Crossing lines together: Waarom en hoe burgers meedoen in het politiedomein

In de afgelopen decennia wordt het sociale kapitaal steeds meer benut door zowel burgers en politieorganisaties bij het bestrijden van criminaliteit en wanorde. Dit is een zeer brede ontwikkeling, bestaande uit een groot scala aan activiteiten. Deze activiteiten kunnen zelfstandig uitgevoerd worden of in samenwerking met andere burgers (bijv. buren of omstanders) en/of in samenwerking met de politie. Activiteiten zijn bijvoorbeeld het melden van criminaliteit en het verstrekken van inlichtingen aan de politie, ingrijpen als getuige van een misdrijf en meedoen aan een (online) buurtwacht. Om te onderzoeken waarom en hoe burgers deelnemen en of burgerparticipatie kan worden versterkt, is inzicht nodig in wat voor gedrag burgers kunnen hebben en of er verschillende psychologische factoren zijn die verband houden met de verschillende vormen van participatie.

In dit proefschrift is onderzocht of participatiegedrag in het politiedomein kan worden geclassificeerd vanuit het perspectief van burgers op basis van daadwerkelijk gedrag. En er is onderzochtof een breed spectrum van individuele, gemeenschaps- en institutionele gerelateerde psychologische factoren ten grondslag liggen aan de verschillende vormen van burgerparticipatiegedrag.

De resultaten toonden aan dat vier soorten participatie konden worden onderscheiden: 1. sociale controle (bijvoorbeeld het bespreken van antisociaal gedrag met buren), 2. responsieve participatie (bijvoorbeeld het melden van een criminele daad bij de politie), 3. collaboratieve participatie (bijvoorbeeld het bijwonen van een vergadering met politieagenten ) en 4. detectie (bijvoorbeeld deelnemen aan een buurtwacht).

Dit onderzoekt toont het belang aan om onderscheid te maken tussen categorieën van participatiegedrag in het politiedomein. De onderzoeken tonen aan dat, afhankelijk van het type participatiegedrag, verschillende individuele, sociale en institutionele gerelateerde psychologische factoren een rol spelen. Wat betreft de psychologische factoren, werd bijvoorbeeld aangetoond dat twee categorieën participatiegedrag werden beïnvloed door emoties, terwijl andere typen niet werden beïnvloed door emoties. Morele emoties bleken geen invloed te hebben op collaboratieve participatie en detectie, terwijl het wel invloed had op sociale controle en responsieve participatie. Concluderend lijkt het erop dat intuïtieve besluitprocessen, zoals morele waarden en emoties, evenals de overtuigingen die mensen hebben over hun eigen en collectieve capaciteiten en het nut van het gedrag belangrijke drijfveren zijn.

Vanuit een praktisch perspectief geeft dit proefschrift professionals inzicht in wat burgers ertoe aanzet deel te nemen aan het politiedomein. In politiecommunicatie met burgers wordt over het algemeen aanbevolen om rekening te houden met wat burgers ertoe drijft om deel te nemen. Wanneer de politie participatiegedrag wil stimuleren, is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten participatiegedrag. Op welke manier en of burgerparticipatie kan worden beïnvloed, moet echter nader worden onderzocht.

[slideshare id=192771110&doc=proefschriftwendyschreurs-191112152449&type=d]

Bron: Universiteit Twente

Burgers en sensoren: 8 spelregels voor de inzet van sensoren voor veiligheid en leefbaarheid

In Nederland worden in toenemende mate sensoren, zoals camera’s of trackers die je beweging volgen en vastleggen, ingezet om leefbaarheid en veiligheid te bevorderen:

  • burgers en bedrijven bezitten circa 1,5 miljoen beveiligingscamera’s;
  • gemeenten hebben ruim 3.000 toezichtcamera’s;
  • de politie heeft ongeveer 500 tot 1.000 toezichtcamera’s.

Doordat nieuwe technologie steeds kleiner, mobieler en goedkoper wordt, kunnen ze gemakkelijker worden ingebouwd, zoals bij camera’s in smartphones. Verder worden verzameling en verwerking van data steeds gemakkelijker, zoals met slimme algoritmen in apps. Hierdoor is een uitgebreid netwerk van sensoren ontstaan dat een grote hoeveelheid data produceert. Dit netwerk bestaat niet alleen uit nieuwe sensoren, maar ook uit nieuwe actoren en toezichtsvormen:

  • burgers worden gemonitord door de overheid en bedrijven (surveillance);
  • burgers gebruiken sensoren om elkaar te monitoren (horizontale surveillance);
  • burgers gebruiken sensoren om de overheid en bedrijven in de gaten te houden (sousveillance).

We schetsen in dit rapport verschillende trends, die laten zien hoe toezicht verandert:

  1. We zien bij de politie steeds meer gebruik van sensoren en sensordata.
  2. We zien automatisering van kernactiviteiten van de politie zoals getuigen opsporen en handhaven door middel van slimme sensortechnologie.
  3. We zien burgers, bedrijven en gemeenten steeds meer sensordata verzamelen.
  4. We zien nieuwe vormen van samenwerking tussen de politie en andere actoren uit de samenleving om sensoren te gebruiken voor leefbaarheid en veiligheid.
  5. We zien private partijen die zelf speurwerk en handhaving doen met sensoren en sensordata.

Welke factoren bepalen hoe burgers denken over sensoren?

Om inzicht te krijgen in de mening van burgers over het inzetten van sensoren voor veiligheid en leefbaarheid, ontwikkelden we een begrippenkader (zie figuur 1). Hierin onderscheiden we drie dimensies van burgers (linkerkolom, vetgedrukt) en drie dimensies van sensortoepassingen (rechterkolom, vetgedrukt) die invloed hebben op hoe burgers denken over de inzet van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid.

De literatuur laat zien dat persoonskenmerken, algemene houdingen en de directe sociale omgeving een rol spelen bij de meningsvorming van burgers. Zo blijkt dat dat oudere mensen meer geneigd zijn om sensortechnologie te accepteren dan jongere mensen. Verder blijkt dat mannen de partij die de sensor inzet (zoals de politie of een beveiligingsbedrijf) belangrijker vinden dan vrouwen, terwijl vrouwen meer waarde hechten aan het doel van de opsporing. Ook blijkt dat een positieve houding ten opzichte van technologie in het algemeen bijdraagt aan het vertrouwen van burgers in sensoren.

Met betrekking tot sensortoepassingen onderscheiden we ook drie dimensies die de kijk op sensoren beïnvloeden. Bij sensortechnologie gaat het over het type sensor en de mate waarin in het ontwerp van de technologie al rekening is gehouden met privacy (privacy-by-design) zijn genomen. Bij sociale praktijk en actoren gaat het om de context waarin de technologie wordt toegepast en de personen of organisaties die hierbij een rol spelen. Tot slot is de maatschappelijke, institutionele context, zoals de wettelijke regels voor cameratoezicht, of het maatschappelijke vertrouwen in autoriteiten, van belang. Om meer te weten te komen over de perspectieven van Nederlanders op sensortechnologie organiseerden we verschillende focusgroepen.

Hoe denken Nederlandse burgers over de inzet van sensoren?

Uit de focusgroepen komt een genuanceerd beeld naar voren van de inzet van sensortoepassingen. Het is niet mogelijk om los van de context te spreken over de acceptatie van bepaalde sensoren of technologieën. Burgers zijn niet voor of tegen bepaalde technologie, zoals bodycams of wifitrackers. Er is bij de inzet van technologie discussie nodig over:

  • de technologische eigenschappen;
  • het doel van de technologie;
  • de effectiviteit van de technologie;
  • de soort criminaliteit die begaan wordt door middel van de technologie; en
  • de context waarin de technologie wordt toegepast (waar, wanneer, hoe, door wie).

Uit de gesprekken blijkt dat twee factoren in het bijzonder van belang zijn: het type leefomgeving waarbinnen sensortechnologie wordt toegepast en de mate van veiligheid die burgers ervaren.

Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers.

We zien dat de acceptatie van sensorinzet afhankelijk is van de mate van veiligheid: hoe onveiliger burgers een situatie inschatten, des te meer ze het geoorloofd vinden om sensoren toe te passen om de veiligheid en leefbaarheid te vergroten.

De acceptatie is daarnaast afhankelijk van het type leefomgeving: de inzet van sensoren in de privéruimte is minder acceptabel dan de toepassing in de openbare ruimte, met name als de drukte daar groot is.

Aan de ene kant zeggen burgers dus ‘ja’ tegen de inzet van sensoren in zeer onveilige situaties en drukke openbare ruimtes, ‘mits’ voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden. Aan de andere kant zeggen burgers ‘nee’ tegen de inzet van sensoren in thuissituaties, en in de rustige openbare ruimte als die veilig of licht onveilig is of aanvoelt, ‘tenzij’ het de veiligheid en leefbaarheid duidelijk verhoogt en voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden, zoals privacy en persoonlijke vrijheid.

Maatschappelijke acceptatie sensorinzet
Figuur 2 Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers

Uit de focusgroepen bleek dat ook waarden richting geven aan de mening van burgers. Zo werd de discussie over de toepassing van sensortechnologie veelal geframed als een afweging tussen veiligheid en privacy. Tegelijkertijd blijkt uit de gesprekken duidelijk dat burgers bij de inzet van sensoren een breder palet aan waarden belangrijk vinden. Naast veiligheid en privacy gaat het daarbij om waarden zoals democratische rechten, efficiëntie, effectiviteit, innovatievermogen, transparantie, leefbaarheid en menselijk contact.

Acht spelregels voor de toepassing van sensoren

Bij het inzetten van sensoren en sensordata wordt van de politie verwacht dat ze zich bewust is van het belang van de genoemde publieke waarden en dat deze daadwerkelijk worden toegepast. In de praktijk kunnen bovengenoemde waarden op gespannen voet met elkaar komen te staan. Burgers verwachten dat de politie, in overleg met de samenleving, een goede balans vindt tussen verschillende waarden.

Op basis van de resultaten van het literatuuronderzoek en het focusgroepenonderzoek hebben we daarom spelregels geformuleerd, die handvatten geven voor de vertaling van waarden naar praktijk. Deze spelregels zijn toegespitst op de politie. Ons onderzoek laat echter zien dat burgers deze spelregels ook belangrijk vinden voor andere overheidsdiensten, bedrijven en medeburgers.

  1. Bij de inzet van sensoren dient de politie zo te handelen dat het vertrouwen wekt bij burgers.
  2. Burgers willen graag helder en transparant geïnformeerd worden over de inzet van sensoren.
  3. Burgers vinden dat privacy-by-design moet worden toegepast bij de inzet van sensoren.
  4. Burgers willen niet dat de inzet van sensoren ten koste gaat van de aanwezigheid van en het contact met politieagenten.
  5. Burgers willen dat het innovatievermogen van de politie op orde is en dat de inzet van sensoren effectief gebeurt.
  6. De inzet van sensoren mag niet leiden tot discriminatie.
  7. Om de persoonlijke vrijheid te waarborgen is het belangrijk om de inzet van sensoren voor veiligheidsdoeleinden te beperken tot onveilige situaties en drukke publieke ruimtes.
  8. Bovengenoemde spelregels gelden ook voor de samenwerking van de politie met andere partijen.

Rapport:

[slideshare id=171674827&doc=burgersensensoren-190913185622&type=d]

Bron: Rathenau

Onderzoek naar digitale buurtpreventie in Rotterdam: ‘Niet meer veiligheid, wel meer (kans op) verbinding’

Buurtveiligheidsapps leiden in Rotterdam nauwelijks tot een directe verbetering van de veiligheid, het veiligheidsgevoel of de leefbaarheid in de buurt. Toch vinden deelnemende buurtbewoners de apps wel zinvol: het geeft hen meer zicht op wat in de buurt speelt en een gevoel een steentje bij te dragen. Ook verwachten zij een beter contact met politie, gemeente en met elkaar. Dit blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Alerte burgers, meer veiligheid?’ dat vandaag is aangeboden aan de Rotterdamse wethouder en locoburgemeester Bert Wijbenga. Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoekersteam van Publiek Vertrouwen in Veiligheid van Hogeschool Inholland, in opdracht van de Rotterdamse Kenniswerkplaats Leefbare Wijken.

In Rotterdam zijn vele honderden digitale buurtpreventiegroepen actief. De gemeente stimuleert deze groepen, vanuit de verwachting dat hierdoor de veiligheid, veiligheidsbeleving en de leefbaarheid in de buurt toenemen. Burgers zouden alerter zijn op verdachte situaties en elkaar en de politie sneller waarschuwen, waardoor de politie sneller zou kunnen ingrijpen. Maar…. is dat ook zo? Om die vraag te beantwoorden deden de onderzoekers onderzoek in tien uiteenlopende buurtpreventiegroepen in Rotterdam. Zij spraken met beheerders, deelnemers en professionals en analyseerden de chatgeschiedenis van elk van deze groepen. Zij vonden daarbij geen aanwijzingen dat digitale buurtpreventiegroepen inderdaad de zogenaamde ‘heterdaadkracht’ vergroten, criminaliteit verminderen of de veiligheid doen toenemen. Een effect op de veiligheidsbeleving of de leefbaarheid was slechts in een enkele groep zichtbaar.

[slideshare id=171502812&doc=infographic-buurtpreventie-865480-190913093017&type=d]

Beter weten wat er speelt, kortere lijntjes
Desondanks stellen de onderzoekers dat digitale buurtpreventiegroepen in Rotterdam wel degelijk een meerwaarde hebben. Zij dienen voor burgers alleen vaak andere doelen dan beleidsmakers verwachten. ‘Gewoon’ een beter beeld krijgen van wat er speelt in hun buurt bijvoorbeeld. Of de afstand verkleinen tussen overheidsprofessionals en burgers. Zoals een deelnemer aangeeft: “Voorheen had ik nog nooit een wijkagent gezien, wist ik niet wie het was. Nu weet ik dat tenminste en weet ik ook waar ik met welke melding terecht kan”.

“Wij adviseren de gemeente: gooi het kind niet met het badwater weg, maar hou wel de eigen verwachtingen ten aanzien van digitale buurtpreventie tegen het licht en ga meer uit van de betekenis die digitale buurtpreventie voor burgers zelf heeft,” aldus Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid bij Hogeschool Inholland.

Digitale buurtpreventie werd in het hele land – mede – populair nadat een onderzoek in Tilburg in 2016 had laten zien dat digitale buurtpreventie leidde tot een afname van het aantal woninginbraken met zo’n 40%. In de afgelopen tijd zijn enkele onderzoeken gedaan in andere steden waarin zo’n aansprekend resultaat niét werd gevonden. Het nu gepresenteerde Rotterdamse onderzoek past in deze lijn. Let op: het is goed mogelijk dat in meer landelijke gebieden andere resultaten worden geboekt.

[slideshare id=171502976&doc=alerteburgersmeerveiligheid-190913093123&type=d]

Lees ook de artikelen die over dit onderwerp zijn verschenen:

Bron: InHolland

Is generatie Z participatiebereid?

Is generatie Z participatiebereid? – Een verkennend onderzoek naar de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit, auteur Nicolle Versteeg

Sinds een aantal jaren is er een duidelijke toename te zien van cyberincidenten en ook krijgen traditionele vormen van criminaliteit steeds vaker een digitaal karakter en zullen in de toekomst alle
criminaliteitsvormen een grote digitale component hebben. Veelvoorkomende verschijningsvormen van online criminaliteit zijn volgens Stol en Strikwerda (2017) hacken, e-fraude en kinderporno en in het Cyberbeeld 2018 van Oost-Nederland staan ook voornamelijk vormen van hacken en e-fraude in de top 5 van online criminaliteit in Oost-Nederland, echter uit een recente enquête is gebleken dat anno 2019 het oppakken van digitale criminaliteit of cybercrime voor veel collega’s in Oost-Nederland nog steeds geen gesneden koek is (Vortex NP, 2019). De politieorganisatie is tot op heden niet in staat om de technologische en digitale ontwikkelingen bij te houden en heeft daardoor een flinke achterstand opgelopen ten opzichte van de reeds ‘gedigitaliseerde’ burger en kan hierdoor de hulp van de burger goed gebruiken. Anno 2019 hebben we te maken met vijf verschillende generaties op de arbeidsmarkt, waarvan de laatste net is begonnen deze te betreden. Deze laatste generatie, generatie Z, is de eerste generatie die zich geen leven voor het internet kan bedenken en maximaal online is. Deze nieuwe generatie burgers lijkt, door dit digitale referentiekader, bij uitstek geschikt om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Echter over de participatiebereidheid van deze burgers, op welke wijze zij bereid zouden zijn te participeren en welke factoren bij hun hierop van invloed zijn, is nog maar weinig bekend. Inzicht hierin is noodzakelijk voor de opsporing om deze nieuwe generatie burgers te betrekken bij de opsporing naar online criminaliteit.

Dit kwalitatieve onderzoek richt zich daarom op het verkrijgen van inzicht in op welke wijze deze nieuwe generatie burgers (tussen de 15 en 19 jaar oud) uit Oost-Nederland bereid is te participeren in de opsporing naar online criminaliteit en welke factoren er van invloed zijn op hun participatiebereidheid. Binnen de politieorganisatie zijn er vijf verschillende participatieniveaus te onderscheiden, waarvan de niveaus raadplegen, adviseren en coproduceren in dit onderzoek zijn meegenomen, mede door een reeds bestaand onderzoek waaruit blijkt dat jongeren met name op deze niveaus van meerwaarde voor de politieorganisatie zouden kunnen zijn. Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat vertrouwen in de organisatie de basis is voor een succesvolle
samenwerking tussen politie en burger en dat een aantal factoren van invloed zijn op de participatiebereidheid van burgers in het algemeen. Deze factoren zijn de perceptie van de burger op
de participatietaak, de perceptie van de burger op de eigen competenties, de intrinsieke karakteristieken van de burger en de motieven van de burger.

Voor dit onderzoek zijn er 12 jongeren, zowel mannen als vrouwen, tussen de 15 en 19 jaar oud, met diverse opleidingsniveaus en wonend verspreid over Oost-Nederland geïnterviewd over hun
participatiebereidheid binnen drie cases van online criminaliteit. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de motieven en overige factoren die van invloed zijn op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers om te participeren in grote lijnen overeenkomen met de resultaten van reeds bestaande onderzoeken binnen andere generaties. De nieuwe generatie burgers staat open voor participatie op alle niveaus van de participatieladder, maar moet zich wel specifiek aangesproken voelen om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Eén van de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek is dat voornamelijk het belang van het onderwerp van het opsporingsonderzoek en het besef van de meerwaarde van participatie door deze burger van invloed is op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers. Opvallend is echter dat uit dit onderzoek naar voren is gekomen dat deze nieuwe generatie burgers niet actief politieberichtgeving volgt en hier in het dagelijkse leven niet mee bezig is. Hierdoor weet deze generatie niet ‘echt’ hoe groot de problemen zijn op het gebied van online criminaliteit en hoe belangrijk het aanpakken van deze vorm van criminaliteit werkelijk is. Het besef van het belang van burgerparticipatie door deze nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit ontbreekt en voornamelijk daar liggen de kansen voor de opsporing om deze burgers meer te betrekken.

[slideshare id=238425397&doc=isgeneratiezparticipatiebereid-200909071410&type=d]

Bron: Politieacademie

Politievrijwilligers in de opsporing

Politievrijwilligers in de opsporing: Over de wijze waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zij bij zoekzaken

Auteur: Koen Matheeuwsen

De opsporing heeft anno 2018 te kampen met een zogenaamde ‘effectiviteitscrisis’. Uitgangspunt van deze crisis is dat er slechts minder dan 1 op de 4 geregistreerde misdrijven wordt opgelost. Gesteld wordt dat burgers een belangrijke rol kunnen spelen in het opvijzelen van deze minimale cijfers. Burgers zijn immers de belangrijkste succesfactor voor effectief en efficiënt opsporen.
Politievrijwilligers betreffen burgers die zich zowel binnen de politieorganisatie als de burgermaatschappij bevinden. Uit onderzoek is gebleken dat politievrijwilligers over het algemeen
hoog opgeleid zijn en dat er door de politie niet of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en expertise die vrijwilligers meenemen vanuit hun betaalde functies. Vanuit deze hoedanigheid hebben politievrijwilligers de potentie interessant te zijn voor problemen die in de opsporing op specialistische terreinen spelen.

Dit gegeven wordt ingezien binnen het programma ‘herijking opsporing’, dat zich bezig houdt met het verhogen van de kwaliteit binnen de opsporing. Voor de politie-eenheid Midden-Nederland is
Margriet Algera de kartrekker van dit programma. Zij wilde dat er onderzoek gedaan werd naar de wijze(n) waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland. Hiertoe staat in onderhavige studie deze onderzoeksvraag centraal:

Op welke wijze(n) kunnen politievrijwilligers van meerwaarde zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland?

Ter beantwoording van de onderzoeksvraag zijn interviews afgenomen onder politievrijwilligers en leidinggevenden van de opsporing in de politie-eenheid Midden-Nederland. Hierbij stond centraal over welke meerwaarde(n) politievrijwilligers überhaupt beschikken, op welke wijze(n) zij ingezet kunnen worden ten aanzien van hun meerwaarde(n) en welke kansen, valkuilen en randvoorwaarden aan deze inzet verbonden zijn. Deze kansen, valkuilen en randvoorwaarden zijn ook besproken in een interview met een expert op het gebied van de inzet van politievrijwilligers binnen de opsporing. Ten behoeve van deze studie stonden zoekzaken centraal. Op basis van de interviews kan gesteld worden dat iedere politievrijwilliger ‘extra handjes’ kan leveren binnen de opsporing. Door deze ‘extra handjes’ kan de capaciteit van de opsporing vergroot worden. Dit kan worden beschouwd als een kwantitatieve meerwaarde.

Daarnaast beschikken politievrijwilligers over (de navolgende) kwalitatieve meerwaarden. Zo beschikt de politievrijwilliger over, al dan niet specialistische, kennis en ervaring. Deze kennis en
ervaring kan van meerwaarde zijn voor de opsporing. Hiermee kan immers het pallet van kennis en ervaring van de opsporingsorganisatie uitgebreid worden. Dit kan zaaksinhoudelijk of procesmatig nieuwe inzichten voor de opsporing opleveren.

Er bestaat een gerede kans dat politievrijwilligers over competenties beschikken die van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing. Binnen deze competenties kan een onderscheid gemaakt
worden tussen vaardigheden die raken aan de professionele beroepsomgeving van politievrijwilligers en meer algemene vaardigheden en eigenschappen.

Uit de interviews is gebleken dat de politievrijwilligers inhoudelijk beschikken over zeer verschillende netwerken. Al deze netwerken kunnen door hun expliciete kennis en ervaring, via de
politievrijwilligers, het pallet van kennis binnen de opsporing eveneens vergroten. Politievrijwilligers beschikken over een frisse blik en in mindere mate ook over creativiteit en innovatieve vermogens. Deze aspecten kunnen van meerwaarde zijn voor de opsporing. Vanuit zaaksinhoudelijk oogpunt kunnen deze aspecten tot nieuwe of andere inzichten binnen zaken leiden.
Procesmatig gezien kunnen deze aspecten leiden tot een effectievere en/of efficiëntere herziening van de opsporingsinstrumenten en –methoden.

Ten aanzien van bovengenoemde meerwaarden kunnen politievrijwilligers in de rol van (assistent-)rechercheur of in de rol van adviseur binnen de opsporing ingezet worden. In de rol van
(assistent-)rechercheur werken politievrijwilligers inhoudelijk aan een zaak mee. Al de genoemde meerwaarden zouden in deze rol tot uiting kunnen komen. In de adviseursrol adviseren politievrijwilligers onderzoeksteams, al dan niet vanuit kennis- en ervaringsachtergrond, in bepaalde zaken. Hierbij komen eveneens, met uitzondering van de ‘extra handjes’, alle meerwaarden tot uiting.

De inzet van politievrijwilligers in de gestelde rollen zou genoemde meerwaarden als kansen voor de opsporing kunnen opleveren, wat vervolgens tot een effectievere en efficiëntere opsporing kan leiden. Een inzet als (assistent-)rechercheur stuit echter op een aantal praktische valkuilen. De belangrijkste valkuil is dat politievrijwilligers slechts beperkt beschikbaar zijn voor de opsporing. Dit
zorgt voor een ongewenste vertraging in de voortgang van zaken. Deze valkuil geldt niet voor de inzet van politievrijwilligers in de rol van adviseur. Het onderzoek blijft immers voortgang houden indien de politievrijwilliger als adviseur wordt ingezet.

Geconcludeerd kan worden dat de meerwaarden van politievrijwilligers het meest effectief tot hun recht komen in de rol van adviseur. Om deze reden wordt aanbevolen om politievrijwilligers in een rol als adviseur binnen de opsporing in te zetten. Hiertoe dient van alle politievrijwilligers helder te zijn welke opleidings- en werkachtergrond zij hebben. Deze achtergronden dienen in een database geregistreerd te worden. Onderzoeksteams kunnen in gevallen dat zij verlegen zitten om bepaalde kennis, deze database ter hand nemen en vervolgens een beroep doen op een politievrijwilliger met specifieke kennis en ervaring. Tevens bestaat er een mogelijkheid om als opsporing politievrijwilligers breed over (specialistische) problemen binnen de opsporing te bevragen. Hiervoor is instemming van de politievrijwilligers benodigd.

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=238425304&doc=politievrijwilligersin-200909070850&type=d]

Bronnen: Politieacademie

De vermissing van Anne Faber

Door: Menno van Duin, Marije Bakker, Vina Wijkhuijs

Inleiding
In het najaar van 2017 was Nederland in de ban van de vermissing van Anne Faber, een 25-jarige vrouw uit Utrecht. Na een wekenlange zoektocht werd duidelijk dat zij op een gruwelijke wijze om het leven was gebracht. De dader bleek een 27-jarige man die eerder geweld- en zedendelicten had gepleegd, daarvoor was veroordeeld en nog maar net deelnam aan een re-integratietraject. De vermissing en moord op Anne Faber beheerste begin oktober het nieuws en zou ook later nog een veel besproken onderwerp zijn. De nauwe betrokkenheid van de familie en de spontane hulp van vrienden bij het opsporingsonderzoek waren uniek te noemen.
In dit hoofdstuk gaan wij in op de vraag hoe aan de samenwerking tussen enerzijds de politie en anderzijds de familie en vrienden van het slachtoffer gestalte werd gegeven, wetende dat daar altijd dilemma’s of bezwaren aan kleven vanwege de vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid waarmee met opsporingsinformatie en bewijsmateriaal moet worden omgegaan. Ten behoeve van dit hoofdstuk is gesproken met verschillende personen bij de politie en met Hans Faber, de oom van Anne. Daarnaast zijn vele mediaberichten geraadpleegd.

Feitenrelaas
Het is vrijdagmiddag 29 september 2017 als de 25-jarige Anne Faber besluit een fietstocht te gaan maken door de provincie Utrecht. Ondanks de slechte weersverwachting vertrekt ze rond 17.00 uur op haar oma-fiets vanuit Utrecht. Rond 18.15 uur stuurt ze haar vriend een whatsappje waarin ze aangeeft dat ze in Hollandsche Rading is, een dorpje dat tussen Utrecht en Hilversum ligt. Juist op dat moment barst er noodweer los. Ruim een halfuur later stuurt Anne naar haar vriend een selfie die genomen is op de kruising van de Hilversumsestraat en de Amsterdamsestraatweg in Baarn. Op de selfie is te zien dat ze in een regenjas in de regen staat. Ze heeft dan zo’n twintig kilometer gefietst. Als Annes vriend een uur later (om 19.50 uur) een bericht terugstuurt, wordt dit bericht niet gelezen. Hij probeert met Anne contact op te nemen, maar wanneer dit niet lukt, begint hij zich zorgen te maken. Zo ook Annes familie. In de nacht van vrijdag op zaterdag 30 september doen zij bij de politie melding van de vermissing en zoekt de moeder van Anne al met de auto. De politie start direct een onderzoek en constateert dat er geen aanwijzingen zijn die erop wijzen dat Anne een tijdje zou willen verdwijnen. Als zij op zaterdag niet komt opdagen bij een afspraak in Amsterdam, besluit de politie een opsporingsbericht te verspreiden. Diezelfde dag plaatst de vriend van Anne op Facebook een emotionele oproep die massaal (zo’n 130.000 keer) wordt gedeeld.1 Er wordt een rechercheteam samengesteld dat gesprekken voert met
bekenden van Anne en met mensen die haar nog hebben gezien. Ook worden de gegevens van de provider (telefoon) nagetrokken. Vooralsnog blijft echter onduidelijk waar Anne is en wat haar mogelijk is overkomen.

1 Zie ‘Leger meezoekers helpt de politie’, NRC Handelsblad, 3 oktober 2017. In dit artikel geeft een specialist in online zoeken aan dat dit meezoeken geschiedt vanuit een mix van
meelevendheid en sensatiezucht.c

Op zondagavond 1 oktober start de politie een zoekactie in Baarn, rondom de locatie waar Anne haar selfie maakte. Ook zijn familie en vrienden – mede naar aanleiding van de oproep van haar vriend op Facebook – dan inmiddels met zoeken gestart. Bijgestaan door de politie start op maandag een grote groep van familieleden, vrienden en anderen vanaf Paleis Soestdijk een uitgebreide zoektocht, waarbij vrij systematisch wordt geprobeerd verschillende gebieden te doorzoeken waar Anne waarschijnlijk langs is gekomen. Deze zoekacties leveren aanvankelijk niets op. Gedurende de dagen die volgen blijven politie en burgers zoeken. Ondertussen leveren haar telefoongegevens een duidelijker beeld op waar gezocht moet worden. De media doen uitgebreid verslag van de zaak: niet alleen feiten worden gebracht; soms wordt de zoektocht ook in beeld gebracht en live gevolgd.

Dinsdagmiddag 3 oktober wordt door vrienden langs de Amersfoortseweg in Huis ter Heide een jas gevonden, die mogelijk van Anne zou kunnen zijn. Diezelfde avond zoeken enkele vriendinnen van Anne uit of een dergelijke jas door Anne zou zijn gekocht. Dat blijkt het geval te zijn. De vindplaats wordt afgezet en de politie begint een sporenonderzoek. Ook forensisch onderzoek zal later uitwijzen dat het inderdaad om de jas van Anne Faber gaat. Die avond besteedt het programma Opsporing Verzocht aandacht aan de zaak.

De dagen erna blijven groepen burgers naar Anne zoeken en vindt hierover afstemming plaats met de politie. Elke tip en elk gevonden voorwerp dat mogelijk van Anne is of met haar vermissing te maken zou kunnen hebben, wordt onderzocht. Ook worden camerabeelden geanalyseerd in de hoop nieuwe aanknopingspunten te vinden om te bepalen waar en hoe verder te zoeken.

De familie van Anne vindt het allemaal te traag gaan en doet – bij monde van de oom van Anne, Hans Faber, onder andere in De Telegraaf een oproep. Hoe langer de familie en vrienden zoeken, hoe groter het zoekgebied wordt. Bij hen breekt het besef door dat zij het zonder ondersteuning van de politie en de inzet van anderen niet zullen redden. Donderdag 5 oktober kopt De Telegraaf op de voorpagina: ‘Laat leger naar onze Anne zoeken’. Veel vrijwilligers zijn na vijf dagen zoeken wat uitgeput geraakt, terwijl er nog een groot gebied is dat nog niet is doorzocht. Hans Faber zegt in het interview:[2 ‘Zoek ook naar daders’, De Telegraaf, 5 oktober 2017].

‘[W]e voelen allemaal dat de tijd verstrijkt en het belangrijk is dat het onderzoek nieuwe impulsen krijgt. Dat kan in onze ogen alleen als de zoekacties aanmerkelijk worden uitgebreid en met veel meer mankracht en inzet van technische hulpmiddelen en materiaal plaatsvinden dan tot nu toe.’

Diezelfde donderdag wordt ’s avonds in een vijver in het Blookerpark in Huis ter Heide een fiets aangetroffen die vrijwel zeker van Anne is. De fietst wordt onderzocht en de vijver wordt leeggepompt. RTV Utrecht doet live verslag van het dreggen van de vijver, maar in de vijver worden
geen sporen aangetroffen die naar Anne leiden. Wel wordt de volgende dag een rugzak gevonden die op de rugzak van Anne lijkt. Ook wordt die dag bevestigd dat de gevonden jas inderdaad van Anne is.

Inmiddels is het een week geleden sinds Anne werd vermist. De zoekacties gaan onverminderd door. Op maandag 9 oktober lijkt er sprake van een doorbraak in het onderzoek, wanneer een 27-jarige man wordt aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de vermissing van Anne. Op basis van DNA-sporen die op de jas van Anne zijn aangetroffen, is hij als verdachte in beeld gekomen. De man heeft voor een aantal gewelds- en zedendelicten een straf uitgezeten en is voor de uiteindelijke terugkeer in de samenleving opgenomen in een forensisch psychiatrische kliniek in Den Dolder. Hij wordt verhoord en zijn gangen worden nagegaan vanaf de dag waarop Anne vermist raakte. Op basis van informatie die langs die weg verkregen wordt, voert de politie op woensdag 11 oktober en donderdag 12 oktober zoekacties uit in Zeewolde. De informatie die de politie van de verdachte heeft verkregen, leidt naar een gebied in de omgeving van het Nulderpad in Zeewolde. Met grote schermen wordt aan de massaal uitgerukte media duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling is dat het eventueel aantreffen van Annes lichaam op welke wijze dan ook in beeld wordt gebracht. Desondanks besluiten enkele journalisten met een klein vliegtuig de lucht in te gaan en worden er drones ingezet, om het werk van de forensische politie te volgen. Al diezelfde donderdagmiddag komt De Telegraaf met de primeur en publiceert op zijn site, nog voordat een officieel bericht is uitgegaan, dat het lichaam van Anne is gevonden. Om 18.00 uur is
er een officiële persbijeenkomst waar bekend wordt gemaakt dat het levenloze lichaam van Anne is aangetroffen.

In de daaropvolgende maanden doet de recherche uitgebreid onderzoek naar de toedracht van Annes dood. Onderzocht wordt wat er precies is gebeurd en welke rol de aangehouden verdachte daarbij heeft gespeeld. De verdachte verklaart dat hij Anne op 29 september 2017 van haar vrijheid heeft beroofd, heeft verkracht en om het leven heeft gebracht. Op woensdag 10 januari 2018 vindt een eerste pro forma zitting plaats; de inhoudelijke zitting volgt op 11 en 12 juni. Op 17 juli 2018 wordt de  verdachte, Michael P., veroordeeld tot 28 jaar cel en tbs met dwangverpleging. Hij gaat in hoger beroep.

Goed samenwerken (co-creatie)
In Nederland worden per jaar zo’n 40.000 meldingen gedaan van een vermissing van een persoon. In de meeste gevallen zijn de vermiste personen binnen een paar dagen weer terecht, doordat ze gevonden zijn of omdat ze zelf terugkeren naar huis. De meeste vermissingszaken komen dan ook nauwelijks in het nieuws. In het geval van Anne Faber was dat anders. Al na een paar dagen was heel Nederland in de ban van haar vermissing. Niet alleen de politie startte een zoektocht, ook haar familie, vrienden en anderen gingen naar haar op zoek.

Een van de zaken die deze casus bijzonder maakte, was de interactie en samenwerking tussen de politie en de familie. Dat ging in deze casus verder dan burgerparticipatie in haar klassieke vorm, waarbij de politie met tips en aanwijzingen wordt geholpen door burgers. Het betrof hier gaandeweg een min of meer geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen enerzijds familieleden en vrienden die een crisisteam hadden gevormd en anderzijds de politie (in casu de SGBO en het TGO). Een leidinggevende politiefunctionaris stemde (vanaf een dag of vijf na de vermissing) frequent af met een direct familielid over uiteenlopende zaken.

In de politiewetenschap is de laatste jaren veel aandacht voor het verschijnsel co-creatie, juist op het terrein van opsporing en recherche (zie bijvoorbeeld Kop, 2012; Jong & Hogendoorn, 2017). Daaruit wordt duidelijk dat co-creatie veel meer behelst dan alleen wat beter luisteren naar en informatie zoeken bij burgers. Co-creatie betekent een werkelijk wederkerige relatie tussen politie en burgers, waarbij de politie niet alleen vraagt en ophaalt, maar ook aanreikt, informeert en regelmatig een terugkoppeling geeft. De politie houdt daarmee burgers actief betrokken in het opsporingsproces. In dit geval betekende co-creatie een vergaande relatie tussen samenleving (in dit geval het crisisteam-Faber) en politie in het kader van opsporingsactiviteiten maar ook
op het terrein van de (afstemming van de) crisiscommunicatie. Het is voor de politie niet altijd gemakkelijk in een dergelijke situatie deze samenwerking aan te gaan. Enkele jaren geleden speelde in dezelfde  politieregio (en buurt) de vermissing van de broertjes Ruben en Julian. De moeder deed toen een wanhopige oproep op Facebook, die vervolgens een enorme hype op sociale media veroorzaakte. Iemand nam het initiatief mensen via Facebook op te roepen om gezamenlijk een zoektocht te starten, wat de politie destijds duidelijk in verlegenheid bracht: ‘Moest hier wel aan meegewerkt worden?’ (zie Jong, Dückers & Holsappel, 2014). Schoorvoetend werden stappen gezet om de samenwerking met zoekende burgers aan te gaan.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en wordt het voor de politie en ook andere (overheids)instellingen steeds duidelijker dat bepaalde vormen van co-creatie welhaast onvermijdelijk zijn. Vooral het groeiend gebruik van sociale media versterkt dat proces. De wereld verandert, iedereen kijkt mee en vindt er wel iets van. De tijd dat alle kennis en informatie alleen bij – in dit geval – de politie aanwezig is, is voorbij. Op vele fronten kunnen ook andere organisaties of personen zaken gewoon goed, zo niet beter dan de politie.

Deze ontwikkeling stelt de politie uiteraard wel voor een uitdaging. De hulp die burgers bieden kan waardevol zijn, maar hoe zet je hen op een goede manier in ten bate van het politieonderzoek? Hoe leid je de hulp die door burgers wordt aangeboden in goede banen, zonder dat bewijsmateriaal wordt ‘vernietigd’ of informatie over de dader vroegtijdig naar buiten wordt gebracht? Hoeveel informatie kan c.q. moet je delen om van wederkerigheid te kunnen spreken? Was hier nu sprake van co-creatie en waartoe leidde dat?

Het achterliggende dilemma
Natuurlijk was het grootste dilemma dat speelde rond de casus van Anne Faber de vraag hoe het kon dat zedendelinquent Michael P. op die desbetreffende avond – in de toestand waarin hij zich toen bevond – de gelegenheid had deze daad te verrichten. Had de samenleving – en in dit geval Anne Faber – niet tegen hem beschermd moeten worden? Hoe kon het dat Michael P. vanuit de kliniek in Den Dolder zo veel vrijheid kreeg en ongestoord Ritalin en andere middelen kon innemen? Waarom was hij, gezien zijn eerdere daden en uitspraken, niet opgenomen in een
tbs-kliniek? Was hij er al aan toe bepaalde vrijheden te genieten of was zijn toestand nog zodanig dat hij eerst een langere straf had moeten uitzitten?

Veel van dit soort vragen kwamen na de dramatische gebeurtenissen en de bekentenis van Michael P. in verschillende media uitgebreid naar voren. Weinig andere Nederlandse incidenten kregen in 2017 zo veel aandacht als juist deze moord op Anne Faber. Tijdens de rechtszitting in juni 2018 bleek dat Michael P. op de avond van de moord – naar eigen zeggen – strak van de pillen en stijf van de stress stond (Algemeen Dagblad, 16 juni 2018), maar desondanks wel gewoon buiten de inrichting mocht zijn. Hij had kort daarvoor gehoord dat zijn vriendin (een voormalig patiënt uit dezelfde inrichting) zwanger was.

Uit een onderzoek van een tweetal inspecties, in casu de Inspectie van Justitie en Veiligheid en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), blijkt dat er over de inrichting en de bemensing wel het een en ander was op te merken. Er was zo veel verloop onder het personeel dat er maar weinigen waren die enig zicht hadden op de geestesgesteldheid van patienten en dus een behoorlijke inschatting van hen konden maken.

Feitelijk blijft het een lastig dilemma of en wanneer een ex-gedetineerde – in dit geval een zedendelinquent – bepaalde vrijheden krijgt en daarmee een risico ontstaat dat (opnieuw) een verschrikkelijke daad wordt verricht. Enerzijds is voor de terugkeer in de samenleving zo’n traject van geleidelijkheid en wennen aan het leven buiten de gevangenis of inrichting waardevol. Anderzijds kleven er ook altijd risico’s aan. Daarbij speelt mee dat het altijd lastig is in te schatten hoe een patiënt/gedetineerde zich ontwikkelt. ‘Het jaren vooruit voorspellen van iemands gedrag na een paar uur aan gesprekken is iets wat de menselijke capaciteit van het brein ontstijgt, óók dat van de deskundige’, aldus de Nationale Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen in het rapport Gewogen risico (2017). Desondanks pleit de Nationale Rapporteur voor standaardgebruik van risicotaxatie-instrumenten. Anderen twijfelen aan de waarde van dergelijke instrumenten. Ook hiermee zijn de risico’s nog steeds lastig in te schatten. En daarnaast: ook als op basis van een dergelijk instrument een kleine kans op recidive zou bestaan, wat betekent
dat dan in de praktijk? Is dat een acceptabel risico?

Overigens kunnen de risico’s natuurlijk wel worden ingeperkt door gerichte behandeling en goede monitoring van de desbetreffende persoon. Er zijn in deze casus verschillende indicaties dat dat niet goed is gebeurd. Het onderzoek dat na de moord is ingesteld door de inspecties JenV en Gezondheidszorg & Jeugd en het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zullen mogelijk antwoord geven op een aantal van deze vragen. Hoe kon het dat iemand met deze achtergrond zo veel vrijheden kon hebben? Wat is er in de penitentiaire inrichting in Vught en later in Den Dolder aan monitoring en behandeling gedaan?

Analyse
Toen op zaterdag 30 september steeds waarschijnlijker werd dat Anne spoorloos was, formeerde de politie een TGO (team grootschalige opsporing). Omdat er op de politie meer afkwam dan alleen het opsporingsonderzoek, werd daarnaast een SGBO in het leven geroepen. Zo kon er meer gericht aandacht worden geschonken aan de externe communicatie, de media-aandacht en aan de organisatie van de zoektochten en afstemming met anderen.

Ook de familie en vrienden van Anne organiseerden zich en startten een soort van TGO op (het ‘crisisteam-Faber’). Dit team richtte zich niet alleen op de aansturing en afstemming van de zoektochten, maar verrichtte ook zelfstandig onderzoek naar de mogelijke fietsroute van Anne. Ook gingen zij op zoek naar camera’s en camerabeelden van particulieren en bedrijven. In de loop van de eerste week werd met deze aanpak iets meer duidelijk over de fietsroute van Anne en konden ook verschillende routes worden uitgesloten. In enkele dagen was er een gezelschap van familieleden en vrienden van Anne georganiseerd met brede kennis en vaardigheden: een fietskoerier die plaatselijk alle weggetjes kende, een google-maps-expert, een helikopterpiloot die zorgde voor goede stafkaarten van het leger, een ervaren crisiscommunicatiemanager en zo nog wat anderen. Feitelijk waren er twee teams – aanvankelijk bijna los van elkaar –aan het opsporen.

Er was vanaf het begin al wel het nodige contact tussen politie en de familie (politie hielp mee met de zoektochten; er waren familierechercheurs ingezet) maar deze relatie werd duidelijk hechter vanaf donderdag 5 oktober; de dag waarop De Telegraaf de oproep van de familie op de voorpagina plaatste. Die middag was er een eerste overleg tussen de onderzoeksleider van de politie, Ad Sanders, en de familie van Anne.

Voor de familie was een grotere en steviger rol van de politie in het hele proces cruciaal. De politie nam vanaf dat moment duidelijk(er) de coördinatie van de zoekacties over en regelde voor het crisisteam-Faber een geschikt onderkomen om vanuit te opereren (de brandweerkazerne in Zeist). Vanaf dat moment was er – mede vanwege het wederzijds vertrouwen tussen Ad Sanders (iemand die duidelijk meedacht met de familie) en Hans Faber – meer sprake van co-creatie en ging de politie meer informatie en belangrijke nieuwe ontwikkelingen delen met Hans Faber en de familie. Op de brandweerkazerne in Zeist werd bijvoor- beeld uitgebreid informatie uitgewisseld over de mogelijke fietsroute van Anne en over andere mogelijk relevante opsporingsinformatie.

Samen Zoeken
Het in samenwerking met burgers opsporen van vermisten is na de zoektochten uit 2013 (Ruben en Julian) een stuk professioneler geworden. Zo is er een app Samen Zoeken ontwikkeld die belangrijke ondersteuning biedt bij het organiseren van een zoektocht. Wie meezoekt krijgt op zijn scherm een kaartje te zien van het gebied waar de vermiste zich mogelijk bevindt. Over dat kaartje ligt een raster. Als er in een raster wordt gezocht, kleurt dat vakje donkerder. Zo is zichtbaar waar meer en waar weinig c.q. niet is gezocht. Ook kan de politie in de app zoektips delen met burgers en burgers kunnen elkaar foto’s sturen als ze wat bijzonders zien. [Zie voor een uitvoeriger beschrijving ‘Zoek mee naar vermiste, maar loop de politie niet in de weg’, NRC Handelsblad, 16 januari 2018]. In 2018 kreeg de politieman Ronnie Hessels de Innovatieprijs voor deze door hem gemaakte app. Overigens is bij de zoektochten naar Anne Faber geen gebruikgemaakt van deze app, maar zijn wel vergelijkbare vormen van ICT-ondersteuning gehanteerd.

Co-creatie en mogelijke knelpunten
Bij de politie was en is er altijd een deels terechte angst dat volledige co-creatie rond opsporing niet goed mogelijk is. Zo kunnen burgers ongewild sporen uitwissen, wat vervolgens de opsporing ernstig kan belemmeren. In deze casus vonden personen die werden aangestuurd door het crisisteam-Faber de jas van Anne ‘(…) in één van de onderste vakjes op de kaart. Op een onlogische plek om te zoeken, want haar route ging hier niet langs’.[Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16]. Degenen die de jas vonden, gingen – mede door de vooraf gegeven instructies – er zo voorzichtig mee om dat enkele dagen later, op basis van deze vondst, DNA-materiaal van de mogelijke dader kon worden vastgesteld en Michael P. kon worden opgepakt.

Een ander lastig punt is het gegeven, dat ook in deze casus opkwam, dat vooraf nooit is uit te sluiten dat iemand van de familie (in)direct betrokken of de dader kan zijn. Zo waren de vriend van Anne en ook familieleden onderwerp van rechercheonderzoek. Omzichtigheid vanuit de politie is dus altijd geboden. Op het moment dat de politie en het crisisteam-Faber steviger gingen samenwerken was het scenario van betrokkenheid van een bekende of familielid inmiddels geen thema meer. Binnen het TGO was al formeel vastgesteld dat deze personen uitgesloten waren van betrokkenheid. Het crisisteam-Faber had zelf ook verschillende maatregelen getroffen om te voorkomen dat relevante informatie gedeeld zou worden met mensen die er andere intenties mee hadden. Het kernteam bestond uit mensen die de familie goed kende. Iedereen die meehielp werd geregistreerd en daarmee waren er dus geen ‘anoniemen’. Daarnaast werd iedere dag een nieuwe
WhatsApp-groep aangemaakt, zodat personen die al waren gestopt met zoeken geen (actuele) informatie meer kregen. Ten slotte was er vanaf het begin een grote discipline in de communicatie. Vragen gingen naar de woordvoerders; niemand sprak zelfstandig met de media. Sociale media werden gevolgd. Belangrijke externe communicatie (zoals het interview met De Telegraaf) werd vooraf uitgebreid in het kernteam besproken.

Strafrechtjurist Brinkhoff waarschuwde in een interview in NRC Handelsblad voor nog andere risico’s bij burgerzoektochten. Zo kan een zoeker opeens oog in oog komen te staan met de dader of de vermeende dader. In het laatste geval zou zomaar – vaak via sociale media – een verkeerde verdachte in verband kunnen worden gebracht met het misdrijf. In de casus van de Boston Marathon (2013) leidde dat ertoe dat Sunil Tripathi aan de hand van camerabeelden als meest waarschijnlijke dader werd gezien, waarna vervolgens heel Amerika achter deze onschuldige persoon aanzat en zijn familie werd bedreigd. ‘Het gevaar is dat burgers steeds meer de rol van opspoorder, aanklager én rechter op zich nemen’, aldus Brinkhoff. [‘Zoek mee naar vermiste, maar loop de politie niet in de weg’, NRC Handelsblad, 16 januari 2018].

Buitensporig …
Bij een vermissingszaak waar veel aandacht naar uitgaat, kunnen zaken ook uit de hand lopen. Begin 2018 was er een aflevering van Medialogica waarin uitvoerig werd ingegaan op de zoektocht naar Ruben en Julian in 2013, wat daaromheen zoal gebeurde en vooral hoe mensen en organisaties over de schreef gingen. Een vrouw die had meegezocht vond dat ze na afloop ook wel het recht had om bij de begrafenis aanwezig te zijn. Een verslaggever van het Algemeen Dagblad die het adres van de moeder in de krant zette, omdat er nu eenmaal ‘een enorme honger naar informatie’ was. Een militair die toegaf dat men, vanwege de mediadruk, ’s nachts – volstrekt zinloos – maar doorging met zoeken. Een familierechercheur die in die tijd dagelijks contact had met de moeder en de vertrouwelijke band schond, door er later in een televisieprogramma uitvoerig over te vertellen.[‘Heel Holland zoekt: De vermissing van de broertjes Ruben en Julian’, uitzending Medialogica van 23 januari 2018. Zie ook de mooie bespreking van televisierecensent Arjen Fortuin van deze aflevering in NRC Handelsblad, 24 januari 2018].

Ook bij de vermissing van Anne Faber kwamen excessen voor. Zo bleken met een drone foto’s te zijn gemaakt in Zeewolde tijdens het opgraven van Annes lichaam en zette het ANP een helikopter in om beelden te vergaren, waarvan één foto al snel werd gedeeld in de sociale media. RTV Utrecht volgde live het leegpompen van het vijvertje waar Annes fiets werd gevonden. In die bewuste periode heeft het Veiligheidsinformatiecentrum (VIC) van Veiligheidsregio Utrecht ten behoeve van met name de meest betrokken gemeenten (Utrecht en Zeist) systematisch de sociale media gevolgd en waar nodig gemeenten geïnformeerd over eventuele gevoeligheden of zaken die mogelijk onrust zouden kunnen veroorzaken.

Misschien zijn deze bezwaren legitiem. Maar of er nu mogelijk sporen vernietigd worden, een bekende eventueel betrokken is, het tot een confrontatie met de verdachte komt of een onschuldig persoon wordt verdacht, vanuit de samenleving zullen allerlei initiatieven worden ondernomen om de vermiste te traceren. Zeker in een geval als deze, waar een ongekend grote (sociale) media-aandacht naar de zaak uitging. Of dat nu op prijs wordt gesteld of niet. De politie en eventueel anderen ontkomen er niet aan te proberen deze massale ‘urge’ vanuit de samenleving zo goed als mogelijk in beheersbare banen te leiden. Facebook, Twitter, Instagram en al die andere sociale media zijn er nu eenmaal en juist bij bepaalde soorten van gebeurtenissen gaan die viral. Deels zijn die gebeurtenissen voorspelbaar en deels gaat dat zonder dat het vooraf zou zijn verwacht. Alleen al dat gegeven maakt het meer en meer noodzakelijk dat een relatie wordt gelegd tussen politie
en deze (liefst zo georganiseerd mogelijke) groep. Daarbij is het – zeker voor de politie – goed als bij de zoekacties organisaties betrokken zijn die hebben nagedacht over en georganiseerd zijn om een zoekoperatie te verrichten (bijvoorbeeld het Rode Kruis of de krijgsmacht).

Daarnaast konden er juist door de (gaandeweg nauwere) samenwerking afspraken worden gemaakt tussen politie en het crisisteam-Faber. Daarbij beschikte het crisisteam-Faber over relevante knowhow en informatie, hield het een vinger aan de pols en daarmee ook de politie scherp (‘is die camera al uitgekeken; over enkele dagen zullen de beelden zijn gewist’). De politie en anderen deden hun best, maar zo intens gedreven als het crisisteam van familieleden, vrienden en bekenden van Anne waren zij mogelijk niet. Toch liepen ook aan de kant van de politie de emoties flink op en stelde het TGO soms bepaalde prioriteiten (en lieten ze daarmee zaken lopen die door de familie werden aangedragen) op basis van onderzoekslijnen waarvan de familie op dat moment nog niet op de hoogte was.

Burgerparticipatie of politieparticipatie
Wij hebben vaak de neiging te veronderstellen dat de overheid, en in dit geval de politie, in crisisachtige situaties ‘in the lead’ is en burgers zo mogelijk aanhaken. Er is dan sprake van burgerparticipatie. Maar evenzogoed kan het juist andersom zijn. Dan zijn burgers ‘in the lead’ en haakt de politie aan; politieparticipatie. In deze casus zagen wij verschillende varianten.

Feitelijk namen burgers (het crisisteam-Faber) de eerste dagen het initiatief bij het zoeken. In een persbericht van de politie staat ook dat ‘tientallen agenten aangehaakt waren om de familie te ondersteunen’.[‘Leger meezoekers helpt de politie bij vermissing Anne Faber’, NRC Handelsblad, 2 oktober 2017.]

‘Ik weet nog dat we de eerste maandag bij Paleis Soestdijk verzamelden. Daar waren ook lokale agenten. Je verwacht dat dan iemand in uniform de leiding neemt en zegt wat je moet gaan doen. Maar ze waren daar om ons te ondersteunen. Dat was best verwarrend en frustrerend.’ [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16].

Politie en burgers (in dit geval dus vooral het crisisteam-Faber) werkten aanvankelijk behoorlijk los van elkaar.

‘We hadden meer willen horen van het TGO. Als je echt wilt samenwerken moet je informatie durven delen. Zaken terugkoppelen. Als burgers informatie delen met een TGO, geef daar dan op zijn minst feedback op. (…) Je vindt een camera op een cruciale plek en je weet dat de beelden over enkele dagen worden gewist. Dan wil je weten of ze op tijd zijn opgevraagd. Daar kregen we dan geen antwoord op.’ [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16.]

Later, vanaf donderdag 5 oktober, is er meer sprake van co-creatie en kwamen de burger- en politieparticipatie meer en meer in een natuurlijk evenwicht. Na het eerste overleg tussen Ad Sanders en Hans Faber groeide het wederzijds vertrouwen en probeerden beide partijen elkaar zo goed mogelijk op de hoogte te houden. De politie hanteerde daarbij het uitgangspunt dat zij nieuwe informatie eerst zouden delen met de familie, vervolgens in de driehoek en met de betrokken bestuurders en vervolgens intern en dan pas de media zouden informeren. Zo kwam Sanders eerst naar de brandweerkazerne in Zeist (het crisiscentrum van het crisisteam-Faber) toen de politie het lichaam van Anne had gevonden.

Afronding
De vermissing en dood van Anne Faber vormden in 2017 een van de meest dramatische gebeurtenissen in Nederland. Het is veelzeggend dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek is gestart naar de wijze waarop tijdens de re-integratie van gedetineerden en tbs-gestelden rekening wordt gehouden met de veiligheid van de samenleving.

De casus leert ons daarnaast iets over de hobbels en de mogelijkheden van co-creatie; de samenwerking tussen politie en burgers. Het valt niet meer te ontkennen dat – of wij het nu willen of niet – de rol van burgers bij vermissingen en sommige andere crisisachtige gebeurtenissen alleen maar zal toenemen. De politie en andere (overheids)instanties zullen hier met vallen en opstaan aan moeten wennen. Voor verdergaande co-creatie is, naast een behoorlijke professionaliteit aan de kant van de burgers, zoals in dit geval bij het crisisteam-Faber, ook een bepaalde mindset bij de politie wenselijk. Hans Faber zei het in een interview als volgt: [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16].

‘Stel je meer open, binnen de beperkingen van het strafrecht. Kijk de familie in de ogen en als er vertrouwen is, werk dan waar mogelijk samen. Durf gebruik te maken van lokale kennis, van externe bronnen. Familie en vrienden kunnen wat toevoegen aan een TGO’.

Bron: IFV

 

Ben je altijd een held als je de politie helpt?

Burgers gedragen zich vaak – gevraagd of ongevraagd – als politieagent of rechercheur en helpen bij opsporingen met tips, getuigenissen en bewijs. Een goede zaak, maar er kunnen hierbij ook gevaarlijke situaties ontstaan. Sven Brinkhoff stelt in zijn minicollege aan de orde waar de grens voor burgers ligt en wanneer hun taak volbracht is.

Mr. Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent Strafrecht, verbonden aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen hield op woensdag 26 juni 2019 om 16.00 uur het perroncollege ‘Ben je altijd een held als je de politie helpt?’ op Centraal Station Rotterdam. Dit live college vond plaats in het kader van de tweede ronde van de perroncolleges van de Open Universiteit.

Het komt steeds vaker voor, burgers die zich opwerpen als een soort Sherlock Holmes voor de politie. Buurten die hun eigen wijk bewaken, wandelaars op zoek naar slachtoffers van geweld en winkeliers die dieven met portret op Facebook posten. Burgeropsporing ontstaat vanuit alle hoeken van de samenleving. Maar waardoor ontstaat deze beweging eigenlijk? Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht aan de Open Universiteit, vertelt in dit college over het nut, de risico’s en de noodzaak van helpende burgers.

‘De opkomst van burgerparticipatie op het gebied van strafrecht komt deels voort uit onvrede met het feit dat de politie te weinig capaciteit heeft om alle zaken in behandeling te nemen. Gebeurtenissen zoals fietsendiefstal en inbraken, maar ook complexere zaken waarin weinig aanwijzingen zijn, blijven daardoor vaak op de plank liggen. En daarnaast kan de officier van justitie gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel: hij hoeft niet elke zaak die aangebracht wordt te vervolgen.’

Citizen Science als hulpmiddel voor politie

Aan de andere kant maakt de politie al van oudsher gebruik van tips en getuigenissen om criminelen te achterhalen. Wanneer je getuige bent van een incident dat niet in de haak is, ben je zelfs verplicht dit te melden bij de politie. ‘Daar draait de grote bulk op. Natuurlijk heeft de politie ook andere middelen om bewijs te verzamelen, zoals het afluisteren van telefoongesprekken, maar in het strafrecht is er meestal een slachtoffer waardoor getuigenissen en tips heel belangrijk zijn. Denk maar aan een programma als Opsporing verzocht.’ De laatste jaren neemt Citizen Science een ware vlucht. ‘Wetenschappers doen steeds vaker een beroep op burgers bij hun onderzoeksprojecten – denk aan digitalisering van archieven, het in kaart brengen van dialecten, bodemdiertjes tellen of gegevens over fijnstof verzamelen. In opsporing van strafbare feiten vragen we nu ook veel meer aan burgers, bijvoorbeeld om expertise die de politie soms zelf niet heeft, onder andere bij het opsporen van internetcriminaliteit. Of om extra capaciteit te realiseren wanneer dit nodig is, zoals bij grootschalige zoekacties.’ Een goed voorbeeld hiervan is Burgernet, dat via sms signalementen van gezochte personen of auto’s naar deelnemende burgers stuurt. ‘De nieuwe Mijn onderzoek app, waar vanaf juni mee geëxperimenteerd wordt, stelt burgers zelfs in staat om bewijs te verzamelen, met informatie over hoe je dit het beste kan doen.’

Zelf op zoek

Veelal ontstaat burgeropsporing echter op eigen houtje door burgers die geraakt zijn door een misdaad, of wanneer ze een delict willen voorkomen of oplossen. ‘Bijvoorbeeld in de vorm van buurtapps om de wijk veilig te houden. Of met social media: door een foto van een winkeldief te posten op Facebook in de hoop de dader te identificeren,’ vertelt Brinkhoff. ‘Daarnaast zijn er privédetectives die worden ingehuurd om een zaak op te lossen en initiatieven als Bellingcat, een digitaal collectief dat voorop liep in de onthullingen rondom de MH17. Zij kunnen samenwerken met overheden, maar onderzoeken veelal zaken op eigen initiatief vanuit hun expertise.’

Betrouwbaar bewijsmateriaal

Burgeropsporing kan de politie waardevolle informatie opleveren, maar er kleven ook risico’s aan. ‘Doordat burgers geen opleiding hebben gehad om bewijs te verzamelen bestaat de kans dat zij dit beschadigen, denk aan het besmetten van sporenmateriaal. Of dat ze het niet op de juiste manier verkrijgen; bijvoorbeeld door uitlokking. Denk maar aan het YouTubekanaal Pedojagers, waarbij burgers probeerden pedofielen te lokken en op heterdaad te betrappen. Daar maakt een advocaat in de rechtszaal gehakt van.’ De vraag is dan ook in hoeverre bewijsmateriaal van burgers uiteindelijk wordt toegelaten door de rechter. Wordt dit bewijs wel betrouwbaar geacht? Aan de andere kant maakt de politie soms dankbaar gebruik van dit materiaal om een dader te achterhalen. ‘Omdat burgers zich niet aan allerlei richtlijnen hoeven te houden, wordt er bijvoorbeeld makkelijker DNA-materiaal van mogelijke daders verkregen. Het is wel zo dat de politie dit alleen mag gebruiken als zij er geen weet van heeft; als zij de burger er niet toe heeft aangezet om op die manier informatie te verzamelen.’

Eigen rechter spelen

Veruit het grootste risico is dat van burgers die eigen rechter spelen. ‘Wanneer een burger meewerkt en bewijsmateriaal verzamelt, dan moet de politie dit natuurlijk wel serieus oppakken. Doet zij dat niet, dan bestaat de kans dat er nog meer onvrede ontstaat en kan de burger ervoor kiezen om het recht in eigen hand te nemen. En dat kan weer tot geweld leiden. Voorbeeld hiervan is een zaak waarin een vader ontdekt dat zijn dochter gegroomd wordt en hij de dader vervolgens bewerkt met een knuppel. Of een zaak uit Venlo, waarbij een vader en zijn zoons een gezin bijna doodsloegen omdat ze dachten dat een van hen was betrokken bij een inbraak.’ Maar ook kleinere vergrijpen als naming en shaming op social media vallen hieronder. ‘Het is dan aan de politie om deze ‘eigen rechters’ terug te fluiten of te vervolgen, zoals in de zaak van Willeke Dost is gebeurd waarbij een burger werd vastgezet voor opruiing. Het strafrecht biedt regels om burgers te beschermen. Bij eigenrichting, het recht in eigen hand nemen, zijn die er echter niet. Je loopt de kans bedreigd te worden of erger. Wanneer we allemaal rechter gaan spelen gaan we feitelijk terug naar de middeleeuwen, toen er nog geen politie was.’

Wat mag dan wél en wat mag niet?

Er ligt bij de overheid een belangrijke taak om burgers voor te lichten over de kaders van burgerparticipatie in het strafrecht. Stel, je betrapt een winkeldief, wat mag je dan doen? ‘In het wetboek van strafrecht is er weinig vastgelegd over wat burgers mogen doen, maar zij hebben in ieder geval het recht van ‘aanhouden op heterdaad’ en ‘zelfverdediging bij noodweer’. Je mag bijvoorbeeld iemand die je ziet stelen aanhouden en deze persoon vasthouden tot de politie er is. Rent de winkeldief weg, dan mag je hem niet zomaar neerslaan. Je mag hem wel tegenhouden. Pas wanneer jij vervolgens wordt aangevallen, mag je jezelf verdedigen. Dan is het noodweer. Maar je mag geen excessief geweld gebruiken. Of daar sprake van is wordt naderhand pas beoordeeld door de rechter.’ En opnames maken, mag dat? ‘Ja, dat mag. Je mag ze natuurlijk niet op Facebook zetten, maar wel naar de politie sturen. In de zaak Holleeder, waarin zus Astrid in het geheim opnamen maakte van de gesprekken met haar broer Willem, kan dit soort bewijs mogelijk wel worden toegelaten.’

Leer meer over burgeropsporing

In dit college heb je meer geleerd over het nut en de noodzaak van burgerhulp bij het oplossen van misdrijven. Er wordt gebruik gemaakt van Citizen Science om verdachten op het spoor te komen, door getuigenissen en tips, of door bewijs te verzamelen en aan te reiken. Ook vanuit de burger zelf wordt er steeds meer actie ondernomen, van kleinschalige zoektochten tot grote opsporingsinitiatieven. Tegen de voordelen van burgeropsporing moeten ook de risico’s afgezet worden. Bijvoorbeeld het beschadigen van bewijs of eigen rechter spelen. Het is belangrijk dat de overheid investeert in goede voorlichting en dat eigenrichting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hoewel de politie niet kan zónder hulp van burgers, ben je dus niet altijd een held als je helpt bij opsporing.

Over de perroncolleges

Om haar wetenschappelijke kennis te delen heeft de Open Universiteit gratis mini ‘perroncolleges’ ontwikkeld. Op digitale schermen op de perrons van grote stations in Nederland worden video-animaties getoond die prikkelende, actuele (wetenschappelijke) vragen behandelen. Vragen afkomstig uit onze samenleving. Wie wordt niet geconfronteerd met foto’s op social media? Of met de plastic verpakkingen van etenswaren? Wellicht ben je ook wel eens door collega’s buitengesloten op het werk. De Open Universiteit doet onderzoek naar deze vraagstukken en neemt de reiziger in het perroncollege mee in het probleem en de zoektocht naar oplossingen.

De campagne ‘Perroncollege’ is in mei 2019 uitgeroepen tot de beste creatieve Digital Out-of-Home uitvoering tijdens de FEPE International Annual Awards 2019 in Dubai voor beste Creative Digital Execution.

Bron: Open Universiteit

Burgeropsporing als trend in veiligheid

Trends in Veiligheid is een jaarlijks visierapport van Capgemini, waarin de belangrijkste (digitale) ontwikkelingen worden geschetst in het domein van openbare orde en veiligheid.

Dit jaar is het thema: “Slimmer samenwerken aan een veiliger Nederland”. Innovatie is duidelijk meer dan een buzzword in het veiligheidsdomein: veel betrokkenen zijn aan de slag om hun belangrijkste opdracht op een vernieuwende manier aan te pakken. Dat is cruciaal, want de bad actors zitten niet stil. Dankzij nieuwe technologie vinden criminelen steeds weer nieuwe manieren om te ontwrichten, op te ruien en digitale en fysieke veiligheidslinies te doorbreken.

Speciale aandacht in deze trendrapportage voor de rol van burgers in de opsporing:

Lees pagina 46 t/m 49 in onderstaand rapport met een beschrijving van de belangrijkste trends die zorgen dat burgeropsporing opkomend is:

[slideshare id=149436009&doc=trends-in-veiligheid-2019-web-version-190613130123&type=d]

Bron: Trends in Veiligheid

Politie en OM lanceren app voor burgeronderzoek

De politie en het Openbaar Ministerie (OM) lanceren op 1 juni een app waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf. Het gaat in eerste instantie om een proef in vier eenheden, voor mensen die zijn bestolen.

Politie en OM zien dat burgers steeds vaker zelf actie ondernemen als zij slachtoffer zijn van een misdrijf. ‘Vooral technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten. Met de app “Mijn onderzoek” proberen we op die beweging in te spelen en mensen te faciliteren’, zegt Oscar Dros, portefeuillehouder burgerparticipatie.

Diefstal
Het gaat om een kleinschalige proef in zes basisteams in vier politie-eenheden: Oost-Nederland, Oost-Brabant, Noord-Nederland en Rotterdam. Mensen die aangifte doen van diefstal krijgen de mogelijkheid aangeboden om via de app zelf onderzoek te doen.

Met de app kunnen zij onder meer een getuigeninterview afnemen, onderzoeken of er camerabeelden beschikbaar zijn, foto’s toevoegen van bewijsstukken, buurtonderzoek uitvoeren en online onderzoek verrichten. Het gaat om handelingen die iedere burger mag verrichten. John Lucas, hoofdofficier van justitie: ‘We zien dat burgers dergelijke handelingen nu ook verrichten. Het helpt als ze dat op een wijze doen waardoor wij de opbrengst van dit onderzoek ook in de vervolging kunnen gebruiken.’

Samenwerking
‘Het is niet zo dat wij burgers vragen om ons werk te doen’, benadrukt Dros. ‘We zien het echt als een vorm van samenwerking. Mensen komen steeds vaker zelf in actie, of wij nu wel of niet met hun aangifte aan de slag gaan. Wij proberen het onderzoek door burgers met deze app zo goed mogelijk te ondersteunen.’

Vervolging
Want, hoewel opvolging door politie en OM niet wordt gegarandeerd, de kans bestaat dat de informatie die burgers via de app verzamelen later een rol speelt in de opsporing en vervolging van een verdachte. Dros: ‘We merken dat initiatieven van burgers niet altijd aansluiten op de werkwijze van de politie. Daarom willen we beide werelden bij elkaar brengen. Het is in ieders belang dat onderzoek zorgvuldig gebeurt.’

Zoektocht
De proef, die twee maanden duurt, maakt onderdeel uit van een bredere zoektocht naar effectieve samenwerking tussen burgers en politie. ‘Het is een zoektocht die kansen biedt en dilemma’s met zich meebrengt. Als politie en burgers de handen ineenslaan, kan dat tot prachtige resultaten leiden. Maar burgeronderzoek brengt ook risico’s met zich mee. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat mensen het recht in eigen hand nemen?’

Bron: Politie.nl

Hoplr digitale buurtnetwerken

Hoplr is een privaat sociaal netwerk voor buurten in België en Nederland. De maatschappelijke zetel van het bedrijf is gevestigd in Eksaarde, een deelgemeente van Lokeren. Het platform is sinds 2014 actief en focust op sociale interactie tussen inwoners en het engagement in de buurt. Buren kunnen spullen of diensten uitwisselen, babysitters zoeken, initiatieven lanceren, meldingen doen en activiteiten in de buurtkalender plaatsen.

Bewoners moeten zich registreren onder hun echte naam en hebben een code nodig om hun huisadres te verifiëren. Via de website of smartphones met iOS of Android kunnen geregistreerde gebruikers berichten sturen naar hun buren in een besloten buurtgroep.

Ik ben fan, want dit communicatiemiddel kan breed ingezet worden en zorgt voor een grotere sociale cohesie. Je leert zo veel sneller je buurt en buren kennen. En dat geeft iedereen een goed gevoel.Marc, ambassadeur Boechout Wijken (Boechout)

Ik wil tegen alle twijfelaars zeggen dat je aanmelden niet alleen heel gemakkelijk is, maar je verder ook nergens tot verbindt. Hoplr is een veilige, afgesloten en reclamevrije omgeving. En je buren kunnen er eigenlijk alleen maar hun voordeel mee doenBen, oprichter buurt Oosterveld (Antwerpen)

Al vele jaren ondernemen we initiatieven om mensen samen te krijgen met flyers, affiches, gratis hapjes en drankjes… Maar met weinig resultaat. Dat dit nu blijkbaar wel lukt met Hoplr toont aan dat dit buurtnetwerk een mooie toekomst tegemoet gaat.Erik, ambassadeur Heiende (Lokeren)

Waar staat Hoplr voor?

1. Community eerst
Bij Hoplr staan communities centraal en dat zal altijd zo blijven. Daarom denkt Hoplr bij elke beslissing, elke verandering of elke opportuniteit in de eerste plaats aan de toegevoegde waarde voor de buurt en haar bewoners.

2.Reclamevrij
Hoplr streeft ernaar om voor altijd reclamevrij te blijven. Het verdienmodel is gebouwd op samenwerkingen met partijen. Zo blijven alle berichten in de buurt relevant, interessant en vooral reclamevrij!

3. Privacy By Design
Het beschermen van persoonsgegevens is onze allergrootste verantwoordelijkheid. Hoplr is dan ook volledig conform aan de Europese GDPR privacywetgeving. Zij zeggen nooit ofte nimmer persoonsgegevens te verkopen.

4. Onafhankelijk
Hoplr is met geen politieke partij of andere belanghebbers verbonden en hoeft ook aan geen externe partij verantwoording af te leggen. Hoplr heeft respect voor ieders mening en zullen hun eigen mening ook niet uiten; noch expliciet noch impliciet.

5. Sociale impact
De droom van Hoplr is dat alle Hoplr-buren elkaar in het echt ontmoeten, helpen en leren kennen. Ze geloven in de kracht van het collectief. Daarom zullen ze activiteiten blijven organiseren en tips blijven geven rond sociaal contact buiten het platform om.

Bron: Hoplr