SocialMediaDNA richt zich op kennisdeling rondom social media, politie en maatschappelijke veiligheid. Onderwerpen vari?ren van de online aspecten van openbare orde, opsporing, vervolging, rechtspraak tot crisisbeheersing en communicatie.
Je hebt slechts 6 minuten de tijd om letsel te voorkomen. Om een leven te redden. Deze eerste minuten zijn namelijk doorslaggevend bij een levensbedreigende situatie. De opgeroepen nooddiensten zijn er vaak nog niet. Tijd voor jou om het verschil te maken. Weet jij wat je moet doen als het er echt toe doet? Weet jij hoe je reageert in zo’n noodsituatie?
Crash Move ontwikkelt met specialisten het PCA model zodat de overlevingskans van een slachtoffer toeneemt.
PREPARE: train en werk met de juiste middelen om een leven te redden.
CONNECT:verbind hulpverleners in een hoog tempo via de app.
ACT: handel adequaat en red een leven.
Crash Move heeft de processen en handelingen overzichtelijk samengebracht in 1 app. Binnen de app hebben we de 80-20 regel toegepast. Tijd om te denken is er niet. Het gaat om adequaat handelen. Met de Crash Move app kun je inloggen bij een bedrijf, instelling of vereniging, die hun gebied hebben beveiligd. Zo kunnen werknemers/gasten automatisch inchecken en kunnen de managers de dekkingsgraad van hulpverleners optimaliseren. Alles conform de Arbo-wet.
Stil Alarm: je kunt zelf niet de politie bellen omdat je wordt overvallen of dat er wordt ingebroken. Geen paniek! Met de Crash Move app genereer je een stil alarm, zodat je buddy de politie voor jou kan bellen. En de politie weet direct wat er aan de hand is en waar het misdrijf plaats vindt. Eenvoudig maar zeer doeltreffend.
Momenteel bevind deze app zich nog in testfase, maar je kunt je als tester aanmelden via de Facebookpagina.
De eerste 6 minuten kunnen het verschil maken! Samen willen zij vanaf 2019 Nederland zelfredzamer maken.
Meldingen naar 112 worden nu nog telefonisch gedaan. Maar meldkamers verwachten dat burgers en bedrijven steeds vaker beeld zullen willen sturen. Uit de eerste experimenten blijkt echter dat het gebruik van foto’s en video’s in de meldkamer minder vanzelfsprekend is dan het lijkt.
Door Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder, Kees van Dongen
We leven in een beeldcultuur. Volgens Facebook worden er per minuut 200.000 foto’s op de site gezet. Samen kijken we een miljard uur per dag video op YouTube. Elke seconde maken 50.000 mensen een foto met hun telefoon. Nederland, waar 93 procent van de inwoners een smartphone heeft, loopt in deze trend wereldwijd voorop. Vooral voor jongeren is de beeldcultuur een feit: 63 procent zegt foto’s en video’s over zichzelf te delen met anderen. Maar vlak ook ouderen niet uit. 9 van de 10 Nederlandse 55-plussers lopen met een smartphone op zak, en 34 procent is volgens het CBS actief op sociale media.
Beelden in de meldkamer
Die maatschappelijke ontwikkeling raakt ook aan veiligheidsprocessen, zoals handhaving, opsporing en hulpverlening. Burgers zetten zelfgenomen beelden van inbraken, ongelukken en (vermeende) daders op internet. Een buurtgroep wil met eigen foto’s en video’s de politie ondersteunen.
Het ligt voor de hand dat door burgers gemaakte beelden ook in toenemende mate gebruikt gaan worden in de meldkamers van 112. Op dit moment is dat nog niet goed mogelijk. Zo zijn de systemen van de centralisten nog niet ingericht op het weergeven en opslaan van foto’s en video’s die burgers sturen. De meldkamers staan echter wel open voor het gebruik hiervan. Ook de samenleving verwacht in toenemende mate dat zelfgemaakte digitale foto’s en video’s de telefonische melding kunnen ondersteunen.
Maar wat is het effect van foto, video en live-beeld in de meldkamer op het 112-intakeproces? En op de 112-centralist? Dat onderzocht TNO in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Landelijke Meldkamer Samenwerking. Er zijn 2 verkennende experimenten gedaan met 12 centralisten van de Meldkamers Noord-Nederland en Noord-Holland. Zij waren werkzaam in de ambulancezorg, bij de brandweer en bij de politie. Een derde experiment, dat onder andere zou gaan over het effect van de kwaliteit van het aangeboden beeld, moet nog worden uitgevoerd.
Niet sneller en niet per se beter
Het eerste experiment ging om de vraag wat het effect was van foto, video en ‘live’-beeld op de snelheid van het intakeproces en de volledigheid en juistheid van de vergaarde informatie. De deelnemende centralisten werden onder meer geconfronteerd met een door een acteur gedane melding van bijvoorbeeld huiselijk geweld, een persoon te water of een uitslaande brand. In totaal werd gebruikgemaakt van 8 veel voorkomende duidelijke meldingen. De resultaten van dit experiment zijn afgezet tegen een eerder onderzoek met dezelfde meldingen maar dan zonder beeld. Omdat destijds de meldingen alleen verzoeken om noodhulp en zorg betroffen, kon voor dit onderzoek alleen dit type meldingen worden gebruikt.
En wat bleek? De afhandeling van een melding met beeld duurde gemiddeld langer dan een melding zonder beeld. En gemiddeld werd geen kwaliteitsverbetering in de vergaarde informatie waargenomen; eerder een marginale afname. Vooral bij de melding met een live-beeld was er sprake van een (gering) negatief effect. Een interessante waarneming was dat beelden zekerheid, maar ook onzekerheid kunnen veroorzaken bij de centralist. Dit laatste is het geval als beeld en mondelinge melding niet overeen lijken te komen.
Meerwaarde van het beeld
Toch zagen de deelnemende centralisten meerwaarde in het gebruik van beeld. Na afloop was 80 procent positief. Vóór het experiment was dat 25 tot 30 procent. De centralisten gaven achteraf aan dat burgerbeelden de melding kunnen verduidelijken, met name bij gebruik van jargon of bijvoorbeeld bij een taalbarrière. Ook in het geval van een zeer emotionele beller, die bijvoorbeeld geen vragen kan of wil beantwoorden, voegde beeld iets toe. Verder droegen beelden bij om een situatie van een ongeval of stadium van een brand beter te beoordelen. Een ander voordeel, zo vonden centralisten, was dat zij veronderstelden te kunnen zien of instructies daadwerkelijk werden opgevolgd door de melder. Livebeelden genoten de voorkeur, omdat deze de meest actuele beelden gaven en als betrouwbaarder gezien werden.
Impact van beeld
Dat burgers foto’s en video’s maken bij ongevallen, is niet onomstreden. Aan de andere kant kunnen beelden, wanneer die worden gedeeld met de 112-meldkamer, bijdragen aan een beter inzicht in de situatie. Wel kunnen beelden van ongevallen of misdrijven heftige emoties oproepen.
Om te onderzoeken wat de impact van beeld is op centralisten deed TNO een tweede experiment. De 22 eerder genoemde centralisten voerden een gesimuleerde meldkamertaak uit. Tijdens het verwerken van de informatie van de melding werd geen foto, een neutrale foto (zoals een auto) of een heftige foto (zoals een verwonding) getoond.
Emotioneel en mentaal belastend
Om meldingen waarbij foto’s werden getoond te verwerken moesten centralisten meer mentale inspanning leveren dan bij meldingen waarbij geen foto’s werden getoond. Heftige foto’s leidden niet tot meer inspanning dan neutrale foto’s. De emotionele belasting is gemeten met vragenlijsten tijdens het experiment en bevraagd in een interview na afloop. De vragenlijsten lieten geen effect van foto’s op emotionele belasting zien, in de interviews gaven centralisten wel duidelijk aan dat ze verwachten dat heftige beelden in de toekomst belastend kunnen zijn voor henzelf of voor collega’s. Ook vertelden centralisten in de interviews dat de beelden in het experiment ervoor zorgden dat het moeilijker was om de aandacht te verdelen. Dit sluit aan op het resultaat uit het eerste experiment dat centralisten gemiddeld minder volledig waren bij het vergaren van de informatie. Zowel met heftige als met neutrale beelden werden meer auditieve informatie-elementen gemist dan zonder beelden. Bij heftige beelden werd meer gemist dan bij neutrale beelden. Reflecterend vonden centralisten de getoonde foto’s over het algemeen nuttig en zien ze het nut van beelden voor de meldkamer van de toekomst. Ze hielpen om prioriteit en behoefte in te schatten bij een melding.
Toegevoegde waarde
Uit de eerste experimenten blijkt dat beeldmateriaal als ondersteuning van telefonische meldingen niet zonder meer tot kwaliteitsverbetering zal leiden. De grootste toegevoegde waarde van beeld bij het duiden van een melding door de centralist lijkt er te zijn in situaties waarbij de melding of melder onduidelijk is, of de centralist onzeker is over de toestand ter plaatse. De juistheid van deze veronderstelling vraagt om aanvullend onderzoek. Dit staat overigens nog los van de waarde die het beeld verder in de keten kan hebben voor het opbouwen van een informatiepositie op de meldkamer en de opvolging, zoals bijvoorbeeld de waarde voor de opsporing.
Verder blijkt dat beelden zorgen voor extra mentale en emotionele belasting van de centralist. Centralisten geven aan dat ze behoefte hebben aan eigen regie over het bekijken van eventueel beeldmateriaal. Dit kan echter leiden tot keuzestress en dilemma’s. Zij moeten een afweging maken tussen enerzijds het goed uitvoeren van de functie en dus alle beelden uitkijken en anderzijds zichzelf beschermen tegen (te) veel emotionele belasting.
Vaardigheden van de centralist
Het toevoegen van beeld aan het meldproces vraagt daarom niet alleen om technische en analytische skills van de centralist, maar ook typevaardigheid (blind kunnen typen) en het vermogen om te gaan met emotionele stimuli en stress. Hier zal bij de selectie, training en opleiding van personeel rekening mee moeten worden gehouden.
Het gebruik van beeld in de meldkamer zal sterk toenemen. Dit past bij de maatschappelijke trend, waarbij foto’s en video’s steeds nadrukkelijker aanwezig zijn. Initiatieven om beeld in de meldkamer te brengen en te beproeven worden daarom aangemoedigd. De impact van beeld op de centralist mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Dit vraagt om zorgvuldig beleid en betrokkenheid van mensen met een achtergrond in het personeelsbeleid en de psychologie. Om het beleid te kunnen formuleren is bovendien meer onderzoek nodig. Bijvoorbeeld naar het effect van de verschillende manieren waarmee beeld het beste aan de centralist kan worden aangeboden.
Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder en Kees van Dongen zijn werkzaam bij TNO. Jonathan Barnhoorn is bereikbaar voor vragen en discussies via e-mail: [email protected]
Gemeenten stimuleren buurtpreventie, zonder te weten waarom. Terwijl het regelmatig tot problemen leidt, blijkt uit onderzoek.
Buurtpreventie blijft in Nederland groeien. Vooral het aantal buurtappgroepen is de afgelopen jaren fors gegroeid. Hoewel veel gemeenten de groei van buurtpreventie actief stimuleren, ontwikkelen ze nauwelijks beleid op dat gebied, terwijl in een op de vijf gemeenten de controlecultuur die met de buurtapps gepaard gaat tot problemen leidt.
Dat blijkt uit onderzoek van de aan de Erasmus Universiteit verbonden socioloog Vasco Lub, in opdracht van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, onder meer dan tweehonderd gemeenten.
Politie en bestuurders omarmen buurtpreventie als manier om burgers te betrekken bij het voorkomen en opsporen van criminaliteit. Dat kan via patrouilleteams die door de wijk lopen of via appgroepen, waarin buurtbewoners elkaar op de hoogte houden van verdachte situaties. Van de gemeenten stimuleert 65 procent buurtpreventie actief, bijvoorbeeld via informatieavonden, de eigen website of brieven aan inwoners.
In het merendeel van de gemeenten is er dan ook nauwelijks beleid over hoe om te gaan met de patrouilleteams en buurtappgroepen, constateert Lub. Van de 187 gemeenten die aangaven dat ze buurtpreventie hebben, hebben 109 er niets op papier over vastgelegd in officiële documenten zoals een collegeakkoord, veiligheidsplan of verordening. „En zelfs als er iets is vastgelegd, dan is dat minimaal”, zegt Lub. „Meestal wordt er alleen gemeld: we hebben het. Er staat vrijwel nooit in wat de reden is en welke strategie wordt gevolgd. Bijvoorbeeld: we kampen met overlast van een jeugdsoos of periodieke inbraak, en vragen daarom hulp van burgers. Of: we kunnen beperkter politie inzetten.”
Lub noemt dat een risico. „Als je geen prioriteiten of grenzen stelt, blijft vaag waarop het kan worden afgerekend.”
Rotonde afgezet
Ruim een vijfde van de gemeenten met buurtpreventie gaf in het onderzoek aan negatieve effecten van buurtpreventie te ondervinden. Door een overdaad aan meldingen worden ambtenaren en politiemensen overvraagd, en ook een doorgeslagen controlecultuur waarin burgers elkaar wantrouwen en eigenrichting zijn een probleem.
Bij het extreemste voorbeeld dat Lub van ambtenaren hoorde, hadden burgers na berichten in de appgroep een verdacht persoon staande gehouden en met tie-wraps vastgebonden. Elders zetten burgers na meldingen over een inbreker een rotonde af om een mogelijke verdachte te kunnen aanhouden.
Vaak zijn de negatieve effecten subtieler en zien ambtenaren dat de appgroepen voor een dreigende sfeer in de buurt zorgen. Maar, merkte Lub in zijn gesprekken: praten doen ze daarover liever niet. „Gemeenten zijn huiverig om het over de schaduwkanten te hebben. Ze hebben het nu eenmaal omarmd, actieve burgers zijn per definitie goed. Ik vermoed dat het werkelijke aantal plekken waar negatieve effecten zijn veel groter is.”
Appgroepen professionaliseren
Lub volgt de opkomst van buurtpreventie al langer: drie jaar geleden leidde hij een vergelijkbaar onderzoek en onlangs publiceerde hij voor het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap een rapport over de samenwerking tussen burgers en politie. Het verbaast hem hoe weinig aandacht er vanuit de overheid is voor het fenomeen. „Er wordt nergens bijgehouden hoe groot dit is, of wat werkt en wat niet. Er wordt overal ingezet op burgermoed en burgerkracht, maar een landelijke richtlijn is er niet.”
Een deel van de buurtpreventiegroepen is de afgelopen jaren geprofessionaliseerd. Ze nemen de vorm aan van een vereniging, heffen contributie en betalen daarvan particuliere beveiligers of camera’s. Verschillende gemeenten experimenteren ondertussen met preventieteams die in opdracht van de politie na een misdrijf buurtonderzoek doen.
Zorgelijk, vindt Lub, die in zijn aanbevelingen voor duidelijker beleid pleit. „Het wordt nu klakkeloos gestimuleerd. Men bekijkt het praktisch: burgers kunnen een handje helpen. Maar er is een reden waarom buurtonderzoeken altijd door de politie zijn gedaan: omdat die onpartijdig is en weet hoe je objectieve informatie kunt verzamelen die standhoudt in de rechtbank.”
Cursussen worden wel aangeboden, maar richten zich volgens Lub louter op praktische zaken, zoals hoe je omgaat met een agressief persoon. „Niet op vragen als: wanneer vind ik een situatie verdacht? Wat is etnisch profileren? Wat mag ik wel en niet?” Groei van apps is door de overheid niet tegen te houden, erkent Lub. „Maar je kunt wel proberen ze beter te reguleren. En als mensen voor burgerwacht gaan spelen moet je dat proberen te bestrijden.”
We nemen steeds vaker zélf het initiatief bij de opsporing van criminaliteit. Daar zitten voordelen maar ook haken en ogen aan. Op 2 mei organiseren RTL Z en Open Universiteit een online seminar over dit thema, Sven Brinkhoff van Open Universiteit licht vast een tipje van de sluier op.
Een Whatsappgroep waar buurtbewoners elkaar waarschuwen als ze tussen de vitrage iets verdachts zien. Bezorgde burgers die in linie door een bos trekken, op zoek naar de verdwenen Anne Faber. Astrid Holleeder die de ruzies met haar broer opneemt. “Steeds vaker doen burgers opsporingswerk dat gewoonlijk was voorbehouden aan politie en recherche.”, zegt Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht en strafprocesrecht aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen van de Open Universiteit. “Een onmiskenbare trend.”
Volgens Brinkhoff komt burgeropsporing voort uit toenemende onvrede bij burgers over het functioneren van de politie. Met name kleine zaken die blijven liggen zorgen voor veel onvrede. Daarnaast is er de beschikbaarheid van digitale apparatuur, zoals smartphones. “Dat maakt het verzamelen van bewijsmateriaal niet alleen makkelijker, het is ook steeds eenvoudiger om die gegevens snel bij de politie aan te leveren.”
Brinkhoff geeft als voorbeeld de app Sherlock van TNO die de burger helpt bij het aanmaken van een opsporingsdossier. Daarin kunnen gegevens zoals locatie en het mogelijke motief worden genoteerd, maar ook zichtbare sporen en een lijst van gestolen goederen. “Heel handig, want zo’n kant-en-klaar dossier neemt de politie veel werk uit handen.”
Sven Brinkhoff van Open Universiteit
Dat politie en justitie meer medewerking vragen van burgers bij de bestrijding en opsporing van criminaliteit begrijpt hij dan ook wel. Ook in het smartphoneloze tijdperk werden burgers al gevraagd om te getuigen, tips te delen of aangifte te doen.
Maar aan de ontwikkeling van burgerparticipatie zitten ook minder rooskleurige kanten. Brinkhoff noemt de Amerikaanse app Vigilante die oproepen stuurde naar burgers om actief mee te zoeken naar daders in de buurt op het moment dat bijvoorbeeld een overval gaande was. “Daar is een stokje voor gestoken. Niet alleen breng je burgers zo in gevaar, je schaadt ook het geweldsmonopolie van de staat.”
Burgers zijn nu eenmaal burgers en geen getrainde opsporingsambtenaren. Ze weten niet hoe ze een plaats delict veilig moeten stellen. Daardoor kunnen sporen verloren gaan of raakt materiaal ‘vervuild’. Ook met al te actieve opsporing van ‘verdachte personen’ in een buurt kan veel mis gaan, benadrukt Brinkhoff: “Dat werkt eigenrichting of racisme in de hand, waarbij de participerende burger misschien wel een paar tikken verkoopt aan een onschuldige.”
Naast de alertheid die een BuurtWhatsapp-groep opwekt en het snel delen van beeldmateriaal en andere informatie is, zitten er echter ook nog andere nadelen aan burgerparticipatie, aldus Brinkhoff. Een valkuil is de juridische houdbaarheid van door burgers verzameld bewijsmateriaal. “De advocaat van de verdachte schiet daar onmiddellijk gaten in. Met als risico dat al het werk voor niks is geweest.”
Steeds vaker ziet Brinkhoff dat door de opkomst van particuliere recherchebureaus en eigenrichting de route langs politie en OM maar helemaal overgeslagen wordt. Volgens hem is dat een groot probleem omdat burgers die het heft in eigen hand nemen, het geweldsmonopolie van de staat ondermijnen. “Dat is echt een glijdende schaal.”
Brinkhoff waarschuwt dan ook voor te grote verwachtingen van de burger die voor politieagent gaat spelen. Burgerparticipatie mag dan wel een reactie zijn op de permanente onderbezetting bij de politie, het uit handen willen nemen van de opsporing hoeft niet tot minder politiewerk te leiden, zegt Brinkhoff: “Als het digitaal steeds makkelijker wordt om een dossier aan te leveren, dan verwacht de meewerkende burger wel dat daar iets mee gedaan wordt. Als dat vervolgens door capaciteitsproblemen niet gebeurt, dan vergroot je de kloof alleen maar.”
Politie en het OM die gebruik willen maken van burgeropsporing, zullen hoe dan ook moeten voorkomen dat ze hun eigen betrouwbaarheid en rechtvaardigheid op het spel zetten door te veel taken naar de burger door te schuiven, aldus Brinkhoff. Ook al is dat vanwege de permanente bezuinigingen wel verleidelijk.
Brinkhoff verwacht dat de rol van burgers bij opsporingswerk hoe dan ook zal toenemen de komende jaren. Dat heeft niet alleen met capaciteit maar ook met kennis te maken, zegt hij. “Kijk maar naar een collectief als Bellingcat. Dat heeft wel de middelen om hoogopgeleide digitale speurneuzen in te zetten, waar de politie geen geld voor heeft. Die expertise van buitenaf, die blijft natuurlijk welkom.”
Kijk en discussieer mee over dit thema
Op 2 mei gingen Sven Brinkhoff (universitair hoofddocent strafrecht) en Emile Kolthoff (hoogleraar criminologie) van Open Universiteit verder in op dit thema tijdens een online seminar bij RTL Z. Ze bespreken recente voorbeelden van burgerparticipatie bij opsporing en belichten de kansen en bedreigingen voor de politie en het OM. Bekijk het online seminar hier terug.
Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er steeds meer sensoren en data beschikbaar komen. Slimme, voorspellende algoritmes kunnen deze data gebruiken om op de spoedvraag te anticiperen en zo een belangrijke bijdrage leveren aan het noodhulpproces.
Dat blijkt uit onderzoek naar hoe het gebruik van live data kan leiden tot specifiekere voorspellingen van de spoedvraag. In samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Landelijke Meldkamer Samenwerking en de hulpverleningsdiensten voerde TNO in het najaar van 2018 dit onderzoek naar het voorspellen van de spoedvraag uit.
Betrouwbaar voorspellen
Het gebruik van (big) data voor het aansturen van het noodhulpproces is niet nieuw. Een voorbeeld hiervan is het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) dat de politie gebruikt om te voorspellen waar en wanneer misdrijven als straatroof en inbraak plaatsvinden. De voorspellingen van CAS en vergelijkbare systemen zijn grotendeels gebaseerd op trendanalyses van historische data, zoals het aantal incidenten in het verleden en demografische factoren. De voorspellingen geven informatie over de kans dat een bepaald type incident zal plaatsvinden gegeven de locatie en datum. Deze voorspellingen kunnen gebruikt worden bij het plannen van de benodigde inzet of voor het positioneren van eenheden. Maar deze voorspellingen geven alleen een trend aan en houden geen rekening met de huidige situatie. Hierdoor is het meestal niet wenselijk om op basis van deze informatie direct uit te rukken; in veel gevallen zal er namelijk helemaal geen incident plaatsvinden. In dit onderzoek is verkend in hoeverre het gebruik van live data kan helpen om specifieke incidenten te voorspellen met een dusdanige betrouwbaarheid dat het loont om ook direct op de voorspellingen te acteren.
Challenge in de meldkamer
Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een challenge. In samenwerking met de meldkamer Rotterdam heeft een team van onderzoekers van TNO in één week een prototype algoritme gebouwd dat op basis van historische en live data specifieke incidenten in het gebied Rotterdam-Rijnmond kan voorspellen. Het algoritme gebruik hiervoor onder andere meldingen uit het Generieke Meldkamer Systeem, weersvoorspellingen en evenementen kalenders. Tijdens de challenge zijn drie type meldingen uitgewerkt: openbare schennispleging, wateroverlast en liftopsluiting. Deze drie soorten zijn gekozen op basis van het aantal relevante meldingen in de dataset en de verwachte voorspelbaarheid van het type incident gegeven de bronnen die op dat moment beschikbaar waren. Met de huidige dataset bleek de liftopsluiting het beste te voorspellen, voor de andere twee type incidenten maakte het gebruik van live data geen significant verschil ten opzichte van standaard trendanalyses.
Conclusies
De resultaten van de challenge tonen aan dat de betrouwbaarheid van de voorspelling (de kans dat een incident ook echt plaatsvindt op de voorspelde plaats en tijd) erg verschilt per type incident. De meldkamer beschikt op dit moment vooral over databronnen die informatie bevatten over openbare fenomenen zoals weer en drukte; hierdoor zullen op korte termijn de incidenten die sterk met dergelijke factoren samenhangen het beste te voorspellen zijn. Het onderzoek toonde aan dat wanneer het algoritme een incident voorspelde dit in 30% van de gevallen juist was. Of deze en mate van betrouwbaarheid voldoende is om proactief op te treden is aan de hulpdiensten om te bepalen.
Gerichte experimenten kunnen meer inzicht bieden in de toegevoegde waarde van verschillende databronnen en de te verwachte betrouwbaarheid van voorspellingen voor deze specifieke incident types. Om de precisie van de voorspellingen in het algemeen te verbeteren moeten vervolgstappen zich richten op het aanvullen van voorspellingen met data van slimme sensoren zoals camera’s met automatische beeld- en geluidsanalyses.
Er blijft sprake van een continue schaal waarop de spoedvraag voorspeld kan worden: aan de ene kant is de precisie van de voorspelling hoog, maar is er weinig tijdswinst, aan de andere kant is voorspelling onbetrouwbaarder maar is er nog veel tijd om te reageren. Per type incident moet worden bepaald waar op dit spectrum de kosten, zowel in privacy als in geld, in balans zijn met de baten.
Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politie
Politie, Politieacademie, Politie en Wetenschap en het directoraat generaal Politie (ministerie Justitie en Veiligheid) organiseerden op 9 april 2019 de jaarlijkse conferentie over onderzoek naar, voor en door de politie. De conferentie bood een overzicht van actueel wetenschappelijk onderzoek in Nederland en brengt beleidsmakers, wetenschappers en politie samen om in gesprek te gaan over de betekenis van dit onderzoek voor de toekomst van de politie.
De conferentie bood volop gelegenheid tot interactie, kennisuitwisseling en netwerkvorming. Centraal stond de vraag naar de relevantie en doorwerking van de verschillende onderzoeken in beleidsvorming en politiepraktijk en -onderwijs. Tijdens de conferentie werd ook ingegaan op de strategische onderzoeksagenda voor de politie 2019-2022. Ook werd stilgestaan bij verschillende vormen van praktijkonderzoek binnen de context van de politie.
De dag werd afgetrapt door Ferd Grapperhaus (Minister van Justitie en Veiligheid), Liesbeth Huijzer (Lid Korpsleiding Politie) en Edwin Bakker (Hoofd Kennis & Onderzoek Politieacademie).
Hieronder een overzicht van alle dialoogsessies:
1. Gebiedsgebonden politie: hervorming is broodnodig Nikita Rombouts en Judith van Valkenhoef, onderzoekers Politieacademie Dennis van Kommer, teamchef Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag Jur Westra, operationeel specialist C team Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag
De Nederlandse politie zet met gebiedsgebonden politie (GGP) al decennialang veel kaarten op lokale kennis, contacten en invloed. Tevredenheid over de openbare orde en over GGP veronachtzaamde hoe makkelijk drugscriminelen geld verdienen en op hun manier bijdragen aan het lokale leefklimaat. Wijkagenten en andere medewerkers van basisteams signaleren in wijken en dorpen vandaag de dag veel georganiseerde (drugs)criminaliteit, vaak zonder (kans) dat er een opsporingsonderzoek wordt gestart. Dit is een ongemakkelijke realiteit die vraagt om andere lokale politie: herdefiniëring van het GGP-concept en een betere organisatorische inrichting op lokaal niveau. De huidige basisteams zijn de XL-variant van de oude wijkteams die vanaf jaren zeventig van de vorige eeuw werden ingevoerd. De personele samenstelling van de basisteams is te generalistisch. De basisteams zijn gebaseerd op ontwerpkeuzen die structurele knelpunten opleveren bij een belangrijke kernopdracht van de politie, namelijk opsporing.
De geringe slagkracht van generalistische politiemensen bij misdaadbestrijding laat al ruim dertig jaar veel ruimte bestaan voor criminelen. Dat is een probleem met kenmerken van een creeping crisis of institutionele crisis. Immers, het dominante GGP-concept negeert al lange tijd de grote behoefte onder politiemensen (juist ook wijkagenten), burgers en burgemeesters aan een politie die steviger en effectiever optreedt tegen lokale misdaad. Als een instituut dergelijke kritiek veronachtzaamt, brokkelt haar legitimiteit langzaam maar zeker af. Hervorming is dan noodzakelijk. We verwerpen het idee van GGP niet, maar het is noodzakelijk om het te hervormen en om zo de basis op orde te brengen. We gaan in deze dialoogsessie graag in gesprek over wat deze bevindingen betekenen voor de politie van overmorgen. Link naar de notitie: https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/95323.PDF
2. The ecological validity of evidence disclosure models in interviews with suspects Martijn van Beek, docent-onderzoeker Politieacademie / promovendus University of Derby Jos Hoekendijk, recherchepsycholoog Politie eenheid Noord-Nederland
De ervaren hoeveelheid bewijs is voor een verdachte een belangrijke factor bij de beslissing om in verhoor wel of geen aanvullende informatie te verstrekken. Het (a) moment waarop en (b) de manier waarop in verhoor bewijs (tactische aanwijzingen) onthuld wordt aan de verdachte zijn voor de verhoorder dan ook belangrijke instrumenten om verdere informatie te kunnen verzamelen. In onderhavig promotieonderzoek worden drie modellen daarvoor onderling vergeleken: het model dat momenteel gebruikelijk is in de Nederlandse politiepraktijk en twee buitenlandse, vanuit de wetenschap ontwikkelde modellen.
Uit de eerste bevindingen blijkt dat de drie modellen er ook in een praktijkgerichte setting inderdaad toe leiden dat verdachten van een pseudo-diefstal meer informatie verstrekken dan wanneer hen alleen naar hun eigen verklaring wordt gevraagd. Dit geldt voor zowel schuldige als onschuldige verdachten. Onderzocht wordt of deze extra informatie het ook mogelijk maakt een beter onderscheid te maken tussen schuldige en onschuldige verdachten.
Recherchepsycholoog Jos Hoekendijk van de eenheid Noord-Nederland gaat tijdens de dialoogsessie in op de vraag hoe de bevindingen van het onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan meer op maat gemaakt verhooradvies en aanpassingen in verhoorstrategieën.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Verdachten in Nederland hebben tegenwoordig recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens verhoor. Onderzoek uit landen waar deze rechten eerder al ingevoerd zijn, laat zien dat de advocaat voor zijn advies aan de verdachte vaak ook vaart op het bewijs dat de politie voor of tijdens het verhoor onthult. Het verdachtenverhoor krijgt daarmee een meer strategisch karakter. Inzicht in wat het meest effectieve moment en wat de meeste effectieve wijze van onthullen van bewijs is, helpt de politie zich aan deze veranderingen aan te passen.
3. Van reactief naar proactief: de meerwaarde van data-driven AI modellen om criminaliteit tegen te gaan Bob van der Vecht en Selmar Smit, senior researchers TNO
Hoe kunnen data-driven modellen bijvoorbeeld overlast of kleine criminaliteit voorspellen in een stad? En als je dit kan voorspellen, wat doe je daar dan vervolgens mee? Er zijn meerdere initiatieven voor data-driven AI modellen ter ondersteuning van politiewerk. Door maatregelen te nemen op basis van voorspellingen, kunnen er waterbedeffecten en andere neveneffecten optreden. AI modellen en simulaties kunnen op basis van gedragstheorieën helpen om deze aan te zien komen. Maar hoe kunnen deze modellen in praktijk effectief ingezet worden?
Het inzetten van AI vereist een goed inbedding van expertkennis van politiemensen in de modellen. Hoe kan daarvoor gezorgd worden? En gaan de recherche skills en intuïtie van politiemensen op termijn niet verloren door gebruik van modellen? En versterkt het gebruik van modellen juist tunnelvisie?
Het gebruik van AI roept veel vragen op. In deze dialoogsessie presenteren wij recente AI-onderzoekprojecten voor politietoepassingen, waarin wij data-driven AI technieken integreren met expertkennis en criminologische theorieën. We bespreken de consequenties van vragen zoals bovenstaande voor zowel onderzoek als praktijk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door ontwikkelingen van AI-onderzoek zal er bij de politie in de toekomst een verschuiving plaatsvinden van reactief af gaan op meldingen naar proactief optreden. Voor de politieorganisatie heeft dit impact op mens, organisatie en techniek.
4. Medewerkersparticipatie bij de politie Ivo van Duijneveldt, adviseur/onderzoeker AEF Fleur Hilhorst en Justine Kaasjager, senior organisatieadviseurs, Politie / PDC HRM / Team Ontwikkelen en Veranderen
Hoe kunnen medewerkers participeren bij beslissen in en over het werk? Deze vraag staat centraal in een onderzoek naar medewerkersparticipatie bij de politie. Het onderzoek vindt plaats in opdracht van de Korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad. Doel van het onderzoek is een groter inzicht te verkrijgen in medewerkersparticipatie. Welke betekenis geven medewerkers en leidinggevenden eraan? In hoeverre vinden zij het van belang? Wat maakt dat medewerkersparticipatie soms als vanzelf ontstaat, maar soms ook heel moeizaam? Deze vragen worden beantwoord op basis van veldwerk in uiteenlopende teams in de politieorganisatie. In het onderzoek zijn zowel blauwe, grijze als ondersteunende teams betrokken. Ook richten de onderzoekers zich op een analyse van goede voorbeelden, verbeterinitiatieven en innovaties die vanuit het werk zijn ontstaan. Het onderzoek wordt eind 2019 afgerond. In deze dialoogsessie geven de onderzoekers een presentatie van de eerste inzichten uit het veldwerk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De korpsleiding beschouwt medewerkersparticipatie van strategisch belang voor de politie. Om adequaat en snel in te kunnen spelen op wat er speelt in de maatschappij is het van belang dat politiemensen zelf richting en invulling kunnen geven aan hun werk. Medewerkersparticipatie veronderstelt dat medewerkers actief bijdragen aan het onderzoeken van vraagstukken die spelen in het werk en aan het bedenken van oplossingen. Dit leidt tot groter eigenaarschap voor zowel het vraagstuk als de oplossingen. Medewerkersparticipatie draagt bij aan draagvlak voor beslissingen en voor beleid, als medewerkers zelf betrokken zijn bij het analyseren en definiëren van het vraagstuk en bij het bedenken van oplossingen. Daarnaast is uit onderzoek bekend dat ruimte voor participatie positief bijdraagt aan de kwaliteit van het werk en aan de arbeidssatisfactie. Als medewerkers ruimte ervaren om zelf te kunnen sturen op het werk, draagt het bij aan reductie van werkstress en daaraan gerelateerd verzuim.
5. Op zoek naar de Buzz: (sociale) media en het delictgedrag van plegers van high impact crimes Nicole Bouman, onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij Jos van der Stap, landelijk overvalcoördinator Politie
Onderzoek naar de sterke groei van het aantal overvallen in Nederland leverde een interessante bijvangst op. Overal in het land, letterlijk van Groningen tot Maastricht, doken ineens overvallers op die vergelijkbaar delictgedrag lieten zien. Bijvoorbeeld in hun keuze voor bepaalde objecten, of hun modus operandi (Rovers et al. 2010). Dit patroon van kopiëren kon niet verklaard worden uit het feit dat het hier over dezelfde daders ging of over daders die elkaar allemaal kenden. Er leek sprake van een copycat effect (Coleman 2004). Er hing iets ‘in de lucht’, dat die overvallers kennelijk oppikten en waar ze hun delictgedrag op leken aan te passen.
In 2016 liet de Taskforce Overvallen de intensieve aanpak van overvallen evalueren. Die aanpak bleek een succes. In 2009 piekte het aantal overvallen in Nederland nog met ongeveer 3000 incidenten. In 2016 was dit teruggelopen tot ongeveer 1200 incidenten per jaar. Eén van de factoren die dit succes zouden kunnen verklaren, was dat in de voorbije jaren allerlei partijen in allerhande media veel aandacht hadden besteed aan de aanpak van overvallen. Zou het dan zo kunnen zijn, dat deze mediacommunicatie een eigenstandig effect had op de beslissing van potentiële daders om (voorlopig) niet meer voor dit delict te kiezen (Rovers & Fijnaut 2016)?
Stel dat in kringen van overvallers is gaan rondzingen dat je dit delict beter even niet kan plegen. Dat er zoiets als een Buzz is ontstaan. Met deze hypothese begon dit onderzoek. En dat (sociale) media daar een rol bij speelden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van delictgedrag, lag voor de hand. Surette (2014) vroeg daders of ze ooit via de media een idee hadden opgedaan voor het plegen van een delict. Een kwart van de betrokkenen antwoordde hierop bevestigend.
Met dit onderzoek wilden we een beter inzicht krijgen in wat er in kringen van plegers van high impact crimes (HIC: overvallen, straatroven, woninginbraken en geweld) precies gebeurt naar aanleiding van bepaalde (sociale) media-uitingen. Over wat voor type uitingen gaat het dan, via welke kanalen en met welke content? Verder wilden we weten wat de effecten van die media-invloed zijn op individuele beslissingen om wel of niet een delict te plegen. En of het zo zou kunnen zijn, dat die media-invloed ook tot groepseffecten leidt. Want in dat laatste geval zouden we van een Buzz kunnen gaan spreken.
Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid door Hans Moors, Ben Rovers en Nicole Bouman. Publicatie wordt verwacht voor april 2019.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
In de voorbije jaren zijn beleidmakers tot de conclusie gekomen dat enkel repressie niet werkt bij plegers van HIC-feiten. Aanvullende beleidsstrategieën, zoals een persoonsgerichte aanpak, zijn nodig om de frequentie van deze delicten terug te dringen. Beïnvloeding van deze groep (potentiële) daders via mediacommunicatie is mogelijk een aanvullende strategie om dit doel te realiseren. Dit onderzoek maakt duidelijk of dit een zinvolle strategie kan zijn.
Daarmee wordt een belangrijke leemte opgevuld in de bestaande kennis over dadergerichte preventie door middel van communicatie. Onderzoek naar de effecten van (preventieve) communicatie op delictgedrag focust namelijk vaak op de zendende partij (Santos & Santos 2016). Hiermee gaat het voorbij aan een vitaal aspect in de causale keten: de criminelen, hun mediaconsumptie, en de betekenis daarvan voor hun delictgedrag. Er is opmerkelijk weinig bekend over hoe specifieke groepen criminelen naar (sociale) media kijken en morele afwegingen maken die hun handelen beïnvloeden (Van Ommen 2018; Janicke 2013; Tamborini et al. 2012). Dit onderzoek richt zich op dat vitale aspect en start juist aan de kant van de ontvanger van de boodschap: de (HIC-)delictpleger. Deze kennis is in hoge mate praktijkrelevant, omdat die concrete aanknopingspunten kan bieden voor evidence-based communicatiestrategieën gericht op daders van wie de delicten een grote impact hebben op de samenleving.
6. Politiewerk in een diverse samenleving Sandra ter Woerds en Valerie Peeck, onderzoekers Politie eenheid Amsterdam (Team A&O) Rutger Hendriksen, teamchef basisteam Zuidoost-Bijlmermeer, Politie eenheid Amsterdam Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke
In 2018 werd binnen de eenheid Amsterdam tegelijkertijd onderzoek gedaan naar het politiewerk in de Bijlmer én naar de aanpak van professioneel controleren binnen de eenheid. In deze dialoogsessie presenteren onderzoekers van Bureau Beke en onderzoekers van de politie in samenhang de bevindingen van deze onderzoeken.
De nadruk zal liggen op de raakvlakken tussen beide: het vormgeven van professioneel politiewerk in een diverse samenleving. Hoe gaat (en ging) dat in de Bijlmermeer? En hoe meet je de effecten van professionalisering op dit vlak?
Waar staan we in de Bijlmermeer? (Team A&O politie eenheid Amsterdam)
In de media wordt soms scherpe kritiek geuit op het werk van de politie bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarbij burgers onjuist bejegend of onterecht behandeld worden. De relatie tussen de burger en de politie zou onder druk staan, voornamelijk in wijken met een diverse bevolking. In de media is veel aandacht voor de beleving van de burger. Maar hoe wordt dit door politiemedewerkers ervaren?
Vanuit het district Oost (Eenheid Amsterdam) werd opdracht gegeven voor een onderzoek om te achterhalen welke perceptie politiemedewerkers van basisteam Bijlmermeer hebben van de zeer diverse samenleving in hun werkgebied, de tegenstellingen tussen groepen onderling en de verhouding tussen burgers en de politie.
De vraag is hoe zij daarbinnen invulling geven aan hun professioneel handelen en hun vakmanschap? In dit onderzoek staan de verhalen en ervaringen van de medewerkers van het basisteam centraal. Zij zijn uitvoerig geïnterviewd over hun werk in de Bijlmermeer en hun contact met de burgers in de wijk. Het vertelt ‘het verhaal’ van het basisteam Bijlmermeer gebaseerd op hun beleving.
Professioneel controleren (Bureau Beke)
De aanpak van professioneel controleren staat momenteel binnen politie-eenheid Amsterdam volop in de belangstelling, ook omdat de politie regelmatig het verwijt van etnisch profileren krijgt. Momenteel worden al bestaande maatregelen voor professioneel controleren aangevuld met nieuwe, vaak innovatieve maatregelen. Nu er zoveel aandacht uitgaat naar de aanpak, bestaat ook de wens om te kijken naar de effecten hiervan. Maar voor de driehoek is het nog de vraag welke criteria hiervoor relevant zijn. Deze criteria zijn nader bepaald in dit onderzoek en zullen worden gebruikt voor een periodieke scan op de maatregelen. Bureau Beke zal een toelichting geven op dit onderzoek.
Wat betekent je onderzoek volgens jou voor de toekomst van de politie?
Deze beide onderzoeken geven inzicht in de ontwikkeling(en) van de professionalisering van het omgaan met diversiteit binnen het politiewerk. Hoe kan je hier handen en voeten aan geven en hoe blijf je aangaande deze materie een vinger aan de pols houden?
Daarnaast maakt het onderzoek ‘Waar staan we in de Bijlmermeer?’ duidelijk dat het basisteam Bijlmermeer een uniek verhaal te vertellen heeft wat betreft de aard en de ontwikkeling van het politiewerk in de eigen wijk. En zo zal ieder basisteam in Nederland op soortgelijke wijze een geheel eigen verhaal te vertellen hebben over het politiewerk en het contact tussen de politie en de burgers in de wijk. Hoe mooi zou het zijn om ook de verhalen van andere basisteam op soortgelijke wijze voor het voetlicht te brengen?
7. Geolinkage & Geoselectie; geografische analyses voor efficiënter politiewerk. Jasper van der Kemp, universitair docent Criminologie, VU School of Criminology, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam Rixt Brouwer, analist A&O, Politie eenheid Amsterdam Sander Tulp, procesmanager BI (OSB), Politie eenheid Noord-Nederland
Politiewerk vraagt om het maken van keuzes om de beperkte capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. De noodzaak tot het maken van efficiënte keuzes geldt voor surveillances die gericht zijn op het genereren van een preventief effect door de aanwezigheid van meer blauw op straat tot het gericht zoeken naar verdachten in grootschalig opsporingsonderzoek. Door gebruik te maken van geografische analyses kan gerichtere inzet worden bewerkstelligd; door surveillance te sturen naar die locaties waar de incidenten zich vooral afspelen, door gebiedsgebonden probleemgericht te interveniëren of door het geografisch gedragskundig koppelen van zaken tot series om effectief te rechercheren.
In deze dialoogsessie zullen verschillende geografische analyses aan de hand van voorbeelden worden toegelicht en bediscussieerd in het licht van de mate waarin deze in de politiepraktijk kunnen worden toegepast. Denk hierbij aan het bepalen van de risk terrain profielen van wijken voor woninginbraak; het vaststellen van de hot streets van autobranden (vs hot spots) en het selecteren en koppelen van zaken tot mogelijke series.
8. Openbare orde online; de rol van gemeente en politie Willem Bantema, senior-onderzoeker NHL Stenden Hogeschool Imke Smulders, docent communicatie en taalvaardigheden Juridische Hogeschool Avans-Fontys / onderzoeker expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool Sander Hoed, digitaal wijkagent team Nijmegen Zuid, Politie eenheid Oost Nederland
Willem Bantema et al. (2018). Burgmeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld (Politie en Wetenschap).
Imke Smulders (2017). #Politie. Twittergebruik door wijkagenten & de veiligheidsbeleving van de burger (Proefschrift – OU).
Er zijn veel voorbeelden van openbare ordeverstoringen met een digitale component. Te denken valt aan oproepen tot snelwegblokkades, boze burgers, bedreigingen aan bestuurders, aankondiging van demonstraties en bijvoorbeeld sexting-zaken die gevolgen voor de openbare kunnen hebben. In tegenstelling tot fysieke openbare ordeverstoringen is het bij openbare ordeverstoringen met een digitale component minder duidelijk in hoeverre zij onder verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters vallen. Juridisch gezien blijkt uit de studie ‘burgemeesters in cyberspace’ dat openbare-ordebevoegdheden van burgemeesters niet zijn toegesneden op de online wereld. Vanuit de praktijk worden strafrecht en OM vaak als aangewezen partij gezien voor handhaving in cyberspace, mede door het grens overstijgende karakter ervan.
Dit roept meer fundamentele vragen op die zich natuurlijk niet beperken tot de gemeente. Wat is precies de rol van gemeenten op dit gebied? Welke verstoringen kunnen gezien worden als een openbare orde probleem en welke niet? Lopen gemeenten de politie niet voor de voeten als ze hier een meer actieve rol zouden willen spelen? Waar begint de rol van de gemeente en of politie en waar houdt die op, hoe verhouden hun taken zich tot elkaar? Zijn partijen voldoende toegerust op de uitvoering van hun taken? Doen soortelijke discussies en problemen zich buiten de gemeente ook voor binnen de politiepraktijk, wat betekenen de digitale ontwikkelingen voor hun werk in de toekomst?
De rol en ervaringen van gemeente worden belicht door Willem Bantema die ook vervolgonderzoek gaat doen naar mogelijke gemeentelijke interventies in cyberspace (Justitie en Veiligheid) en naar het monitoren in cyberspace door gemeenten (Politie en Wetenschap). De rol van de politie wordt belicht door de recent gepromoveerde Imke Smulders die onderzoek heeft gedaan naar het twittergebruik van digitale wijkagenten en het effect daarvan op ervaren veiligheid door burgers en door digitale wijkagent Sander Hoed vanuit zijn praktijkervaring.
De dialoogsessie heeft tot doel discussie te voeren over ervaringen met online dreigingen (signalering en interventies) en het voeren van discussie over de rollen en onderlinge verhoudingen tussen politie en gemeenten. In hoeverre is de politie gebaat bij handelingen van gemeenten en burgers op dit gebied? Welke input zou het politiewerk bevorderen en welke input werkt juist belemmerend? Waar kunnen partijen elkaar effectief aanvullen en of versterken? Is de burger überhaupt bereid en bekwaam om een actieve rol te spelen en zo ja, liggen er dan ook mogelijk ongewenste neveneffecten op de loer? Invloed op onder andere de veiligheidsbeleving of het oordeel over de politie is niet ondenkbaar. Naast juridische vragen gaat het dan ook over normatieve en organisatorische vragen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door de toenemende digitalisering is de vraag of er wat moet gebeuren inmiddels achterhaald, maar het is wel vaak onduidelijk wie die dreigingen moet signaleren en wie moet ingrijpen.
Nu is het vaak onduidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Zeker wanneer er niet sprake is van een strafbaar feit (geen OM) maar wanneer er wel duidelijk bedreigingen zijn voor de openbare orde en veiligheid. Wanneer gemeenten een actieve rol zouden spelen bij het signaleren en interveniëren in cyberspace zou dat de lokale gemeenschap en politie veel tijd en moeite schelen en kan politietijd ingezet worden voor meer ‘harde’ criminaliteit. Aan de andere kant kan ook de overweging meespelen dat de wijkagent in deze tijden juist ook online het contact met zijn wijk wil en moet houden; wanneer gemeenten vanuit een actievere rol zaken gaan afvangen, ontstaat dan niet het risico dat kennis die relevant is voor de taakuitoefening van de wijkagent niet meer bij hem terechtkomt? Of het risico dat bepaalde informatie niet meer wordt gedeeld, omdat de burger het lijntje met de (bekende) wijkagent als korter ervaart dan dat met de gemeente? Het is ook de vraag in hoeverre vanuit de politie behoefte is aan steun op dit gebied door gemeenten en de vraag waartoe gemeenten/burgemeesters en politie op aarde zijn en hoe ze elkaar in de werkzaamheden/handhaven van de openbare orde en veiligheid het beste kunnen versterken. Moet er bijvoorbeeld massaal geïnvesteerd worden in het opleiden van digitale wijkagenten of moet de politieorganisatie juist verder ontlast worden en moeten gemeenten een grotere rol krijgen op dat gebied?
9. ‘Komt een amateur rechercheur bij de politie’ Arnout de Vries, wetenschappelijk onderzoeker TNO Shanna Wemmers, scientist innovator TNO
Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing? Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze dialoogsessie willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/
10. Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie Nanette Slagmolen, wetenschappelijk onderzoeker Politieacademie Basya Berends, coördinator Master Tactisch Leidinggevenden Politieacademie Dave Deswijzen, toegevoegd teamchef C team Maastricht, Politie eenheid Limburg
Het prijsgeven van vertrouwelijke politie-informatie wordt onderkend als een ernstig vergrijp, zowel door politiemensen zelf als in de samenleving. Vooral gevallen waarin zulke informatie aan criminelen blijkt te zijn verkocht, kunnen op massale media-aandacht rekenen. Ze leiden tot speculatie over de omvang (neemt het toe?) en de oorzaken (frustratie onder agenten over de reorganisatie, gerichte ondermijning door georganiseerde misdaad?).
Voor het onderzoek ‘Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Aard, omvang en ernst van het fenomeen bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee’ kregen de onderzoekers toegang tot alle dossiers (2015 en 2016) van de afdelingen die integriteitsschendingen onderzoeken bij de Politie en de Marechaussee. Voor het eerst zijn zo middels systematische dossieranalyse aard, omvang en ernst van lekken in kaart gebracht. Deze fenomeenbeschrijving geeft de politie handvatten voor preventieve maatregelen. Ook beschrijven de onderzoekers de wijze waarop meldingen van lekken worden behandeld, wat aanknopingspunten voor verbeteringen biedt.
Uit het onderzoek blijkt dat het lekken van politie-informatie vaak voortkomt uit onoplettendheid in de alledaagse, uitvoerende politiepraktijk. Ook zien sommige politiebeambten niet altijd kwaad in het onrechtmatig opzoeken van informatie omdat ze het niet delen met derden, het zogenoemde lekken aan jezelf. Waar de onderzoekers nauwelijks zicht op kregen, was het perspectief van de leidinggevende op het feit dat een medewerker verdacht werd van of bestraft werd voor het lekken van informatie. In de dossiers werd bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek of verhoor met de leidinggevende gevonden.
Als het gaat om onoplettendheid en het ongeoorloofde gedrag – wat lekken van informatie aan anderen en aan jezelf is – verwachten de onderzoekers dat leidinggevenden een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie. Om meer aandacht en bewustzijn te stimuleren voor het fenomeen lekken van informatie, is de rol van leidinggevende van belang. Die rol van de leidinggevende is een blinde vlek gebleken in het huidige onderzoek en daarom willen we tijdens de dialoogsessie met de groep verkennen hoe leidinggevenden die rol kunnen vervullen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Burgers mogen verwachten dat de politie integer is en zorgvuldig omgaat met gevoelige en vertrouwelijke informatie. Politiemedewerkers hebben daarin een voorbeeldfunctie. Fouten en integriteitsschendingen zijn niet voor honderd procent te voorkomen aangezien politiewerk mensenwerk is en mensen fouten kunnen maken. Voor politiemensen die misbruik maken van hun positie en over de schreef gaan, is echter geen plaats in de organisatie. De Korpsleiding heeft om deze reden opdracht gegeven tot dit onderzoek, het onderzoeken van het fenomeen lekken van politie-informatie. Met de uitkomsten van het onderzoek heeft de Korpsleiding handvatten om aan de slag te gaan met het vóórkomen van oneigenlijke gebruik van politie-informatie.
Bovendien is integriteit in het algemeen en het lekken van informatie in het bijzonder een zeer actueel thema. In februari 2018 werd Mark M. veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het langdurig tegen betaling verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan Brabantse criminelen. Op 11 januari jl. werd ons onderzoek naar het lekken van politie-informatie vroegtijdig naar de pers gelekt; in de Telegraaf was een uitvoerige weergave van de inhoud van ons rapport gepubliceerd. Wat ons betreft is integriteit een belangrijk thema en zeker ook een ingewikkeld thema dat om een zorgvuldig en open verkenning vraagt.
11. De sociale impact van kunstmatige intelligentie Dennis de Kool, onderzoeker Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam Ron Boelsma, kennis en innovatiemakelaar Politie Landelijke Eenheid
De politie wil kunstmatige intelligentie breed inzetten om de kwaliteit van werkprocessen te verbeteren. De focus van dit onderzoek is gericht op een belangrijk proces bij de politie, namelijk het aangifteproces. Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dat de inzet van kunstmatige intelligentie niet alleen impact heeft op medewerkers die betrokken zijn bij het primaire (aangifte)proces, maar ook op ondersteunende (PIOFACH) organisatieonderdelen, ketenpartners en burgers en bedrijven die aangifte doen. Dit onderzoek belicht in dat kader de sociale impact van kunstmatige intelligentie. Daarmee is de inzet van kunstmatige intelligentie niet (louter) een innovatieproces, maar een sociaal veranderingsproces, waarbij het van groot belang is dat alle belanghebbende partijen actief zijn aangehaakt.
Bij de uitvoering van het (lopende) onderzoek wordt een incrementele en gefaseerde aanpak gehanteerd, waarbij vier fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase (september-oktober 2018) bestaat uit een literatuurstudie, waarin het begrip en verschillende dimensies van kunstmatige intelligentie, de kansen en de risico’s nader zijn verkend, evenals de noodzakelijke randvoorwaarden om kunstmatige intelligentie op een verantwoorde en succesvolle manier in te zetten. Op basis van deze inzichten is een conceptueel model ontwikkeld, waarbij tevens is geput uit literatuur over verandermanagement. De tweede fase (november-december 2018) omvat het interviewen van experts binnen de politieorganisatie en de keten (Openbaar Ministerie). De resultaten van de interviews zijn beschreven in een rapportage. Bij de derde fase (januari-februari 2019) wordt informatie verzameld aan de hand van twee focusgroepen, namelijk een focusgroep met een afvaardiging van PIOFACH en een focusgroep waarin het burgerperspectief centraal staat. De concrete invulling van fase 4 van het onderzoek wordt eind januari besproken met de begeleidingscommissie van het onderzoek.
De dialoogsessie in Den Haag is een uitermate geschikte onderzoeksmethode om de voorlopige resultaten van de eerste drie fasen van het onderzoek voor het voetlicht te brengen en kritische feedback te verzamelen. Deze feedback kan dan in fase 4 van het onderzoek worden verwerkt.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek richt zich primair op het aangifteproces bij de politie. Het aangifteproces is een erg belangrijk proces binnen de politie. Een gerobotiseerd aangifteproces kan resulteren in betere aangiftes en completere dossiers en aldus een bijdrage leveren aan de centrale opdracht van de politie, namelijk het veiliger maken van de samenleving. Daarnaast kan de inzet van kunstmatige intelligentie in het aangifteproces (en andere processen) zorgen voor taakverrijking voor medewerkers. Zowel de politieorganisatie als de maatschappij kunnen dus baat hebben bij de inzet van kunstmatige intelligentie. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met factoren en kritische succesfactoren die in de literatuur over verandermanagement zijn genoemd. De dialoogsessie is een uitstekende manier om met de deelnemers in gesprek te gaan over de voorlopige resultaten van het onderzoek.
12. Politie in beeld; Analyse van politieoptreden bij conflicten tussen burgers Wim Bernasco, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) Lisa van Reemst, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam
Hoewel de alomtegenwoordigheid van camera’s in zowel de publieke als de private ruimte van tijd tot tijd vraagtekens oproept over privacy en effectiviteit, biedt beeldmateriaal unieke mogelijkheden om menselijk gedrag te observeren en vervolgens te analyseren. Dat geldt ook voor conflicten tussen burgers, voor criminaliteit, voor de reacties van omstanders en voor interventies door de politie en andere rechtshandhavers.
In de afgelopen jaren hebben we bij het NSCR, deels ondersteund door financiering vanuit de politie, een onderzoeksprogramma ontwikkeld waarin we beeldmateriaal gebruiken om inzicht te verwerven in de interacties tussen daders, slachtoffers en omstanders in uiteenlopende conflictsituaties, variërend van gewapende overvallen in de detailhandel tot opstootjes op straat. Omdat gedragsobservatie met beeldmateriaal in de criminologie nog nauwelijks gebruikt werd, hebben we methoden en technieken leren toepassen uit andere disciplines, zoals de gedragsbiologie en de ontwikkelingspsychologie.
In onderzoek naar overvallen in de detailhandel in Rotterdam en Amsterdam hebben we bestudeerd hoe interacties tussen overvallers en slachtoffers in sommige gevallen wel maar in andere gevallen niet tot gebruik van fysiek geweld leiden. Een belangrijke bevinding is de ondersteuning van het bestaande advies aan slachtoffers om de overvalsituatie te aanvaarden, en overvallers geen tegenstand te bieden (het RAAK principe).
Voor gedragsobservaties in het openbaar vervoer (in Denemarken) maken we gebruik van beeldmateriaal van bodycams, en onderzoeken we de rol van controleurs en passagiers in conflictsituaties. Vanuit de gedachte dat omstanders mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in zowel escalatie als de-escalatie van conflicten, bestuderen ook hun rol in detail.
We gaan binnenkort ook gedrag van politieagenten bestuderen. Met hulp van het team Technisch Toezicht van de eenheid Amsterdam hebben we beeldmateriaal verzameld van conflicten die zich op straat afspeelden onder het oog van toezichtscamera’s. Het gaat hier om beginnende conflicten die soms uit de hand lopen maar vaak ook met een sisser aflopen. In het merendeel van deze situaties observeren we de aankomst en de interventies van de politie. We leggen vast wat politieagenten precies doen en welke effecten die interventies hebben. Ook hier wordt de rol van omstanders meegenomen, zowel in relatie tot de conflictpartijen als in relatie tot de politie.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De uitkomsten van het onderzoek zullen bruikbaar zijn in de opleiding van politiepersoneel. Zij kunnen empirische ondersteuning geven (evidence-based) aan bestaande instructies, maar kunnen ook inzichten verschaffen die aanleiding geven tot aanpassing van de inhoud van trainingen in conflicthantering.
13. Design Science onderzoek naar de opsporing Karin Michiels en Coen Visser, operationeel specialisten Dienst Landelijke en Operationele Samenwerking, Politie Landelijke Eenheid
Het onderzoek
Er is wetenschappelijk gezien relatief weinig bekend over het verloop van opsporingsonderzoeken. In het voortraject van twee promotieonderzoeken is een model ontwikkeld dat de stand van zaken en de voortgang van een opsporingsonderzoek in beeld kan brengen vanaf de start tot de afronding. In de volgende onderzoeksfasen wordt rond dit model een protocol ontwikkeld om (1) sturing van opsporingsonderzoeken te verbeteren en (2) het delen van informatie in opsporingsonderzoeken te verbeteren.
In het algemeen verloopt de doorwerking van wetenschappelijk onderzoek binnen de politieorganisatie moeizaam. Om deze te vergemakkelijken is gekozen voor design science als onderzoeksmethodologie. Binnen design science wordt expliciet een verbinding gemaakt tussen aan de ene kant wetenschappelijke theorie en aan de andere kant een generiek praktijkprobleem.
Design Science
In de sociale wetenschappen wordt veel gebruik gemaakt van kwantitatief (statistisch) onderzoek en kwalitatief (beschrijvend/verklarend) onderzoek. In bedrijfskundige informatica, geneeskunde en bouwkunde wordt ook gebruik gemaakt van een constructieve onderzoeksmethodologie. Vanwege de mogelijkheid om kennis te ontwikkelen waarmee verbeteringen kunnen worden ontworpen, wordt deze methodologie ook sinds enige decennia toegepast in management- en organisatiewetenschappen.
De opsporing betreft een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject. De vele kritische geluiden op het opsporingsproces en de wens voor verbeteringen zijn de afgelopen jaren niet van de lucht zoals is op te maken uit ‘Handelen naar Waarheid’, een sterkte- en zwakteanalyse die in 2016 in opdracht van het Programmateam Herijking Opsporing is opgesteld en het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012 over de prestaties in de strafrechtketen. Het deelnemen aan opsporingsonderzoeken maakt het mogelijk de voortgang van opsporingsonderzoeken te bestuderen en was aanleiding ‘iets’ te bedenken wat handvatten geeft voor het structureren van een opsporingsonderzoek. Zoekende naar een passende methodologie is ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek onder de aandacht gekomen: Onderzoek dat zich niet alleen richt op het beschrijven en verklaren van typen veldproblemen maar zich vervolgens ook richt op het ontwikkelen en testen van generieke oplossingen voor die veldproblemen. Deze vorm van wetenschappelijk onderzoek levert generieke kennis voor het ontwerpen van oplossingen voor specifieke veldproblemen door de professionals die met die problemen te maken hebben. Omdat dit onderzoek door haar generieke aard geen kant-en-klare oplossingen biedt maar ‘slechts’ input voor het ontwerpen van specifieke oplossingen, wordt deze vorm van praktijkgericht onderzoek ook wel ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek genoemd. De onderzoekers werken bij dit type onderzoek zowel in een kennisstroom als in een praktijkstroom en halen inspiratie en voldoening uit de combinatie van beiden.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De dialoogsessie laat een alternatieve onderzoeksmethode zien waarbij de nadruk ligt op de toepassing van ontwerpkennis in de praktijk. Dit betekent prescriptief onderzoek met gebruikmaking van kwalitatieve en kwantitatieve methoden van onderzoek en het ontwerpen en testen van een oplossingsstructuur voor het veldprobleem. Deze dialoogsessie toont de toepassing van een wetenschappelijke methodologie gericht op het ontwerpen van organisatorische verbeteringen.
14. Het NICHD-interviewprotocol en hoe dit kan bijdragen aan een betere samenwerking tussen Veilig Thuis en de politie
Deze dialoogsessie is vervallen.
15. Kinderen van criminelen uit de georganiseerde misdaad Melvin Soudijn, operationeel specialist D Politie Landelijke Eenheid Meintje van Dijk, promovenda Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) Veroni Eichelsheim, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
‘De appel valt niet ver van de boom’ is een herkenbaar spreekwoord. Kinderen lijken namelijk in diverse aspecten vaak op hun ouders. Bepaalde kenmerken of gedragingen kunnen zo van generatie op generatie worden overgedragen. Die overdracht kan in positieve zin plaatsvinden, maar ook in negatieve zin. Zo is gebleken dat criminaliteit kan worden doorgegeven of overgenomen: in diverse studies is aangetoond dat kinderen van criminele ouders, vergeleken met kinderen met niet-criminele ouders, een verhoogde kans hebben om zelf ook in de criminaliteit te belanden. Dat effect treedt niet alleen bij huis-tuin en keukencriminaliteit, maar ook bij zwaardere vormen van misdaad. Zo heeft pilotonderzoek naar een beperkt aantal kinderen (N=48) van plegers van georganiseerde misdaad in Amsterdam laten zien dat hun kinderen een zeer groot risico lijken te lopen om in de voetsporen van hun ouders te treden: ongeveer 90 procent van de zonen en 48 procent van de dochters staat zelf geregistreerd voor één of meer delicten (Van Dijk et al. 2018). Dit is reden tot zorg over deze groep kinderen en vormt de aanleiding om grootschalig vervolgonderzoek op te zetten naar een landelijke sample veroordeelde plegers van georganiseerde misdaad (N= 478) en hun kinderen (N= 722).
In de dialoogsessie presenteren we de resultaten van dit vervolgonderzoek en gaan we onder andere in op de mate van intergenerationele overdracht van criminaliteit bij zonen en dochters van zowel mannelijke als vrouwelijke plegers van georganiseerde misdaad, het relatieve risico op criminaliteit ten opzichte van andere kinderen (met en zonder criminele ouders) in Nederland, de typen gepleegde delicten door ouders en kinderen en of bepaalde delict typen een hoger risico hebben op intergenerationele overdracht in deze groep. Na de presentatie van de bevindingen gaan we door middel van een interactief debat in gesprek met de aanwezigen over wat de resultaten betekenen voor de politiepraktijk. De studie is een gezamenlijk initiatief van de politie en het NSCR.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Bewustmaking van risico’s op intergenerationele overdracht bij georganiseerde misdaad. Nadenken over interventies binnen gezinnen waarbij de ouders nadrukkelijk binnen de georganiseerde misdaad betrokken zijn.
16. Onder de Loep: het effect van een slachtofferverklaring en de ernst van een misdrijf op de meldingsbereidheid van burgers Wendy Schreurs, promovenda (proefschrift afgerond op 1 april 2019) Universiteit Twente Sterre ten Berge, opsporingscommunicatie Politie eenheid Oost-Nederland
Veel zaken worden opgelost met behulp van burgers. Eén manier om burgers te betrekken bij het oplossen van misdrijven, is het inzetten van opsporingscommunicatie via televisieprogramma’s zoals Onder de Loep en Opsporing Verzocht. Het inzetten van burgers wordt steeds belangrijker en de politie kan hier, door de grote toename aan beschikbaar beeldmateriaal, slim op in spelen. De meldingsbereidheid van burgers kan afhankelijk zijn van hoe misdrijven in zulke programma’s worden weergegeven. Zijn burgers bijvoorbeeld eerder bereid iets te melden als het om een moreel verwerpelijker misdrijf gaat, of als er een slachtoffer uitlegt wat de impact van het misdrijf op hem/haar is geweest? In deze studie hebben we in samenwerking met Onder de Loep vier video’s gemaakt waarin werd gemanipuleerd welk misdrijf de respondenten te zien kregen (fietsendiefstal of babbeltruc) en of er wel of geen slachtofferverklaring werd uitgezonden. In totaal keken 100 deelnemers naar een van de vier ‘Onder de Loep’-video’s; 63 deelnemers namen ook deel aan de tweede fase in samenwerking met het Mobile Media Lab, waarbij ze op straat “toevallig” werden blootgesteld aan de verdachte uit de video en de mogelijkheid kregen om deze informatie te melden. Na het bekijken van de video, werden het feitelijke meldgedrag van de respondent, zijn bereidheid om in de toekomst te melden en in te grijpen gemeten en de relatie met mogelijk onderliggende psychologische factoren (waargenomen morele verwerpelijkheid, morele waarden, morele emoties en eerder melden en ingrijpen) onderzocht.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek kan een bijdrage leveren aan hoe de politie instrumenten als opsporing verzocht, of regionale versies als Onder de Loep in de toekomst in kan zetten. Dit was een van de eerste studies om het feitelijke meldgedrag van burgers na het bekijken van opsporingscommunicatie televisieprogramma’s te meten. De opgedane inzichten kunnen worden gebruikt als startpunt voor toekomstig onderzoek over dit onderwerp en voor tv-programma’s over criminaliteit om de bereidheid van burgers en het feitelijke rapportagegedrag te vergroten.
17. Flexibel Rechercheren: oude wijn of revitaliserend bruiswerk? Peter Klerks, raadadviseur Openbaar Ministerie, Parket-Generaal Lisanne Kramer, recherchekundige / operationeel specialist Politie eenheid Zeeland-West-Brabant Gerben Euwijk, operationeel specialist B Politie eenheid Zeeland-West-Brabant
In de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant introduceerde de Dienst Regionale Recherche in 2015 het concept Flexibel Rechercheren (FR). Dit komt neer op het herontdekken van traditioneel recherche-vakmanschap en het pakken van kansen. Een training en voortdurende aandacht moest een eind maken aan vrijblijvendheid. Gerard Hertsenberg en Peter Klerks onderzochten voor het landelijk programma Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen (TOV) samen met recherchekundige Lisanne Kramers (ZWB) het Flexibel Rechercheren op kernelementen, waardering en effectiviteit door middel van interviews en dossierstudie.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Meerdere eenheden en rechercheafdelingen onderzoeken momenteel de toepasbaarheid van FR. Het onderzoek kan bijdragen aan vernieuwing van de recherche, opmerkelijk genoeg door traditionele vaardigheden en attitudes opnieuw centraal te stellen.
18. Predictieve textmining in politieregistraties naar cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit Nikolaj Tollenaar, onderzoeker WODC André van der Laan, senior onderzoeker WODC René Hesseling, operationeel specialist D / senior-onderzoeker Politie eenheid Den Haag
In deze studie is onderzocht of het mogelijk was een machine learning model te ontwikkelen om politieregistraties in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) die betrekking hebben op cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit te classificeren. Met dat model is de omvang van deze online criminaliteit in de BVH-registratie van 2016 geschat. Tevens zijn de achtergrondkenmerken beschreven van bekende verdachten bij deze registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Het onderzoek richt zich op registraties van drie typen cybercriminaliteit (hacken, ransomware en DDoS-aanvallen) en vijf typen gedigitaliseerde criminaliteit (online bedreiging, online stalken, online smaad/laster/belediging, online identiteitsfraude en online aan- en verkoopfraude).
De resultaten van dit onderzoek laten zien dat predictieve textmining (PTM) bruikbaar is om accuraat registraties als (één of meerdere van de acht) online delicten te classificeren. En onder voorwaarden is het ook mogelijk om binnen een 95%-betrouwbaarheidsinterval omvangschattingen te geven van de aantallen registraties betreffende cyber- en gedigitaliseerde delicten in de BVH-2016. Omdat strenge eisen moeten worden gesteld aan de precisie van het classificeren om achtergrondkenmerken van verdachten te kunnen beschrijven, bleek het model alleen registraties van hacken, ransomware en online aan- en verkoopfraude voldoende accuraat te kunnen classificeren. We verwachten dat het ontwikkelde ML-model bruikbaar kan zijn voor trendonderzoek, wel is daarvoor nader onderzoek nodig. Door te verwachten veranderingen in de verschijningsvorm van cybercriminaliteit en veranderingen in de (kwaliteit van de) registratiebron is het noodzakelijk het model voor andere jaren te updaten. Dat vraagt de nodige investeringen.
De werkwijze, methode en resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd. Daarnaast zal de bruikbaarheid van het ontwikkelde model en de omvangschattingen worden bediscussieerd.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
PTM en het ontwikkelde ML-model kan bruikbaar zijn als voorsorteer-tool om uit de BVH-registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit te halen.
19. Wanneer blaffende honden bijten. Een onderzoek naar de verschillen tussen fataal huiselijk geweld en huiselijk geweld zonder dodelijke afloop Christine Boelema, junior onderzoeker, Institute for Security and Global Affairs, Universiteit Leiden
Jaarlijks zijn ongeveer 200.000 slachtoffers van huiselijk geweld te betreuren. In sommige gevallen loopt het fataal af: in Nederland vindt ongeveer 30 procent van alle moorden plaats in gezinsverband. Eerder huiselijk geweld vormt één van de belangrijkste voorspellers van fataal huiselijk geweld. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de risicofactoren die huiselijk geweld onderscheiden van fataal huiselijk geweld. Dergelijk onderzoek kan de politie in haar dagelijkse taken ondersteunen, omdat zij vaak de eerste responders zijn bij een melding van huiselijk geweld. Zo kan de politie geholpen worden bij het inschatten van de situatie en samen met Veilig Thuis interventies aanbieden ter voorkoming van een verdere escalatie van (mogelijk) fataal geweld, bij zowel partners als bij kinderen.
Het Institute of Security and Global Affairs, Universiteit Leiden, heeft een verdiepend dossieronderzoek gedaan naar geweld tegen partners en kinderen. Op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze is gekeken naar de risicofactoren dat huiselijk geweld van fataal huiselijk geweld onderscheidt. Deze dialoogsessie zal, op basis van de onderzoeksresultaten, een voorzet geven in de discussie naar het vinden van strategieën die kunnen bijdragen aan het voorkomen van fataal huiselijk geweld.
20. Betrokkenheid en verbondenheid in de integrale aanpak overlast en jeugdcriminaliteit Anne van Uden, docent Universiteit Leiden Jan Dirk de Jong, lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden Marco den Dunnen, operationeel specialist A Politie eenheid Rotterdam
Tijdens deze dialoogsessie worden twee onderzoeken gepresenteerd: één vanuit het perspectief van de politie en één vanuit het perspectief van de jongeren.
Politie
Anne van Uden vertelt over de voorlopige resultaten van haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de politieaanpak van jeugdgroepen en de vraag wat daarin goed politiewerk is. Voor het onderzoek bestudeerde zij drie Nederlandse politieaanpakken. Uit het onderzoek blijkt dat de politie in haar werk rekening moet houden met meerdere waarden. Deze waarden en de verschillende manieren waarop de politie zich daar rekenschap van kan geven, vullen elkaar aan, maar staan tegelijkertijd op gespannen voet met elkaar. In dit complexe samenspel speelt het tonen van betrokkenheid door politiemensen een cruciale rol en in de presentatie wordt getoond hoe politiemensen dat doen.
Jongeren
Jan Dirk de Jong en Marco den Dunnen belichten juist het perspectief vanuit jongeren. Een jongere ‘van de straat’ bepaalt doorgaans snel: Heeft deze professional me gehoord? En is wat ik zei van betekenis voor hem of haar? De beleving van verbondenheid blijkt al jaren van cruciaal belang bij de aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit. In deze presentatie draait het om het onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden naar verbondenheid. De vraag is of een kwetsbare jongere het gevoel krijgt dat hij of zij echt wordt gezien, erbij hoort en ertoe doet. De essentie is of die beleving komt van positieve of negatieve krachten. Het kwantitatief meten daarvan is geheel nieuw en heeft veel praktische implicaties om de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit verder te helpen!
Wat betekenen de onderzoeken voor de toekomst van de politie?
Beide onderzoeken laten zien dat contact en de wijze waarop politiemensen met burgers omgaan een belangrijke rol spelen binnen het werk van de politie. Dat is relevant voor de politiepraktijk. Tevens bieden de onderzoeken aanknopingspunten voor de vraag hoe goed politiewerk ‘meetbaar’ kan worden gemaakt en kunnen de onderzoeksresultaten worden gebruikt om de kwaliteit van de werkrelatie met jeugd inzichtelijk te krijgen en daar beter op te sturen. Tot slot kan de politie de onderzoeksuitkomsten benutten voor de samenwerkingsrelatie met ketenpartners binnen de integrale aanpak, in het bijzonder in het sociale domein.
21. Doorvoer van cocaïne via Nederland Irma Vermeulen en Wouter van der Leest, onderzoekers Afdeling Analyse en Onderzoek, Politie Landelijke Eenheid Vanessa Dirksen, onderzoeker Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica
In opdracht van de portefeuillehouder drugs van de politie is onderzoek gedaan naar de doorvoer van cocaïne via Nederland. De import van cocaïne in Nederland is grotendeels in beeld, aangezien de opsporing in Nederland zich vooral op die import richt. De doorvoer van cocaïne via Nederland vormde echter een blinde vlek, en dat terwijl de hoofdmoot van de in Nederland ingevoerde cocaïne bestemd is voor de buitenlandse afzetmarkt. Een (integrale) aanpak is gebaat bij het kunnen verstoren van de hele criminele cocaïneketen en dus ook het kunnen verstoren van de doorvoer.
Het onderzoek heeft niet alleen de belangrijkste vormen van doorvoer en bestemmingen inzichtelijk gemaakt. Ook is meer inzicht verkregen in de werking van de cocaïnemarkt, de cruciale rol van de transporteur en van Nederland als distributiecentrum voor verschillende verdovende middelen.
Wat betekent je het voor de toekomst van de politie?
Het kan opsporingsonderzoeken context bieden, evenals context om te komen tot een integrale aanpak van (de ondermijnende werking van) de cocaïnehandel.
22. Ondersteunende technologie voor politie(vaardigheidstraining) Randy Klaassen, Merijn Bruijnes en Dirk Heylen, onderzoekers Human Media Interaction Universiteit Twente Robbert Rietveld Wunderink, Innovatie Inspirator, Directie Operatien Politie Staf Korpsleiding
Technologie kan opsporingsambtenaren op verschillende gebieden ondersteunen. In deze dialoogsessie bespreken we ontwikkelingen op het gebied van het toepassen van technologie in het opsporingsveld aan de hand van een aantal voorbeelden. Hierbij kan men denken aan het toepassen van spraakherkenningstechnologie waarmee het verhoor ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door het automatisch te transcriberen en doorzoekbaar te maken. Daarnaast bespreken wij toepassingen binnen het vaardigheidsonderhoud en de opleiding. Denk hierbij aan serious games waarmee politieagenten getraind kunnen worden in verhoorvaardigheden en virtual reality installaties waarmee geoefend kan worden met bijvoorbeeld reanimatie of het veiligstellen van materiaal en sporen. Tijdens de dialoogsessie kunnen de deelnemers zelf ervaring op doen met de huidige toepassingen die ontwikkeld worden binnen de vakgroep Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Tijdens de dialoogsessie nodigen we de deelnemers graag uit om samen te brainstormen waar soortgelijke toepassingen ingezet kunnen worden binnen de opsporingsdiensten.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het krijgen van een overzicht van technologieën en voorbeeld van ontwikkelingen die toepasbaar zijn binnen de opsporingsdiensten. Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot efficiëntere en betere opleiding, training en uitvoering van het opsporingswerk.
23. Vluchtelingen onder de loep: Risicotaxatie op basis van big data. Een onderzoek naar de waardengedreven en procesmatige achtergrond van risicotaxatietooling binnen het veiligheidsdomein Jeffrey Seij, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam Mieke Struik, analist Taskforce Vreemdelingen en Migratiecriminaliteit Politie
Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA)
De vluchtelingencrisis speelde de afgelopen jaren een bijzonder grote rol binnen de samenleving. Belangrijk hierbij was een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Risicoprofilering middels risicotaxatietooling zou dit positief kunnen beïnvloeden en vandaar ook dat men ging inzetten op dergelijke kansrijke technologische ontwikkelingen binnen de vreemdelingenketen. Dit heeft onder meer geresulteerd in de creatie van hetgeen hier in dit onderzoek onderzocht is: het Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA). Hiermee wordt in essentie beoogd om binnen de eerste fase van het asielproces de besluitvormers te ondersteunen door middels veel data een risico-inschatting te produceren betreffende onder meer de kwaadwillendheid en kwetsbaarheid van een vluchteling.
In relatie hiertoe zijn er veel invloedrijke aspecten die de beoogde technologische vooruitgang op instrumentniveau significant kunnen stagneren. Deze kunnen op basis van hun veronderstelde uitwerking worden gecategoriseerd in twee groepen. Ten eerste de waardengedreven inhoudskant, welke voornamelijk verwijst naar factoren die specifiek ingaan op de waarden die men toekent aan de gebruikte data en het model zelf. Daarnaast de procesmatige clusterkant, waartoe factoren behoren die gerelateerd zijn aan het proces van ontwikkeling.
Deze categorieën zijn van belang voor de centrale vraagstelling binnen dit onderzoek: ‘Welke waardengedreven en procesmatige factoren hebben invloed op de succesvolle ontwikkeling van risicotaxatietools binnen het veiligheidsdomein?’. In deze dialoogsessie presenteer ik samen met Mieke mijn bevindingen en ervaringen aan de hand van het onderstaande conceptuele model. Daarnaast gaan wij graag met de aanwezigen in gesprek over hun visie omtrent een datagedreven Nationale Politie en de rol van risicotaxatietooling hierbinnen.
‘Datagedreven politiewerk zal de toekomst van de Nationale Politie dicteren’
Vanwege de bedreigende risico’s van jihadisten die meereizen met vluchtelingenstromen, is een efficiënte, effectieve en verantwoorde omgang van vluchtelingen bovenmatig van belang. Datagedrevenheid gaat hierbij een steeds grotere rol spelen en dit is dan ook direct één van de redenen waarom dit onderzoek relevant is voor de toekomst van de Nationale Politie. Er wordt namelijk op landelijk niveau bijzonder hard ingezet op het werken met grote hoeveelheden data en de daarop gebaseerde profilering. In relatie hiertoe geven diverse gerenommeerde onderzoekers zelfs aan dat als deze ontwikkelingen competent en coherent worden doorgezet, dit de toekomstige rol van politiewerk zal dicteren.
Daarnaast is er middels dit onderzoek beoogd om de maatschappelijke discussie aangaande het toenemende gebruik van big data en de hierop gebaseerde handelingen te voeden. Hiermee wordt onder meer gedoeld op het spanningsveld tussen veiligheid aan de ene kant en privacy tezamen met ethiek aan de andere kant. Ondanks dat dit wel in het achterhoofd van veel mensen speelt, krijgt dit thema relatief weinig aandacht waardoor duidelijke grenzen ontbreken en het thema zich in een grijs gebied blijft verkeren. Dit is nadelig voor de Nationale Politie, maar ook voor de samenleving als geheel.
24. Een efficiëntere noodhulpfunctie, het is mogelijk! Astrid Scholtens, onderzoeker Crisislab Ira Helsloot, hoogleraar Crisislab
Regelmatig zijn er signalen dat de politiecapaciteit te beperkt is om al het politiewerk uit te voeren. De wissel die de noodhulp (spoedeisende meldingen) op die capaciteit trekt zou een belangrijke oorzaak zijn. Samen met vier basisteams heeft Crisislab in opdracht van Politie en Wetenschap daarom drie experimentele werkwijzen voor de noodhulpfunctie ontwikkeld die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.
De werkwijzen zijn een uitwerking van een van twee hoofdrichtingen. De eerste hoofdrichting is om noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede is het opheffen van de specifieke noodhulp suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris.
De werkwijzen zijn in drie basisteams (tijdelijk) geïmplementeerd en aan de hand van een nul- en éénmeting op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.
Een eerste conclusie is dat momenteel politieleidinggevenden niet in staat lijken werkelijk sturing te geven om hun medewerkers aan te sturen zodat de eerste hoofdrichting weinig kansrijk is.
Het opheffen van de noodhulp suborganisatie blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Het blijkt dan overigens ook dat er momenteel niet genoeg zinvol werk kan worden gegenereerd om alle uitvoerende politiefunctionarissen aan het werk te houden.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Zoals gezegd leidt het afschaffen van de noodhulp tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk.
Om definitief over te (kunnen) gaan tot het afschaffen van de noodhulp is binnen de politie een paradigmashift nodig. Om dit kans van slagen te geven is een belangrijke taak voor de (team)leiding weggelegd. Maar … is de politie daartoe wel in staat?
25. Shishalounges: de problematiek en de aanpak Deze dialoogsessie is komen te vervallen.
26. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over WhatsAppgroepen Ronald van Steden, universitair hoofddocent Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht Shanna Mehlbaum, zelfstandig onderzoeker Mehlbaum Onderzoek Sherwin Tjin-Asjoe, teamchef, Politie eenheid Noord-Holland
De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan alledaagse inbraken die veel impact op het veiligheidsgevoel van mensen hebben en hen daarom verenigen in WhatsApp-preventiegroepen. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Ronald van Steden en Shanna Mehlbaum concluderen op basis van hun recente onderzoek dat WhatsApp-preventiegroepen goed zijn voor de sociale cohesie in de buurt, maar dat je er nauwelijks boeven mee vangt. Politie en gemeenten hebben wel baat bij dergelijke groepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van de politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting, te voorkomen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals zichzelf organiserende burgers om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn. Mehlbaum Onderzoek voert projecten uit voor onder andere gemeenten, politie en wetenschap, provincies en universiteiten.
27. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over polarisatie Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht Ronald Zwarter, lid eenheidsleiding Politie eenheid Noord-Nederland
De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan polarisatie dat tot spanningen, segregatie en conflicten tussen bevolkingsgroepen kan leiden. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Jacquelien van Stekelenburg en Ronald Zwarter gaan in op processen van polarisatie. Het begrip polarisatie wordt in het huidig tijdsgewricht veel gebezigd, maar wat verstaan we precies onder polarisatie, welke mechanismen en processen liggen er aan ten grondslag, wat is de invloed van geopolitieke spanningen en hoe kunnen we hier in de samenleving en organisaties mee omgaan? Dit zijn allemaal onbeantwoorde vragen met grote relevantie voor de politie.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals polarisatie om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn.
28. De mogelijkheden van netwerkprofilering op individueel niveau Lydia ter Haar, docent-onderzoeker Politieacademie Marlies van den Berg, FSNA praktijkonderzoeker FPC Dr. S. van Mesdag
Binnen de forensische psychiatrie is er groeiende aandacht voor persoonlijke netwerkbenaderingen. Door aandacht te hebben voor het relationele verhaal (narratief) van de forensisch psychiatrische patiënt en zijn netwerk krijgt het behandelteam meer inzicht in cruciale netwerkfactoren die het behandelsucces en de resocialisatiemogelijkheden van de patiënt beïnvloeden. Het onderhavig promotieonderzoek beschrijft een Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA) benadering. Deze benadering is gebaseerd op inzichten vanuit de risicotaxatie en –management literatuur gecombineerd met inzichten vanuit de wetenschappelijke discipline Sociale Netwerk Analyse (SNA) en gerelateerde netwerktheorieën. Binnen een FSNA onderzoek wordt het netwerk van de patiënt beschreven en geanalyseerd ten tijde van de delictperiode en gedurende de behandeling. Daarnaast worden verwachtingen in kaart gebracht over de netwerksituatie bij een eventuele terugkeer van de patiënt in de samenleving. Voor het verzamelen van de netwerkgegevens is het FSNA-interview ontwikkeld. De patiënt en meerdere geselecteerde netwerkleden worden geïnterviewd. Er is bijvoorbeeld gedetailleerde informatie nodig over of en op welke manier het netwerk van de patiënt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het delict. Bovendien is het belangrijk te weten of de mensen die ten tijde van het delict een rol in het leven van de patiënt speelden, nu nog steeds een rol vervullen in het netwerk.
In het promotieonderzoek is op casusniveau onderzocht in hoeverre netwerkkenmerken in de loop ter tijd veranderen en in hoeverre deze eventuele veranderingen als beschermend of risicovol voor toekomstig risicovol gedrag kunnen worden gezien.
Tijdens de dialoogsessie wordt aan de hand van een praktijkcasus de belangrijkste onderliggende theoretische en praktische concepten van de FSNA benadering uitgelegd. Wij willen samen met de deelnemers brainstormen over hoe een dergelijke benadering een bijdrage kan leveren binnen de politie. In de afgelopen jaren is de FSNA al in enigszins aangepaste vorm toegepast bij meerdere cold case onderzoeken, maar waar liggen nog meer kansen?
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De toepassing van sociale netwerk analyse op individueel niveau staat in de forensische praktijk nog in de kinderschoenen. Dit staat op gespannen voet met de bestaande inzichten dat bij het bestuderen van crimineel gedrag de analyse van sociale relaties van groot belang is. Een samenwerking tussen onderzoekers van verschillende forensische domeinen – zoals samenwerking tussen de politie en forensisch psychiatrische centra – is van toegevoegde waarde om dit onderzoeksdomein verder te ontwikkelen.
29. Beter geïnformeerd oordelen in lastige situaties Teresa Cardoso Ribeiro, strategisch adviseur en leiderschapstrainer bij de Universiteit Leiden / L&D, Publidox advies, training en strategisch management Michel Bravo, hoofd Strategie DG Pol, Ministerie van Justitie en Veiligheid
De methode die wij in de dialoogsessie kunnen aanreiken, nodigt uit om meer ‘hands on’ gebruik te maken van het beschikbare onderzoek dat duiding geeft aan en verklaringen biedt voor lastige vraagstukken waar de politie mee te maken heeft. Het creëert urgentie om naar onderzoek op zoek te gaan. Daarmee is het juist gericht op het helpen integreren van de doelstelling van de conferentie in het dagelijks werk. Het laat deelnemers zelf ervaren waarom het van meerwaarde is voor hun werk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Als je de werkwijze van de dialoogsessie breed inzet binnen de politieorganisatie, dan kun je het ook als onderzoekstool gebruiken om te inventariseren waar de behoefte aan versterking zit bij de professionals van de politie die onderzoek/evidence willen benutten bij hun werk. Dit kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met het hebben/bouwen aan een relevant kennisnetwerk. Op basis daarvan kun je hen vervolgens gericht ondersteunen.
30. Onderzoek naar sociale netwerken die zich uiten over geweldsaanwending door de politie en hun associaties daarbij Kevin Willemsen, onderzoeker EMMA | Experts in Media en Maatschappij & Communicatie Politie Rianne de Vries, adviseur communicatieonderzoek, Dienst Communicatie Politie
EMMA | Experts in Media en Maatschappij heeft voor de politie een analyse gemaakt van sociale netwerken die zich roeren rondom het thema ‘geweldsaanwending door de politie’. Tevens is in kaart gebracht welke associaties ze bij dit thema hebben. De analyses zijn uitgevoerd in opdracht van de politie.
De analyse laat zien dat er sprake is van verschillende ‘kampen’ in de online berichtgeving (in dit geval geanalyseerd op Facebook). Er zijn kampen die zich verzamelen rondom accounts van de politie en het gebruik van geweld over het algemeen steunen. Daarentegen zijn er ook groepen mensen die geweldsaanwending zien als een teken van etnisch profileren of discriminatie. Deze groepen kijken elk heel anders aan tegen nieuws over de politie. Er is binnen deze groepen veel contact, maar tussen deze groepen veel minder.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De resultaten van het onderzoek geven de politie inzicht in hoe haar communicatie effectief kan worden gericht op de informatiebehoefte van verschillende groepen in de samenleving. Sommige netwerken zijn makkelijker te bereiken dan andere en daar moet een verschillende toon voor worden aangeslagen. Bovendien levert de methode op zichzelf inzicht in de dynamiek die zich voordoet op sociale media met het oog op voor de politie relevante thema’s. Het onderzoek vestigt tevens aandacht op slimme data-combinaties om publiekscommunicatie te versterken.
31. Communicative Policing in een nieuwe wereld Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid, Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid, Hogeschool Inholland Hans Moors, directeur EMMA – Experts in Media en Maatschappij Jaco van Hoorn, directeur Operatiën, Staf Korpsleiding Politie
Het is de hoogste tijd dat de politie zich beweegt van community policing naar communicative policing, zo stelde Innes (2002) al in het begin van deze eeuw. Dat advies lijkt sindsdien alleen maar in belang te hebben gewonnen: door de social media revolutie die zich sindsdien voltrok, maar ook door de – deels daarmee samenhangende – veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat. Beelden lijken steeds belangrijker te worden dan feiten. En het lijken vooral die beelden te zijn die politieke en maatschappelijke impact hebben. Hoe acteert de politie daarin? In hoeverre stuurt de politie ook op dergelijke beelden? Is de politie zich daarbij voldoende bewust van de effecten? In hoeverre gebruiken politie (en politiebonden!) dergelijke beelden ook als middel in het vraagstuk van ‘probleemdefinitie’, het vraagstuk dat volgens Beck (2018) een sleutelrol speelt in de kosmopolitische risicosamenleving? Blijft het leidend motto ‘waakzaam en dienstbaar aan de kernwaarden van de rechtsstaat’ daarbij onverkort overeind? De bijdrage is gebaseerd op een combinatie van onderzoeken, waaronder het lopende promotieonderzoek Public Reactions to Crime, een analyse van de communicatie over de jaarwisseling 2018/2019, lopend onderzoek naar Digitale Buurtpreventie in Rotterdam en het onderzoek Effecten van de communicatie rond de aanpak van woninginbraken (Eysink Smeets et al, 2017).
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie? Scherper bewustzijn van de gewilde en ongewilde doorwerking van politiecommunicatie, zowel op strategisch als uitvoerend niveau.
32. Vingersporen, de bron en verder
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.
33. Hoger opgeleiden binnen de politie: Luctor et emergo Teun Meurs, promotieonderzoeker Hogeschool Arnhem Nijmegen / docent Politieacademie Daffney Dekker, operationeel specialist B Politie eenheid Midden-Nederland
Deze dialoogsessie gaat over mijn promotieonderzoek naar de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Samen met participant Daffney Dekker bespreek ik ten eerste de worsteling van studenten en afgestudeerde bachelors binnen de recherche- en basisteams op het gebied van hun positie, identiteit en handelingsperspectief. Hiertoe worden de ervaringen van Daffney en andere participanten geduid met behulp van het bestuurskundig concept ‘hybride professionaliteit’. Ten tweede zoomen we – wederom aan de hand van Daffney’s ervaringen – in op de wijze waarop hoger opgeleiden gaandeweg grip krijgen op hun hybride positie, identiteit en handelingsperspectief. Met betrekking tot het laatste presenteren we tenslotte het concept ‘Actieonderzoekend Vermogen als politiespecifieke variant van het – in het HBO – invloedrijke perspectief van ‘Onderzoekend Vermogen’. Hiermee bieden we een handelingsperspectief dat hoger opgeleiden en hybride professionals meer houvast kan geven bij het invullen van hun verbindende rol binnen de beroepsuitoefening.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek draagt ten eerste bij aan het beter begrijpen van de beoogde meerwaarde en de belangrijkste uitdagingen van hoger opgeleide professionals binnen de politie. Dit kan worden gebruikt door hoger opgeleiden zelf om hun verbindende rol betekenisvol in te vullen. Ook kan het worden gebruikt door leidinggevenden om hoger opgeleiden gericht te coachen en door het onderwijs om hoger opgeleiden te scholen en beter voor te bereiden op hun taak.
34. Bewegen in opsporen Wouter Landman, onderzoeker en adviseur Twynstra Gudde Roderik Kouwenhoven, onderzoeker en adviseur Roderik Kouwenhoven Consultancy
Tijdens deze dialoogsessie geven wij inzicht in de (dan nog niet gepubliceerde) inzichten van anderhalf jaar actieonderzoek binnen de opsporing in opdracht van Politie en Wetenschap. We presenteren deze inzichten in de vorm van patronen in de manier van werken, organiseren en veranderen die de ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing belemmeren dan wel bevorderen. Hierbij kan worden gedacht aan een (belemmerend) patroon als een ‘straatperspectief op de opsporing’ (werkpatroon) of het ‘fragmenteren van werksystemen’ en aan bevorderende patronen als ‘meervoudig sturen’ en ‘diepgaand veranderen’. We lichten de werking van de patronen toe en illustreren deze met voorbeelden uit de praktijk. De deelnemer krijgt een raamwerk van patronen aangereikt waarmee naar de eigen opsporingspraktijk kan worden gekeken. De bevorderende patronen bieden handelingsperspectief om de eigen praktijk te ontwikkelen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing is een van de belangrijkste prioriteiten van de huidige korpsleiding. Hoewel er tegenwoordig veel nadruk ligt op de rol die technologie hierbij kan spelen, is het ook essentieel om inzicht te hebben in de organisatiepatronen die belemmeren of helpen bij het vernieuwen van de opsporing. Ons onderzoek draagt bij aan dit inzicht en kan daarom hopelijk bijdragen aan de toekomst van de politie.
Als politie-onderzoeker kent hij de modernste technologie die wordt ingezet bij opsporing. Met zijn stichting zet Jan-Kees Schakel die in om stroperij in wildparken te bestrijden. “Sensing Clues turns wild spaces into safe havens!” valt te lezen op de website.
De rangers van Wildlife Works in Kenia en Phundundu in Zimbabwe hebben vandaag de dag een nieuw wapen in de strijd tegen stropers, illegale houtkap, en andere bedreigingen. Dankzij een applicatie van de Nederlandse non-profit Sensing Clues kunnen de rangers hun observaties nu in real-time met elkaar delen en combineren.?Natuurgebieden worden voortdurend bedreigd door illegale activiteiten, vari?rend van stroperij tot illegale begrazing, houtkap, ontginning, mijnbouw en afvaldumping. Met name in Afrika wordt de bescherming van bedreigde flora en fauna bemoeilijkt door de enorme omvang van de natuurgebieden, en het beperkte aantal rangers. In Kenia wordt bijvoorbeeld een natuurgebied van ruim 200.000 hectare natuur beschermd door minder dan 150 rangers ? een gebied dat ongeveer zo groot is als de provincie Limburg.
Tot op heden gebruikten veel rangers papieren formulieren om hun ervaringen en observaties te rapporteren. Daardoor krijgen ze pas veel later? soms maanden ? een duidelijk overzicht van wat er in het natuurgebied speelt. Vanaf vandaag hebben de rangers van Wildlife Works en Phundundu de beschikking over de nieuwe applicatie van Sensing Clues om al hun observaties in ??n beveiligde analyse-omgeving te centraliseren.
?Rangers vormen de voorhoede van natuurbeschermingsorganisaties,??zegt Dr. Schakel.??Zij zien veel sporen van illegale activiteiten in het gebied, maar konden hun individuele observaties niet eenvoudig met elkaar delen om hier vervolgens gezamenlijke inzichten uit te destilleren. Onze app geeft ze die mogelijkheid. Zij hebben nu een uiterst professionele observatie- en analysetool die ze helpt om op basis van de verzamelde informatie gericht in actie te komen. Dit is essentieel voor effectieve bescherming, omdat de gebieden immens groot zijn, het aantal ?boots on the ground? zeer beperkt, en stropers hier handig misbruik van maken.?
Kunstmatige Intelligentie
Na een testperiode van enkele maanden worden de observaties van de rangers in de applicatie aangevuld met observaties van ?slimme? sensoren. Sensing Clues ontwikkelt sensoren die in de natuur geplaatst worden om mens-gerelateerde signalen, zoals radiocontact en geluiden op te vangen. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden geweerschoten, motorzagen en bromfietsen automatisch herkend. Deze observaties worden gedeeld met de rangers, die hierdoor direct in actie kunnen komen.
In de nabije toekomst wordt het softwareplatform volgens Schakel uitgebreid met nog meer databronnen en algoritmes voor het berekenen van risico?s:??Er zijn veel geweldige initiatieven voor het monitoren van wilde dieren. Biologen en ecologen gebruiken bijvoorbeeld gps-chips om bedreigde diersoorten te volgen. Zulke gegevens zijn ook heel waardevol voor misdaadpreventie als ze gecombineerd worden met de bevindingen van rangers en bijvoorbeeld de weersvoorspelling. De inzichten die dit oplevert helpt rangers om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn om bedreigde diersoorten te beschermen.?
Een luide knal
De luide knal van een geweerschot. Jan-Kees Schakel en zijn vrouw worden midden in de nacht opgeschrikt in hun bamboehut in de jungle van Laos. Ze zijn op dat moment de enigen in het resort. Verder alleen de herrie van de natuur. En dat schot dus ineens. Ze wachten op wat komen gaat. Angstige minuten. Een kwartiertje later horen ze een bootje wegtuffen op de nabijgelegen rivier, richting bewoonde wereld. Het kan maar ??n ding betekenen, weet Schakel: stropers. Het incident vormt het begin van zijn stichting Sensing Clues. Als onderzoeker en strategisch adviseur bij de politie heeft hij dan al vele jaren ervaring met het gebruik van de modernste waarnemingstechnologie?n die kunnen worden ingezet bij opsporing. Dat kunnen camerabeelden zijn, maar ook Twitterberichten: alles wat maar kan helpen bij het opsporen van criminelen of het zo snel mogelijk signaleren van een crisissituatie.
In zijn hut in de jungle van Laos beseft Schakel dat precies dit soort informatie hard nodig is om de natuur te beschermen. Hier kan hij zijn oude en zijn nieuwe werk combineren; voordat hij bij de politie terechtkwam, heeft Schakel jarenlang in de tropen gewerkt als natuurbeschermer. Met zijn stichting wil hij parkwachters voorzien van de technieken waar ook de politie mee werkt. Sensoren, analyseprogramma?s, apps: alles wat maar kan bijdragen aan de strijd tegen stropers. Als het de natuurbeschermers aan ??n ding ontbreekt, is het real time-informatie.
Jan-Kees Schakel (links) met een parkwachter in Nepal.?Beeld Sensing Clues
Schakel kwam er snel achter wat het grote probleem is: er zijn gadgets genoeg, maar die werken vaak niet goed samen. Of ze zijn gebruiksonvriendelijk. Het gevolg is dat veel informatie nog altijd op traditionele wijze wordt overgebracht; mondeling, als de rangers elkaar ?s avonds bij het eten treffen. Of via opschrijfboekjes, die pas na drie maanden door iemand in de computer worden ingevoerd. De stroper is dan al lang en breed gevlogen.
Kies het type spoor dat gevonden is en leg de observatie vast of deel een melding.
Een deel van de oplossing is volgens Schakel de app van?Sensing Clues. Schakel, die inmiddels nog maar de helft van de tijd bij de politie werkt en de helft van zijn inkomsten heeft ingeleverd, laat de app zien. Eenvoud staat voorop; de ranger kan zijn rapportages doen via een aantal icoontjes. Zo kan hij aangeven dat hij resten van een vuur heeft gevonden, of een strik of bandenspoor. ?Rangers weten vaak niet of iets van belang is of niet. Logisch ook; pas in combinatie met andere sporen kan de grote lijn duidelijk worden.?
Schakel noemt als voorbeeld de vondst van een kapot kapmes door ranger 1 en een paar dagen later in hetzelfde gebied batterijen van een zaklantaarn door ranger 2. ?De combinatie van zaklamp met kapmes kan duiden op het stropen van giraffen?, weet Schakel. ?De ene stroper verblindt de giraffe met een krachtige lichtbundel en maakt lawaai met een ratel, waarop het dier in verwarring blijft staan. Zijn collega benadert de giraffe van achter en hakt de achillespezen door, waarop het beest ter aarde stort.? Het vlees van de ? beschermde ? giraffe wordt vervolgens op de markt verkocht als ?bush meat?, goedkoper dan koeien- of geitenvlees.
Vele uren mankracht
?Alles begint met de waarnemingen. Die kunnen van parkwachters zijn, maar ook van andere mensen die je vertrouwt, zoals boeren, gidsen of toeristen.? Een ander belangrijk onderdeel is het data- en analyseplatform. Hier komen alle gegevens binnen. Schakel had dit nooit kunnen ontwikkelen zonder de hulp van allerlei partijen die hij vanuit zijn politiewerk al kende. Consultants, juristen, datawetenschappers, vormgevers en programmeurs hebben allen belangeloos hun steentje bijgedragen. Door software zonder licentiekosten beschikbaar te stellen, maar ook via vele uren mankracht. Het resultaat is een systeem dat iedereen snapt. De ranger ziet ??n duidelijke kaart waarop alle informatie kan worden getoond. Dit alles met als doel meteen actie te kunnen ondernemen.
Verder zijn ook sensoren hard nodig, want mankracht alleen is nooit voldoende. In de Rukinga Wildlife Corridor in Kenia werken bijvoorbeeld zo?n 120 rangers (in groepen van 8) op een gebied van 220 duizend hectare. Dat is maar iets minder dan de provincie Noord-Holland. Op strategische plekken kunnen sensoren worden achtergelaten. Daar komt veel bij kijken, want ze moeten via zonnepanelen (of eventueel een batterij) aan energie komen, maar mogen tegelijk niet opvallen.
Schakel verstopt een zonnecel voor een sensor in een park in Kenia.?Beeld Sensing Clues
Sensing Clues ontwikkelt nu drie typen sensoren: voor het registreren van kunstmatig licht, van elektronica (bijvoorbeeld de signalen die mobieltjes uitzenden) en voor menselijk geluid. ?Stropers maken veel lawaai?, weet Schakel. ?Ze wanen zich onbespied omdat het gebied zo groot is. Ze maken dus gerust een vuurtje en zetten de radio aan.?
Herbert Prins, hoogleraar Natuurbeheer aan de Universiteit van Wageningen, gelooft enorm in het gebruik van sensoren en AI om stropers op te sporen voordat ze een misdaad hebben begaan. Het is de reden dat hij Sensing Clues ondersteunt door in de raad van toezicht plaats te nemen. De natuurbescherming is volgens hem de laatste decennia ?gemilitariseerd?, een slechte ontwikkeling. Volgens Prins moet de geweldsspiraal?? aan beide kanten vallen dodelijke slachtoffers ? doorbroken worden, wat mogelijk is door technologie slim in te zetten. Hij noemt de speciale trackers waaraan het Hilversumse ict-bedrijf Sodaq werkt. Deze worden aangebracht op bijvoorbeeld zebra?s. Door het gedrag van een kudde te analyseren, kan met ?een waanzinnige precisie? voorspeld worden of er stropers in de buurt zijn. ?Zebra?s?reageren anders?op stropers dan op parkwachters of toeristen. Ze ruiken gevaar als ze mensen zien die sluipen of gewoon wandelen en gedragen zich daar dan ook naar door bijvoorbeeld hard weg te lopen.?
Toys for boys
Hoe veelbelovend al dit soort sensoren ook zijn, het zijn geen wondermiddelen, benadrukt Schakel. ?Je hebt niets aan gereedschap als het niet onderdeel is van een hele kist. Alles moet goed op elkaar zijn afgestemd.? En juist daar gaat het vaak mis, volgens Schakel. Hij ziet spectaculaire en mediagenieke voorbeelden voorbijkomen. Camera?s in de hoorn van een neushoorn, drones, noem maar op. ?Dat ziet er allemaal prachtig uit, maar er is niet altijd goed over nagedacht.? In de woorden van Prins:?toys for boys.
Daarom werd Schakel in eerste instantie ook met de nek werd aangekeken toen hij bij parken aanklopte: w??r zo?n westerling die met een gadget komt aanzetten die alles gaat oplossen. Pauline Verheij, programmamanager Wildlife Crime bij dierenwelzijnsorganisatie IFAW, is ?heel enthousiast? over het gereedschap van Sensing Clues. ?Vaak wordt vergeten wat de basisproblemen zijn. Stroperij floreert in landen waar gebrek is aan capaciteit, geld en politieke wil. En waar veel corruptie is. Rangers moeten vaak werken onder slechte omstandigheden, waardoor ze ongemotiveerd zijn. Er is geen benzine, geen uitrusting, geen fatsoenlijke kleding. Dan kun je wel met de nieuwste technieken komen, maar dat lost niets op.? Terwijl techniek volgens Verheij wel degelijk kan helpen om de bestrijding van stroperij effectiever te maken. ?Ik geloof erin als het eenvoudig en laagdrempelig is in het gebruik.? Sensing Clues voldoet daar volgens haar aan.
Voor die gereedschapskist van Sensing Clues moet trouwens nog wel betaald worden. Veel is het niet: een paar duizend euro per jaar voor ondersteuning. Sensing Clues heeft nu afspraken met twee beschermde gebieden: Rukinga Wildlife Corridor in Kenia en Phudunda in Zimbabwe. Dat is het begin, als het aan Schakel ligt: ?We hebben de ambitie om honderden parken te helpen.? Zorg is er ook, over de beveiliging van de webomgeving: ?Stroperij is een miljardenbusiness. Zodra stropers zien dat dit een succes is, gaan ze alles uit de kast halen om ons plat te leggen, zodat rangers hun werk niet meer kunnen doen. We moeten er rekening mee houden dat we van alle kanten worden aangevallen.? Schakel zoekt dus nog hulp van de beste cybersecuritybedrijven. De constante wapenwedloop tussen beschermer en stroper zal ook op internet worden gevoerd.
DRONES IN OPKOMST, MAAR EXPERTS HEBBEN TWIJFELS
Sinds een jaar of tien zijn drones flink in opkomst om de natuur te beschermen. De ontwikkelingen gaan hard, zegt Serge Wich, mensaaponderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam ?n dronespecialist. Een van de mogelijkheden is drones te verbinden met camera?s of gps-trackers die op dieren zijn aangebracht, zodat ze altijd kunnen worden gevolgd. Met behulp van kunstmatige intelligentie (AI) zou zo?n drone ook, via beeldherkenning, kunnen bepalen of hij een neushoorn ziet of een stroper. De Lindbergh Foundation werkt samen met AI-bedrijf Neurala om zoiets?voor elkaar te krijgen. Wich heeft zijn bedenkingen over de werking: ?Er wordt van alles geroepen, maar er is nog veel onderzoek nodig.? Het is leuk dat de drone een stroper kan herkennen, maar er wordt niet bij verteld hoe vaak hij hem mist, zegt Wich. Ook is het duur drones in de lucht te houden en is er veel training nodig om een vliegtuigje goed te laten landen. Programmamanager Wildlife Crime Pauline Verheij heeft nog meer bedenkingen: ?Zolang er corruptie is, kunnen drones ook worden misbruikt door stropers om dieren op te sporen.? Ook hoogleraar Natuurbescherming Prins ziet de nodige nadelen aan drones, zeker als ze worden ingezet om via beeldherkenning op jacht te gaan naar stropers. ?Daar wil ik niet aan meewerken. De volgende stap is zo?n drone op stropers te laten schieten.? Wat wil niet zeggen dat drones niet nuttig zijn. Bijvoorbeeld om de informatie die door de sensoren wordt doorgegeven te verwerken. De huidige drones maken volgens hem een ?heel irritant? geluid dat op grote afstand is te horen, vergelijkbaar met een zwerm killer-bijen. Zowel beest als stroper slaat ervan op hol. Prins heeft hoge verwachtingen van een heel nieuw type drone: de??Robird?. Het Nederlandse Clear Flight Solutions is een van de partijen die zo?n klapwiekende drone wil ontwikkelen.
CHIMPFACE
Alexandra Russo probeert met haar kersverse initiatief?ChimpFace?het probleem van illegale handel in chimpansees op een heel andere manier aan te pakken. Met gezichtsherkenningssoftware scant ze internet af op afbeeldingen van chimpansees die in gevangenschap leven. Sociale media staan vol met foto?s van in babykleertjes gehulde apen, maar er zijn ook sites waar ze te koop worden aangeboden. Met de slimme software moet het gemakkelijker zijn om dit soort beelden op te sporen, waarna experts er naar kijken. Uiteindelijk is het doel van Russo om ? net als bij gezichtsherkenningssoftware voor mensen ? specifieke?chimpansees te herkennen?om zo een spoor te kunnen volgen over internet. De schade is altijd groter dan die ene schattige chimpansee, weet Pauline Verheij. ?Om ??n babychimp mee te nemen, wordt een hele familie uitgemoord.? Het vlees daarvan wordt op de markt verkocht.
Een druk op de knop en er is binnen 5 tot 10 minuten hulp. Dat is het idee achter de applicatie X-Guard van het gelijknamige bedrijf uit?Hengelo. Afgelopen week werd het bedrijf gevraagd uitleg te geven aan de?Europese Unie. “Toch gaaf dat zo’n klein bedrijfje mag adviseren in Brussel.”
Medewerkers in de geestelijke gezondheidszorg, servicemonteurs die ’s avonds op afgelegen plekken moeten zijn of geldtransporteurs. Zomaar wat mensen die op bepaalde momenten graag beveiliging zouden willen, maar die niet continu een ‘extra mannetje’ kunnen meenemen. Voor hen moet de applicatie van X-Guard een uitkomst zijn.
Hoe het werkt? Als een bepaalde knop op de smartphone of smartwatch wordt ingedrukt maakt de app vanzelf alarm. Een meldkamer wordt ingeseind. Die luistert vervolgens via de telefoon of er echt iets aan de hand is. Bij een geweldsdelict of andere calamiteit wordt meteen beveiliging ingeschakeld en naar de betreffende persoon toegestuurd. Via gps en het exactere ips (op welke verdieping bevindt iemand zich?) is de locatie te achterhalen. Realistisch? Wel volgens de eigenaren Rob Kuipers (55) en Guus Lentelink (60) van het bedrijf dat begin februari de overstap van Hengevelde naar Hengelo maakte. Kuipers: “Op dit moment zijn er vijfduizend toestellen aangesloten op de meldkamer, maar dat aantal groeit nu gigantisch. De politie krijgt meldingen binnen, maar verder zijn er in elk postcodegebied drie tot vier beveiligingsbedrijven aangesloten. Binnen 5 tot 10 minuten is er iemand aanwezig.”
Verdwijning
Een verdwijning van een jonge vrouw in 2002 was de aanleiding voor de applicatie. De vrouw werd later dood teruggevonden in Ahaus. “Zij was de Anne Faber van die tijd. Wij vroegen ons af of we ervoor konden zorgen dat iemand in zo’n geval digitaal om hulp kan schreeuwen. Gps werd net commercieel en dat wilden we inzetten.” Van een eerste alarmeringskastje werden langzaam stappen gemaakt naar de smartphone. Toch is particulier gebruik anno 2019 nog lastig, de applicatie is nog niet gebruiksvriendelijk genoeg. Maar dat kan volgens Kuipers niet lang meer duren. “We hebben jaren geknokt om iets te bereiken, nu komen er eindelijk dingen los.”
Alsof het allemaal nog niet ingewikkeld genoeg is wil X-Guard nog een stapje verdergaan. X-Guard wil niet alleen noodbeveiliging aanbieden, maar ook d? overheidsapp worden. Om die reden mocht het bedrijf zijn visie geven bij de Europese Commissie. Kuipers: “Er is momenteel een wildgroei op het gebied van beveiliging. We hebben NL-Alert, AMBER Alert, Burgernet en WhatsAppbuurtgroepen. Dat moet wat ons betreft allemaal in ??n platform zijn. Bepaalde diensten zijn vanwege het gebruik van sms sowieso al achterhaald.”
In de toekomst moet het zelfs zo zijn dat als iemand van z’n fiets valt de applicatie zelf een melding doet. Er wordt automatisch gevraagd of de persoon in kwestie in orde is en mocht hij of zij niet reageren dan wordt er alarm gemaakt. Andere gebruikers uit de omgeving krijgen daar weer een melding van en kunnen aangeven of ze in staat zijn te controleren. Op deze manier zou ook HartslagNu (een platform waar burgerhulpverleners gevraagd worden te helpen bij hartproblemen) ge?ntegreerd kunnen worden in X-Guard.
Samaritanen
“Als iemand ‘een gezicht krijgt’, dan zijn er altijd mensen die willen helpen. Er zijn genoeg barmhartige samaritanen in deze wereld.” Toch durft Kuipers te garanderen dat de privacy van de gebruikers gewaarborgd is. In 2022 moeten 1,5 miljoen Nederlanders de applicatie op hun telefoon hebben staan. “Dat is inderdaad ambitieus, maar zeker niet onmogelijk”, aldus Kuipers. Over een jaar of vijf wil X-Guard wereldwijd actief zijn. “Als iemand uit New York hier is moet hij ook hulp kunnen krijgen. En andersom, natuurlijk. Als jij op vakantie gaat moet er in New York ook beveiliging zijn.”
“De Europese Unie heeft verplichtingen om haar inwoners goed te beschermen. In 2020 worden er nieuwe afspraken gemaakt en wij hopen dan dat de unie regeringen verplicht dit soort maatregelen te nemen. Veiligheid staat nu al bij veel bedrijven hoog op de lijst. Tot nu toe is dat dus onze afzetmarkt.”
Of het Hengelose bedrijf binnenloopt als de Nederlandse regering voor beveiliging via X-Guard kiest? “Ons doel is om mensen te beveiligen, niet om veel geld te verdienen. We willen de kosten voor gebruik laag wegzetten. Voor bedrijven is dat nu 0,09 euro per uur beveiliging, voor particulieren moet dat 0,02 euro per uur worden.”
Dankzij algoritmes kan men tegenwoordig criminaliteit voorspellen en hierop anticiperen. Politieorganisaties onderzoeken de mogelijkheden om big data en kunstmatige intelligentie in te zetten. Kunnen computers nauwkeuriger en veiliger voorspellen of criminaliteit gaat plaatsvinden dan getrainde agenten? Hoe bestrijden we effectief nieuwe vormen van criminaliteit zonder?onevenredige?inbreuk?op grondrechten??Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk verkennen we de toekomst van big data en AI bij de opsporing van criminaliteit.
Deze avond over Big Data en kunstmatige intelligentie is de derde in de programmareeks ?Opsporing & Vervolging in de toekomst?. In samenwerking met de politie en het OM maakt De Balie een serie over de herpositionering van politie en burger in het digitale tijdperk. Hoe kunnen alle partijen het best gezamenlijk anticiperen op technologische en maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot politiewerk en criminaliteit? Hoe kan daarbij de rechtstaat worden gewaarborgd? Brengen technologische ontwikkelingen ons het ultieme veiligheidsklimaat, of zullen we kennismaken met de donkere kanten van nieuwe technologie ? la hitserie Black Mirror? De eerste aflevering in deze serie ging over toenemende burgeropsporing, kijk het programma?hier?terug.
Sprekers:?
Fred Westerbeke, Hoofd Officier Landelijk Parket
Reinder Doeleman, sectorhoofd Dienst Regionale Informatie organisatie, die ingaat op het Criminaliteits Anticipatie Systeem waarover we eerder al veel artikelen en publicaties plaatsten.
Vincent Bohre van Privacy First, een onafhankelijke stichting met als doel het behoud en de bevordering van het recht op privacy. Hij benoemt oa het?@MIGO-BORAS project.
Marc Schuilenburg, docent Strafrecht en Criminologie van de VU. Hij publiceerde meerdere boeken over veiligheid, filosofie, strafrecht en populaire cultuur waaronder Orde in veiligheid (2012), waarvoor hij de driejaarlijkse Willem Nagelprijs won. Dit jaar kwam zijn boek Hysterie. Een cultuurdiagnose uit, met daarin een groot hoofdstuk over algoritmen en predictive policing. Hij benoemt het Big Data project uit Roermond.
Jacqueline Bonnes, Cyber Officier Arrondissement parket Rotterdam
Rapport met enige achtergrond over de huidige state of the art van AI in predictive policing, een aantal dilemma’s en een blik op de toekomst:
Van predictive policing naar prescriptive policing – Verder dan vakjes voorspellen
[slideshare id=61354641&doc=104tnorpredictivepolicingweb-160426065651&type=d]
‘De wereld van Sofie’ besteedde op de VRT radio aandacht aan cold cases en true crime podcasts. Onopgehelderde zaken die aandacht krijgen in de media, en steeds vaker op nieuwe manieren via podcasts of op Netflix. Denk aan The Teacher’s Pet, Making a Murdere, The Keepers of Serial. Het parket probeerde in Belgie de uitzending van VTM over een cold case te verhinderen. Spanningen tussen pers en parket zijn niet ongewoon.?Soms geraken journalisten zo gefascineerd door een zaak, dat ze zelf op onderzoek uit gaan, zoals Kurt Wertelaers deed in de zaak Sally Van Hecke?en Sanne Boer van Argos VPRO bij “De Moord op Patrick“. Deze zaken hebben een grote aantrekkingskracht op veel mensen.
Journalist?Kurt Wertelaers?raakte gefascineerd door de moord op de 20-jarige Sally Van Hecke. Ze werd in 1996 vermoord in Antwerpen. In 2017 werd het onderzoek heropend, mede dankzij zijn onderzoek. Wertelaers maakte er voor VTM het programma ?Cold Case? over. Wat drijft hem in deze zaak?
Ine Van Wymersch?(woordvoerder parket Brussel) geeft uitleg over ?cold cases? en wanneer onderzoek opnieuw opgestart wordt. Hoe ziet zij de verhouding tussen onderzoeksjournalistiek en het gerechtelijk onderzoek? Het Antwerpse parket probeerde namelijk de uitzending van ?Cold Case tegen? te houden, omdat de uitzending mogelijk het verdere onderzoek zou kunnen schaden? Journalisten komen regelmatig met interessante hypotheses en scenario’s. Daarbij dient het proces niet in het gedrang te komen en de privacy van verdachten, getuigen en slachtoffers niet in het geding komen.
Het oproepen tot getuigen en het inschakelen van het publiek leidt tot grotere opsporingspercentages. Podcasts doen dit zelf ook, zoals de Australische podcast The Teacher’s Pet die na 30 jaar tot een oplossing kwam:
https://www.youtube.com/watch?v=sBoaZLTPF18
The Teacher’s Pet is een podcast die sinds mei 2018 door de Australische journalist?Hedley Thomas online is gebracht. De podcast vertelt over en is zelf ook een platform voor het onderzoek naar de verdwijning van Lynette Dawson. Lynette was de vrouw van rugbyspeler en leraar Chris Dawson en verdween spoorloos in 1982. Het onderzoek onthulde veel details, zoals over het huwelijk, de verdwijning, de buitenechtelijke affaire tussen Chris Dawson en een zestien jaar oud schoolmeisje, seksueel wangedrag tussen leraren en studenten op Cromer High en andere openbare middelbare scholen, tekortkomingen in het politieonderzoek, het effect op de betrokken families en de onwil van het openbaar ministerie om Dawson als verdachte te zien ondanks twee onderzoeken waarin wordt geconcludeerd dat Lynette Dawson dood zou moeten zijn en waarschijnlijk door haar man werd gedood.
De serie begon in mei 2018 en eindigde in augustus 2018 na 14 afleveringen. Journalist Hedley Thomas vertelt in zijn podcast dat de serie grote hoeveelheden bewijsmateriaal onthulde dat niet naar boven kwam door politieonderzoeken. Eind 2018 werden nog twee afleveringen toegevoegd, omdat een nieuwe opgraving nieuw bewijs bracht in het oude Bayview-huis van Dawson. De tweede podcast behandelde tenslotte de arrestatie van Dawson op 5 december door de politie van Queensland. Dawson werd vervolgens uitgeleverd aan Sydney, en kwam op 17 december 2018 op borgtocht vrij ($1,5 miljoen).
De serie had meer dan 28 miljoen downloads en was de nummer ??n Australische podcast en bereikte ook de nummer ??n in Groot-Brittanni?, Canada en Nieuw-Zeeland.
In Nederland maakt journaliste?Sanne Boer?de true crime podcast ?De moord op Patrick? voor het Radio 1-programma Argos. Ze brengt het verhaal van een tennisleraar die vermoord werd. Naar haar aanvoelen werd het onderzoek niet grondig genoeg gevoerd.
De 10-jarige Nathalie Geijsbregts werd in 1991 ontvoerd aan de bushalte. Vader?Eric Geijsbregts?is nog elke dag bezig met de zaak. Elke aandacht er voor blijft ook na bijna 30 jaar welkom, vertelt hij aan reporter Brecht Devoldere.
Waarom we een fascinatie hebben voor misdaadverhalen, voor whodunits, en waarom sommige mensen graag zelf detective spelen, is een vraag voor psycholoog?Ariane Bazan.
Nog veel meer series, films en songs dan we denken verwijzen naar echt gebeurde misdaadzaken, weet?Vincent Byloo.