Tagarchief: straathoek

Meer blauw op digitale straathoek

blauwe hart
,,Sociale media zijn onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden.??

Een reden dat er minder jeugdoverlast op straat is? Kan er mee te maken hebben dat ze tegenwoordig vooral digitaal een beetje rondhangen. Daar moet je als politie dan op inspelen, vindt Rick de Haan. Voor zijn inspanningen om meer blauw op de digitale hangplekken te krijgen, ontving hij onlangs het Blauwe Hart van de eenheid Noord-Holland.

Door [email protected] – 21-1-2016, 21:25?


Het is nog maar ruim een aantal jaren geleden dat de eerste agent van de Nederlandse politie begon te twitteren. Hij inspireerde daarmee Rick de Haan, destijds werkzaam bij de politie in Beverwijk waar hij onder meer de Bazaar en jeugd onder zijn hoede had. ,,Voor ons was Twitter ook in opkomst als middel om met het publiek in contact te komen. En dan niet alleen als zendmiddel – dus om een boodschap over te brengen – maar echt als interactief communicatiemiddel. Met drie wijkagenten zijn we ermee begonnen en toen ging het balletje snel rollen.??

Aanwezig

Rick de Haan kreeg vanuit de eenheidsleiding de taak om vooral wijkagenten en sinds dit jaar ook andere collega?s in de basisteams te trainen in de nieuwe media zoals Twitter en Facebook om daarmee nieuwe informatiebronnen in hun werk aan te boren. Rick de Haan: ,,Via de sociale media is het bijvoorbeeld mogelijk evenementen en publiek te monitoren zonder dat je er zelf fysiek aanwezig bent. Dat kan bij geplande evenementen zoals Bevrijdingspop maar ook bij spontane demonstraties. Sociale media zijn daarbij onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden die een rol kunnen spelen in opsporing. We willen meer blauw op straat maar een deel van de straat is gedigitaliseerd. Wij moeten waakzaam en dienstbaar op de plek waar ons publiek is. Als politie kunnen we dus niet om sociale media heen en daarom zijn mensen als ik aangesteld om te kijken hoe we samenhang in het gebruik ervan kunnen bereiken. We weten dat het gebruik van Facebook in alle lagen gebeurt, Instagram richt zich meer op jongeren en op Twitter zie je het vele zakelijk gebruik zoals door journalisten en bestuurders. Soms moet je alle drie gebruiken, soms moet je kiezen en je moet weten wat de do?s en don’ts zijn van elk medium.??

Tandarts

Sociale media kennen hun valkuilen voor nieuwe gebruikers, zoals de Amsterdamse wijkagent die na een belediging en bedreiging twitterde: ?De wijkagent beledigen, zeg het dan recht in mijn gezicht als je een goede tandarts hebt?. Rick de Haan: ,,De gouden regel is: Wat je op straat niet doet moet je ook online niet doen. Bij twijfel even overleggen, maar negentig procent wordt zonder problemen en controle gepubliceerd.??

Sociale media worden ook gebruikt om ongenuanceerd gal te spuwen en azijn te pissen maar de Facebooksites van de politie worden daar nog redelijk van gevrijwaard. Rick de Haan: ,,De reacties zijn genuanceerder dan op krantensites of GeenStijl. Kritiek leveren op de politie mag, als het maar niet beledigend wordt. Daar reageren we op, in principe via een priv?bericht. Soms hoeven we ook niet te reageren. We wachten meestal even en dan wordt er vaak voor ons stelling genomen door andere gebruikers. Er is een zelfreinigend vermogen dat discussies vaak in ons voordeel oplost.??

Het gebruik van sociale media gaat lijnrecht in tegen de hi?rarchische structuur die de politie-organisatie van oudsher kent. Facebook, Instagram en Twitter ontstaan door netwerken waarvan de deelnemers op gelijke hoogte staan. Rick de Haan: ,,Dan merk je dat vooral de wijkagenten, die al met hun foto in het wijkblaadje staan, voor sociale media open staan. Sommige lagen van de organisatie, zoals bij rechercheafdelingen die zich met ondermijningsonderzoeken bezighouden, zijn veel terughoudender. Dat is begrijpelijk maar voor hun spelen de sociale media een andere rol. Elk mens laat online zijn digitale voetafdruk achter, ook criminelen.??

Webcare

Net als bij andere grote dienstverleners en bedrijven zou de politie ook over moeten gaan tot zogenaamde webcare. Rick de Haan: ,,65 Procent van de wijkagenten twittert maar zijn niet zeven dagen in de week en 24 uur per dag in dienst. Dan moet je bellen als je een melding wil doen, maar dan gaat tijd verloren. Mijn voorstel is dat naast de telefonische ook de online bereikbaarheid bij de politie 24/7 gegarandeerd is. Via sociale media bereiken ons persoonlijkere berichten dan via 0900-8844. Daar vinden andere gesprekken plaats. Verder zie ik wel iets in een digitaal vragenuurtje van de wijkagent en het informeren van het publiek via video?s op Facebook.??

Binnen

Op dit moment beschikt de politie al over Realtime Intelligence Centers (RTIC?s) bij de meldkamers. Bij meldingen, bijvoorbeeld van een straatroof, wordt binnen het opgegeven gebied online gerechercheerd op informatie die op sociale media wordt gezet. Rick de Haan: ,,Dan heb je de eerste verklaringen vaak al binnen.??

Bron: Haarlems Dagblad

Social Media Status: pronken met de buit

Dom of niet: opscheppen op sociale media over je misdaad. Het verhoogt in ieder geval w?l je status.

Sta je op internet met je pipa (pistool) of met veel doekoe (geld), dan ben je de shit (de man). Dat de politie je zo ziet? Gewoon negeren. Het respect en het aanzien dat je ermee verkrijgt, is belangrijker dan het risico dat de scotoe (politie) je oppakt.
Criminele jongeren hebben sociale media nodig om hun publiek te bereiken. Ze moeten juist vindbaar zijn op internet om status te behalen. Dat is een van de constateringen van de Rotterdamse criminoloog Jeroen van den Broek. Hij deed onderzoek naar het gebruik van sociale media door jongeren binnen de straatcultuur en won er de Scriptieprijs 2014 mee. De jury van hoogleraren en beleidsmakers sprak over een ‘heel gedegen’ onderzoek dat ‘las als een spannende misdaadroman’.

Van den Broek onderzocht hoe Rotterdamse jongeren uit de wijk Spangen binnen de straatcultuur zich op sociale media presenteren. Ze laten zich graag afbeelden in merkkleding, met dure auto’s en met stapels geld aan hun oor (een zogenaamde stackphone).
Op Youtube is bijvoorbeeld de rapgroep Terrorniggerz te zien met hun video Copkillers waarin jongeren poseren met wapens, gouden sieraden en dure auto’s. “Wat me opviel is dat ze niet eens de moeite namen om zichzelf onherkenbaar te maken of de kentekens van die auto’s af te plakken. Zo is het wel erg eenvoudig om ze op te sporen.”

De getoonde stapels geld in filmpjes en op talloze afbeeldingen op sociale media zijn waarschijnlijk ‘verdiend’ met pinpasfraude en drugsgerelateerde criminaliteit, vermoedt Van den Broek, die daarnaar voor zijn scriptie geen onderzoek deed.

Iedereen wil waardering en erkenning, ook de jongeren die op een andere manier aan hun geld komen. Van den Broek: “Vaak zijn het jongeren die thuis geen vaderfiguur hebben. Erkenning en waardering halen ze bij hun eigen groep. Daar geldt: hoe crimineler je bent, hoe meer straatrespect je krijgt.”
De mogelijkheden om criminele jongeren die hun illegale praktijken openlijk tentoonspreiden op deze manier op te pakken, zijn groot. De politie kan informatie over de herkomst van filmpjes, foto’s of tweets op internet zien. “Ze kunnen op een website achter het slotje kijken en toch wordt er heel weinig gebruik van gemaakt”, merkte Van den Broek tot zijn verbazing na het schrijven van zijn scriptie. “Het risico voor die jongeren om gepakt te worden, is daardoor erg klein.”
Een agent moet daarvoor de mogelijkheid krijgen een uurtje per dag achter een beveiligde computer te kruipen, vindt Van den Broek. “Vaak weten agenten al wel een beetje wie de jongeren zijn, maar het ontbreekt ze aan tijd om verbanden te kunnen leggen. Wie gaat met wie om? Waar hangen ze rond op internet? De werkvloer wil dat graag onderzoeken, maar van hogerhand wordt dat te weinig gefaciliteerd.”

Van den Broek startte na zijn scriptie een bedrijf om justitie, gemeenten en politie te wijzen op de mogelijkheden die sociale media hen bieden. “Het doel is niet de politie te helpen met de opsporing, maar de slagkracht van hen, en van ambtenaren en jongerenwerkers vergroten.”

Van den Broek wordt daarom ook ingehuurd door gemeenten om probleemjongeren in kaart te brengen. “Door te graven in een groep ga je verbanden zien. Als je het profiel van een van die jongeren kent, kun je via zijn vriendenlijst zien wie die groep vormen.”

Albert Meijer, hoogleraar technologie in de publieke sector, constateert dat de politie steeds vaker de daders grijpt naar aanleiding van filmpjes op sociale media. Al kan hij geen cijfers noemen, omdat de politie die niet bijhoudt. Het Openbaar Ministerie wijst de politiekorpsen niet expliciet op de mogelijkheid tot digitaal rechercheren. “Het gebeurt nu alleen waar het onderzoek dat rechtvaardigt”, zegt woordvoerster Judith de Valk. “Bij een beperkte capaciteit zul je afwegingen moeten maken waar je wel en niet op rechercheert. We hebben belangstelling voor het onderwerp, maar er geen beleid op geformuleerd.”
Als de politie sociale media gebruikt in een onderzoek naar een dader, is dat vaak in geval van een mishandeling. “Zware criminele jongeren zetten dit soort filmpjes nooit op internet”, zegt criminoloog Jeroen van den Broek. “Ze weten dat het risico om voor een relatief licht vergrijp als een mishandelingetje gepakt te worden heel groot is.”

Bronnen: BN De Stem (9 okt 2014),?De Stentor/ Deventer Dagblad (9 okt 2014).

Van de straathoek naar Facebook

straathoek
Zoals wellicht bekend, staan social media vol met foto?s van dikke stapels geld, dure Gucci-schoenen en Cartier horloges, maken veel jongeren selfies met schotwonden en vereren ze er hun ?voorbeelden?, zoals Willem Holleeder.

Jongeren die voorheen op straat rondhingen, meten zich online ?een criminele identiteit? aan ? ze doen ?alles voor respect?. En wie respect wil, of stoer wil overkomen, moet daarvoor eerst bewijs aanleveren: een foto, een posting, een tweet. Van den Broek bestudeerde een jaar lang berichten en foto?s die straatjongeren, grotendeels uit de Rotterdamse wijk Spangen, op social media zetten.

‘Straatcultuur speelt zich steeds meer af op social media in plaats van op straat.’ Dat zegt criminoloog Jeroen van den Broek tegenover Govrien Oldenburger van Sevendays. Met zijn scriptie over het social mediagedrag van criminele jongeren won hij de Rotterdamse Scriptieprijs 2014. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’? Inmiddels wordt het begrip straatcultuur niet alleen maar toegepast in onderzoek naar (ongewenst) gedrag van jongeren op straat, maar ook op scholen en op social media.

Onderstaande?definitie van de Jong over?straatcultuur lijkt daarmee vandaag de dag wat achterhaald:
?Alle gedeelde ervaringen, kennis, betekenissen en symbolen die relevant zijn in het dagelijkse doen en laten van straatjongens die samen hun vrije tijd doorbrengen in de openbare ruimte van hun
(achterstands)buurt.? (de Jong, 2007: 149).
‘Ik wilde graag de link leggen tussen straatcultuur en social media’, vertelt Van den Broek, die liever social media dan sociale media gebruikt, definieert het als volgt”het geheel aan user generated content dat wordt gecre?erd en gedeeld via digitale platformen die dienen voor het overdragen van informatie”.?Hij begon zijn onderzoek met een YouTube-filmpje van een crimineel jeugdnetwerk dat iemand hem liet zien. ‘Daarna ben ik die jongens ??n voor ??n gaan onderzoeken.’ Daarbij maakte hij uitsluitend gebruikt van openbare netwerken, zoals YouTube, Instagram, Twitter en Keek (waar je filmpjes op kunt zetten). Wat bleek? Online was h??l veel over ze te vinden. ‘Die jongens houden een soort performance om status te krijgen. Ze zetten een beeld van zichzelf neer dat zo straat mogelijk is.’ Daarbij is stapels geld showen heel belangrijk, volgens Van den Broek. Net als het vertonen van criminele activiteiten. ‘Ze poseren met geld, wapens of zakken drugs. En scheppen erover op dat ze iemand beroofd hebben.’ De meesten waren begin twintig, schat hij. ‘Maar er zaten er ook een paar van vijftien en zestien tussen.’
Status
Is het niet een beetje dom om openlijk op te scheppen over je criminele gedrag? ‘Misschien wel, maar ze vinden het respect dat ze op die manier verkrijgen belangrijker. Ik denk dat het een kosten batenafweging is.’ Van den Broek kwam het in ieder geval bijzonder goed uit, voor zijn onderzoek. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’ Aanvankelijk probeerde hij zelfs contact met ze te leggen. ‘Ik wilde van h?n horen waarom ze zich zo uiten in het openbaar.’ Dat wilden ze helaas niet. ‘Geeft niet’, oordeelde Van den Broek. ‘Het maakte mijn onderzoek alleen maar sterker. Zo kon ik aantonen hoeveel informatie je al kunt vinden over zo?n netwerk zonder ze ooit gesproken te hebben.’ Hun gegevens anonimiseerde hij. Nooit overwoog hij de politie in te schakelen. ‘Als onderzoeker moet je onafhankelijk zijn.’ Nu hij is afgestudeerd, werkt hij voor de gemeente en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daar legt hij uit hoe je social media kunt gebruiken om informatie te krijgen over een jeugdcultuur. Op 1 september moet hij nog even terug naar zijn oude universiteit, de Erasmus Universiteit. Dan krijgt hij zijn oorkonde en 1500 euro uitgereikt. Wat gaat hij met het geld doen? ‘Een mooie auto kopen’, grinnikt hij. ‘Dat is goed voor m?jn status.’
Niet verrassend concludeert hij dat social media ?een dankbaar platform? vormen voor jongeren die zich een crimineel imago willen aanmeten. In een straatcultuur waar het draait om geld en ?laten zien hoeveel je hebt?, zijn deze media bij uitstek geschikt om te pronken ? jongeren posten zelfs foto?s van een bonnetje van twee flessen bacardi ? 150 euro. En een brief van de politie waarin je wordt gevraagd om dna af te staan, bewijst dat je ?een vrij ernstig delict? hebt gepleegd en ?dat is statusverhogend?.
Volgens Van den Broek is er door social media veel veranderd. Jongeren ontmoeten elkaar minder dan voorheen, hun hang naar respect is het allerbelangrijkst. Dat de politie meekijkt op social media, interesseert ze niet. Als ze iets illegaals posten en niet worden gepakt, levert dat extra respect op. Bovendien gebruiken ze straattaal en allerlei verbasteringen, ?voor buitenstaanders onbegrijpelijk?. Volgens Van den Broek heeft zijn onderzoek vooral aangetoond dat het voor de criminologie ?van groot belang is zich op een serieuze manier bezig te (gaan) houden met social media?.

Virtuele etnografie
Van den Broek gebuikte als onderzoeksmethode?virtuele etnografie,?een term die werd ge?ntroduceerd door Christine Hine in 2000 en doelt op?etnografisch onderzoek op het internet. Hij beschrijft het als volgt:

“Doordat veel van onze sociale interactie zich steeds meer richting het digitale domein begeeft, wordt het voor sociale wetenschappers steeds belangrijker om ook deze online gedragingen van mensen in ogenschouw te nemen. Kozinets (2010) definieert in zijn boek virtuele etnografie (door hem omgedoopt tot netnografie) als een gespecialiseerde vorm van etnografie die rekening houdt met de mogelijkheden die digitale communicatie ons biedt binnen onze huidige sociale netwerken. Virtuele etnografie is dus vooral zinvol in onderzoek naar gemeenschappen waarbinnen digitale communicatie een belangrijke rol speelt (Hine, 2000). Volgens Kozinets zijn er een aantal significante verschillen tussen ?normale? etnografie en de virtuele tegenhanger die het bestaansrecht van een zelfstandige methode rechtvaardigen. Ten eerste verschilt het verkrijgen van toegang tot een groep op internet wezenlijk van real life-toegang. Zowel ?participeren? als ?observeren? (etnografie wordt ook wel aangeduid als ?participerende observatie?) betekenen binnen het digitale domein iets wezenlijk anders dan in real life-etnografie. Ten tweede biedt virtuele etnografie zowel enkele nieuwe uitdagingen als nieuwe mogelijkheden ten opzichte van de klassieke vorm. Het gebruik van bijvoorbeeld aantekeningen verandert wezenlijk, omdat men alle tijd en ruimte heeft om precies te noteren wat men tegenkomt. Binnen de virtuele etnografie zijn kladblok en potlood daarom overbodig geworden. Mede door deze ontwikkeling verandert ook de hoeveelheid data die men verkrijgt uit beide vormen enorm. Ten slotte verschilt ook de manier waarop data geanalyseerd dient te worden, vanwege het feit dat bij virtuele etnografie de data al in digitale vorm verkregen wordt. Als derde benoemt Kozinets het verschil met betrekking tot ethische principes op het gebied van veldwerk. Bestaande ethische principes zijn heel duidelijk gebaseerd op de klassieke
vormen van veldwerk en lenen zich niet goed voor toepassing op virtuele etnografie. Dit komt het duidelijkst naar voren op het gebied van informed consent.

Binnen de virtuele etnografie bestaan verschillende onderzoeksmethoden, zoals bijvoorbeeld een sociaalnetwerkanalyse tracht men bepaalde structuren en patronen van relaties tussen bepaalde mensen binnen een netwerk te analyseren (Kozinets, 2010).”