Tagarchief: zoeken

Boeven vangen met slimme burgers

Met burgeropsporing is meer mogelijk dan wordt gedacht, blijkt uit een eerder dit jaar gehouden FASTNL Hackathon. Deskundigen van binnen en buiten de politie beten zich vast in 85 zaken met voortvluchtige veroordeelden.

Op 21 januari 2020 vond op de militaire kazerne in Wezep de FASTNL Hackathon plaats. Het doel was het opsporen van voortvluchtige criminelen. Er werd specifiek gezocht naar personen die
onherroepelijk veroordeeld zijn en minimaal driehonderd dagen celstraf moeten voldoen, maar nog niet zijn aangehouden. De 86 deskundigen op het gebied van Open Source Intelligence (OSINT) van binnen en buiten de politie beten zich tijdens deze hackathon vast in 85 zaken die door het Fugitive Active Search Team Nederland (FASTNL) van de Dienst Landelijke Recherche (DLR) werden aangeleverd.

1. Innovatief
De hackathon is een van de innovatieve ideeën uit de koker van de beweging BlueM binnen de politie. Geïnspireerd door de documentaire ‘Truth in a posttruth world’ organiseerden zij begin 2019 een Osint­challenge en een masterclass met Bellingcat­oprichter Eliot Higgins. Het succes van deze challenge en het BlueM­motto ‘DURFTEDOEN, DURFTEFALEN’ leidden een halfjaar later tot
de Coldcase Hackathon, waarbij honderd Osint­experts van binnen en buiten de politie aan de slag gingen met coldcases, vermissingen en voortvluchtigen. Vooral het opsporen van voortvluchtigen bleek zich te lenen voor publiek­private samenwerking. Het succes van de dag leidde direct tot een volgende hackathon, nu volledig gericht op FASTNL­zaken.

2. Cocreatie
Traditioneel wordt binnen de politie gebruik gemaakt van burgerparticipatie: burgers helpen de politie door bijvoorbeeld het geven van informatie. De laatste jaren is er ook een beweging naar politieparticipatie zichtbaar, waarbij de politie burgers ondersteunt bij het organiseren van hun eigen veiligheid. De hackathon gaat nog een stap verder en kan worden gezien als de ultieme vorm van samenwerking, namelijk cocreatie. Burgers en publiek­private partijen werken gelijkwaardig samen bij het opsporen van voortvluchtigen. Voor de politie creëert deze samenwerking kansen voor de toekomst: naast extra capaciteit bieden deze partijen kennis, expertise en ervaring die de politie niet altijd zelf tot haar beschikking heeft.

3. Open bronnen-onderzoek
Het werkzame mechanisme van de hackathon is Osint, oftewel open source intelligence. De kracht van Osint komt voort uit een samenleving die volop in beweging is. Technologische ontwikkelingen maken dat mensen sterker dan ooit (digitaal) met elkaar verbonden zijn. Via internet hebben ze toegang tot grote hoeveelheden informatie, tools en vaardigheden. Tegelijkertijd laten mensen ook steeds meer sporen achter in de digitale wereld, bijvoorbeeld via sociale media of apps zoals Strava. Open bronnen­onderzoek is een waardevolle aanvulling op traditionele opsporingsmethoden en kan veelal door burgers zonder bijzondere opsporingsbevoegdheid worden uitgevoerd.

4. Privacy
Het voornaamste obstakel om als politie met burgers en publiek-private partijen samen te kunnen werken heeft betrekking op de privacyregelgeving. Om het delen van gegevens juridisch mogelijk
én WPG-proof te maken, werd door de dienstleiding van de DLR onder een aantal strikte voorwaarden, waaronder een ondertekende geheimhoudingsverklaring, autorisatie verleend om
ten behoeve de hackathon informatie te delen. Op dit moment wordt door BlueM, FASTNL, het OM en de Gegevensautoriteit gewerkt aan een leidraad gegevensvertrekking ten behoeve van
burgerparticipatie en publiek-private samenwerking in de opsporing.

5. Opbrengsten
Om 20.00 uur ’s avonds werd een voorlopige balans opgemaakt. Een inventarisatie onder de acht gelegenheidsteams leverde de volgende resultaten op:

  • 6 traceringen van personen op landniveau,
  • 12 traceringen van personen op plaatsniveau,
  • 15 traceringen van personen op adresniveau,
  • 2 personen bleken in het buitenland te zijn gedetineerd, en
  • 1 persoon bleek in het buitenland te zijn overleden.

De hackathon illustreert de kracht van zowel Osint-onderzoek als publiek-private samenwerking. Om 17.14 uur was de eerste aanhouding een feit. In de dagen daarna volgden als direct gevolg van de hackathon nog eens 10 aanhoudingen.

In de overige onderzochte zaken heeft de hackathon geleid tot een verbeterde informatiepositie. Door het vervolgens inzetten van opsporingsmiddelen konden nog enkele aanhoudingen worden
verricht. De verwachting is dat er in de loop van het jaar meer aanhoudingen zullen volgen.

6. Nieuwe kennis ontsluiten
Het effect van de hackathon reikt verder dan de resultaten van de individuele opsporingsonderzoeken. Uit de evaluatie blijkt dat de grootste waarde vestond uit de gelegenheid voor deelnemers om kennis te delen, te leren van elkaars werkwijzen en om te netwerken. De hackathon kan worden gezien als werkwijze om nieuwe kennis en contacten voor de politie te ontsluiten, (gelegenheids)
coalities te vormen en verbonden te zijn bij actuele, voor de opsporing relevante, maatschappelijke ontwikkelingen.

Altijd bij oma beginnen
Criminelen zijn meestal voorzichtig op internet. Over de gezochte persoon zelf is daarom zelden iets op naam te vinden. De directe omgeving daarentegen is vaak minder alert. Het loont dan ook om het netwerk rondom de persoon in kaart brengen: vader, moeder, partner, kinderen en medeverdachten. Een gouden regel binnen Osint: oma’s plaatsen altijd foto’s van hun kleinkinderen. Zo was er een oma die onder haar eigen naam een Facebook-account had. Hierop had zij nietsvermoedend enkele foto’s van haar kleinkinderen geplaatst. Deze leidden naar de social media-accounts van de kleinkinderen. Op een aantal Instagram-posts van de kleinzoon was een opvallende dure auto te zien. Het uitvergroten van een van deze foto’s toonde een persoon die voldeed aan
het signalement van de gezochte persoon. Een aantal foto’s konden onderzoekers vervolgens ‘geolocaten’ met behulp van open bronnen zoals Google Maps. Deze plekken werden gematcht met locaties van bedrijven en horecagelegenheden die op social media geliket werden door het netwerk van de gezochte persoon. Hierdoor werd een waarschijnlijke verblijfplaats gevonden in het buitenland. Op satellietbeelden was op de parkeerplaats niet alleen de vermoedelijke auto te zien, zelfs de bandensporen waren zichtbaar.

Door: Jerôme Lam (wetenschappelijk onderzoeker, Politieacademie), Nicolien Kop (lector Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde), Arnoud de Bruin (BlueM, aanjager aanpak cyber (enabled) crime, Eenheid Amsterdam), Stef de Jonge (teamleider FASTNL, Landelijke Eenheid).

[slideshare id=238231179&doc=lamkop2020fastnlhackathon20200121-200825130609&type=d]

Bron: Tijdschrift voor Politie

Politievrijwilligers in de opsporing

Politievrijwilligers in de opsporing: Over de wijze waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zij bij zoekzaken

Auteur: Koen Matheeuwsen

De opsporing heeft anno 2018 te kampen met een zogenaamde ‘effectiviteitscrisis’. Uitgangspunt van deze crisis is dat er slechts minder dan 1 op de 4 geregistreerde misdrijven wordt opgelost. Gesteld wordt dat burgers een belangrijke rol kunnen spelen in het opvijzelen van deze minimale cijfers. Burgers zijn immers de belangrijkste succesfactor voor effectief en efficiënt opsporen.
Politievrijwilligers betreffen burgers die zich zowel binnen de politieorganisatie als de burgermaatschappij bevinden. Uit onderzoek is gebleken dat politievrijwilligers over het algemeen
hoog opgeleid zijn en dat er door de politie niet of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en expertise die vrijwilligers meenemen vanuit hun betaalde functies. Vanuit deze hoedanigheid hebben politievrijwilligers de potentie interessant te zijn voor problemen die in de opsporing op specialistische terreinen spelen.

Dit gegeven wordt ingezien binnen het programma ‘herijking opsporing’, dat zich bezig houdt met het verhogen van de kwaliteit binnen de opsporing. Voor de politie-eenheid Midden-Nederland is
Margriet Algera de kartrekker van dit programma. Zij wilde dat er onderzoek gedaan werd naar de wijze(n) waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland. Hiertoe staat in onderhavige studie deze onderzoeksvraag centraal:

Op welke wijze(n) kunnen politievrijwilligers van meerwaarde zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland?

Ter beantwoording van de onderzoeksvraag zijn interviews afgenomen onder politievrijwilligers en leidinggevenden van de opsporing in de politie-eenheid Midden-Nederland. Hierbij stond centraal over welke meerwaarde(n) politievrijwilligers überhaupt beschikken, op welke wijze(n) zij ingezet kunnen worden ten aanzien van hun meerwaarde(n) en welke kansen, valkuilen en randvoorwaarden aan deze inzet verbonden zijn. Deze kansen, valkuilen en randvoorwaarden zijn ook besproken in een interview met een expert op het gebied van de inzet van politievrijwilligers binnen de opsporing. Ten behoeve van deze studie stonden zoekzaken centraal. Op basis van de interviews kan gesteld worden dat iedere politievrijwilliger ‘extra handjes’ kan leveren binnen de opsporing. Door deze ‘extra handjes’ kan de capaciteit van de opsporing vergroot worden. Dit kan worden beschouwd als een kwantitatieve meerwaarde.

Daarnaast beschikken politievrijwilligers over (de navolgende) kwalitatieve meerwaarden. Zo beschikt de politievrijwilliger over, al dan niet specialistische, kennis en ervaring. Deze kennis en
ervaring kan van meerwaarde zijn voor de opsporing. Hiermee kan immers het pallet van kennis en ervaring van de opsporingsorganisatie uitgebreid worden. Dit kan zaaksinhoudelijk of procesmatig nieuwe inzichten voor de opsporing opleveren.

Er bestaat een gerede kans dat politievrijwilligers over competenties beschikken die van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing. Binnen deze competenties kan een onderscheid gemaakt
worden tussen vaardigheden die raken aan de professionele beroepsomgeving van politievrijwilligers en meer algemene vaardigheden en eigenschappen.

Uit de interviews is gebleken dat de politievrijwilligers inhoudelijk beschikken over zeer verschillende netwerken. Al deze netwerken kunnen door hun expliciete kennis en ervaring, via de
politievrijwilligers, het pallet van kennis binnen de opsporing eveneens vergroten. Politievrijwilligers beschikken over een frisse blik en in mindere mate ook over creativiteit en innovatieve vermogens. Deze aspecten kunnen van meerwaarde zijn voor de opsporing. Vanuit zaaksinhoudelijk oogpunt kunnen deze aspecten tot nieuwe of andere inzichten binnen zaken leiden.
Procesmatig gezien kunnen deze aspecten leiden tot een effectievere en/of efficiëntere herziening van de opsporingsinstrumenten en –methoden.

Ten aanzien van bovengenoemde meerwaarden kunnen politievrijwilligers in de rol van (assistent-)rechercheur of in de rol van adviseur binnen de opsporing ingezet worden. In de rol van
(assistent-)rechercheur werken politievrijwilligers inhoudelijk aan een zaak mee. Al de genoemde meerwaarden zouden in deze rol tot uiting kunnen komen. In de adviseursrol adviseren politievrijwilligers onderzoeksteams, al dan niet vanuit kennis- en ervaringsachtergrond, in bepaalde zaken. Hierbij komen eveneens, met uitzondering van de ‘extra handjes’, alle meerwaarden tot uiting.

De inzet van politievrijwilligers in de gestelde rollen zou genoemde meerwaarden als kansen voor de opsporing kunnen opleveren, wat vervolgens tot een effectievere en efficiëntere opsporing kan leiden. Een inzet als (assistent-)rechercheur stuit echter op een aantal praktische valkuilen. De belangrijkste valkuil is dat politievrijwilligers slechts beperkt beschikbaar zijn voor de opsporing. Dit
zorgt voor een ongewenste vertraging in de voortgang van zaken. Deze valkuil geldt niet voor de inzet van politievrijwilligers in de rol van adviseur. Het onderzoek blijft immers voortgang houden indien de politievrijwilliger als adviseur wordt ingezet.

Geconcludeerd kan worden dat de meerwaarden van politievrijwilligers het meest effectief tot hun recht komen in de rol van adviseur. Om deze reden wordt aanbevolen om politievrijwilligers in een rol als adviseur binnen de opsporing in te zetten. Hiertoe dient van alle politievrijwilligers helder te zijn welke opleidings- en werkachtergrond zij hebben. Deze achtergronden dienen in een database geregistreerd te worden. Onderzoeksteams kunnen in gevallen dat zij verlegen zitten om bepaalde kennis, deze database ter hand nemen en vervolgens een beroep doen op een politievrijwilliger met specifieke kennis en ervaring. Tevens bestaat er een mogelijkheid om als opsporing politievrijwilligers breed over (specialistische) problemen binnen de opsporing te bevragen. Hiervoor is instemming van de politievrijwilligers benodigd.

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=238425304&doc=politievrijwilligersin-200909070850&type=d]

Bronnen: Politieacademie

Vermissingen op social media: verstandig?

Afgelopen week verscheen een interessant?artikel over social media en vermissingen, met daarin de rol?van de politie en die van particuliere initiatieven als ZoekjeMee.nl. Het stuk waarschuwt voor ondoordacht gebruik van social media, belangrijk genoeg om er ook op dit blog aandacht aan te besteden:

Je moet er niet aan denken: je kind, zus of beste vriend raakt vermist. In alle paniek gooi je er een bericht op Facebook of Twitter uit. Met maar ??n doel: de vermiste zo snel mogelijk terug vinden. Maar de politie waarschuwt voor dit soort oproepen op social media.

Er wordt vaak te veel persoonlijke informatie online gezet. Een foto van de vermiste met bijvoorbeeld informatie over medicijnengebruik of berichten dat iemand mogelijk in handen van loverboys is gevallen, worden binnen no-time honderden keren gedeeld.

Indianenverhalen

Zelfs als de vermiste terecht is blijven er indianenverhalen rondgaan. En dat is volgens Irma Schijf, co?rdinator vermissingen bij de politie, onnodig: “Alleen feiten en signalementen moeten op het internet worden gezet. Zo kan worden voorkomen dat priv?zaken op het internet belanden en er niet meer van afgaan. Je wil niet dat er zaken opduiken als iemand jaren later solliciteert.”

Toch zet ook de politie geregeld social media in bij vermissingen. Vorig jaar 565 keer om precies te zijn, maar dat lijkt relatief weinig bij een totaal van bijna twintigduizend vermiste personen. “Meestal is de vermiste er zich niet eens bewust van dat hij vermist is en zit hij een paar straten verderop bij vrienden. We gebruiken pas social media als het ons niet is gelukt om de vermiste op andere manieren te vinden”, zegt Schijf.

Het kan dus even duren voordat de politie daadwerkelijk actie onderneemt. En dat is een lastige situatie voor de achterblijvers, die de zaak het liefst zo snel mogelijk opgelost zien. Deze vader uit Breda nam dan ook het heft in eigen handen. Zijn zoon liep vorig jaar na een ruzie weg van huis en was een aantal dagen vermist.

Zoekjemee.nl

Om de gevolgen op de lange termijn te verkleinen, is het belangrijk de vermissingsberichten zo snel mogelijk van Facebook en Twitter te halen. “Op deze manier verdwijnen ook de gedeelde berichten en de retweets automatisch”, zegt Hans Huizenga van Zoekjemee.nl. Een stichting ontstaan vanuit een burgerinitiatief om op een veilige manier mee te helpen bij het opsporen van vermisten.

Hans heeft meer tips om een vermissing op een goede manier af te sluiten. Zo is het een slecht idee om de vermiste te taggen op social media: “Vaak wil iemand kort even rust, in plaats van gestoord worden door duizenden onbekenden.” Ook moet het bericht dat degene weer terecht is na een paar dagen offline, zodat er zo min mogelijk over de vermissingszaak op het internet blijft hangen.

Als iemand echt door nare dingen achtervolgd blijft, kan een aanvraag bij Google worden ingediend om zoekresultaten weg te laten halen.

Bron: NOS, ZoekjeMee.nl

Bekende en minder bekende Twitter-operatoren

Zoeken op internet doen we bijna allemaal met Google. We vullen een woord in en spitten vervolgens door de resultaten. Als je iets op Twitter wilt vinden raad ik zoeken met Google ten zeerste af. Met Google zoek je namelijk niet op het internet, je zoekt in de momentopnamen die Google van het internet heeft gemaakt en heeft opgeslagen op de eigen servers. Als je minder dan 10.000 volgers hebt, wordt gemiddeld slechts 0,22% van jouw tweets door Google ge?ndexeerd. Om te zoeken op Twitter kun je daarom het best gebruik maken van de zoekmachine die Twitter zelf beschikbaar stelt via www.twitter.com/search.

Datacentrum Google, bron: http://www.google.com/intl/nl/about/datacenters/

Datacentrum Google, bron: http://www.google.com/intl/nl/about/datacenters/

Lees verder