Categoriearchief: Hoofdstuk 1

Politiewaardering: trends en achtergronden

Tussen 1993 en 2011 is de tevredenheid van de burger over de contacten met de politie weinig veranderd.?
De waardering voor het functioneren van de politie in de eigen buurt is in deze periode iets gedaald,
terwijl de tevredenheid over de beschikbaarheid van de politie is toegenomen. Ouderen zijn tevredener
over de politie dan jongeren. Niet-westerse allochtonen oordelen negatiever over hun concrete
contacten met de politie, terwijl ze positiever zijn over het optreden en de beschikbaarheid van de
politie in de buurt. Bewoners van stedelijke gebieden, vooral in aandachtswijken, zijn met name
tevredener over beschikbaarheid van de politie. De waardering voor het functioneren van de politie
wordt veel sterker bepaald door concrete contactervaringen met de politie dan door persoons- of
gebiedskenmerken.

Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten.

Burgerparticipatie in de opsporing, Politiekunde nr. 30

Cornelissens, A., H. Ferwerda, I. van Leiden, N. Arts & T. van Ham (2010). Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Amsterdam: Reed Business.

Op tal van plaatsen binnen de politie wordt ge?xperimenteerd met creatieve manieren om burgers bij de opsporing te betrekken. Daarbij wordt handig gebruik gemaakt van nieuwe media. Voorbeelden zijn internetsites, mail-alerts en sms-bommen. Die maken het ook mogelijk in heterdaadsituaties snel burgers als mogelijke getuigen te mobiliseren wat de pakkans vergroot. Ook worden burgers uitgenodigd actief mee te denken bij lopend of opnieuw opgestart onderzoek (cold cases). Hoewel sommige burgers de burgerparticipatie zien als een inbreuk op de privacy – bijvoorbeeld bij een ongevraagd sms-je van de politie – zijn burgers in het algemeen erg positief over deze vormen van burgerparticipatie. Het draagt bij aan hun vertrouwen in de politie. Voorwaarde is wel dat ze beter ge?nformeerd worden over relevante uitkomsten en resultaten van hun inspanningen. Voorts moet binnen de politie gewaakt worden voor wildgroei en dienen initiatieven en ervaringen beter uitgewisseld te worden.

Getuigenverhoren en buurtonderzoek zijn klassieke methoden om in en ten behoeve van?opspringsonderzoeken informatie van burgers te verkrijgen. In het laatste decennium zijn er tal van innovatieve en creatieve manieren bijgekomen om de burger bij het politiewerk te betrekken waarop volop gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van de nieuwe media. Nieuwe technieken en mediakanalen maken het nu mogelijk opsporingsboodschappen en masse over te brengen. De vraag die daarbij rijst is welke innovatieve vormen van burgerparticipatie er anno 2010 door de politie worden toegepast en wat deze opleveren voor de opsporing. En wat vinden burgers ervan dat zij via steeds meer kanalen door de politie om informatie worden gevraagd?

Het onderzoek laat zien dat er bij de Nederlandse politie op veel plaatsen ge?xperimenteerd is en wordt met allerlei manieren om burgers actief bij de opsporing te betrekken. In het boek worden twaalf vernieuwende vormen van burgerparticipatie beschreven. Daarbij gaat het vooral om vormen waarbij gebruik wordt gemaakt van internet en (mobiele) telefonie zoals internetsites, mail-alerts en sms-bommen. Maar ook om creatieve vormen zoals het gebruiken van posters en flyers.
De meeste van deze vormen van burgerparticipatie zijn feitelijk oude methoden in een nieuw jasje: nieuwe manieren om burgers op te roepen om te getuigen. Maar sommige gaan ook verder, wanneer niet een beroep op burgers wordt gedaan om te getuigen maar om actief mee te denken: de burger als co-rechercheur. De burger krijgt dan bijvoorbeeld de kans mee te denken met een lopend opsporingsonderzoek dat op internet wordt geplaatst zoals op www.politieonderzoeken.nl.

Dankzij de nieuwe communicatiemiddelen kan er direct na een misdrijf snel een beroep worden gedaan op potenti?le getuigen die op dat moment bijvoorbeeld in de buurt van de plaats delict zijn waardoor de pak- en ophelderingskans worden vergroot. Bovenal legitimeert een gouden tip over een ernstig misdrijf elke inspanning van de zijde van de politie en de burger.

Over het algemeen zijn burgers erg positief over burgerparticipatie in de opsporing. Doordat ze beter op de hoogte zijn wat er in hun omgeving gebeurt, geven ze aan meer grip op de eigen veiligheidssituatie te hebben. Verder lijkt de betrokkenheid een positief effect te hebben op de alertheid van de burger en het vertrouwen in de politie en voelt men zich door de politie serieus genomen. Niet iedereen kan het echter waarderen, sommige burgers zien de burgerparticipatie namelijk als een inbreuk op de privacy wanneer ze bijvoorbeeld ongevraagd een sms-bericht van de politie ontvangen.

Het onderzoek leert dat er enkele belangrijke randvoorwaarden zijn om de doorontwikkeling van vormen van burgerparticipatie goed te stroomlijnen. Zo blijkt allereerst dat verschillende politiekorpsen soms met min of meer dezelfde methoden experimenteren. Dit veroorzaakt enige wildgroei die voor de burger maar ook voor de politie verwarrend kan werken. Het centraal bundelen, doorontwikkelen en co?rdineren van het toepassen van burgerparticipatie is daarom wenselijk. Daarnaast is borging en onderhoud van belang. Vaak komen initiatieven van?zeer enthousiaste politiemensen op de werkvloer maar is er geen ruimte voor verdere ontwikkeling en bloedt het dood. Ten overstaan van de burger is een goede communicatie belangrijk. Terugkoppeling van resultaten die zijn behaald dankzij de reactie van burgers stimuleert de participatie en vergroot de betrokkenheid.

Samenvatting

Voor succesvolle opsporing is de politie in veel opzichten afhankelijk van burgers: slachtoffers die aangifte doen of getuigen die zich melden met belangrijke informatie. Het betrekken van burgers bij het opsporingsproces is een vorm van burgerparticipatie. De laatste jaren wordt door de politie veel ge?nvesteerd in nieuwe vormen en methoden, mogelijk gemaakt door de snelle opkomst van nieuwe media: internet en mobiele telefonie. Was voorheen het tv-programma Opsporing Verzocht een van de bekendste vormen van burgerparticipatie, nieuwe media bieden geheel nieuwe mogelijkheden, zoals smsbommen, e-mailalerts en websites waarop de politie onopgeloste of lopende zaken plaatst. De achterliggende gedachte is veelal tweeledig. Enerzijds dat meer mensen gewoonweg meer weten en als ze hun kennis (tijdig) delen met de politie, stijgt de kans op opheldering van misdrijven. Tegelijk draagt het actief betrekken van burgers bij het politiewerk vermoedelijk ook bij aan het versterken van het maatschappelijk vertrouwen en gezag van de politie. In deze studie worden de belangrijkste ontwikkelingen en initiatieven in kaart gebracht en, voor zover mogelijk, beoordeeld op hun nut en effectiviteit. Beschreven wordt hoe verschillende vormen van burgerparticipatie er precies uit zien en op welke wijze ze toegepast worden. Daarnaast worden de do’s en don’ts van het benutten van burgerparticipatie in de opsporing uiteengezet, mede aan de hand van wat deze initiatieven in de praktijk kosten en opleveren.

Bron: Reed Business

 

Opsporing verzocht …De geschiedenis van de Politie-Radio-Omroep, 1925-1947

Weltens, A. (2007). ?Opsporing verzocht… De geschiedenis van de PolitieRadio-Omroep, 1925-1947?. In: Soundscapes. Journal on media culture 10, juni 2007.

De geschiedenis van de Politie-Radio-Omroep, 1925-1947door Arno Weltens


Sinds 1976 wordt de televisiekijker ’s avonds regelmatig geconfronteerd met politieberichten over vermiste personen, gewapende overvallen of moord. Maar, op de radio gebeurde dat al zo’n vijftig jaar eerder. Dit artikel, geschreven door Arno Weltens, dat eerder verscheen in Aether in april 1994, gaat over het wel en wee van een kleine zendgemachtigde van toen: de Politie-Radio-Omroep.


1Rechts: De Hilversumse Commissaris A.L. van Beusekom

Een bijeenkomst in Hilversum. Op 9 maart 1925 meldt politiecommissaris A.L. van Beusekom te Hilversum aan burgemeester P.J. Reymer dat het korps behoefte heeft aan een draadloze ontvanginstallatie op het politiebureau. Van Beusekom’s wens sluit aan op het voornemen om voortaan politieberichten via de ether te verzenden. Een van de initiatiefnemers is A. Dubois, de directeur van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) en exploitant van de zender, waarop de Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO) uitzendt. Op 15 maart bericht de plaatselijke krant dat drie dagen tevoren voor het eerst in Nederland een proef genomen is met de verspreiding van politienieuws. Tijdens de door de HDO verzorgde radioconcerten vanaf de Nederlandsche Jaarbeurs te Utrecht, is de uitzending onderbroken door een mededeling van politiecommissaris Van Beusekom. Diens bericht betreft de vermissing van de minderjarige E.J. te Hilversum. [1]

Op 20 maart informeert Van Beusekom burgemeester Reymer over de op 1 april geplande bijeenkomst van politiefunctionarissen uit het land. Onderwerp van de discussie in Hilversum is het eventuele nut van het radiowezen voor de politie. Het programma voorziet in een ochtenddeel, waarbij het uit 76 personen bestaande gezelschap rondgeleid wordt op het NSF-terrein. De middag is gevuld met lezingen en aansluitend een discussie in een zaal van hotel Gooiland. Dubois bijt het spits af met een lezing over “radio ten dienste van justitie.” In zijn toespraak haalt hij onder andere de mogelijkheid aan om bepaalde berichten, die niet voor andermans oren bestemd zijn, in geheimcode te verzenden. Dubois wijst tevens op het feit, dat in het buitenland de radio al voor politiegebruik aangewend wordt. De bemoeienis van Dubois is duidelijk; als zakenman ziet hij afzetmogelijkheden. Vandaar dat hij zijn gehoor een lampstoestel van de NSF offreert voor f 78,50 per stuk bij een gegarandeerde afname van honderd toestellen.?Ook in Van Beusekom’s bijdrage zit een verwijzing naar de situatie in het buitenland. De Hilversumse politiecommissaris wijst op de “Kriminalfunk” in Duitsland en het zendstation van Scotland Yard in Engeland. Tot slot behandelt de spreker een aantal praktijkgevallen, waarbij door inschakeling van radioberichtgeving aanhoudingen verricht zijn. Ook de juridische aspecten komen uitvoerig aan bod. Vervolgens ontspint zich een levendige gedachtenwisseling en de dag wordt afgesloten met de samenstelling van de “Commissie voor den Politie Radiodienst.”2Links: Advertentie van de Hilversumsche Draadlooze Omroep (1925) (klik op de afbeelding voor een groter beeld)

Commissie-activiteiten. Naast voorzitter Van Beusekom en Dubois nemen de heren P. Frima, directeur van de politieschool te Hilversum, E.J. Pateer en H.J. Versteeg, beiden politiecommissaris te Amsterdam, zitting in de commissie. Van Beusekom stelt voor het aantal leden uit te breiden met zijn afwezige collega F. van ’t Sant of iemand die door hem aangewezen wordt. Van ’t Sant, hoofdcommissaris te ‘s-Gravenhage, wil echter geen benoeming aanvaarden. In een artikel in De Telegraaf zet hij zijn praktische bezwaren uitvoerig uiteen: “Ik sein naar Hilversum. Hilversum seint het verder. Wordt opgevangen door 60.000 Nederlanders, of dat deel daarvan, dat zit te luisteren. Maar welke zekerheid heb ik, dat het bericht ook ontvangen is op de plaats, het bureau, waar ik het bericht hebben wilde? Indien het bericht aan een station niet is opgevangen en de man ontsnapt langs dien weg … dan krijg ik het verwijt, waarom heb je ook niet even getelegrafeerd of getelefoneerd … [2]

Van ’t Sant somt voorts op het grote bereik van berichtgeving via de dagbladpers, de problematiek rond de steeds te wisselen code, de kans op misbruik door derden ? een toename van chantagegevallen ? en de technische onvolkomenheden van de radio ? het verschijnsel van de “Mexicaanse hond.” Kortom in theorie lijken de plannen te kloppen, maar door toetsing aan de praktijk blijkt de radio volgens Van ’t Sant voor de politie van generlei waarde. Hij ziet daarom af van zijn benoeming als lid. Op 4 april 1925 houdt de Commissie haar eerste vergadering; de leden komen tot de volgende conclusies:

  1. dat de radio voor de politie een doeltreffend, snelwerkend en betrouwbaar communicatiemiddel betekent;
  2. dat de radio geen, zoals eerder gemeend, beduidende kostenbesparing voor de politie met zich meebrengt;
  3. dat de kosten in vergelijk met het nut zeer gering zijn;
  4. dat het verspreiden van de radioberichten voorlopig door tussenkomst van de NSF dient te geschieden.

3Rechts: De ANRO-studio

Een definitief rapport. Op 9 januari 1926 wordt, wederom in Hotel Gooiland, het definitieve rapport van de Politie-Radio-Commissie besproken. De bevindingen zijn vooraf aan anderhalf duizend autoriteiten toegestuurd. Voorzitter Van Beusekom meldt dat naar het oordeel van de commissie de regering fl. 1.500,-, bestemd voor de omroepzender, dient te voldoen. Hierdoor zal het voortbestaan van de politie-omroep voldoende gegarandeerd zijn. Wederom somt Van Beusekom vier succesverhalen uit het recente verleden van de Amsterdamse politie op: [3]

 

  • “Op den 13den November 1925 werd door den Commissaris van Politie te Hilversum de opsporing verzocht van een zeer kostbaren, weggeloopen hond. Vanuit Amsterdam volgde al spoedig op het radiobericht de mededeeling dat de hond aldaar werd bewaard.”
  • “Het tweede geval betrof het verzoek van den Burgemeester uit Vreeland, die de opsporing verzocht van een achterlijken man, die vermoedelijk was weggeloopen om naar Friesland te gaan, daar hij uit die provincie afkomstig was. Tengevolge van het verzenden van een radiobericht, werd hij te Amsterdam opgespoord.”
  • “Op den 28sten November j.l. verzocht de burgemeester van Utingeradeel de opsporing van een man, verdacht van verduistering van f 700,-. Er werd vermoed, dat hij zich met eene beruchte vrouw had begeven naar Groningen. Op het politiebericht werd hij aangehouden te Amsterdam.”
  • “De Commissaris van Politie te Enschede verzocht op 26 November j.l. de opsporing der verblijfplaats eener gehuwde vrouw, die met een anderen man was medegegaan. Ook zij werd per radiobericht te Amsterdam opgespoord.”

4Links: Hoofdinspecteur G.D.J. Vrijdag uit Hilversum

Vanuit de voorkamer. In het verslag van deze vergadering staat hoofdinspecteur G.D.J. Vrijdag uit Hilversum vermeld als eerste politie-omroeper. Opmerkelijk is, dat Vrijdag de uitzendingen verzorgt vanuit zijn priv?-adres op de Van der Helstlaan 62. In het zijgedeelte van de voorkamer staat een speciaal telefoontoestel opgesteld. Na een seintje van de controlekamer van de Huizer zender zet Vrijdag een schakelaar over en leest nauwgezet spellend de berichten voor. In de achterkamer, afgesloten door suitedeuren, luisteren zijn vrouw en twee zoons ademloos mee naar de stem van hun echtgenoot respectievelijk vader. [4] Overigens is bovenstaande mededeling in tegenspraak met hetgeen J.C.E. Sand in een publicatie beweert:

“Tusschen twee haakjes kan ik hier aan toevoegen, dat er een microfoon hangt in het politiebureau Hilversum en dat een inspecteur of agent, van goede getuigenissen omtrent zijn spraak voorzien, de berichten aldaar uitspreekt.” [5]Op dezelfde pagina staat tevens deze passage over de wijze van berichtgeving:?”… ten einde luisterend Nederland attent te maken op verloren dameshandtaschjes, gestolen rijwielen en op de loop zijnde misdadigers, neus gewoon, ooren gewoon, zonder baard of knevel en gekleed in blauw ratin? overjas en grijzen, slappen hoed ? want zooals U we] gehoord zult hebben pleegt de politie-omroep de aanduidingen der beginletters ietwat deftiger door te geven dan de A.N.R.O. Zoo noemen wij de I van Izak, doch “Hier, gemeentepolitie Hilversum”, leidt af van Ignatius.” [6]Dubois geeft tijdens de bijeenkomst van 4 april te kennen niet langer deel te willen uitmaken van de commissie. Wel verklaart hij zich bereid om voortaan desgevraagd technische adviezen te verstrekken. Even heeft het erop geleken, dat de politieberichten zouden terecht komen op de zogenaamde zakelijke zender Scheveningen Haven. Per 1 januari 1927 zou deze in beheer van het Rijk komen, in feite de PTT. De zender was bestemd voor “mededelingen van zakelijke aard uit hoofde ener daartoe strekkende tussen afzender en ontvanger bestaande rechtsbetrekking.” Blijkbaar was de PTT geneigd de politieberichten daaronder te rangschikken: berichten van de politie voor de politie. Op 23 november wordt de aangelegenheid tussen PTT en Politie-Radio-Omroep besproken. Van Beusekom wint het pleit. Hij zet uiteen ? en licht dit met voorbeelden uit de praktijk toe ? “dat het geven van de berichten door het z.g. amusementsstation van groote waarde is gebleken te zijn en veel heeft bijgedragen tot het tot dusverre met die berichten behaalde succes.” [7]5Rechts: Burgemeester P.J. Reymer van Hilversum

Conflict met de ANRO. Rondom de uitzending van politieberichten ontstaan in de winter van 1927 problemen met de Algemeene Nederlandsche Radio Omroep ? de Hilversumsche Draadlooze Omroep had intussen zijn naam gewijzigd.

In eerste instantie ontvangt ANRO-secretaris W. Vogt een schrijven van het hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie. [8] Hierin stelt de directeur-generaal van de PTT dat het vaak voorkomt, dat de zender niet tijdig beschikbaar is voor het omroepen van politieberichten. Als gevolg hiervan signaleert men problemen. Vandaar het verzoek aan de ANRO om maatregelen te treffen, zodat de uitzending precies op het geplande tijdstip een aanvang kan nemen. Via Huizen wordt dagelijks van 12.00-12.15 uur de berichtgeving verzorgd samen met het weerbericht.

Op 22 november reageert Vogt aan het adres van politiecommissaris Van Beusekom. Hij betreurt het feit dat de PTT rechtstreeks ingelicht is, waardoor de ANRO geen gelegenheid kreeg de klacht als eerste te onderzoeken. Een dag later bericht Van Beusekom, dat hij nimmer een klacht bij de PTT heeft ingediend. De politiefunctionaris besluit zijn brief met de regel: “… dat hij voortaan beleefd verschoond wenst te blijven van dergelijke onhebbelijke brieven.” Als reactie op dit taalgebruik ontvangt burgemeester Reymer een brief van de ANRO, waarin Vogt attendeert op de woordkeuze van de commissaris. Op zijn beurt zegt Reymer toe de kwestie te onderzoeken. Het muisje krijgt derhalve een staartje!Links: ir. M.H. Damme, directeur-generaal van de PTT

Op 6 december stuurt de burgemeester een brief aan ir. M.H. Damme, directeur-generaal der PTT, met de vraag “desnoods vertrouwelijk te worden ingelicht door wie de klacht is ingebracht.” [9]

In een reactie bericht Damme dat de klacht is ingediend na ontvangst van een bijgesloten brief van de NSF. Uit de door Dubois gevoerde correspondentie blijkt, dat de commissaris wel degelijk een beroep op de N.S.F. deed om te bewerkstelligen, dat de radiopolitieberichten op tijd zouden beginnen. Op 12 december meldt burgemeester Reymer aan ANRO-secretaris Vogt, dat de klacht bij de PTT niet is ingediend door de politiecommissaris. Bovenstaande rel is exemplarisch voor de wijze van werken in deze periode.

6Rechts: AVRO-directeur en ANRO-secretaris Willem Vogt doet verslag vanuit een KLM-toestel

Succesvolle berichtgeving. Met het Zendtijdenbesluit van 1930 wordt van de kant van de overheid het voortbestaan van de omroepverenigingen bevestigd. Tevens legaliseert men de situatie rondom de Politie-Radio-Omroep. Voortaan zal op de Huizer zender “elken dag ten hoogste tweemaal een half uur en ten minste tweemaal een kwartier zendtijd beschikbaar worden gesteld, terwijl op dit station mede gelegenheid moet worden gegeven tot uitzending van extra politieberichten.” [10] Uit het jaarverslag van 1931 valt op te maken, dat er 624 gewone en 92 extra politie-uitzendingen plaatsvonden. In totaal werden 1.832 verzoeken tot opsporing gedaan waarbij 519 misdadigers, 180 minderjarigen, 360 vermisten, 144 dieren en 629 voorwerpen betrokken waren. In 117 gevallen leidde de berichtgeving via de radio tot succes. [11]

De samenstelling van de commissie Politie-Radio-Omroep ondergaat in de loop der jaren allerlei mutaties. In 1932 hebben naast voorzitter Van Beusekom, secretaris J. Alma, gepensioneerd kolonel van de marechaussee, H.J. Versteeg, hoofdcommissaris te Amsterdam, E.J. Pateer, gepensioneerd commissaris te Heemstede, F. Dozy, districtscommandant te Amsterdam, en C.H. de Vos, hoofdingenieur der Telegrafie en Telefonie te ‘s-Gravenhage, zitting in de commissie. Ook het aantal aangesloten radiostations groeit: 172 aansluitingen bij de Kon. Marechaussee, 626 bij de Rijksveldwacht en 125 bij de Gemeentepolitie. In 1937 maakt de Politie-Radio-Omroep aan de Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij een bedrag van f 5.314,87 over, bestemd voor de zenderhuur.>De bezetting van Nederland in mei 1940 betekent niet het einde van de politieberichtgeving via de radio. Volgens H.P. Vrijdag, zoon van de eerste politie-omroeper, wordt in de beginjaren nog doorgegaan. Een curieus verhaal is de aanleiding waarom de Gr?ne Polizei van Hilversum een inval doet op het politiebureau in de Langestraat tijdens een uitzending van politieoproepen. Men meent verdachte klopsignalen (morseseinen) op te vangen. Teleurgesteld druipen de zwaarbewapende Duitsers af, wanneer ze ontdekken dat de “signalen” afkomstig zijn van een timmerman die op het politiebureau bezig is met de renovatie van een kantoor.” [12]7Links: Het comit? van de Hilversumsche Draadlooze Omroep (1925)

Situatie na de bevrijding. Na de Tweede Wereldoorlog keren de politieberichten in de ether terug. De Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd verzorgt deze berichten van maandag tot en met zaterdag samen met de waterstanden van 9.30-9.50 uur via Hilversum II. Ook wanneer het samenwerkingsverband van de Nederlandse Radio Unie in februari 1947 de zaak overneemt, blijft deze situatie ogenschijnlijk gehandhaafd. Afgezien van een korte onderbreking in maart zijn waterstanden en politieberichten tot 12 juli 1947 nog te beluisteren. Er is de omroepverenigingen alles aan gelegen om verlost te worden van de kleine politiezendgemachtigde. De programmadirectie van de vier grote omroepen, verenigd in het informele overlegorgaan “Korsicanen”, zijn ’t hierover eens.

>De “Korsicanen”, bestaande uit voorzitter prof. dr. J.B. Kors (KRO), secretaris W. Vogt (AVRO) en de heren J.B. Broeksz (VARA) en K. van Dijk (NCRV), besluiten in een vergadering op 22 maart 1947 aangaande de politieberichten het volgende: “Zij krijgen nog gastvrijheid tot 5 juli 1947. Daarna zullen wij maatregelen nemen om er van af te komen, o.a. door stappen te doen bij het Hoofd van den Technischen Verbindingsdienst en zoo noodig bij den Regeeringscommissaris.” [13]?Op 14 juli 1947 is deze kwestie weer onderwerp van gesprek: “De Politie-Radio-Omroep beschikt nog niet over andere apparatuur, zoodat men den Omroep voortzetting van het omroepen van de Politieberichten verzoekt. De Heer Vogt heeft in deze aangelegenheid een voorloopige beslissing moeten nemen, die luidde, dat door de Politie-Radio-Omroep in afwachting van de beslissing van de Unie (N.R.U.) zeer belangrijke politieberichten, waarin van noodgevallen sprake is, incidenteel omgeroepen kunnen worden.”?Gedwongen door deze manoeuvre van de omroepverenigingen zet de politie in 1947 een radioverbindingsdienst op voor intern gebruik.


Noten1. Vermelding in de krant. Feit is ook dat in de HDO-programmering op de bewuste dagen geen vermelding van het radioconcert uit Utrecht is opgenomen. Return to text2. “Duur en slecht.” In: De Telegraaf, datum onbekend. Return to text3. Stenografisch verslag van de vergadering gehouden op 9 januari 1926 in het hotel “Het Gooiland” te Hilversum ter bespreking van het rapport der Politie-Radio-Commissie. Collectie Streekarchief voor het Gooi en de Vechtstreek, Hilversum. Return to text4. Persoonlijke mededeling van H.P. Vrijdag, d.d. 23 juni 1992. Return to text5. J.C.E. Sand (z.j.), Hier is Hilversum, de A.VR.O. z.j., pag. 19. Return to text6. Zie noot 5. Return to text7. Dr. J. de Boer (1946), Omroep en publiek in Nederland tot 1940. Leiden, deel 1, pag. 80. Return to text8. In de jaren voor de vaststelling van het zendtijdenbesluit in 1930 is de PTT belast met een controlerende taak ten aanzien van de radio-omroep, die men met enige tegenzin vervult. Return to text9. Prof. P.S. Gerbrandy (1934), Het vraagstuk van den radio-omroep. Kampen, pag. 39. Return to text10. Radio-Jaarboek 1932. Amsterdam, pag. 137. Return to text11. Zie noot 5. Return to text12. Zie noot 4. Return to text13. Zie: Notulen van de vergadering van de zogenaamde “Korsicanen,” zaterdag 22 maart 1947, AVRO-studio (agendapunt 12). In: Collectie NOS-bedrijfsarchief. Hilversum. Return to text??Previous


De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig uit het Archief Aether en de Collectie Snoek uit het Archief van Hans Knot?2007 ? Soundscapes

De particuliere recherche: ongecontroleerde opsporing?

Brinkhoff, S. (2011). De particuliere recherche: ongecontroleerde opsporing?. In: P.H.P.H.M.C Kempen & A.J. Machielse (red.), Levend strafrecht. Strafrechtelijke vernieuwingen in een maatschappelijke context. Liber amicorum Ybo Buruma (pp. 61-79). Deventer: Kluwer.

Betrokken burgers: Motieven, verwachtingen en ervaringen van burgers en politie in burgerparticipatieprojecten

Stokes, R. (2010). ‘Betrokken burgers: Motieven, verwachtingen en ervaringen van burgers en politie in burgerparticipatieprojecten’. Universiteit Twente, Enschede.?

Burgerparticipatie is een instrument dat steeds meer wordt gebruikt om burgers te betrekken bij de aanpak van problemen in hun eigen omgeving. De politie Haaglanden is hier ook steeds meer mee bezig en heeft al behoorlijk wat projecten lopen op allerlei niveaus. De politie Haaglanden heeft de opdracht gegeven om te onderzoeken of de verwachtingen van participerende burgers en politie afhankelijk zijn van het niveau waarop wordt geparticipeerd in burgerparticipatieprojecten. De onderzoeksvraag in dit onderzoek is de volgende: In hoeverre speelt het niveau van participatie een rol bij de verwachtingen van zowel politie als participerende burgers bij burgerparticipatieprojecten van de politie Haaglanden? Voor het beantwoorden van deze vraag zijn drie verschillende burgerparticipatieprojecten van de politie Haaglanden onderzocht welke zich elk op een ander niveau van burgerparticipatie bevinden. Dit is gedaan door het verzamelen van informatie over de projecten, het houden van interviews met betrokken participanten en politiemensen, en het observeren van de projecten. De projecten die zijn onderzocht zijn: Burgers in Blauw Scheveningen: burgers krijgen de mogelijkheid om een dienst mee te draaien met de politie. Dit project wordt door de politie ingedeeld op het niveau ?informeren?, waarbij de politie vooral de burger informeert, in dit geval door te laten zien wat er allemaal bij het politiewerk komt kijken. Wijk en Agent Samen (WAS) Rokkeveen: bij dit project gaan burgers en politie samen de straat op om te surveilleren in hun wijk. Dit project wordt door de politie Haaglanden ingedeeld op het niveau ?consulteren?, waarbij de politie de burger raadpleegt over problemen en kwesties die spelen in hun directe woonomgeving. Buurtpreventie Wateringen: een aantal malen per week surveilleren participanten van dit project zelfstandig in hun eigen woonomgeving. Dit project wordt door de politie Haaglanden ingedeeld op het niveau ?participeren?, waarbij de burger zelf actief meehelpt om de woonomgeving veiliger te maken. Het antwoord op de onderzoeksvraag luidt dat het niveau van burgerparticipatie zeker van invloed is op de verwachtingen die participanten en politie hebben van de projecten. Het lijkt er op dat niveau een grotere invloed heeft op verwachtingen van de politie dan die van de participanten. Echter niet alleen het niveau is hierop van invloed. Ook zaken als doel en duur van het project en de motieven waarmee geparticipeerd wordt zijn belangrijk bij het opstellen van verwachtingen bij zowel politie als participerende burgers. Naast deze bevindingen zijn ook nog andere opvallende zaken geconstateerd. Allereerst blijkt dat het niveau van participatie in theorie en praktijk wel eens van elkaar verschilt. Een project kan ingedeeld zijn in een bepaald niveau, maar uit de werkzaamheden van participerende burgers blijkt dit op een heel ander niveau plaats te vinden. De treden tussen de verschillende niveaus zijn te groot, waardoor de doorstroming van burgers van het ene naar het andere niveau heel klein is. Vooral de stap tussen informeren en consulteren is erg groot. Uit dit onderzoek blijkt ook dat burgers anders kijken naar resultaten van projecten dan wel eens wordt gedacht. Participanten willen goed ge?nformeerd worden over de dingen die ze doen en vinden het belangrijk dat de zaken waaraan zij werken worden teruggekoppeld, maar echt concrete resultaten blijken niet altijd nodig te zijn om de participanten tevreden te houden. Voor hen is het belangrijker dat de politie aandacht besteed aan het werk dat ze doen en dat ze op de hoogte worden gehouden van allerlei zaken. De politie Haaglanden kan een aantal dingen doen, zodat burgerparticipatie in de toekomst nog belangrijker en beter wordt. Betrokken burgers Motieven, verwachtingen en ervaringen van burgers en politie in burgerparticipatieprojecten 1. Door de niveaus van burgerparticipatie anders vorm te geven kunnen de projecten beter in een bepaald niveau geplaatst worden. Er zou een stap tussen ?informeren? en ?consulteren? geplaatst moeten worden. 2. Betrokken agenten kunnen veel van elkaar leren met betrekking tot de begeleiding van participanten. Het zou een goed idee zijn om de betrokken agenten een soort ?meeloopdag? aan te bieden bij een ander project. Op die manier leren de agenten van elkaar en kunnen projecten nog succesvoller gemaakt worden. 3. De politie zou meer moeten doen met burgers die al actief hebben geparticipeerd in bijvoorbeeld Burgers in Blauw. Deze mensen zijn vaak erg enthousiast geworden door hieraan mee te doen en daarom makkelijk te benaderen voor een vervolgproject. Het zou voor de politie ook heel nuttig kunnen zijn om te horen van burgers in blauw wat zij opvallend vonden en waar zij problemen mee hadden. Zeker omdat dit project lokaal geco?rdineerd wordt, zou hier veel meer mee gedaan kunnen worden. 4. Voor de participanten is het belangrijk om te weten wat er wordt gedaan met de zaken die zij aanleveren bij de politie. Het stimuleert burgers enorm om te weten wat er is gedaan met hun suggesties en op deze manier blijven ze dingen aandragen. 5. Bij het opstarten van projecten is het verstandig om burgers te betrekken bij de opzet hiervan. Vaak hebben zij een bepaald beeld van hoe ze zouden willen meewerken binnen het project en beschikken ze over specifieke kennis.