Sociale media in relatie tot zelfredzaamheid

Het onderzoek sociale media in relatie tot zelfredzaamheid is uitgevoerd in opdracht van Infopunt Veiligheid, onderdeel van het expertisecentrum van het Instituut Fysieke Veiligheid. Het onderzoek is verricht om in kaart te brengen wat de veiligheidsregio?s momenteel doen op het gebied van sociale media om de zelfredzaamheid van de burgers te benutten en/of te ondersteunen gedurende crisissituaties. Tevens is onderzocht of het Instituut Fysieke Veiligheid de veiligheidsregio?s kan ondersteunen op het gebied van sociale media in relatie tot zelfredzaamheid.
Voor het onderzoek zijn zeventien interviews gehouden met medewerkers van diverse veiligheidsregio?s.

?

After the riots. The final report of the Riots Communities and Victims Pane

Following the riots that occurred in towns and cities across England between 6 August 2011 and 10 August 2011, the Prime Minister, Deputy Prime Minister and Leader of the Official Opposition established the Riots Communities and Victims Panel and asked it to consider: (1) what may have motivated a small minority of people to take part in the riots; (2) why the riots happened in some areas and not others; (3) how key public services engaged with communities before, during and after the riots; (4) what motivated local people to come together to resist riots in their area or to clean up after riots had taken place; (5) how communities can be made more socially and economically resilient in the future to prevent future problems; and (6) what could have been done differently to prevent or manage the riots. This study is the final report of the Panel. It is written from a national perspective, so it does not aim to analyse the riots at a local level. Its purpose is to capture the overarching findings, whilst highlighting important local differences.

Prestaties in de strafrechtketen (algemene rekenkamer) – 2012

De Algemene Rekenkamer heeft van oktober 2010 tot juni 2011 onderzoek gedaan naar de strafrechtketen. Het presteren van de strafrechtketen is onderzocht door het aantal gewelds- en vermogensmisdrijven dat de strafrechtketen in-, door- en uitstroomt in kaart te brengen en nader te analyseren. Achterliggende vraag daarbij was ook of en in welke mate daar zaken bij zijn die ongewenst de strafrechtketen uitstromen. De probleemstelling luidt als volgt: op welke punten kunnen actoren in de strafrechtketen hun prestaties verbeteren? Daarbij zijn de volgende vier vragen gesteld: (1) Wat is de omvang van de in- en uitstroom in de strafrechtketen? (2) Is er sprake van uitstroom die niet in lijn is met de wet- en regelgevingof anderszins ongewenst is? (3) Welke oorzaken liggen aan deze ongewenste uitstroom ten grondslag? (4) Welke oplossingen zijn voor deze ongewenste uitstroom mogelijk? Hoofdstuk 2 bevat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van het onderzoek. Hoofdstuk 3 geeft de bestuurlijke reacties op het onderzoek weer, waar nodig voorzien van een nawoord. De onderzoeksbevindingen waarop de conclusies van dit rapport zijn gebaseerd, staan in een achtergronddocument dat is te raadplegen op www.rekenkamer.nl.

Big data in opsporing: nu pompen om niet te verzuipen

Kordes, M. e.a (2013). Big data in opsporing: nu pompen om niet te verzuipen. Wat te doen aan de verstikking door de exponentieel groeiende data binnen de opsporing?. Trendsinveiligheid.nl, Capgemini, Utrecht.?

Kennis-gestuurd politiewerk – Werken in een verrijkte werkelijkheid met respect voor privacy

Schakel, J., e.a. (2012). Kennis-gestuurd politiewerk. Werken in een verrijkte werkelijkheid met respect voor privacy. Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), Driebergen.

Informatie-gestuurd politiewerk of IGP als concept is ontstaan in de jaren negentig in Engeland.Maguire noemt ?informatie-gestuurde misdaadbestrijding? (Lint 2006):

?een strategische, toekomst-geori?nteerde en gerichte aanpak van de misdaadbestrijding, gericht op de herkenning, analyse en ?beheersing? van aanhoudende en zich ontwikkelende ?problemen of ?risico?s?? (Maguire 2000:316).

Het Britse NIM geldt tot op de dag van vandaag als rolmodel voor het opzetten van een NIM in Nederland, waar IGP aan het begin van deze eeuw in zwang raakte (Abrio 2005, Hert e.a. 2005).?IGP is formeel opgenomen in het National Intelligence Model (NIM), het basismodel voor het politiewerk en heeft als doel: ?Het herkennen van criminele patronen en het mogelijk maken van een fundamentelere aanpak van probleemoplossingen waarin capaciteiten doelmatig kunnen worden toegewezen? (Centrex 2005:10).

De hieruit voortgekomen IGP-praktijken zijn, tenminste in Nederland, zeer sterk gericht op het scheppen van informatieproducten (grotendeels in tekstuele en numerieke vorm) om politieacties te sturen. Ze zijn gericht hetzij op individuele gevallen (rapporten), of ze worden gestuurd (en beperkt) door statistieken gebaseerd op vastgelegde gegevens, zoals criminele trends, hotspots, hot moments, en analyses van sociale netwerken.

Alhoewel deze cijfers en feiten zinvol kunnen zijn voor het stellen van prioriteiten (bijv. het kiezen van hotspots waaraan extra aandacht moet worden besteed) en als zodanig kunnen helpen bij het terugdringen van de misdaad (zie Makkai e.a. 2004), geven deze informatieproducten weinig in zicht in de structuur van criminele verschijnselen, het functioneren van criminele netwerken of typische signalen die wijzen op criminele activiteit (op heterdaad).

Binnen de hieruit voortvloeiende visie (solutionism) is de aandacht volledig gericht op de verwerking van

ge?xpliciteerde, gedecontextualiseerde (digitale) gegevens. In de praktijk gaat dit ten koste van de (sociale) rijkdom aan ‘zachte’ kennis van bijvoorbeeld rechercheurs (impliciete en onbewuste vormen van kennis) (Innes e.a. 2005). Dit heeft oa. te maken met werkverdeling: rechercheurs, werken veelal met ?oude? kennis (van geval-specifieke strafrechtelijke onderzoeken) terwijl analisten veelal met ?nieuwe? kennis werken (bijv. patroonanalyses) (Ratcliffe 2008).

Het hedendaagse informatie-gestuurde politiewerk (IGP), en trouwens ook het kennis-gestuurde?politiewerk (KGP), grotendeels beperkt blijft tot strategische en tactische informatie als overzichten van hot crimes, hot times, hotspots en hot shots. Tot nu toe is IGP er onvoldoende in geslaagd om echte?operationele meerwaarde in de actie op te leveren. Het gebruik van de mogelijkheden van deze ?nieuwe? vorm van kennis is bekend geworden als IGP, hetgeen zich in Nederland tot een doctrine heeft ontwikkeld (Kop en Klerks 2009).

Dit houdt in dat vormen van samenwerking tussen informatie-organisatie en uitvoeringsorganisatie moet worden gestimuleerd teneinde een proces in gang te zetten van wederzijds informeren (dialoog) en van elkaar leren en op elkaar inspelen, d.w.z. dat men leert om als ??n team samen te werken (ook bekend als parallelle samenwerking (Puonti 2007)).

En hij eindigt met een oplossingsrichting waarin hij de digitale wereld van de analist ‘ augmented’ zou willen gebruiken in de echte wereld van bijvoorbeeld de plaats delict waar de rechercheur werkt.?En ze geven het voorbeeld van ANPR als (augmented) techniek die ‘ nieuwe’ kennis oplevert, welke geintegreerd wordt met de ‘oude’ recherchekennis die realtime en dus virtueel wordt toegevoegd bij de aanpak van drugshandel.