Categoriearchief: Publicaties

Weet wat je tweet

weettweet

Dick Roodenburg?is co?rdinator Integrale Veiligheid Gemeente De Ronde Venen en?schreef voor SocialMediaDNA en VDMMP deze gastblog over zijn masterthesis. Hij onderzocht daarin op welke wijze het gebruik van twitter een bijdrage kan leveren aan het vertrouwen van de burger in de politie aan de hand van een onderzoeksmodel voor vertrouwen, gemaakt door Jackson en Bradford?(hele paper). Hij deed dit onderzoek onder begeleiding van Hans Boutellier aan de Vrije Universiteit Amsterdam.?

De vraagstelling kwam voort uit de ambitie van de bestuurlijke werkgroep binnen de Politie-eenheid Midden Nederland om invulling te geven aan de strategische doelstelling ?Vergroten publiek vertrouwen?. De vraag daarbij was hoe hierbij slimmer en effectiever gebruik gemaakt kan worden van nieuwe sociale media. In het kader van dit onderzoek heeft Dick?zich beperkt tot het gebruik van Twitter door de wijkagent. Dit zou naar verwachting een haalbaar en nuttig object van onderzoek zijn, aangezien een aantal uitgangspunten helder was. De belangrijkste hier te noemen zijn de lokale verankering van de veiligheidszorg, wat het basisprincipe is van het politiewerk, de rol die de wijkagent daarin speelt, het opbouwen en onderhouden van relaties met de inwoners, communicatie die daarin een (hoofd)rol speelt en het toenemende gebruik van Twitter door de wijkagent.?

Presentatie nieuw politieuniform

Vertrouwen versterken via Twitter

We weten?dankzij?onderzoek?van Leon Veltman dat het gebruik van Twitter een positieve invloed kan hebben op het vertrouwen van de burger in de politie. Maar welke factoren zijn bepalend voor dit vertrouwen? En op welke wijze kan het gebruik van Twitter het vertrouwen versterken? In mijn bestuurskundig onderzoek ?Weet wat je tweet??is hier nader op ingegaan. Als uitgangspunt is hierbij gehanteerd dat het (algehele) vertrouwen van de burger in de politie (de wijkagent) wordt bepaald door drie factoren:

  • effectiviteit van de politie;
  • eerlijk, rechtvaardig en respectvol optreden door de politie;
  • betrokkenheid van de politie met de lokale gemeenschap en gedeelde waarden.

Veronderstelling: offline en online zelfde

Deze factoren staan direct en indirect met elkaar in verband. De veronderstelling is dat deze factoren niet alleen tot uitdrukking komen in het dagelijks werk op straat, maar dat deze factoren ook tot uitdrukking moeten komen in de tweets die de wijkagenten de wereld in sturen. Dit is verder onderzocht door drie twitterende wijkagenten en tien van hun volgers (dus totaal 30 volgers) te interviewen. Daarnaast zijn de tweets van de wijkagenten over een periode van een jaar (in totaal 3506 tweets) geanalyseerd en gecategoriseerd aan de hand van de drie genoemde factoren.

Drie factoren bepalen invloed op vertrouwen

Zowel de interviews als de data-analyse laten zien dat het tonen van betrokkenheid met de eigen omgeving de belangrijkste invloed hebben op het vertrouwen van de burger. Daarnaast zijn respectvolle bejegening (adequate beantwoording van vragen) en het terugkoppelen van informatie van groot belang voor het vertrouwen.

Tweets over effectiviteit (over aanhoudingen, boetes, resultaten en dergelijke) lijken het minst sterk van invloed op het vertrouwen. Verzoeken om een bijdrage te leveren (?wie heeft iets gezien??) doen het goed, mits over de afloop wel wordt teruggekoppeld.

Handvatten zodat de wijkagent ?weet wat hij tweet?

Het onderzoekt levert in elk geval aanbevelingen op voor het ?twitterbeleid? om de bijdrage van Twitter aan het vertrouwen van de burger in de politie te versterken. Daarnaast levert het onderzoek een indicatorenlijst (zie de lijst hieronder) om tweets eenvoudig te kunnen categoriseren naar soort (effectiviteit, eerlijkheid/respect, betrokkenheid of combinatie daarvan). Hiermee heeft de twitterende wijkagent een richtlijn in handen, zodat hij beter voor zichzelf ?weet wat hij tweet?. Nu wordt het tijd om deze lijst in de praktijk te testen. Ik hoor graag jullie ervaringen. Dat mag hieronder?middels de reacties of via e-mail.

Tussen hulp en hype: de inzet van opsporingsberichtgeving in ontvoeringszaken

PK66

De veiligheid van het slachtoffer is de belangrijkste overweging voor OM en recherche bij de inzet van opsporingsberichtgeving bij ontvoeringszaken. Het opsporingsteam maakt voortdurend een moeilijke afweging van risico?s tegen opbrengsten van het via (sociale) media en andere openbare berichten de hulp van het publiek inroepen. Die risico?s maken recherche en OM soms terughoudend. Terugvinden van het slachtoffer is dan ook een belangrijk overgangsmoment in het gebruik van opsporingsberichtgeving; v??r en n? dat overgangsmoment wordt het met een ander doel en op andere wijze ingezet. Dat concluderen onderzoekers? Yvette Schoenmakers, Jennifer Doekhie en Jaap Knotter in een onderzoek naar ervaringen van de politie met het inzetten van opsporingsberichtgeving in ontvoeringszaken. Dit deden de onderzoekers door acht Nederlandse ontvoeringszaken te bestuderen en te spreken met dertig respondenten van politie en justitie.

Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin, waarbij via de media en andere openbare berichten de hulp van het publiek wordt ingeroepen, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen.
Een belangrijke vraag in het onderzoek was met welk doel de berichtgeving wordt ingezet en in welke fase van het opsporingsonderzoek dit gebeurt. Ook is er gekeken naar de mogelijke risico?s en wat het middel heeft opgeleverd. Voor de politie begint een ontvoeringszaak vaak met een melding van een persoonsvermissing. Dit kan later een ontvoering blijken te zijn. Bij ontvoeringen kan gedacht worden aan een losgeldontvoering met winstoogmerk, ontvoering met ideologisch motief, ontvoering in het criminele circuit, relationele ontvoering (schaking), een ouder-kind ontvoering en ontvoeringen met een seksueel motief.

De belangrijkste overweging bij het al dan niet inzetten van opsporingsberichtgeving is de veiligheid van het slachtoffer. Andere overwegingen om al dan niet tot inzet over te gaan zijn de snelheid en het bereik van opsporingsberichtgeving, de privacy van de betrokkenen (proportionaliteit), in hoeverre er alternatieve recherchemiddelen inzetbaar zijn (in plaats van of juist in combinatie met opsporingsberichtgeving), welke tactische informatie er beschikbaar is, de nieuwswaarde van het bericht, of de zaak al door de media belicht wordt en het voorkomen van negatieve beeldvorming over de politieaanpak. Een reden om van opsporingsberichtgeving af te zien is vooral het risico dat de daders het slachtoffer wat zullen aandoen als er berichten in de media komen.
Uit de interviews blijkt dat de recherche en OM met name vanwege het veronderstelde risico voor het slachtoffer soms terughoudend zijn in het inzetten van opsporingsberichtgeving. terugvinden van het slachtoffer vormt dan ook een belangrijke ?knip? in het politieonderzoek. Opsporingsberichtgeving wordt v??r en n? dat overgangsmoment met een ander doel en op andere wijze ingezet. In de eerste fase van het onderzoek zijn de doelstellingen vooral het zoeken naar getuigen en/of informatie over het gebeurde. Na het vinden van het slachtoffer zijn er weer andere tactische doelstellingen, zoals een specifieke informatievraag betreffende bewijsmateriaal.? Uit de acht bestudeerde ontvoeringszaken is overigens niet gebleken dat opsporingsberichtgeving inderdaad een gevaar voor het leven van het slachtoffer oplevert. In de zaken waarin het slachtoffer overleed, gebeurde dit al voordat opsporingsberichtgeving werd ingezet.

De waarde van opsporingsberichtgeving is vooral gelegen in de snelheid waarmee een grote groep bereikt kan worden, of dat juist een zeer specifieke doelgroep kan worden aangesproken. Er wordt vooral een combinatie van verschillende middelen aangeraden. Sociale media worden in de praktijk als belangrijk middel gezien, waar nog meer gebruik van gemaakt kan worden. Opsporingsberichtgeving staat niet op zichzelf: het zal worden opgevolgd of gecombineerd met andere recherchemiddelen. Uit het onderzoek blijkt dat de opsporingsberichtgeving het meeste opleverde wanneer er een zeer concrete informatievraag gedaan werd, zoals betreffende een specifiek type auto met een bepaald kenteken.

Bron: Politie en Wetenschap

Digitale dialoog. De sociale media-almanak voor gemeenten

digiloog

Gemeenten zetten stappen bij het inzetten van sociale media. Ten opzichte van 2013 luisteren gemeenten in 2014 beter naar de berichten op sociale media. Vragen worden ook beter beantwoord. Gemeenten begrijpen steeds beter dat sociale media serieus genomen moeten worden en zien het belang ervan in.

We zijn er echter nog niet. Samen met een groep experts uit gemeenten, ontwikkelden David Kok en HowAboutYou daarom een ?groeimodel sociale media voor gemeenten?. In Digitale Dialoog, sociale media-almanak voor gemeenten, wordt het groeimodel in de verschillende hoofdstukken uitgewerkt en het boek biedt zo ambtenaren en bestuurders inspiratie hoe sociale media in te zetten.

Digitale Dialoog is na Sociaal kapitaal en Sociale gemeenten het derde boek dat David Kok samenstelde. De hoofdstukken zijn geschreven door ambtenaren, bestuurders, sociale media-adviseurs, mensen uit het bedrijfsleven en uit het wetenschappelijk onderwijs. Hierdoor wordt het gebruik van sociale media door gemeenten vanuit vele verschillende invalshoeken belicht.

David Kok werkt sinds 1 juli 2013 bij de gemeente Almere als social media manager van de gemeenteraad. Daarvoor werkte hij elf jaar in verschillende functies binnen de gemeente Amsterdam. Het redactiewerk van dit boek doet hij op persoonlijke titel.

Sinds 2012 werkt hij samen met HowAboutYou aan Gemeentebuzz.nl. Gemeentebuzz.nl brengt de inspanningen van gemeenten op sociale media in kaart. HowAboutYou ondersteunt overheden bij het benutten van de kansen die sociale media bieden. HowAboutYou heeft dit jaar het onderzoek naar het gebruik van sociale media door gemeenten uitgevoerd en geholpen bij de realisatie van dit boek.

Het boek is ingedeeld naar de fasen van het groeimodel dat Ewoud de Voogd en Coen G?ebel onlangs hebben gepresenteerd op Frankwatching. In het hoofdstuk In stappen groeien naar de netwerkende gemeente dat in het eerste gedeelte is opgenomen, is het groeimodel tevens nader toegelicht. Tevens is per fase een toelichtend hoofdstuk opgenomen. De hoofdstukken uit de vorige boeken zijn tevens ingedeeld naar het groeimodel.

Voorwoord: op zoek naar een goede wisselwerking tussen overheid en burger ? Bas Eenhoorn
Inleiding: tijd voor de volgende stap online ? Ewoud de Voogd & David Kok

Sociale media en gemeenten: stand van zaken 2014

Sociale media, de laatste cijfers ? David Kok
Maar wat wil die burger nou? ? David Kok
Burgers twitteren niet met de gemeente ? Peter Joosten
Gemeenten en sociale media 2014, van claxoneren naar converseren ? Niels Loeffen, Ewoud de Voogd & David Kok

In stappen groeien naar de netwerkende gemeente ? Coen G?ebel, Niels Loeffen & Ewoud de Voogd
De raadsgriffie en sociale media: op zoek naar content ? David Kok

> Fase 1: introductie

Van ranking the stars naar ranking the ambtenaar ? Lieke en Richard Lamb
De digitale kloof dichten ? Hans Versteegh
welke kansen bieden internet en sociale media (niet)? ? Chris Aalberts
De Nationale Postcode Loterij als social business ? Selma Hetharia
De gemeentetweet ? het sociale netwerk met twee gedaanten ? Piet Bakker
Waarom alle ambtenaren moeten twitteren (of niet) ? ruim 200 tweets van ongeveer 35 deelnemers aan een tweetup, uitgeschreven door @davidkok
De business case voor sociale media bij gemeenten ? Boyd Hendriks
Interactie en participatie: het wiel is al uitgevonden! ? Ronilla Snellen
Externe ondersteuning bij het opstarten van sociale media ? Niels van Laatum
Interactief communiceren voor politici werkt ? Sanne Kruikemeier

> Fase 2: introductie

Bijblijven op de digitale snelweg ? Coen G?ebel
Want een film zegt eigenlijk veel meer dan een pak papier ? Merel van Kessel
Webinars: vraag het de burgemeester! ? Nico Verspaget & Joris Kok
Netwerken op LinkedIn ? Jan Willem Alphenaar
De kracht van LinkedIn voor de afdeling HR ? Jacco Valkenburg
Webcare: hoe gaat het gemeenten werkelijk af? ? Oliver de Leeuw
De basis van webcare ? Jeroen ?s-Gravendijk
Intern online communiceren: naar slimmer werken ? Huib Koeleman
De kracht van interne sociale media ? Hilda Boerma & Koen Wemmenhove
Organiseren zonder e-mail ? Kim Spinder
Hoe schrijft u een bericht van waarde ? Pieter Flieringa
Webrichtlijnen: waarom ook alweer? ? Gerrit Berkouwer
In een modern archief past ook sociale media ? John Jansen
Hoe om te gaan met privacy van burgers ? Tinga Kleefman
Hoe vrijblijvend is het gebruik van sociale media ? Roy Johannink, Eveline Heijna & Miranda Brummel
Paringsdans van twitterende raadsleden tijdens de gemeenteraadsverkiezingen ? Niels Loeffen & Aart Paardekooper
Raad uit de spagaat ? Pascale Georgopoulou
Communiceren vanuit de raadsgriffie ? Pascale Georgopoulou & David Kok

> Fase 3: introductie

Utrecht en de ontwikkeling van social ? Peter-Paul Hellings
Bijzondere mensenwerk ? webcare bij de gemeente Rotterdam ? Petra Berrevoets
Co-creatie: bezint eer ge begint ? Joyce van Dijk
Cocreatie met netwerken: samen bereik je meer! ? Abdul Advany & Martijn van der Weijden
?Mensen willen best meehelpen aan het verbeteren van hun buurt, maar van de gemeente willen ze vooral zo min mogelijk last hebben.? ? David Kok in gesprek met Willem Dudok
Doen en duiden in de Doe-Democratie ? portaal voor participatie ? Jens Steensma
Gemeente Eersel voorstander WhatsAppgroepen voor buurtpreventie ? Nicky Fischer-van de Vliert & Michiel Oldenhof
Gemeentelijke ?communiticatie? ? gebruik bestaande buurtcommunities ? Lex de Jong
Heeft het buurtinitiatief toekomst ? Linda Commandeur
De opkomst van online burenhulp platformen ? Roosmarijn Busch
De Open Buurtbegroting: voor participatie en transparantie ? Jeroen van Spijk
Praktijk met digitale en interactieve Planning en Control ? Mark van Dam & Herrie Geuzendam
De (digitale) toekomst van de gezonde wijk ? Janine van Oosten-Bake & Gerco Buijk-Dijkstra
?Luisteren, duiden, doen? in de praktijk ? Aart Paardekooper
Passende communicatie (met Factor-C) ? Carola de Vree-van Wagtendonk
Content is koning, strategie de keizer ? David Kok in gesprek met Xaviera Ringeling
(Be)sturen en verbinden in Losser ? Michael Sijbom & Irma Nadorp
Sociale media voor de wethouder ? Kees Telder

> Fase 4: introductie

Kanteldenken over sociale media bij de overheid ? Nynke Schaaf
Het hernieuwde maakbaarheidsgeloof ? David Kok in gesprek met Dimitri Tokmetzis
Government follows Technology: Online. Altijd. Overal. ? Ger Baron
Een beter imago begint bij jezelf ? David Kok in gesprek met Thomas Marzano
De Online Communicatie Architect ? Annemarie van Campen
Van monitoren naar anders handelen ? Renata Verloop & Marije van den Berg
De burger is koning. Je medewerker superheld! ? Sofie Verhalle & Elien Vanhaesebroeck
Organisatie/gemeente overstijgend samenwerken, hoe doe je dat? ? Robin Albregt
De toekomst van digitaal; hoe ga je om met mobiel, draagbare technologie en het ?internet van dingen? ? Brechtje de Leij

infographic onderzoek sociale media en gemeenten

Lessen uit crises en mini-crises 2013

mini crises 2013

In de publicatie Lessen uit crises en mini-crises 2013 (publicatie oktober 2014), wordt van elk van?18 kleine?en grotere crises die speelden in 2013?een korte beschrijving?gegeven, waarna een of meerdere dilemma?s aan de orde komen. Het gaat dan?bijvoorbeeld om de rol van procedures, het omgaan met maatschappelijke onrust, de beeldvorming in de media en ook de rol van de sociale media. ?Het gaat er hierin vooral om?cruciale dilemma?s in kaart te brengen en antwoord te geven op de vraag waarom?zaken gaan zoals ze gaan. Niet oordelen, maar verklaren en inzichtelijk maken, is de leidraad.?De publicatie, een vervolg op de editie van 2012, is een initiatief van het?lectoraat Crisisbeheersing van het Instituut Fysieke Veiligheid?(IFV) en de?Politieacademie.

In het NRC stond een artikel naar aanleiding van de verschijning van het boek met als titel “De politie weet zich nog altijd geen raad met likes, tweets en sharen; Het zorgde voor heksenjachten”. Autoriteiten snappen het belang, maar worstelen social media.

Mosterdgas

Er ligt mosterdgas in het appartement en de kelderbox van een overleden scheikundeleraar, zo vertelt zijn broer aan de brandweer. Hulpdiensten treffen het mosterdgas aan in goed afgesloten potten. De burgemeester besluit tot snelle verwijdering, het is inmiddels avond. Hulpdiensten evacueren het appartementencomplex. De bewoners, ruim honderd in getal en veelal oud, horen dat zij waarschijnlijk rond middernacht kunnen terugkeren naar hun woning. Die boodschap blijkt te optimistisch: pas om half vijf ’s ochtends zijn de stoffen verwijderd. De bewoners moeten de nacht elders doorbrengen.

Vanwaar de haast van de hulpdiensten? Die potten waren toch goed afgesloten? Waarom begonnen ze in de avond met hun actie, en niet de volgende ochtend, zodat ze meer marge zouden hebben v??r evacuatie nodig zou zijn?

Antwoord: de autoriteiten vreesden voor onrust en verontwaardiging onder de bevolking. Mosterdgas in een wooncomplex! En de hulpdiensten wachten een hele nacht voor ze aan het werk gaan! Sociale media zouden het nieuws vliegensvlug verspreiden, heel Nederland zou er wat van vinden. En dus kozen de autoriteiten voor een snelle operatie en weinig voorbereidingstijd. Met een plots nachtje weg voor honderd Nederlanders als gevolg.

Menno van Duin, lector crisisbeheersing aan de Politieacademie en het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), en zijn collega-onderzoeker Vina Wijkhuijs hebben de eindredactie van het boek?boek Lessen uit crises en mini-crises 2013, dat onlangs?verscheen. Daarnaast staan er nog zeventien optredens van overheid en hulpdiensten bij crises en belichten daarbij ook de rol van sociale media. Die hebben grote invloed op crisismanagement, zo blijkt keer op keer uit het boek.

Autoriteiten worstelen met de sociale media.
Zijn overheid en hulpdiensten daar dan nog niet van doordrongen? Jawel, zegt Van Duin. ,,Maar w?ten dat sociale media belangrijk zijn, is iets anders dan er adequaat mee omspringen.”
Dat bleek ook in Eindhoven. Een aantal jongens uit een groep van acht schopte een student vorig jaar op een avond tegen het hoofd. De politie liet de beelden van bewakingscamera’s zien via Omroep Brabant. Sociale media namen het filmpje over. De onderbuik van Nederland deed de rest: foto’s van alle acht jongens verschenen online, hun namen, telefoonnummers en adressen ook. Allen werden bedreigd. Een negende jongen ook, met toevallig dezelfde voor- en achternaam als een van de acht.

De rechter veroordeelde drie van de acht tot ruim een half jaar jeugddetentie. Maar hij paste een strafvermindering van enkele maanden toe wegens de online heksenjacht. Een tik op de vingers voor het Openbaar Ministerie. In deze casus had justitie de kracht van sociale media juist weer onderschat. Van Duin: ,,Justitie had kunnen volstaan met het tonen van stills van de bewakingsbeelden.” Ook effectief. En zulke stilstaande beelden hadden voor minder opwinding gezorgd.

Bij de vermissing van de broertjes Ruben en Julian, in mei 2013, zorgden sociale media voor een razendsnelle mobilisatie van hulptroepen. Honderden burgers gingen meezoeken in bossen. De politie had haar bedenkingen, schrijven Van Duin en Wijkhuijs. ,,Een dergelijke massale ‘sporenvernietigingsoperatie’ werd niet echt op prijs gesteld.”
Tegenhouden van de goedbedoelende hulptroepen was echter geen optie – ze waren te talrijk. De politie besloot de burgerzoektochten te laten begeleiden door politievrijwilligers, en dat ging met ‘vallen en opstaan’.

Politievrijwilligers werden op pad gestuurd ,,met grote groepen mensen” maar ,,zonder stafkaarten” en in gebieden ,,waarvan later bleek dat die eerder al door de Mobiele Eenheid en mariniers waren doorzocht”. Later verliep de samenwerking tussen politie en burgers overigens beter – meer overleg, meer afstemming.
Sociale media deden zich ook gelden in Deventer, augustus vorig jaar. Twee pedofielen – onder wie Marthijn Uittenbogaard, bekend van pedofielenvereniging Martijn – waren voor een paar dagen in de stad. Naar eigen zeggen om een ,,verslaafde vriend” te helpen.

Maar al snel ging het gerucht dat de twee zich in Deventer wilden vestigen. Sociale media verspreidden en versterkten het gerucht. Er kwam er een bij: ze zouden zich in de flat Parkzicht bevinden.
Opnieuw onwaar. De twee waren de stad inmiddels uitgevlucht. Maar de geruchten hielden aan en sociale media trommelden de demonstranten op. En zo schoolde een woedende menigte samen voor een flat waarin de twee hoofdpersonen zich niet bevonden. Agenten zeiden dat herhaaldelijk tegen de demonstranten, maar ze werden niet geloofd. Toen betogers vervolgens ook nog ruzie met flatbewoners gingen maken greep de politie in en keerde de rust terug. Volgens Van Duin waren veel van de demonstraten ,,rabiate activisten tegen pedofilie”. ,,Die mensen zijn nauwelijks te overtuigen, zo sterk geloven ze in de rechtvaardigheid van hun acties.”

Volgens Van Duin moeten overheid en hulpdiensten blijven nadenken over de manier waarop ze met sociale media moeten omgaan, want ,,de invloed wordt alleen maar groter”. Maar, benadrukt hij: de overheid kan niet ?lles oplossen. Zie de ,,zotte situatie” in Deventer, zegt Van Duin. ,,Er was niks aan de hand, maar er was wel een probleem. Dat is een beangstigend aspect van de sociale media.”

Bronnen:?NRC next, 8 oktober 2014 en Politieacademie

Burger Review Team in Cold Cases

Cold cases zijn de afgelopen jaren in Nederland steeds meer een begrip geworden. Vanuit zowel de politie en justitie, als de maatschappij, is de behoefte gegroeid om ernstige onopgeloste zaken te heropenen. Onderzoek heeft uitgewezen dat onderzoek in cold case zaken loont. Zo blijkt dat ongeveer een derde van alle afgeronde cold case onderzoeken, jaren na dato, alsnog tot opheldering van het misdrijf heeft geleid. Een andere ontwikkeling die de laatste jaren steeds meer in de belangstelling is komen te staan, is de ontwikkeling van burgerparticipatie. Zo staat er in het concept inrichtingsplan van de Nationale Politie (2012) het volgende: ‘Wij zijn een politie die intensief samenwerkt met burgers & partners.’

Uit onderzoek is gebleken dat burgers de belangrijkste succesfactor zijn voor effectief en efficiënt opsporen en dat burgers in het algemeen erg positief staan tegenover burgerparticipatie in de opsporing. In de Verenigde Staten werkt de politie in opsporingsonderzoeken ook op diverse manieren samen met burgers. Ook bij het onderzoeken van cold cases worden er burgers ingezet. Bij de Charlotte Mecklenburg Police Department (CMPD) in North Carolina, wordt er sinds 2003 gebruik gemaakt van een ‘Civilian Review Team’. Het team, voornamelijk bestaande uit gepensioneerde opsporingsambtenaren maakt vast deel uit van het cold case team en is verantwoordelijk voor de ordening en review van cold cases.

Het uitgangspunt van dit onderzoek is dat de inzet van een civilian review team, zoals toegepast bij de CMPD, als een zogenaamde ‘best practice’ wordt beschouwd. Het onderzoek heeft zich daarbij gericht op de mogelijkheden en onmogelijkheden die de inzet van een civilian review team, zoals toegepast door de CMPD met zich meebrengt indien een soortgelijk team op vergelijkbare wijze wordt ingezet bij Nederlandse cold case onderzoeken. Het doel hiervan is dat de inzichten die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen, door opsporingsafdelingen gebruikt kunnen worden om afwegingen te maken over het al dan niet inzetten van cocreatie bij opsporingsonderzoeken. Om inzicht in deze doelstelling te verkrijgen is de volgende probleemstelling behandeld:

In hoeverre is het mogelijk om bij cold case onderzoeken in Nederland, gebruik te maken van een burger review team, zoals deze is samengesteld en ingezet door de Charlotte Mecklenburg Police Department (CMPD) in North Carolina en wat voor bijdrage levert de inzet van een burger review team aan het onderzoeken van cold cases?
Om tot de beantwoording van de centrale probleemstelling komen, zijn de volgende drie onderzoeksvragen opgesteld:
1. Wat is de werkwijze van het civilian review team bij cold case onderzoeken in de Verenigde Staten, in het bijzonder de Charlotte Mecklenburg Police Department in North Carolina?
2. Met welke (on)mogelijkheden krijgt men te maken indien er een burger review team, zoals toegepast in North Carolina, wordt ingezet bij een cold case onderzoek in Nederland?
3. In hoeverre kan de toepassing van (aspecten van) een burger review team een meerwaarde bieden binnen de wijze waarop cold case onderzoeken in Nederland worden uitgevoerd?

METHODE VAN ONDERZOEK
Aan de hand van verschillende onderzoeksmethoden is antwoord gegeven op de drie onderzoeksvragen. Alle onderzoeksvragen zijn deels beantwoord door middel van de methoden literatuuronderzoek en interviews. Hierbij werden zowel semi-gestructureerde (mini)interviews afgenomen als gestructureerde vragenlijsten gebruikt.

Door middel van een studiebezoek heeft onderzoeker enkele teamleden van de cold case unit bij de CMPD persoonlijk geïnterviewd. Daarnaast werd voor dit onderzoek een klankbordbijeenkomst georganiseerd waarbij met een groep deskundigen een discussie heeft plaatsgevonden over de (on)mogelijkheden van de inzet een burger review team zoals toegepast bij de CMPD. De discussiepunten werden gebruikt om onderzoeksvraag 2 te kunnen beantwoorden. Om onderzoeksvraag 3 te kunnen beantwoorden werd er een experiment opgezet. Er is één cold case gereviewd door een groep van acht reviewers. Het experiment is opgezet op basis van de resultaten van de eerste twee onderzoeksvragen. Het kader voor het experiment is vastgesteld met inachtneming van de adviezen van de klankbordgroep. Dat wil zeggen dat de grote lijnen van de werkwijze van de CMPD werden aangehouden, maar dat bepaalde aspecten anders werden ingezet, vanuit het oogpunt van de mogelijkheden en de onmogelijkheden die de werkwijze van de CMPD met zich mee zouden brengen bij toepassing ervan in de Nederlandse situatie.

RESULTATEN ONDERZOEKSVRAAG 1
De cold case unit bij de CMPD bestaat uit twee rechercheurs, twee vrijwilligers en twee reviewers en is opgericht onder druk van het gemeentebestuur in verband met het grote aantal onopgeloste kapitale delicten. Momenteel zitten er bij de CMPD zo’n 700 cold cases in het archief.

Het verschil tussen de vrijwilligers en de reviewers is dat de vrijwilligers in overleg met de rechercheurs een cold case verzamelen en ordenen en dat de reviewers de cold case reviewen. Kenmerkend aan de reviewers is dat zij allemaal in meer of mindere mate een opsporingsachtergrond hebben. Een reviewer bestudeert meestal individueel een cold case en krijgt een kopie van de cold case mee naar huis die is samengesteld door de vrijwilliger. Gemiddeld krijgt een reviewer een maand de tijd om een cold case te reviewen. De reviewers maken middels een vaste methodiek een samenvatting van het onderzoek. Deze samenvatting, inclusief aanbevelingen, wordt aan het hele team gepresenteerd, waarbij gezamenlijk wordt bepaald in hoeverre de cold case potentie heeft om opgehelderd te worden.

Het team heeft de afgelopen jaren diverse onderscheidingen ontvangen en werd in literatuurstukken benoemd als succesvol voorbeeld van de inzet van burgers en het verbeteren van effectiviteit in opsporingsonderzoeken. De inzet van een civilian review team heeft diverse voordelen. Het onderzoek wordt namelijk met een frisse  lik bekeken en er kunnen meer cold cases onderzocht worden omdat de rechercheurs direct aan de slag kunnen met de aanbevelingen. Zij kunnen ook op basis van de review besluiten dat de cold case niet in behandeling wordt genomen. Het succes dat het team boekte, kwam volgens de teamleden niet alleen door de bijdrage van het civilian review team of de bijdrage van de rechercheurs, maar vooral door de onderlinge samenwerking.

Volgens de teamleden waren er een aantal kritieke succesfactoren die het team zo effectief hebben gemaakt, te weten een zorgvuldige selectie van de reviewers, vertrouwen tussen de reviewers en de rechercheurs en de tijd die de reviewers krijgen om hun werk te verrichten en hun draai in het team, als team te vinden.

RESULTATEN: ONDERZOEKSVRAAG 2
Er zijn op dit moment diverse initiatieven gaande waarbij de burger op diverse wijzen actief wordt betrokken bij opsporingsonderzoeken. Uit deze initiatieven is gebleken dat er ook in Nederland
gemotiveerde burgers zijn die op vrijwillige basis een bijdrage willen leveren aan opsporingsonderzoeken en dat er mensen binnen de politie zijn die het bestaan van een burger review team een plek willen geven. Er is daarnaast veel aandacht voor de aanpak van cold cases en door de professionalisering in de opsporing op zowel forensisch als op tactisch gebied, is de behoefte om meer zaken te onderzoeken gegroeid. Deze ingrediënten zorgden voor draagvlak en animo bij het cold case team om te experimenteren met de inzet van een burger review team.

Na onderzoek is gebleken dat de structuur die de werkwijze van de CMPD biedt, als positief werd gezien en dat het aanbrengen van structuur in de aanpak van cold cases door burgers, mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van een burger review team in Nederland. Daarnaast werd het aspect van het inzetten van mensen met een politieachtergrond, als kansrijk ervaren.

De bezwaren die naar voren kwamen gingen met name over het feit dat één reviewer één zaak zou moeten reviewen in één maand tijd. Bij de CMPD wordt dit met name gedaan omdat er zich tussen de cold cases een aantal onafgeronde zaken bevinden. Door de andere wijze van het onderzoek naar kapitale delicten in eerste aanleg, zijn er nog veel onderzoeken met ‘open einden’. Daarbij is om die reden het onderzoeksdossier een stuk kleiner dan een Nederlands onderzoeksdossier. Bij de CMPD ligt de nadruk van de review daarom op de kwantiteit. Het uitgangspunt van burgerparticipatie in Nederland is het verbeteren van de kwaliteit van de onderzoeken. Door het inschakelen van burgers hoopt men op nieuwe inzichten die een effectieve bijdrage kunnen leveren aan een opsporingsonderzoek. Om die redenen zou het voor de Nederlandse situatie niet effectief zijn om zoals bij de CMPD, één reviewer één zaak toe te wijzen.

Hoewel de rol van vrijwilliger in het reviewproces als nuttig werd ervaren, werd in verband met de haalbaarheid van het experiment besloten om de rol van vrijwilliger bij het reviewproces buitenwegen te laten.

RESULTATEN: ONDERZOEKSVRAAG 3
De review heeft drie maanden geduurd. Een door de teamleider geselecteerde cold case werd gedigitaliseerd, op een beveiligde USB stick geplaatst en verstrekt aan de reviewers. Alle reviewers hadden een politieachtergrond maar zijn overgestapt naar het bedrijfsleven.

Net als bij de CMPD hebben de reviewers een samenvatting gemaakt. Deze samenvatting werd inclusief de aanbevelingen besproken met leden van het cold case team tijdens de reviewbijeenkomst. Zowel bij het cold case team als bij het burger review team was er na deze bijeenkomst sprake van enthousiasme en de bereidheid om samen te werken. Zowel het burger review team als de leden van het cold case team gaven aan positief te kijken naar een samenwerkingsverband in de toekomst, mits de review op enkele punten verder zou worden ontwikkeld. Het is namelijk van groot belang te concluderen dat de ontwikkeling van een burger review team moet worden gezien als ‘work in progress’. Het overnemen van de werkwijze van de CMPD, bij dit experiment heeft nog niet geleid tot de meest optimale inzet van een burger review team, maar het kan wel worden gezien als een stap in de goede richting. Volgens de cold case teamleden hebben de reviewleden namelijk enkele relevante aanbevelingen gegeven. De meerwaarde voor de teamleider van het cold case team van de review door het burgerteam is dat een stapel dozen in de hoek van zijn kantoor nu een zaak is die potentie heeft om opnieuw bekeken te worden.

De samenstelling van het team, de inhoud van de samenvatting en de invulling van de reviewbijeenkomst, zijn punten die door zowel de reviewleden als cold case teamleden als ontwikkelpunten werden benoemd. Zoals eerder omschreven waren er een aantal kritieke succesfactoren die het team bij de CMPD zo effectief hebben gemaakt. Uit het experiment is gebleken dat investering in deze factoren bij zou kunnen dragen aan een positieve ontwikkeling van het burger review team.

Uit de review is gebleken dat naast een individuele selectie, de samenstelling van de groep ook een belangrijke factor is waar rekening mee gehouden moet worden indien er een burger review team zou worden geformeerd. De groepsleden voldeden als individu ruimschoots aan de selectiecriteria, maar als groep was de samenstelling mogelijk te eenzijdig. Om een cold case vanuit zoveel mogelijk invalshoeken te bekijken werd deelname van vrouwelijke reviewers en reviewers met een gevarieerde leeftijd en (politie)achtergrond als wenselijk werd gezien.

Door het enthousiasme van de burger reviewers en de cold case teamleden is er een goede vertrouwensbasis om de inzet van een burger review team verder te ontwikkelen. Het inzetten van een burger review team betreft een vorm van cocreatie. Dit is een actieve vorm van burgerparticipatie, die wederkerigheid vereist van beide partijen. Dit brengt met zich mee dat bij het invoeren van een soortgelijke werkwijze er wederzijdse verwachtingen en verplichtingen zullen ontstaan. Er zal dus het een en ander aan verwachtingsmanagement moeten worden gedaan.

Als het team daarnaast de tijd en ruimte krijgt om zijn draai te vinden, is de kans groot dat het in de toekomst zijn meerwaarde zou kunnen bewijzen.

AANBEVELINGEN
• Investeer in de ontwikkeling van een burger review team bij cold case onderzoeken en plan daarvoor een periode van ongeveer één jaar. Gebruik deze periode om met diverse werkwijzen te
experimenteren en om deze werkwijzen te evalueren en daar waar nodig te ontwikkelen.
• Stel in de opstartperiode een speciaal geselecteerde werkgroep samen die zich richt op de voortgang en ontwikkeling van het burger review team.
• Stel in de opstartperiode een procesbegeleider aan die fungeert als aanspreekpunt voor de burger reviewers en de cold case teamleden. De procesbegeleider is verantwoordelijk voor het faciliteren van de reviewers en begeleidt daarnaast het groepsproces en de brainstormsessies tijdens de review bijeenkomsten. Deze procesbegeleider kan tevens de samenwerking tussen het cold case team en het burger reviewteam monitoren en waar mogelijk verbeteren.
• Investeer in een goede selectie van reviewers en experimenteer met de samenstelling van het team. Onderzoek daarbij de mogelijkheid van één of meerdere burger reviewers zonder politieachtergrond.
• Zorg voor voldoende draagvlak voor zowel binnen als buiten de politie door de samenwerking en de eventuele successen van een burger review team te communiceren. Mogelijk kan dit bevorderd worden door een communicatieadviseur deel te laten nemen aan de eerder genoemde werkgroep.
• Bij dit onderzoek is het juridisch aspect van de inzet van een burger review team nauwelijks belicht. Zorg in overleg met het openbaar ministerie voor een duidelijke juridische afbakening van het burger review team en de werkwijze van het team en zorg dat dit in een protocol wordt vastgelegd.

Lees hier het volledige onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425288&doc=burgerreviewteam-200909070742&type=d]

Bron: Politieacademie

The Skeleton Crew

Boek Web Sleuths

 

Recentelijk is er een boek verschenen over (online) communities voor?burgeropsporing?en hoe deze “Do-It-Yourself?Detectives”?zich storten op ‘cold cases’.

“The Skeleton Crew” gaat?over online (burger) opsporingscommunities. Het gaat ook zowel de successen als problemen van deze groepen. Want?vrijwel elke?online community krijgt in haar bestaan met wisselende leden kritiek en zgn. “flame wars“. Het is zoals met veel vrijwillige groepen: het is soms een soap of drama en online wordt dat soms versterkt.?Dus er?waren er vetes, verbanningen van leden (sommige mensen bleken echt ‘freaks’, een beetje eng of gek) en groepen die zich afsplitsten omdat ze vonden dat het anders moet, en?ook waren er?grepen naar macht of roem. Communities met?naamloze onderzoekers hadden minder van deze?persoonlijke conflicten, maar elke groep kampte met ethische dilemma’s en uitdagingen voor hun werkwijzen, zoals bijvoorbeeld de vraag hoe om te gaan?met de rechtshandhaving en de families van de slachtoffers.

Deborah Halber, wetenschappelijk schrijfster voor MIT, onderscheid twee groepen burgerrechercheurs: de “buitenbeentjes” (Mavericks), die de voorkeur geven om snel en naar eigen goeddunken voor oplossingen te gaan, en de?”vertrouwen bouwers” (Trust Builders) die liever eerst?als groep zorgvuldig willen beraadzamen voordat ze de autoriteiten of nabestaanden benaderen. De ‘Mavericks’ klagen dat de Trust Builders te langzaam en te bureaucratisch handelen, terwijl Trust Builders?liever een band van?geloofwaardigheid op willen bouwen naar de gemeenschap en politie en (te) snelle tips meestal zinloos of waanzin zijn.

Zo gaat het boek in op zaken die het Doe network heeft opgelost (oa de zaak van het “tent meisje” waarover we blogden) en ook op andere burgeropspoorders die genetwerkt samenwerken aan zaken, soms decennia lang. Het Doe network weet dat er zeker meer dan 13.000 onge?dentificeerde lichamen zijn in de Verenigde Staten, maar anderen denken dat het er drie keer zoveel zijn. De groepen worden vaak bespot door de lokale politie of soms totaal genegeerd. Toch heeft deze ” Skeleton Crew” eigenhandig een hele reeks cold cases opgelost. Daaronder waren onder andere moorden in Missouri, zwervers in Las Vegas en ook zaken in Canada.

Hieronder een stukje uit het boek:

PROLOGUE

I?m looking around a Cracker Barrel in Georgetown, Kentucky, wondering if I?ll recognize him. The only photos I?ve seen of Wilbur J. Riddle were taken four decades ago, when he stumbled on the corpse wrapped in the carnival tent.

He was forty years old then; with his tousled dark hair and strong jaw, he resembled Joaquin Phoenix with sideburns. Even in black-and-white, Riddle looked tanned, a shadow accentuating the taut plane of his cheek. His short-sleeved shirt unbuttoned jauntily at the neck, he stood slightly apart from three pasty, grim, steely men with buzz cuts, dark suits, and narrow ties. They seemed preoccupied, dealing with a body where a body had no right to be.

Throwing the photographer a sidelong glance and a faint smirk, Riddle alone seemed cocksure and unfazed. In time, he would end up just as invested as the Scott County sheriff and state police, if not more so. He would become the father of sixteen and grandfather of forty and would still be escorting people out to the shoulder of Route 25?X marks the spot?where he found her. Somebody might have been tempted to charge admission.

He?s thought about asking the state of Kentucky to put up a marker along the guardrail: the Tent Girl memorial plaque. She?s a local legend. Parents invoke her?an unidentified murder victim whose face is carved onto her gravestone?as the fear factor that has hurried two generations of children to bed on time.

But she?s more than that.

Tent Girl drew me in. As I delved into the world of the missing and the unidenti?ed, her story would transform the shopworn whodunit into something altogether di?erent?the whowuzit, I?ll call it?in which the identity of the victim, not the culprit, is the conundrum. Her story supplanted the tweedy private eye or world-weary gumshoe of my expectations with a quirky crew of armchair sleuths who frequented the Web?s inner sanctums instead of smoke-?lled cigar bars. Her story was rags to (relative) riches, triumph of the underdog, and revenge of the nerds all rolled into one. Tent Girl, by becoming separated from her name, also invoked a murky psychological morass of death and identity where?judging from my companions? faces whenever I brought it up?most people would rather not go, but that I felt perversely compelled to explore.

The Skeleton Crew by Deborah Halber (Excerpt) by Simon and Schuster

Bronnen: Salon, The Skeleton Crew

Hoe fileer je een phishing-mail?

Bijna wekelijks ontvang ik ze: phishing-mails. Doorgaans komen ze niet door mijn Mailwasher-filter heen, maar soms glipt er eentje tussendoor en belandt die al snel met een geroutineerde handeling in de prullenbak van mijn mailprogramma. Ongeveer een maandje geleden heb ik zo’n phishing-mail al eens door de mangel gehaald en maakte ik daar?instructie-afbeelding van. De tweet daarover werd 41 keer geretweet. Voor mijn doen aardig veel. Kennelijk voorziet uitleg hoe je een phishing-mail kunt ontleden in een behoefte. Tijd om het dus weer eens dunnetjes over te doen!

phishing

Lees verder

Twitter-foto in groot formaat downloaden (#HowTo)

Er was een tijd dat foto’s delen via Twitter alleen kon met diensten van derden. Zelf gebruikte ik merkvast altijd?TwitPic. De iPhonegebruikers in mijn omgeving?maakten meer gebruik van Moby Picture. Veel anderen gebruikten weer Yfrog. Op 2 juni 2011 was de eerste foto te bewonderen die Twitter had geupload via de eigen fotodienst en het duurde nog geen vijf maanden totdat?Twitters eigen fotodienst meer gebruikt werd dan andere diensten. Inmiddels zie ik nauwelijks nog links naar fotodiensten van derden, uitgezonderd hier en daar een Twitpiclink en natuurlijk afbeeldingen die via de Instagram-app zijn geplaatst.

photo_studio Lees verder

Bekende en minder bekende Twitter-operatoren

Zoeken op internet doen we bijna allemaal met Google. We vullen een woord in en spitten vervolgens door de resultaten. Als je iets op Twitter wilt vinden raad ik zoeken met Google ten zeerste af. Met Google zoek je namelijk niet op het internet, je zoekt in de momentopnamen die Google van het internet heeft gemaakt en heeft opgeslagen op de eigen servers. Als je minder dan 10.000 volgers hebt, wordt gemiddeld slechts 0,22% van jouw tweets door Google ge?ndexeerd. Om te zoeken op Twitter kun je daarom het best gebruik maken van de zoekmachine die Twitter zelf beschikbaar stelt via www.twitter.com/search.

Datacentrum Google, bron: http://www.google.com/intl/nl/about/datacenters/

Datacentrum Google, bron: http://www.google.com/intl/nl/about/datacenters/

Lees verder

Van de straathoek naar Facebook

straathoek
Zoals wellicht bekend, staan social media vol met foto?s van dikke stapels geld, dure Gucci-schoenen en Cartier horloges, maken veel jongeren selfies met schotwonden en vereren ze er hun ?voorbeelden?, zoals Willem Holleeder.

Jongeren die voorheen op straat rondhingen, meten zich online ?een criminele identiteit? aan ? ze doen ?alles voor respect?. En wie respect wil, of stoer wil overkomen, moet daarvoor eerst bewijs aanleveren: een foto, een posting, een tweet. Van den Broek bestudeerde een jaar lang berichten en foto?s die straatjongeren, grotendeels uit de Rotterdamse wijk Spangen, op social media zetten.

‘Straatcultuur speelt zich steeds meer af op social media in plaats van op straat.’ Dat zegt criminoloog Jeroen van den Broek tegenover Govrien Oldenburger van Sevendays. Met zijn scriptie over het social mediagedrag van criminele jongeren won hij de Rotterdamse Scriptieprijs 2014. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’? Inmiddels wordt het begrip straatcultuur niet alleen maar toegepast in onderzoek naar (ongewenst) gedrag van jongeren op straat, maar ook op scholen en op social media.

Onderstaande?definitie van de Jong over?straatcultuur lijkt daarmee vandaag de dag wat achterhaald:
?Alle gedeelde ervaringen, kennis, betekenissen en symbolen die relevant zijn in het dagelijkse doen en laten van straatjongens die samen hun vrije tijd doorbrengen in de openbare ruimte van hun
(achterstands)buurt.? (de Jong, 2007: 149).
‘Ik wilde graag de link leggen tussen straatcultuur en social media’, vertelt Van den Broek, die liever social media dan sociale media gebruikt, definieert het als volgt”het geheel aan user generated content dat wordt gecre?erd en gedeeld via digitale platformen die dienen voor het overdragen van informatie”.?Hij begon zijn onderzoek met een YouTube-filmpje van een crimineel jeugdnetwerk dat iemand hem liet zien. ‘Daarna ben ik die jongens ??n voor ??n gaan onderzoeken.’ Daarbij maakte hij uitsluitend gebruikt van openbare netwerken, zoals YouTube, Instagram, Twitter en Keek (waar je filmpjes op kunt zetten). Wat bleek? Online was h??l veel over ze te vinden. ‘Die jongens houden een soort performance om status te krijgen. Ze zetten een beeld van zichzelf neer dat zo straat mogelijk is.’ Daarbij is stapels geld showen heel belangrijk, volgens Van den Broek. Net als het vertonen van criminele activiteiten. ‘Ze poseren met geld, wapens of zakken drugs. En scheppen erover op dat ze iemand beroofd hebben.’ De meesten waren begin twintig, schat hij. ‘Maar er zaten er ook een paar van vijftien en zestien tussen.’
Status
Is het niet een beetje dom om openlijk op te scheppen over je criminele gedrag? ‘Misschien wel, maar ze vinden het respect dat ze op die manier verkrijgen belangrijker. Ik denk dat het een kosten batenafweging is.’ Van den Broek kwam het in ieder geval bijzonder goed uit, voor zijn onderzoek. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’ Aanvankelijk probeerde hij zelfs contact met ze te leggen. ‘Ik wilde van h?n horen waarom ze zich zo uiten in het openbaar.’ Dat wilden ze helaas niet. ‘Geeft niet’, oordeelde Van den Broek. ‘Het maakte mijn onderzoek alleen maar sterker. Zo kon ik aantonen hoeveel informatie je al kunt vinden over zo?n netwerk zonder ze ooit gesproken te hebben.’ Hun gegevens anonimiseerde hij. Nooit overwoog hij de politie in te schakelen. ‘Als onderzoeker moet je onafhankelijk zijn.’ Nu hij is afgestudeerd, werkt hij voor de gemeente en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daar legt hij uit hoe je social media kunt gebruiken om informatie te krijgen over een jeugdcultuur. Op 1 september moet hij nog even terug naar zijn oude universiteit, de Erasmus Universiteit. Dan krijgt hij zijn oorkonde en 1500 euro uitgereikt. Wat gaat hij met het geld doen? ‘Een mooie auto kopen’, grinnikt hij. ‘Dat is goed voor m?jn status.’
Niet verrassend concludeert hij dat social media ?een dankbaar platform? vormen voor jongeren die zich een crimineel imago willen aanmeten. In een straatcultuur waar het draait om geld en ?laten zien hoeveel je hebt?, zijn deze media bij uitstek geschikt om te pronken ? jongeren posten zelfs foto?s van een bonnetje van twee flessen bacardi ? 150 euro. En een brief van de politie waarin je wordt gevraagd om dna af te staan, bewijst dat je ?een vrij ernstig delict? hebt gepleegd en ?dat is statusverhogend?.
Volgens Van den Broek is er door social media veel veranderd. Jongeren ontmoeten elkaar minder dan voorheen, hun hang naar respect is het allerbelangrijkst. Dat de politie meekijkt op social media, interesseert ze niet. Als ze iets illegaals posten en niet worden gepakt, levert dat extra respect op. Bovendien gebruiken ze straattaal en allerlei verbasteringen, ?voor buitenstaanders onbegrijpelijk?. Volgens Van den Broek heeft zijn onderzoek vooral aangetoond dat het voor de criminologie ?van groot belang is zich op een serieuze manier bezig te (gaan) houden met social media?.

Virtuele etnografie
Van den Broek gebuikte als onderzoeksmethode?virtuele etnografie,?een term die werd ge?ntroduceerd door Christine Hine in 2000 en doelt op?etnografisch onderzoek op het internet. Hij beschrijft het als volgt:

“Doordat veel van onze sociale interactie zich steeds meer richting het digitale domein begeeft, wordt het voor sociale wetenschappers steeds belangrijker om ook deze online gedragingen van mensen in ogenschouw te nemen. Kozinets (2010) definieert in zijn boek virtuele etnografie (door hem omgedoopt tot netnografie) als een gespecialiseerde vorm van etnografie die rekening houdt met de mogelijkheden die digitale communicatie ons biedt binnen onze huidige sociale netwerken. Virtuele etnografie is dus vooral zinvol in onderzoek naar gemeenschappen waarbinnen digitale communicatie een belangrijke rol speelt (Hine, 2000). Volgens Kozinets zijn er een aantal significante verschillen tussen ?normale? etnografie en de virtuele tegenhanger die het bestaansrecht van een zelfstandige methode rechtvaardigen. Ten eerste verschilt het verkrijgen van toegang tot een groep op internet wezenlijk van real life-toegang. Zowel ?participeren? als ?observeren? (etnografie wordt ook wel aangeduid als ?participerende observatie?) betekenen binnen het digitale domein iets wezenlijk anders dan in real life-etnografie. Ten tweede biedt virtuele etnografie zowel enkele nieuwe uitdagingen als nieuwe mogelijkheden ten opzichte van de klassieke vorm. Het gebruik van bijvoorbeeld aantekeningen verandert wezenlijk, omdat men alle tijd en ruimte heeft om precies te noteren wat men tegenkomt. Binnen de virtuele etnografie zijn kladblok en potlood daarom overbodig geworden. Mede door deze ontwikkeling verandert ook de hoeveelheid data die men verkrijgt uit beide vormen enorm. Ten slotte verschilt ook de manier waarop data geanalyseerd dient te worden, vanwege het feit dat bij virtuele etnografie de data al in digitale vorm verkregen wordt. Als derde benoemt Kozinets het verschil met betrekking tot ethische principes op het gebied van veldwerk. Bestaande ethische principes zijn heel duidelijk gebaseerd op de klassieke
vormen van veldwerk en lenen zich niet goed voor toepassing op virtuele etnografie. Dit komt het duidelijkst naar voren op het gebied van informed consent.

Binnen de virtuele etnografie bestaan verschillende onderzoeksmethoden, zoals bijvoorbeeld een sociaalnetwerkanalyse tracht men bepaalde structuren en patronen van relaties tussen bepaalde mensen binnen een netwerk te analyseren (Kozinets, 2010).”