SocialMediaDNA richt zich op kennisdeling rondom social media, politie en maatschappelijke veiligheid. Onderwerpen vari?ren van de online aspecten van openbare orde, opsporing, vervolging, rechtspraak tot crisisbeheersing en communicatie.
Een samenwerking tussen Australische politie, advocaten en wetenschappers heeft dinsdag een nieuwe app gelanceerd die slachtoffers en getuigen kan helpen informatie over misdaden te registreren. De iWitnessed-app (Android, iPhone) gebaseerd op onderzoek in Australi? en Groot-Brittanni?,?ontworpen aan de Universiteit van Sydney, gaat in op het gegeven dat ons geheugen na een incident snel kan verslechteren. Volgens professor Nicholas Cowdery, QC van het Sydney Institute of Criminology, is het daarom noodzakelijk om details van een misdrijf zo snel mogelijk vast te leggen. “Tijdelijke notities, zelfs op de achterkant van een servetje, kunnen de betrouwbaarheid en de kracht van het bewijsmateriaal dat in gerechtelijke procedures wordt gegeven, versterken,” zei hij. Met behulp van het geleide vragensysteem van deze app kunnen gebruikers deze informatie opnemen in tekst, spraak en afbeeldingen, waarbij alle GPS- en locatiegegevens automatisch worden vastgelegd. Vervolgens converteert het de informatie naar een PDF, waar het eenvoudig naar de politie kan worden verzonden via een beveiligd e-mailadres.
Naast deze mogelijkheden biedt de app ook directe links naar dienstverleners zoals slachtofferhulp. “Dit project plaatst Australi? in de voorhoede van internationale initiatieven om het verzamelen van ooggetuigenverslagen te verbeteren en het zal helpen bij het onderzoeken en vervolgen van incidenten,” aldus hoofddocent Dr. Helen Paterson van de School of Psychology Said van de University of Sydney. De app is gratis beschikbaar gesteld in heel Australi?.
Hoe moet de politie omgaan met berichten op sociale media? Hoe serieus moet zij deze nemen, wanneer kan zij hier eveneens via sociale media op reageren en wanneer is meer inzet nodig? Op basis van welke informatie en werkwijzen worden beslissingen hierover genomen? Deze en meer vragen staan centraal in ?het onderzoeksrapport“Monitoring en analyse informatie op sociale en online media”.
Het rapport geeft inzicht in de wereld ?chter de website, twitter- en facebookaccounts van de politie. Daar gebeurt veel meer dan wat de gemiddelde sociale mediagebruiker te zien krijgt. Het rapport schetst de ontwikkeling binnen de politie in de afgelopen jaren op dit relatief nieuwe vakgebied en biedt tevens een doorkijk naar de nog te maken slagen op het terrein van verzamelen, analyseren en duiden van berichten op sociale media.
Want dit is en blijft mensenwerk, dat voorlopig niet volledig is over te nemen door geautomatiseerde systemen.
District Zuid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland maakt gering en ongestructureerd gebruik van sociale media. Hierdoor laat het korps veel kansen liggen in de opsporing. Dat is de boodschap van bijgevoegd onderzoeksrapport van Rebacca van Someren. Het doel van dit onderzoek was om inzicht te verkrijgen in het gebruik van sociale media in de opsporingspraktijk van district Zuid en in de wensen en voorkeuren van de doelgroep, om zo een sociale mediastrategie te ontwikkelen voor district Zuid (onderdeel van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland). Naast het doen van uitvoerig deskresearch, zijn er interviews afgenomen met twee experts op het gebied van sociale media en politie en met zes politiekorpsen, waarvan vijf Nederlandse korpsen en ??n Brits korps. Daarnaast is er een panelgesprek gehouden onder vier doelgroepleden. Uit het panelgesprek is o.a. gebleken dat er behoefte is aan uitbreiding van het huidige sociale media gebruik onder buurtregisseurs en aan het actief onder de aandacht brengen van het sociale media gebruik van district Zuid onder burgers. Daarnaast gaven de panelleden aan dat zij graag een terugkoppeling ontvangen als zij participeren aan de opsporing. Uit de interviews is o.a. gebleken dat het van belang is dat district Zuid het gebruik van sociale media ten eerste intern in kaart brengt voordat er extern wordt gecommuniceerd. Verder is gebleken dat de best practices effectieve werkwijzen gebruiken in hun opsporingspraktijk en dat het belangrijk is om te anticiperen op ontwikkelingen op het gebied van sociale media. Aan de hand van deze uitkomsten zijn er conclusies getrokken en is er een advies opgesteld. Dit advies bestaat uit een passende sociale mediastrategie voor district Zuid en concrete aanbevelingen voor de uitvoering ervan in de opsporingspraktijk. De aanbevelingen voor district Zuid bestaan uit de volgende vijf stappen. Deze stappen dienen in chronologische volgorde uitgevoerd te worden.
1. Inventariseren en structureren: Realiseer eenduidigheid binnen het korps wat betreft het gebruik van sociale media. Breng structuur aan in de Twitteraccounts van buurtregisseurs, zodat deze accounts voor burgers inzichtelijk en makkelijk vindbaar zijn.
2. Uitbreiden en intensiveren: Breid het gebruik van Twitter onder buurtregisseurs uit (elke wijk dient vertegenwoordigd te zijn door minstens ??n buurtregisseur) en maak frequenter gebruik van de drie essenti?le sociale media Twitter, YouTube en Facebook.
3. Strategie?n toepassen: Pas de vier manieren van burgerparticipatie effici?nt toe en maak tegelijkertijd gebruik van de mogelijkheid om (sociale) media te combineren en te verbinden. Houd burgers op de hoogte over wat er – naar aanleiding van een tip of melding – met een zaak is gebeurd.
4. Het gebruik ter kennis brengen: Breng het sociale media gebruik actief onder de aandacht van burgers d.m.v. een campagne of “??oude”?? media.
5. Anticiperen op ontwikkelingen: Leer van fouten en deel elkaars tips. Blijf op de hoogte van ontwikkelingen op het gebied van sociale media en pas werkwijzen voortdurend aan op ontwikkelingen, kennis en bekwaamheid.?
Bachelor thesis (2012) van Rebacca van Someren,?Hogeschool van Amsterdam, begeleiders Bas?Naber, Casper?Muller
De zorg voor veiligheid is een verantwoordelijkheid van en voor iedereen, niet alleen voor de overheid. Ook individuen horen bij te dragen aan een veilige samenleving. In de eerste plaats door zichzelf niet onveilig te gedragen. In de tweede plaats door een medemens in nood te hulp te komen.
Dat laatste is niet altijd gemakkelijk. Er kunnen risico?s vastzitten aan het verlenen van hulp aan een ander. Bijvoorbeeld in het water springen om een drenkeling te redden. Of optreden bij een ruzie op straat. Soms kunnen de risico?s groot zijn, bijvoorbeeld bij het overmeesteren van een inbreker of het ingrijpen bij een vechtpartij met halfdronken jongeren. Niet iedereen durft het, niet iedereen kan het.
Naarmate de potenti?le risico?s groter zijn, zijn mensen minder vaak bereid anderen hulp te verlenen of in te grijpen in dreigende situaties. Maar toch blijkt dat er steeds weer mensen zijn die het w?l doen. Die, los van de eventuele gevaren, vinden dat je een ander in nood niet mag laten barsten. Die feitelijke hulp verlenen, die iets zeggen als er op straat iets onbetamelijks gebeurt, die ertussen springen als iemand wordt belaagd, kortom, die iets do?n. Zij brengen actief burgerschap in de praktijk. Stichting Maatschappij en Veiligheid vindt dat belangrijk en meent dat degenen die dat doen zo goed mogelijk juridisch moeten worden beschermd.
Stichting Maatschappij en Veiligheid realiseert zich dat ingrijpen in situaties waarin iemand wordt bedreigd om vele redenen lastig is. Je weet bijvoorbeeld niet wat je eigen gedrag bij de belager zal oproepen en wat daar weer uit voortvloeit. Het is ook moeilijk om de grenzen precies te bepalen, zeker in situaties die gepaard gaan met geweld of dreiging met geweld. Tot hoever mag je gaan bij de verdediging van jezelf of van anderen? Los van de risico?s die een ingrijper loopt bij het feitelijke optreden, blijkt dat hij of zij ook daarna nog kan worden geconfronteerd met bijvoorbeeld reacties van politie/justitie die vinden dat hij te ver is gegaan en voor eigen rechter heeft gespeeld.
Op dit laatste punt ? de reacties van politie/justitie op een mogelijk te ver gaan bij (zelf)verdediging ? is de situatie de afgelopen jaren, in lijn met de adviezen van de SMV, veranderd. Staatssecretaris Teeven schreef hierover in 2011 een brief aan de Tweede Kamer, waarin hij stelt dat burgers zichzelf moeten kunnen verdedigen en anderen te hulp moeten komen zonder dat politie en justitie al te snel die burger aanspreken op het eventuele overschrijden van grenzen van zorgvuldigheid. Hij vraagt terughoudendheid van politie en justitie. Dit standpunt juicht de SMV toe.
Over de mogelijke?civielrechtelijke consequenties?van het ingrijpen is veel minder bekend. Aan wat voor situaties moeten we hier denken? Een voorbeeld. Iemand ziet dat een jonge man een vrouw berooft. Hij grijpt de jonge man die zich losrukt, daarbij komt te vallen en zijn arm breekt. De jonge man stelt de ingrijper aansprakelijk voor de medische kosten. Een ander voorbeeld.
Een oude man zit achter het raam van zijn woning en heeft het kennelijk erg benauwd. Een voorbijganger ziet dat, heeft geen mogelijkheid om naar binnen te komen en slaat de ruit in om hulp te kunnen verlenen. De woningcorporatie stelt hem aansprakelijk voor het breken van de ruit. De vraag is in dit soort gevallen: wie is verantwoordelijk voor de schade? Die vraag roept weer andere op: Komt het vaak voor dat ingrijpers civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld? Welke situaties laten zich denken en wat is over die situaties bekend? Moet er wat veranderen om de positie van de ingrijper steviger te maken en, zo ja, wat? Deze vragen heeft de Stichting Maatschappij en Veiligheid voorgelegd aan het Molengraaff Instituut van de Universiteit Utrecht. In het rapport?Moedige burgers. Onderzoek naar het versterken van de juridische positie van de ingrijpers bij incidenten?van augustus 2012 beantwoorden Evelien de Kezel en Ivo Giesen de belangrijkste civielrechtelijke? vragen inzake de juridische gevolgen voor degene die ingrijpt. Dit rapport bevat een uitgebreide beschrijving en analyse van de problematiek. Dat rapport kan?hier?worden gedownload.
Het rapport komt tot de conclusie dat het heel weinig voorkomt dat ingrijpers juridisch aansprakelijk worden gesteld. Maar, als dat wel het geval is, dan is er geen sprake van een bijzondere positie van de ingrijper. De afhandeling van de schade volgt de gewone juridische procedures en is voor alles een zaak van verzekeringen. De onderzoekers komen tot de conclusies dat het verplicht stellen van een Aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren kan bijdrage om eventuele problemen in de toekomst te voorkomen. Dan hebben ingrijpers die tussenbeide komen altijd de mogelijkheid de eventuele schade te verhalen op een verzekeraar. Deze maatregel wijzigt het aansprakelijkheidsrecht niet, maar spreidt het risico. Op het vlak van het ondersteunen van actief burgerschap, heeft deze oplossing tot gevolg dat vrees voor aansprakelijkstelling structureel wordt weggenomen.
De SMV geeft de voorkeur aan een andere benadering. De stichting acht het niet gewenst om dit vraagstuk te benaderen vanuit een risicospreidende, verzekeringsgeori?nteerde aanpak. Iemand die rechtmatig en burgergericht ingrijpt om een medemens te helpen hoort niet alleen z?lf niet voor schade op te draaien, ook zijn verzekeringmaatschappij moet die rekening niet hoeven te betalen. Bovendien blijft het altijd mogelijk dat iemand niet is verzekerd, of dat bepaalde vormen van burgeringrijpen niet onder de dekking vallen. De SMV pleit voor een aparte regeling in het schadevergoedingsrecht die de ingrijper beter beschermt. Zowel waar het gaat om de schade die de ingrijper zelf lijdt als de schade die hij aan een ander toebrengt.
Er staan twee wegen open om dit te bereiken. De eerste kiest als uitgangspunt dat de?veroorzaker van de problemen als individu?verantwoordelijk is voor de schade, en dat die schade dus ten laste moet komen van de veroorzaker of diens verzekering. De afhandeling c.q. het verhaal van die schade kan uiteraard worden overgelaten aan de verzekeringsmaatschappij van de ingrijper. Een verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering blijft overigens een maatregel die bij deze weg van groot belang blijft. De tweede is gebaseerd op het uitgangspunt dat de?overheid eigenlijk altijd als principe heeft geclaimd verantwoordelijk te zijn voor het garanderen van veiligheid.?Vanuit die visie is burgeringrijpen te beschouwen als een aanvulling op een kennelijk tekortschieten van de overheid. Dan is het logisch dat de overheid daarvan de financi?le consequenties draagt, bijvoorbeeld door het vormen van een fonds waarop burgers die ingrijpen een beroep kunnen doen als zij blijven zitten met ongedekte schade. Een combinatie laat zich denken door de eerste weg als uitgangspunt te kiezen (de probleemveroorzaker betaalt), en de oprichting van een fonds als steunmaatregel te gebruiken, voor zover er een restschuld overblijft die niet valt te verhalen
Op 5 januari 2011 leidde een zeer grote brand bij een chemisch bedrijf in Moerdijk tot een grootschalige inzet van allerlei crisisbestrijders. De brand trok meteen de aandacht van een groot publiek vanwege de enorme rookontwikkeling. De wind zorgde ervoor dat de gevolgen van deze brand zich niet tot de feitelijke locatie beperkte. De co?rdinatie tussen de bestuurlijke en technisch leidinggevenden vereiste daarom regionale afstemming en dus werd het een GRIP4-crisis. De sirenes werden ingeschakeld om inwoners het basis-alarmsignaal te geven: ?ga naar binnen, houd ramen en deuren gesloten, schakel ventilatie uit en luister naar de regionale zender?. Tijdens de ontwikkeling van deze grote brand bleek dat de overheid er daarmee nog niet is. De sirenes geven slechts een eerste waarschuwing af: er is iets ernstigs aan de hand. Meteen daarna vragen de inwoners zich af wat er dan aan de hand is. Meer informatie is wenselijk of zelfs noodzakelijk.
Minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie vindt dat de chemiebrand in Moerdijk een ramp kan worden genoemd, en zei maar weinig branden te kennen met zo?n impact. Op zich had de brand qua directe slachtoffers geen enorme impact, er zijn zelfs geen gewonden gevallen, maar? het aantal mensen dat te maken had met de ramp en betrokken was (alleen al via de media) was enorm.
Twee reconstructies:
Knelpunten en dilemma?s in crisiscommunicatie bij Moerdijk:
Bij de brand in het bedrijf Chemie Pack in Moerdijk ging er van alles mis, niet in de laatste plaats bij de informatievoorziening door de overheid. Er zat discrepantie in de moderne veiligheidsnormen versus de ?historische omgeving.
Knelpunt bij het vormgeven van Externe Veiligheid (EV) – beleid is dat je de historie van een stad niet kunt? uitvlakken.”We ervaren de oude stadsdelen veelal als gezellig enleuk, terwijl je juist hier met de huidige normen vanuit veiligheidsoverwegingen nooit zo zou mogen bouwen. Neem mijn? gemeente. Dordrecht heeft te maken met een groot aantal treinen met gevaarlijke stoffen die door dicht bevolkt gebied rijden. Daarnaast is er langs onze historische binnenstad een snelweg over het water met schepen volgeladen met gevaarlijke stoffen. Dit vraagt om een speciale benadering, want je wil zowel de stad als zijn inwoners bescherming bieden. En je wilt de stad toch ook perspectief op ontwikkeling bieden, maar tegelijkertijd een voldoende niveau van veiligheid kunnen handhaven.” Met deze patstelling moet een bestuurder dus zien te handelen.
Risiconiveau is moeilijk te bepalen, niet hard en context afhankelijk
Vanuit de specialisten klinkt meermalen de vraag wat een acceptabel veiligheidsniveau is. Is ??n trein met gevaarlijke stoffen die in de nacht door de stad rijdt al te veel? “Voor mij als wethouder is dat geen reden om een project af te wijzen”, aldus Bas Wienbelt. “E?n trein is geen belemmering.” Maar hoeveel dan wel? Al gauw blijkt dat het geen uitgemaakte zaak is wanneer we iets niet meer acceptabel vinden. Er is niet een maat.wordt. Gaandeweg een project gaat het economisch aspect steeds zwaarder wegen. Gevolg is dat hogere risico’s, ook door de samenleving, acceptabel worden gevonden. Neem een bestaand gebouw dat wordt gerenoveerd. Binnen het College van B&W kan op basis van dezelfde risicoanalyse een nieuw gebouw worden afgewezen en het te renoveren gebouw groen licht krijgen Kortom, er is eenvoudigweg niet ??n maat voor externe veiligheid: een bestuurder moet ook andere aspecten meenemen in de besluitvorming en is daarom voorzichtig met het formuleren van harde grenzen. Er zijn maatstaven voor dodelijke slachtoffers, namelijk het plaatsgebonden risico (hard) en het groepsrisico (zacht), maar nog niet voor gewonden die gered moeten worden door de hulpverleningsdiensten. Hoeveel gewonden mogen er vallen en wat mag de ernst zijn, ook op de lange termijn (denk aan chronische ziekte)?
Welke maatregelen zijn noodzakelijk, en wat is het effect daarvan?
Daarnaast is niet duidelijk wanneer welke maatregelen absoluut noodzakelijk zijn. Hetzelfde geldt voor aanvullend te treffen maatregelen, laat staan wat het effect daarvan is op de reductie van dodelijke slachtoffers en gewonden
Vrijblijvend of dwingend advies van de brandweer?
Een bestuurder zou een advies van de brandweer niet moeten kunnen negeren.”Als er een negatief advies ligt, dan moet het plan veranderd.” Zijn uitspraak leidde onder de specialisten tot veel discussie: een brandweer kan niet negatief adviseren, was de stelling vanuit de brandweerhoek. De praktijk blijkt echter anders te werken. Een brandweeradvies heeft een belangrijke invloed op de besluitvorming en kan niet als ??n van de vele aspecten worden meegewogen: het is een go-or-no-go. Een bestuurder moet dus kunnen uitgaan een gefundeerd brandweeradvies om fiat aan een bedrijfsontwikkeling of andere plannen te kunnen geven.
Voorbereiding, open dialoog en cocreatie
Belangrijk is dat een bestuurder in een vroeg stadium duidelijkheid wordt verschaft. Hans Spigt: “Maak het proces inzichtelijk en vraag betrokken partijen naar verwachtingen en wensen. Geef inzicht in de feiten, in mogelijke alternatieve locaties, in mogelijke maatregelen, in de consequenties van bepaalde keuzes en dit alles nog zonder oordeel. Leg dat voor aan bestuurders. Het is ook belangrijk is dat een EV-visie wordt vastgesteld door het gehele college?.
Meer betrokkenheid van Gemeente vanaf het begin
Wellicht kunnen gemeenten kunnen ook meer grip op dit dossier krijgen door aan risicobedrijven alleen grond in erfpacht uit te geven. Zo houdt de gemeente meer slagkracht om ontwikkelingen? aan te sturen.
Nieuwe media en nieuw gedrag van burgers
Dick Ahles: ? Het kan aan mij liggen maar de bedenkers van scenario’s lijken weinig gevoel te hebben over hoe consumenten anno 2011 bij dreigingen gaan reageren met een smart-phone op zak, een iPad op de salon-tafel, een laptop met een open verbinding met internet en een TV in de hoek aan. We wisten bij andere rampen al dat het (mobile) telefoonnet overbelast raakt, en wat zeker is, is dat met de komst van mobiele telefoons, SMS, Twitter en breedband Internet alle oude senario’s over het consumentengedrag de prullebak in kunnen.
Nieuw is dat door de snelheid van berichten via sociale media er heel snel heel veel mensen gealarmeerd zijn. Ook zij willen graag weten wat er aan de hand is, maar in veel gevallen is dat puur uit nieuwsgierigheid (nice to know informatie). Het probleem is dat er in dat geval een stormloop op de online informatie ontstaat. Zodra de plaats of de regio bekend is, weet iedereen heel snel de website van de gemeente of van de regionale zender te vinden. Met als gevolg: te weinig server-capaciteit om die vraag aan te kunnen. De sites kunnen het niet aan. Voor normale gemeentelijke websites is dat begrijpelijk. Daarom is er de speciale site crisis.nl om een extreme vraag op te vangen. Deze website is ontwikkeld in opdracht van het Nationaal CrisisCentrum (NCC) en wordt alleen ingezet bij crisissituaties. De afzender van de website verschilt per crisis. De afzender is te herkennen aan het logo op de homepage. Maar ook daar bleek op 5 januari de vraag groter dan de technische mogelijkheden. De website van de gemeente Moerdijk en Crisis.nl konden het niet aan. Uit nader onderzoek is wel gebleken dat bij de laatste de techniek niet functioneerde, maar toch? En ook RTV Rijnmond moest zich beperken tot ??n enkele pagina met de belangrijkste informatie. Omroep Brabant redde het wel, maar de informatie die men van de overheid kreeg was in de ogen van de hoofdredacteur erg weinig om aan de rol van rampenzender goed invulling te kunnen geven: d.w.z. passend bij de informatiebehoefte.
Twitter lawine onder burgers (#Moerdijk)
Bijna vijf dagen na de brand hebben we nog steeds een twitter lawine over #Moerdijk. Tijdens, maar ook daarna gaat de?meme “grote vuurbal jonguh” ?’als een lopend vuurtje’ rond:
En toch weten de rampen-co?rdinatoren, burgemeesters en ministers niet hoe adequaat te reageren op alle berichtgeving op Twitter, terwijl wat men moet doen en welke informatie moet worden (vrij)gegeven gewoon is af te lezen van de twitter feeds. En het probleem in het internet-tijdperk is niet alleen: op welke manier bereik ik het publiek het meest effectief, maar vooral ook dat men niet kan doorgaan op ouderwetse wijze ALLE bij hen beschikbare informatie eerst te bespreken, te beoordelen, te filteren, en te voorzien van betuttelende prietpraat en dan via klassieke persconferenties voor journalisten aan de burgers te vertellen dat ze zich niet ongerust hoeven te maken. Het is vooral het volstrekte gebrek aan openheid die zo dodelijk is voor de geloofwaardigheid van de overheid in dit soort gevallen. Zij kunnen en willen in dit soort situaties de bevolking kennelijk alleen op de toon van onwetenden toespreken.
Het ging zo snel dat meestal de individuele tweets niet meer waren te lezen. Opvallend was het dat alle (mis)informatie, inclusief foto’s en videofilmpjes, feitelijk via Twitter liep en niet via de omroepen en de speciaal voor deze situaties in het leven geroepen website. Die Twitter stroom ontgaat kennelijk de verantwoordelijke rampenbestrijders: er was uren geen enkele offici?le reactie op het internet.
Traditionele media gebruikt Twitter als bron bij gebrek aan beter
Opvallend was dat de traditionele media Twitter in eerste instantie gebruikte als hun primaire bron over het melden van acties (sirenes die zouden afgaan, ramen sluiten, radio luisteren) en informatie over wat er aan het branden was (giftig en irriterende stoffen), hoe giftig zijn de rookwolken? Is de brand onder controle of breidt het uit? Hoe ver gaat de (giftige?) wolk over de Randstad? Van de overheid geen informatie, geen mededelingen, geen ontkenning, domweg NIETS. De commerciele zender RTL Nieuws was zelfs eerder was dan de NOS.
Informatie over situatie en van overheid komt via burgers op het net
Met name Twitter overstelpte iedereen met berichtgeving vanuit de ‘bedreigde’ gebieden (met name Dordrecht): sirenes, mededelingen dat we naar omroep Brabant, later ook Rijnmond moesten luisteren, dat het een ramp met de hoogste fase (vier) was geworden, Wie waren die mensen in dat landelijke co?rdinatie centrum, wat doen ze, hoe beoordelen ze de situatie, wat zijn ze aan het voorbereiden. Toen eindelijk -een dag later- er een persconferentie werd gegeven (let wel heel klassiek, feitelijk voor de elite van opgeleide journalisten die voor de gevestigde media werken, het idee dat gewone burgers misschien zelf hun vragen hebben komt nog niet bij ze op).
Bij gebrek aan informatie gaan ook klassieke media steeds meer hun eigen gang. Die roepen deskundigen naar de studio en vragen of die misschien weten wat er aan de hand is. Van Duin wijst op een voorval dat veel kwaad heeft gedaan: ?Tot overmaat van ramp was bij een persconferentie over de meetresultaten van het RIVM niet gesproken over de verhoging van lood in een bepaald gebied. Wat denk je dat de kijkers denken als een toxicoloog later op de dag op televisie gaat zeggen dat ergens verderop in het rapport die gegevens stonden??
Geen transparantie van overheid in communicatie
Minister van Veiligheid Ivo Opstelten (VVD) vindt dat ?totale transparantie? rond de brand in Moerdijk vereist is. ?De onderste steen moet boven? zei hij in het Kamerdebat over de?brand bij chemiebedrijf Chemie-Pack in Moerdijk. De Tweede Kamer was?bezorgd over de gezondheid van hulpverleners, werknemers en omwonenden na de brand bij Chemie-Pack. Opstelten liet weten dat hij alles doet om de ongerustheid onder de bevolking weg te nemen. Hij gaf toe dat daar tot nu toe fouten in zijn gemaakt.
Menno van Duin is lector aan de Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) en de Politieacademie. Hij is het met Siepel eens dat bestuurders zo open mogelijk naar het publiek moeten zijn. ?Hoe lastig dat ook kan zijn. Aan de ene kant vertrouwen uitstralen en ook nog in alle eerlijkheid zeggen: ?Wij weten ook nog niet alles?.?
Van Duin vindt de vergelijking die wordt gemaakt tussen het optreden van burgemeester Van der Laan van Amsterdam in de zaak van het Hofnarretje en het gedrag van de autoriteiten bij de Moerdijk-ramp, niet opgaan. ?Van der Laan krijgt terecht veel lof. Er is meteen open en direct gecommuniceerd naar de ouders van de mogelijke slachtoffertjes van het misbruik. Dat is ook gedaan richting pers. Bij crises als Moerdijk, Enschede of Volendam, ligt het toch anders. De overheid is daar veel meer partij in en draagt een veel grotere verantwoordelijkheid dan bij het seksschandaal in Amsterdam.?
Spagaat
De overheid schiet in de bekende kramp. Misschien is ?spagaat? een beter beeld. Er wordt aan de offici?le media beperkte informatie gegeven, want men realiseert zich dat je daar later op afgerekend kan worden.?
Volgen van media moet veel intensiever
Net als Siepel vindt Van Duin dat er ook een andere les uit ?Moerdijk? getrokken kan worden. Het volgen van media moet veel intensiever. ?Daar is nog onvoldoende aandacht voor? weet hij, ?Het kan bijvoorbeeld gaan om het reageren op een uitzending van SBS. Die zender kwam met het – niet kloppende – bericht dat de evacuatie van Zwijndrecht was begonnen. Daar moet je meteen op anticiperen. Dat gaat ook op voor hardnekkige lariekoek die op internet wordt gespuid. Dat kan veel onterechte angst wegnemen.?
Geen aanwezigheid en reactie van overheden op nieuwe media
Wat we leren van die woensdagmiddag en avond is, dat de overheid best in staat is met kundige mensen rampen te bestrijden, maar dat de verantwoordelijke bestuurders geen tot weinig notie hebben van wat er buiten hun crisis-centrum zich afspeelt. Men denkt kennelijk dat de betrokken burgers rustig met hun ramen dicht rond de radio, luisterend naar Omroep Brabant, geduldig zal wachten op offici?le mededelingen.Zo kopte de Trouw op 12 januari 2011: ?Overheid zweeg op Twitter?
Suggestie (crisiswerkplaats): Juist voor korte tussentijdse berichten is dat een zeer geschikt communicatiekanaal, waarmee snel veel mensen bereikt kunnen worden. Geef daar korte informatie en verwijs vooral niet met een link door naar de eigen site. En geef ook een signaal als er nog geen nieuws te melden is (procesinformatie: ?als je niks weet, zeg dan gewoon dat je niks weet?). Een goed voorbeeld van hoe een gemeente op Twitter actief wordt is volgens Dutchcowboys de gemeente Zwijndrecht http://www.dutchcowboys.nl/socialmedia/21385
Informatie vestrekking was te langzaam en via vele schijven
Als het RIVM de lucht vervuiling meet, kunnen die gegevens misschien vrij snel on-line staan. Waarom moeten burgers daar op wachten, waarom moeten redacties met de wet openbaarheid schermen in plaats van zelf met die gegevens komen.
Burgers en experts zijn het oneens met besluitvorming of verbazen zich erover
Over de openbaarheid van de gevaarlijke stoffen: ? …het openbaar ministerie is ogenblikkelijk een strafrechtelijk onderzoek begonnen naar de oorzaak van de brand. De lijst met stoffen was daarbij een belangrijk document en is in beslag genomen door het OM. Dat is ook de reden waarom de lijst in eerste instantie niet is vrijgegeven buiten de kring van bij deze brand betrokken instanties.” Zou de opsteller van deze proza zich eigenlijk wel realiseren wat voor boodschap hij hiermee aan de burgers van dit land geeft: strafvervolging gaat voor voorlichting aan de burgers. Ook in het verslag ? wijsheid van de massa? – 10 dagen na Moerdijk? van crisiswerkplaats.nl somt een aantal verbazingen op:
Dat er tijdens een crisis fouten gemaakt kunnen worden zal niemand ontkennen, maar soms leek het erop dat de deskundigen beslissingen namen en berichten de wereld instuurden die geheel in strijd leken te zijn met de werkelijkheid die iedereen kon waarnemen. En die verbazing is in deze bundeling artikelen bijeen gebracht.
Imago schade
Wantrouwen
Al snel wordt vermoed dat de bestuurders eventuele fouten of vervelende resultaten van onderzoek af willen dekken. Op twitter werd bijvoorbeeld snel de naam van de burgemeester verhaspeld tot Deny (het Engelse ontkennen), met reacties als ?De burgemeester zegt: ga maar lekker slapen, jaja?
?Busje is symbool voor alles wat misging?
Opstelten betreurt het beeld dat ontstond toen hij samen met minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD) maandag een bezoek bracht aan het gebied. Hierbij bleven zij ze in het busje zitten. Opstelten: ?De bedoelingen waren goed: we wilden onze betrokkenheid tonen, maar toen ik de beelden zag, was ik niet blij.?. Het busje staat symbool voor alles wat mis is gegaan bij de communicatie. Alle partijen hebben kritiek op Opstelten en Schippers, zelfs de eigen partijen.?
Ramp of niet?
Het publiek viel over het woord ?ramp? dat door Opstelten zelf werd gebruikt, want ?er was toch niets aan de hand??
Rampinflatie
Communicatiedeskundige Menno van Duin ziet de aandacht voor ?calamiteiten? groeien. De brand in Volendam was alleen al in de eerste maand dertien keer onderwerp van aandacht, waarvan zeven maal hoofdonderwerp.? Dat aantal is na een krappe 2 weken bij ?Moerdijk? nu al gehaald. Van Duin: ?Het begrip ramp werd in 1977 niet gebezigd. Er is, wat mij betreft sprake van ?rampinflatie?. Gebeurtenissen die vroeger weinig tot nauwelijks aandacht kregen, krijgen nu om uiteenlopende redenen veel meer aandacht en worden ook vaker en sneller als ramp betiteld.? De media zwepen elkaar op en daarmee neemt ook de druk op bestuurders toe. ?Zeker omdat internet en de sociale media een snel groeiende rol gaan spelen. Iedereen is een medium geworden.?
Twitter kan gevaarlijk zijn bij een ramp als Moerdijk
In het regionale dagblad?BN/DeStem stond van de week een bericht (met een Poll) over de uitspraak van Nico?van?Mourik?van?de?Veiligheidsregio?Midden- en?West-Brabant. Over Twitter zegt hij letterlijk: “140 tekens kunnen een boel kapot maken.” Dus: verbieden maar als onze overheids rampenbestrijders dat nodig vinden? Want BN/DeStem meldt verder “Ongefundeerde mededelingen van omwonenden of toeschouwers zouden de offici?le informatievoorziening tijdens een ramp kunnen verstoren. Van Mourik deed zijn uitspraken, die geen kritiek mochten heten, woensdagavond (16/3/2011 DA) tijdens een bijeenkomst in het stadhuis van Bergen op Zoom. Gemeenteraadsleden stelden hem daar vragen over de communicatie bij incidenten als de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk.” De krant meldt verder nog dat Van Mourik zelf actief is op?Twitter”
Rapportage bevindingen vragenlijstonderzoek:?Hoe hoorde u van de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk?
Op woensdag 5 januari 2011 werden diverse communicatiemiddelen ingezet om de bevolking te alarmeren en informeren over de brand die was uitgebroken bij het bedrijf Chemie-Pack in Moerdijk. De waarschuwingen op 5 januari en de dag erna richtten zich op mogelijke directe gevaren als gevolg van inademing van de rook. Daarom werd advies afgegeven ramen en deuren te sluiten. Om dit advies kenbaar te maken zijn verschillende middelen ingezet, waaronder de sirene, geluidswagens, sms-alert, de rampenzender, radio, televisie en internet. Daarnaast informeren mensen elkaar en zijn er mensen die zelf de rook waarnemen en zo op de hoogte komen van de gebeurtenis.
Naar aanleiding van de brand heeft de TU Delft een vragenlijst opgesteld om inzicht te krijgen in de vraag: Via welke kanalen heeft de bevolking voor het eerst gehoord van de brand en is er verschil tussen alarmeren en informeren?
De 462 bruikbare reacties zijn ingedeeld op basis van de locatie waar de respondent zich bevond toen de brand ontstond. Deze locatie is bepalend voor het doel van de waarschuwing en informatie over de brand. De resultaten laten zien dat in het als eerst te alarmeren gebied respondenten hoorden van de brand via een andere persoon of organisatie, via een specifiek alarm of waarschuwingsmiddel of via visuele waarneming. De respondenten in dit gebied komen als eerste op hoogte van de brand. Ook in het tweede gebied waar het advies werd afgegeven, maar zonder inzet van alarm of waarschuwingsmiddelen, hoorden respondenten van de brand via andere personen/ organisatie of via informatiekanalen (radio, televisie, internet). Als laatste op de hoogte kwamen de mensen in het derde gebied waar alleen informatie behoefte was. In dit gebied is het advies om ramen en deuren gesloten te houden niet gecommuniceerd. Respondenten in dit gebied kwamen voornamelijk op de hoogte via informatiekanalen. Zij waren later op de hoogte dan de mensen die aanwezig waren in de beide andere gebieden.
Klein Haneveld, R.K., S. Boes & N. Kop (2012). Woninginbraken. Een onderzoek naar het fenomeen woninginbraken en mogelijke aanpak hiertegen. Politieacademie, Apeldoorn.