Auteursarchief: Arnout de Vries

Grooming: 12 is het nieuwe 16 en vaker dan je denkt

Foto Grooming_240Kinderen worden regelmatig seksueel benaderd.?Tijdens een onderzoeksproject voor een van onze opdrachtgevers loggen we in op Habbo-hotel. Tot onze verbazing worden we al snel meerdere keren benaderd met seksueel getinte opmerkingen. Die laten weinig aan de verbeelding over. Daar schrik je van. En het is verontrustend. Vooral omdat dit sociale platform zich richten op kinderen. Hier schuilt het gevaar van grooming.

De seksueel getinte opmerkingen die de avatars van Carlijn Broekman en haar collega?s krijgen, zijn aanleiding voor een nieuw verkennend onderzoek op Habbo-hotel naar de problematiek van grooming: digitaal kinderlokken. ?We maken verschillende avatars aan van meisjes van 13 jaar. Verspreid over meerdere dagen en dagdelen zijn we online. Onze avatars staan stil, in de lobby van het digitale hotel. Ondanks dit passieve gedrag worden we in 7 uur tijd maar liefst 60 keer benaderd! Onze avatars krijgen de vraag of ze willen zoenen, handelingen willen verrichten en hun telefoonnummer willen geven. Reageren we ??n keer, dan wordt er stevig op aangestuurd dat we ons voor de webcam uitkleden. Pijnlijk! De ??n-op-??n-gesprekken worden nauwelijks gecontroleerd. Wel vindt automatische censurering van verboden woorden plaats. Maar die is makkelijk te omzeilen. Als je ziet wat kinderen tussen de 13 en 17 jaar over zich heen krijgen op dit sociale platform… Dit kunnen we toch niet accepteren?!?

12?is het nieuwe 16
?Het is lastig te achterhalen wie zich verschuilt achter een avatar. Is het een kind dat experimenteert en grensoverschrijdend gedrag vertoont? Of gaat het om een volwassene, een pedofiel? Onze verkenning biedt zicht op de vele risico?s die kinderen op internet lopen. Ook laat het zien dat een vertaalslag van gangbare normen en waarden naar het digitale domein achterblijft. Wat we tegenkomen op Habbo-hotel, gebeurt ook op andere sociale platformen. En dit probleem zal naar mijn verwachting alleen maar groter worden. Want steeds meer kinderen maken op jonge leeftijd gebruik van sociale platformen, terwijl ze de gevolgen van hun gedrag nog niet goed kunnen inschatten. In dat kader geldt: 12 is het nieuwe 16. Experimenteergedrag dat bij jongeren van 16 hoort, wordt nu al door kinderen van 12 gedaan, met bijbehorend cognitief vermogen. Daarbij maken ze gebruik van alle mogelijkheden die het internet hen biedt. Met alle risico?s van dien. Want dit gedrag past cognitief nog niet bij een twaalfjarige.

Onbedoeld onveilig

?Pesten en kinderlokken zijn bekende problemen uit de fysieke wereld. Nu vinden ze plaats in een online context die nog relatief nieuw is. In deze omgeving ontbreken gemeenschappelijke normen en waarden. Daarom vind ik het belangrijk dat dit thema op de maatschappelijke agenda komt. En dat er gediscussieerd wordt over hoe we als samenleving met dit fenomeen omgaan. Willen we grenzen stellen, normen en waarden online doorvoeren, toezicht houden en handhaven? Want kinderen stellen zich onbedoeld bloot aan ongewenst en onveilig gedrag, zoals ons onderzoek laat zien. De vraag is welke interventies nodig zijn en hoe je ze effectief maakt. Neem de verschillende lespakketten die als interventie in omloop zijn. Een framework helpt om ze te toetsen op kwaliteit. Over de ontwikkeling daarvan zijn we in gesprek met een aantal belangrijke maatschappelijke stakeholders. Een andere interventie is digigeren: een digitale reactie op onveilig of grensoverschrijdend gedrag van jongeren.?

?Het is een nieuwe methode om online gedrag positief te be?nvloeden. Motiveren, demotiveren, de-escaleren of interveni?ren zijn belangrijke elementen. En daarnaast het verbeteren van de informatiepositie, bijvoorbeeld van de politie. Het gaat om w?e w?t zegt en op welke manier. De inhoud en de afzender van de boodschap moeten daarom met zorg vastgesteld worden. Bij interventies gaan gedragsleer en techniek hand in hand. Techniek stelt ons bijvoorbeeld in staat iemands leeftijd te schatten op basis van zijn chatgesprekken. Dit kan benut worden om ongewenst contact te voorkomen. Een andere mogelijkheid is een avatar te gebruiken die kinderen onverwachts onderwijst als zij persoonlijke informatie met hem delen. Bijvoorbeeld door hen de gevolgen van hun gedrag te laten zien. De techniek kan ons zesde zintuig zijn voor online gevaren. Maar mentale bewustwording, gevaren signaleren en vermijden blijven onverminderd belangrijk als oplossingsrichting.?

Hieronder nog een voorlichtingsfilmpje van de NCRV:

Bronnen: TNO, Nederlands Dagblad

Overheidsdienstverlening verbeteren met Big Data

waakzaamHet onderwerp Big Data is actueel. Big Data kan worden benut om verschillende doelen te bereiken, zoals informatie transparant en bruikbaar maken, ondersteunen bij het nemen van beslissingen, scherper segmenteren en bij product- en dienstinnovaties. Daarbij lijken we momenteel midden in een proces te zitten waarin een nieuw evenwicht wordt gezocht tussen een overheid die de burger versterkt en ondersteunt door middel van Big Data en bijbehorende maatschappelijke grenzen.?

In onderstaande?verkenning staan 6 bestaande Big Data concepten beschreven, die direct danwel indirect kunnen bijdragen aan een betere dienstverlening naar burgers toe (Profiling, Predictive analytics, Social media monitoring, Omnichannel klantcontact, Semantisch web, Process mining). Voor deze verkenning zijn inspirerende voorbeelden uit het bedrijfsleven en bij gemeenten gebruikt en (ervarings)deskundigen komen hierbij aan het woord. Tevens zijn afwegingen beschreven op maatschappelijk, organisatorisch en technisch gebied.

Ook interessant om na te lezen is het ebook van het Big Data congres voor en van de overheid:

Van de straathoek naar Facebook

straathoek
Zoals wellicht bekend, staan social media vol met foto?s van dikke stapels geld, dure Gucci-schoenen en Cartier horloges, maken veel jongeren selfies met schotwonden en vereren ze er hun ?voorbeelden?, zoals Willem Holleeder.

Jongeren die voorheen op straat rondhingen, meten zich online ?een criminele identiteit? aan ? ze doen ?alles voor respect?. En wie respect wil, of stoer wil overkomen, moet daarvoor eerst bewijs aanleveren: een foto, een posting, een tweet. Van den Broek bestudeerde een jaar lang berichten en foto?s die straatjongeren, grotendeels uit de Rotterdamse wijk Spangen, op social media zetten.

‘Straatcultuur speelt zich steeds meer af op social media in plaats van op straat.’ Dat zegt criminoloog Jeroen van den Broek tegenover Govrien Oldenburger van Sevendays. Met zijn scriptie over het social mediagedrag van criminele jongeren won hij de Rotterdamse Scriptieprijs 2014. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’? Inmiddels wordt het begrip straatcultuur niet alleen maar toegepast in onderzoek naar (ongewenst) gedrag van jongeren op straat, maar ook op scholen en op social media.

Onderstaande?definitie van de Jong over?straatcultuur lijkt daarmee vandaag de dag wat achterhaald:
?Alle gedeelde ervaringen, kennis, betekenissen en symbolen die relevant zijn in het dagelijkse doen en laten van straatjongens die samen hun vrije tijd doorbrengen in de openbare ruimte van hun
(achterstands)buurt.? (de Jong, 2007: 149).
‘Ik wilde graag de link leggen tussen straatcultuur en social media’, vertelt Van den Broek, die liever social media dan sociale media gebruikt, definieert het als volgt”het geheel aan user generated content dat wordt gecre?erd en gedeeld via digitale platformen die dienen voor het overdragen van informatie”.?Hij begon zijn onderzoek met een YouTube-filmpje van een crimineel jeugdnetwerk dat iemand hem liet zien. ‘Daarna ben ik die jongens ??n voor ??n gaan onderzoeken.’ Daarbij maakte hij uitsluitend gebruikt van openbare netwerken, zoals YouTube, Instagram, Twitter en Keek (waar je filmpjes op kunt zetten). Wat bleek? Online was h??l veel over ze te vinden. ‘Die jongens houden een soort performance om status te krijgen. Ze zetten een beeld van zichzelf neer dat zo straat mogelijk is.’ Daarbij is stapels geld showen heel belangrijk, volgens Van den Broek. Net als het vertonen van criminele activiteiten. ‘Ze poseren met geld, wapens of zakken drugs. En scheppen erover op dat ze iemand beroofd hebben.’ De meesten waren begin twintig, schat hij. ‘Maar er zaten er ook een paar van vijftien en zestien tussen.’
Status
Is het niet een beetje dom om openlijk op te scheppen over je criminele gedrag? ‘Misschien wel, maar ze vinden het respect dat ze op die manier verkrijgen belangrijker. Ik denk dat het een kosten batenafweging is.’ Van den Broek kwam het in ieder geval bijzonder goed uit, voor zijn onderzoek. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’ Aanvankelijk probeerde hij zelfs contact met ze te leggen. ‘Ik wilde van h?n horen waarom ze zich zo uiten in het openbaar.’ Dat wilden ze helaas niet. ‘Geeft niet’, oordeelde Van den Broek. ‘Het maakte mijn onderzoek alleen maar sterker. Zo kon ik aantonen hoeveel informatie je al kunt vinden over zo?n netwerk zonder ze ooit gesproken te hebben.’ Hun gegevens anonimiseerde hij. Nooit overwoog hij de politie in te schakelen. ‘Als onderzoeker moet je onafhankelijk zijn.’ Nu hij is afgestudeerd, werkt hij voor de gemeente en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daar legt hij uit hoe je social media kunt gebruiken om informatie te krijgen over een jeugdcultuur. Op 1 september moet hij nog even terug naar zijn oude universiteit, de Erasmus Universiteit. Dan krijgt hij zijn oorkonde en 1500 euro uitgereikt. Wat gaat hij met het geld doen? ‘Een mooie auto kopen’, grinnikt hij. ‘Dat is goed voor m?jn status.’
Niet verrassend concludeert hij dat social media ?een dankbaar platform? vormen voor jongeren die zich een crimineel imago willen aanmeten. In een straatcultuur waar het draait om geld en ?laten zien hoeveel je hebt?, zijn deze media bij uitstek geschikt om te pronken ? jongeren posten zelfs foto?s van een bonnetje van twee flessen bacardi ? 150 euro. En een brief van de politie waarin je wordt gevraagd om dna af te staan, bewijst dat je ?een vrij ernstig delict? hebt gepleegd en ?dat is statusverhogend?.
Volgens Van den Broek is er door social media veel veranderd. Jongeren ontmoeten elkaar minder dan voorheen, hun hang naar respect is het allerbelangrijkst. Dat de politie meekijkt op social media, interesseert ze niet. Als ze iets illegaals posten en niet worden gepakt, levert dat extra respect op. Bovendien gebruiken ze straattaal en allerlei verbasteringen, ?voor buitenstaanders onbegrijpelijk?. Volgens Van den Broek heeft zijn onderzoek vooral aangetoond dat het voor de criminologie ?van groot belang is zich op een serieuze manier bezig te (gaan) houden met social media?.

Virtuele etnografie
Van den Broek gebuikte als onderzoeksmethode?virtuele etnografie,?een term die werd ge?ntroduceerd door Christine Hine in 2000 en doelt op?etnografisch onderzoek op het internet. Hij beschrijft het als volgt:

“Doordat veel van onze sociale interactie zich steeds meer richting het digitale domein begeeft, wordt het voor sociale wetenschappers steeds belangrijker om ook deze online gedragingen van mensen in ogenschouw te nemen. Kozinets (2010) definieert in zijn boek virtuele etnografie (door hem omgedoopt tot netnografie) als een gespecialiseerde vorm van etnografie die rekening houdt met de mogelijkheden die digitale communicatie ons biedt binnen onze huidige sociale netwerken. Virtuele etnografie is dus vooral zinvol in onderzoek naar gemeenschappen waarbinnen digitale communicatie een belangrijke rol speelt (Hine, 2000). Volgens Kozinets zijn er een aantal significante verschillen tussen ?normale? etnografie en de virtuele tegenhanger die het bestaansrecht van een zelfstandige methode rechtvaardigen. Ten eerste verschilt het verkrijgen van toegang tot een groep op internet wezenlijk van real life-toegang. Zowel ?participeren? als ?observeren? (etnografie wordt ook wel aangeduid als ?participerende observatie?) betekenen binnen het digitale domein iets wezenlijk anders dan in real life-etnografie. Ten tweede biedt virtuele etnografie zowel enkele nieuwe uitdagingen als nieuwe mogelijkheden ten opzichte van de klassieke vorm. Het gebruik van bijvoorbeeld aantekeningen verandert wezenlijk, omdat men alle tijd en ruimte heeft om precies te noteren wat men tegenkomt. Binnen de virtuele etnografie zijn kladblok en potlood daarom overbodig geworden. Mede door deze ontwikkeling verandert ook de hoeveelheid data die men verkrijgt uit beide vormen enorm. Ten slotte verschilt ook de manier waarop data geanalyseerd dient te worden, vanwege het feit dat bij virtuele etnografie de data al in digitale vorm verkregen wordt. Als derde benoemt Kozinets het verschil met betrekking tot ethische principes op het gebied van veldwerk. Bestaande ethische principes zijn heel duidelijk gebaseerd op de klassieke
vormen van veldwerk en lenen zich niet goed voor toepassing op virtuele etnografie. Dit komt het duidelijkst naar voren op het gebied van informed consent.

Binnen de virtuele etnografie bestaan verschillende onderzoeksmethoden, zoals bijvoorbeeld een sociaalnetwerkanalyse tracht men bepaalde structuren en patronen van relaties tussen bepaalde mensen binnen een netwerk te analyseren (Kozinets, 2010).”