Categoriearchief: Publicaties

Dark Net: de achterbuurt van het internet

9200000046267442 jamie bartlett

De Britse journalist Jamie Bartlett trok voor zijn boek The Dark Net naar de verborgen zelfkant van internet: wapens, drugs, porno, neonazi’s en anorexiafans. En? ‘Niets was zoals ik het verwachtte.’

Wat als je harddrugs zou kunnen kopen in een keurige winkel, met de ecstasy, marihuana en coca?ne netjes ge?taleerd in de schappen? Tegen schappelijke prijzen en zonder de angst dat de narcoticabrigade op de loer ligt? Op een plek waar je een praatje kunt aanknopen met andere shoppers, die je graag helpen bij je keuze? ‘Heb je de aanbieding van de week gezien? Dat is puike hero?ne! Zou ik zeker 20 gram van meenemen.’

Die winkels bestaan, zegt de Britse researcher en journalist Jamie Bartlett: online. Op hetzelfde wereldwijde computernetwerk waar we terechtkunnen voor boeken, dvd’s, smartphones en hotelkamers kunnen we terecht voor GHB, LSA, poppers, speed, 2C-B, kanna, iboga?ne, kratom, DMT en andere drugs. Op websites die in vorm en opzet niet veel afwijken van een Marktplaats of eBay. De drugshandelaren houden zich op het dark net op, een deel van internet dat alleen met een speciale webbrowser valt te ontdekken.

Bartlett schreef er een boek over, dat in een Nederlandse vertaling is verschenen. The Dark Net gaat niet alleen over de drugshandel online, maar over een heel parallel universum op internet bevolkt door neonazi’s, cyberpesters, pornografen, anorexiafans en pedofielen. Een apart hoofdstuk wijdt Bartlett aan de cypherpunks, die in technologie het middel zien om zich te bevrijden van de staat. Uit hun kringen kwam de bitcoin voort, de virtuele munt die anonieme, elektronische betalingen mogelijk maakt. De bitcoin is het smeermiddel voor schimmige zaakjes online.

Vier jaar dompelde Bartlett zich onder in de zelfkant van het internet. Je zou denken dat hij door genoeg digitale drek waadde om er een depressie aan over te houden. Maar in een gesprek via Skype – om in stijl te blijven – blijkt Bartlett (36) een montere, laconieke Brit, die zijn geloof in de mensheid nog niet heeft verloren. ‘Dat is het gekke. Veel mensen die online de vreselijkste dingen doen en zeggen blijken als je ze persoonlijk ontmoet heel aardig. Dat levert ook weer een probleem op. Je kunt ze zo sympathiek gaan vinden dat je uit het oog verliest wat voor ergs ze op internet uitspoken.’

-0-0-820-540

Een wereld vol pedofielen, cyberpesters en neonazi’s. Het beeld dat je schetst van internet in The Dark Net stemt wel somber.

‘Het boek bestrijkt niet het hele internet. Ik heb geprobeerd een accuraat beeld te geven van de duistere plekken, niet een perfect gebalanceerd verhaal met ook de mooie dingen. Ik had van mezelf verwacht dat ik meer geschokt zou zijn over wat ik online heb aangetroffen, maar ik ben eerder minder bezorgd en juist meer relaxt. Het is vaak niet zo beroerd als je denkt.

‘Niets was zoals ik het verwachtte, op basis van wat ik er in de media over had gelezen. Neem Silk Road, de verborgen marktplaats waar je drugs en wapens kon kopen. Ik dacht dat het een schimmige boel zou zijn, net als de drugsdeals op straat. Het bleek een professionele, concurrerende markt, die kwalitatief geweldige producten bood met een uitstekende klantenservice. Het is net als eBay.

‘Ik had ook een heel ander beeld van de websites waarop mensen die aan anorexia lijden elkaar ontmoeten en tips geven over hoe je nog verder kunt vermageren. Ik verwachtte dat die pro-ana-sites sinistere ontmoetingsplekken zouden zijn, donker en boosaardig. Maar de gebruikers zijn juist heel meelevend, zorgzaam en aardig voor elkaar. Dat is misschien wel gevaarlijker. Want mensen die deze stoornis hebben, vinden daar een sympathiek oor. Ze kunnen verslingerd raken aan die positieve reacties en nog extremer worden in hun gedrag.’

Je hebt de mensen achter antimoslim-forums, sekscams en pedofielenwebsites opgezocht. Was dat moeilijk?

‘Als wetenschapper en journalist heb je dankzij internet meer mogelijkheden dan tien jaar terug. Ik kan in een paar muisklikken aan de praat raken met iemand die een pro-anorexia-website beheert in de Verenigde Staten. Iedereen wil met je praten, maar vooral online, anoniem. Je weet dan niet of ze de hele waarheid spreken, en of ze zijn wie ze zeggen te zijn.

‘Het meeste werk is gaan zitten in mensen zover te krijgen dat ze je face-to-face willen ontmoeten. Als je ze als journalist weet te overtuigen dat je eerlijk over hen zult schrijven, kun je hun vertrouwen winnen. De ander kan op internet checken of je wel deugt. Aan de andere kant: veel van deze groepen voelen zich onbegrepen. Ze willen dolgraag hun verhaal kwijt.’

Bartlett zegt dat hij zijn gesprekspartners nog eens heeft benaderd nadat The Dark Net was verschenen. Alleen Paul, een werkloze dertiger in het noorden van Groot-Brittanni? die in blogs en forums de superioriteit van het blanke ras propageert, had achteraf iets te klagen. ‘Misschien niet eens omdat ik hem als een neonazi wegzet. Paul heeft er meer moeite mee dat ik hem omschrijf als een goedlachse, beleefde en attente man in het echte leven, terwijl hij zich op internet gedraagt als een racistische fanaticus. Hij ziet geen verschil tussen zijn offline- en onlinekarakter.’

E?n keer in het boek valt Bartlett uit zijn rol als toeschouwer, onbedoeld. De journalist woont een ‘live-optreden’ bij van Vex, Auryn en Blath, drie meiden die seks met elkaar hebben voor een webcam terwijl duizenden mannen toekijken. De mannen zijn bezoekers van de website Chaturbate en ze kunnen tegen betaling de meiden extra handelingen laten verrichten. De tarieven voor ’tepels kussen’ en ‘vibratorgebruik’ staan keurig vermeld op het scherm.

pistool

‘We hebben vandaag een schrijver te gast, mensen’, zegt Vex opeens tegen de camera. Ik begin met mijn hoofd te schudden. Heftig. ‘En als jullie de komende minuut duizend tokens fooi geven, komt hij even in beeld.’ Ping! Ping! Ping! Vex springt van het bed en trekt me mee, in beeld.

‘Hallo allemaal’, zeg ik.

‘Hallo’, antwoorden een stuk of tien licht- en donkerblauwe namen op het computerscherm.

‘Ik schrijf ook een “boek”‘, typt iemand.

‘Ik betaal tienduizend tokens als je hem pijpt’, zegt een ander.

‘Jongens! Niet doen! Hoe zullen we hem op Chaturbate noemen?’

‘De Pen Is Machtiger!’

Ik trek me haastig terug.

Opmerkelijk aan The Dark Net is dat sommige ontluisterende verschijnselen die pas onlangs lijken te zijn ontstaan al een hele tijd meegaan. Neem het fenomeen trolling, waarbij internetters de grofste middelen inzetten om een ander online tot op het bot te vernederen, om die voor het oog van de hele wereld voor schut te zetten. Anoniem.

In Nederland maakten we in 2003 kennis met het verschijnsel reaguurder (‘Ga nou es deaud’) toen de website GeenStijl werd opgericht. Maar al bijna dertig jaar eerder, toen de voorganger van het internet nog het speeltje was van een handvol academici, klotste het vitriool tegen de virtuele plinten.

Een chatgroep die in 1976 werd opgericht om te debatteren over technische vernieuwingen op dat Arpanet ontaarde binnen de kortste keren in een wedstrijd moddergooien. Vooral nieuwkomers die de etiquette nog niet kenden en de cultuur niet begrepen kregen de volle laag. Oprichter Ken Harrenstein zou de deelnemers van de chatgroep later omschrijven als ‘een stel bevlogen vechtjassen die een paardenkadaver aan gruzelementen beukten’.

Sommigen hebben het online kwetsen tot ‘kunst’ verheven, zo blijkt uit The Dark Net. Bartlett spoorde een van de trollen op, Zack. Hij is begin 30 en haalt al tien jaar anderen op internet het bloed onder de nagels vandaan door elk debat met gestrekt been in te gaan en dat vol te houden tot de tegenpartij in de touwen hangt. Zack laat zien hoe hij op een obscuur forum een slachtoffer ‘binnenhengelt’ met een ogenschijnlijk onschuldig politiek commentaar. Als het doelwit hapt, overlaadt Zack hem met een stortvloed aan vileine opmerkingen, citaten van Cervantes en Shakespeare en video’s van zijn penis in diverse standjes.

‘Wat heeft dat nou voor zin’, vraagt Bartlett aan de trol.

Na een korte stilte zegt Zack: ‘Weet ik niet, maar het was wel leuk. Het doet er eigenlijk niet toe dat het verder zinloos was.’

Wat maakt dat mensen zich op internet zo gemakkelijk laten gaan?

‘Mensen wanen zich achter een computerscherm onbespied, zeker als ze anoniem reageren. Er is niemand die weet wie je bent. Er is geen sociale controle, er is geen repercussie voor als je je misdraagt. Je mist ook de aanwijzingen die je in een gewoon gesprek oppikt, de lichaamstaal, dus je reageert misschien feller. Het medium lijkt onbeschoftheid in de hand te werken.

‘Vroeger schreeuwden we tegen de televisie als we daar iemand zagen met wie we het niet eens waren. Als we indertijd in elke huiskamer microfoons hadden opgehangen en al die uitbarstingen hadden verzameld en geturfd, hadden we toen al geconstateerd dat het land ontspoort. Zoals we nu denken dat het mis is met de wereld omdat iedereen op Facebook en Twitter zo tekeergaat. Het probleem van internet is dat een kleine groep mensen zo’n grote stem krijgt. Het ongenoegen is beter zichtbaar.’

We willen kennelijk gehoord worden – ook als er niemand luistert. We leveren commentaar, ook al is het de 423ste reactie onder een bericht. Waarom?

‘Om dezelfde reden als waarom mensen hele lemma’s volschrijven op Wikipedia, zonder daar de credits voor te krijgen. Het is een natuurlijke aandrang tot zelfexpressie. Het is een manier om stoom af te blazen. Er wordt nooit over gesproken, maar volgens mij is een van de drijvende krachten achter negatief gedrag verveling. Je hebt niks te doen, dus ga je maar online. Internet is een oneindige bron van vermaak.’

In een lezing die op YouTube is te zien, stel je dat het dark net mainstream gaat. Hoe zie je dat?

‘Het zal niet zo zijn dat iedereen de technologie gaat gebruiken om zijn mail onleesbaar te maken of anoniem te surfen. Maar je ziet wel dat mensen zich zorgen maken over hun privacy, dat elk aspect van het leven in data wordt gevangen. Waardoor je bijvoorbeeld advertenties ziet over zaken waar je zes maanden geleden naar hebt gekeken. Dus als er alternatieven komen waarin dat niet gebeurt worden die populairder. Hoe meer ze worden gebruikt, hoe meer mensen zich zullen aansluiten. Zie de apps als Whatsapp en Telegram die je berichten versleutelen. Daar had twee jaar geleden nog niemand van gehoord. Nu hebben ze honderden miljoenen gebruikers.’

Assassination Market: een premie op het hoofd van Obama, Wilders en Ayaan Hirsi Ali.?

Van alle vijanden die Barack Obama dood wensen, zijn er een paar die werkelijk een premie hebben gezet op het hoofd van de Amerikaanse president. Ze zijn te vinden op de Assassination Market, een website waarop de deelnemers geld inzetten op de datum waarop iemand komt te overlijden. Hoeveel mensen hebben gegokt op het overlijden van Obama is niet bekend. Wel hoeveel ze gezamenlijk hebben ingezet: rond de 40 bitcoin, een virtuele munteenheid. De huidige koers van een bitcoin is 335 euro.

De Assassination Market is alleen te bezoeken met een Tor-webbrowser. Tor staat voor een netwerk dat onafhankelijk opereert van het zichtbare internet en waarop gebruikers kunnen surfen zonder dat ze te traceren zijn. De technologie achter Tor werd ontwikkeld door computerwetenschappers in dienst van de Amerikaanse marine, dat de blauwdrukken in 2004 vrijgaf. Met Tor kunnen mensen in landen met een zware internetcensuur toch vrijuit communiceren, maar de technologie wordt ook gebruikt door criminelen, verspreiders van kinderporno en terroristen.

De Assassination Market is gebaseerd op idee?n die de Amerikaan Jim Bell in 1995 in een essay vastlegde. Volgens Bell zouden politici zich correcter gedragen als ze weten dat er een premie op hun hoofd staat, of kan komen te staan. Er zit een adder onder het gras, signaleert Bartlett in The Dark Net: als er maar genoeg mensen kwaad worden op een gezagsdrager zal het prijzengeld zo hoog worden dat iemand een voorspelling doet om die vervolgens te laten uitkomen en zo zeker te zijn van de beloning.

Vandaar dat de laatste instructie op de Assassination Market luidt: ‘Of je je voorspelling wilt laten uitkomen is helemaal aan jou.’

KLEIN LEXICON VAN HET ‘DARK NET’

De duistere kanten van internet hebben hun eigen jargon voortgebracht. Hier een greep uit termen die aan de orde komen in het boek van Jamie Bartlett.

Doxing ?-?priv?gegevens van een gebruiker achterhalen en op internet publiceren

Trolling -?opzettelijk online discussies saboteren, puur voor de lol

Flaming -?oudere term voor trolling

Crap-flooding -?nieuwsgroepen of forums overladen met onzincontent

Click bait -?‘lokaaslink’, verwijzing die bezoeker moet verleiden tot klikken, leidt vaak naar webpagina die boodschap in verwijzing helemaal niet waarmaakt

Screenie -?synoniem voor screendump, schermafbeelding

Cryptograaf -?specialist in digitale versleuteling of geheimcode

Crypto-currency -?virtuele munt, niet te traceren, niet uitgegeven door een land, bijvoorbeeld de bitcoin. Betalingen zijn versleuteld.

Cypherpunk -?anarchist die in encryptie een middel ziet tot sociale en politieke omwentelingen

Hash -?digitale handtekening uniek voor een enkel bestand

Tor Hidden Services -?websites die alleen zijn te bezoeken met TOR-browser

Tor -?afkorting van The Onion Router, netwerk dat communicatie tussen computers zodanig versleutelt (de originele boodschap krijgt steeds meer lagen eromheen, zoals een ui lagen heeft) en omleidt dat bron niet meer valt te achterhalen

Hidden Wiki -?index van Tor Hidden Services

Camshow -?videokanaal waarop live seks wordt bedreven voor een webcam

Thread -?lopende discussie van deelnemers op een forum

Pro-ana -?aanduiding voor website waarop lijders aan anorexia nervosa onder andere tips uitwisselen om er nog magerder uit te zien

Rickrolling -?internetters onder valse voorwendselen lokken naar videoclip van Rick Astley, met de song Never Gonna Give You Up uit 1987

Bronnen: De Volkskrant

Twittercops

twittercops

Een onderzoek naar de verhouding tussen het genre ?tweets van wijkagenten? en de hoofdtaken van wijkagenten in Nederland in 2014.

Door?Leyla van der Raad,?Masterscriptie ? Nieuwe media, taal & communicatie van de Radboud Universiteit Nijmegen

?Twittercops?, oftewel: twitterende wijkagenten, zijn sinds 2009 een opkomend fenomeen en brengen een nieuw genre met zich mee, namelijk ?tweets van wijkagenten?. Er is nog vrij weinig bekend over hoe de wijkagent zich via Twitter uit. Om hier meer inzicht in te verschaffen, is er?onderzoek gedaan naar hoe het genre ?tweets van wijkagenten? zich verhoudt tot de hoofdtaken van?wijkagenten. In totaal zijn 2.456 tweets uit Nederland uit 2014 geanalyseerd aan de hand van het?genremodel van Steen (2011). Er is een drieledig onderzoek uitgevoerd. Hiertoe is ten eerste een?genreanalyse naar ?tweets van wijkagenten? in Nederland in 2014 uitgevoerd. Vervolgens is?onderzocht hoe de taken van de wijkagent tot uiting komen op Twitter. Ten slotte is de verhouding?tussen beide bekeken, namelijk hoe het genre ?tweets van wijkagenten? zich verhoudt tot de taken?van de wijkagent op Twitter. Door middel van de ??-toets is onderzocht of er verbanden zijn tussen?twee (nominale) variabelen.

Tweets van wijkagenten bleken voornamelijk een informerend doel te hebben en gingen?hoofdzakelijk over het onderwerp ?overig? (nieuwjaarswensen, onderzoek, (Twitter) spreekuur, etc.).?Daarnaast bleken tweets in het bijzonder een ongemarkeerd register, een informatieve retorica en?een objectieve, onpersoonlijke, abstracte stijl in schrijftaal te bevatten. Er bestonden verbanden?tussen de hoofdtaken van de wijkagent en alle genredimensies, namelijk: (1) het doel/de functie, (2)?het onderwerp, (3) het register, (4) de retorica en (5) vier stijlsoorten. Hierdoor kon het genre??tweets van wijkagenten? eenduidig beschreven worden.

Een suggestie voor vervolgonderzoek is om na te gaan of er een verandering zichtbaar is in?het genre ?tweets van wijkagenten?. Ook kan er naar de verschillen en overeenkomsten tussen de?provincies van Nederland worden gekeken, in plaats van naar Nederland in zijn geheel. Daarnaast?moeten enkele beperkingen van het onderzoek in acht worden genomen ten behoeve van de?betrouwbaarheid van het onderzoek. Hierbij valt te denken aan een aanpassing van de methode?door afbeeldingen en hashtags (#) te betrekken in het onderzoek. Daarnaast dienen de onderwerpen??overig? en ?criminaliteit? opgesplitst te worden in meerdere onderwerpen voor een gedetailleerder?beeld. Dit onderzoek biedt een bepaalde aanvulling op eerder onderzoek (o.a. Veltman, 2011).

Doordat er iets bekend is over het effect van ?Twittercops? en hoe deze zich uiten op Twitter, wordt?het fenomeen ?twitterende wijkagent? steeds meer afgebakend. Tot slot kan de rol van social media?onderzocht worden; kunnen deze net als de traditionele media bijdragen aan onveiligheidsgevoelens?in de samenleving?

Een gesloten binnenwereld en een kritische buitenwereld – burgerparticipatie in de opsporing

Een exploratief onderzoek naar de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing. – Auteur: Martin Boezen, 2015.

De probleemstelling van dit onderzoek was:
Wat is er bekend over de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en welke verklaringen zijn er voor deze attitudes?

Door het uitvoeren van het literatuuronderzoek en het spreken van verschillende respondenten met verschillende achtergronden is deze probleemstelling beantwoord. Bij het inzichtelijk maken van de cognitieve -, affectieve – en conatieve componenten is tevens oog en oor geweest voor mogelijke verklaringen hieromtrent. In het vorige hoofdstuk werd dit inzicht en deze verklaringen reeds uitgebreid beschreven, tevens werden hier enkele tussenconclusies beschreven.

Resumé
Uit dit onderzoek is dan ook gebleken dat de cognitieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede bestaat uit verschillende aspecten. Zo is het kader waarin de kennis van de politie en burgerparticipatie in de opsporing wordt geplaatst gekleurd door culturele, historische en communicatieve factoren. Deze factoren verschillen tussen enerzijds het attitude-object en anderzijds de Marokkaanse gemeenschappen: de grofmazige – ten opzichte van de fijnmazige cultuur en de historische achtergrond van verzet en wantrouwen tegen de regering.

De affectieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede bestaat uit gevoelens van wantrouwen en onbetrokkenheid uit schaamte en uit angst voor gezichtsverlies. Tot slot bestaat de conatieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede uit onmacht, praktische overwegingen zoals angst voor de consequenties en de pragmatische overwegingen waarbij een keuze moet worden gemaakt tussen de gesloten binnenwereld en de kritische buitenwereld.

Conclusies
Er kan geconcludeerd worden dat de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede een sterke attitude bezitten ten opzichte van het attitude-object: burgerparticipatie in de opsporing. Deze attitude beïnvloedt het gedrag van de Marokkaanse gemeenschappen, met als resultaat dat de mate van burgerparticipatie in de opsporing van deze gemeenschappen zeer beperkt is. Holland, Verplanken en Van Knippenberg (2002) schreven dat een sterke attitude leidend is bij gedrag en dat sterke attitudes herkenbaar zijn en resistent zijn tegen tijd en verandering. Dit komt overeen met de resultaten uit dit onderzoek. Ook in dit onderzoek waren de attitudes herkenbaar en resistent tegen tijd en verandering. De attitude van de gemeenschappen is te omschrijven als negatief. Een positieve attitude hoeft echter ook niet te leiden tot bepaald gedrag. Zowel een positieve als een negatieve attitude hoeven niet te leiden tot bepaald gedrag.

De Marokkaanse gemeenschappen zijn te omschrijven als los zand, maar toch sluiten de gelederen zich wanneer zij slecht in het nieuws komen. Zo lang het besef er niet is dat er een criminaliteitsprobleem onder Marokkaanse jongens is of zo lang dit genegeerd wordt. Zo lang de slachtofferrol gehanteerd wordt, wordt het zeer moeilijk om de pragmatische overwegingen in gedrag om te zetten. De besloten binnenwereld dient opengebroken te worden, er dient vertrouwen gewonnen te worden door de kritische buitenwereld. Tot een oplossing hiervoor is echter niet eenvoudig te komen.

De ontwikkeling van inbraken binnen de eigen gemeenschappen doen wellicht overgaan tot burgerparticipatie in de opsporing. Zodoende kunnen de gemeenschappen hun gedragsintentie bijstellen en hun mate van burgerparticipatie in de opsporing verhogen, waarna een positieve houding kan volgen en de kennis kan worden bijgesteld. Echter, uit dit onderzoek blijkt dat de attitude zeer sterk is waardoor verandering erg moeilijk wordt, tevens is het culturele, fijnmazige kader zeer sterk bij de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede. Wanneer de huidige verhoudingen tussen de politie en de Marokkaanse gemeenschappen niet wijzigen zal de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen eveneens niet wijzigen.

Het lijkt een vicieuze cirkel. De criminaliteit onder specifieke Marokkaanse jongens gaat gestaag door. De politie reageert door Marokkaanse jongens in de gaten te houden. De Marokkaanse jongen brieft dit door binnen de gemeenschappen. Dit levert angst voor schaamte op bij de Marokkaanse gemeenschappen, waardoor de gelederen van de besloten binnenwereld sluiten. Het onbegrip van de kritische buitenwereld over deze geslotenheid vergroot: het stigmata verhard en de partijen lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan. De angst voor uitsluiting, schaamte, gezichtsverlies en andere repercussies is dusdanig groot binnen de Marokkaanse gemeenschappen dat een kritische, zelfreinigende blik uitblijft. Wellicht zijn de Marokkaanse gemeenschappen trots en hebben ze een groot gevoel voor onrecht. Zolang de façadecultuur gehandhaafd blijft zijn de Marokkaanse gemeenschappen moreel failliet zoals Ahmed Marcouch (2013) verwoordde in zijn roep de zwijgzame massa te doen spreken.

Aanbevelingen
Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek kunnen diverse aanbevelingen gedaan worden. Zoals reeds werd beschreven bezitten de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede sterke attitudes ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en de politie. De aanbevelingen die in dit hoofdstuk worden opgesomd zullen niet zorgen voor een acute verandering in de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede. Er mag ook niet verwacht worden dat de sterke attitudes met enkele aanpassingen veranderd kunnen worden, zoals reeds werd beschreven zijn sterke attitudes herkenbaar aan resistentie tegen verandering (Holland et al., 2002). De volgende aanbevelingen kunnen echter wel bijdragen aan een betere verstandhouding en kunnen wellicht op de lange termijn zorgen voor kleine, maar gestage veranderingen in de attitudes.

Aanbeveling 1:
Een goede basisopleiding voor politieambtenaren waarin veel aandacht besteed wordt aan multiculturele vraagstukken.

De politieorganisatie heeft talloze initiatieven ingesteld om huidige politieambtenaren te onderwijzen in multiculturele vraagstukken. Echter, zo blijkt uit dit onderzoek, is het de fase van aspirant waarin de eerste contacten tussen de Marokkaanse gemeenschappen en de politie tot stand komt. Er kan afgevraagd worden of het gewenst is om begrip te creëren en inzicht te geven in multiculturele vraagstukken wanneer er reeds een eerste indruk is bepaald. Met andere woorden: komen de huidige initiatieven wellicht te laat? Deze aanbeveling is vooral gericht aan de politieacademie en de ‘blauwe tak’ van de politieorganisatie.

Aanbeveling 2:
Wees bewust van het ‘spel’

Op straat wordt de houding ten opzichte van de politie vooral duidelijk tijdens het spel van de Marokkaanse jongen en de politieambtenaar. Door bewustwording van dit ‘spel’ kan er ingespeeld worden op de verstandhouding tussen politie en de gemeenschappen. Hierbij zijn enkele punten zeer belangrijk zo bleek uit de bevindingen van dit onderzoek: Wees bewust van niet willekeurigheid met betrekking tot staande houdingen van Marokkaanse jongens. En: Bij contact met personen van Marokkaanse herkomst: benadruk de gezaghebbende rol van de politie en leg beslist geen nadruk op de fictieve machthebbende rol. Deze aanbeveling geldt voor zowel de handhaving als de opsporing. De opsporingspraktijk dient rekening te houden met het spel dat Marokkaanse verdachten kunnen spelen tijdens het verhoor. Door bewustwording kan ingespeeld worden op dit spel. De verdere uitwerking van deze bewustwording valt echter buiten de
doelstelling van dit onderzoek.

Aanbeveling 3:
Doelgerichte communicatie: Verbeter de communicatie omtrent burgerparticipatie in de opsporing wanneer de Marokkaanse gemeenschappen de doelgroep zijn.

De bevindingen uit dit onderzoek logen er niet om. De communicatie van de politie voldoet niet aan de eisen van interculturele communicatie. De huidige opsporingscommunicatie kan omschreven worden als “iets over de schutting gooien”. De Nederlandse, grofmazige waarden zijn zeer duidelijk aanwezig in de communicatie van de politieorganisatie. Doelgroepgerichte communicatie is dan ook zeer aan te bevelen. Deze laatste aanbeveling geldt voor de opsporingspraktijk en specifieker voor de opsporingscommunicatie.

Aanbeveling 4:
Vervolgonderzoek

Er zijn tal van vervolgonderzoeken te formuleren. De meest belangrijke in de ogen van deze onderzoeker is het onderzoeken van verschillen in attitudes tussen verschillende Marokkaanse gemeenschappen in verschillende steden. Nu doet wellicht de vraag rijzen: is dat niet onderzocht tijdens dit onderzoek? De aanbeveling voor vervolgonderzoek richt zich met name op verschillen tussen attitudes. Met andere woorden: waarom hebben bepaalde Marokkaanse gemeenschappen in bepaalde steden of dorpen een andere attitude ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en hoe valt dit te verklaren. Deze verklaringen kunnen bijdragen aan de verandering van de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in bijvoorbeeld Culemborg en Ede. Door deze verklaringen te analyseren kunnen mogelijk inzichten verworven worden waarop de politieorganisatie kan inzetten.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425148&doc=eengeslotenbinnenwereldeneenkritischebuitenwereld-200909070034&type=d]

Bron: Politieacademie

Burgerparticipatie in strijd tegen woninginbraken

Auteur: M.A.R. Sinke

Dit onderzoek maakt onderdeel uit van een onderzoek dat is gedaan in opdracht van het Ministerie van Veiligheid & Justitie naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken.
Hiertoe is in samenspraak met de opdrachtgever de aanpak van de Best of Three Worlds (B3W), bestaande uit probleemgericht werken, informatiegestuurde politie en burgerparticipatie, als
uitgangspunt genomen voor een effectieve aanpak. Vervolgens is op zes locaties in het land onderzoek gedaan naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken. De B3W-aanpak berust op drie pijlers, waaronder burgerparticipatie. Dit deelonderzoek heeft zich derhalve gericht op de vraag:

‘Op welke manier kan burgerparticipatie bijdragen aan een effectieve aanpak van woninginbraken?’.

Deze vraag is beantwoord door voornamelijk kwalitatief onderzoek te doen. In eerste instantie is in de literatuur gebleken dat burgers van grote waarde kunnen zijn in de aanpak van woninginbraken en dat de politieleiding die meerwaarde onderkent. Burgers kunnen bijdragen aan het voorkomen van inbraken, het vergroten van de heterdaadkracht en (daarmee) het opsporen en aanhouden van inbrekers. Vervolgens is in de literatuur gezocht naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot burgerparticipatie. Daarbij werd gestuit op een onderzoek van Collij (2012) naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot samenwerking met de politie. De door haar onderzochte motieven en voorwaarden, zowel vanuit de omgeving als vanuit het project, zijn kwalitatief getoetst op vijf van de zes onderzoekslocaties van het hoofdonderzoek. Deze kwalitatieve toetsing heeft voornamelijk plaatsgevonden aan de hand van interviews met politiemedewerkers en participerende burgers.

Daarnaast zijn burgers wederzijdse verwachtingen van politie en burgers in het kader van de woninginbrakenaanpak bevraagd evenals succes- en faalfactoren van burgerparticipatie. De bevindingen van Collij (2012) blijken grotendeels van toepassing zijn op burgerparticipatie in het kader van de woninginbrakenaanpak, maar niet volledig. Burgers hebben pluriforme belangen om te willen participeren, maar in dit onderzoek bleken burgers primair een persoonlijk belang te hebben in relatie tot eigen veiligheid en veiligheidsgevoelens. Dit in tegenstelling tot het onderzoek van Collij (2012) waarin burgers zowel een persoonlijk- als publiek belang zeggen te dienen en waarbij veiligheidsgevoelens niet als primair motief naar voren komen. Daarnaast blijken initiërende burgers in dit onderzoek niet per definitie een negatief beeld te hebben van de politie, terwijl Collij (2012) dat wel vond.

Verder blijken burgers graag bereid tot samenwerking, mits hun de noodzaak daartoe duidelijk is. Burgers hechten daarbij zeer aan samenwerking, waardering en ondersteuning vanuit de overheid, maar vinden een bepaalde mate van autonomie tegelijkertijd van belang. Serieus worden genomen, adequate opvolging van meldingen, informatie over wijkveiligheid en infomeren over afhandeling dan wel voortgang van meldingen en aangiften blijken belangrijk. Hierin blijkt verbetering wenselijk. Burgers blijken bereid verantwoordelijkheid te nemen en te willen melden bij verdachte situaties, maar blijken het een lastige afweging te vinden in welke gevallen het alarmnummer van de politie gebeld mag worden, waardoor melding geregeld nagelaten wordt.

Samenwerking met de politie leidt vrijwel overal tot een positiever beeld over de politie. Mensen stellen meer vertrouwen in de politie te hebben, sneller informatie te willen delen en de
meldingsbereidheid zou erdoor toenemen.

Op basis van het onderzoek zijn verschillende praktische aanbevelingen gedaan, onder andere gericht op de wijze waarop burgers gemotiveerd worden tot burgerparticipatie, op de burgers die het
beste benaderd kunnen worden en op enkele voorwaardelijke factoren van en voor burgerparticipatie.

Behalve deze praktische aanbevelingen zijn nog drie aanbevelingen geformuleerd met betrekking tot (mogelijk) vervolgonderzoek.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425162&doc=burgerparticipatieindestrijdtegenwoninginbraken-200909070126&type=d]

Bron: Politieacademie

Rechercheur of Prechercheur?

Wouter Taal, student veiligheidskunde aan de hogeschool Utrecht, deed onderzoek naar de voor- en nadelen van het gebruik van Big Data bij het voorspellen van (potenti?le verdachten van) misdaden. Hieronder de samenvatting van zijn zojuist afgeronde onderzoek en aan het einde de volledige scriptie.?

prechercheur

Het voorspellen van (potenti?le daders van) misdaden is niet meer louter toekomst muziek. Voorspellingen doen op basis van Big Data wordt al op verschillende manieren toegepast door de overheid, maar beslissingen nemen op basis van computer berekeningen (datamining) roept nog vele vragen op. De aanleiding voor dit onderzoek is dat er een gebrek aan inzicht is wat de voor- en nadelen zijn voor het voorspellen van (potenti?le verdachten van) misdaden doormiddel van Big Data.

De volgende hoofd- en deelvragen zijn geformuleerd voor het onderzoek:

Wat zijn de voor- en nadelen van Big Data gebruik bij het voorspellen van (potenti?le verdachten van) misdaden?

  1. Op welke manier kan Big Data gebruikt worden om aan de hand van datamining voorspellingen te doen over (potenti?le verdachten van) misdaden?
  2. In hoeverre bestaan er ethische en juridische bezwaren tegen het gebruik van Big Data bij het voorspellen van (potenti?le verdachten van) misdaden?
  3. Op welke wijze wordt er rekening gehouden met mogelijke valkuilen in relatie tot het gebruik van Big Data bij het voorspellen van (potenti?le verdachten van) misdaden?

Het benutten van Big Data voor voorspellingen is een nieuwe stap binnen het intelligencegestuurd politiewerk. Als het lukt om tot goede voorspellingen te komen, kan niet alleen de politie effici?nter en effectiever ingezet worden, maar kunnen ook acties ingezet worden die leiden tot het voorkomen van misdrijven. Dit kan veel persoonlijk leed en maatschappelijke schade voorkomen. Het is uiteraard wel de kunst om te komen tot juiste voorspellingen. Dat is nog geen eenvoudige opgave.

prechercheur2

Onderzoeksmodel (Cb = confirmation bias, Spur. Corr = Spurious correlation, Funct. creep = function creep, Corr.?? caus. =?Correlatie ? causaliteit).

Uit het onderzoek is gebleken dat het grootste voordeel van Big Data gebruik is, dat er aan de hand van die data verschillende voorspelmodellen zijn ontwikkeld, of nog in ontwikkeling zijn. De ge?nterviewde noemen Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) als voorbeeld waarbij Big Data wordt gebruikt bij het voorspellen van misdaden. Daarnaast is er nog een verzekeringsmaatschappij bezig met het ontwikkelen van een geografisch voorspelmodel van woninginbraken. Waar het gaat over het voorspellen van potenti?le verdachten van misdaden worden Top600 en Prokid-plus genoemd.

Technisch gezien is er met Big Data dus al veel mogelijk, maar de vraag is moeten we dat ook willen? Hierbij gaat het over de balans vrijwillig/verplicht en de rol van de staat in de bescherming van de maatschappij ten opzichte van de vrijheid van het individu. De bezwaren spelen overigens meer waar het gaat over het voorspellen van potenti?le verdachten, dan waar het gaat om het voorspellen van mogelijke misdaden als woninginbraak.

Ook ziet men het bezwaar van een overheid die allerlei priv?gegevens van mensen gebruikt waarmee een beeld ontstaat van een Orwelliaanse samenleving. Dit kan leiden tot een vertrouwensbreuk tussen de overheid en haar burgers (sociaal contract). De burger laat zogenaamd vrijwillig overal sporen achter, maar hoe vrijwillig is dat? De burger is onwetend over wat er met die gegevens mogelijk is en wordt gedaan.

Daarnaast wordt de complexiteit van de materie in relatie tot onvoldoende kennis in de organisatie als risicofactor beschouwd. Mensen met kennis van Big Data zijn schaars en de private sector is bereid om veel te betalen voor deze kennis. Dit zou de overheid op achterstand kunnen plaatsen.

Wettelijke kaders voorkomen dat men doorslaat in het verzamelen van gegevens en het respecteert op deze manier de privacy van betrokkenen. Er worden echter ook belemmeringen ondervonden. Er wordt zoveel gewicht aan de kant van de privacybescherming gelegd (bewaartermijn/bewaarplicht), dat dit ten koste gaat van een effici?nte en effectieve uitvoer van de politietaken. De wetgeving loopt doorgaans achter de maatschappelijke ontwikkelingen aan, dit geldt in het bijzonder bij een terrein als Big Data waar de ontwikkelingen zo snel gaan. Ook noemt men het risico van ‘de glijdende schaal’: een eerste stap kan leiden tot vervolgstappen waarbij grenzen vervagen (proportionaliteit).

Naast de voor- en nadelen zijn er ook mogelijke valkuilen naar voren gekomen die, wanneer er onvoldoende bij stilgestaan wordt, om kunnen slaan in nadelen. Bij confirmation bias en interpretatiefouten lijk de menselijke factor het ?keyword? te zijn. Een voorspelmodel moet louter als hulpmiddel dienen voor de mens en niet andersom. Zo kan bijvoorbeeld het onderbuikgevoel van een wijkagent niet vervangen worden door een voorspelsysteem.

Function creep wordt niet als iets negatief beschouwd; het is inherent aan het gebruik van Big Data. Waar nodig wordt toestemming gevraagd om de desbetreffende gegevens te mogen gebruiken. Als toestemming wordt gegeven is er in feite geen sprake meer van function creep.

Op basis van de resultaten zijn volgende aanbevelingen geformuleerd:

  • Kennis over het gebruiken van Big Data is schaars. Er zijn nu twee soorten kennisniveaus. Het kennisniveau van het puur bij elkaar zoeken van data en het bij elkaar voegen, en het kennisniveau om er echt informatie uit te halen. En de laatste soort is vele malen schaarser. De schaarse hoeveelheid kennis die er nu is, lekt snel weg naar de private sector, vooral omdat daar beter wordt betaald. Vooral bij de publieke sector moet hoger worden ingezet op het vergaren en verbeteren van kennis omtrent (het gebruik van) Big Data.
  • Onderzoeken of voorspellingen op basis van een voorspelmodel effectiever zijn dan voorspellingen op basis van expertise en ervaring, de menselijke interpretatie van gegevens.
  • Het geven van voorlichting en het voeren van een maatschappelijke discussie over de voor- en nadelen van Big Data gebruik door de politie om de burgers bewust te maken en draagvlak te cre?ren en te blijven houden.
  • Onderzoek naar de mogelijkheid van een nationale databank, waarbij de burger zelf aangeeft wat er met hun persoonlijke data wel of niet mag gebeuren. Laten we nou eens aan Nederland vragen wij zij vinden wat er met hun data mag gebeuren.

ITOM: Illegal Trade on Online Marketplaces

silk-road-seized-3-png

Harddrugs, gereedschap om computers te hacken, valse identiteitsbewijzen, vuurwapens en?liquidaties op bestelling. Het is allemaal in een handomdraai te verkrijgen via illegale online?marktplaatsen op het verborgen darknet. Strafrechtelijke onderzoeken lieten al zien hoe?problematisch de online handel, waar miljoenen in omgaan, is. Om dit een halt toe te roepen is?het project ITOM gestart, waarin internationale samenwerking de sleutel tot succes is.

Jan Dobbelaar en Bas Doorn, beiden criminoloog en werkzaam bij het?Landelijk Parket, zijn de?projectleiders van ITOM (Illegal Trade on Online Marketplaces). De aanleiding om het project te?starten waren de strafrechtelijke onderzoeken Commodore en Vantage die al bij het LP liepen.??Die zaken gaven ons voor het eerst een helder beeld over hoe groot het probleem van de handel?op online marktplaatsen is. Daar moesten we wat mee. Met alleen strafrechtelijke onderzoeken?doen, haal je misschien ??n, twee of drie verkopers onderuit, maar dat doet niet veel met de?markt?, vertelt Dobbelaar. Vanuit het LP werd daarom gezocht naar het antwoord op de vraag:?hoe pak je dit omvangrijke probleem dan wel aan? ?De moeilijkheid van de online handel is dat?het onbegrensd is. Internet is dat per definitie en daarom besloten we dit probleem niet als land?alleen aan te pakken, maar internationaal de samenwerking te zoeken. Van de Europese Unie?kregen we 4,5 ton om project ITOM te realiseren en de juiste mensen bij elkaar te krijgen.?

Kilo?s drugs

De illegale online marktplaatsen, zoals Silk Road 2.0 en Cannabis Road, zijn alleen te bereiken via?het TOR-netwerk. De TOR-browser is eenvoudig te downloaden en op zich niet illegaal, maar?vanwege de anonimiteit die het netwerk biedt, is de browser erg geliefd bij criminelen. De?misdrijven die ze online plegen zijn verre van onschuldig: denk bijvoorbeeld aan de verspreiding
van kinderporno. Die anonimiteit nodigt criminelen ook uit om verder te gaan dan ze op het?normale web zouden doen. Op het darknet lopen ze immers minder risico om in beeld te komen?bij politie en justitie. Grootschalige drugshandel vormt het leeuwendeel van de handel op de?online marktplaatsen. Vele kilo?s drugs worden dagelijks de hele wereld over gezonden. De?verkopers verdienen soms miljoenen bitcoins met de lucratieve handel. Een combinatie van
technische en klassieke opsporing moet hen uit de anonimiteit halen.

Bondgenoten

Maar project ITOM is breder dan enkel opsporingsonderzoeken doen. Dobbelaar en Doorn?slaagden erin om de FBI en achttien andere Europese landen enthousiast te krijgen om samen?een vuist te maken tegen deze vorm van cybercrime. ?Onze strategie kent drie speerpunten. Ten?eerste focussen we op de gewone strafzaken. Dit om mensen op te sporen, aan de schandpaal te
nagelen en zo het beeld te geven dat we ze weten te vinden en oppakken. Kortom: lawaai maken?in het wereldje. Tweede speerpunt is om ons te concentreren op de logistiek van de handel. Dat?gebeurt via de gewone post. Reden voor ons om bondgenoten te zoeken bij de douane en?postbedrijven. In januari organiseerden we daarom in samenwerking met de Nederlandse?Douane een driedaags congres. Het hoofddoel: awareness vergroten en kijken wat we voor elkaar?kunnen betekenen. Hoe groot het probleem van zendingen per post precies is, weten we nog?niet. Daarom hebben we met elkaar afgesproken dat we een internationale controledag gaan?organiseren. Als we die dag zo veel mogelijk verdachte brieven en pakketten openen, krijgen we?een helderder beeld van de aard en omvang van het probleem. Door postzendingen te?onderscheppen en zowel de kopers als verkopers te benaderen, hopen we het vertrouwen in de
anonimiteit en elkaar te ondermijnen. Want daar draait het systeem op.?

Als laatste richt het project ITOM zich op bitcoins, het anonieme betaalmiddel dat gebruikt wordt?op de marktplaatsen. Ook die laten sporen achter. Bitcoins kunnen namelijk niet overal zomaar?ingewisseld worden voor een grote zak geld. Daar liggen kansen.

Krachtiger signaal

De FBI haalde als eerste markplaats Silk Road 1 uit de lucht, maar binnen no time was er al?sprake van een doorstart: Silk Road 2. Assistent-projectleider Bas Doorn: ?De les die we leerden?was dat een enkele website neerhalen dus totaal geen zin had. Daarom drongen we aan op een?grote internationale actie, waarbij we ons naast het offline halen van de marktplaatsen ook op de?verkopers richten. Dat betekent: hen uit die ?veilige? anonimiteit halen en vervolgens aanhouden.?Bovendien is het een veel krachtiger signaal als we tijdens die actie met achttien landen?tegelijkertijd honderden grote websites neerhalen.? Volgens Dobbelaar is het feit dat al die landen?tegelijkertijd met dezelfde missie aan de slag gaan de grootste uitdaging van ITOM. Verder is het?betrekken van andere organisaties, zoals de douane, vrij nieuw. ?Het is geen?rocket science, maar het gebeurt niet vaak dat het OM dergelijke partijen internationaal betrekt.?Vaak doen we dit soort projecten het liefst landje voor landje, collectief handelen gebeurt weinig.?Alle landen doen naast het gezamenlijke voorbereidend werk zelf strafrechtelijk onderzoek, met?als klapper meerdere actiedagen. Die gezamenlijke uitstraling maakt de acties mooi stevig.?

414 websites

De eerste actie met de codenaam ?Onymous? vond plaats op 6 november 2014. De EU-landen en?de FBI slaagden erin om tegelijkertijd marktplaatsen uit de lucht te halen en verkopers aan te?houden. Zo werd in San Francisco de grote man achter Silk Road 2 opgepakt. Uit onderzoek?bleek bovendien dat de internetserver van Silk Road 2 ook enige tijd in Nederland had gestaan.?Onder leiding van het LP nam ook de politie in Nederland een aantal computerservers in beslag.?Die werden uitgebreid geanalyseerd. Tijdens de actie Onymous haalden de landen in totaal maar?liefst 414 illegale marktplaatsen uit de lucht. Bezoekers van de websites zagen daarna alleen nog?de melding: ?This hidden site has been seized?. Ook werd er beslag gelegd op meer dan een miljoen?dollar aan bitcoins en 180.000 euro cash.

Dobbelaar en Doorn waren zeer tevreden met de resultaten van de eerste actie: ?Er werden?honderden websites neergehaald, veel meer dan gedacht. Op de fora die kopers en verkopers?bezoeken zat de schrik er duidelijk in. Dat zagen we aan de vele reacties. In de toekomst willen?we daarom nog meer grote internationale actiedagen organiseren. Het liefst met veel bombarie?zodat de kopers en verkopers van de websites wegblijven en uit angst ook nooit meer terugkeren.?Als dat ook uit de analyse van TNO blijkt, heeft ITOM zijn kracht bewezen.?

Onlangs zijn in Nederland drie grote verkopers ge?dentificeerd in het kader van Project ITOM. Op?verschillende online marktplaatsen stonden zij bekend onder de pseudoniemen Holland Online,?Amsterdam United en Albert Heijn. De mannen worden verdacht van het handelden in XTC, MDMA,?LSD en andere drugs. In totaal is voor meer dan 1 miljoen euro aan bitcoins, cash en andere valuta?in beslag genomen. De drie verdachten zitten in voorlopige hechtenis.

[slideshare id=65015611&doc=verantwoordingaanpakgeorganiseerdecriminaliteit2014-definitief23-06-2015-160815181548&type=d]

Bronnen: OM

Slimmer omgaan met informatie in de veiligheidsketen

TNO helpt publieke veiligheidsorganisaties ? zoals politie, veiligheidsregio?s, Koninklijke Marechaussee, en de ministeries Veiligheid en Justitie en Infrastructuur en Milieu – op hun taken berekend te blijven.

De veelheid van risico?s in onze maatschappij en de dynamiek hiervan maakt veiligheid tot een complex vraagstuk, en dat vraagt om innovatie en samenspel tussen overheid, bedrijven en burgers. Ook door schaalvergroting van de organisaties en nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen moeten de veiligheidsorganisaties blijven innoveren.

TNO werkt aan de veiligheidssituatie in Nederland binnen het vraaggestuurde programma Veilige Maatschappij. Goede interactie met belanghebbenden vindt plaats onder regie van het ministerie Veiligheid en Justitie.

Binnen het programma ontwikkelt TNO nieuwe technieken en systemen, maar ook nieuwe methoden om menselijke competenties en samenwerkingsprocessen te verbeteren. De daarvoor benodigde wetenschappelijke kennis wordt met financiering van de overheid opgebouwd in zogeheten Vraaggestuurde Programma?s. TNO benut deze kennis voor vele klanten uit alle sectoren van de maatschappij. Zo heeft TNO een tool ontwikkeld waarmee de observaties van meerdere toezichthouders op complexe locaties wordt gecombineerd en waarmee toezichthouders verdachte personen kunnen taggen. Een ander voorbeeld is de Crisis Communicatiegame, waarmee organisaties het multidisciplinair samenwerken in het veiligheidsdomein kunnen oefenen.

Hieronder?infographic van de kennisopbouw over “slimmer omgaan met informatie in de veiligheidsketen“, met een belangrijke sleutelrol voor social media:

Bekijk ook?de infographics van de andere?onderwerpen:

Of lees het verslag met een samenvatting van de resultaten. Wil je meer weten over een van de onderwerpen, neem dan vooral contact op.

Bronnen: TNO

Rapport Project X Haren revisited

Onderstaand artikel van Peter Vasterman en Huub Wijfjes verscheen in Tijdschrift voor Communicatiewetenschap?en is een?kritische beschouwing over het onderzoek naar media in de?Facebook-rellen van september 2012.

Inleiding
Op 8 maart 2013 verscheen het rapport van een commissie onder leiding van?Job Cohen die, in opdracht van de Groningse gemeente Haren, had onderzocht hoe?ogenschijnlijk onschuldige gebeurtenissen in Haren op 21 september 2012 konden?uitmonden in rellen, plunderingen en gewelddadige confrontaties tussen jongeren?en de politie. Na de presentatie van het rapport Twee werelden. You only live once?? voorzien van drie deelrapporten over de rol van de overheden, de media en de?jeugdcultuur ? trokken de politiek-bestuurlijke kanten de meeste aandacht. Ze hadden?ook de grootste consequenties. Burgemeester van Haren Rob Bats trad enkele?dagen na de presentatie af en het regionale politiekorps nam maatregelen ter verbetering
van het handelen bij eventuele toekomstige rellen.

Daarmee leek de kous af. Maar de rapportage inspireerde ook debatten in professionele?en wetenschappelijke kringen over verschillende deelonderwerpen. E?n daarvan?is de rol van media, een onderwerp waarbij in het bijzonder de interactie van de?traditionele en de nieuwe sociale media in de belangstelling staat.1 Bij het hoofdrapport?was een deelrapport, De weg naar Haren, gevoegd dat deze rol van media en?communicatie centraal stelde, terwijl in het deelrapport over jeugdcultuur, Hoe Dionysos?in Haren verscheen, ook een en ander aan de orde kwam over de plaats en functie?van media in deze cultuur.

Het functioneren van media werd al in de directe nasleep van de rellen stevig bediscussieerd,?zoals de rol van media altijd wel op een of andere manier aan de orde?komt na afloop van ernstige ongeregeldheden of grote maatschappelijke onrust. Dat?effect was hier ook te zien, mede omdat de rellen in Haren hun oorsprong en motor?leken te vinden in de omgeving van de zogenoemde ?sociale media?, waarvan het?gebruik en de betekenis bepaald nog niet solide in kaart zijn gebracht. De rellen in?Haren staan dan ook bekend als de ?Facebook-rellen?, een verwijzing naar het openbaar?plaatsen van een oproep op Facebook op 6 september om de verjaardag van het?16-jarige meisje Merthe te gaan vieren in haar woonplaats Haren. Het was een?oproep die in de sociale media al snel werd ge?dentificeerd als een Nederlands Project?X-feest en vervolgens gekaapt door anonieme internetgebruikers. Op deze?gekaapte Project X-Facebookpagina gaven na twee weken meer dan 30.000 bezoekers?aan naar Haren te komen voor het feestje. Dat werden er uiteindelijk zo?n?5.000, met gevolgen die uitvoerig staan beschreven in het hoofdrapport Twee werelden.

Een belangrijke conclusie van het hoofdrapport was dat jongeren zich ?via een breed?palet aan communicatiemiddelen organiseerden, met Facebook als centraal platform,?en dat het feest door massamedia op de agenda werd gezet?. Die agendasetting?leidde tot acties bij de gemeenten en de politie, maar uiteindelijk ook tot verdere?mobilisatie van jongeren die al een bezoek overwogen (Twee werelden, p. 10 en?13). Deze uitspraak lijkt te contrasteren met de conclusies uit het deelrapport over?media dat ?de rol van massamedia niet doorslaggevend was?, maar dat die gevestigde
media zoals krant, radio en televisie ?juist reageerden op een ontwikkeling binnen?de sociale media? (De weg naar Haren, p. 120). Dit wijkt ook af van de conclusie in?het deelrapport over de jeugdcultuur van het onderzoeksteam onder leiding van de?socioloog Gabri?l van den Brink dat ?een minder opgewonden berichtgeving bij traditionele?media? de mobilisatie die via sociale media onder jongeren gaande was had?kunnen verminderen (Hoe Dionysos in Haren verscheen, p. 138).

De ogenschijnlijke verdeeldheid in de commissie bij de interpretatie van verschillende?onderzoekingen, roept de vraag op hoe het onderzoek naar de rol van media?in Project X Haren, met name ook de interactie van traditionele en sociale media,?inhoud en vorm is gegeven.

Onderzoekstraditie mobilisatie en media
Het onderzoek naar Project X Haren past in een lange traditie van onderzoek naar?de rol van de media bij grootschalige ordeverstoringen en de mobilisatieprocessen?die eraan voorafgaan. Vooral in en na de jaren zestig van de vorige eeuw was de?focus gericht op de manier waarop de media de schijnwerpers richtten op en zo?mede vormgevers werden van nieuwe protestbewegingen of subculturen. Dat?leverde verschillende klassiekers op zoals de studies van Halloran, Elliott en Murdock?(1970) en Gitlin (1980). Baanbrekend was ook Folk devils and moral panics:?the creation of the Mods and Rockers uit 1972, het begin van de onderzoekstraditie?rond moral panics, een typering die overigens naadloos valt toe te passen op de maatschappelijke?reactie na afloop van de Haren-rellen (Cohen, 1972).

In deze sociologische en communicatiewetenschappelijke onderzoekingen kregen?de media een centrale rol toebedeeld bij maatschappelijke escalatieprocessen. Door?er op een stereotiepe manier verslag van te doen ? het centrale frame was gericht op?mogelijke ordeverstoringen ?, wakkerden ze niet alleen de verontrusting aan, maar?be?nvloedden ze ook het gedrag van de vermeende folk devils, die zich juist gingen?vastbijten in hun afwijkend gedrag. Dat proces staat in de criminologie al jaren?bekend als ?deviancy amplification spiral?: de maatschappelijke reactie op het afwijkend
gedrag zorgt juist voor polarisatie en escalatie (O?Brien & Yar, 2008).

Een belangrijke, maar helaas wat onderbelicht gebleven studie in Nederland is het?onderzoek dat de Leidse sociologen Van de Beek, Engbersen en Van der Veen?(1983) deden naar de rol van media bij de rellen rond de inhuldiging van koningin?Beatrix in Amsterdam in april 1980. Op basis van inhoudsanalyse van berichtgeving?in verschillende massamedia en interviews met journalisten legden zij het ?journalistieke?regelsysteem? bloot waarin objectiviteit en feitelijkheid bij de meeste media?weliswaar de basisprincipes waren, maar waarin ideologische voorkeuren van sommige?bij de rellen aanwezige verslaggevers de berichtgeving bepaalden (Van de Beek?et al., 1983). Links ge?ngageerde media zoals VARA, Radio Stad en de Volkskrant die?min of meer de kant kozen van de krakers en de relschoppers, werden achteraf door?autoriteiten (en de ?rechtse? media) aangewezen als een voorname oorzaak van de?escalatie van het geweld (Van de Beek et al., 1983; Wijfjes, 2009, p. 418-425).

In al deze studies lag de nadruk op de zichtbare rol van de media en ontbrak onderzoek?naar de sociale component: wat speelde zich allemaal af in die groepen en subculturen?die betrokken waren bij deze mobilisatie en ordeverstoringen? Tegenwoordig?is daar dankzij de sociale media zoals Facebook en Twitter veel meer zicht op.?Wat vroeger binnenskamers of in de wandelgangen speelde, is tegenwoordig op de?voet te volgen in het openbare domein van de sociale media. Sterker nog, de sociale?media lijken een belangrijk instrument voor sociale mobilisatie geworden. De niethi?rarchische?structuur, het open en internationale karakter en de snelle verbindingen?tussen verschillende netwerken maken die processen makkelijker en groter.?Dat bleek bijvoorbeeld uit het onderzoek naar de onverwachte rellen in een groot?aantal Engelse steden in de zomer van 2011 (House of Commons Home Affairs?Committee, 2011; Baker, 2011). De vroegere studies over demonstraties waren volgens?Cottle (2008) opvallend zwijgzaam over de dynamiek achter de schermen en?concentreerden zich (net zoals de media in hun berichtgeving) vooral op het zichtbare
visuele spektakel van rellen en demonstraties.

Inmiddels is het bestuderen van de mobiliserende werking van de online sociale?netwerken een aparte onderzoekstak geworden rond begrippen als ?information cascades??(Lemieux, 2004), ?availability cascades? (Kuran & Sunstein, 1999), ?tipping?points? (Gladwell, 2001) en ?critical mass? (Marwell & Oliver, 1993). Dat onderzoek?belicht de rol van media bij omslagmomenten in een sociaal systeem waarbij een?zelfversterkend proces ontstaat, zoals bij een echte epidemie (Gonz?lez-Baillon e.a.,?2011). De analogie met epidemische verspreiding van ziektes is geen toeval, want
veel van deze begrippen zijn ontleend aan onderzoek naar bijvoorbeeld complexe?ecosystemen waarin kleine verstoringen grote gevolgen kunnen hebben voor ?critical?transitions? (Scheffer, 2009).

Ook in de sociale wetenschappen hebben deze complexiteitstheorie?n opgang?gedaan, al zijn sociale systemen nog veel onvoorspelbaarder dan ecosystemen. Een?belangrijk uitgangspunt is dat er geen lineaire oorzaak- en gevolgketen is, maar dat?de verschillende zelfsturende componenten of (reflecterende) actoren in het?systeem voortdurend op elkaar reageren. Daarbij kunnen nieuwe macropatronen?ontstaan die weer als feedback het systeem ingaan en zelfversterkende processen?veroorzaken tot er een nieuw (tijdelijk) evenwicht ontstaat (Waldherr, 2012, 2014).?Binnen lineaire systemen zijn oorzaak en gevolg proportioneel, maar in complexe?systemen kunnen kleine gebeurtenissen disproportionele gevolgen opleveren. Dit?zijn onvoorspelbare processen, maar onderzoekers kunnen wel de patronen?beschrijven die leiden tot omslagpunten en zelfversterkende processen, bijvoorbeeld?door mediagebruik in communicatienetwerken (Aarts, Steuten & Van Woerkum,?2014).

In het licht van deze theorievorming is de rapportage van de commissie-Cohen?belangwekkend, want de aanloop naar Haren valt te bezien als een complex systeem?met interacties tussen zowel de verschillende actoren als tussen de online en offline?wereld.

Met inachtneming van het feit dat het rapport onderdeel uitmaakte van een primair?bestuurskundige evaluatie, kunnen we ons afvragen of de onderzoeken nieuwe?inzichten bieden in dit soort processen die onder bepaalde omstandigheden kunnen?leiden tot grootschalige ordeverstoringen. Leveren de studies nieuwe theorie?n op,?of nieuwe definities van bestaande concepten, zoals het veelvuldig gebruikte begrip??mediahype?? En vooral: wat is de wetenschappelijke kwaliteit van dit onderzoek dat?in dienst stond van de vooral bestuurlijke evaluatieopdracht die de commissie meekreeg?

Het Haren-onderzoek op de snijtafel

Het onderzoek naar de sociale media
Het onderzoek in het deelrapport De weg naar Haren is uitgevoerd door een team?onder leiding van de communicatiewetenschapper professor Jan van Dijk van de?Universiteit Twente. Het bestaat uit deelstudies naar de speelfilm Project X als inspiratiebron?en naar de rol van Facebook, Twitter, YouTube en de massamedia als?informatie- en mobilisatiefactor. Daarnaast zijn jongeren ondervraagd over hun?mediagebruik en hun overwegingen om al dan niet naar Haren te gaan. De vragen?die de commissie-Cohen aan het team van Van Dijk gaf waren ook vrij algemeen
geformuleerd: ?Wat kan gezegd worden over de rol van de sociale media bij de?mobilisatie en actieco?rdinatie?? en ?Op welke wijze interacteren nieuwe en traditionele?media met elkaar??. Het is merkwaardig dat de onderzoekers deze algemene?vragen niet hebben vertaald in concrete, onderzoekbare deelvragen. Ze melden?alleen dat de interactie tussen de verschillende media en hoofdrolspelers (bezoekers,?autoriteiten en ouders) centraal staat. Iedere deelanalyse is voornamelijk beschrijvend?van aard, zoals het hoofdstuk over de speelfilm Project X waarin de vraag wordt
opgeworpen (maar niet beantwoord) of er sprake is van een soort virale besmetting?of van imitatiegedrag onder jongeren.

Ook het hoofdstuk over de online mobilisatie op Facebook begint beschrijvend met?Merthe die op 6 september haar vrienden uitnodigt voor een sweet sixteen party en?de optie ?openbaar? aanklikt. Voor de analyse van wat er vervolgens op Facebook en?Twitter gebeurde, maakten de onderzoekers gebruik van twee databases met?52.227 Facebookberichten en ruim 500.000 Twitterberichten.

De vraagstellingen die bij de analyse zijn gehanteerd zijn wederom beschrijvend van?aard: ?Hoe verloopt het berichtenverkeer en het aantal aanmeldingen in de loop van?de tijd? Kunnen bepaalde groepen worden onderscheiden? Hoe ontwikkelt zich het?netwerk in de loop van de tijd? (?) Wat is bijvoorbeeld de rol van de massamedia en?de sociale media zelf geweest??

Een theoretische inbedding ontbreekt, waardoor niet duidelijk is wat de antwoorden?op deze vragen zouden kunnen betekenen. Als er bepaalde groepen zijn te onderscheiden,?wat zegt dat dan? En bij de vraag ?hoe het netwerk zich ontwikkelt?: welke?kanten zou dat dan op kunnen gaan? Gaat het om een ontwikkeling vanuit een centrummodel?of een model met veel zelfstandige nieuwe kernen? Door het ontbreken?van waarom-vragen blijft het onderzoek beschrijvend.

Het eerste deel van het onderzoek is gebaseerd op het tellen van het aantal Facebookberichten?per dag, per bezoeker en per groep. Dat levert een aantal grafieken op?(zoals Figuur 3.2 die hier als Figuur 1 is weergegeven) waaruit volgens de onderzoekers?zou moeten blijken dat het aantal Facebookberichten al op maandag 17 september, de dag v??r de massamedia aandacht gingen besteden aan Haren, sterk?toenam.

Px01

Figuur 1. Figuur 3.2 uit De weg naar Haren, p. 22

Deze lijngrafiek wekt de indruk dat er een stijging plaats vindt van maandag op?dinsdag, maar als de gegevens uit de door de onderzoekers gebruikte database in?een staafdiagram worden weergegeven, wordt duidelijk dat de explosie pas komt op?dinsdagmiddag, direct na de start van de media-aandacht, waar overigens veel?bezoekers in tal van berichten op sociale media melding van maken.

px02
Figuur 2. Aantal Facebookberichten per dag, 9 tot en met 21 september

Dat komt nog duidelijker naar voren als de berichten op dinsdag per uur in beeld?worden gebracht, zoals in figuur 3.

px03
Figuur 3. Aantal Facebookberichten per uur op dinsdag 18 september 2012

Op maandag 17 september waren er inderdaad meer berichten dan op de dagen?daarvoor, namelijk 615 berichten, tegen daarvoor tussen de 100 en de 200. Maar de?grote toename komt pas op dinsdagmiddag nadat de massamedia er aandacht aan?hebben besteed. Binnen enkele uren verschijnen maar liefst 5949 berichten;?tien keer zoveel. Die stroom komt pas eind van de middag op gang wanneer er soms?in een uur tijd meer dan 800 berichten worden gepost. Het is onduidelijk waarom?de onderzoekers deze explosie van berichten niet als het grote omslagpunt beschouwen.
Tot ?s middags 18 september heeft de Project X-pagina nog maar 720 bezoekers?gehad die een bericht hebben achtergelaten, maar die middag en avond komen?er 1696 nieuwe bezoekers bij tegen 201 op maandag 17 september.

Volgens het rapport is echter op maandag 17 september al de zogenoemde ?kritieke?massa? bereikt op Facebook, een omslagmoment waarop het proces ?als het ware
vanzelf gaat lopen?. Helaas geven de onderzoekers geen definitie van dat omslagpunt?en geen criteria voor het vaststellen ervan. In een voetnoot melden ze: ?Een kritieke?massa wordt gevormd bij een niet exact aan te duiden omslagpunt in het aantal?aanmeldingen, verbindingen of andere deelnemingen. Op dit punt vindt in elk?geval een duidelijke versnelling plaats? (De weg naar Haren, p. 27, noot 15). Het gaat?dus blijkbaar niet om het aantal aanmeldingen maar om een ?versnelling?. Maar niet?duidelijk is hoe ?snel? die ?versnelling? dan moet zijn en wanneer het dan ?vanzelf?gaat lopen?. Gezien het verloop van het aantal berichten ligt eerder de conclusie voor?de hand dat het grote omslagpunt plaatsvindt op het moment waarop de massamedia?aandacht gaan besteden aan het Project X-feestje. Daarmee is niet gezegd dat?de massamedia doorslaggevend waren ? er was immers al een zelfversterkend proces?gaande online ? maar wel dat hier een belangrijk tipping point was bereikt.

Naast het kwantificeren en classificeren van de berichten en de bezoekers op de?Facebookpagina is ook een ?netwerkanalyse? uitgevoerd om na te gaan ?of bepaalde
groepen (of zelfs individuen) een cruciale rol hebben gespeeld in het proces?. Dit?levert een kleurrijke figuur op van de ontwikkeling van het netwerk, die in videoanimatievorm?tijdens de persconferentie van de commissie-Cohen op 8 maart 2013?werd vertoond (Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013). Maar?deze figuur biedt feitelijk geen antwoord op de onderzoeksvraag (De weg naar?Haren, p. 26, figuur 3.7). De onderzoekers zeggen geen onderscheid te kunnen?maken tussen ?verschillende clusters van mensen doordat de verbondenheid binnen
het netwerk zeer groot is.? Volgens de Tilburgse socioloog Rense Corten, specialist?in netwerkanalyse, zijn wel degelijk kwantitatieve methoden beschikbaar om dergelijke?clusters op te sporen. Dan zou misschien ook de structuur van het netwerk?beter in beeld komen, want het is van belang om te weten of zich nieuwe knooppunten?ontwikkelen los van het centrum, bijvoorbeeld onder invloed van mediaberichtgeving.?Volgens Corten blijkt uit de netwerkanalyse niet dat er sprake is van?een kritieke massa: ?het enige dat we zien is dat op een bepaald moment het aantal
berichten sterk toeneemt. Of dit komt door de interne dynamiek van het proces of?door externe factoren kunnen we in de plaatjes helemaal niet zien? (Corten, 2013).

De algemene conclusie van het rapport dat er al een kritieke massa op Facebook?bestond voordat de massamedia aandacht gaven, wordt dus niet overtuigend door de?onderzoeksresultaten ondersteund.

Het onderzoeksdeel over het Twitterverkeer is nog beschrijvender van aard, hetgeen?vooral blijkt uit het feit dat conclusies aan het eind ontbreken. De beschrijving laat?zien dat het Twitterverkeer pas goed op gang kwam nadat in Haren de rellen waren?uitgebroken.?Het hoofdstuk over YouTube is zeer beperkt en omvat maar ??n pagina in het rapport,?terwijl sommige ?teasers? in de aanloop (er werden maar liefst 564 unieke?video?s over Project X op YouTube geplaatst) meer dan honderdvijftigduizend hits?kregen. Dat deze video?s vooral populair werden nadat de massamedia ernaar hadden?gelinkt, blijft onbesproken. De ?kijkcijfers? van deze video?s waren makkelijk?achteraf op datum te reconstrueren, maar dat is niet gebeurd. De teasers werden?bovendien vele malen op televisie vertoond bij items over Haren voorafgaand aan?21 september. Vooral bij dit onderdeel over YouTube wreekt zich het gebrek aan een?duidelijke vraagstelling en conclusies.

Het onderzoek naar de massamedia
Het onderzoek naar de rol van de massamedia (kranten, radio, televisie) bestaat uit?een inhoudsanalyse van de berichtgeving over Haren in 34 verschillende media en?een serie interviews met ?redactioneel verantwoordelijken? van deze media. In totaal?zijn 1833 uitspraken onderzocht op de teneur (positief of negatief), de inhoud?(?gezellig? versus ?gevaarlijk?) en de aanwezigheid van (de)mobiliserende uitspraken.?Daartoe is gebruik gemaakt van de methoden die zijn ontwikkeld door de Nederlandse?Nieuwsmonitor, die het onderzoek ook uitvoerde. Methodologisch gezien
valt de vraag naar de effecten van de media bij het publiek niet te beantwoorden met?alleen een inhoudsanalyse, daar zou publieksonderzoek voor nodig zijn. De onderzoekers?zijn zich van die beperking bewust en wijzen erop dat ?mobiliserend? of??demobiliserend? geen betrekking heeft op de wijze waarop deze boodschappen worden?ervaren door de ontvangers.

Volgens deze inhoudsanalyse waren de meeste uitspraken (65%) in de massamedia??neutraal?, 21,2% was ?demobiliserend? en 13,6% ?mobiliserend?. Daarnaast bleek dat?de teneur van de berichtgeving ?overwegend positief? was, met uitschieters als de?landelijke popradiostations en het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

Helaas blijft onduidelijk hoe de categorie?n precies zijn geoperationaliseerd en?vooral in welke mate de context van een uitspraak bepalend was voor de classificatie.?De percentages met cijfers achter de komma kunnen echter niet verhullen dat het?hanteren van een zeer beperkt aantal brede inhoudscategorie?n een enorme versimpeling?oplevert van de complexe werkelijkheid achter het nieuws.

Beide conclusies zijn tijdens en na de persconferentie over het rapport sterk generaliserend?vertaald in de conclusie dat de massamedia voornamelijk ?neutraal? hebben?bericht over Haren. Voor veel journalisten was dat natuurlijk een hele opluchting,?want het leek hen vrij te pleiten van mogelijk sturende berichtgeving of stemmingmakerij.?Die medeverantwoordelijkheid van de media was ? zoals gebruikelijk bij?excessieve gebeurtenissen ? meteen na de rellen in allerlei discussies aan de orde?gesteld. Over Project X Haren en de media zijn dan ook voor en na maart 2013 verschillende?debatten georganiseerd, een teken dat de journalistiek wil voldoen aan de?hogere eisen die het publiek tegenwoordig aan dergelijke vormen van accountability?hecht (Groenhart, 2013).

Maar al die debatten stonden alle tamelijk los van de inhoudsanalyses die bij het?rapport van de commissie-Cohen zijn gevoegd. Dat geldt ook de televisiedocumentaire?Project X, de media hebben het gedaan (24 juni 2013) van het Human/VPROprogramma?Argos-TV, waarin verscheidene journalisten ? onder andere Jeroen?Wollaars van de NOS ? de hand dieper in eigen boezem staken dan ze deden direct?na de presentatie van het rapport. Wollaars heeft immers vrijwel onmiddellijk na de?rellen de eventuele medeverantwoordelijkheid van de NOS-berichtgeving bij het verloop van gebeurtenissen van de hand gewezen, veronderstellende dat de rellende?jongeren vast geen mensen waren die met hun ouders op de bank naar het Achtuurjournaal?keken (Wollaars, 2012).

Het is jammer, maar wel verklaarbaar dat de inhoudsanalyses uit De weg naar Haren?nauwelijks een rol hebben gespeeld in de journalistieke reflectie na afloop. Deze analyses zijn namelijk zeer beperkt opgezet en werpen weinig gedetailleerd licht op?specifieke journalistieke gedragingen of op de dynamiek die vanaf dinsdag 18 september?is ontstaan in het journalistieke veld.?Zo komt bijvoorbeeld niet aan bod de kwestie van de niet-bestaande noodverordening?die als ?feit? werd gemeld en die het startschot vormde voor alle mediaaandacht.?Een woordvoerder van de burgemeester van Haren zei namelijk in antwoord?op de vraag van de verslaggever van Trouw welke maatregelen de gemeente?dacht te nemen: ?Het is lastig om in te schatten hoeveel mensen er komen. We hebben?nooit eerder zoiets meegemaakt. De kans dat we de ME gaan inzetten is klein,?maar een noodverordening of samenscholingsverbod behoort tot de mogelijkheden.??Het stuk van Trouw op dinsdagochtend 18 september verscheen onmiddellijk?op allerlei nieuwswebsites onder de stellige kop: ?Noodverordening in Haren om?Facebookfeestje?. Door de noodverordening als voldongen feit te presenteren steeg?de nieuwswaarde van het onderwerp en namen alle media het nieuws over. Meteen?diezelfde dinsdagmiddag volgde de eerdergenoemde explosie van berichten op Facebook.

Het tweede onderdeel van het massamediaonderzoek is gebaseerd op interviews die?volgens de onderzoekers vooral bedoeld zijn om de resultaten van de inhoudsanalyse
te ?duiden?. Ze hebben dus alleen een aanvullende functie gehad. De commissie?maakte interviews met vijftien journalisten, waarbij de non-response bijna?twee derde was. Dat betekent dat de onderzoekers ongeveer 23 journalisten hebben?uitgenodigd. Niet duidelijk is hoe deze selectie tot stand is gekomen, behalve dat het?gaat om de ?verantwoordelijke redacteuren? van 34 media (inclusief hoofd- en eindredacteuren).?Evenmin is duidelijk welke media ontbreken in het onderzoek met 13?van de 34 media (zowel NOS als RTL tellen overigens twee respondenten; waarom
is onduidelijk). Ook hier ontbreekt weer een duidelijke vraagstelling, de twaalf vragen?zijn deels feitelijk en hebben deels betrekking op interpretaties en overwegingen?bij het verslaan van Project X Haren. De weergave van de resultaten is beschrijvend,?met af en toe een citaat ter illustratie. De interviews zijn kennelijk niet op een?systematische manier geanalyseerd.

De slotconclusie van dit onderzoeksdeel is dat de massamedia het aankomende Project?X-feestje pas drie dagen tevoren hebben geagendeerd, en dat de enorme groei in?de hoeveelheid berichtgeving beperkt bleef tot de dag van de rellen. Aangezien de?berichtgeving volgens de inhoudsanalyse overwegend ?neutraal? was, concluderen?de onderzoekers dat de massamedia een beperkte rol hebben gespeeld in de mobilisatie?van de jongeren; een paar uitzonderingen zoals de popmuziekzenders daargelaten.

Het optreden van de verslaggevers ter plekke is wel voor discussie vatbaar, omdat?hun aanwezigheid mogelijk invloed kan hebben gehad op de aanwezige jongeren.?Dit onderwerp is wel aan bod gekomen bij de interviews met journalisten en in het?onderzoeksdeel met reacties van bewoners, maar een systematisch onderzoek ontbreekt.

Het mediagebruik van jongeren en de vraag door wie zij zich hebben laten be?nvloeden?

De onderzoekers van De weg naar Haren concluderen dus dat de massamedia in?tegenstelling tot de sociale media geen doorslaggevende rol hebben gespeeld in de?aanloop naar de rellen. Kijken we wat gerichter naar een empirische ondersteuning?van de bewering dat traditionele media letterlijk achter de feiten in de nieuwe?mediawereld aanlopen, dan zou men ook een andere interpretatie kunnen geven.?Namelijk dat juist de interactie tussen sociale media en massamedia op dinsdag?18 september de motor was achter de mobilisatie van jongeren om zich aan te melden?en naar Haren te komen.

De weg naar Haren bevat uitgebreide paragrafen over de plaats en betekenis van?massamedia in het leven van jongeren. Voor een deel zijn die gebaseerd op een?enqu?te onder 3115 Noord-Nederlandse jongeren tussen 15 en 25 jaar. De enqu?te?kende een respons van 31%. Het blijkt dat de voornaamste bronnen voor het besluit?van deze jongeren om al of niet naar Haren te gaan, de radio en de eigen vriendenkring?waren. Pas daarna noemen ze sociale media als een factor; maar ook televisie?en zelfs kranten noemen de jongeren nog vaak als een informatiebron, waarbij de
goedkope en populaire kranten Metro, Spits en Telegraaf hun voorkeur hebben?(De weg naar Haren, p. 41 en 43).

Deze onderzoeksresultaten bevestigen dat de consumptie door jongeren van een traditioneel?medium zoals televisie nog steeds erg hoog is, ook al blijkt uit tijdbestedingonderzoek?van SPOT dat de leeftijdscategorie van 13 tot 19 jaar de meeste van?haar mediaconsumptietijd besteedt aan internet (als enige categorie; bij alle andere?leeftijden is televisie het belangrijkste medium) (SPOT, 2012). Hetzelfde onderzoek?toont overigens ook aan dat jongeren (die in de daar gebezigde marketingtermen??jonge connectors? worden genoemd) beschikken over de meeste vrije tijd, omdat ze?van alle groepen het minste tijd investeren in media (SPOT, 2012, p. 19, 22 en 48).

Een opvallende uitkomst van de enqu?te is dat jongeren relatief veel naar de radio?luisteren. Het is niet verbazingwekkend dat de door hen meest beluisterde radiostations?programma?s maken die aansluiten bij de jongerencultuur: Radio 538, 3FM?en Slam!FM. Dat is bij een vraag naar hun belangrijke televisieprogramma?s veel?minder evident, wellicht omdat er weinig specifieke televisiezenders en?-programma?s voor jongeren in deze leeftijdsgroep zijn. Gevraagd naar de populairste?informatiebronnen op televisie noemen jongeren dan ook klassieke programma?s
zoals NOS-Journaal, RTL-Nieuws, De Wereld Draait Door, Hart van Nederland?en NoordNieuws (van RTV-Noord). Pas daarna komt een ?nieuw? programma?zoals PowNews, dat om andere kwaliteiten dan een betrouwbare nieuwsbron wordt?gewaardeerd.

Want betrouwbaarheid speelt een belangrijke rol in het nieuwsproces. In dit verband?is het goed om nog eens te herinneren aan de overname van het Trouw-bericht?van 18 september door vrijwel alle massamedia, ANP en NOS voorop. Deze overname,?in het bijzonder de opening van de uitzending van NOS op 3, had tot gevolg?dat de sociale media het massaal als nieuws brachten. Daaruit zou men kunnen?concluderen dat de kracht van massamedia om nieuws ?officieel? en ?belangrijk? te?maken onverminderd aanwezig is, mede dankzij de presentie van die massamedia?in de online omgeving.

Het idee dat er echt iets aan de hand was en er mogelijk sensationele dingen stonden?te gebeuren werd krachtig versterkt toen massamediaorganisaties met een sterk?profiel rond betrouwbare nieuwsvoorziening, zoals NOS, RTL en RTV-Noord,?besloten eigen verslaggevers en cameraploegen naar Haren te zenden. Dat in hun?programma?s vooral demobiliserende uitspraken waren te vinden (van politie,?burgemeester, ouders en andere autoriteiten), betekende vooral extra mobilisering?bij jongeren die, zoals uit het sociologische onderzoek blijkt, een krachtige antiautoriteitenhouding?bezaten. In dat verband was de feestvreugde die De Wereld?Draait Door op vrijdagavond vertolkte met de uitspraak ?Als je dit zo ziet, is het jammer?dat we hier zitten, toch??, een juiste taxatie van de stemming onder jongeren.

De aandacht van dit programma (en andere massamedia die voor jongeren aantrekkelijke?infotainment brengen, zoals popradiostations) bevestigden dat het mogelijke?feestje vooral als een fungebeurtenis zonder weerga moest worden gezien. Daarmee?werd de suggestie gewekt dat hier inderdaad een ideale sensatiegebeurtenis kon ontstaan.?Het is in dit verband opvallend dat de redactie van De Wereld Draait Door zich?heeft onthouden van commentaar bij de commissie-Cohen. Het programma dat?doorgaans zegt het journalistieke gesprek van de dag te willen zijn, vond zichzelf in?dit geval ?amusement?, waaraan verder niet zoveel waarde moet worden gehecht en?waarover het gesprek van de dag in ieder geval niet mag gaan.

Dat zegt overigens veel over de maatschappelijke ontwikkeling naar verminderd?politiek engagement in dertig jaar. Werden in 1980 de journalisten van de VARA en?Radio Stad na afloop bekritiseerd over hun te links betrokken benadering van de?terecht tegen falende autoriteiten vechtende actievoerders, in de nasleep van Haren?kreeg het VARA-programma De Wereld Draait Door ook kritiek over eenzijdigheid te?verwerken. Dit keer ging dat niet over een teveel aan politiek engagement, maar?over een te sterk engagement met de feestende jongeren op zoek naar dynamische?en media-actieve spanning. Dat jonge levensgevoel was misschien wel de meest verklarende?factor bij de rellen in Haren. De commissie-Cohen geeft in ieder geval het?hoofdrapport de ondertitel You only live once mee, een in het socialemediaverkeer?populaire metafoor die verwijst naar een hedonistisch verlangen naar onmiddellijke?en persoonlijke behoeftebevrediging.

Grenzen opzoeken en iets bijzonders meemaken, dat zou de drijfveer van de?moderne jeugd zijn (Twee werelden, p. 24). Maar was zoiets niet al eerder te zien in?een andere constellatie of tijdsperiode? Uit de historische beschouwing is bekend?dat in de jaren zestig van de vorige eeuw een jongerencultuur opkwam waar een?losse organisatie van thrill seeking jongeren onder leiding van zich ?provo? noemden?figuren dagelijks het gezag tartte met ludieke acties. Alternatieve en opzienbarende?figuren zoals Robert Jasper Grootveld lieten manifestaties plaatsvinden rond het
Lieverdje aan het Spui in Amsterdam. Ook dat waren acties waar de toenmalige?massamedia een rol in speelden, hetzij door ze uitbundig te laten zien, hetzij door?ze ostentatief te veroordelen of te verzwijgen (Pas, 2003).

Uit de in dit artikel uitvoerig besproken rapportages rond Haren blijkt dat het?gedrag van jongeren momenteel op dezelfde grondslag is gebaseerd: een levensgevoel?om het leven te genieten en met sensatie te vullen. Daarin schuilt, hoezeer?dat ook verborgen is achter een dikke laag feestelijke activiteiten, een behoefte om?zich als aparte groep te manifesteren ten opzichte van een establishment. Dat establishment?wordt vooral belichaamd door het openbaar gezag, maar ook door massamedia?die met oudere generaties worden geassocieerd. Deze drijfveren in groepen?jongeren kunnen door de communicatiekracht van Facebook in interactie met?massamedia een tot nu toe ongekende schaalgrootte en intensiteit krijgen.

Al met al kan men dus spreken van een behoorlijk prominente rol voor massamedia?in de jongerencultuur, maar men kan deze rol niet isoleren van communicatiepatronen?in sociale media. Uit de enqu?te onder noordelijke jongeren blijkt dat de beslissing?om al of niet naar Haren te gaan, sterk heeft afgehangen van de mening van?vrienden, soms virtueel, soms via sociale media. En natuurlijk was het al langer?bestaande verlangen van jongeren naar spanning en vermaak een factor. De wil om?de dagelijkse verveling te doorbreken en situaties op te zoeken waar men bijzondere,?sleurdoorbrekende gebeurtenissen verwacht vol met spanning, fun en aandacht?is veruit de belangrijkste drijfveer van jongeren.

Dat blijkt ook uit het deelrapport dat de maatschappelijke facetten van Haren onderzocht?en dat de fascinatie van jongeren voor sensatie als een trend uitlichtte (Hoe?Dionysos in Haren verscheen, p. 15-35). De onderzoekers van dat rapport signaleren bij?jongeren zowel een drang om tegen de autoriteit in te gaan van ouders, politie en?andere gezagsdragers als een ontvankelijkheid voor hun argumenten bij de beslissing?om al of niet naar Haren af te reizen (Hoe Dionysos in Haren verscheen,?p. 67-74). In de perceptie van jongeren is er blijkbaar een hi?rarchie in de waardering?van het belang van verscheidene media. Sociale media cre?ren een openbare?virtuele ruimte die gedragingen en opvattingen in selecte groepen gebruikers be?nvloeden.?Massamedia worden vooral gezien als betrouwbare media voor het bevorderen?van gebeurtenissen tot echt belangrijk nieuws met een impact voor de maatschappij,?het openbaar bestuur en de massamedia zelf.

In het bredere licht van de jongerensociologie lijkt de conclusie dat de massamedia?voornamelijk neutraal hebben bericht met veel demobiliserende uitspraken, de?plank over de dynamiek in het mediaveld nogal mis te slaan, ook al zegt men er zelf?bij dat ?de volledige vermenging van nieuws en amusement het bezoek aan Haren?gestimuleerd kan hebben? (De weg naar Haren, p. 68). Traditionele manieren van?inhoudsanalyse, waarbij de inhoud van specifieke media als ge?soleerde verschijnselen?worden beschouwd, lijken niet goed van toepassing op de nieuwe mediawereld.
Zeker voor jongeren geldt volgens een aantal mediawetenschappers dat niet meer?gesproken kan worden van een leven met media, maar in media (Deuze, 2012).

Waarbij de grote empirische vraag is hoe die voortdurende dynamische interactie?van media en sociaal leven er dan uitziet. Dat was in het traditionele denken over?communicatiepatronen een vraag naar kip of ei, waarbij nooit doorslaggevend werd?opgelost of media nu sociale gedragingen be?nvloedden of andersom. Wat we van?het relatief nieuwe onderzoek naar de interactie van media en sociaal gedrag (zoals?dit rapport over Project X) kunnen leren, is dat we eerder moeten spreken van roerei?met kip: er is een permanent samenhangend en interacterend mediaveld dat wel?degelijk een bepaalde hi?rarchie in de waardering van signalen kent. De connecties?tussen allerhande mediavormen en sociale contexten laten amusement en nieuws?volledig in elkaar vervloeien, maar dat wil niet zeggen dat alles in deze wereld evenveel?waarde heeft. Sommige media worden blijkbaar nog steeds hoger gewaardeerd?als het gaat om ?betrouwbaar? en ?echt? dan andere. De berichtgeving van ?betrouwbare?en echte? massamedia loopt weliswaar achter de communicatie op sociale?media aan, maar hun legitimerende kracht is duidelijk versterkend voor het gedrag?dat jongeren daarna vertonen.

Een belangrijke conclusie ten aanzien van de mobilisatieprocessen in het digitale?tijdperk is dat de professionele nieuwsmedia nog steeds belangrijk zijn bij de doorbraak?van issues die spelen binnen sociale netwerken naar de samenleving als?geheel. Nog steeds zorgen de massamedia voor de legitimatie van relevantie van een?onderwerp of ontwikkeling voor bijvoorbeeld politiek en openbaar bestuur. Nieuwswaardecriteria?(drama, de kans op geweld) spelen daarbij nog steeds een belangrijke?rol; in dat opzicht is er voor de protestbewegingen of relschoppers niet veel veranderd.?Volgens Negrine (2014, p. 71) bereiken de mobilisaties op de sociale netwerken maar een fractie van de bevolking, mensen die al overtuigd zijn en veel bereidheid?tot actie tonen. De nieuwsmedia zorgen voor de connectie met de grote massa.?Uit onderzoek naar de rellen in Engeland in de zomer van 2011 blijkt dat de sociale?media een belangrijke rol speelden, niet zozeer voor het mobiliseren van relschoppers,?maar voor de angstige buurtbewoners die elkaar op de hoogte hielden van de?plunderingen en brandstichtingen in hun wijk. Omgekeerd gaven daders in interviews?achteraf aan ge?nspireerd te zijn door de vele dramatische televisiebeelden en?vooral de beeldvorming op tv dat de politie de controle op straat totaal kwijt was?(Lewis et al., 2011). De nieuwsmedia mogen dan nog steeds een belangrijke rol spelen,?duidelijk is ook dat hun berichtgeving steeds meer verknoopt raakt met de?informatiestromen op de sociale media en dat in beide systemen zelfversterkende?effecten optreden.

Een mediahype?
In het hoofdstuk ?Crossmedia: de interactie tussen sociale media, massamedia,?mobiele telefonie en offline mobilisatie? proberen de onderzoekers van De weg naar?Haren tot een synthese te komen. Dat begint met de constatering dat er een ?krachtige mediahype? is ontstaan die niet alleen een zaak is geweest van de traditionele?massamedia, maar ook van de nieuwe media. Dat lijkt in tegenspraak met de eerdere?conclusie dat de berichtgeving over Project X in de massamedia laat op gang?kwam, tamelijk beperkt was en overwegend neutraal van toonzetting.

De onderzoekers hanteren kennelijk een veel bredere definitie van een mediahype?dan in de literatuur gebruikelijk is. Daarin is namelijk een mediahype een mediabrede,?snel escalerende nieuwsgolf die het resultaat is van zelfversterkende processen?die op gang komen zodra de media zich massaal op een onderwerp storten?(Vasterman, 2004; Wien & Elmelund-Praesteker, 2009; Boydstun, Walgrave &?Hardy, forthcoming). In de bredere betekenis van het rapport-Haren is mediahype?een golfbeweging in het maatschappelijk proces waarin alles en iedereen lijkt te participeren,?maar een definitie met criteria ontbreekt. Zodra de media aandacht gaan?besteden aan Haren vormt dat volgens het rapport ?de start van een mediahype die?door de massamedia in wisselwerking met de overige media zoals sociale media en?mobiele telefonie wordt gecre?erd (18-20 september)?. Het is niet duidelijk wat dan?onderscheidend is voor deze ?veelzijdige? en ?alomvattende mediahype?: de omvang?van de informatiestromen of juist de wisselwerking tussen massamedia en sociale?media?

En waar ligt dan de grens tussen een ?gewone? wisselwerking en een mediahype??Een ingewikkeld schema in het rapport (figuur 4) dient om een en ander te illustreren,?maar laat niet meer zien dan dat alles met alles samenhangt in de diverse?fasen. Volgens dit schema bereikt de mediahype een hoogtepunt op de avond van de?rellen, maar wat de ?sterkte? is van de verbanden en invloeden in het schema blijft?onduidelijk.

Zonder een concrete aanwijzing daarvoor te geven beweren de onderzoekers dat?mediahypes steeds vaker voorkomen in de media; het zijn hypes die volgens hen?een directe weerspiegeling in de online wereld kennen. In deze formuleringen spelen?de massamedia weer duidelijk een hoofdrol in het cre?ren van mediahypes die?zich online zouden weerspiegelen. Maar men zou zich evengoed kunnen afvragen?of het niet ook steeds vaker voorkomt dat online hypes zich weerspiegelen in de?massamedia? Het rapport stelt bijvoorbeeld vast dat massamedia ?haast ongemerkt?van toeschouwer tot medespeler? werden en voorts dat ?zij meer doen dan verslaan,?zij worden deel van de enscenering? (Twee werelden, p. 23).?Het subrapport De weg naar Haren is milder: media valt weinig te verwijten met een?enkele uitzondering wellicht. Niettemin knopen de onderzoekers hier wel een tamelijk?vergaande aanbeveling voor massamedia aan vast: ?Wanneer er opgeroepen
wordt voor een bepaald evenement dienen zij zich af te vragen of zij zich voor een?karretje laten spannen. Zo werd de groeiende media-aandacht voor Haren op Facebook?met gejuich ontvangen. Een onafhankelijke en gereserveerde houding verdient?de voorkeur in een tijd waarin zo gemakkelijk mediahypes ontstaan? (De weg naar?Haren, p. 121).?Er zijn inderdaad nieuwe concepten nodig om deze interacties tussen massamedia?en sociale media te kunnen onderzoeken: onder welke omstandigheden vormen de?sociale media de turbo die de nieuwsgolf in de media verder aanjaagt?

px04
Figuur 4. Figuur 7.1 uit De weg naar Haren, p. 86. Oorspronkelijk onderschrift:?De ontwikkeling van het Concept voor ?Haren? in de Publieke Ruimten van?Massamedia, Sociale Media en Bijeenkomsten

Of omgekeerd: hoe versterken de nieuwsmedia escalatieprocessen bij de nieuwe media??Daarbij zou het complexiteitsperspectief een belangrijke rol kunnen spelen: er is?niet ??n mediahype die alles veroorzaakt, het zijn er vele, ?n in verschillende netwerken?die ook weer op elkaar reageren.

De balans opmakend
De onderzoekers van de commissie-Cohen hebben in zeer korte tijd indrukwekkend?veel materiaal verzameld en geanalyseerd. Wellicht onder die tijdsdruk heeft men?zich in de interpretatie te veel laten meeslepen door de enorme fascinatie die?nieuwe, sociale media oproepen. Hun conclusies op dat vlak zijn te stellig en omdat?die conclusies vrijwel kritiekloos in het publieke debat verder zijn uitvergroot, is een?overtrokken beeld van de rol van sociale media ontstaan. Onze evaluatie laat zien dat?er op de wetenschappelijke kwaliteiten van het onderzoek het nodige valt af te dingen.?Het onderzoek is vooral beschrijvend en niet zozeer verklarend van aard: specifieke?vraagstellingen met bijbehorende operationalisaties ontbreken, evenals definities?en criteria voor centrale concepten als kritieke massa of mediahype. De?inhoudsanalyses zijn ontoereikend om de dynamische samenhang tussen sociale en?massamedia te kunnen verklaren. En er is zeer weinig poging gedaan om aan te?sluiten bij de soms toch uitvoerig beschikbare wetenschappelijke literatuur over?mediahypes, morele paniek en jeugdcultuur. Dat is vermoedelijk ook de reden dat
de verschillende deelrapporten elkaar op cruciale punten kunnen tegenspreken.

Desondanks inspireert de rapportage over Project X Haren tot nadenken over de? noodzaak om de bestaande mediatheorie?n te herijken in het licht van de nieuwe?structuur van de openbaarheid en de mobilisatieprocessen die zich daarin kunnen?afspelen. Dat vereist wel een integratie van de verschillende disciplines die nu nog?tamelijk los van elkaar staan, zoals de communicatiewetenschappen en het sociologisch?onderzoek naar sociale mobilisatieprocessen. De complexiteitstheorie?n bieden?daarbij vooral een perspectief in plaats van een kant-en-klare theorie. Maar wel?een andere manier van denken die kan helpen bij het analyseren van allerlei op?elkaar inwerkende en reflexieve systemen.

Literatuur

Het Haren-rapport
Twee werelden. You only live once. Hoofdrapport Commissie ?Project X? Haren, maart 2013.?De weg naar Haren. De rol van jongeren, sociale media, massamedia en autoriteiten bij de mobilisatie voor Project?X Haren. Deelrapport Commissie ?Project X? Haren, maart 2013. Onder redactie van Jan van Dijk?en Thomas Boeschoten.

Hoe Dionysos in Haren verscheen. Maatschappelijke facetten van Project X Haren. Deelrapport Commissie??Project X? Haren, maart 2013. Onder redactie van Gabri?l van den Brink. Ook verschenen in enigszins bewerkte vorm als: G.J.M. van den Brink, M.J. van Hulst, N.J.M. Maalst?, R. Peeters & S.B. Soeparman?(2013). Project X in Haren. Maatschappelijke facetten van een feestje dat in rellen uitmondde.?Amsterdam: Amsterdam University Press.

Videoverslag persconferentie commissie-Cohen 8 maart 2013. Opgehaald via http://vimeo.com/61168563

Aangehaalde literatuur

  • SPOT (2012). Alles over tijd. Tijdsbestedingsonderzoek. Opgehaald via http://www.spot.nl/docs/defaultsource/tijdbestedingsonderzoek/boekje-alles-over-tijd-2012.pdf?sfvrsn=0
  • Aarts, N., Steuten, C., & Van Woerkum, C. (2014). Strategische communicatie, principes en toepassingen.?Assen: Van Gorcum.
  • Baker, S. A. (2011). The mediated crowd: New social media and new forms of rioting. Sociological Research?Online, 16(4), 21.
  • Boydstun, A. E., Walgrave, S., & Hardy. A. (forthcoming). ?Two faces of media attention: Media storms vs.?general coverage?. Political Communication.
  • Deuze, M. (2012). Media life. Cambridge: Polity Press.
  • Cohen, S. (1972). Folk devils and moral panics: The creation of the Mods and Rockers. Oxford: MacGibbon &?Kee.
  • Cottle, S. (2008). Reporting demonstrations: The changing media politics of dissent. Media, Culture &?Society, 30(6), 853-872.
  • Gitlin, T. (1980). The whole world is watching: Mass media in the making and unmaking of the new left. Berkeley,?L.A., London: University of California Press.
  • Gladwell, M. (2001). The tipping point: How little things can make a big difference. London: Little Brown.
  • Gonz?lez-Bail?n, S., Borge-Holthoefer, J., Rivero, A., & Moreno, Y. (2011). ?The dynamics of protest?recruitment through an online network?. Scientific Reports, 197(1).
  • Groenhart, H. (2013). Van boete naar beloning. Publieksverantwoording als prille journalistieke prioriteit.?Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Halloran, D., Elliott, P., & Murdock, G. (1970). Demonstrations and communication: A case study. Harmondsworth:?Penguin.
  • House of Commons Home Affairs Committee (2011). Policing large scale disorder: Lessons from the disturbances?of August 2011. The government response to the sixteenth report of the home affairs committee session?2010?12 hc 1456. UK: The Stationery Office Limited.
  • Kuran, T., & Sunstein, C. (1999) Availability cascades and risk regulation. Stanford Law Review, 51(4),?683-768.
  • Lemieux, P. (2004). Information cascades. Following the herd. Why do some ideas suddenly become?popular, and then die out just as quickly? Regulation, winter 2003-2004, 16-21.
  • Lewis, P., Newburn, T., Taylor, M., Mcgillivray, C., Greenhill, A., Frayman, H., & Proctor, R. (2011). Reading?the riots: Investigating England?s summer of disorder. Reading the riots, The London School of Economics?and Political Science and The Guardian, London, UK.
  • Marwell, G., & Oliver, P. (1993). The critical mass in collective action: A micro-social theory. Cambridge, UK:?Cambridge University Press.
  • Negrine, R. (2014). Demonstration, Protest, and Communication. Changing Media Landscapes, Changing?Media Practices? In R. Werenskjold, K. Fahlenbrach & E. Sivertsen (Eds.). Media and revolt: Strategies?and performances from the 1960s to the present (pp. 59-74). New York: Berghahn Books.
  • O?Brien, M., & Yar, M. (2008). Criminology: The key concepts. New York: Routledge.
  • Pas, N. (2003). Imaazje! De verbeelding van Provo (1965-1967). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Scheffer, M. (2009). Critical transitions in nature and society. Princeton: Princeton University Press.
  • Van de Beek, E., Van de Engbersen, G., & Van der Veen, R. (1983). De regels van de journalistiek. Een?onderzoek naar ?de boodschappers? van 30 april 1980. Leiden: Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit.
  • Vasterman, P. (2004). Mediahype, Amsterdam: Aksant.
  • Waldherr, A. (2012). Die dynamik der medienaufmerksamkeit: Ein simulationsmodell. Baden-Baden: Novos.
  • Waldherr, A. (2014). Emergence of News Waves. A Social Simulation Approach. Journal of Communication,?64(5), 852-873.
  • Wien, C., & Elmelund-Praesteker, C. (2009). An anatomy of media hypes: Developing a model for the?dynamics and structure of intense media coverage of single issues. European Journal of Communication,?24(2), 183-201.
  • Wijfjes, H. (2009). VARA. Biografie van een omroep. Amsterdam: Boom.

Overige bronnen

Noten
1 We treden hier niet in discussie over deze discutabele terminologie, maar hanteren de begrippen
?sociale? en ?traditionele? of ?massamedia? als een praktische manier om bepaalde mediavormen te scheiden.

* Dr. Peter Vasterman (1951) is mediasocioloog. Hij is universitair docent bij de leerstoelgroep Media
en Journalistiek van de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij docent
aan de master Journalistiek. Contactgegevens: Turfdraagsterpad 9, 1012 XT, Amsterdam. Tel.:
020 525 36 47. [email protected]

Prof. dr. Huub Wijfjes (1956) is mediahistoricus. Hij is bijzonder hoogleraar Geschiedenis van Radio
en Televisie aan de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij als universitair
hoofddocent verbonden aan de masteropleiding Journalistiek van de Rijksuniversiteit Groningen.
Contactgegevens: Oude Kijk in ?t Jatstraat 26, 9712 EK, Groningen. Tel.: 050 363 52 69. h.b.m.wijf
[email protected]

 

Superpromoters in risico- en crisiscommunicatie

superpromoters

Hieronder de samenvatting van het literatuuronderzoek dat Crisislab deed in opdracht van WODC naar superpromoters in risico- en crisiscommunicatie. Er zijn organisaties die claimen dat ze voor commerci?le doeleinden superpromoters via social media?deels automatisch kunnen detecteren middels een aantal van de hieronder genoemde eigenschappen. Zou dit ook voor veiligheidstoepassingen als risico-en crisiscommunicatie kunnen?

Aanleiding en definitie van het onderzoek

De overheid zoekt naar nieuwe manieren om haar boodschap zo overtuigend mogelijk over het voetlicht te krijgen. Dit geldt in het bijzonder in situaties waarbij de boodschap activerend is dat wil zeggen bedoeld is om mensen tot door de overheid gewenst handelen te laten besluiten, bijvoorbeeld om met een risico of crisissituatie om te gaan.

In 2009 werd door Vogelaar voor het eerst het begrip ?superpromoter? ge?ntroduceerd. Een superpromoter is ?een enthousiasteling die zijn enthousiasme deelt en anderen hiermee be?nvloedt?. Superpromoters spelen volgens Vogelaar een centrale rol in hun sociale netwerk doordat ze anderen bewust of onbewust met hun enthousiasme aansteken en daarmee een boodschap overtuigend over het voetlicht brengen. Het concept is momenteel alleen gedefinieerd en toegepast waar het gaat om de verkoop van commerci?le producten.

Om de kansen voor en bedreigingen bij het inzetten van ?superpromoters van overheidsbeleid? in kaart te krijgen, heeft het WODC Crisislab gevraagd een literatuuronderzoek uit te voeren naar de effecten van het gebruik van superpromoters bij risico- en crisiscommunicatie.

Onder risicocommunicatie verstaan we in lijn met de klassieke definitie van Leiss ?de uitwisseling van informatie over aard, omvang en beheersingsmogelijkheden van een risico tussen alle betrokken actoren uit de samenleving zoals openbaar bestuur, wetenschap, bedrijfsleven en burgers?.

We zien crisiscommunicatie vervolgens als verbijzondering van risicocommunicatie waarbij het specifieke crisiskarakter, dat wil zeggen tijdsdruk, onzekerheid en een geschokte samenleving, specifieke eisen aan de crisiscommunicatie stelt.

Voor de definitie van een superpromoter van overheidsbeleid sluiten we zoveel mogelijk aan bij de definitie van Vogelaar: Een superpromoter van overheidsbeleid is een individu dat vanuit zijn/haar intrinsieke motivatie een standpunt van de overheid verspreidt binnen zijn/haar sociale netwerk waar deze persoon naar verwachting overtuigingskracht heeft.

Welke factoren bepalen theoretisch de effectiviteit van de superpromoter?

De meest bepalende factoren die samenhangen met de vier kernelementen (intrinsieke motivatie, het persoonlijk sociaal netwerk van de superpromoter, de activerende overheidsboodschap en verwachte overtuigingskracht) en die invloed hebben op de effectiviteit van superpromoters zijn de volgende.

De intrinsieke motivatie wordt volgens de zogenaamde zelfbeschikkingstheorie bepaald door de mate

  • waarin iemand in vrijheid, naar eigen goeddunken, kan handelen (gepercipieerde autonomie)
  • van (ervaren) verbondenheid die iemand met een persoon, groep of cultuur voelt
  • van de (gevoelde) competentie om de handeling uit te voeren.

Intrinsieke motivatie wordt verder vergroot door eigen ervaring met een risico en verkleind door vormen van beloning (anders dan positieve feedback).

Dominant is dan verder voor de andere drie kernelementen dat het persoonlijk netwerk sociale massa heeft: de heersende sociale normen en waarden hebben een beperkend effect op boodschappen die er niet bij passen (en daarmee op zenders van die boodschappen) en een stimulerend effect op zenders en boodschappen die er wel bij passen.

Variabele eigenschappen van het persoonlijke sociale netwerk die invloed hebben zijn:

  • hechte verbindingen tussen zender en ontvanger hebben een positief effect op de overdracht van complexe boodschappen en het bereiken van een gedragsverandering bij de ontvanger.
  • zwakke verbindingen zijn echter wel geschikt voor het snel overbrengen van een simpele boodschap wanneer zeker de ontvanger al gemotiveerd is om die uit te voeren zoals in crisisomstandigheden. Omdat mensen een groter (potentieel) zwak netwerk hebben zijn in dergelijke omstandigheden meer mensen te bereiken.

Meer algemeen geldt dat de boodschap beter overkomt als hij persoonlijk is gemaakt. Het gevaar is dan wel dat zo?n persoonlijke boodschap op andere ontvangers een negatief effect kan hebben. Geloofwaardigheid is een laatste onafhankelijk eigenschap van de boodschap: aspecten als perceptie van de waarheidsgetrouwheid bepalen de ontvangst van de boodschap.

De overtuigingskracht van de zender wordt bepaald door zijn geloofwaardigheid (waar het aspect betrokkenheid onder valt) en de mate waarin de ontvanger zich met de zender kan identificeren. Ook van belang is de mate van gepercipieerde congruentie tussen zender en zijn boodschap.

Samenvattend kan echter gesteld worden dat de literatuur geen integraal en voorspellend model kent waarin het effect van al deze factoren in is samengebracht.

Wat zijn morele afwegingen voor de overheid bij inzet van superpromoters?

In de meest algemene zin is risico- en crisiscommunicatie in de zin van dit onderzoek gericht op het bewerkstelligen dat burgers bepaalde door de overheid gewenste handelingen uitvoeren. Risico- en crisiscommunicatie heeft daarmee een ?manipulatief? uitgangspunt: het roept daarmee in de eerste plaats de ethische vraag op of het wel aan de overheid is om de autonomie van burgers te willen inperken door be?nvloeding. In de tweede plaats is de ethische vraag of de overheid wel zeker weet of de activerende boodschap wel de juiste is: in het verleden kwam het wel eens voor dat het standpunt van de overheid ?met de kennis van nu? niet de juiste was om burgers optimaal te beschermen tegen een risico.

In de literatuur wordt samenvattend vooral gesteld dat uiteindelijk de morele afweging moet zijn dat sturende boodschappen ethisch zijn mits burgers maar de realistische mogelijkheid hebben om af te wijken van de ?wens? van de overheid en de overheid democratisch besluit op basis van een afweging welke handelingen het grootste maatschappelijk nut hebben.

Voor crisiscommunicatie geldt dat het bieden van directe, niet neutrale, manipulatieve informatie legitiem is wanneer dat ertoe bijdraagt dat de ontvanger van die informatie kan handelen om zich te beschermen tegen directe en grote gevaren. Het bieden van neutrale informatie die door de ontvanger gewogen en ge?nterpreteerd moet worden kost in zo?n situatie immers mogelijk teveel tijd.

Deze algemene afwegingen gelden mutatis mutandis ook voor de afweging om superpromoters in te zetten. Specifiek voor de inzet van superpromoters geldt echter dat er een extra verantwoordelijkheid rust op de schouders van de overheid omdat in dit geval gewone burgers worden gebruikt die voor eventuele onjuiste handelingsperspectieven geen verantwoordelijkheid mogen dragen of het slachtoffer worden van een negatieve reactie van de ontvangers van de overheidsboodschap (zie ook de paragraaf hierna).

Samenvattend moet de overheid wel erg overtuigd zijn van de juistheid van haar activerende boodschap voordat zij superpromoters inzet.

Onder welke omstandigheden werkt de inzet van superpromoters voorspelbaar averechts??Uit de literatuur komen drie mechanismen naar voren die tot voorspelbaar averechtse effecten leiden bij de inzet van superpromoters:

In de eerste plaats zullen mensen met een sterk negatieve grondhouding ten opzichte van een boodschap die boodschap selectief ontvangen en ervaren dat als motivatie tot een tegen(communicatie)actie. Dit kan leiden tot antipromoters zoals bijvoorbeeld bekend als reactie op vaccinatiecampagnes door de overheid.

In de tweede plaats zal de inzet van superpromoters leiden tot aandacht in de media en daarmee volgens de heersende medialogica ook tot ten minste evenredige aandacht voor het tegengestelde perspectief. Hierdoor zullen bijvoorbeeld antipromoters meer media aandacht krijgen.

Meer algemeen zal in de derde plaats zal een activerende boodschap die niet overkomt om welke reden dan ook leiden tot een (door de overheid ongewenste) compenserende tegenreactie bij de ontvanger. Dergelijke boemerangeffecten kunnen ook gericht zijn op de superpromotor als bron van de slecht ontvangen boodschap.

Samenvattend: Wanneer en hoe kunnen superpromoters theoretisch het beste ingezet worden?

De kerngedachte achter de inzet van superpromoters is dat intrinsiek gemotiveerde burgers binnen hun netwerk een overheidsboodschap met meer overtuigingskracht kunnen verspreiden dan de overheid met klassieke communicatiecampagnes zou kunnen.

Terug redenerend zou de overheid als volgt moeten handelen om superpromoters in te zetten:

  • Gegeven een bepaalde doelgroep voor risico- of crisiscommunicatie, moet de overheid analyseren welke de doelgroep overlappende persoonlijke netwerken van geschikte?potenti?le?superpromoters aanwezig zijn.
  • De?potenti?le?superpromotors moeten vervolgens worden toegerust met informatie (de activerende overheidsboodschap en eventueel competenties om a) intrinsiek?gemotiveerd te raken en b) naar verwachting overtuigingskracht te krijgen.

We merken hier al op dat in de literatuur geen prescriptieve aanwijzingen zijn gevonden die kunnen helpen met de bovenstaande analyse, dat wil zeggen met het helpen traceren van de?potenti?le?superpromoters. Uit de beschrijving is al meteen op te maken dat de inzet van superpromoters voor niet bijzonder urgente?risicocommunicatie daarmee in het algemeen een arbeidsintensieve zaak zal zijn zodat het besluiten daartoe (in plaats van reguliere communicatie) een bijzondere reden behoeft.

Anders zou het kunnen zijn in crisissituaties: de literatuur laat zien dat tijdens crises er situationeel altru?sme optreedt, d.w.z. dat mensen intrinsiek gemotiveerd zijn om het goede te willen doen, dat er snel?potenti?le?netwerken geactiveerd kunnen worden van 5 bijvoorbeeld mensen in elkaars fysieke nabijheid of die een vorm van?contact hebben via sociale media.

De inzet van superpromoters in crisissituaties is zo beschouwd bijna onvermijdelijk en dan ook regelmatig aan de orde. Cruciaal is hier de snelle beschikbaarheid van een vertrouwenwekkende overheidsboodschap die een relevant handelingsperspectief geeft.

Slotsom

Het concept superpromoters dat centraal staat in dit onderzoek past in een serie van concepten die andere vormen van overheidscommunicatie mogelijk maken. Te denken valt aan andere concepten die benadrukken dat overheid aanwezig moet zijn op de plaatsen waar de samenleving ?spreekt? over de zaken die haar aan het hart gaan zoals in de zogenaamde discourscommunities en in de sociale media. Dit literatuuronderzoek geeft geen definitief antwoord op de vraag wanneer en hoe superpromoters kunnen worden ?ingezet? als modern communicatiemiddel. De literatuur bevat dergelijke inzichten simpelweg nog niet. Het biedt de overheid hopelijk wel mogelijkheid tot afweging. De inzichten uit dit rapport zijn bewust zo gepresenteerd dat ze voor een belangrijk deel ook breder bruikbaar zijn voor diegenen die nadenken over moderne interactieve overheidscommunicatie.

Bronnen: WODC

Bodycams leiden tot daling geweld: tegen en door politie

bodycam-pet

Sander Flight schrijft op Slim bekeken een interessant blog over een experiment van onderzoekers van Cambridge UK dat maar liefst?een jaar duurde. Na 50.000 uur beeldmateriaal komen deze onderzoekers tot de conclusie dat bodycams gedragen door de politie tot een daling van geweld leiden. Geweldsgebruik door de politie daalde met 59% en geweld tegen de politie daalde zelfs met 87%.

De onderzoekers hebben een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over hun onderzoek naar bodycams gedragen door politie in Rialto, Californi?. De resultaten zijn gebaseerd op een groot experiment dat al in 2012 is gehouden. Zelfs voordat het artikel verscheen werd het al aangehaald als onderbouwing voor het grootschalig uitrusten van politiemensen met bodycams, waartoe?Obama onlangs besloot na de onrusten van Ferguson en andere incidenten.

Het experiment liet zien dat het opnemen van bewijsmateriaal maar een opbrengst van de bodycams is. De technologie is misschien wel het meest effectief doordat het escalatie voorkomt in de interactie tussen politie en publiek. Dat geldt zowel voor agressie richting de politie als voor excessief machtsvertoon door de politie. Een andere toepassing?die we eerder?op dit?blog lieten zien gaat over het gebruik van beelden in de opsporing of rechtzaal.

Wanneer?mensen realiseren dat er een opname wordt gemaakt cre?ert dat zelfbewustzijn bij alle aanwezigen. Dat is het cruciale effect waardoor de bodycams als preventief middel worden beschouwd: mensen gedragen zich beter omdat ze het gevoel hebben dat er ‘iemand’ mee kan kijken.

Het gebruik van geweld door de politie nam in twaalf maanden tijd af met 59 procent. Geweld tegen de politie daalde met 87 procent vergeleken met het voorgaande jaar.

De onderzoekers geven aan dat het experiment slechts de eerste stap is en dat er nog een lange weg is te gaan voordat we weten wat het effect is van bodycams. Zij wijzen bijvoorbeeld op het risico dat het rechtssysteem er op gaat rekenen dat er beelden zijn van elk incident. Ook geven ze aan dat er enorme opslagcapaciteit nodig zal zijn om alle beelden te kunnen bewaren.

President Obama heeft toegezegd 75 miljoen dollar te zullen besteden aan bodycams om de legitimiteit van de politie te verbeteren na de moorden op zwarte ongewapende mannen en de protesten waar dat toe leidde. Overigens gaan er ook stemmen op die het belang van camerabeelden relativeren: de dood van Eric Garner die stikte na een wurggreep van een politieman werd immers gefilmd. De beelden lieten een niet toegestane ‘chokehold’ zien en een medisch onderzoeker sprak daarom van moord. De agent werd vrijgesproken.

De onderzoekers van het experiment in Rialto laten weten te hopen dat het dragen van bodycams door de politie zelf ertoe zal leiden dat dit soort excessief geweld niet meer wordt toegepast door de politie. Omdat ze weten dat er wordt gefilmd gebruiken agenten minder geweld – zo bleek. Dat er bij de dood van Garner niet zo’n effect uit ging van de camera komt volgens de onderzoekers doordat de politie zich niet realiseerde dat er gefilmd werd. Als het standaard is dat elke interactie wordt gefilmd weet elke agent dat. En ze moeten de burgers die in beeld komen ook altijd mondeling waarschuwen dat er beelden worden gemaakt. Dat heeft invloed op de gemoedstoestand van alle aanwezigen: een eenvoudige boodschap dat we allemaal worden bekeken, gefilmd en ons dus aan de regels moeten houden.

De camera’s in Rialto maakten high-definition beelden. Alleen beelden die relevant waren of konden worden voor een zaak werden opgeslagen. Het experiment in Rialto was volgens de regelen der kunst opgesteld: de helft van de politiemensen werd toevallig aangewezen om die dag met camera de straat op te gaan en de andere helft niet. Er werd in totaal 50.000 uur beeldmateriaal van interactie tussen politie en publiek opgenomen. Het onderzoek wordt momenteel herhaald in dertig politie-eenheden over de hele wereld. De eerste resultaten lijken de uitkomsten in Rialto te bevestigen.

Bron: University of Cambridge, Slimbekeken.