Tagarchief: commissie

Algoritme als agent

Kan de computer misdaad voorspellen? Binnenkort gebruikt de Nederlandse Politie een algoritme om te bepalen waar de kans op een inbraak of overval het grootst is. De politietop is enthousiast, maar experts zetten vraagtekens bij de effectiviteit.

Onderstaand artikel is eerder gepubliceerd in De Ingenieur, tekst van Marc Seijlhouwer.?

Een schimmig zijstraatje in Amsterdam. Hier is het risico op een inbraak het grootst in de hele stad, zo weet de politie. Daarom houden agenten de straat deze avond extra in de gaten. Statistisch gezien is de kans immers aanzienlijk dat hier straks een roof,
inbraak of autokraak gaat plaatsvinden.

De agenten weten dat niet vanwege hun jarenlange ervaring met criminelen en de stad. Nee, een computer heeft hen verteld hoe het allemaal zit. Een algoritme, om precies te zijn, met de naam CAS. Dit Criminaliteits Anticipatie Systeem voorspelt voor elk gebied van 125 bij 125 m hoe groot de kans is dat er iets gebeurt in de komende twee weken. Dit alles op basis van tientallen informatiebronnen: het aantal inbraken of overvallen, de samenstelling van de bevolking aan de hand van CBS-cijfers, de adressen van veelplegers in een buurt en de geografische eigenschappen van een wijk, zoals de afstand tot een snelwegoprit die als makkelijke vluchtroute kan dienen.

Al die gegevensstromen zijn in drie jaar tijd tweewekelijks verzameld en in een zelflerend algoritme gestopt. Het programma ontwaarde patronen in deze informatie en kon op die manier een overzichtelijke kaart maken: risicovakjes zijn rood, andere oranje of geel. Een commandant ziet in ??n oogopslag waar de politie het meest nodig is en kan daar zijn surveillancerooster op baseren.
In theorie werkt CAS voorbeeldig. De voorspellingen zijn nauwkeurig en de agenten kunnen op de kaarten makkelijk zien waar ze heen moeten. Maar de praktijk blijkt weerbarstig. Toch springt de politie, in zijn zoektocht naar hulpmiddelen om effici?nter te werken, er fanatiek op. Is dat verantwoord? En wat zijn de gevolgen voor de maatschappij?

Tachtig datastromen
In mei maakte de Nationale Politie bekend CAS te gaan gebruiken bij 168 politieteams. Daarmee is Nederland het eerste land dat landelijk predictive policing (voorspellend politiewerk) toepast. De boodschap kwam na pilot-programma?s in Amsterdam en vier andere gemeentes (Enschede, Groningen-Noord, Hoefkade en Hoorn). Volgens de politie verliepen deze pilots dus succesvol genoeg om het systeem in te voeren. CAS lijkt inderdaad een handig gereedschap voor de drukke roostermakers die met een beperkte hoeveelheid agenten toch zoveel mogelijk misdaad willen voorkomen. Voordat CAS bestond, gebeurde dat goeddeels op basis van ervaring, rapportages van politieanalisten en het gevoel van de agenten. Subjectieve maatstaven dus. CAS, of breder: voorspellend politiewerk, geeft een schijnbaar objectiever advies. Het is immers gebaseerd op harde cijfers.

Predictive policing begon in 2009 in Los Angeles, toen antropoloog dr. Jeffrey Brantingham als eerste een manier bedacht om data te gebruiken om criminaliteit terug te dringen. Hij ontwierp een simpel algoritme waarin drie datastromen ? het soort misdrijf, de misdrijflocatie en het misdrijfmoment ? samenkwamen en een heat map van de Californische superstad opleverden. Die kaart leek al snel een goede voorspelling te geven en de misdaadcijfers daalden mede dankzij het gebruik van PredPol. Predictive policing was een hit. Bij de Nederlandse Politie ontwierp vervolgens dataminer drs. Dick Willems CAS. Dat was qua opzet een stuk ambitieuzer: niet drie, maar tachtig datastromen gingen in eenzelfde soort algoritme. ?Het is begrijpelijk dat de politieagenten hier snel op springen?, stelt ir. Arnout de Vries, sociaal onderzoeker bij onderzoeksorganisatie TNO. Hij kijkt al een aantal jaar naar de mogelijkheden en risico?s van predictive policing. ?Het geeft houvast bij een onzekere kant van het?werk. En het kan volgens onderzoeken in theorie enorm helpen.? Volgens CAS-ontwerper Willems, die een artikel over ?zijn? algoritme schreef in het Tijdschrift voor de Politie, kan 40 % van de inbraken en 60 % van de straatroven worden voorspeld. Dat betekent dat dergelijke misdrijven plaatsvonden in of nabij de voorspelde hokjes op de CAS-kaarten. Als al die misdrijven daarmee ook voorkomen kunnen worden, is dat natuurlijk enorme winst voor de veiligheid in de buurt.

pred1

Voorbeeld van een heat map. Vierkantjes van 125 bij 125 m krijgen een kleur, afhankelijk van de kans dat er een inbraak of roof plaatsvindt. Vervolgens kan de politie bijvoorbeeld meer surveilleren of een extra lantaarnpaal laten plaatsen om het risico te verkleinen.

Meer is niet beter
Toch is predictive policing niet alleen maar rozengeur en maneschijn. De eerste onderzoeken naar het gebruik van CAS, gedaan nadat de pilot ten einde kwam, laten zien dat het effect beperkt is. Dat wil zeggen: de pakkans bij inbraken en roof is vergroot, maar het is moeilijk om te bepalen of dat door CAS komt of doordat er meer agenten zijn ingezet om dergelijke misdrijven aan te pakken. Dat laatste gebeurde de afgelopen jaren namelijk ook, vanwege een wens uit de politiek.

Een onderzoek van de Politieacademie liet verder zien dat de interpretatie van de CAS-kaart problemen oplevert. ?De interpretatie van de kaart ging regelmatig mis, doordat de mensen die dat moeten doen te weinig kennis hebben?, vertelt dr.ir. Marielle den Hengst-Bruggeling, voormalig lector bij de Politieacademie, auteur van het rapport over CAS en universitair docent aan de TU Delft. Het onderzoek laat zien hoe ingewikkeld data-interpretatie kan zijn. ?Als agenten daar niet voor hebben geleerd, kan het effect van een algoritme kleiner zijn. We ontdekten dat de voorspellingen van CAS goed en betrouwbaar waren. Maar het omzetten van een voorspelling in een actie bleek lastig.? Daarnaast waren de reacties op de kaarten vanuit de politieleiding niet altijd adequaat. ?De meest voorkomende reactie was ?meer agenten inzetten op een plek?. Maar dat is lang niet altijd de beste optie. Als er een lantaarnpaal stuk is, werkt een monteur sturen beter om de locatie veiliger te maken.? Het academieonderzoek was voornamelijk kwalitatief; Den Hengst-Bruggeling en collega?s spraken met agenten en leidinggevenden en met de makers van CAS. Zo ontdekten ze wat er goed ging en wat niet. ?Maar harde cijfers hebben we niet, want het is lastig te onderzoeken.?

[slideshare id=73217737&doc=predictivepolicing-lessenvoordetoekomst-170316163022&type=d]

Bij PredPol lijken de resultaten wel hoopgevend. Bedenker Brantingham deed een onderzoek naar zijn eigen systeem, waarbij hij wijken die m?t PredPol waren geanalyseerd vergeleek met soortgelijke wijken (qua misdaadcijfers) zonder PredPol. En daaruit bleek dat PredPol werkt: het is twee keer zo goed in het voorspellen van misdrijflocaties als ervaren misdaadanalisten en het vermindert de hoeveelheid criminaliteit met 7 procent.

[slideshare id=53787686&doc=randomizedcontrolledfieldtrialsofpredictivepolicing-151011071940-lva1-app6892&type=d]

Dat zijn opmerkelijke cijfers, die echter ook meteen controversieel werden. Brantinghams onderzoeksmethodologie rammelde; de criteria?voor misdaaddaling waren bijvoorbeeld nogal los en het was niet altijd duidelijk of een daling aan de voorspellingen van PredPol lag of aan andere zaken.

Een onafhankelijk onderzoek naar PredPol of andere in de praktijk gebruikte voorspellingssystemen is er niet. Het dichtst in de buurt komt een Amerikaans onderzoek van de denktank The?RAND Corporation. Die paste een zelfontworpen model toe op het stadje Shreveport in Louisiana en vond niet significant minder misdaad dan in controlewijken. RAND ontkrachtte ook claims van de stad Chicago. Die stad gebruikte een ?voorspellingslijst? van mensen die vermoedelijk binnenkort een misdaad zouden begaan. Volgens Chicago had die lijst effect, RAND ontdekte dat dit effect niet significant was.

[slideshare id=39335396&doc=randrr531-140921011149-phpapp02&type=d]

Of het systeem in Nederland werkt, is nog moeilijker te zeggen; gedegen statistisch onderzoek naar het effect begint nu langzaam te komen, maar is nog lang niet voltooid. De Vries van TNO: ?We werken voor de evaluatie van CAS aan een kwantitatieve analyse die ons wat meer houvast geeft. Het onderzoek in Nederland is tot nu toe voornamelijk kwalitatief.?

Overigens bleek ook uit die kwalitatieve analyse van de Politieacademie geen significant verschil tussen criminaliteit zonder CAS en met. Bij het Nederlandse onderzoek vergeleek men de cijfers van een jaar voordat CAS begon met het jaar met CAS. ?Vergelijken blijft lastig, maar onze bevindingen geven wel een indicatie dat het ergens mis gaat met de voorspellingen?, zegt Den Hengst-Bruggeling. ?We weten dat de voorspelling zelf goed is, dus moet het probleem in de opvolging zitten.?

En ook als we over de bezwaren tegen het positieve onderzoek van Brantingham heen stappen, is dat moeilijk als bewijs voor de effectiviteit van CAS te zien. PredPol is ingezet in de Verenigde Staten, waar de cultuur en manier van werken van de politie totaal anders zijn. Bovendien verschillen de algoritmes behoorlijk. Vooral de veel grotere hoeveelheid datastromen in CAS valt op. ?Misschien zou je denken dat meer data altijd een betere voorspelling oplevert. Maar dat hoeft niet?, zegt de Vries. ?Zoveel data kan de voorspelling ook minder duidelijk maken, of kan ervoor zorgen dat er te veel aandacht wordt gegeven aan de verkeerde data. Meer is niet altijd beter.?

Big Brother Award
De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid kwam vorig jaar met een rapport dat waarschuwde voor de gevolgen van big data in overheidsbeleid. Predictive policing valt daar ook onder en moet volgens de raad dus uiterst voorzichtig worden uitgerold.

[slideshare id=61479991&doc=bigdataineenvrijeenveiligesamenleving-160428204125&type=d]

Internetprivacyorganisatie Bits of Freedom is ook kritisch over het gedrag van de politie; in 2015 gaf die de politie de Big Brother Award voor grootschalige privacyschending via een hun dataverzameling en -gebruik. Voorlopig is de data van de politie echter niet te gebruiken om individueel gedrag te detecteren. Dat lijkt men ook niet van plan, maar de mogelijkheid bestaat wel als systemen zoals CAS eenmaal gemeengoed zijn.

Zo objectief mogelijk
PredPol liet tijdens het gebruik ook al een risico zien van dit soort data-analyse. In achterbuurten werden vaker misdaden gepleegd, dus focuste het algoritme zich volledig op die buurten. Daardoor ging er meer politie heen, werd er meer misdaad ontdekt, enzovoort. Aangezien in de achterbuurten relatief veel Afro-Amerikanen woonden, zorgde het algoritme in feite voor een raciale ?bias? bij de politiemacht, ook al was etniciteit geen onderdeel van het model. De politie ging immers vaker naar die wijken en arresteerde daardoor vaker Afro-Amerikanen.
Dat probleem zou hier mogelijk nog groter kunnen zijn dan in de VS. Daar werkt het algoritme puur op criminaliteitscijfers, terwijl CAS onder andere CBS-gegevens over inwoners gebruikt, wat de kans op onbedoelde raciale profilering nog groter maakt.

Maar hoe voorkom je dat dan? De Vries: ?Het is lastig, want dit soort vooroordelen zijn niet geprogrammeerd; ze ontstaan uit de statistische regels van het programma. Dat maakt ze niet waar; de tunnelvisie is een soort glitch in de statistiek. Dat kun je voorkomen door ruis in de data te gooien. Normaal vertroebelt dat de analyse, maar met een beetje ruis kun je het algoritme uit zijn tunnelvisie halen en op een ander pad zetten. Zo maak je vooroordelen minder waarschijnlijk.?
Ook moet je kritisch kijken naar de criteria waarmee je een wijk bestempeld als ?risicovol?, zegt De Vries. ?Zit daar iets in dat te maken heeft met vooroordelen? Dat moet je als ontwerper weten voordat je je algoritme gaat gebruiken.?

Daarnaast proberen de ontwerpers van de algoritmes een zo objectief mogelijke maatstaf te nemen. Dat is doorgaans de aangifte die een slachtoffer doet. Die is niet gebaseerd op de aanwezigheid van politie in de wijk en geeft zodoende een eerlijker beeld van de hoeveelheid misdrijven dan een steeds terugkerende agent. Mede door die maatstaf is predictive policing op dit moment alleen te gebruiken voor zogenoemde high impact crimes: misdrijven die mensen raken in hun levenssfeer en veiligheidsgevoel. Van dat soort misdrijven doet men namelijk bijna altijd aangifte, dus geven ze een vrij volledig beeld van de hoeveelheid misdaad in een wijk.

Inbreekbereik
Terwijl de politie zich gereedmaakt om CAS in het hele land te gebruiken, zijn er ook al onderzoekers en politieonderdelen die naar de volgende stap kijken. CAS is namelijk beperkt: het zegt alleen waar iets gaat gebeuren, niet wat je ertegen moet ondernemen. Dat is echter wel mogelijk, denkt TNO. Daar werkt data-onderzoeker dr. Selmar Smit samen met de Vries en andere onderzoekers aan iets wat ze prescriptive policing noemen. Doel van dit onderzoek: een algoritme dat aan de hand van data voorschrijft wat een agent het beste kan doen. ?We willen de agenten helpen om een keuze te maken, zonder dat ze de vrijheid verliezen om zelf een interventie te kiezen?, vertelt De Vries. Dus voorspelt het systeem van een aantal ingrepen hoe effectief ze kunnen zijn. Als er een donker straatje is waar veel overvallen plaatsvinden, is een straatlamp of een beveiligingscamera misschien wel de beste oplossing. Zijn er veel inbraken? Dan kan een andere patrouilleroute een wereld van verschil maken. ?Ons systeem berekent het effect van elke interventie en geeft die informatie aan agenten. Zij kiezen vervolgens wat de beste optie is, aan de hand van het systeem en hun ervaring op straat.?

Het klinkt als een simpel systeem, maar dat is het niet. ?Om zo?n voorspellend algoritme te maken, moet je niet alleen veel data hebben, je moet ook het effect van een interventie meenemen in je berekening?, vertelt Smit. ?Als je dat niet doet, voorspel je alleen de situatie in vergelijking met het scenario waarin de politie niets doet. Maar dat is onrealistisch; de politie zal hoe dan ook altijd proberen in te grijpen. Daarom zijn de huidige algoritmes ook niet altijd toepasbaar.? Zo?n recursief algoritme, waarin je de uitkomst van de berekeningen terugvoert aan het algoritme, is niet makkelijk te maken. ?Met alleen criminaliteitscijfers of bevolkingsdata ben je er nog niet. Dus moet er kennis over mensen, in dit geval over het gedrag van criminelen, in het algoritme worden verwerkt.?

Al vier jaar werken Smit en collega?s aan hun prescriptive policing, en het gaat stapje voor stapje vooruit. ?De belangrijkste vooruitgang zit eigenlijk op het menselijke vlak. We spreken veel met experts, ervaren rechercheurs en agenten die ons vertellen hoe criminelen werken. Die kennis, vaak kwalitatief van aard, probeer ik in het algoritme te stoppen.? Als voorbeeld noemt Smit inbreekgedrag: ?Een crimineel zal niet bij zijn buren inbreken, maar?zal ook niet tientallen kilometers rijden op zoek naar een goede kraak. Zijn ?kraakgebied? is dus relatief goed te voorspellen. De politie weet dat, en wij proberen een maximaal bereik vanaf het huis van een inbreker te bepalen voor in het algoritme.?

Op die manier produceert het prescriptive algoritme niet alleen heat maps, maar ook een lijstje met mogelijke acties voor agenten. Bij elke actie staan ??n tot vijf ?ballen? om de voorspelde effectiviteit aan te geven. ?Daarbij komt dan een korte motivatie vanuit het algoritme.
Die motivatie komt vooral van vergelijkingen met andere wijken waar we al iets over weten. Dan staat er bijvoorbeeld: ?Een camera ophangen in een donkere straat werkte erg goed in deze
vergelijkbare wijk in Almere.? Op die manier weet de agent waar de voorspelling vandaan komt.

[slideshare id=61354641&doc=104tnorpredictivepolicingweb-160426065651&type=d]

Hongerig algoritme
Die vergelijkingen zijn voorlopig de kern van het prescriptive-algoritme. Echt de gevolgen van ingrepen simuleren gaat nog te ver, vindt Smit. ?De toekomst simuleren is een vaag onderzoeksgebied. We kunnen op korte termijn misschien wel iets voorspellen, maar het is onmogelijk om langetermijngevolgen te overzien met zo?n simulatie. Met wijkvergelijkingen weet je dat vaak wel, omdat de ?toekomst? van de ene wijk het verleden van een andere, soortgelijke buurt is.?
Wat TNO doet, is volgens De Vries en Smit op dit moment uniek in de wereld. ?Amerika, en Los Angeles in het bijzonder, volgt ons werk met veel interesse?, zegt De Vries.

Het risico van een bevooroordeeld algoritme geldt hier nog steeds. ?Het zou kunnen dat er eerder dan bij predictive policing al vooringenomenheid voor bepaalde wijken of bepaalde wijksoorten ontstaat doordat eerdere reacties van wijkagenten al is meegenomen.? Voorlopig is dat echter lastig na te gaan, want er is nog niet genoeg data om het hongerige algoritme mee te voeden. Om te weten welke interventies effectief zijn in bepaalde situaties, moet een computerprogramma immers weten of het werkte op een andere plek.
Daarom probeert Smit nu agenten te overtuigen om hun data te delen. Met hun telefoon en een gps-logger, bijvoorbeeld, of met een app waarop een agent kort aangeeft wat hij deed en waarom. ?Dat is meer moeite voor de agent, en het kan een vrij grote privacyinbreuk zijn. Hij of zij kan zich beperkt voelen in zijn of haar vrijheid, omdat elke beweging nu wordt gevolgd en opgeslagen. Ik probeer ze ervan te overtuigen dat ze als dataproducent met een gps op zak ook meer vrijheid kunnen krijgen op de lange termijn. Denk bijvoorbeeld aan ?een praatje maken?. Nu is dat voor de leidinggevenden vaak geen actie die als werk ?telt?. Als ons algoritme straks aantoont dat praten juist helpt om lokale criminaliteit te verminderen, krijgt de agent mogelijk meer vrijheid in zijn manier van werken.?

Komende vijf jaar is prescriptive policing nog geen realiteit. Maar met de landelijke invoering lijkt het voorspellend politiewerk van CAS moeilijk tegen te houden. Hoewel ze zelf aan de mogelijke opvolger van CAS werken, kijken ook Smit en De Vries niet alleen positief tegen de techniek aan. ?Het risico van bias is alleen te verminderen als de algoritmes transparant blijven. Daar zal bij elke verdere ontwikkeling op gelet moeten worden?, stelt Smit.

Op dit moment zijn de algoritmes in principe nog helder genoeg; predictive policing gebruikt statistische methodes die patronen uit data ontwaren. Zo ?leert? het programma met analyses die terug te volgen zijn tot de bron. Dat is doorzichtiger dan deep learning, waarbij een computer via verschillende ?lagen? een beslissing neemt. Deze methode zorgt nu al voor onnavolgbare uitkomsten bij verschillende zelflerende programma?s van Google en andere softwarebedrijven. Begrijpelijk dat de overheid en politie daar vandaan blijven.

Ondertussen denken de wetenschappers van TNO dat het essentieel is om de voorspellende techniek te ontwikkelen. ?Je houdt dit niet tegen. En ik geloof dat het beter is dat wij het doen, namens de overheid, dan dat een marktpartij een voorspellend ? maar niet transparant ? algoritme bouwt om daar winst mee te maken?, aldus Smit.

Hackrisico
Een vraag die CAS ook oproept, is: moet je bij iets wat misschien niet werkt wel al die gegevens van burgers willen gebruiken? Den Hengst-Bruggeling nuanceert het gevaar van privacy-inbreuk: ?De gegevens die CAS gebruikt, zijn nu in principe ook al beschikbaar voor de politie. Het algoritme maakt er overzichtelijke kaarten van, maar het werkt niet op het niveau van individuen.? Ze vindt de landelijk uitrol dan ook niet vreemd. ?Ik denk dat het een goed moment is. De politie gebruikt veel methodes die niet per se wetenschappelijk bewezen zijn. Dat is logisch, want het is altijd erg moeilijk om aan te tonen dat de criminaliteit daalt door een bepaald beleid. Hopelijk gaat de politie meer inzetten op het duiden van de data. Dat is belangrijk om van CAS een systeem te maken dat ook echt invloed heeft op de hoeveelheid criminaliteit.?

?Je kunt het systeem op een ethische manier invoeren zolang het algoritme maar transparant blijft en er bij elke verdere stap een discussie ontstaat?, zegt De Vries van TNO. Hij geeft wel meteen toe dat er nog de nodige beren op de weg zijn. ?De privacywetgeving en -handhaving zijn op dit moment slecht geregeld, zeker voor zaken als big data. Daar moet meer beleid voor komen. Daarnaast is er een belangrijke rol weggelegd voor het Openbaar Ministerie, rechters en de advocaten van verdachten. Die moeten kritische vragen stellen bij rechtszaken die als gevolg van predictive of prescriptive policing voorkomen: ?Hoe is mijn cli?nt gepakt? Is dat voor de wet te verantwoorden? Alleen als de juridische partijen zich mengen in de discussie krijg je een volledig debat.?
?Wat problematisch is?, voegt De Vries nog toe, ?is het ontbreken van een onafhankelijke landelijke of Europese ICT-autoriteit die initiatieven als CAS toetst aan de wet of aan ethische richtlijnen. Voor veel andere taken van de overheid bestaan zulke commissies wel, maar niet voor dergelijke algoritmes. Dat is eigenlijk vreemd; het zorgt er nu voor dat de controle op het gebruik van dit soort technieken van andere plekken moet komen.?

Los van al deze ethisch-maatschappelijke bezwaren kan het algoritme ook een veiligheidsrisico worden. ?Als criminelen een systeem kunnen hacken of namaken, hebben ze in feite een kaart die altijd de perfecte inbraakplek weergeeft. De dieven kunnen dan immers de politie omzeilen door naar de locatie te gaan waar het algoritme de kans op een inbraak het laagst schat.?
Aangezien de opzet van CAS relatief eenvoudig is, is het kraken van het systeem een realistische optie. Nu CAS prominenter wordt, wordt het ook verleidelijker om tijd en moeite in het hacken te stoppen. Bovendien zijn in Londen de misdaadcijfers openbaar, en er bestaat ook een open source predictive-algoritme. Daarmee kunnen mensen dus makkelijk een ?omgekeerde? misdaadkaart
maken.

Nu CAS landelijk is uitgerold, is voorspellend politiewerk in Nederland realiteit geworden. Of steden zoals Amsterdam daar uiteindelijk ook veiliger van worden, is alleen de vraag. In dit geval is de belofte van een techniek al genoeg geweest om hem door te laten breken. Ondertussen werkt men aan de volgende stap, waarvoor TNO nu data verzamelt bij de politie zelf. Daarmee be?nvloeden nieuwe technieken zoals zelflerende algoritmes en big data nu, naast het zakenleven en de wetenschap, ook het werk van de politie op straat. Dat werk zal er alleen niet per se makkelijker op worden. Er is gespecialiseerde kennis nodig die lang niet iedere agent of informatiewerker nu heeft. Hopelijk geldt dat hoe langer de agenten met het systeem werken, des te beter ze het weten te gebruiken. En wie weet wordt predictive policing daardoor straks effectiever dan het onderzoek tot nu toe laat zien.

Agenten sturen is niet altijd de beste oplossing om misdaad te voorkomen. Ook zorgen voor adequate verlichting kan een goede zet zijn. Op het Hoekenrodeplein bij Station Bijlmer Arena
is er dankzij zogenoemd adaptief licht altijd de juiste sfeer voor optimale veiligheid en gezelligheid. Zo heeft de politie minder werk.

Bronnen: De Ingenieur

Rapport Project X Haren revisited

Onderstaand artikel van Peter Vasterman en Huub Wijfjes verscheen in Tijdschrift voor Communicatiewetenschap?en is een?kritische beschouwing over het onderzoek naar media in de?Facebook-rellen van september 2012.

Inleiding
Op 8 maart 2013 verscheen het rapport van een commissie onder leiding van?Job Cohen die, in opdracht van de Groningse gemeente Haren, had onderzocht hoe?ogenschijnlijk onschuldige gebeurtenissen in Haren op 21 september 2012 konden?uitmonden in rellen, plunderingen en gewelddadige confrontaties tussen jongeren?en de politie. Na de presentatie van het rapport Twee werelden. You only live once?? voorzien van drie deelrapporten over de rol van de overheden, de media en de?jeugdcultuur ? trokken de politiek-bestuurlijke kanten de meeste aandacht. Ze hadden?ook de grootste consequenties. Burgemeester van Haren Rob Bats trad enkele?dagen na de presentatie af en het regionale politiekorps nam maatregelen ter verbetering
van het handelen bij eventuele toekomstige rellen.

Daarmee leek de kous af. Maar de rapportage inspireerde ook debatten in professionele?en wetenschappelijke kringen over verschillende deelonderwerpen. E?n daarvan?is de rol van media, een onderwerp waarbij in het bijzonder de interactie van de?traditionele en de nieuwe sociale media in de belangstelling staat.1 Bij het hoofdrapport?was een deelrapport, De weg naar Haren, gevoegd dat deze rol van media en?communicatie centraal stelde, terwijl in het deelrapport over jeugdcultuur, Hoe Dionysos?in Haren verscheen, ook een en ander aan de orde kwam over de plaats en functie?van media in deze cultuur.

Het functioneren van media werd al in de directe nasleep van de rellen stevig bediscussieerd,?zoals de rol van media altijd wel op een of andere manier aan de orde?komt na afloop van ernstige ongeregeldheden of grote maatschappelijke onrust. Dat?effect was hier ook te zien, mede omdat de rellen in Haren hun oorsprong en motor?leken te vinden in de omgeving van de zogenoemde ?sociale media?, waarvan het?gebruik en de betekenis bepaald nog niet solide in kaart zijn gebracht. De rellen in?Haren staan dan ook bekend als de ?Facebook-rellen?, een verwijzing naar het openbaar?plaatsen van een oproep op Facebook op 6 september om de verjaardag van het?16-jarige meisje Merthe te gaan vieren in haar woonplaats Haren. Het was een?oproep die in de sociale media al snel werd ge?dentificeerd als een Nederlands Project?X-feest en vervolgens gekaapt door anonieme internetgebruikers. Op deze?gekaapte Project X-Facebookpagina gaven na twee weken meer dan 30.000 bezoekers?aan naar Haren te komen voor het feestje. Dat werden er uiteindelijk zo?n?5.000, met gevolgen die uitvoerig staan beschreven in het hoofdrapport Twee werelden.

Een belangrijke conclusie van het hoofdrapport was dat jongeren zich ?via een breed?palet aan communicatiemiddelen organiseerden, met Facebook als centraal platform,?en dat het feest door massamedia op de agenda werd gezet?. Die agendasetting?leidde tot acties bij de gemeenten en de politie, maar uiteindelijk ook tot verdere?mobilisatie van jongeren die al een bezoek overwogen (Twee werelden, p. 10 en?13). Deze uitspraak lijkt te contrasteren met de conclusies uit het deelrapport over?media dat ?de rol van massamedia niet doorslaggevend was?, maar dat die gevestigde
media zoals krant, radio en televisie ?juist reageerden op een ontwikkeling binnen?de sociale media? (De weg naar Haren, p. 120). Dit wijkt ook af van de conclusie in?het deelrapport over de jeugdcultuur van het onderzoeksteam onder leiding van de?socioloog Gabri?l van den Brink dat ?een minder opgewonden berichtgeving bij traditionele?media? de mobilisatie die via sociale media onder jongeren gaande was had?kunnen verminderen (Hoe Dionysos in Haren verscheen, p. 138).

De ogenschijnlijke verdeeldheid in de commissie bij de interpretatie van verschillende?onderzoekingen, roept de vraag op hoe het onderzoek naar de rol van media?in Project X Haren, met name ook de interactie van traditionele en sociale media,?inhoud en vorm is gegeven.

Onderzoekstraditie mobilisatie en media
Het onderzoek naar Project X Haren past in een lange traditie van onderzoek naar?de rol van de media bij grootschalige ordeverstoringen en de mobilisatieprocessen?die eraan voorafgaan. Vooral in en na de jaren zestig van de vorige eeuw was de?focus gericht op de manier waarop de media de schijnwerpers richtten op en zo?mede vormgevers werden van nieuwe protestbewegingen of subculturen. Dat?leverde verschillende klassiekers op zoals de studies van Halloran, Elliott en Murdock?(1970) en Gitlin (1980). Baanbrekend was ook Folk devils and moral panics:?the creation of the Mods and Rockers uit 1972, het begin van de onderzoekstraditie?rond moral panics, een typering die overigens naadloos valt toe te passen op de maatschappelijke?reactie na afloop van de Haren-rellen (Cohen, 1972).

In deze sociologische en communicatiewetenschappelijke onderzoekingen kregen?de media een centrale rol toebedeeld bij maatschappelijke escalatieprocessen. Door?er op een stereotiepe manier verslag van te doen ? het centrale frame was gericht op?mogelijke ordeverstoringen ?, wakkerden ze niet alleen de verontrusting aan, maar?be?nvloedden ze ook het gedrag van de vermeende folk devils, die zich juist gingen?vastbijten in hun afwijkend gedrag. Dat proces staat in de criminologie al jaren?bekend als ?deviancy amplification spiral?: de maatschappelijke reactie op het afwijkend
gedrag zorgt juist voor polarisatie en escalatie (O?Brien & Yar, 2008).

Een belangrijke, maar helaas wat onderbelicht gebleven studie in Nederland is het?onderzoek dat de Leidse sociologen Van de Beek, Engbersen en Van der Veen?(1983) deden naar de rol van media bij de rellen rond de inhuldiging van koningin?Beatrix in Amsterdam in april 1980. Op basis van inhoudsanalyse van berichtgeving?in verschillende massamedia en interviews met journalisten legden zij het ?journalistieke?regelsysteem? bloot waarin objectiviteit en feitelijkheid bij de meeste media?weliswaar de basisprincipes waren, maar waarin ideologische voorkeuren van sommige?bij de rellen aanwezige verslaggevers de berichtgeving bepaalden (Van de Beek?et al., 1983). Links ge?ngageerde media zoals VARA, Radio Stad en de Volkskrant die?min of meer de kant kozen van de krakers en de relschoppers, werden achteraf door?autoriteiten (en de ?rechtse? media) aangewezen als een voorname oorzaak van de?escalatie van het geweld (Van de Beek et al., 1983; Wijfjes, 2009, p. 418-425).

In al deze studies lag de nadruk op de zichtbare rol van de media en ontbrak onderzoek?naar de sociale component: wat speelde zich allemaal af in die groepen en subculturen?die betrokken waren bij deze mobilisatie en ordeverstoringen? Tegenwoordig?is daar dankzij de sociale media zoals Facebook en Twitter veel meer zicht op.?Wat vroeger binnenskamers of in de wandelgangen speelde, is tegenwoordig op de?voet te volgen in het openbare domein van de sociale media. Sterker nog, de sociale?media lijken een belangrijk instrument voor sociale mobilisatie geworden. De niethi?rarchische?structuur, het open en internationale karakter en de snelle verbindingen?tussen verschillende netwerken maken die processen makkelijker en groter.?Dat bleek bijvoorbeeld uit het onderzoek naar de onverwachte rellen in een groot?aantal Engelse steden in de zomer van 2011 (House of Commons Home Affairs?Committee, 2011; Baker, 2011). De vroegere studies over demonstraties waren volgens?Cottle (2008) opvallend zwijgzaam over de dynamiek achter de schermen en?concentreerden zich (net zoals de media in hun berichtgeving) vooral op het zichtbare
visuele spektakel van rellen en demonstraties.

Inmiddels is het bestuderen van de mobiliserende werking van de online sociale?netwerken een aparte onderzoekstak geworden rond begrippen als ?information cascades??(Lemieux, 2004), ?availability cascades? (Kuran & Sunstein, 1999), ?tipping?points? (Gladwell, 2001) en ?critical mass? (Marwell & Oliver, 1993). Dat onderzoek?belicht de rol van media bij omslagmomenten in een sociaal systeem waarbij een?zelfversterkend proces ontstaat, zoals bij een echte epidemie (Gonz?lez-Baillon e.a.,?2011). De analogie met epidemische verspreiding van ziektes is geen toeval, want
veel van deze begrippen zijn ontleend aan onderzoek naar bijvoorbeeld complexe?ecosystemen waarin kleine verstoringen grote gevolgen kunnen hebben voor ?critical?transitions? (Scheffer, 2009).

Ook in de sociale wetenschappen hebben deze complexiteitstheorie?n opgang?gedaan, al zijn sociale systemen nog veel onvoorspelbaarder dan ecosystemen. Een?belangrijk uitgangspunt is dat er geen lineaire oorzaak- en gevolgketen is, maar dat?de verschillende zelfsturende componenten of (reflecterende) actoren in het?systeem voortdurend op elkaar reageren. Daarbij kunnen nieuwe macropatronen?ontstaan die weer als feedback het systeem ingaan en zelfversterkende processen?veroorzaken tot er een nieuw (tijdelijk) evenwicht ontstaat (Waldherr, 2012, 2014).?Binnen lineaire systemen zijn oorzaak en gevolg proportioneel, maar in complexe?systemen kunnen kleine gebeurtenissen disproportionele gevolgen opleveren. Dit?zijn onvoorspelbare processen, maar onderzoekers kunnen wel de patronen?beschrijven die leiden tot omslagpunten en zelfversterkende processen, bijvoorbeeld?door mediagebruik in communicatienetwerken (Aarts, Steuten & Van Woerkum,?2014).

In het licht van deze theorievorming is de rapportage van de commissie-Cohen?belangwekkend, want de aanloop naar Haren valt te bezien als een complex systeem?met interacties tussen zowel de verschillende actoren als tussen de online en offline?wereld.

Met inachtneming van het feit dat het rapport onderdeel uitmaakte van een primair?bestuurskundige evaluatie, kunnen we ons afvragen of de onderzoeken nieuwe?inzichten bieden in dit soort processen die onder bepaalde omstandigheden kunnen?leiden tot grootschalige ordeverstoringen. Leveren de studies nieuwe theorie?n op,?of nieuwe definities van bestaande concepten, zoals het veelvuldig gebruikte begrip??mediahype?? En vooral: wat is de wetenschappelijke kwaliteit van dit onderzoek dat?in dienst stond van de vooral bestuurlijke evaluatieopdracht die de commissie meekreeg?

Het Haren-onderzoek op de snijtafel

Het onderzoek naar de sociale media
Het onderzoek in het deelrapport De weg naar Haren is uitgevoerd door een team?onder leiding van de communicatiewetenschapper professor Jan van Dijk van de?Universiteit Twente. Het bestaat uit deelstudies naar de speelfilm Project X als inspiratiebron?en naar de rol van Facebook, Twitter, YouTube en de massamedia als?informatie- en mobilisatiefactor. Daarnaast zijn jongeren ondervraagd over hun?mediagebruik en hun overwegingen om al dan niet naar Haren te gaan. De vragen?die de commissie-Cohen aan het team van Van Dijk gaf waren ook vrij algemeen
geformuleerd: ?Wat kan gezegd worden over de rol van de sociale media bij de?mobilisatie en actieco?rdinatie?? en ?Op welke wijze interacteren nieuwe en traditionele?media met elkaar??. Het is merkwaardig dat de onderzoekers deze algemene?vragen niet hebben vertaald in concrete, onderzoekbare deelvragen. Ze melden?alleen dat de interactie tussen de verschillende media en hoofdrolspelers (bezoekers,?autoriteiten en ouders) centraal staat. Iedere deelanalyse is voornamelijk beschrijvend?van aard, zoals het hoofdstuk over de speelfilm Project X waarin de vraag wordt
opgeworpen (maar niet beantwoord) of er sprake is van een soort virale besmetting?of van imitatiegedrag onder jongeren.

Ook het hoofdstuk over de online mobilisatie op Facebook begint beschrijvend met?Merthe die op 6 september haar vrienden uitnodigt voor een sweet sixteen party en?de optie ?openbaar? aanklikt. Voor de analyse van wat er vervolgens op Facebook en?Twitter gebeurde, maakten de onderzoekers gebruik van twee databases met?52.227 Facebookberichten en ruim 500.000 Twitterberichten.

De vraagstellingen die bij de analyse zijn gehanteerd zijn wederom beschrijvend van?aard: ?Hoe verloopt het berichtenverkeer en het aantal aanmeldingen in de loop van?de tijd? Kunnen bepaalde groepen worden onderscheiden? Hoe ontwikkelt zich het?netwerk in de loop van de tijd? (?) Wat is bijvoorbeeld de rol van de massamedia en?de sociale media zelf geweest??

Een theoretische inbedding ontbreekt, waardoor niet duidelijk is wat de antwoorden?op deze vragen zouden kunnen betekenen. Als er bepaalde groepen zijn te onderscheiden,?wat zegt dat dan? En bij de vraag ?hoe het netwerk zich ontwikkelt?: welke?kanten zou dat dan op kunnen gaan? Gaat het om een ontwikkeling vanuit een centrummodel?of een model met veel zelfstandige nieuwe kernen? Door het ontbreken?van waarom-vragen blijft het onderzoek beschrijvend.

Het eerste deel van het onderzoek is gebaseerd op het tellen van het aantal Facebookberichten?per dag, per bezoeker en per groep. Dat levert een aantal grafieken op?(zoals Figuur 3.2 die hier als Figuur 1 is weergegeven) waaruit volgens de onderzoekers?zou moeten blijken dat het aantal Facebookberichten al op maandag 17 september, de dag v??r de massamedia aandacht gingen besteden aan Haren, sterk?toenam.

Px01

Figuur 1. Figuur 3.2 uit De weg naar Haren, p. 22

Deze lijngrafiek wekt de indruk dat er een stijging plaats vindt van maandag op?dinsdag, maar als de gegevens uit de door de onderzoekers gebruikte database in?een staafdiagram worden weergegeven, wordt duidelijk dat de explosie pas komt op?dinsdagmiddag, direct na de start van de media-aandacht, waar overigens veel?bezoekers in tal van berichten op sociale media melding van maken.

px02
Figuur 2. Aantal Facebookberichten per dag, 9 tot en met 21 september

Dat komt nog duidelijker naar voren als de berichten op dinsdag per uur in beeld?worden gebracht, zoals in figuur 3.

px03
Figuur 3. Aantal Facebookberichten per uur op dinsdag 18 september 2012

Op maandag 17 september waren er inderdaad meer berichten dan op de dagen?daarvoor, namelijk 615 berichten, tegen daarvoor tussen de 100 en de 200. Maar de?grote toename komt pas op dinsdagmiddag nadat de massamedia er aandacht aan?hebben besteed. Binnen enkele uren verschijnen maar liefst 5949 berichten;?tien keer zoveel. Die stroom komt pas eind van de middag op gang wanneer er soms?in een uur tijd meer dan 800 berichten worden gepost. Het is onduidelijk waarom?de onderzoekers deze explosie van berichten niet als het grote omslagpunt beschouwen.
Tot ?s middags 18 september heeft de Project X-pagina nog maar 720 bezoekers?gehad die een bericht hebben achtergelaten, maar die middag en avond komen?er 1696 nieuwe bezoekers bij tegen 201 op maandag 17 september.

Volgens het rapport is echter op maandag 17 september al de zogenoemde ?kritieke?massa? bereikt op Facebook, een omslagmoment waarop het proces ?als het ware
vanzelf gaat lopen?. Helaas geven de onderzoekers geen definitie van dat omslagpunt?en geen criteria voor het vaststellen ervan. In een voetnoot melden ze: ?Een kritieke?massa wordt gevormd bij een niet exact aan te duiden omslagpunt in het aantal?aanmeldingen, verbindingen of andere deelnemingen. Op dit punt vindt in elk?geval een duidelijke versnelling plaats? (De weg naar Haren, p. 27, noot 15). Het gaat?dus blijkbaar niet om het aantal aanmeldingen maar om een ?versnelling?. Maar niet?duidelijk is hoe ?snel? die ?versnelling? dan moet zijn en wanneer het dan ?vanzelf?gaat lopen?. Gezien het verloop van het aantal berichten ligt eerder de conclusie voor?de hand dat het grote omslagpunt plaatsvindt op het moment waarop de massamedia?aandacht gaan besteden aan het Project X-feestje. Daarmee is niet gezegd dat?de massamedia doorslaggevend waren ? er was immers al een zelfversterkend proces?gaande online ? maar wel dat hier een belangrijk tipping point was bereikt.

Naast het kwantificeren en classificeren van de berichten en de bezoekers op de?Facebookpagina is ook een ?netwerkanalyse? uitgevoerd om na te gaan ?of bepaalde
groepen (of zelfs individuen) een cruciale rol hebben gespeeld in het proces?. Dit?levert een kleurrijke figuur op van de ontwikkeling van het netwerk, die in videoanimatievorm?tijdens de persconferentie van de commissie-Cohen op 8 maart 2013?werd vertoond (Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013). Maar?deze figuur biedt feitelijk geen antwoord op de onderzoeksvraag (De weg naar?Haren, p. 26, figuur 3.7). De onderzoekers zeggen geen onderscheid te kunnen?maken tussen ?verschillende clusters van mensen doordat de verbondenheid binnen
het netwerk zeer groot is.? Volgens de Tilburgse socioloog Rense Corten, specialist?in netwerkanalyse, zijn wel degelijk kwantitatieve methoden beschikbaar om dergelijke?clusters op te sporen. Dan zou misschien ook de structuur van het netwerk?beter in beeld komen, want het is van belang om te weten of zich nieuwe knooppunten?ontwikkelen los van het centrum, bijvoorbeeld onder invloed van mediaberichtgeving.?Volgens Corten blijkt uit de netwerkanalyse niet dat er sprake is van?een kritieke massa: ?het enige dat we zien is dat op een bepaald moment het aantal
berichten sterk toeneemt. Of dit komt door de interne dynamiek van het proces of?door externe factoren kunnen we in de plaatjes helemaal niet zien? (Corten, 2013).

De algemene conclusie van het rapport dat er al een kritieke massa op Facebook?bestond voordat de massamedia aandacht gaven, wordt dus niet overtuigend door de?onderzoeksresultaten ondersteund.

Het onderzoeksdeel over het Twitterverkeer is nog beschrijvender van aard, hetgeen?vooral blijkt uit het feit dat conclusies aan het eind ontbreken. De beschrijving laat?zien dat het Twitterverkeer pas goed op gang kwam nadat in Haren de rellen waren?uitgebroken.?Het hoofdstuk over YouTube is zeer beperkt en omvat maar ??n pagina in het rapport,?terwijl sommige ?teasers? in de aanloop (er werden maar liefst 564 unieke?video?s over Project X op YouTube geplaatst) meer dan honderdvijftigduizend hits?kregen. Dat deze video?s vooral populair werden nadat de massamedia ernaar hadden?gelinkt, blijft onbesproken. De ?kijkcijfers? van deze video?s waren makkelijk?achteraf op datum te reconstrueren, maar dat is niet gebeurd. De teasers werden?bovendien vele malen op televisie vertoond bij items over Haren voorafgaand aan?21 september. Vooral bij dit onderdeel over YouTube wreekt zich het gebrek aan een?duidelijke vraagstelling en conclusies.

Het onderzoek naar de massamedia
Het onderzoek naar de rol van de massamedia (kranten, radio, televisie) bestaat uit?een inhoudsanalyse van de berichtgeving over Haren in 34 verschillende media en?een serie interviews met ?redactioneel verantwoordelijken? van deze media. In totaal?zijn 1833 uitspraken onderzocht op de teneur (positief of negatief), de inhoud?(?gezellig? versus ?gevaarlijk?) en de aanwezigheid van (de)mobiliserende uitspraken.?Daartoe is gebruik gemaakt van de methoden die zijn ontwikkeld door de Nederlandse?Nieuwsmonitor, die het onderzoek ook uitvoerde. Methodologisch gezien
valt de vraag naar de effecten van de media bij het publiek niet te beantwoorden met?alleen een inhoudsanalyse, daar zou publieksonderzoek voor nodig zijn. De onderzoekers?zijn zich van die beperking bewust en wijzen erop dat ?mobiliserend? of??demobiliserend? geen betrekking heeft op de wijze waarop deze boodschappen worden?ervaren door de ontvangers.

Volgens deze inhoudsanalyse waren de meeste uitspraken (65%) in de massamedia??neutraal?, 21,2% was ?demobiliserend? en 13,6% ?mobiliserend?. Daarnaast bleek dat?de teneur van de berichtgeving ?overwegend positief? was, met uitschieters als de?landelijke popradiostations en het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

Helaas blijft onduidelijk hoe de categorie?n precies zijn geoperationaliseerd en?vooral in welke mate de context van een uitspraak bepalend was voor de classificatie.?De percentages met cijfers achter de komma kunnen echter niet verhullen dat het?hanteren van een zeer beperkt aantal brede inhoudscategorie?n een enorme versimpeling?oplevert van de complexe werkelijkheid achter het nieuws.

Beide conclusies zijn tijdens en na de persconferentie over het rapport sterk generaliserend?vertaald in de conclusie dat de massamedia voornamelijk ?neutraal? hebben?bericht over Haren. Voor veel journalisten was dat natuurlijk een hele opluchting,?want het leek hen vrij te pleiten van mogelijk sturende berichtgeving of stemmingmakerij.?Die medeverantwoordelijkheid van de media was ? zoals gebruikelijk bij?excessieve gebeurtenissen ? meteen na de rellen in allerlei discussies aan de orde?gesteld. Over Project X Haren en de media zijn dan ook voor en na maart 2013 verschillende?debatten georganiseerd, een teken dat de journalistiek wil voldoen aan de?hogere eisen die het publiek tegenwoordig aan dergelijke vormen van accountability?hecht (Groenhart, 2013).

Maar al die debatten stonden alle tamelijk los van de inhoudsanalyses die bij het?rapport van de commissie-Cohen zijn gevoegd. Dat geldt ook de televisiedocumentaire?Project X, de media hebben het gedaan (24 juni 2013) van het Human/VPROprogramma?Argos-TV, waarin verscheidene journalisten ? onder andere Jeroen?Wollaars van de NOS ? de hand dieper in eigen boezem staken dan ze deden direct?na de presentatie van het rapport. Wollaars heeft immers vrijwel onmiddellijk na de?rellen de eventuele medeverantwoordelijkheid van de NOS-berichtgeving bij het verloop van gebeurtenissen van de hand gewezen, veronderstellende dat de rellende?jongeren vast geen mensen waren die met hun ouders op de bank naar het Achtuurjournaal?keken (Wollaars, 2012).

Het is jammer, maar wel verklaarbaar dat de inhoudsanalyses uit De weg naar Haren?nauwelijks een rol hebben gespeeld in de journalistieke reflectie na afloop. Deze analyses zijn namelijk zeer beperkt opgezet en werpen weinig gedetailleerd licht op?specifieke journalistieke gedragingen of op de dynamiek die vanaf dinsdag 18 september?is ontstaan in het journalistieke veld.?Zo komt bijvoorbeeld niet aan bod de kwestie van de niet-bestaande noodverordening?die als ?feit? werd gemeld en die het startschot vormde voor alle mediaaandacht.?Een woordvoerder van de burgemeester van Haren zei namelijk in antwoord?op de vraag van de verslaggever van Trouw welke maatregelen de gemeente?dacht te nemen: ?Het is lastig om in te schatten hoeveel mensen er komen. We hebben?nooit eerder zoiets meegemaakt. De kans dat we de ME gaan inzetten is klein,?maar een noodverordening of samenscholingsverbod behoort tot de mogelijkheden.??Het stuk van Trouw op dinsdagochtend 18 september verscheen onmiddellijk?op allerlei nieuwswebsites onder de stellige kop: ?Noodverordening in Haren om?Facebookfeestje?. Door de noodverordening als voldongen feit te presenteren steeg?de nieuwswaarde van het onderwerp en namen alle media het nieuws over. Meteen?diezelfde dinsdagmiddag volgde de eerdergenoemde explosie van berichten op Facebook.

Het tweede onderdeel van het massamediaonderzoek is gebaseerd op interviews die?volgens de onderzoekers vooral bedoeld zijn om de resultaten van de inhoudsanalyse
te ?duiden?. Ze hebben dus alleen een aanvullende functie gehad. De commissie?maakte interviews met vijftien journalisten, waarbij de non-response bijna?twee derde was. Dat betekent dat de onderzoekers ongeveer 23 journalisten hebben?uitgenodigd. Niet duidelijk is hoe deze selectie tot stand is gekomen, behalve dat het?gaat om de ?verantwoordelijke redacteuren? van 34 media (inclusief hoofd- en eindredacteuren).?Evenmin is duidelijk welke media ontbreken in het onderzoek met 13?van de 34 media (zowel NOS als RTL tellen overigens twee respondenten; waarom
is onduidelijk). Ook hier ontbreekt weer een duidelijke vraagstelling, de twaalf vragen?zijn deels feitelijk en hebben deels betrekking op interpretaties en overwegingen?bij het verslaan van Project X Haren. De weergave van de resultaten is beschrijvend,?met af en toe een citaat ter illustratie. De interviews zijn kennelijk niet op een?systematische manier geanalyseerd.

De slotconclusie van dit onderzoeksdeel is dat de massamedia het aankomende Project?X-feestje pas drie dagen tevoren hebben geagendeerd, en dat de enorme groei in?de hoeveelheid berichtgeving beperkt bleef tot de dag van de rellen. Aangezien de?berichtgeving volgens de inhoudsanalyse overwegend ?neutraal? was, concluderen?de onderzoekers dat de massamedia een beperkte rol hebben gespeeld in de mobilisatie?van de jongeren; een paar uitzonderingen zoals de popmuziekzenders daargelaten.

Het optreden van de verslaggevers ter plekke is wel voor discussie vatbaar, omdat?hun aanwezigheid mogelijk invloed kan hebben gehad op de aanwezige jongeren.?Dit onderwerp is wel aan bod gekomen bij de interviews met journalisten en in het?onderzoeksdeel met reacties van bewoners, maar een systematisch onderzoek ontbreekt.

Het mediagebruik van jongeren en de vraag door wie zij zich hebben laten be?nvloeden?

De onderzoekers van De weg naar Haren concluderen dus dat de massamedia in?tegenstelling tot de sociale media geen doorslaggevende rol hebben gespeeld in de?aanloop naar de rellen. Kijken we wat gerichter naar een empirische ondersteuning?van de bewering dat traditionele media letterlijk achter de feiten in de nieuwe?mediawereld aanlopen, dan zou men ook een andere interpretatie kunnen geven.?Namelijk dat juist de interactie tussen sociale media en massamedia op dinsdag?18 september de motor was achter de mobilisatie van jongeren om zich aan te melden?en naar Haren te komen.

De weg naar Haren bevat uitgebreide paragrafen over de plaats en betekenis van?massamedia in het leven van jongeren. Voor een deel zijn die gebaseerd op een?enqu?te onder 3115 Noord-Nederlandse jongeren tussen 15 en 25 jaar. De enqu?te?kende een respons van 31%. Het blijkt dat de voornaamste bronnen voor het besluit?van deze jongeren om al of niet naar Haren te gaan, de radio en de eigen vriendenkring?waren. Pas daarna noemen ze sociale media als een factor; maar ook televisie?en zelfs kranten noemen de jongeren nog vaak als een informatiebron, waarbij de
goedkope en populaire kranten Metro, Spits en Telegraaf hun voorkeur hebben?(De weg naar Haren, p. 41 en 43).

Deze onderzoeksresultaten bevestigen dat de consumptie door jongeren van een traditioneel?medium zoals televisie nog steeds erg hoog is, ook al blijkt uit tijdbestedingonderzoek?van SPOT dat de leeftijdscategorie van 13 tot 19 jaar de meeste van?haar mediaconsumptietijd besteedt aan internet (als enige categorie; bij alle andere?leeftijden is televisie het belangrijkste medium) (SPOT, 2012). Hetzelfde onderzoek?toont overigens ook aan dat jongeren (die in de daar gebezigde marketingtermen??jonge connectors? worden genoemd) beschikken over de meeste vrije tijd, omdat ze?van alle groepen het minste tijd investeren in media (SPOT, 2012, p. 19, 22 en 48).

Een opvallende uitkomst van de enqu?te is dat jongeren relatief veel naar de radio?luisteren. Het is niet verbazingwekkend dat de door hen meest beluisterde radiostations?programma?s maken die aansluiten bij de jongerencultuur: Radio 538, 3FM?en Slam!FM. Dat is bij een vraag naar hun belangrijke televisieprogramma?s veel?minder evident, wellicht omdat er weinig specifieke televisiezenders en?-programma?s voor jongeren in deze leeftijdsgroep zijn. Gevraagd naar de populairste?informatiebronnen op televisie noemen jongeren dan ook klassieke programma?s
zoals NOS-Journaal, RTL-Nieuws, De Wereld Draait Door, Hart van Nederland?en NoordNieuws (van RTV-Noord). Pas daarna komt een ?nieuw? programma?zoals PowNews, dat om andere kwaliteiten dan een betrouwbare nieuwsbron wordt?gewaardeerd.

Want betrouwbaarheid speelt een belangrijke rol in het nieuwsproces. In dit verband?is het goed om nog eens te herinneren aan de overname van het Trouw-bericht?van 18 september door vrijwel alle massamedia, ANP en NOS voorop. Deze overname,?in het bijzonder de opening van de uitzending van NOS op 3, had tot gevolg?dat de sociale media het massaal als nieuws brachten. Daaruit zou men kunnen?concluderen dat de kracht van massamedia om nieuws ?officieel? en ?belangrijk? te?maken onverminderd aanwezig is, mede dankzij de presentie van die massamedia?in de online omgeving.

Het idee dat er echt iets aan de hand was en er mogelijk sensationele dingen stonden?te gebeuren werd krachtig versterkt toen massamediaorganisaties met een sterk?profiel rond betrouwbare nieuwsvoorziening, zoals NOS, RTL en RTV-Noord,?besloten eigen verslaggevers en cameraploegen naar Haren te zenden. Dat in hun?programma?s vooral demobiliserende uitspraken waren te vinden (van politie,?burgemeester, ouders en andere autoriteiten), betekende vooral extra mobilisering?bij jongeren die, zoals uit het sociologische onderzoek blijkt, een krachtige antiautoriteitenhouding?bezaten. In dat verband was de feestvreugde die De Wereld?Draait Door op vrijdagavond vertolkte met de uitspraak ?Als je dit zo ziet, is het jammer?dat we hier zitten, toch??, een juiste taxatie van de stemming onder jongeren.

De aandacht van dit programma (en andere massamedia die voor jongeren aantrekkelijke?infotainment brengen, zoals popradiostations) bevestigden dat het mogelijke?feestje vooral als een fungebeurtenis zonder weerga moest worden gezien. Daarmee?werd de suggestie gewekt dat hier inderdaad een ideale sensatiegebeurtenis kon ontstaan.?Het is in dit verband opvallend dat de redactie van De Wereld Draait Door zich?heeft onthouden van commentaar bij de commissie-Cohen. Het programma dat?doorgaans zegt het journalistieke gesprek van de dag te willen zijn, vond zichzelf in?dit geval ?amusement?, waaraan verder niet zoveel waarde moet worden gehecht en?waarover het gesprek van de dag in ieder geval niet mag gaan.

Dat zegt overigens veel over de maatschappelijke ontwikkeling naar verminderd?politiek engagement in dertig jaar. Werden in 1980 de journalisten van de VARA en?Radio Stad na afloop bekritiseerd over hun te links betrokken benadering van de?terecht tegen falende autoriteiten vechtende actievoerders, in de nasleep van Haren?kreeg het VARA-programma De Wereld Draait Door ook kritiek over eenzijdigheid te?verwerken. Dit keer ging dat niet over een teveel aan politiek engagement, maar?over een te sterk engagement met de feestende jongeren op zoek naar dynamische?en media-actieve spanning. Dat jonge levensgevoel was misschien wel de meest verklarende?factor bij de rellen in Haren. De commissie-Cohen geeft in ieder geval het?hoofdrapport de ondertitel You only live once mee, een in het socialemediaverkeer?populaire metafoor die verwijst naar een hedonistisch verlangen naar onmiddellijke?en persoonlijke behoeftebevrediging.

Grenzen opzoeken en iets bijzonders meemaken, dat zou de drijfveer van de?moderne jeugd zijn (Twee werelden, p. 24). Maar was zoiets niet al eerder te zien in?een andere constellatie of tijdsperiode? Uit de historische beschouwing is bekend?dat in de jaren zestig van de vorige eeuw een jongerencultuur opkwam waar een?losse organisatie van thrill seeking jongeren onder leiding van zich ?provo? noemden?figuren dagelijks het gezag tartte met ludieke acties. Alternatieve en opzienbarende?figuren zoals Robert Jasper Grootveld lieten manifestaties plaatsvinden rond het
Lieverdje aan het Spui in Amsterdam. Ook dat waren acties waar de toenmalige?massamedia een rol in speelden, hetzij door ze uitbundig te laten zien, hetzij door?ze ostentatief te veroordelen of te verzwijgen (Pas, 2003).

Uit de in dit artikel uitvoerig besproken rapportages rond Haren blijkt dat het?gedrag van jongeren momenteel op dezelfde grondslag is gebaseerd: een levensgevoel?om het leven te genieten en met sensatie te vullen. Daarin schuilt, hoezeer?dat ook verborgen is achter een dikke laag feestelijke activiteiten, een behoefte om?zich als aparte groep te manifesteren ten opzichte van een establishment. Dat establishment?wordt vooral belichaamd door het openbaar gezag, maar ook door massamedia?die met oudere generaties worden geassocieerd. Deze drijfveren in groepen?jongeren kunnen door de communicatiekracht van Facebook in interactie met?massamedia een tot nu toe ongekende schaalgrootte en intensiteit krijgen.

Al met al kan men dus spreken van een behoorlijk prominente rol voor massamedia?in de jongerencultuur, maar men kan deze rol niet isoleren van communicatiepatronen?in sociale media. Uit de enqu?te onder noordelijke jongeren blijkt dat de beslissing?om al of niet naar Haren te gaan, sterk heeft afgehangen van de mening van?vrienden, soms virtueel, soms via sociale media. En natuurlijk was het al langer?bestaande verlangen van jongeren naar spanning en vermaak een factor. De wil om?de dagelijkse verveling te doorbreken en situaties op te zoeken waar men bijzondere,?sleurdoorbrekende gebeurtenissen verwacht vol met spanning, fun en aandacht?is veruit de belangrijkste drijfveer van jongeren.

Dat blijkt ook uit het deelrapport dat de maatschappelijke facetten van Haren onderzocht?en dat de fascinatie van jongeren voor sensatie als een trend uitlichtte (Hoe?Dionysos in Haren verscheen, p. 15-35). De onderzoekers van dat rapport signaleren bij?jongeren zowel een drang om tegen de autoriteit in te gaan van ouders, politie en?andere gezagsdragers als een ontvankelijkheid voor hun argumenten bij de beslissing?om al of niet naar Haren af te reizen (Hoe Dionysos in Haren verscheen,?p. 67-74). In de perceptie van jongeren is er blijkbaar een hi?rarchie in de waardering?van het belang van verscheidene media. Sociale media cre?ren een openbare?virtuele ruimte die gedragingen en opvattingen in selecte groepen gebruikers be?nvloeden.?Massamedia worden vooral gezien als betrouwbare media voor het bevorderen?van gebeurtenissen tot echt belangrijk nieuws met een impact voor de maatschappij,?het openbaar bestuur en de massamedia zelf.

In het bredere licht van de jongerensociologie lijkt de conclusie dat de massamedia?voornamelijk neutraal hebben bericht met veel demobiliserende uitspraken, de?plank over de dynamiek in het mediaveld nogal mis te slaan, ook al zegt men er zelf?bij dat ?de volledige vermenging van nieuws en amusement het bezoek aan Haren?gestimuleerd kan hebben? (De weg naar Haren, p. 68). Traditionele manieren van?inhoudsanalyse, waarbij de inhoud van specifieke media als ge?soleerde verschijnselen?worden beschouwd, lijken niet goed van toepassing op de nieuwe mediawereld.
Zeker voor jongeren geldt volgens een aantal mediawetenschappers dat niet meer?gesproken kan worden van een leven met media, maar in media (Deuze, 2012).

Waarbij de grote empirische vraag is hoe die voortdurende dynamische interactie?van media en sociaal leven er dan uitziet. Dat was in het traditionele denken over?communicatiepatronen een vraag naar kip of ei, waarbij nooit doorslaggevend werd?opgelost of media nu sociale gedragingen be?nvloedden of andersom. Wat we van?het relatief nieuwe onderzoek naar de interactie van media en sociaal gedrag (zoals?dit rapport over Project X) kunnen leren, is dat we eerder moeten spreken van roerei?met kip: er is een permanent samenhangend en interacterend mediaveld dat wel?degelijk een bepaalde hi?rarchie in de waardering van signalen kent. De connecties?tussen allerhande mediavormen en sociale contexten laten amusement en nieuws?volledig in elkaar vervloeien, maar dat wil niet zeggen dat alles in deze wereld evenveel?waarde heeft. Sommige media worden blijkbaar nog steeds hoger gewaardeerd?als het gaat om ?betrouwbaar? en ?echt? dan andere. De berichtgeving van ?betrouwbare?en echte? massamedia loopt weliswaar achter de communicatie op sociale?media aan, maar hun legitimerende kracht is duidelijk versterkend voor het gedrag?dat jongeren daarna vertonen.

Een belangrijke conclusie ten aanzien van de mobilisatieprocessen in het digitale?tijdperk is dat de professionele nieuwsmedia nog steeds belangrijk zijn bij de doorbraak?van issues die spelen binnen sociale netwerken naar de samenleving als?geheel. Nog steeds zorgen de massamedia voor de legitimatie van relevantie van een?onderwerp of ontwikkeling voor bijvoorbeeld politiek en openbaar bestuur. Nieuwswaardecriteria?(drama, de kans op geweld) spelen daarbij nog steeds een belangrijke?rol; in dat opzicht is er voor de protestbewegingen of relschoppers niet veel veranderd.?Volgens Negrine (2014, p. 71) bereiken de mobilisaties op de sociale netwerken maar een fractie van de bevolking, mensen die al overtuigd zijn en veel bereidheid?tot actie tonen. De nieuwsmedia zorgen voor de connectie met de grote massa.?Uit onderzoek naar de rellen in Engeland in de zomer van 2011 blijkt dat de sociale?media een belangrijke rol speelden, niet zozeer voor het mobiliseren van relschoppers,?maar voor de angstige buurtbewoners die elkaar op de hoogte hielden van de?plunderingen en brandstichtingen in hun wijk. Omgekeerd gaven daders in interviews?achteraf aan ge?nspireerd te zijn door de vele dramatische televisiebeelden en?vooral de beeldvorming op tv dat de politie de controle op straat totaal kwijt was?(Lewis et al., 2011). De nieuwsmedia mogen dan nog steeds een belangrijke rol spelen,?duidelijk is ook dat hun berichtgeving steeds meer verknoopt raakt met de?informatiestromen op de sociale media en dat in beide systemen zelfversterkende?effecten optreden.

Een mediahype?
In het hoofdstuk ?Crossmedia: de interactie tussen sociale media, massamedia,?mobiele telefonie en offline mobilisatie? proberen de onderzoekers van De weg naar?Haren tot een synthese te komen. Dat begint met de constatering dat er een ?krachtige mediahype? is ontstaan die niet alleen een zaak is geweest van de traditionele?massamedia, maar ook van de nieuwe media. Dat lijkt in tegenspraak met de eerdere?conclusie dat de berichtgeving over Project X in de massamedia laat op gang?kwam, tamelijk beperkt was en overwegend neutraal van toonzetting.

De onderzoekers hanteren kennelijk een veel bredere definitie van een mediahype?dan in de literatuur gebruikelijk is. Daarin is namelijk een mediahype een mediabrede,?snel escalerende nieuwsgolf die het resultaat is van zelfversterkende processen?die op gang komen zodra de media zich massaal op een onderwerp storten?(Vasterman, 2004; Wien & Elmelund-Praesteker, 2009; Boydstun, Walgrave &?Hardy, forthcoming). In de bredere betekenis van het rapport-Haren is mediahype?een golfbeweging in het maatschappelijk proces waarin alles en iedereen lijkt te participeren,?maar een definitie met criteria ontbreekt. Zodra de media aandacht gaan?besteden aan Haren vormt dat volgens het rapport ?de start van een mediahype die?door de massamedia in wisselwerking met de overige media zoals sociale media en?mobiele telefonie wordt gecre?erd (18-20 september)?. Het is niet duidelijk wat dan?onderscheidend is voor deze ?veelzijdige? en ?alomvattende mediahype?: de omvang?van de informatiestromen of juist de wisselwerking tussen massamedia en sociale?media?

En waar ligt dan de grens tussen een ?gewone? wisselwerking en een mediahype??Een ingewikkeld schema in het rapport (figuur 4) dient om een en ander te illustreren,?maar laat niet meer zien dan dat alles met alles samenhangt in de diverse?fasen. Volgens dit schema bereikt de mediahype een hoogtepunt op de avond van de?rellen, maar wat de ?sterkte? is van de verbanden en invloeden in het schema blijft?onduidelijk.

Zonder een concrete aanwijzing daarvoor te geven beweren de onderzoekers dat?mediahypes steeds vaker voorkomen in de media; het zijn hypes die volgens hen?een directe weerspiegeling in de online wereld kennen. In deze formuleringen spelen?de massamedia weer duidelijk een hoofdrol in het cre?ren van mediahypes die?zich online zouden weerspiegelen. Maar men zou zich evengoed kunnen afvragen?of het niet ook steeds vaker voorkomt dat online hypes zich weerspiegelen in de?massamedia? Het rapport stelt bijvoorbeeld vast dat massamedia ?haast ongemerkt?van toeschouwer tot medespeler? werden en voorts dat ?zij meer doen dan verslaan,?zij worden deel van de enscenering? (Twee werelden, p. 23).?Het subrapport De weg naar Haren is milder: media valt weinig te verwijten met een?enkele uitzondering wellicht. Niettemin knopen de onderzoekers hier wel een tamelijk?vergaande aanbeveling voor massamedia aan vast: ?Wanneer er opgeroepen
wordt voor een bepaald evenement dienen zij zich af te vragen of zij zich voor een?karretje laten spannen. Zo werd de groeiende media-aandacht voor Haren op Facebook?met gejuich ontvangen. Een onafhankelijke en gereserveerde houding verdient?de voorkeur in een tijd waarin zo gemakkelijk mediahypes ontstaan? (De weg naar?Haren, p. 121).?Er zijn inderdaad nieuwe concepten nodig om deze interacties tussen massamedia?en sociale media te kunnen onderzoeken: onder welke omstandigheden vormen de?sociale media de turbo die de nieuwsgolf in de media verder aanjaagt?

px04
Figuur 4. Figuur 7.1 uit De weg naar Haren, p. 86. Oorspronkelijk onderschrift:?De ontwikkeling van het Concept voor ?Haren? in de Publieke Ruimten van?Massamedia, Sociale Media en Bijeenkomsten

Of omgekeerd: hoe versterken de nieuwsmedia escalatieprocessen bij de nieuwe media??Daarbij zou het complexiteitsperspectief een belangrijke rol kunnen spelen: er is?niet ??n mediahype die alles veroorzaakt, het zijn er vele, ?n in verschillende netwerken?die ook weer op elkaar reageren.

De balans opmakend
De onderzoekers van de commissie-Cohen hebben in zeer korte tijd indrukwekkend?veel materiaal verzameld en geanalyseerd. Wellicht onder die tijdsdruk heeft men?zich in de interpretatie te veel laten meeslepen door de enorme fascinatie die?nieuwe, sociale media oproepen. Hun conclusies op dat vlak zijn te stellig en omdat?die conclusies vrijwel kritiekloos in het publieke debat verder zijn uitvergroot, is een?overtrokken beeld van de rol van sociale media ontstaan. Onze evaluatie laat zien dat?er op de wetenschappelijke kwaliteiten van het onderzoek het nodige valt af te dingen.?Het onderzoek is vooral beschrijvend en niet zozeer verklarend van aard: specifieke?vraagstellingen met bijbehorende operationalisaties ontbreken, evenals definities?en criteria voor centrale concepten als kritieke massa of mediahype. De?inhoudsanalyses zijn ontoereikend om de dynamische samenhang tussen sociale en?massamedia te kunnen verklaren. En er is zeer weinig poging gedaan om aan te?sluiten bij de soms toch uitvoerig beschikbare wetenschappelijke literatuur over?mediahypes, morele paniek en jeugdcultuur. Dat is vermoedelijk ook de reden dat
de verschillende deelrapporten elkaar op cruciale punten kunnen tegenspreken.

Desondanks inspireert de rapportage over Project X Haren tot nadenken over de? noodzaak om de bestaande mediatheorie?n te herijken in het licht van de nieuwe?structuur van de openbaarheid en de mobilisatieprocessen die zich daarin kunnen?afspelen. Dat vereist wel een integratie van de verschillende disciplines die nu nog?tamelijk los van elkaar staan, zoals de communicatiewetenschappen en het sociologisch?onderzoek naar sociale mobilisatieprocessen. De complexiteitstheorie?n bieden?daarbij vooral een perspectief in plaats van een kant-en-klare theorie. Maar wel?een andere manier van denken die kan helpen bij het analyseren van allerlei op?elkaar inwerkende en reflexieve systemen.

Literatuur

Het Haren-rapport
Twee werelden. You only live once. Hoofdrapport Commissie ?Project X? Haren, maart 2013.?De weg naar Haren. De rol van jongeren, sociale media, massamedia en autoriteiten bij de mobilisatie voor Project?X Haren. Deelrapport Commissie ?Project X? Haren, maart 2013. Onder redactie van Jan van Dijk?en Thomas Boeschoten.

Hoe Dionysos in Haren verscheen. Maatschappelijke facetten van Project X Haren. Deelrapport Commissie??Project X? Haren, maart 2013. Onder redactie van Gabri?l van den Brink. Ook verschenen in enigszins bewerkte vorm als: G.J.M. van den Brink, M.J. van Hulst, N.J.M. Maalst?, R. Peeters & S.B. Soeparman?(2013). Project X in Haren. Maatschappelijke facetten van een feestje dat in rellen uitmondde.?Amsterdam: Amsterdam University Press.

Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013. Opgehaald via http://vimeo.com/61168563

Aangehaalde literatuur

  • SPOT (2012). Alles over tijd. Tijdsbestedingsonderzoek. Opgehaald via http://www.spot.nl/docs/defaultsource/tijdbestedingsonderzoek/boekje-alles-over-tijd-2012.pdf?sfvrsn=0
  • Aarts, N., Steuten, C., & Van Woerkum, C. (2014). Strategische communicatie, principes en toepassingen.?Assen: Van Gorcum.
  • Baker, S. A. (2011). The mediated crowd: New social media and new forms of rioting. Sociological Research?Online, 16(4), 21.
  • Boydstun, A. E., Walgrave, S., & Hardy. A. (forthcoming). ?Two faces of media attention: Media storms vs.?general coverage?. Political Communication.
  • Deuze, M. (2012). Media life. Cambridge: Polity Press.
  • Cohen, S. (1972). Folk devils and moral panics: The creation of the Mods and Rockers. Oxford: MacGibbon &?Kee.
  • Cottle, S. (2008). Reporting demonstrations: The changing media politics of dissent. Media, Culture &?Society, 30(6), 853-872.
  • Gitlin, T. (1980). The whole world is watching: Mass media in the making and unmaking of the new left. Berkeley,?L.A., London: University of California Press.
  • Gladwell, M. (2001). The tipping point: How little things can make a big difference. London: Little Brown.
  • Gonz?lez-Bail?n, S., Borge-Holthoefer, J., Rivero, A., & Moreno, Y. (2011). ?The dynamics of protest?recruitment through an online network?. Scientific Reports, 197(1).
  • Groenhart, H. (2013). Van boete naar beloning. Publieksverantwoording als prille journalistieke prioriteit.?Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Halloran, D., Elliott, P., & Murdock, G. (1970). Demonstrations and communication: A case study. Harmondsworth:?Penguin.
  • House of Commons Home Affairs Committee (2011). Policing large scale disorder: Lessons from the disturbances?of August 2011. The government response to the sixteenth report of the home affairs committee session?2010?12 hc 1456. UK: The Stationery Office Limited.
  • Kuran, T., & Sunstein, C. (1999) Availability cascades and risk regulation. Stanford Law Review, 51(4),?683-768.
  • Lemieux, P. (2004). Information cascades. Following the herd. Why do some ideas suddenly become?popular, and then die out just as quickly? Regulation, winter 2003-2004, 16-21.
  • Lewis, P., Newburn, T., Taylor, M., Mcgillivray, C., Greenhill, A., Frayman, H., & Proctor, R. (2011). Reading?the riots: Investigating England?s summer of disorder. Reading the riots, The London School of Economics?and Political Science and The Guardian, London, UK.
  • Marwell, G., & Oliver, P. (1993). The critical mass in collective action: A micro-social theory. Cambridge, UK:?Cambridge University Press.
  • Negrine, R. (2014). Demonstration, Protest, and Communication. Changing Media Landscapes, Changing?Media Practices? In R. Werenskjold, K. Fahlenbrach & E. Sivertsen (Eds.). Media and revolt: Strategies?and performances from the 1960s to the present (pp. 59-74). New York: Berghahn Books.
  • O?Brien, M., & Yar, M. (2008). Criminology: The key concepts. New York: Routledge.
  • Pas, N. (2003). Imaazje! De verbeelding van Provo (1965-1967). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Scheffer, M. (2009). Critical transitions in nature and society. Princeton: Princeton University Press.
  • Van de Beek, E., Van de Engbersen, G., & Van der Veen, R. (1983). De regels van de journalistiek. Een?onderzoek naar ?de boodschappers? van 30 april 1980. Leiden: Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit.
  • Vasterman, P. (2004). Mediahype, Amsterdam: Aksant.
  • Waldherr, A. (2012). Die dynamik der medienaufmerksamkeit: Ein simulationsmodell. Baden-Baden: Novos.
  • Waldherr, A. (2014). Emergence of News Waves. A Social Simulation Approach. Journal of Communication,?64(5), 852-873.
  • Wien, C., & Elmelund-Praesteker, C. (2009). An anatomy of media hypes: Developing a model for the?dynamics and structure of intense media coverage of single issues. European Journal of Communication,?24(2), 183-201.
  • Wijfjes, H. (2009). VARA. Biografie van een omroep. Amsterdam: Boom.

Overige bronnen

Noten
1 We treden hier niet in discussie over deze discutabele terminologie, maar hanteren de begrippen
?sociale? en ?traditionele? of ?massamedia? als een praktische manier om bepaalde mediavormen te scheiden.

* Dr. Peter Vasterman (1951) is mediasocioloog. Hij is universitair docent bij de leerstoelgroep Media
en Journalistiek van de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij docent
aan de master Journalistiek. Contactgegevens: Turfdraagsterpad 9, 1012 XT, Amsterdam. Tel.:
020 525 36 47. [email protected]

Prof. dr. Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus. Hij is bijzonder hoogleraar Geschiedenis van Radio
en Televisie aan de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij als universitair
hoofddocent verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen.
Contactgegevens: Oude Kijk in ?t Jatstraat 26, 9712 EK, Groningen. Tel.: 050 363 52 69. h.b.m.wijf
[email protected]

 

App: Going Abroad

going-abroad

Hoe snel mag je rijden op Spaanse autosnelwegen? Moet je in Zweden een fietshelm dragen? Welke veiligheidsuitrusting moet je aan boord van je auto hebben in Slowakije? Vakantiegangers kunnen deze informatie voortaan snel vinden dankzij ?Going Abroad?, een nieuwe smartphone-app van de Europese Commissie.?De app geeft informatie over onderwerpen die het meeste aanleiding geven tot ongevallen, zoals snelheidsbeperkingen, alcoholpromillages, verkeerslichten en het gebruik van mobiele telefoons.?Ook de gordelplicht en het al dan niet verplicht dragen van een helm op de fiets en motorfiets komen aan bod.?Zo laat de app bijvoorbeeld zien dat in sommige Europese landen een fietshelm verplicht is. In Malta bijvoorbeeld werd de fietshelm in april 2014 ingevoerd, in Zweden is de helm al sinds 2005 verplicht voor kinderen tot 15 jaar. Dat geldt ook voor Slovenia en Tsjechi?. In Spanje geldt de helmplicht buiten de bebouwde kom, behalve als men berg-op fietst.?De EU-app wordt bewust bij de start van de zomervakantie uitgebracht. Juli en augustus zijn de dodelijkste maanden in het verkeer, met gemiddeld 50 % meer verkeersdoden dan in februari, de ?veiligste? maand.?De app biedt overigens niet alleen alle informatie over veilig verkeer in alle EU-landen. Hij bevat ook een verkeersveiligheidsquiz en een memoryspelletje waarmee passagiers tijdens lange autoreizen de tijd kunnen doden.?De app is in 22 talen beschikbaar voor iPhone en iPad, Google Android en Microsoft Windows. De informatie is trouwens ook terug te vinden op de?EU-website?over verkeersveiligheid.

 

iPhone Screenshot 1iPhone Screenshot 2iPhone Screenshot 3

Bronnen: Verkeersnet, EU Commission

Wat zegt het onderzoek ‘Recherchebazen’ over social media

Holmes

Torre, E.J. van der, Duin, M.J. en Bervoets, E. (2013). ?Recherchebazen. Een empirisch onderzoek naar justitieel leiderschap. Politie & Wetenschap, Apeldoorn.? Reed Business, Amsterdam.

Op woensdag 3 september 2013 verscheen een interessant onderzoek van de commissie Politie en Wetenschap. De titel luidt als volgt: Recherchebazen. Een empirisch onderzoek naar justitieel politieleiderschap. Deze blog gaat over de rol van social media in de opsporing die in het onderzoek wordt genoemd. Volgens de onderzoekers bieden social media kansen bij de opsporing. De recherchechefs geven toe dat ze een potenti?le schatting maken, omdat ze er vaak op bescheiden schaal ervaring mee hebben opgedaan.

Een wijkagent of rechercheur die twittert over strafbare feiten kan burgers attenderen op strafbare feiten. Dit kan burgers ertoe aanzetten om contact te zoeken met de politie. Recherchechefs benadrukken dat dit alleen een kans van slagen heeft als er ook een sociale relatie is of als de politie een goede lokale reputatie heeft. Bovendien zijn speurders bevreesd dat getwitter informatie oplevert voor criminelen: ?Die kunnen meelezen.? Sommige wijkagenten of teamchefs schrijven op een website over een wijk of dorp. Ze geven of vragen informatie. Recherchechefs vinden dat dienders voorzichtig moeten zijn om open en bloot informatie uit te wisselen over strafbare feiten. Digitale communicatie kan drempels wegnemen bij burgers om de (wijk)politie te informeren over criminelen of strafbare feiten. Toch zien recherchebazen Twitter, Facebook, YouTube en internetsites vooral als (open) bronnen waar ze informatie kunnen verzamelen. Hieronder enkele interessante quotes:

?Ik heb geen idee hoe je moet twitteren. We hebben hier al een paar keer gehad dat we, nou ja, ik dan niet h?, via Twitter konden achterhalen wie er op z?n minst getuige waren geweest van een delict.?
?Zolang mensen zo dom zijn om een foto met een gestolen auto op Facebook te zetten of om op YouTube een filmpje te plaatsen waarop een zelfgemaakte vuurwerkbom afgaat, dan heb ik er geen problemen mee om ze op te pakken. Ik bedoel, het loont om daar systematisch goed naar te kijken.?
?De wijkagent had meteen een twitterbericht gestuurd. Met de toon dat dit toch echt niet kon. Dat haalde de lokale krant. Bij het buurtonderzoek hadden mensen het daarover. Dat is toch een steun in de rug.?
?Indirect profiteren wij van goede informatiestromen tussen wijkpolitie en burgers. Een wijkagent kan houvast geven bij een TGO. Een wijkagent kan zeggen: ik zou maar eens met die en die gaan praten.?

Hieronder enkele aanbevelingen die uit het rapport naar voren komen die los staan van social media:

1: Er wordt nu nog te star gedacht over de inzet van Teams Grootschalige Opsporing (TGO?s). De onderzoekers raden aan om de doelstellingen en functies van TGO?s flexibeler te maken en te verbreden. Ze pleiten voor meer afstemming tussen projectmatige onderzoeken naar criminele netwerken en de moordonderzoeken, om uiteindelijk de criminele kopstukken achter een moord te kunnen bestraffen. Op die manier kan een criminele structuur ? waar de moord het bijproduct van is – het object van onderzoek worden. Zo wordt voorkomen dat ?alleen? de uitvoerder van de moord wordt bestraft (mogelijk een criminele loopjongen) en niet de opdrachtgever.

2: Er dient (meer) ruimte te worden gereserveerd voor projectmatige opsporing, waarbij de basispolitie samenwerkt met (gespecialiseerde) rechercheurs. Dit dient te worden gericht op vormen van (georganiseerde) criminaliteit die lokaal ontwrichtend werken en waarvoor geldt dat lokale observaties en bronnen aanknopingspunten bieden voor effectieve opsporing. Dit soort opsporing zal worden gewaardeerd door burgers, wijkagenten en burgemeesters.

3: Rechercheurs dienen meer de straat op te gaan bij onderzoek naar een zaak of fenomeen. Er zou zo meer ge?nvesteerd moeten worden in straatinformatie; op geijkte locaties (bijvoorbeeld sportvelden; hotels; maneges) kan veel criminele informatie verzameld worden die van toegevoegde waarde is op bij opsporing.

De lectorale rede Nicolien Kop: ‘Van opsporing naar criminaliteitsbeheersing’ die goed aansluit op dit onderwerp.

Hier de lectorale rede in beeld:

Tot slot nog een radio interview bij de wereld omroep waarin ik zelf aan het woord ben.

Project X Haren. Deelrapport 3: Hoe Dionysos in Haren verscheen. Maatschappelijke facetten van Project X Haren

Van den Brink, G, e.a. (2013).?Hoe Dionysos in Haren verscheen : maatschappelijke facetten van Project X Haren. Deelrapport 3.?Tilburgse School voor Politiek en Bestuur.

Wat is er op 21 september 2012 gebeurd in Haren, hoe heeft de situatie in Haren zich kunnen ontwikkelen van een Facebook-event tot een feestende menigte op straat, en op de avond zelf van een feestende menigte tot grootschalig relschoppen? Dit deelonderzoek naar de rellen in Haren richt zich op de maatschappelijke facetten hiervan, waarbij onderwerpen aan bod komen als: het brein van pubers, het uitgaansleven, de film Project X, humor, de gevoelswereld van adolescenten, tendensen van de huidige jeugdcultuur, ouders en kinderen, het gebruik van alcohol, groepsdynamiek, de beleving van de rellen door bewoners van Haren, en verschillen in beleving tussen jongeren en volwassenen. De rapportage besluit met een reflectie op de belangrijkste bevindingen en formuleert op basis daarvan een reeks aanbevelingen.