt. Toch zal de maatschappij of?de wet wellicht gaan eisen dat algoritmen volledig transparant zijn,?want waarom ben je aangehouden, of kwam de politie eigenlijk zelf op?jouw spoor? Dat dit belangrijk is, bewijst het grappige voorbeeld van?de Miss America-verkiezingen (Hiltzik 2014). Zo kun je het aantal?moorden met behulp van stoom of hete vloeistoffen al jarenlang perfect?voorspellen door middel van de leeftijd van de Miss America van?dat jaar. Algoritmen zijn dom, voeren uit wat er van ze wordt gevraagd?en leggen verbanden tussen gebeurtenissen, hoe vreemd een dergelijke?relatie ook is. Dergelijke ?fouten? kunnen desastreuze gevolgen?hebben, dat hoeft geen betoog.

Een vijfde risico is dat de predictive policing-systemen informatie platslaan?tot vakjes en cirkeltjes op een kaart, terwijl academici al honderden?jaren onderzoek doen naar waarom mensen crimineel worden en?hoe ze zich dan gedragen. Om deze kennis, maar ook die van analisten?en politiemensen op straat, toe te kunnen voegen moet v??r de implementatie?expliciet worden nagedacht over hoe dit ingebakken kan?worden in het systeem of in aanvullende processen.?Privacy is een zesde risico. Enerzijds omdat voorspellend politiewerk?inbreuk kan maken op de persoonlijke leefomgeving van mensen. Zo?kreeg de politie van Chicago veel kritiek op de preventieve huisbezoeken?die zij aflegde bij veelplegers (Stroud 2014). Anderzijds zijn er veel?gegevens bekend die ertoe doen en voorspellingen beter maken, maar?die niet gebruikt of gekoppeld mogen worden om redenen van privacy.?Als laatste risico noemen we de valkuil om vooral te blijven werken?aan technologische ontwikkeling en betere computervoorspellingen,?terwijl het veel belangrijker is om na te denken over de vraag hoe de?politie effectief aan de slag kan gaan met enigszins betrouwbare voorspellingen.?De crux zit in het slim regelen van de operationele inzet en?slimme interventies.

Prescriptive policing
Het zo goed mogelijk voorspellen van misdrijven is geen doel op zich.?Het gaat erom dat ze worden voorkomen. Om daar inzicht in te krijgen?zal de politie het effect van een voorspelling en de daaropvolgende?inzet moeten gaan meten. Op die manier leert de politie welke inzet?het beste werkt in welke situatie. Daarmee verschuift het politiewerk?van predictive policing naar effect-led policing. Als die kennis over de?effectiviteit van interventies wordt toegevoegd aan het systeem, verschuift?het politiewerk van effect-led policing naar prescriptive policing.?Het systeem kan dan niet alleen voorspellingen doen, maar op?basis van data uit het verleden ook adviseren over welke politie-inzet?in de gegeven situatie het meest effectief zal zijn.

Prescriptive policing werkt alleen als het is toegespitst op een specifiek?gebied. Als het systeem kan bepalen waarom iets op sommige plaatsen?wel werkt en op andere plaatsen niet, dan kan dat ge?xtrapoleerd worden?naar andere gebieden. Zonder de effectiviteit van elke interventie?in dat specifieke vakje te bepalen kan het systeem inschatten wat?waarschijnlijk wel of niet zal werken. Daarvoor moeten wel de relevante?kenmerken van een gebied bekend zijn, en de kenmerken van?interventies. Misschien werkt patrouilleren met de auto niet, maar met?de fiets wel. Of zijn er specifieke agenten die naast patrouilleren ook?andere acties ondernemen die zorgen dat er wel of geen effect is. Dat?maakt prescriptive policing moeilijker, maar tegelijkertijd ook veel
waardevoller. Het biedt de mogelijkheid om de jarenlange kennis en?ervaring in een context te plaatsen en deze te herhalen daar waar de?context gelijk is. Daarbij is het van belang dat een dergelijk systeem?niet dicteert wat er moet gebeuren. Zelfs als het systeem denkt dat de?context gelijk is, dan nog moeten agenten, analisten, leiding of?beleidsmakers vertrouwen op hun jarenlange ervaring en kennis, helemaal?aangezien een dergelijk systeem niet de creativiteit heeft om iets?nieuws te verzinnen. Het kan enkel de lessen uit het verleden zo goed?mogelijk vertalen. De uitkomst mag daarom hoogstens worden gezien?als een suggestie die de basis moet vormen voor een beslissing of discussie.?De mens blijft wat ons betreft de belangrijkste schakel in het?hele proces. Eerder in dit artikel haalden we al het principe ?human in?de loop by design? aan. Ook is er een juridisch argument om dit principe?toe te passen: de Wet bescherming persoonsgegevens stelt in artikel
42 lid 1 dat ?niemand kan worden onderworpen aan een besluit?waaraan voor hem rechtsgevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke?mate treft, indien dat besluit alleen wordt genomen op?grond van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens?bestemd om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid?.

Implementatie
Het doel van predictive en prescriptive policing is niet m??r boeven?vangen, maar misdrijven voorkomen door agenten effectief preventief?in te zetten. Dat vergt een cultuuromslag, waarbij het voorkomen van?slachtoffers voortaan centraal staat. Het ?reactief en op heterdaad?oppakken? verandert in ?proactief voorkomen?. Deze omslag vraagt om?sterk intern leiderschap en sturing. Ook zullen de prestatie-indicatoren?van de politie moeten worden aangepast: het gaat niet meer om?het behalen van bepaalde streefcijfers, maar om de effectiviteit van?politieoptreden. De politie wordt niet meer beloond voor haar inzet,?maar voor het effect dat zij bereikt.

De implementatie van beide vormen van policing gaat echter niet?alleen over de organisatiecultuur, maar ook over politiemensen, hun?competenties en hun samenwerking met de voorspellende software.?Daarnaast gaat het over processen, taken, besluitvorming en manier?van leidinggeven. Verder zal tijdens de implementatie veel aandacht?uitgaan naar de juiste informatiebronnen en integriteit van data. Tot?slot speelt techniek een rol in de implementatie, waarbij de ICT-architectuur?ingericht moet worden op deze nieuwe werkwijze, de juiste?software geselecteerd en aangeschaft moet worden en agenten op?straat de juiste tools krijgen aangereikt.

Alles hangt met elkaar samen. Daarom vraagt de implementatie om?een integrale benadering van doel, mens en organisatie, proces, informatie?en techniek. Daarbij onderscheiden we vier implementatieniveaus:?intelligence-led policing (informatiegestuurd optreden), predictive?policing (voorspellen), effect-led policing (effectmeting) en prescriptive?policing (contextgestuurde adviezen). Deze vier niveaus hebben?we in dit artikel toegelicht.

Discussie
In dit artikel hebben we laten zien wat predictive policing inhoudt en?welke mogelijkheden het biedt. De technologie staat nog in de kinderschoenen,?maar de ontwikkelingen gaan razendsnel. De Verenigde?Staten lopen hierin voorop. De Nederlandse politie heeft inmiddels de?eerste stappen gezet om van informatiegestuurd politiewerk te komen?tot voorspellend politiewerk. We hebben ook laten zien dat er risico?s?verbonden zijn aan deze nieuwe werkwijze. In ons boek Van predictive?naar prescriptive policing (Smit e.a. 2016) gaan we daar verder op in.

Wij bevelen daarom aan om niet klakkeloos voorspellende software te?implementeren in het politieproces, maar eerst te discussi?ren over?het doel en de mate waarin de software het politiewerk kan gaan?ondersteunen. Zorg er vervolgens voor dat deze nieuwe werkwijze?gepaard gaat met juridische, ethische en organisatorische waarborgen?en start daarna met kleinschalige experimenten die opgeschaald kunnen?worden tot landelijk niveau. Onderschat de veranderingen niet?die predictive policing met zich meebrengt. Dat vraagt om een goede?overdenking en om draagvlak binnen en buiten de politieorganisatie.

(*1) Scientifically Proven Field Results, 2013-2014, www.predpol.com/results.
(*2) Scientifically Proven Field Results, 2011-2012, www.predpol.com/results.
(*3) Zie IfmPt. 2015-2016, www. ifmpt. de.
(*4) Zie voor een overzicht van de risico?s van predictive policing het recente artikel van Kaya Bouma, ?Buienradar voor boeven? in De Groene Amsterdammer, www.groene.nl/artikel/buienradar-voor-boeven. Over de risico’s van etnisch profileren verscheen recent een artikel van Marc Schuilenburg op www.socialevraagstukken.nl/etnisch-profileren-is-onderdeel-van-vooringenomen-criminaliteitsbeleid.

Literatuur

Aldax 2015
M. Aldax, ?Richmond police chief?says department plans to discontinue??predictive policing? software?,?24 juni 2015.

Basulto 2014
D. Basulto, ?Relax, the futuristic?pre-crime system of ?Minority?Report? is still a long way from?becoming reality?, 6 november?2014.

Greenburg 2009
Z.O. Greenburg, ?America?s most?dangerous cities?, Forbes Magazine?23 april 2009.

Hiltzik 2014
M. Hiltzik, ?See some hilarious?charts showing that correlation is?not causation?, Los Angeles Times?12 mei 2014.

Kent Police 2013
Kent Police, PredPol operational?review ? Initial findings, Kent:?Corporate Services, Analysis?Department, Kent Police 2013.

Littooij 2015
A. Littooij, ?Brandweerradar??(J. D. Award, interviewer), 2015.

Mohler e.a. 2015
G. Mohler, M. Short, S. Malinowski,?M. Johnson, G. Tita,?A. Bertozzi & P. Brantingham,??Randomized controlled field?trials of predictive policing?, Journal?of the American Statistical?Association (110) 2015, afl. 512,?p. 1399-1411.

Nucleus Research 2010
Nucleus Research, IBM SPSS ROI?Case Study: Memphis Police?Department (Document K31),?Boston, MA: Nucleus Research,?Inc. 2010.

Orwell 1949
G. Orwell, Nineteen Eighty-Four,?New York: New American Library?1949.

Perry e.a. 2013
Q. Perry, B. McInnis, C. Price,?S. Smith & J. Hollywood, Predictive?policing ? The role of crime?forecasting in law enforcement?operations, Santa Monica, CA:?Rand Corporation 2013.

Smit 2014
S. Smit, ?Computermodel voorspelt?overlast in woonwijken ? en?wanneer die uitblijft?, Secondant?30 april 2014.

Smit e.a. 2016
S. Smit, A. de Vries, R. van Kleij &?H. van Vliet, Van predictive policing?naar prescriptive policing,?Den Haag: TNO 2016.

Stroud 2014
M. Stroud, ?The minority report:?Chicago?s new police computer?predicts crimes, but is it racist??,?The Verge 19 februari 2014.

Van Weerdt & De Vries 2014
C. van Weerdt & A. de Vries,?Dienstverlening verbeteren met?Big Data. Een verkenning voor?gemeenten. Den Haag: TNO 2014.

Willems & Doeleman 2014
D. Willems & R. Doeleman, ?Criminaliteits?Anticipatie Systeem?,?het Tijdschrift voor de Politie?2014, p. 39-42.

Williams 2006
A. Williams, ?Blue C.R.U.S.H.?walks its beat among community?organizations?, Memphis Daily?News 16 november 2006.

[slideshare id=64129657&doc=jv1603-volledige-teksttcm44-643006-160718154218&type=d]

Bronnen:?Justiti?le verkenningen,?jrg. 42, nr. 3, 2016

Dit artikel is gebaseerd op het boek Van?predictive naar prescriptive policing, uitgegeven door TNO en geschreven door Selmar?Smit, Arnout de Vries, Rick van der Kleij en Hans van Vliet. Dit boek is te downloaden via?www.tno.nl/prescriptive-policing.

 

In de h200d: een eigentijdse etnografie

Robby Roks heeft verslag gelegd van een langdurig etnografisch onderzoek onder (ex-)leden van de Haagse jeugdbende Rollin 200 Crips. Drs. Robby Roks is als universitair docent verbonden aan de sectie Criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Gedurende het veldwerk heeft de auteur de mogelijkheden van sociale media verkend. Hij laat zien dat de activiteiten van deze jongeren zich in toenemende mate op social media afspelen en dat de grens tussen offline en online steeds moeilijker te trekken is. Posts en foto?s op social media kunnen op eenvoudige wijze door criminologen worden gebruikt voor dataverzameling, terwijl social media ook kunnen dienen als platform om contact te leggen en te communiceren met informanten. Ten slotte staat deze auteur stil bij de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Juan: ?Twitter tripple OG?S? (11-08-2013 17:06)
Fernando: @Juan: ?hahahah Rollin Twitter Crips? (11-08-2013 17:10)

De bovenstaande ?tweets? zijn afkomstig van twee jongeren die ik in?het kader van het veldwerk voor mijn promotieonderzoek vanaf 2011?tot en met 2013 heb gevolgd. Juan en Fernando, twee gefingeerde?namen, hebben allebei deel uitgemaakt van de Rollin 200 Crips, een?Nederlandse ?gang? naar Amerikaans voorbeeld die sinds de jaren?negentig in de media geregeld van zich heeft laten horen. (o.a. in de documentaire Strapped ?n strong uit 2009, maar ook in het boek Crips.nl van Saul van Stapele uit 2003 en diverse artikelen in het tijdschrift Nieuwe Revu, zoals Van Stapele 1998; 2009). Hun tweets?verwijzen naar de toenemende virtualisering van de Nederlandse?straatcultuur. OG, oftewel ?Original Gangster?, is slang die afkomstig is?uit de Verenigde Staten, maar als gevolg van de mondiale verspreiding?van Amerikaanse gang- en straatstijlen ook onderdeel is geworden van?het vocabulaire van jongeren in Nederland. Op Twitter wordt volgens?Juan geclaimd dat mensen ?Tripple OG? zijn: een term die gebruikt?wordt als verwijzing naar een hoge hi?rarchische en respectabele positie?op straat. Fernando lacht uitbundig om de opmerking van Juan en
maakt van Rollin 200 Crips de ?Rollin Twitter Crips?, implicerend dat?de activiteiten van de Crips zich in toenemende mate op social media?afspelen.

In deze bijdrage wil ik laten zien dat social media een relatief onontgonnen?bron van criminologisch relevante data kunnen opleveren. In?het bijzonder wil ik daarbij het belang van deze online praktijken illustreren?voor eigentijds etnografisch onderzoek. Ten slotte sta ik stil bij?de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het?gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Etnografisch onderzoek
Sinds de Chicago School kent etnografisch onderzoek een stevige verankering?in de historie van de criminologie. Door de jaren heen lijkt er?een wisselende belangstelling te bestaan voor deze onderzoeksbenadering,?mede als gevolg van discussies over ethiek (Adler & Adler 1998)?en het tijdsintensieve proces van dataverzameling. In toenemende?mate wordt echter gewezen op de meerwaarde van dit methodologische?perspectief voor de criminologie (Ferrell & Hamm 1998), ook in?Nederland (Schuilenburg e.a. 2011, p. 13-14).

Etnografisch onderzoek vormt niet zozeer een methode van onderzoek,?maar dient gezien te worden als een onderzoeksbenadering die?meerdere methoden behelst. Naast participerende observatie, wordt?veldwerk gekenmerkt door het gebruik van diverse methoden en technieken,?zoals interviewen, maar ook het verzamelen en analyseren van?allerlei persoonlijke documenten. De kern van het verrichten van?etnografisch veldwerk is gelegen in het ?being there?: het langdurig?deelgenoot worden van een gemeenschap, cultuur of setting om deze?leefwereld van binnenuit te begrijpen en te beschrijven (Zaitch e.a.?2010, p. 262-274). Er valt een aantal ontwikkelingen waar te nemen die?inwerken op het centrale uitgangspunt van ?being there?. Allereerst?hebben processen van mondialisering invloed op de betekenis die?wordt gehecht aan de notie van lokaliteit (Wittel 2000). Hannerz pleit?om die reden voor zogenaamde ?multi-sited ethnographies? om recht?te doen aan het feit dat personen, verhalen en objecten steeds mobieler?worden (Hannerz 2003). Een hieraan verwante ontwikkeling betreft?de komst van het internet en de toenemende virtualisering van het?dagelijks leven.

Het internet biedt voor onderzoekers interessante uitdagingen, vooral?in methodologische zin. Ook binnen de criminologie is aandacht voor?het gebruik van internet bij het verrichten van kwalitatief onderzoek?(vgl. Flick 2010). In een themanummer van het Tijdschrift voor Criminologie?(2013) wordt daarbij onder andere gewezen op het gebruik van?online dader- en slachtofferenqu?tes, de opkomst van Big Data, digitale?of virtuele vormen van participerende observatie of het gebruik?van computertechnologie als aanvullend hulpmiddel waarmee respondenten
aan virtuele situaties kunnen worden blootgesteld (Van?Erp e.a. 2013, p. 332-333). Wat opvalt wanneer de mogelijkheden van?de gedigitaliseerde wereld worden verkend, is dat er over het algemeen?een (te) strikte scheiding wordt aangebracht tussen het verrichten?van online en offline onderzoek. Het is de vraag of een dergelijke?binaire scheiding voldoende recht doet aan de werkelijkheid (vgl. o.a.?Leander & McKim 2003; De Jong & Schuilenburg 2006; Murthy 2008;?Ferrell e.a. 2015). Online en offline praktijken raken immers in toenemende?mate verweven met elkaar, een ontwikkeling die nadrukkelijke?consequenties heeft voor het ?being there?. Etnografisch onderzoek?zou anno 2016 niet enkel aandacht moeten hebben voor wat respondenten
offline doen en zeggen, maar tevens proberen te incorporeren?wat zij online doen en zeggen. De mogelijkheden en moeilijkheden die?daarmee gepaard gaan, wil ik illustreren aan de hand van mijn veldwerk??in de h200d? (Roks 2016).

Offline in de h200d
Het startpunt voor mijn onderzoek naar de inbedding van criminaliteit?en identiteit was een kleine wijk in Den Haag, die in de volksmond?bekendstaat als het Vergeten Dorp. Sinds eind jaren tachtig van de?vorige eeuw claimen de Haagse Crips deze buurt als hun territorium?en noemen ze het hun ?h200d?.

?H200d? (uitgesproken als ?hood?) vormt een verbastering van het Engelse ?neighborhood?. Het vervangen van de letters ?O? in het woord door het getal ?200? vormt een verwijzing naar de volledige naam van deze Haagse Crips, de Rollin 200 Crips. Het gebruik van de term ?h200d? dient te worden gezien als een manier waarmee de Rollin 200 Crips de fysieke ruimte van het Vergeten Dorp claimen als hun territorium.

In januari 2011 begon ik mijn veldwerk?in de h200d met het intensiveren van de contacten die ik daar?had opgedaan in een eerder onderzoek (Roks 2007). Omdat mijn gatekeeper?Keylow, de leider en oprichter van deze Haagse Crips, op dat?moment in detentie verbleef, zocht ik naar plekken in de buurt waar?het sociale leven zich afspeelt. In navolging van anderen (o.a. Van
Gemert 1998; De Jong 2007) begon ik in het lokale buurthuis. Daar?bezocht ik, na overleg met de jongerenwerker, een paar keer per week?de inloop van het jongerenwerk. Ongeveer vijftig jongeren tussen de?12 en 20 jaar uit het Vergeten Dorp en omringende buurten kwamen?daar op vaste tijden bijeen in een kleine ruimte van het buurthuis.

Omdat deze inloop alleen werd bezocht door jonge buurtbewoners,?besloot ik ook contact te zoeken met de actieve bewonersorganisatie?die het Vergeten Dorp van oudsher kent. Een halfjaar en een flink aantal?e-mails later kwam ik in contact met de voorzitter en penningmeester?en werd ik uitgenodigd om de maandelijkse vergaderingen?van de bewonersorganisatie bij te wonen.

Toen Keylow een halfjaar na de start van mijn veldwerk weer in vrijheid?werd gesteld, besloot ik meer te investeren in het opbouwen van?relaties met leden van de Crips. Een direct gevolg hiervan was dat ik?minder tijd stak in het onderhouden en uitbouwen van contacten met?jongeren uit de buurt en oudere buurtbewoners. Omdat het buurthuis?bovendien in de zomermaanden gesloten bleef, zorgde dit voor een?extra complicerende factor voor mijn relaties met jongeren uit de?buurt. Ook het contact met de Crips verliep in het begin moeizaam,?ook al had ik al enkele jaren geleden het vertrouwen van mijn gatekeeper?Keylow weten te winnen. Bij afwezigheid van Keylow in de h200d?werd ik niet gegroet en op tijden zelfs opzichtig genegeerd wanneer ik?een gesprek probeerde aan te knopen. Het duurde bij sommige respondenten?meer dan een jaar, waarin ik de buurt meermaals per week?bezocht, voordat ze mijn aanwezigheid in hun nabijheid tolereerden?en mij actief betrokken in gesprekken. Na een jaar waarin vooral de?nadruk op observeren lag en ik bewust niemand van de Crips heb?ge?nterviewd, was ik gedurende de zomermaanden van 2012 in staat
om mezelf te midden van de Crips te begeven. Langzaamaan begon ik?met het systematisch verzamelen van informatie over de individuele?leden van de Crips. Mijn rol verschoof hierbij gradueel richting participerende?vormen van onderzoek in de vorm van gezamenlijke sportactiviteiten?en het luisteren van muziek, maar hoofdzakelijk het hele?dagen rondhangen in de h200d.

Het leggen van contacten in het buurthuis verliep in het begin eveneens?uiterst moeizaam. Tijdens mijn bezoeken aan het buurthuis trof?ik dezelfde jongeren die ik eerder in 2007 had gezien in de buurt, maar?die toen nog hooguit 10 of 11 jaar waren. Bovendien herkende ik een?deel van de bezoekers van het buurthuis van gezicht omdat zij naar?voren komen in de documentaire Strapped ?n strong (2009) over de?Rollin 200 Crips. Naarmate ik vaker in het buurthuis kwam, werd het?contact met sommige jongeren beter. In de periode dat ik meer tijd op?straat met de Crips doorbracht, zag ik deze jongeren echter steeds?minder. Slechts sporadisch trof ik ze nog op straat of in de wijk en het?contact met een deel van hen dreigde te verwateren.

Online in de h200d
Tijdens mijn eerste bezoeken aan de inloop sprong in het oog hoezeer?de jongeren gebruik maakten van sociaalnetwerksites als Hyves en?Twitter via de internetverbinding op de vaste computers in het buurthuis?of op hun mobiele telefoons. Op momenten dat ik niet in het Vergeten?Dorp of in het buurthuis was, probeerde ik de jongeren online te?vinden. Een probleem daarbij was dat lang niet iedereen onder zijn of?haar eigen naam actief is op social media. Na het nodige zoekwerk en?het systematisch doorzoeken van zogenaamde ?followlijsten? en hun?online ?vrienden? vond ik het grootste deel van de jongeren uit de?buurt online. Uiteindelijk heb ik van veertig jongere respondenten die?actief gebruik maken van social media als Twitter, Facebook en Instagram?gedurende drie jaar hun online activiteiten gemonitord, opgeslagen?en geanalyseerd.

Social media bieden mogelijkheden voor verschillende rollen, analoog?aan de methode van participerende observatie in bredere zin. De?nadruk tijdens mijn bezoeken aan de inloop in het buurthuis lag op?observeren. Onder de noemer ?lurking? (Leander & McKim 2003) of??cyberstealth? (Murthy 2008) is dit ook mogelijk online. De socialmedia-accounts?van de jongeren uit de buurt bevatten een scala aan relevante?informatie. Demografische gegevens, zoals leeftijd, afkomst en?woonplaats, waren te vinden op de openbare profielen. Op ?timelines??op Twitter stond daarnaast informatie over school, bijbanen, werk,?hobby?s en andere activiteiten in hun vrije tijd. De interactie tussen?jongeren op social media leerde mij bovendien veel over welke jongeren?met elkaar in contact staan en online veel contact met elkaar?onderhouden.

Door het volgen van hun online praktijken op social media kreeg ik op?een eenvoudige manier veel te weten over deze jongeren. Enigszins tot?mijn verbazing stuitte ik op social media bovendien op informatie?waarvan ik op voorhand niet direct had verwacht deze online te vinden.?In het buurthuis en op straat gingen gesprekken tussen jongeren?onderling geregeld over hun criminele betrokkenheid of hun aanrakingen?met politie. In het begin vonden dergelijke conversaties niet in?mijn aanwezigheid plaats en vielen jongeren stil of deden ze geheimzinnig?wanneer ik in staat was om delen van een gesprek op te vangen.?Met de jongeren sprak ik hoofdzakelijk over meer neutrale onderwerpen,?in het bijzonder omdat ik door enkele jongeren uitgemaakt was?voor ?po-po? of ?scotoe?. Dezelfde jongeren leken op social media veel?minder bezig met het afschermen van hun activiteiten op straat. Sterker?nog: social media werden expliciet gebruikt om de indruk te wekken?van criminele betrokkenheid.

Het eerste thema dat op social media valt waar te nemen, is geweld, in?het bijzonder in de vorm van het tonen van (vuur)wapens of kogels?(zie figuur 1 en 2).

Figuur 1

hood1

Figuur 1 is een beeldfragment dat afkomstig is uit de documentaire?Strapped ?n strong (2009), waarop twee jongeren uit de buurt, gehuld?in de voor de Crips kenmerkende blauwe kledingstijl, een volautomatisch?machinegeweer dragen. Het onderschrift ?hoodmovement? verhult?bovendien de mate van trots en identiteit die ontleend wordt aan?het feit dat de jongen afkomstig is uit de wijk waar de Crips hun wortels?hebben. Ondanks de symboliek van de Crips die hier gecommuniceerd?wordt, maakt de jongen in kwestie geen onderdeel uit van de?Rollin 200 Crips. Sterker nog: tijdens mijn onderzoek stond hij lange?tijd op gespannen voet met enkele jongere leden van de Crips.?Figuur 2 is een voorbeeld van een post waarop een vuurwapen wordt?getoond. Er bestaan hierbij verschillen tussen jongeren wat betreft

Figuur 2

hood2

hun herkenbaarheid wanneer ze afbeeldingen met vuurwapens of?kogels plaatsen op social media. Gedurende mijn veldwerk viel hierin?een ontwikkeling waar te nemen en verschenen de jongeren steeds?minder met hun gezicht in beeld. Deels was dit het gevolg van verhalen?die er op straat verteld werden over jongeren die door de politie?opgepakt werden vanwege het posten van dergelijke foto?s. Bovendien?bleven afbeeldingen met vuurwapens over het algemeen slechts een?beperkte tijd online staan en werden ze vaak nog dezelfde dag, nadat?de foto?s tientallen likes hadden gekregen, weer verwijderd.?Een tweede veelvoorkomend thema betreft het tonen van grote hoeveelheden?contact geld. Railey toont op figuur 3 dat hij in zijn zak een??bom? heeft bestaande uit diverse gekleurde bankbiljetten.

Figuur 3

hood3

Reynaldo plaatste een video op Instagram, waarvan figuur 4 een?snapshot vormt, waarop hij gedurende enkele seconden demonstratief?een stapel geld aan het tellen is. Naast het tentoonspreiden van?hun weelde, laat een deel van deze jongeren er op social media geen?misverstand over bestaan wat de herkomst van deze verdiensten is. In?tweets bieden zij onder andere scooters, televisies, tablets of telefoons?te koop aan, maar wordt er eveneens geadverteerd met diensten op?het gebied van de verkoop van drugs.

Social media worden ook gebruikt om uitdrukking te geven aan het?feit dat de politie op straat beschouwd wordt als ?de natuurlijke vijand?

Figuur 4

hood4

(De Jong 2007, p. 67). Met tweets als ?Fuck the Cops?, ?Fucc a popo? en??Fuck de 5?0??presenteren sommige jongeren op wekelijkse basis ? en?een enkeling zelfs dagelijks ? hun aversie tegen de politie.?Over de ontstaansgeschiedenis van deze denigrerende termen voor de politie doen op?internet diverse verhalen de ronde. Door populaire Amerikaanse films, series en (rap)muziek hebben deze termen?een mondiale verspreiding gekregen.

Een enkeling?heeft dit in de vorm van een tatoeage met ?FTP? ? oftewel Fuck The?Police ? zelfs vereeuwigd op zijn lichaam. Een specifiek thema waarin?de relatie met de politie naar voren komt, is ?snitchen?: het geven van?belastende verklaringen bij de politie over anderen, onder andere tijdens?verhoren (Roks 2015). Naast scheldkanonnades richting het?adres van politie, plaatsen de jongeren foto?s online van vrienden die?staande worden gehouden, worden gearresteerd, vrienden die vastzitten?en zich laten fotograferen tijdens hun gevangenisstraf van achter?de tralies (figuur 5), en ook verdachte vrienden worden tijdens rechtszaken?in de beklaagdenbank op de gevoelige plaat vastgelegd.

Figuur 5

hood5

Ook de afwikkeling van strafzaken valt online te volgen. Zo doet Jack?eigenhandig verslag van zijn rechtszaak. Hij begint op 11 mei 2011 met?de tweets ?Dood zenuw8tig main?, gevolgd door ?Morgen voorkomen?.?Een dag later brengt hij uitvoeriger verslag uit:

?@paleis van justesie? (12-05-2011 08:49)
?Fuck rechtzaken? (12-05-2011 09:55)
?Fuck werk school allleS !? (12-05-2011 09:55)
?Nu rechtzaak? (12-05-2011 10:33)
?Nu w8ten op uitspraak? (12-05-2011 11:14)
?Vrij kkk gesproken mossssssss !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!? (12-05-2011 13:00)
?Moss eerst 90 dagen zitten nu gewooon vrygesproken? (12-05-2011?13:08)

De eerdergenoemde Fernando plaatst eerst ?OMW rechtzaak?, om vervolgens?figuur 6 op Instagram te plaatsen. De foto, genomen voor het?Paleis van Justitie in Den Haag, is zo bewerkt dat er staat ?Eis van Justitie?,?terwijl de print op de rode trui van Fernando leest: ?FOKDEMCOPS?.

Naast inhoudelijk relevante informatie bieden social media eveneens?mogelijkheden tot het benaderen en werven van respondenten. Zo?werden telefoonnummers en e-mailadressen genoemd in berichten,?geplaatst onder afbeeldingen of gepubliceerd op gebruikersprofielen.?Daarnaast maakten veel jongeren gebruik van social media om met?elkaar af te spreken. Op die manier kreeg ik zicht op locaties in de stad?of buurt waar respondenten zich bevonden of openbare plekken waar?zij veel tijd doorbrachten. Bovendien bieden diverse sociaalnetwerksites?functies die gebruikers in staat stellen om priv?berichten of een?zogenaamde ?DM? (Direct Message) te sturen. Deze mogelijkheden?gebruikte ik om af te spreken met jongeren die ik offline langere tijd?niet had gezien of die ik wat langer een-op-een wilde spreken. Toch?was deze laagdrempelige manier van het leggen van contacten niet?altijd even succesvol en heeft een aantal respondenten nooit gereageerd?op mijn verzoeken, ondanks herhaaldelijke berichten. In die?gevallen probeerde ik hen offline te benaderen.?Ook offline verliep het benaderen van respondenten niet zonder problemen. De centrale?bevindingen in mijn proefschrift baseer ik op een netwerk van 150 respondenten. Van zestig?van deze respondenten heb ik gedetailleerde informatie verzameld, ofwel op basis van
??n (of meerdere) interview(s), ofwel omdat ik ze gedurende drie jaar meermaals op informele?basis heb gesproken en heb geobserveerd.

Beperkingen en dilemma?s: selectie, het gebruik van beelden en?performance
Social media bieden diverse mogelijkheden voor criminologisch?onderzoek, maar het gebruik van deze data dwingt ook tot een reflectie?op de beperkingen en brengt bovendien een aantal ethische
dilemma?s met zich mee. Een aantal van deze methodologische vertekeningen?is vergelijkbaar met de problemen en dilemma?s die inherent?zijn aan de meer klassieke, offline kwalitatieve methoden. Etnografisch?onderzoek kent als evident nadeel dat de nadrukkelijke aanwezigheid?van de onderzoeker en zijn of haar ?selectieve oog? invloed?kunnen hebben op de resultaten van de studie. Naast de beperkte?externe validiteit, gaat het gebruik van deze onderzoeksbenadering

Figuur 6

hood6

gepaard met diverse morele, juridische en ethische dilemma?s (Zaitch?e.a. 2010, p. 282-284). De toevoeging van een online dimensie aan?offline praktijken roept een aantal nieuwe vragen op.

De eerste beperking ten aanzien van online vormen van kwalitatief?onderzoek betreft selectiviteit. Tussen de respondenten in mijn studie?bleek een verschil te bestaan in de mate waarin zij actief waren op?social media. Vrijwel iedere jongere maakte gebruik van (meerdere)?social media en plaatste dagelijks meerdere foto?s of berichten. De?online praktijken van respondenten boven de 30 vielen veel minder?goed waar te nemen.?Wel viel er een opmerkelijke gelijkenis waar te nemen tussen wat jongere respondenten?op social media plaatsten en de profielfoto?s op BlackBerry ?Ping? en WhatsApp van?oudere respondenten.

Daarnaast bestond er een duidelijk verschil tussen?welke informatie online werd geplaatst. Sommigen plaatsten allerlei?facetten van hun dagelijks leven online, inclusief (de suggestie van)
hun criminele betrokkenheid, terwijl anderen zich beperkten tot het?reageren op berichten en foto?s van anderen. Als onderzoeker heb ik?hierdoor (slechts) zicht gekregen op een deel van de activiteiten van?deze veertig respondenten op social media. Dit geldt overigens eveneens?voor de offline praktijken van mijn respondenten: ondanks dat ik?getracht heb zo veel mogelijk deelgenoot te worden van hun dagelijks?leven, is er onherroepelijk een deel aan mijn oog onttrokken gebleven.?Het is immers onmogelijk om altijd en overal in het veld aanwezig te?zijn. Daarnaast hebben respondenten, ongeacht hoe hecht of vriendschappelijk?onze relatie in de loop der jaren werd, ook altijd een deel?van hun leven voor mij weten af te schermen.?Een bijkomende uitdaging op social media was dat jongeren zich in?toenemende mate?bewust leken van hun zichtbaarheid en privacy op?internet en zodoende hun profielen en accounts afschermden met de?mogelijkheden die sociaalnetwerksites daartoe bieden. Rond de start van mijn veldwerk was hier nauwelijks sprake van. Tegen het einde van mijn?onderzoek leken respondenten echter veel meer gebruik te maken van de mogelijkheden?die sociaalnetwerksites bieden om hun profielen af te schermen. Om toch toegang?te krijgen tot de inhoud van iemands online profiel of timeline,?dient dan een vriendschaps- of volgverzoek te worden verstuurd. Aan?de veertig respondenten die ik op social media gedurende drie jaar?heb gevolgd, heb ik allemaal een vriendschaps- of volgverzoek verstuurd.?Daarbij kwam het overigens ook voor dat respondenten mij een vriendschaps- of volgverzoek?stuurden.?Op een enkel geval na werden deze verzoeken vrijwel direct?geaccepteerd, naar alle waarschijnlijkheid omdat ik hen, op een enkeling na, ook offline ken of wel eens ontmoet heb. Daarbij was ik online?transparant over mijn identiteit als onderzoeker. Naast persoonlijke
foto?s valt in de profielen van mijn eigen socialmedia-accounts te?lezen dat ik als criminoloog verbonden ben aan de Erasmus Universiteit?Rotterdam.

Het gebruik van de berichten, afbeeldingen en video?s op social media?roept vervolgens de vraag op hoe deze informatie gebruikt kan worden,?in het bijzonder als het gaat om publicatie. Een dergelijk dilemma?doet zich ook voor als het gaat om offline vormen van etnografisch?onderzoek. Het gaat daarbij om ethische afwegingen rondom herkenen?herleidbaarheid, waarbij het de taak van de onderzoeker is om er zo?veel mogelijk zorg voor te dragen dat respondenten geen nadelige?gevolgen ondervinden van hun participatie aan het onderzoek (Van de?Bunt 2015). Op social media spelen deze overwegingen evenzeer,?maar wordt het complexer vanwege de visuele component: veel jongeren?maken immers foto?s en video?s van zichzelf, en elkaar, en plaatsen
deze in veel gevallen op openbaar toegankelijke profielen op internet.?Over de manier van het gebruiken van visuele data woeden discussies?over ethiek (Vanderveen 2010, p. 406-408). Allen (2015) werpt?de terechte vraag op of het anonimiseren van afbeeldingen, iets dat?gemeengoed is als het gaat om de verslaglegging van offline onderzoek,?geen farce maakt van de visuele dimensie van het onderzoek,?omdat het de respondent diens ?stem? ontneemt wanneer foto?s worden?geretoucheerd of ?geblurd?. In deze bijdrage, en in mijn proefschrift,?heb ik tweets geanonimiseerd en gezichten onherkenbaar?gemaakt. Een belangrijke overweging daarbij was dat het gaat om?afbeeldingen waarop strafbare feiten worden gepleegd, afgebeeld of?verbeeld. Ik heb ervoor gekozen om wel de verbeelding van deze?gedragingen, zoals wapens, kogels, grote hoeveelheden contant geld,?drugs en gestolen goederen te tonen, maar zonder gebruikersnaam of?gezicht. Herkenbaarheid van de respondent in kwestie had in dergelijke?gevallen geen meerwaarde of functie.

Een laatste beperking hangt samen met het voorgaande thema. Op?social media is het lang niet altijd duidelijk of afbeeldingen ?echt? of?authentiek zijn. Van Erp e.a. stellen daarnaast de terechte vraag ?of?online beweringen ook offline worden waargemaakt? (Van Erp e.a.?2013, p. 333). Social media bieden een dankbaar podium voor vormen?van ?impression management? (Goffman 1959), iets dat in het bijzonder?zichtbaar wordt als het gaat om online uitingen van straatcultuur?(Van den Broek 2013). In het geval van de voorbeelden in deze bijdrage?is het moeilijk om te achterhalen of we van doen hebben met echte?wapens of echt geld en of diegene die de afbeelding plaatst ook diegene?is die gefotografeerd is, behoudens de gevallen waarin gezichten?of andere duidelijk herkenbare persoonskenmerken zichtbaar zijn. De?informatie op social media lijkt in eerste instantie meer te zeggen over?de indrukken die respondenten willen overbrengen. Dit vormt een?beperking in het analyseren van online praktijken, maar dit geldt in?het bijzonder wanneer enkel wordt afgegaan op wat respondenten?online doen. Over het algemeen is kwalitatief onderzoek in staat om?zicht te geven op het bestaan van verschillen tussen wat mensen zeggen?en wat ze doen. In het geval van etnografisch onderzoek kan dit?bijvoorbeeld door het combineren van gesprekken met het observeren?van gedrag. Social media kunnen hierbij een extra dimensie aanbrengen,?die de onderzoeker in staat stelt om een inschatting te maken van?de manier waarop posts en poses zich verhouden tot offline praktijken,?maar ook andersom.

Conclusie
De prominente plaats van internet in ons dagelijks leven dwingt tot?een reflectie op de rol van online praktijken in wetenschappelijk?onderzoek. Het centrale punt dat ik in deze bijdrage heb willen maken,?is dat social media diverse relatief laagdrempelige, aanvullende mogelijkheden?bieden voor het verzamelen van data en het leggen van contacten?met respondenten. De toenemende mobiliteit en virtualisering?van het dagelijks leven hebben gevolgen voor het klassieke etnografische?uitgangspunt van ?being there?. Het gebruik van social media?kent daarbij beperkingen die in het verlengde liggen van discussies?rondom selectiviteit en ethiek die opgeld doen in offline vormen van?etnografisch onderzoek. Maar bovenal hoop ik dat deze bijdrage heeft?laten zien dat het incorporeren van online praktijken onderzoekers in?staat stelt om beter recht te doen aan het gegeven dat verhalen, ook?criminologisch relevante verhalen, zich niet langer enkel offline afspelen.

Literatuur
Adler & Adler 1998
P. Adler & P. Adler, ?Foreword:?Moving backward?, in: F. Ferrell?& M. Hamm (red.), Ethnography?at the edge: Crime, deviance and?field research, Boston: Northeastern?University Press 1998, p. xiixvi.

Allen 2015
L. Allen, ?Losing face? Photo-anonymisation?and visual research?integrity?, Visual Studies (30)?2015, afl. 3, p. 295-308.

Van den Broek 2013
J.B.A. van den Broek, Van de?straathoek naar Facebook. Een?onderzoek naar het gebruik van?social media door jongeren binnen?de straatcultuur (ongepubliceerde?masterscriptie). Erasmus
Universiteit Rotterdam 2013.?Van de Bunt 2015?H.G. van de Bunt, ?Ethische?dilemma?s bij criminologisch?onderzoek?, Tijdschrift over Cultuur?en Criminaliteit (5) 2015, afl.?1, p. 55-70.

Van Erp e.a. 2013
J. van Erp, D.W. Stol & J. van?Wilsem, ?Criminaliteit en criminologie?in een gedigitaliseerde?wereld?, Tijdschrift voor Criminologie?(55) 2013, afl. 4, p. 327-341.

Ferrell & Hamm 1998
J. Ferrell & M.S. Hamm, Ethnography?at the edge. Crime, deviance,?and field research, Boston:?Northeastern University Press?1998.

Ferrell e.a. 2015
J. Ferrell, K. Hayward & J. Young,?Cultural criminology: An invitation,?Londen: Sage 2015.

Flick 2010
U. Flick, ?Kwalitatief onlineonderzoek:?gebruik van internet?,?in: T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven/Den?Haag: Acco 2010,?p. 407-431.

Van Gemert 1998
F.H.M. van Gemert, Ieder voor?zich. Kansen, cultuur en criminaliteit?van Marokkaanse jongens,?Amsterdam: Het Spinhuis 1998.

Goffman 1959
E. Goffman, The presentation of?self in everyday life, Harmondsworth,?Middelsex: Penguin Books?1959.

Hannerz 2003
U. Hannerz, ?Being there? and?there? and there! Reflections on?multi-site ethnography?, Ethnography?(4) 2003, afl. 2, p. 201-216.

De Jong 2007
J.D. de Jong, Kapot moeilijk. Een?etnografisch onderzoek naar?opvallend delinquent groepsgedrag?van ?Marokkaanse? jongens,?Amsterdam: Aksant 2007.

De Jong & Schuilenburg 2006
A. de Jong & M. Schuilenburg,?Mediapolis. Populaire cultuur en?de stad, Rotterdam: Uitgeverij?010, 2006.

Leander & McKim 2003
K.M. Leander & K.K. McKim,??Tracing the everyday ?sitings? of?adolescents on the Internet: A?strategic adaption of ethnography?across online and offline?spaces?, Education, Communication
& Information (3) 2003, afl. 2,?p. 211-240.

Murthy 2008
D. Murthy, ?Digital ethnography:?An examination of the use of new?technologies for social research?,?Sociology (42) 2008, afl. 5,?p. 837-855.

Roks 2007
R.A. Roks, ?Het is hier toch geen?Amerika?? Reconstructie van de?criminele carri?re van een Nederlandse??gangsta? (ongepubliceerde?masterscriptie), Erasmus?Universiteit Rotterdam 2007.

Roks 2015
R.A. Roks, ?Never snitch broertje,?want de straat hoort het?, Ars?Aequi (64) 2015, afl. 5, p. 422-425.

Roks 2016
R.A. Roks, In de h200d. Een eigentijdse?etnografie over de inbedding?van criminaliteit en identiteit,?Rotterdam: Erasmus School?of Law 2016.

Schuilenburg e.a. 2011
M. Schuilenburg, D. Siegel,?R. Staring & R. van Swaaningen,??Over cultuur en criminaliteit?,?Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit?2011, afl. 1, p. 3-17.

Van Stapele 1998
S. van Stapele, ?Crips?, Nieuwe?Revu (15) 1998, afl. 3, p. 42-47.

Van Stapele 2003
S. van Stapele, Crips.nl: 15 jaar?gangcultuur in Nederland,?Amsterdam: Vassallucci 2003.

Van Stapele 2009
S. van Stapele, ?Papa is een Crip?,?Revu (45) 2009, afl. 14, p. 22-28.

Vanderveen 2010
G. Vanderveen, ?Visuele data en?methoden in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven:?Acco 2010, p. 380-413.

Wittel 2000
A. Wittel, ?Ethnography on the?move: From field to net to Internet?,?Forum: Qualitative Sozialforschung/Forum:?Qualitative?Social Research (1) 2000, afl. 1,

Zaitch e.a. 2010
D. Zaitch, D. Mortelmans &?T. Decorte, ?Participerende?observatie in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie.?Leuven: Acco 2010, p. 257-309.

Bron: Justiti?le verkenningen, jrg. 42, nr. 1, 2016