Tagarchief: TGO

Opsporing op social media en stelselmatige informatie-inwinning

sherlock-holmes_artikel-arnout_240

Voor informatie die burgers via social media naar buiten brengen bestaat vanuit opsporingsinstanties veel belangstelling. Het gebruik van deze informatie door de opsporing moet plaatsvinden binnen wettelijke kaders, en van het bestaande wettelijke kader is niet altijd duidelijk hoe het moet worden toegepast in een online-omgeving. Op grond van de taakomschrijving van de politie in art. 3 Politiewet mag de politie bepaalde opsporingshandelingen verrichten. De vraag is wanneer de inbreuk op de privacy die dat onderzoek veroorzaakt zodanig is dat een eigenstandige legitimering in de wet noodzakelijk is.

In dit onderzoek van Marnix Oosterhoff staat de vraag centraal of de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige observatie en stelselmatige informatie-inwinning voldoende mogelijkheden bieden om binnen de grenzen van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel op rechtmatige en verantwoorde wijze online opsporingswerkzaamheden uit te voeren. Door empirisch onderzoek is nagegaan hoe de politie omgaat met opsporingsbevoegdheden op social media. O.b.v. literatuur en ontwikkelingen in de maatschappij is vastgesteld welke definitie van privacy gehanteerd kan worden in een online omgeving en hoe het recht op privacy is gecodificeerd. Van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is aangetoond dat stelselmatige informatie-inwinning (126j) onder voorwaarden toepasbaar is op de opsporing op social media.?De auteur neemt het standpunt in?van een smalle definitie van stelselmatige observatie (126g) en dat dit artikel afvalt bij opsporing op social media omdat dit artikel gaat over?het waarnemen van gedrag en niet?de resultaten daarvan. Bij opsporing op social media gaat het over het verzamelen van informatie.

Gelet op verschillende knelpunten rondom de toepassing van artikel 126j en het feit dat niet volledig helder is op welke wijze dit artikel moet worden toegepast bij informatie-inwinning in een niet-fysieke omgeving verdient het aanbeveling om een aparte bevoegdheid voor online informatievergaring in het leven te beroepen, bijvoorbeeld als onderdeel van het lopende traject van herziening van het wetboek van strafvordering. Deze bevoegdheid zal dan wel technologie-onafhankelijk geformuleerd moeten worden.

Inbreuk op privacy?

Door een subjectief privacybegrip is het moeilijker om te bepalen wanneer er sprake is van een inbreuk op het recht op privacy. Immers, als de beoordeling van de inbreuk wordt overgelaten aan het subjectieve oordeel van de betrokken persoon, kan bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een bepaalde handeling door de ene persoon wel en door een andere persoon niet als inbreuk op de privacy worden beschouwd. Toegepast op social media: de ene persoon zal er geen moeite mee hebben dat de politie zijn openbare berichten op Facebook leest, terwijl een andere persoon dat als ongepast zal beschouwen omdat hij het niet met dat doel op Facebook heeft geplaatst. De overheid zal in dat geval niet anders kunnen dan een voorzichtige houding aannemen en dan al snel het in het kader van de opsporing verzamelen van informatie op social media als inbreuk op het recht op privacy moeten beschouwen. Door middel van een voortdurende maatschappelijke discussie en eventuele proefprocessen zal moeten worden vastgesteld wat passend is en wat niet.

Op basis van haar algemene bevoegdheid mag de politie inbreuk maken op de rechten van burgers, dus ook op het recht op privacy. Echter, als die inbreuk meer dan gering is, vormt art. 3 PolW onvoldoende basis, en zijn aanvullende bevoegdheden noodzakelijk. De bevoegdheid kan gevonden worden in de BOB-wetgeving, maar dan moet wel aan de daarin opgenomen voorwaarden zijn voldaan.

Onderdeel van de eisen die art. 8 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) stelt aan een inbreuk is dat deze voorzienbaar moet zijn. Ten aanzien van de opsporing op social media betekent dat, dat de burger op de hoogte moet zijn van het feit dat de politie ook op social media opsporingshandelingen uitvoert. Alleen dan kan de burger op een adequate manier afwegen of hij informatie op social media wil publiceren, welke informatie en op welke wijze. Dit gaat echter niet zo ver dat de politie moet aangeven op welke wijze die opsporing plaatsvindt. Dat zou een te grote beperking betekenen voor de uitvoering van de opsporingstaak.

De vraag wanneer de inbreuk op de privacy door bepaalde opsporingshandelingen meer dan gering is is niet exact te beantwoorden. In dit onderzoek zijn wel factoren ge?dentificeerd die de mate van inbreuk be?nvloeden. Dat zijn: de duur van de onderzoekshandeling, de plaats waar de informatie verzameld wordt, de intensiteit waarmee de informatieverzameling plaatsvindt, de gevoelige aard van de gegevens, het doel van de onderzoekshandeling, het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel, het al of niet opslaan van de gevonden gegevens en de proportionaliteit. De uiteindelijke weging van deze factoren is geen exacte wetenschap: de professionele inschatting van de politieambtenaar en de uiteindelijke rechterlijke toetsing daarvan, blijfven, net als bij de toepassing van ?gewone? bevoegdheden, belangrijk gegevens.

Rechtmatigheid

Om de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen op social media te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat in het procesdossier wordt verantwoord op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het veldwerk is gebleken dat in de reguliere opsporing deze verantwoording vaak beperkt is tot zinnen als ?Uit onderzoek op social media is gebleken dat ?.?. Het is zeer de vraag of de rechter en de verdediging hierdoor in staat zijn te beoordelen of dit onderzoek op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het zou daarom goed zijn als politie en Openbaar Ministerie hier meer aandacht voor zouden hebben en de uitgevoerde onderzoekshandelingen uitgebreider zouden verantwoorden.

Bronnen: Open Universiteit

TGO game

Recherchegame maakt valkuilen in opsporingsproces zichtbaar

Het gebruik van serious games kan rechercheteams helpen om mogelijke valkuilen in het opsporingsproces zichtbaar te maken en trainen hiermee om te gaan. Dat concluderen onderzoekers van Crisislab op basis van een?onderzoek?waarin gekeken is hoe leidinggevenden van Teams Grootschalige Opsporing (TGO’s) in een serious game omgaan met onder andere tunnelvisie. TGO’s zijn rechercheteams die zich bezighouden met zwaardere misdrijven. In de serious game werd het gevaar van tunnelvisie dermate goed onderkend dat eerder het omgekeerde effect optrad: de rechercheteams waren geneigd te weinig focus aan te brengen in het opsporingsonderzoek en teveel opties door te rechercheren. Voor andere, waarschijnlijk mindere bekende, valkuilen bleek de opsporingspraktijk nog wel vatbaar, zo bleek uit de serious game. Zo zochten de teams overwegend naar bekrachtigend bewijs, werd er vaak onbewust gebruik gemaakt van ingesleten vuistregels en was er sprake van ‘informatiezucht’ Deze valkuilen werden door de serious game goed zichtbaar.

Het afgelopen decennium is binnen de Nederlandse opsporingspraktijk veel aandacht besteed aan het beter kunnen onderkennen en voorkomen van tunnelvisie, met name bij de maatschappelijk ‘zwaarder’ ervaren misdrijven. Aanleiding hiervoor was onder meer het onderzoek van de commissie Posthumus uit 2005 naar de oorzaken van een onterechte veroordeling in de Schiedammerparkzaak. Naar aanleiding hiervan is voor de politie het Programma Versterking Opsporing opgestart dat de kwaliteit van de opsporing moet vergroten door onder andere tunnelvisie aan te pakken.

Op basis van interviews en tien serious games, waarin Teams Grootschalige Opsporing in hun gebruikelijke werkomgeving en onder realistische omstandigheden een moordzaak moesten oplossen, concluderen de onderzoekers dat het gevaar voor tunnelvisie breeduit herkend en onderkend wordt. De keerzijde is echter wel dat men uit angst om te ’tunnelen’ onderzoekscapaciteit verspilde tijdens het spelen van de serious game. In zeer beperkte mate werd namelijk focus aangebracht in het opsporingsonderzoek. Op basis van de serious game concluderen de onderzoekers bovendien dat de opsporing voor andere procesvalkuilen vatbaar lijkt. Zo was tijdens het spelen van de game een zekere vorm van informatiezucht zichtbaar, werd veel impliciet besloten op basis van vuistregels en stereotypen en werd er niet actief gezocht naar ontkrachtend bewijs.
De onderzoekers menen dat serious games bruikbaar zijn voor onderzoek naar besluitvormingsprocessen door leidinggevenden van TGO’s. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het gebruik van deze games een nuttige bijdrage kan leveren aan rechercheopleiding- en training: het maakt procesmatige valkuilen bij het opsporingsonderzoek voor rechercheurs inzichtelijk op een leuke, goedkope en arbeidsextensieve manier en levert bovendien waardevolle inzichten op om onderwijs en training verder te verbeteren.

Bronnen:?Perssupport?(in de reeks Politiekunde van het Programma Politie en Wetenschap), ANP, NOS

M – Moord

Enige tijd terug verscheen een interessant artikel in het Dagblad van het Noorden met als titel ‘Misdaadspel’ spelen bij echte moordzaak. Journalisten Bram Hulzebos en Mick van Wely schrijven over de inzet van het internet bij het moordonderzoek naar de dood van Nico Leeuwe. Deze blog is een weergave van dat artikel aangevuld met achtergrondmateriaal en reacties uit de media.

Het doet een beetje denken aan het ooit zo populaire bordspel Cluedo. De spelers moeten uitvogelen wie een moord heeft gepleegd. Gedurende het spel krijgen ze steeds meer aanwijzingen gepresenteerd. Op de website www.onderzoekzuiderdiep.nl laat de politie burgers meedenken over de moord op de Groninger Nico Leeuwe. Hij werd op 16 september dood in zijn appartementencomplex gevonden.

Dat de politie de hulp van burgers inroept is niet nieuw. Ook niet dat dit gebeurt met speciale webpagina’s. Een regelrechte primeur in Nederland is wel dat de politie al zo snel na een moord het publiek inschakelt. Voordat het slachtoffer was gecremeerd, zette de politie de site al online. In overleg met de nabestaanden.
Recherchechef Frans Greve: “Voor de duidelijkheid: het lijkt misschien op een spel. Maar het gaat wel om keiharde realiteit. Vroeger was het inschakelen van het publiek een laatste redmiddel. Nu doen we dat veel sneller. Met YouTube en Twitter en nu met zo’n site. Ik wil af van de geslotenheid bij de politie. De meest cruciale informatie deel je niet, maar de rest geven we weg. Laat mensen maar meedenken. Laat maar zien wat we doen en weten.” Wisdom of the crowd oftewel ‘kennis van de massa’, heet het principe waar Greve heilig in gelooft. “Door informatie in een groep te gooien kom je tot hogere inzichten. Je komt altijd dichter bij de waarheid. Vraag duizend mensen hoeveel knikkers er in een pot zitten. Het getal dat het meest wordt genoemd zal het dichtst bij de exacte hoeveelheid liggen.”

De politie past ‘kennis van de massa’ toe door het publiek informatie te geven over het onderzoek. “Vervolgens laten we het publiek nadenken en scenario’s schetsen. Wat kan er gebeurd zijn met Nico Leeuwe? De scenario’s plaatsen we net als de tips op de website. We doen dit zo snel omdat mensen nu nog weten wat ze op de dag van de moord hoorden of opmerkten.”

Scenarios

View more documents from frank.

Leverde aandacht voor de zaak Leeuwe in Opsporing Verzocht 14 tips op, op de website Onderzoekzuiderdiep stroomden 38 tips en 76 scenario’s binnen. Greve: “Daar zaten scenario’s bij waar wij nog niet aan hadden gedacht en zeer bruikbare tips. Je ziet dat ook mensen reageren die de man of zijn omgeving goed kennen.”

Uitzending bij TV Noord

De recherche gaat nu alle scenario’s analyseren en vergelijken met gegevens uit het eigen politieonderzoek. “Iedere burger die gereageerd heeft, krijgt bericht terug. Neem de mensen serieus en ze nemen ons serieus. De praktijk laat zien dat het echt zo werkt.”

Geen succes
De politie IJsselland had aanmerkelijk minder succes met dezelfde formule. Het korps was het eerste dat een moordwebsite opstelde. Het betrof de nog steeds onopgeloste moord op Halil Erol uit Steenwijk. De site leverde niet ??n echt bruikbare tip op. De site werd pas een jaar na diens verdwijning opgezet.

Uitzending NOS op 3

Onderzoek Zuiderdiep bij Opsporing Verzocht

Reactie op de site van professor van Koppen

Politie zet Twitter en YouTube in voor onderzoek naar moord op Ida

Het rechercheteam dat de moord op de Arnhemse straatprostituee Ida onderzoekt, gaat Twitter en YouTube gebruiken om informatie te verspreiden en tips binnen te krijgen. De 51-jarige vrouw werd maandagochtend 22 oktober 2010 vermoord gevonden naast een afvalcontainer van een slachthuis aan de Arnhemse Badhuisstraat.?@tgobadhuis

Voor zover na te gaan is het voor het eerst dat Twitter wordt gebruikt door een rechercheteam in een specifiek moordonderzoek.?Daarnaast staat vanaf vandaag informatie over het onderzoek op YouTube. Op het kanaal youtube.com/politiegelderland is onder meer de uitzending van het tv-programma Opsporing Verzocht te bekijken waarin in februari aandacht werd besteed aan de Arnhemse moordzaak.

Bron: De Gelderlander (11 okt 2011)