Categoriearchief: Publicaties

Samen signaleren

De klassieke verzorgingsstaat verandert in een participatiesamenleving. Iedereen die daartoe in staat is, moet volgens de regering zelf verantwoordelijkheid nemen om zijn eigen leefomgeving veiliger te maken. Dat doen burgers dan ook. Met name met behulp van sociale media dragen burgers uit eigen initiatief bij aan sociale veiligheid. De huidige, nieuwe vormen van burgerparticipatie ? van WhatsApp-groep tot burgerwacht ? stellen gemeenten en politiekorpsen voor de vraag: hoe gaan we zo goed mogelijk om met deze initiatieven? Welke rol pakken we?

Samen Signaleren is het resultaat van een onderzoek van bureau Bervoets en bureau Beke naar nieuwe vormen van burgerinitiatieven en de recente ontwikkelingen daarin. De onderzoekers hebben zich gericht op initiatieven die daadwerkelijk door burgers zelf zijn genomen en opgezet.

Aanleidingen voor nieuwe initiatieven
De opkomst van sociale media heeft een impuls gegeven aan het ontstaan van nieuwe vormen van burgerparticipatie in sociale veiligheid. Maar ook het afnemen van straattoezicht door overheidsdiensten of een lokale toename van woninginbraken kunnen een impuls geven aan burgerinitiatieven.

Samenwerking burger en lokale overheid
*Al komt het initiatief van de burgers, in de praktijk is uiteindelijk altijd wel sprake van een samenspel tussen burger en lokale overheid. Daarin is het voor gemeente en politie soms nog zoeken naar de juiste vorm. Zij lopen tegen dilemma?s aan als zullen we regisseren of faciliteren? Gaan burgers alleen signaleren of ook proberen op te treden? Hoe zorgen we dat er geen mensen deelnemen met onzuivere motieven? In Samen Signaleren geven de onderzoekers praktische aanbevelingen voor deze samenwerking.

“Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel?, Troonrede 2013

Onderstaand rapport is ook te downloaden op Platform31

Auteurs Eric Bervoets, Tom van Ham, Henk Ferwerda

Bronnen: Platform31

Monitoring en analyse informatie op sociale en online media; van leren naar verbeteren

monitoring roy

Hoe moet de politie omgaan met berichten op sociale media? Hoe serieus moet zij deze nemen, wanneer kan zij hier eveneens via sociale media op reageren en wanneer is meer inzet nodig? Op basis van welke informatie en werkwijzen worden beslissingen hierover genomen? Deze en meer vragen staan centraal in ?het onderzoeksrapport“Monitoring en analyse informatie op sociale en online media”.

[slideshare id=62993415&doc=onderzoeksrapportmonitoringenanalyseinformatiejuni2016-160613054852&type=d]

Het rapport geeft inzicht in de wereld ?chter de website, twitter- en facebookaccounts van de politie. Daar gebeurt veel meer dan wat de gemiddelde sociale mediagebruiker te zien krijgt. Het rapport schetst de ontwikkeling binnen de politie in de afgelopen jaren op dit relatief nieuwe vakgebied en biedt tevens een doorkijk naar de nog te maken slagen op het terrein van verzamelen, analyseren en duiden van berichten op sociale media.

Want dit is en blijft mensenwerk, dat voorlopig niet volledig is over te nemen door geautomatiseerde systemen.

Het onderzoek is hier te lezen en te downloaden.

Veel leesplezier, namens Roy Johannink en?Inge Gorissen.

Bronnen: Linkedin Pulse

Is met Predictive Policing de heilige graal gevonden?

Opinie_en_debat_05

Het politiewerk gaat ingrijpend veranderen door de invoering van?Predictive Policing. Door verfijnde algoritmen los te laten op big data over eerdere incidenten ? en die hoeveelheid gegevens neemt alleen maar toe ? kan de politie straks misdaden voorspellen.

Predictive Policing is de heilige graal waar criminaliteits- en terrorismebestrijders naar op zoek zijn. Het biedt de politie de mogelijkheid om d??r aanwezig te zijn waar de kans op een volgend incident het grootst is. De methode werkt preventief. Ook de nationale politie is al aan de slag met deze ontwikkeling.
Algoritmen die aardbevingen voorspellen

Predictive policing komt uit de Verenigde Staten, waar het in de praktijk beter lijkt te kunnen voorspellen dan menselijke analisten. De ontwikkeling begon in 2008 bij de politie van Los Angeles. Samen met Jeff Brantingham (UCLA en PredPol) werkte de politie het idee uit om algoritmen die aardbevingen konden voorspellen, toe te passen op oude misdaadstatistieken. Het bleek een gouden greep. Ineens kon men een veelvoud aan invloedsfactoren (zoals variaties in plaatsen en tijden) meewegen. PredPol claimt hiermee 1,5 tot 2 keer beter risicogebieden in te schatten dan de politieanalisten.

Naast PredPol zijn er meer ontwikkelingen, zoals HunchLab en het?Amsterdamse Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS). En er komen er meer. Invoering van Predictive Policing bij de nationale politie is mogelijk onontkoombaar, maar dat zal niet gemakkelijk zijn. Het vraagt namelijk om een wezenlijke verandering.

Integrale benadering

De ontwikkeling naar Predictive Policing vraagt om een integrale benadering, waarin doel (in welke context en met welk doel gebruiken we het?), proces, informatie, techniek, en mens en organisatie in samenhang met elkaar worden aangepakt.

Predictive policing is in essentie niets anders dan vakjes op een kaart

De politie zal dus tal van vragen moeten oplossen. Hoe betrouwbaar is de informatie die het systeem aanlevert eigenlijk? Wat zijn de juridische en ethische gevolgen van Predictive Policing? En hoe past het in het politieproces? De organisatie bestaat immers traditioneel uit medewerkers, die in hun werk informatie gebruiken, verwerken en leveren. Hoe past een computer daartussen? Is het als een collega die af en toe kritisch met je mee kijkt, of wordt hij de baas die je oplegt wat je moet doen? Technici, analisten, teamleiders, wijkagenten en andere deskundigen moeten samen aan tafel komen om duidelijkheid te krijgen over de (on)mogelijkheden.

Van Predictive Policing naar Prescriptive Policing

Predictive Policing lijkt de heilige graal, maar is in essentie niets anders dan vakjes op een kaart. Om eenvoudiger, effici?nt en effectief te inzet te plegen is handelingsperspectief en dus Prescriptive Policing onontbeerlijk. Prescriptive Policing voorspelt voor een specifieke situatie wat de effecten zijn van bepaalde interventies en een bepaalde inzet van politiemiddelen. Het systeem doet deze suggestie op basis van gegevens uit soortgelijke situaties in het verleden en daarbij gemeten effectiviteit. Daarbij wordt de menselijke factor expliciet meegenomen, want juist het praatje op straat is een hele effectieve ‘interventie’.

Ook de acceptatie door gebruikers is essentieel

Misschien nog wel meer dan bij Predictive Policing is hier een integrale benadering nodig, waarin doel, proces, informatie, techniek en mens en organisatie in samenhang met elkaar worden aangepakt. In feite zijn er 4 opeenvolgende implementatieniveaus, inclusief bijbehorende uitdagingen:

  • Intelligence-led Policing: informatie delen en deze gebruiken om te sturen.
  • Predictive Policing: analisten en wijkteams?trainen in?de omgang met voorspellende informatie.
  • Effect-led Policing: daadwerkelijke?het effect?registreren van verschillende interventies. Dus ook registreren wat er is gedaan, in plaats van alleen wat daar de resultaten van waren.
  • Prescriptive Policing:?de adviezen?accepteren van een systeem. Dit vraagt om aanpassing van de aansturing (cultuur en organisatie-inrichting) op door een systeem voorgestelde interventies.

Tot besluit: een wezenlijke verandering

De komst van Predictive, Prescriptive, en andere vormen van politieoptreden op basis van computeralgoritmen, vraagt om een wezenlijke verandering in het proces van politieoptreden. Niet alleen moeten ze hun plaats vinden in de informatieketen, ook de acceptatie door gebruikers is essentieel. Om te hoge, of te lage, verwachtingen te voorkomen is een integrale benadering nodig, waarin doel, proces, informatie, techniek en mens en organisatie in samenhang met elkaar worden aangepakt.

Publicatie over Predictive Policing
In Van Predictive naar Prescriptive Policing. Verder dan vakjes voorspellen houden Selmar Smit en Arnout de Vries alle aspecten van Predictive Policing en Prescriptive Policing tegen het licht, inclusief de mythen rond dit thema. De publicatie bevat een stappenplan voor een geleidelijke invoering van deze nieuwe ontwikkelingen.

Bronnen: Secondant

Jeugdtaak in het online domein

jeugd online

Foto: ANP, Roos Koole / Pieter van Schouwenburg

In het tijdschrift voor de politie stond onderstaand artikel van Solange Jacobsen. Hij is spreker en projectleider Online veiligheid, Bureau Jeugd & Media.

Een van de onderwerpen op de jeugdagenda van de politie is een actief beleid op het uitvoeren van de jeugdtaak in het online domein. Een goede zaak. Het is steeds meer een voorwaarde om ?cht en intensief in contact te zijn met jongeren, te signaleren wat er speelt en er voor hen te zijn als zij de politie nodig hebben. Jongeren verwachten niet anders dan dat agenten hun werk ook online doen en grenzen stellen. Dat maakt de politie voor hen geloofwaardig en betrouwbaar.

Ik sta samen met de wijkagent voor een groep onrustige brugklassers met een stevige mening over hun klasgenootje wier naaktfoto de school rondgaat. Het meisje in kwestie heeft de laatste dagen niet ongezien door school kunnen lopen. Ze is voor van alles uitgemaakt, bespuugd, bedreigd en zelfs geslagen. De kern van de verwijten van haar leeftijdsgenoten is ?eigen schuld, dikke bult?. Ze vond het toch zelf nodig om zo?n foto te maken en online te zetten? Haar sociale veiligheid is duidelijk in het gedrang en de school staat voor een ?inke uitdaging om deze weer te herstellen.

Het gesprek dat wij met de klas gaan voeren moet daaraan bijdragen. Het verzoek is van het meisje zelf, die ondanks alle emoties verrassend stevig in haar schoenen staat. ?Ik wil graag dat jullie alle kinderen duidelijk maken dat het hun ook had kunnen overkomen. Want ik ben niet dom h?, ik heb alleen iets doms gedaan??

Terwijl ze dat zegt richt ze haar blik voor het eerst omhoog. Haar verhaal heeft ze tot aan dat moment toevertrouwd aan de vloertegel onder het bureau van de zorgco?rdinator. Ze kijkt ons met grote bruine ogen indringend aan. Schaamte en verdriet hebben even plaats gemaakt voor?boosheid en onmacht. Ze is zichtbaar opgelucht als ze merkt dat we haar verhaal serieus nemen. Het gesprek dat we vervolgens in de klas voeren is pittig. We moeten ?ink aan de bak om uit te leggen dat je ook gedwongen kunt worden tot het maken van naaktfoto?s. En dat iemand die de dappere beslissing neemt om niet in te gaan op verzoeken tot webcamseks, ondanks de dreiging van verspreiding van die naaktfoto?s, juist steun en respect verdient in plaats van hoon en belediging.

Dit roept vragen en discussie op. Wie valt iets te verwijten? Wat is eigenlijk strafbaar? Wanneer vraag je de politie om hulp? Slechts op enkele momenten is het compleet stil. Dat is wanneer ze er onderling niet uitkomen en zich voor de uitkomst richten tot de wijkagent. Want over ??n ding zijn ze het wel eens: die moet toch weten hoe het ?cht zit?

Willen weten wat er leeft en speelt

Dit was mijn eerste ?sextingzaak?, inmiddels zes jaar geleden. Voor de wijkagent ook. Leerzaam in alle opzichten. Het gaf ons diverse inzichten, onder andere over online groepsdynamiek, risicovol gedrag en weerbaarheid. En het sterkte de overtuiging dat je als politie moet willen weten wat er online leeft en speelt. Zonder die basis ben je uiteindelijk onvoldoende in staat om je kerntaken ef?ci?nt en effectief uit te voeren. Dat begint al met het ontrafelen van verhalen aan de balie om helder te krijgen wat er nou eigenlijk aan de hand is: cijfergooien, bangalijst, cammen, snapchat, fakeaccount? Je zult moeten kunnen duiden om situaties te beoordelen en te vertalen naar noodzakelijke acties. Of die nou betrekking hebben op repressief optreden, preventie, zorgsignalering of doorverwijzing.

Grensoverschrijdend gedrag online, onbewust of bewust, leidt tot nieuwe verschijningsvormen van strafbaar gedrag en heeft grote impact op de politi?le jeugdtaak. Die overtuiging is in de afgelopen jaren met fenomenen als dreigtweets, kopschop?lmpjes, massamobilisatie, haatprofielen en accounts met gephotoshopte pestfoto?s alleen nog maar bevestigd. In de verbinding met jeugd is het in ieder geval nodig om de hoge drempel die jongeren richting de politie ervaren, te verlagen. Ze vinden het moeilijk om zich met signalen en hulpvragen tot de politie te wenden. De meeste jongeren gaan eerst zelf op zoek naar informatie om te bepalen of hun probleem wel serieus genoeg is en wat ze er zelf aan kunnen doen op het op te lossen.

Om die drempel te verlagen moet je uitstralen op de hoogte te zijn van online risico?s en laten merken dat je begrijpt hoe makkelijk het is om online in vervelende situaties terecht te komen. Als je vervolgens in het contact de situatie niet bagatelliseert maar serieus neemt en ernaar handelt, win je vertrouwen. Je hoeft daarvoor geen whizzkid te zijn of zelf urenlang op sociale media door te brengen. Een open en onderzoekende houding is belangrijker; waarom doen ze wat ze doen?

Wat ze online doen is eigenlijk niet veel anders dan wat hun ouders vroeger deden

Digitale jeugdcultuur

Jongeren groeien op in een andere wereld dan wij vroeger. Ze kunnen altijd en overal online en doen dat ook, zonder na te denken. Jongeren doen gewoon de dingen die ze doen, zonder erbij stil te staan dat ze daarvoor ?online gaan?. Online contact is voor jongeren net zo ?echt en hecht? als of?ine contact. De grootste valkuil is om te denken dat een tiener niets zit te doen als deze hangend op de bank met smartphone of tablet bezig is. Hij is in verbinding met de groep. Daarvoor hoef je niet fysiek bij elkaar te zijn. Via WhatsApp, Facetime of Snapchat kun je samen lachen, kletsen, emoties en ervaringen delen, je mening toetsen et cetera.

Wat jongeren online doen is eigenlijk niet heel veel anders dan wat hun ouders vroeger deden. Ze zijn zich aan het ontwikkelen, de wereld en hun eigen ik aan het ontdekken en daarin zijn sociale contacten enorm belangrijk. Door zich te spiegelen aan leeftijdsgenoten, leren ze
zichzelf kennen en bouwen ze zelfvertrouwen op. Ze toetsen hun identiteit aan anderen. Fysiek op straat en schoolplein, maar ??k online. In de kern draait het om contact; bestaande vriendschappen worden versterkt, nieuwe gesloten.

Onderdeel van het vormen van een eigen identiteit is jezelf pro?leren. Dat doe je door goed na te denken over hoe je jezelf presenteert, hoe je je gedraagt en met wie je je laat zien. Dat geldt ??k online. Daarom besteden jongeren veel aandacht aan hun online pro?el. Het gaat om de beste foto, de leukste teksten, het juiste ?lmpje en de hipste muziek. Dat ze zelf controle hebben over hoe ze zich presenteren, geeft een zeker gevoel. Als je veel reacties terugkrijgt, voel je je gezien en dat geeft zelfvertrouwen. Net zoals positieve reacties. Voor negatieve reacties geldt het omgekeerde. Maar sommigen vinden dat altijd nog minder erg dan helemaal geen reacties krijgen en het gevoel te hebben onzichtbaar te zijn.

Online groepsdynamiek en verschuivende grenzen

De aantrekkingskracht van sociale media zit dus voor een groot deel in het bij de groep aangesloten willen zijn en blijven. De groepsdynamiek is door de komst van sociale media en smartphones niet meer beperkt tot schooltijd. Hij is er continu, 24/7! Een belangrijk inzicht om te onthouden als je met jongeren werkt. Een tweede inzicht dat relevant is, ligt in het verlengde daarvan: internet ontremt en anonimiseert, waardoor grenzen vervagen. Je durft online meer dan of?ine. Liever te zijn (kusjes en liefdesverklaringen vliegen over en weer), maar ook gemener te zijn (roddelen, schelden, bedreigen). Door het ontbreken van non-verbale signalen en het verkeerd interpreteren van tekst ontstaat makkelijk een ruzie. Die wordt uiteraard online ?uitgevochten?, maar komt ook regelmatig tot ontlading op straat of het schoolplein.

Online zijn grenzen niet heel duidelijk en pubers, gevoelig voor sociale acceptatie en beloning op de korte termijn, verleggen deze ook nog eens zonder de gevolgen van hun handelen te kunnen overzien. Ze geven onbewust zomaar persoonlijke informatie prijs, maken ruzie of geven zich letterlijk bloot. Ze staan er echter niet altijd bij stil (en soms boeit dat gewoon ook even niet) wie er toegang tot die informatie heeft en wat er mee gedaan kan worden. Een pro?elfoto, informatie in de bio, vriendenlijsten, foto?s en online berichten? informatie die op zich onschuldig is, kan door mensen met verkeerde intenties handig gebruikt worden. Om iemand online te pesten, op te lichten of af te persen. Je kunt je met alle verkregen informatie heel geloofwaardig voordoen als ?een vriend van een goede vriend? en zo makkelijk contact leggen en een vertrouwensband opbouwen; een tactiek die loverboys en pedoseksuelen vaak hanteren.

Drempel verlagen en grenzen stellen

Online moet je ??k weerbaar zijn en respectvol met elkaar omgaan. Eigen grenzen kunnen aangeven en die van anderen respecteren. In de mix van pubergedrag, groepsdynamiek en onzichtbare dynamiek van sociale media gaan jongeren regelmatig te ver. Ze overschrijden niet alleen persoonlijke grenzen, maar ook ethische/morele grenzen en die van het strafrecht. De wetenschap dat iets consequenties kan hebben, weerhoudt hen niet. Wat op het moment van handelen vaak zwaarder weegt, is dat het aandacht en aanzien binnen de groep genereert. Dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Allereerst voor ouders en scholen om kinderen te helpen nadenken over eigen grenzen en ze uit te dagen te re?ecteren op wat ze doen en welke verantwoordelijkheid ze daarin hebben.

Maar ook politie kan een grote rol van betekenis spelen. Door te vertellen hoe je kunt voorkomen slachtoffer te worden, maar vooral door duidelijk te maken wat strafrechtelijke grenzen zijn en door zichtbaar handelend op te treden als die grenzen overschreden worden. Dat werkt preventief, doordat jongeren kennis aangereikt krijgen waar ze wat mee kunnen op het moment dat dit nodig is. Het vergroot bovendien de subjectieve pakkans. Soms zijn jongeren zich wel degelijk bewust dat ze grenzen overgaan, maar wanen ze zich anoniem en onaantastbaar: ?Wie let er nou op mij??, en: ?Er wordt toch niets aan gedaan?.

?Durf van de jeugd te leren. Wat maken ze mee? Wat verwachten ze van de politie?

Met de website vraaghetdepolitie.nl heeft de politie al een goede stap gezet om aan te sluiten bij de doelgroep. Jongeren kunnen er betrouwbare informatie vinden en bovendien met agenten en rechercheurs chatten. Dat werkt enorm drempelverlagend. Jongeren vinden het makkelijker om op die manier met politie in contact te zijn en te praten over moeilijke situaties waar ze zich voor schamen of zorgen over maken. Dat merken ook wijkagenten die Instagram, Facebook en Snapchat inzetten om in contact met de jeugd in hun wijk te blijven. Zij begrijpen: je moet d??r zijn waar je doelgroep is voor verbinding en kansen op vroegsignalering. Met alle opgedane ervaring en inzichten is het nu tijd om na te denken over verdere doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak. Dat is nodig om geloofwaardig en betrouwbaar te blijven.

Met zenden bouw je geen relatie op

Noodzakelijk is in ieder geval een ander type communicatie. De wijkagenten die Instagram, Facebook en Snapchat zijn gaan gebruiken, snappen dat je met alleen ?zenden? geen relatie opbouwt en er niet achter komt wat er speelt. Laten zien dat je er bent levert al wat op, maar het is vooral de kunst om interactie aan te gaan om vertrouwen te winnen. Dat is in de basis niets anders dan wat je op straat zou doen: ?luisteren?, ?vragen durven stellen? en ?reageren?. Dat geldt ook voor de wijze waarop een wijkagent zich online in dialogen mengt die zich buiten zijn invloedssfeer ontwikkelen. Bij een gesprek met jongeren op straat beweegt hij mee in de dynamiek van het gesprek. Dat is online niet anders.

Je moet kansen pakken om een krachtige boodschap te brengen die men van de politie zou verwachten. Het is effectiever om online te reageren op iets wat je ziet, dan alleen mededelingen te doen die algemeen en aan iedereen gericht zijn. Jongeren be?nvloeden elkaar immers en de impact is groter vanwege het bereik van sociale media. Het beeld dat je betrouwbaar bent, wordt vooral door je reactie gevoed. Als je nalaat te reageren op gestelde vragen of aangedragen signalen, brokkelt dit beeld sneller af dan je het ooit hebt kunnen opbouwen.

Dat geldt voor de wijkagent in zijn functie, maar ook voor de politie als organisatie. Een proactief communicatiebeleid is daarom wenselijk, om duidelijk te maken dat?je het online domein als een logisch domein voor kerntaken ziet. Niet alleen afwachten dus tot er een incident plaatsvindt dat de aandacht van de media trekt. Met sociale media heeft de politie een prachtige kans om uit eigen beweging kwesties aan de orde te stellen die belangrijk zijn, en op die manier inspirator te zijn van publieke debatten over online veiligheid en grenzen.

Heldere kaders voor online interventies

Met alle wijkagenten die sociale media al succesvol weten in te zetten als verlengstuk van hun wijk, en met de inrichting van de RTIC?s, staat de politie al met een stevig been in de digitale samenleving. Voor de doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak is het zaak om nu door te pakken op de vraag hoe actief zij wil zijn in het signaleren en acteren op online strafbare feiten. En uiteraard, wat daar organisatorisch voor nodig is.

Het is een vraag die je niet kunt laten liggen. Politie die actief op sociale media is, wordt onherroepelijk geconfronteerd met onwenselijk en/of strafbaar gedrag. Is het niet door eigen waarneming, dan is het wel doordat gebruikers hen hierop wijzen of er vragen over stellen. Een paar voorbeelden: een sel?e van iemand met een vuurwapen; een bericht waarin opgeroepen wordt om die homo van nr. 76 in elkaar te slaan; onrust over een naaktfoto die verspreid wordt; een pestaccount met bewerkte foto?s van docenten als nazi?s; een screenshot van een bewerkte cijferlijst nadat iemand het schoolsysteem gehackt heeft. Je kunt dit niet zomaar negeren zonder dat dit impact heeft op de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer je op straat tijdens de surveillance zonder blikken of blozen langs iemand loopt die een ander op dat moment bedreigt, berooft of op een andere manier lastigvalt.

Maar wat doe je dan wel? Het is noodzakelijk om richtlijnen te hebben die duidelijke houvast geven hoe hiermee om te gaan. Welke signalen hebben prioriteit? Op basis van welke criteria moet een afweging gemaakt worden? Hoe te handelen en wie te betrekken? En daarnaast; welke interventiemogelijkheden heb je online? Voor de politi?le jeugdtaak is een dergelijk beleid van groot belang en dat hangt nauw samen met doelstellingen om mogelijke hypes vroegtijdig te signaleren, jongeren duidelijk te maken dat
er grenzen zijn en (potenti?le) daders te laten zien dat de politie ingrijpt en optreedt.

Ook jeugdgroepen zijn online

Online aanwezig en actief zijn loont ook in de aanpak van problematisch groepsgedrag. Zonder zicht op de ?online hangplek? missen politie en ketenpartners cruciale informatie. Het gedrag van criminele jongeren is in de basis niet anders dan van ?gewone? jongeren: ze zijn online en gebruiken sociale media om met elkaar in contact te zijn, nieuwe contacten te vinden en te onderhouden. Ook bij hen draait het voor een groot deel om jezelf pro?leren, je verbinden aan een groep en daarmee aansluiting blijven houden. Maar natuurlijk is er in motivatie en doel wel een verschil?

Online kun je (nog veel beter dan op straat!) bouwen aan een imago en reputatie. Status verwerven en bevestigen is enorm belangrijk. Dat zul je met name kunnen zien in beeldmateriaal dat online gezet wordt. Foto?s van wapens, illegale waar, geldstapels, dure kleding, drank, kassabonnetjes. Maar ook berichten waarin verwezen wordt naar strafbare feiten en/of het gezag uitgedaagd wordt. Iemand die crimineel gedrag vertoont en onder de radar wil blijven, zal dat online ook doen. Hij zal zich meer dan gemiddeld bewust zijn van het gebrek aan anonimiteit van verschillende platformen en voorzichtiger zijn met wie hij w?t online deelt. Soms echter is reputatie belangrijker voor het individu of de groep dan privacy, dan neemt men bewust het risico (?kosten-batenanalyse?).

Het beeld dat je online van iemand krijgt zonder begrip van de groep en/of straatcultuur, hoeft niet altijd juist en volledig te zijn. Kennis van de straat, aanwezig bij wijkagenten en jongerenwerkers, is noodzakelijk om goed te kunnen duiden. Een sterke informatiepositie bestaat daarom uit online ?n of?ine informatie. Hierdoor ontstaat er een completere basis om te analyseren, te prioriteren en activiteiten te ontwikkelen. Scholen zijn ook een belangrijke partij om mee op te trekken. Zeker als het gaat om de aanpak van online incidenten met mogelijke impact op de openbare orde en veiligheid, zoals vecht?lmpjes en challenges. Informatie uitwisselen en kennis delen betekent samen een voorsprong in kennis ontwikkelen, die nodig is om vooraan de jeugdproblematiek te komen.

Durf te leren van jeugd

De oplossing om te komen tot een doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak ligt in de verbinding met jeugd zelf. Durf van hen te leren. Vraag hen. Wat maken ze online mee? Wat verwachten ze van de politie? Wat niet? Welke idee?n hebben zij om daders aan te pakken? Wat voor advies hebben ze als het gaat om de benodigde krachtige statements om aan te geven waar de grenzen zijn? Je hoeft echt niet alles te weten, maar neem een pro actieve houding aan om te willen weten hoe iets zit. Ook dat draagt bij aan geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de politie.

Bronnen: Het tijdschrift voor de politie, jg.78, nr.5, 2016

 

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

attentie whatsapp

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

Door: Jos? H. Kerstholt, Arnout de Vries & Roy Mente

Samenvatting
De politieorganisatie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers, vooral in de context van Gebiedsgebonden Politiewerk (GGPW). Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken. We concluderen dat sociale media een steeds belangrijker rol spelen in de interactie tussen politie en burgers, wat nieuwe mogelijkheden cre?ert voor verdergaande samenwerking. Implementaties van GGPW, zoals verschillende vormen van burgerparticipatie, lijken vooral effect te hebben op sociaal-psychologische factoren als zichtbaarheid, vertrouwen en legitimiteit. Deze effecten kunnen echter wel de criminaliteitscijfers indirect be?nvloeden.

Een belangrijke pijler van Gebiedsgebonden politiewerk (GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur) is de samenwerking met burgers. Ook is er, in contrast met het traditionele politiewerk, een duidelijke verschuiving te zien van handhaving en vervolging naar preventie van criminaliteit (Gill, Weisburg, Telep, Vitter & Bennett, 2014). Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking met burgers, organisatieverandering en het oplossen van problemen. GGPW gaat dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers, maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet. De organisatieverandering houdt vooral in dat wijkagenten de ruimte moeten hebben om oplossingen af te stemmen op de lokale situatie, hetgeen vanuit de organisatie zo goed mogelijk gefaciliteerd dient te worden.

In een recente internationale studie naar de effecten van GGPW maakten Gill et al., (2014) een onderscheid in vijf indicatoren: criminaliteit, overlast, angst, tevredenheid van burgers en legitimiteit van de politie. De algemene conclusie die zij uit hun analyse trokken is dat GGPW positieve effecten heeft op de tevredenheid van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de politie, maar slechts zeer beperkte effecten op (angst voor) criminaliteit. Deze conclusie komt overeen met eerdere bevindingen: beperkte effecten op criminaliteitsreductie, maar positieve effecten op andere uitkomsten als de tevredenheid van burgers en vertrouwen in de politie (Weisburd & Eck, 2004).

Deze conclusies zijn gebaseerd op de directe effecten van GGPW, maar zoals ook is opgemerkt door Gill et al., (2014), zijn er wel aanwijzingen dat een toename van gepercipieerde legitimiteit er ook toe leidt dat burgers eerder meewerken en de criminaliteit afneemt (Bradford, Jackson & Hough, 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett & Tyler, 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de korte-termijn effecten van GGPW vooral tot uiting komen in psycho-sociale factoren als beleving en vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect hebben op het verlagen van criminaliteit.

Omdat het overzicht van Gill et al. (2014) vooral is gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten, geven we in het huidige paper een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar een?complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren naar een volgende generatie van GGPW.

Inleiding

In zowel de VS als Europa is er toenemende aandacht voor Gebiedsgebonden Politiewerk?(GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur). In?tegenstelling tot het traditionele politiewerk waarbij het accent op rechts- en?ordehandhaving ligt, is binnen het GGPW-concept het betrekken van burgers in?de preventiefase van groter belang. Uit verschillende overzichtsartikelen komt?naar voren dat GGPW positieve effecten heeft op uitkomsten als de tevredenheid?van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de
politie, maar slechts beperkte effecten heeft op de reductie van criminaliteit (Gill,?Weisburg, Telep, Vitter & Bennett 2014; Land, Stokkom & Boutellier 2014; Weisburd?& Eck 2004).

Hoewel de directe effecten van GGPW op criminaliteitsreductie beperkt lijken,?zijn er wel indirecte effecten. Een toename van gepercipieerde legitimiteit leidt er?bijvoorbeeld toe dat burgers eerder meewerken met de politie en dat de criminaliteit?afneemt (Bradford, Jackson & Hough 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett &?Tyler 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en?Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder?criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de kortetermijneffecten?van GGPW vooral tot uiting komen in psychosociale factoren als beleving en?vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect?hebben op het voorkomen van criminaliteit.
Omdat veel conclusies zijn gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten,?geven we in onderhavig artikel een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we?ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar?een complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om?de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren?naar een volgende generatie van GGPW.

Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking?met burgers, decentrale aansturing en het oplossen van problemen. GGPW gaat?dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers,?maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook?de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet.?De centrale vraagstelling van deze studie is derhalve welke effecten er zijn?gevonden van GGPW op zowel organisatieniveau als de directe samenwerking?met burgers.

1. GEBIEDSGEBONDEN POLITIEWERK
De belangrijkste redenen voor een landelijke implementatie van GGPW in Nederland in de jaren 90 van de vorige eeuw waren dat de politie: 1) meer direct zicht wilde hebben op relevante problemen in de wijk; 2) kon medi?ren tussen relevante belanghebbenden; en 3) meer autoriteit op kon bouwen (Boin, Van der Torre, ’t Hart, & Van der Meulen., 2003; Van der Vijver en Zoomer, 2004). De politie moest uit zijn isolement komen en het vertrouwen van burgers moest toenemen. Dus naast het bevorderen van veiligheid was het doel om via een lokale inbedding van de politie meer legitimiteit en vertrouwen van het publiek op te bouwen.
Binnen een basisteam zijn de wijkagenten sleutelfiguren voor de centrale doelen van GGPW, omdat zij in direct contact staan met de lokale gemeenschap. In principe is er ??n wijkagent per 5000 burgers, en voeren zij voor 80% van hun tijd activiteiten uit ten behoeve van de lokale gemeenschap. De wijkagenten werken daarbij samen met het basisteam, andere delen van de politieorganisatie, externe belanghebbenden en burgers.

Uit de Veiligheidsmonitor van 2014 (CBS, 2014) blijkt dat een kwart van de bewoners (zeer) tevreden is met het functioneren van de politie in de buurt wat ongeveer overeen komt met de cijfers uit 2012 en 2013. Opvallend is dat het grootste deel (42 procent) aangeeft dit niet te kunnen beoordelen. Ongeveer 40 procent van de respondenten vonden dat de politie burgers serieus neemt, bescherming biedt, reageert op problemen in de buurt en haar best doet. Slechts 20% vindt dat de politie contact heeft met bewoners in de buurt en zaken effici?nt aanpakt. Mensen zijn het meest negatief (49%) over de zichtbaarheid van de politie.

2. EFFECT STUDIES
Zowel op organisatieniveau als in de interactie met burgers speelt vertrouwen een centrale rol. Om vertrouwen te kunnen winnen is het noodzakelijk dat de politie zichtbaar en herkenbaar is?op wijkniveau. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het vertrouwen toe kan nemen als men de wijkagent kent (Beunders, Abraham, Van Dijk & Van Hoek 2011). Naast zichtbaarheid en herkenbaarheid zijn ook eerlijkheid en rechtvaardigheid van belang (Flight, Van Andel & Hulshof, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat de perceptie van eerlijkheid en rechtvaardigheid belangrijker is voor de legitimiteit dan de gepercipieerde effectiviteit. Met andere woorden: de manier waarop de politie omgaat met burgers is belangrijker dan de objectieve resultaten (Hough, Jackson, Bradford, Myhill, Quinton, 2010).

2.1 Organisatie
Net als in internationale studies heeft de Nederlandse wijkagent de taak om voor veiligheid in de wijk te zorgen, daarbij samen te werken met andere partijen en burgers te activeren om met hem of haar samen te werken (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Effecten van GGPW blijken echter lastig te meten door onder meer de ambigu?teit van het concept en de doelen van GGPW (Terpstra, 2009; Van der Vijver & Zoomer, 2004). Bovendien moet het concept adequaat ge?mplementeerd zijn (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Als te vroeg wordt ge?valueerd worden eerder implementatieproblemen gemeten dan de feitelijke effecten. Een laatste complicerende factor is dat GGPW per definitie een samenwerkingsverband is van meerdere partijen, waardoor effecten niet toegeschreven kunnen worden aan ??n afzonderlijke partij.

Hoewel de criminaliteit over de afgelopen jaren is gedaald (in 2014 werd zelfs acht procent minder misdrijven geregistreerd dan in 2013), is het niet duidelijk waar dit precies aan toe moet worden geschreven. Het algemene effect van GGPW had vastgesteld kunnen worden bij de invoering, maar dat heeft alleen in Haarlem plaatsgevonden (Van der Vijver en Zoomer, 2004). De effecten waren daar echter wel positief: minder criminaliteit-gerelateerde problemen, minder angst voor criminaliteit en burgers dachten positiever over de politie.

Als antwoord op het ambigue karakter van GGPW, analyseerde Terpstra (2011) de dagelijkse praktijk van wijkagenten en concludeerde dat er een discrepantie is tussen de theorie en de praktijk. Werkgebieden zijn vaak groot, er is slechts beperkte tijd om op straat door te brengen, en er is in het algemeen weinig beleid over hoe GGPW toegepast zou moeten worden. Hierdoor is het contact met burgers doorgaans beperkt en in de praktijk zijn wijkagenten slechts ge?nteresseerd in ??n specifieke vorm van burgerparticipatie: burgers als bron van informatie.

Rol van sociale media
Door technologische innovaties verandert de interactie tussen burgers en organisaties, zowel priv? als zakelijk. Steeds meer mensen, en ook de organisaties waar zij mee interacteren, gebruiken digitale communicatiemiddelen. Sociale media zijn ontwikkeld om de dialoog met een groot publiek te verbeteren (?many-to-many? interactie?) (Bertot, Jaeger & Hansen, 2012) Door sociale media kan op een snelle manier met een grote groep mensen worden ge?nteracteerd en het toenemende gebruik ervan binnen de politie heeft waarschijnlijk een grote invloed op de relatie met burgers.
Het eerste politie account op Twitter werd geregistreerd op 24 juli 2009 en in maart 2012 waren er 1000 accounts, waarvan 755 van wijkagenten (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012). Die 1000 politieaccounts hadden meer dan 770.000 volgers, dus een gemiddelde van 770 volgers per account. In maart 2011 was dit toegenomen naar 150.000 volgers. In de loop van 2015 zijn er al meer dan 2000 politie accounts met gezamenlijk meer dan 4 miljoen volgers en zit de meerderheid van de wijkagenten op Twitter. Het aantal Twitter accounts en volgers is dus duidelijk snel aan het toenemen wat Twitter en andere social media platformen zoals Facebook, tot een serieuze communicatiemiddelen maakt, zowel voor het uitwisselen van informatie als voor het opbouwen en het onderhouden van een vertrouwensrelatie.

Twitterende wijkagenten spenderen tussen 10 en 30 minuten per dag aan het zelf sturen van een tweet of het reageren op tweets van anderen (Meijer et al., 2012). De inhoud van de tweets gaat over waar ze op dat moment mee bezig zijn, en kan gaan over wijkgerelateerde criminaliteit of aanhoudingen. Ongeveer 80% van de twitterende wijkagenten zegt te twitteren over tips met betrekking tot preventie, een kwart vraagt burgers mee te denken met specifieke vraagstukken, en slechts een klein deel zegt over priv?-zaken te twitteren. Vaak melden wijkagenten overigens wel dat ze met vakantie gaan om daarmee aan te geven dat reacties wat langer op zich kunnen laten wachten of ze verwijzen naar een collega. De wijkagenten hoeven slechts vrij globale richtlijnen te volgen bij het opstellen van tweets, maar vaak wordt hun twittergedrag wel gevolgd vanuit de organisatie en in sommige korpsen heeft het management ook toegang tot de accounts van de wijkagenten. Ook op lokaal niveau volgen wijkagenten elkaar vaak waardoor zij kennis kunnen delen en ook weet hebben van actuele zaken die in andere wijken spelen.

2.2 Burgerparticipatie
Binnen het concept van GGPW is er een breed scala aan mogelijkheden om burgers te betrekken bij politietaken en zo samen te werken aan het verhogen van de veiligheid in de buurt. Land, Stokkom en Boutellier (2014) maakten in een recent overzicht een onderscheid in zeven vormen van burgerparticipatie in het politiedomein:

  • 1) Toezicht: informele sociale controle in de (semi) openbare ruimte waarbij, mogelijk met behulp van technologie, ongewenste situaties gecommuniceerd kunnen worden (bijvoorbeeld buurtwachten en ?Whatsappgroepen);
  • 2) Opsporing: informatie verzamelen ten behoeve van de opsporing van verdachte personen en zo criminaliteit en overlast actief tegengaan (bijvoorbeeld Opsporing Verzocht);
  • 3) Zorg voor de openbare ruimte: verbeteren en verfraaien van de openbare ruimte (bijvoorbeeld bewonersbudgetten, Opzoomer-achtige projecten);
  • 4) Conflictbemiddeling: bewoners met vaardigheden uitrusten om zelf onderlinge conflicten op te lossen en zo de woonoverlast in buurten terug te dringen (bijvoorbeeld buurtbemiddeling);
  • 5) Contactbevordering: contact bevorderen tussen bewoners of tussen bewoners en de politie en zo het onderlinge vertrouwen vergroten (bijvoorbeeld gedragscodes);
  • 6) Informatiebemiddeling: informatie verzamelen en toegankelijk maken (bijvoorbeeld Politie-app);
  • 7) Beleidsbe?nvloeding: vergroten van de zeggenschap van burgers bij de totstandkoming van beleid gepaard aan coproductie in de uitvoering van beleid (bijvoorbeeld Buurt Bestuurt en Veilige Buurten Teams).

De categorisatie die door Land et al. (2014) is voorgesteld hebben we langs twee dimensies gestructureerd: betrokkenheid van burgers en veiligheidsdomein. Voor de betrokkenheid van burgers hebben we de participatieladder gebruikt zoals die in eerste instantie is beschreven door Arnstein (1969). Arnstein (1969) maakte een onderscheid in 8 typen van burgerbetrokkenheid. De onderste sporten van de ladder zijn ?manipulatie? en ?therapie? en aangezien dit geen vormen van participatie zijn zoals hier bedoeld hebben we deze twee vormen buiten beschouwing gelaten. De derde en vierde sport geven burgers een stem: informeren en consulteren. Informeren wordt meestal gedaan via instrumenten als nieuwsberichten, flyers of posters, terwijl het consulteren kan gebeuren via vragenlijsten of openbare bijeenkomsten. Op de vijfde sport (bedaren of tevredenstellen) beginnen burgers wat invloed te krijgen. Op dit niveau kan burgers om advies worden gevraagd hoewel ze geen?daadwerkelijke macht hebben omdat ze geen beslissingen nemen. Op de laatste sporten (6: partnerschap, 7: gedelegeerde macht en 8: burger controle) hebben burgers daadwerkelijk invloed omdat hier sprake is van een herverdeling van de macht via onderhandelingen tussen burgers en machthebbers. Voor ons doel hebben we een driedeling gemaakt voor de mate van burgerparticipatie: 1) informeren en consulteren; 2) adviseren; en 3) co-produceren/ meebeslissen. Daarnaast hebben we een onderscheid gemaakt in het veiligheidsdomein waarbinnen burgerparticipatie plaatsvindt: preventie, handhaving, opsporing en het hogere niveau ?kwaliteit van leven? (zie Tabel 1).

tabel1

Tabel 1: Overzicht vormen van burgerparticipatie gerelateerd aan mate van invloed en domein Informeren/ consulteren Adviseren Co-produceren/ meebeslissen Preventie Informatiedeling Toezicht (bv burgerwacht) Handhaving Alertering (bv Burgernet) Beleidsbe?nvloeding (bv Buurt Bestuurt) Opsporing Burgeronderzoek (bv meedenken met lopende zaken) Kwaliteit van leven Conflictmediatie Zorg openbare ruimtes (bv wijkbudgetten)

De rol van sociale media is voor alle vormen van burgerinitiatieven toegenomen. Daarbij is het van belang om op te merken dat online en offline participatie niet onafhankelijk zijn van elkaar. Online participatie moet gezien worden als een aanvulling op offline participatie in plaats van een vervanging. Een voorbeeld van deze toegevoegde waarde is het?alerteringssysteem Burgernet, een instrument waarmee de politie burgers kan vragen om uit te kijken naar specifieke personen. Burgernet kan via Twitter worden gevolgd en de registratie gebeurt online, maar voor de alertering wordt gebruik gemaakt van de telefoon en SMS en is er sinds kort ook een app. Als burgers na een melding een gezochte persoon hebben gesignaleerd kunnen ze dit aan de meldkamer doorgeven, waardoor de politie mogelijk het zoekgebied weer aan kan passen. Er kan dus een mix van instrumenten worden gebruikt die optimaal is afgestemd op de specifieke situatie die zich voordoet.

1. Informeren en consulteren
De mogelijkheden om informatie met burgers te delen zijn enorm toegenomen met de komst van sociale media. Uit onderzoek van Veltman (2011) bleek bijvoorbeeld dat volgers op Twitter een positiever beeld hebben van de politieorganisatie. Deze positieve effecten werden echter niet alleen voor Twitter gevonden maar eigenlijk in alle gevallen dat de politie gericht informatie deelde met burgers en hen betrok bij lokale politiezaken. Twitter bleek geen toegevoegde waarde te hebben in het vergroten van vertrouwen maar er werd wel een klein effect gevonden op de gepercipieerde legitimiteit van de politie (Boverman, Van Duijn, De Graaf & Ritzema, 2011). Bovendien leidde het gebruik van Twitter tot een toename van gepercipieerde autoriteit, vooral voor wat betreft effectiviteit, zichtbaarheid en controleerbaarheid.

Een voorbeeld van een project in het preventiedomein zijn buurtpreventie- of interventieteams, waarbij burgers surveilleren in een publieke ruimte om vroegtijdig crimineel gedrag te detecteren of om crimineel gedrag te voorkomen (door bijvoorbeeld buurtbewoners te informeren dat er een raam open staat). Het doel is om potenti?le criminelen af te schrikken of aanstootgevend gedrag te be?nvloeden. Deze buurtwachten kunnen ondersteund worden door bijvoorbeeld Whatsapp. Het effect van buurtwachten is tot op heden niet aangetoond omdat de implementatie vaak een combinatie van interventies betrof (een uitzondering hierop vormt een recent onderzoek van de Universiteit van Tilburg waarin werd aangetoond dat het aantal woninginbraken daalde als gevolg van Whatsapp groepen (Akkermans & Vollaard, 2015)). Deelnemers waren echter wel positief over de inzet van buurtwachten, omdat ze meer veiligheid ervaren en hun gevoel van controle over de buurt is toegenomen. Dit geldt echter niet voor alle wijken. Voor sommige wijken nam het gevoel van onveiligheid zelfs toe, mogelijk in wijken waar het niveau van vertrouwen laag is (Eijck, 2013).

Voor burgerparticipatie binnen het opsporingsdomein wordt ook steeds meer gebruik gemaakt van moderne technologie?n als sociale media, apps en Facebook, waardoor zowel snelheid als effici?ntie van de informatie-uitwisseling is toegenomen (Meijer et al. 2012). Via deze communicatiemiddelen wordt burgers meestal gevraagd of ze iets gezien of gehoord hebben, maar burgers zouden ook zienswijzen kunnen genereren over wat er mogelijk gebeurd zou kunnen zijn. Door hun grotere afstand van een zaak, zouden burgers meer onconventionele of creatieve scenario?s (opsporingshypothesen) kunnen verzinnen, wat vervolgens het opsporingsproces een nieuwe impuls kan geven. Zo staat er op de politiesite (politie.nl) een aantal dossiers met informatie over zaken (bijvoorbeeld over de incidenten bij Jumbo-supermarkten in Groningen en Zwolle). Burgers wordt expliciet gevraagd tips te geven of mogelijke scenario?s te genereren. Ook kunnen burgers aangeven of zij op de hoogte willen worden gehouden van het verloop van de zaak.

Binnen de handhaving zijn een scala aan instrumenten beschikbaar die worden ingezet voor het signaleren van specifieke personen, waarvan Burgernet en Amber Alert waarschijnlijk de meest bekende zijn. Amber Alert wordt specifiek ingezet voor vermiste kinderen, terwijl Burgernet meer algemeen wordt ingezet. Hoewel het lastig is om effecten specifiek aan de input van burgers toe te schrijven suggereren Cornelissen en Ferwerda (2010) dat het aantal criminelen dat op heterdaad wordt betrapt toe is genomen door de inzet van Burgernet. Een aanvullend effect is dat burgers zich veiliger voelen door Burgernet omdat hun gevoel van controle is toegenomen. Burgers zijn over het algemeen positief over hun deelname, zijn meer alert op verdachte situaties en hebben een positiever beeld van de politie (Cornelissen & Ferwerda, 2010).

Meijer et al. (2011) onderzochten het verschil tussen Twitter en Burgernet en concludeerden dat Twitter van toegevoegde waarde is op SMS en telefoon. Het gebruik van Twitter had een positief effect op de betrokkenheid van burgers maar omdat er minder aandacht aan Twitter wordt besteed dan aan SMS of de telefoon, beperkte het effect zich tot situaties die minder tijd-kritisch zijn. Twitter kan worden gezien als een technologie die ondersteunend is voor de zwakkere verbindingen in sociale netwerken (weak ties) en is daarmee aanvullend op technologie?n die de sterke verbindingen ondersteunen zoals SMS en telefoon.

2. Adviseren
Bij de middelste categorie van de participatieladder hebben burgers wat meer invloed. Projecten die hier binnen vallen gaan vaak over het vergroten van de leefbaarheid van een wijk. Bij projecten die zich op de openbare ruimte richten kunnen twee subcategorie?n worden onderscheiden: gedragscode projecten en wijkbudgetten (Land et al., 2014). Voor beide subcategorie?n geldt dat het doel is om de sociale en fysieke leefbaarheid van de omgeving te bevorderen. Vooral de fysieke aspecten (schoon, heel en werkzaam) zijn van invloed op gevoelens van veiligheid (Blokland 2009). Een programma in Rotterdam (Opzoomeren, later ?Mensen maken de stad? genoemd) is exemplarisch voor beide subcategorie?n omdat zowel stadsetiquette als wijkbudgetten er onderdeel van uitmaken (Land et al., 2014). In dit programma kunnen burgers allerlei kleinschalige initiatieven bedenken om de leefbaarheid van hun woonomgeving te verbeteren zoals betere verlichting, onderhoud aan voortuinen, maar ook het bevorderen van onderling contact. Basisidee is dat burgers elkaar beter leren kennen door samen activiteiten te ondernemen zoals samen de groenvoorziening onderhouden of het organiseren van buurtfeesten. Daardoor neemt niet alleen de leefbaarheid en veiligheid toe maar ook de sociale cohesie.

3. Co-produceren/ meebeslissen
In de laatste categorie (co-produceren/ meebeslissen) vallen projecten waarin burgers daadwerkelijk invloed hebben op het beleid en problemen gezamenlijk worden aangepakt. Er zijn een aantal projecten in deze categorie waarbij ?Buurt Bestuurt? in Rotterdam waarschijnlijk wel de invloedrijkste is. ?Buurt Bestuurt? begon in 2009 met als belangrijkste doel om het publieke vertrouwen in de lokale overheid (waaronder de politie) te herstellen, om de problemen te identificeren die bewoners het belangrijkste vonden, en om samen oplossingen te bedenken. Als zodanig is het gebaseerd op het Britse ?reassurance policing? concept (Eysink Smeets, Moors, Jans & Schram, 2013).
Burgers die aan ?Buurt Bestuurt? deelnemen hebben het gevoel dat zij een zinvolle bijdrage leveren aan het oplossen van problemen in de wijk, zij ervaren dat de samenwerking met professionals verbetert en hebben ook meer vertrouwen in professionals. Het aantal mensen dat actief bijdraagt aan Buurt Bestuurt is echter vrij klein en niet representatief voor de gehele wijk. Dit lage percentage actieve burgers is waarschijnlijk ook de reden dat er geen meetbare effecten op wijkniveau zijn gevonden (Eysink Smeets et al. 2013).

3. CONCLUSIES

3.1 Organisatie
Wil GGPW succesvol zijn dan moeten oplossingen optimaal zijn afgestemd op de lokale context, en op de behoeften van burgers en andere relevante belanghebbenden. Omdat deze aspecten vari?ren over wijken, hebben wijkagenten discretionaire ruimte nodig: zij moeten de ruimte hebben om, binnen algemene kaders, zelf beslissingen te nemen op basis van hun inschatting van de lokale situatie. Aan de andere kant moet de positie en het functioneren van de wijkagent goed worden ingebed in de organisatiestructuur van de Nationale politie. Voor maximale flexibiliteit is GGPW het best gebaat bij een relatief platte organisatiestructuur, die zo goed mogelijk een genetwerkte vorm van samenwerking faciliteert en ondersteunt.
Onafhankelijk van de organisatiestructuur is vertrouwen een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle samenwerking tussen burgers en politie. Lokale zichtbaarheid en rechtvaardigheid zijn kernwaarden om het vertrouwen van burgers te bevorderen.
Sociale media kunnen een goede bijdrage leveren aan zichtbaarheid en herkenbaarheid als aanvulling op de fysieke aanwezigheid van agenten in de wijk. Steeds meer wijkagenten gebruiken bijvoorbeeld Twitter en dit heeft een grote impact op de interactie tussen burgers en politie. Door de snelle en directe communicatie kunnen burgers steeds beter betrokken worden, maar aan de andere kant maakt toenemende zichtbaarheid ook kwetsbaarder, onder meer door de vage scheidslijn tussen priv? en zakelijke informatie-uitwisseling.

Dit alles neemt niet weg dat er een duidelijke maatschappelijke trend is om meer gebruik te maken van het enorme potentieel aan capaciteit, kennis en kunde die burgers te bieden hebben. De vraag is daarom niet ?f organisaties met deze trend mee moeten gaan maar meer hoe structuur, cultuur en werkwijze zo goed mogelijk aangepast kunnen worden om de switch naar een meer genetwerkte manier van optreden te kunnen maken.

3.2 Burgerparticipatie
Er is een groot scala aan initiatieven waarin wordt samengewerkt met burgers. We hebben in ons overzicht een onderscheid gemaakt in drie categorie?n die een toenemende invloed van burgers laten zien: informatie/consulteren, adviseren en co-productie/meebeslissen. De meeste?initiatieven bevonden zich in de eerste categorie, wat betekent dat de daadwerkelijke invloed van burgers nog niet zo groot is. Aan de ene kant is dat begrijpelijk omdat de politie, samen met de militaire organisatie, een geweldsmonopolie heeft en burgers slechts tot op zekere hoogte bij kunnen dragen. Aan de andere kant is er wellicht ook wel meer interactie mogelijk en wenselijk om burgers meer te betrekken bij het oplossen van veiligheidsproblemen in hun eigen leefomgeving.
Een algemeen probleem bij participatieprojecten is dat slechts een beperkt aantal burgers bereid is om zich in te zetten en dat die groep niet representatief is voor de totale gemeenschap (hoewel mogelijk wel voor de problemen die er spelen). E?n van de oplossingsrichtingen is om beter aan te sluiten bij de behoeften van burgers. Een mooi voorbeeld is WAAKS, waarbij hondenbezitters worden gevraagd om tijdens het uitlaten van hun hond extra op te letten en verdachte signalen door te geven aan de politie. Een win-win situatie die weinig extra inspanning kost: de hond moet toch worden uitgelaten, de hondenbezitter heeft zijn of haar bijdrage geleverd aan de veiligheid in de wijk en de politie heeft er extra oren en ogen bij.

3.3 Effectmeting
De effecten van (implementaties van) GGPW zijn lastig vast te stellen. Een van de redenen is dat er een focus is op criminaliteitsreductie in plaats van wijk-gerelateerde indicatoren (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Criminaliteitsbestrijding wordt nog vaak gezien als het ?echte? politiewerk en is ook makkelijker te meten. Toch was het doel van GGPW, naast het verlagen van criminaliteit, ook om het vertrouwen van burgers en de legitimiteit van de politie te vergroten. Dus een eerste vereiste voor het meten van effecten is dat het doel van GGPW duidelijk wordt vastgesteld. Daarnaast blijkt uit recent onderzoek dat sociaal-psychologische factoren als gepercipieerde legitimiteit en vertrouwen indirect wel een invloed hebben op criminaliteit (Braga et al., 2015; Gill et al., 2014). Ook om deze reden is het van belang om niet alleen naar criminaliteitscijfers te kijken maar ook naar andere indicatoren zoals bekendheid in de buurt en mate van samenwerking in het voorkomen en oplossen van veiligheidsproblemen. Deze meer korte termijn effecten kunnen vervolgens bijdragen aan de meer lange termijn effecten zoals de reductie van criminaliteit.

Referenties
Akkermans, M. & Vollaard, B. (2015) Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken ? een evaluatie. Onderzoeksrapport Universiteit Tilburg.
Arnstein, S. R. (1969) A ladder of citizen participation. Journal of the American Institute of Planners, 35(4), 216-224.
Bertot, J. C., Jaeger, P. T., & Hansen, D. (2012) The impact of polices on government social media usage: Issues, challenges, and recommendations. Government Information Quarterly, 29(1), 30-40.
Beunders, H.J.G., M.D. Abraham, A.G. van Dijk & A.J.E. van Hoek (2011) Politie en publiek. Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. Amsterdam: Reed Business.
Blokland, T. (2009). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Boin, R. A., van der Torre, E. J., Paul ’t Hart, & van der Meulen, M. J. (2003) Blauwe bazen: het leiderschap van korpschefs. Politie & Wetenschap.
Boverman, E., Van Duijn, L., De Graaf, P. & Ritzema, J. (2011). Politie, twitter en gezag. Warnsveld: Politie Nederland.
Bradford, B., Jackson, J. & Hough, M. (2013). Police Legitimacy in Action: Lessons from Theory and Practice?, in Reisig, M. & Kane, R. (eds.) The Oxford Handbook of Police and Policing. Oxford: Oxford University Press.
Braga, A. A., Welsh, B. C., & Schnell, C. (2015). Can Policing Disorder Reduce Crime? A Systematic Review and Meta-analysis. Journal of Research in Crime and Delinquency, 52(4), 567-588.
Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) (2014). Integrale Veiligheidsmonitor 2014. Zoetermeer.
Cornelissen, A. & H. Ferwerda (2010). Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap en Arnhem: Bureau Beke.
Eijk, G. Van (2013). Veiliger door de buurtwacht? Over de veiligheidsbeleving van burgerparticipanten en het belang ervan voor lokaal veiligheidsbeleid. Tijdschrift voor Veiligheid, 12, 20-33.
Eysink Smeets, M., Moors, H., Jans, M. & Schram, K. (2013). De bijzondere belofte van Buurt Bestuurt. Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties
Gill, C., Weisburd, D., Telep, C. W., Vitter, Z., & Bennett, T. (2014). Community-oriented policing to reduce crime, disorder and fear and increase satisfaction and legitimacy among citizens: a systematic review. Journal of Experimental Criminology, 10(4), 399-428.
Flight, S., van den Andel, A. & Hulshof, P. (2006) Vertrouwen in de politie. Een verkennend onderzoek. Amsterdam: DSP-Groep.
Hough, M., Jackson, J., Bradford, B., Myhill, A., & Quinton, P. (2010). Procedural justice, trust, and institutional legitimacy, Policing: A Journal of Policy and Practice, 203-210.
Land, M. van der, Stokkom, B. van, Boutellier, H. (2014). Burgers in veiligheid: Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid [Citizens in security: Inventarisation of citizen involvement in the security domain]. Den Haag: Research and Documentation Centre (WODC) (in Dutch).
Mazerolle, L., Antrobus, E., Bennett, S., & Tyler, T. R. (2013). Shaping citizen perceptions of police legitimacy: A randomized field trial of procedural justice. Criminology, 51(1), 33-63.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S., Bos & Fictorie, D. (2011). Burgernet via Twitter. Onderzoek naar de waarde van dit nieuwe medium. Report University of Utrecht.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S.G., Fictorie, D., Thaens, M. & Siep, P. (2012). Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Terpstra, J. (2009). Community policing in practice: ambitions and realization. Policing, 4, 64-72.
Van der Vijver, K., & Zoomer, O. (2004). Evaluating community policing in the Netherlands. European journal of crime, criminal law and criminal justice, 12(3), 251-267.
Veltman, L. (2011). Twitterende wijkagenten en de beleving van burgers: Een onderzoek naar de effecten van een twitterende wijkagent. Masterscriptie Public Administration. Enschede: University of Twente.
Vries de, M.S., Vijver van der, C.D., (2002). Beelden van gezag bij de bevolking en bij de politie, Dordrecht: Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie.
Weisburd, D., & Eck, J. E. (2004). What can police do to reduce crime, disorder, and fear?. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 593(1), 42-65.

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het Europese project INSPEC2T (Inspiring CitizeNS Participation for Enhanced Community PoliCing AcTions);

Bronnen: Tijdschrift voor Veiligheid 2015 (14)

Big Data in een vrije en veilige samenleving

WRR Big Data

Big Data-toepassingen bieden vele kansen voor opsporing en surveillance. Ze maken snelle en precieze reconstructies van misdaden mogelijk, evenals gerichte inspecties en het realtime volgen van ontwikkelingen bij crisissituaties. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe risico?s voor burgers, op het gebied van privacy, discriminatie en de vrije meningsuiting. Aan de horizon dreigt (semi-)automatische besluitvorming, waarbij de uitkomsten van data-analyses sturend zijn voor het handelen van veiligheidsorganisaties.

De WRR analyseert in dit rapport hoe de Nederlandse overheid Big Data kan gebruiken en richt zich daarbij specifiek op het veiligheidsdomein. Big Data kan volgens de raad uitsluitend vruchten afwerpen als de huidige wet-en regelgeving wordt versterkt om fundamentele rechten en vrijheden te waarborgen. Hiertoe moet de aandacht worden verlegd van het reguleren van het verzamelen van data ? het zwaartepunt in de huidige juridische kaders ? naar de regulering van en het toezicht op de fases van de analyse en het gebruik van Big Data. Voor de vrijheid en de veiligheid van de burgers doen zich in deze twee fasen van Big Data-processen de grootste kansen ?n de grootste risico?s voor.

[slideshare id=61479991&doc=bigdataineenvrijeenveiligesamenleving-160428204125&type=d]
[slideshare id=61480471&doc=factsheetaanbevelingenr95-160428205914&type=d]

Download de complete publicatie als pdf bestand

Download de samenvatting als pdf bestand

Bronnen: WRR

Nieuwe media, nieuwe melden

melden

Je ligt onder je bed en je kunt 112 niet bellen omdat een indringer in je huis rondloopt. Of je bent slechthorend en verstaat de instructies van de centralist niet. Wat doe je dan? Je post tekst- of beeldberichten op social media. Maar die komen niet terecht bij de meldkamer, omdat de systemen hier niet op zijn ingericht. TNO?er Arnout de Vries ziet het met lede ogen aan. Hij is dan ook razend enthousiast als hem om hulp wordt gevraagd.

“Meldingen die burgers via social media doen, bereiken de meldkamer echter niet”

De Vries is expert op het gebied van social media en veiligheid. Hij heeft via onderzoek aangetoond dat hulpverleners ter plaatse effectiever handelen als zij informatie van social media tot hun beschikking hebben. Vervolgens helpt hij bij de realisatie van real time intelligence centers in de nieuwe 112-meldkamers. Van daaruit worden hulpverleners 24/7 voorzien van real time social media informatie. Meldingen die burgers via social media doen, bereiken de meldkamer echter niet.

Laat staan dat tekst- en beeldberichten direct naar de meldkamer gestuurd kunnen worden; er is geen digitaal loket. De ICT-systemen lopen achter bij de nieuwe mogelijkheden die er zijn. Terwijl burgers verwachten dat dit al lang geregeld is. Die kloof moet overbrugd worden voordat burgers en bedrijven hun eigen meldkamer gaan organiseren. Dat risico is volgens De Vries levensgroot aanwezig.

Modernisering meldproces

De technologische en maatschappelijke ontwikkelingen gaan razendsnel. Dat zet de overheid onder druk. Het ministerie van Veiligheid en Justitie en de kwartiermakersorganisatie Landelijke Meldkamer Organisatie (LMO) vragen daarom De Vries om hulp. Zij willen weten waar zij rekening mee moeten houden bij het moderniseren van het meldproces. Welke nieuwe manieren van melden zijn er nu al en welke gaan er in de toekomst ontstaan? Welke kansen biedt dat? Hoe integreer je dat in toekomstbestendig beleid? Om deze vragen te beantwoorden stelt De Vries een klein multidisciplinair team samen van TNO-collega?s. Zij zijn futuroloog, weten veel van het meldkamerdomein, zijn thuis in strategic business analysis en roadmapping of zijn expert op het gebied van nieuwe ICT-toepassingen en veiligheid. Met elkaar verkennen zij de toekomst. Als eerste kijken zij naar de manier waarop de maatschappij zich de komende jaren ontwikkelt. Vier verschillende leefwerelden worden geschetst, met ieder een andere uitwerking op het meldproces.

Toekomstgerichte scenario’s

Voor De Vries wordt het op dat moment duidelijk dat ?het nieuwe melden? van veiligheidsincidenten niet alleen gevolgen heeft voor de LMO in oprichting, maar ook voor de politie. Op zijn advies wordt de politie daarom mede-opdrachtgever. Vervolgens stelt hij samen met zijn teamgenoten toekomstgerichte scenario?s op en gaat daarover de discussie aan met professionals uit het meldkamer- en politiedomein. Dit is een beproefde methodiek om bouwstenen te krijgen voor de roadmap die De Vries wil opstellen. Maar dat blijkt nog een behoorlijke klus te zijn. Zij lopen namelijk tegen de complexiteit van het meldkamer- en politiedomein aan.

Veel partijen willen meedenken en hun mening geven

Veel partijen willen meedenken en hun mening geven. Door hun jarenlange kennis en ervaring weten De Vries en zijn mensen hiermee om te gaan en het te benutten. Zij worden daarbij geholpen door hun opdrachtgevers, die stelling durven nemen en met andere partijen zaken helder afstemmen.

In de startblokken

De Vries en zijn team leveren als resultaat een visie op ?het nieuwe melden? en een roadmap richting 2025. Aan de hand van vier toekomstige leefwerelden laat de roadmap zien welke stappen op korte en lange termijn nodig zijn om het nieuwe melden mogelijk te maken. De Tweede Kamer zal deze routekaart in ontvangst nemen. De Vries is trots op de resultaten. Samen met zijn team heeft hij opnieuw een aanzet tot verandering gegeven. Maar hij denkt ook al weer verder. Om de roadmap te realiseren is het nodig om te experimenteren, te innoveren, te verbinden en samen te werken met het bedrijfsleven. Ook dat pakt De Vries graag op. Energiek heeft hij de eerste stappen alweer gezet?

Om de roadmap te realiseren is het nodig om te experimenteren, te innoveren, te verbinden en samen te werken met het bedrijfsleven.

Bronnen: TNO Time

Wie belt er nog?

De manier waarop we communiceren verandert. Dit heeft invloed op de manier van het?melden van gebeurtenissen aan politie, brandweer, ambulancezorg en bijvoorbeeld?gemeenten. Als er iets bedreigends gebeurt bel je nu natuurlijk 112 of 0900-8844.?Kan het wachten, dan doe je een melding via het web. Maar hoe ziet ?Het Nieuwe Melden??er in 2025 uit?

Het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Landelijke Meldkamer Organisatie (LMO) hebben TNO gevraagd waar zij rekening mee moeten houden bij het moderniseren van het meldproces. Welke nieuwe manieren van melden zijn er nu al en welke gaan er in de toekomst ontstaan? Welke kansen biedt dat? Hoe integreer je dat in toekomstbestendig beleid? Om deze vragen te beantwoorden heeft een team van TNO-experts een roadmap 2025 voor het meldkamer- en politiedomein ontwikkeld. Aan de hand van toekomstverkenningen beschrijven zij welke stappen gezet moeten worden om vernieuwende manieren van melden mogelijk te maken.

Dit boekje dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden schetst een langere termijn visie en roadmap voor het (spoedeisend) melden in?het domein van de openbare orde, veiligheid en ambulanzezorg. Het beschrijft ?Het Nieuwe?Melden? in uiteenlopende toekomstige leefwerelden en stelt de vragen: wie wil je zijn en?wie moet je zijn als overheid in 2025 (visie), welke keuzes maak je dan om burgers te?bedienen in het (nieuwe) meldproces en hoe kom je daar (roadmap)?

Op de weg naar Het Nieuwe Melden voorziet TNO een aantal transities. Deze transities zijn?al in gang gezet, maar er is nog een innovatieve weg te gaan. De toekomstverkenning in?dit boekje is daarom geen eindpunt, maar is bedoeld als startpunt voor een discussie over?dienstverlening en het melden in de toekomst, waaraan ?lle overheden, markt- en?ketenpartijen en ook burgers deelnemen. Op naar een toekomst waarin burgers kunnen?blijven bouwen op de dienstverlening van de overheid.

Bronnen: TNO, Tweede Kamer

Opsporing op social media en stelselmatige informatie-inwinning

sherlock-holmes_artikel-arnout_240

Voor informatie die burgers via social media naar buiten brengen bestaat vanuit opsporingsinstanties veel belangstelling. Het gebruik van deze informatie door de opsporing moet plaatsvinden binnen wettelijke kaders, en van het bestaande wettelijke kader is niet altijd duidelijk hoe het moet worden toegepast in een online-omgeving. Op grond van de taakomschrijving van de politie in art. 3 Politiewet mag de politie bepaalde opsporingshandelingen verrichten. De vraag is wanneer de inbreuk op de privacy die dat onderzoek veroorzaakt zodanig is dat een eigenstandige legitimering in de wet noodzakelijk is.

In dit onderzoek van Marnix Oosterhoff staat de vraag centraal of de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige observatie en stelselmatige informatie-inwinning voldoende mogelijkheden bieden om binnen de grenzen van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel op rechtmatige en verantwoorde wijze online opsporingswerkzaamheden uit te voeren. Door empirisch onderzoek is nagegaan hoe de politie omgaat met opsporingsbevoegdheden op social media. O.b.v. literatuur en ontwikkelingen in de maatschappij is vastgesteld welke definitie van privacy gehanteerd kan worden in een online omgeving en hoe het recht op privacy is gecodificeerd. Van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is aangetoond dat stelselmatige informatie-inwinning (126j) onder voorwaarden toepasbaar is op de opsporing op social media.?De auteur neemt het standpunt in?van een smalle definitie van stelselmatige observatie (126g) en dat dit artikel afvalt bij opsporing op social media omdat dit artikel gaat over?het waarnemen van gedrag en niet?de resultaten daarvan. Bij opsporing op social media gaat het over het verzamelen van informatie.

Gelet op verschillende knelpunten rondom de toepassing van artikel 126j en het feit dat niet volledig helder is op welke wijze dit artikel moet worden toegepast bij informatie-inwinning in een niet-fysieke omgeving verdient het aanbeveling om een aparte bevoegdheid voor online informatievergaring in het leven te beroepen, bijvoorbeeld als onderdeel van het lopende traject van herziening van het wetboek van strafvordering. Deze bevoegdheid zal dan wel technologie-onafhankelijk geformuleerd moeten worden.

Inbreuk op privacy?

Door een subjectief privacybegrip is het moeilijker om te bepalen wanneer er sprake is van een inbreuk op het recht op privacy. Immers, als de beoordeling van de inbreuk wordt overgelaten aan het subjectieve oordeel van de betrokken persoon, kan bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een bepaalde handeling door de ene persoon wel en door een andere persoon niet als inbreuk op de privacy worden beschouwd. Toegepast op social media: de ene persoon zal er geen moeite mee hebben dat de politie zijn openbare berichten op Facebook leest, terwijl een andere persoon dat als ongepast zal beschouwen omdat hij het niet met dat doel op Facebook heeft geplaatst. De overheid zal in dat geval niet anders kunnen dan een voorzichtige houding aannemen en dan al snel het in het kader van de opsporing verzamelen van informatie op social media als inbreuk op het recht op privacy moeten beschouwen. Door middel van een voortdurende maatschappelijke discussie en eventuele proefprocessen zal moeten worden vastgesteld wat passend is en wat niet.

Op basis van haar algemene bevoegdheid mag de politie inbreuk maken op de rechten van burgers, dus ook op het recht op privacy. Echter, als die inbreuk meer dan gering is, vormt art. 3 PolW onvoldoende basis, en zijn aanvullende bevoegdheden noodzakelijk. De bevoegdheid kan gevonden worden in de BOB-wetgeving, maar dan moet wel aan de daarin opgenomen voorwaarden zijn voldaan.

Onderdeel van de eisen die art. 8 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) stelt aan een inbreuk is dat deze voorzienbaar moet zijn. Ten aanzien van de opsporing op social media betekent dat, dat de burger op de hoogte moet zijn van het feit dat de politie ook op social media opsporingshandelingen uitvoert. Alleen dan kan de burger op een adequate manier afwegen of hij informatie op social media wil publiceren, welke informatie en op welke wijze. Dit gaat echter niet zo ver dat de politie moet aangeven op welke wijze die opsporing plaatsvindt. Dat zou een te grote beperking betekenen voor de uitvoering van de opsporingstaak.

De vraag wanneer de inbreuk op de privacy door bepaalde opsporingshandelingen meer dan gering is is niet exact te beantwoorden. In dit onderzoek zijn wel factoren ge?dentificeerd die de mate van inbreuk be?nvloeden. Dat zijn: de duur van de onderzoekshandeling, de plaats waar de informatie verzameld wordt, de intensiteit waarmee de informatieverzameling plaatsvindt, de gevoelige aard van de gegevens, het doel van de onderzoekshandeling, het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel, het al of niet opslaan van de gevonden gegevens en de proportionaliteit. De uiteindelijke weging van deze factoren is geen exacte wetenschap: de professionele inschatting van de politieambtenaar en de uiteindelijke rechterlijke toetsing daarvan, blijfven, net als bij de toepassing van ?gewone? bevoegdheden, belangrijk gegevens.

Rechtmatigheid

Om de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen op social media te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat in het procesdossier wordt verantwoord op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het veldwerk is gebleken dat in de reguliere opsporing deze verantwoording vaak beperkt is tot zinnen als ?Uit onderzoek op social media is gebleken dat ?.?. Het is zeer de vraag of de rechter en de verdediging hierdoor in staat zijn te beoordelen of dit onderzoek op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het zou daarom goed zijn als politie en Openbaar Ministerie hier meer aandacht voor zouden hebben en de uitgevoerde onderzoekshandelingen uitgebreider zouden verantwoorden.

Bronnen: Open Universiteit

Twitter en bioritme

bioritme_1_500x376

Tweets veranderen van karakter gedurende de dag en week, blijkt uit een Amerikaanse analyse van ruim 20 miljoen tweets.

?s Ochtends op hun werk tweeten mensen vooral over verplichtingen en #ergernissen. #grr #zucht

Later op de dag pieken de tweets over #gezelligheid en sociale activiteiten. #drankje #bijkletsen

Weinig frustratie en juist veel positiviteit in het #weekend. Dan tweeten mensen vooral over #succes, #schoonheid en #liefde.

Vrouwen delen meer emoties ? positief en negatief ? en plaatsen meer romantische berichten. #mijnliefkooktvoorme

Tweets van mannen gaan vooral over wat ze op dat moment doen. #patathalen

Meer dan 20 miljoen Tweets uit?een periode van twee weken zijn geanalyseerd om de psychologische eigenschappen van diverse dagelijkse?situaties te doorgronden. Het?DIAMONDS?model is daarbij gebruikt om (semi)automatisch individuele Tweets te scoren in een classificatie voor dagelijkse situaties. Dagelijkse en wekelijkse patronen werden ge?dentificeerd met voorspellende temporele trends, die vervolgens gevalideerd werden. Op weekdagen pieken zakelijke dingen in de ochtend en dalen daarna gestaag terwijl sociale zaken richting de avond stijgen. Negativiteit is het hoogst tijdens de werkweek en het laagst in het weekend. Positiviteit toont het tegenovergestelde patroon. Geslachts- en locatiespecifieke verschillen zijn ook?verkend. Vrouwen delen zowel meer emotioneel geladen (positieve en negatieve) situaties, terwijl er geen verschillen gevonden zijn tussen?mannen en vrouwen in ” doe” dingen. Verschillen tussen?landelijke en stedelijke gebieden zijn niet gevonden. In onderstaand paper worden ook toekomstige toepassingen met deze methode besproken.

Bronnen: Situations in 140 characters: assessing real-world situations on Twitter, Plos One, november 2015