Categoriearchief: Burgeropsporing

Special over de moord op Patrick en de aanpak van cold cases

In een twee uur durende special blikt deze radio uitzending met podcastmaker Sanne Boer terug op het onderzoek naar de moord op Patrick van der Bolt, en zijn gasten aan het woord over de aanpak van cold cases en behandelt het item prangende vragen van luisteraars. Onder andere over de rol van DNA-onderzoek, hoe coldcaseteams te werk gaan en welke rol het publiek kan spelen bij het oplossen van oude moordzaken.

Sanne Boer: is twintig jaar onderzoeksjournalist bij Argos, met als specialisatie justitie en zorg. Ze is de bedenker en de maker van de podcastserie De Moord op Patrick.

Ron van der Bolt: nabestaande, hij is de broer van de vermoorde Patrick van der Bolt.

René Bergwerff: is de leider van het coldcaseteam van de politie-eenheid Rotterdam.

Carina van Leeuwen: is forensisch rechercheur bij het coldcaseteam Amsterdam en auteur van thrillers.

Arnout de Vries: is deskundige op het gebied van opsporing, intelligence, burgerparticipatie en social media bij TNO.

Peter van Koppen: is hoogleraar rechtspsychologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en aan de Universiteit Maastricht. Hij treedt ook op als getuige-deskundige bij ernstige strafzaken.

Meer weten? Ga naar vpro.nl/patrickspecial voor meer achtergronden.


Bron: NPO Radio 1

Luistermoord: De podcast als opsporingsmiddel

Na Amerika wint de ‘true crime podcast’ ook in Nederland aan populariteit. Niet alleen journalisten duiken in
onopgeloste moordzaken of raadselachtige vermissingen om er een audioverhaal van te maken. Ook de politie
experimenteert met dit medium. Hoe kan een podcastserie helpen bij het oplossen van een zaak?

Geschreven door Anouk van der Graaf en eerder verschenen in tijdschrift Blauw, editie november 2019. 

‘911 emergency? … My wife is dead. They took her, they took her! … The guy broke into my house … She’s dead.’
Het is de stem van Peter Chadwick die op 11 oktober 2012 door de telefoon klinkt in een meldkamer in San Diego,
Amerika. Buiten adem vertelt hij de centralist dat zijn vrouw is vermoord door ene Juan, de huisschilder. Dit telefoontje met Chadwicks 911-melding is nu onderdeel van een bloedstollend spannende misdaadpodcast.

De serie is gemaakt door de politie van Newport Beach; een kustplaats in het zonnige Californië, waar Chadwick met
zijn vrouw en drie kinderen woonde. Intussen is bekend dat de rijke vastgoedmagnaat zelf hoofdverdachte is van de
moord op zijn vrouw. Chadwick werd gearresteerd, maar mocht aanvankelijk tegen een borgsom van 1 miljoen dollar
de rechtszaak thuis afwachten. Zo ver kwam het niet; hij nam de benen.

Daarmee werd Chadwick vanaf januari 2015 een van de meest gezochte personen van Amerika. Met haar team lanceerde politiewoordvoerder Jennifer Manzella vier jaar later de podcast Countdown to capture als onderdeel van de grote zoektocht naar de voortvluchtige miljonair.

WAT IS EEN PODCAST?
Een podcast is een audio-uitzending die op elk gewenst moment via het internet beluisterd kan worden op kanalen zoals iTunes, Spotify, Google Podcasts, Soundcloud via de smartphone, tablet, computer. Een soort on demand
radio dus. Een podcast-vorm kan een interview zijn, reportage, hoorcollege, nieuwsbulletin, onemanshow, reconstructie of vaak ook een ‘keukentafelgesprek’ over van alles en nog wat.

Jennifer Manzella maakte de podcast Countdown to capture: ‘We hadden bij deze zaak alles al geprobeerd qua
opsporingscommunicatie: televisie, krant, tijdschriften, social media. Maar Chadwick was al vier jaar op de vlucht en we kwamen niet dichterbij. Daarbij leven we in een tijd waarin steeds minder mensen het traditionele nieuws volgen. Hoe konden we meer mensen aanspreken, om hulp vragen? We wisten niet wat we konden verwachten van de podcast, niemand had ooit zoiets geprobeerd. In zes afleveringen vertelden we over de moord en riepen we luisteraars op om mee te denken. De resultaten waren ongelofelijk. De podcast werd honderdduizenden keer
gedownload en de tips van luisteraars vlogen binnen. We hadden duizenden extra ogen die hem zochten.’

‘We hebben jouw hulp nodig. Ja, jóuw hulp. Hij kan je buurman zijn. Degene die voor je staat in de rij voor
het postkantoor. Die op zijn telefoon zit te spelen op een bankje in het park. Hij kan overal ter wereld zijn. Maar jij
kunt ook overal zijn.’ – Jennifer Manzella roept luisteraars wereldwijd op om mee te zoeken naar de voortvluchtige moordverdachte Peter Chadwick.

Voor zover bekend is het de eerste door een politie-eenheid geproduceerde ‘on demand radioserie’ voor
opsporingsdoeleinden.

Amerika
In Amerika en Australië, waar grote afstanden zorgen voor urenlange autoritten en dus ook voor veel luistertijd, is
podcast al jaren een groot succes. Waargebeurde misdaad is het populairste genre. Vijf jaar geleden was het de
Amerikaanse podcasthitserie Serial die zorgde voor een wereldwijde piek in podcastpopulariteit. Miljoenen luisteraars waren maandenlang in de greep van de moord op de 18-jarige student Hae Min Lee. Hoofdverdachte Adnan Sayed ontkende al jaren elke betrokkenheid bij de moord op zijn ex-vriendin. Podcastjournalist Sarah Koenig onderzocht zijn betrokkenheid en kreeg duizenden tips en mogelijke scenario’s van fanatieke luisteraars. Dankzij de aandacht die Serial teweegbracht, werd de zaak in 2016 heropend.

‘True crime podcasts geven je een kijkje in het hoofd van een psychopaat. Dat triggert het angstgevoel en geeft een verslavende adrenalinerush.’

Het is niet de enige true crime podcast die reuring veroorzaakte in een slapende moordzaak. In Australië leidde de podcast The Teachers Pet, over een bekende rugbyspeler die zijn vrouw zou hebben vermoord, tot het verhoor van nieuwe getuigen en een arrestatie.

Politie Podcast
In Nederland is podcast een vrij nieuw fenomeen dat razendsnel aan populariteit wint. Ook hier domineert ‘waargebeurde misdaad’ de podcasthitlijsten op luistermedia als Spotify, iTunes en Soundcloud. De Brand in het Landhuis, waarin theatermaker Simon Heijmans de mysterieuze dood van grootgrondbezitter Ewald Marggraff onderzoekt, werd binnen twee weken meer dan honderdduizend keer aangeklikt.

Andere succesvolle misdaadpodcasts van eigen bodem: De kofferbakmoord, Laura H., De moord op Patrick en De
Willem podcast. Allemaal geproduceerd door onafhankelijke nieuwsmedia, maar ook organisaties in de veiligheidssector zetten het medium steeds vaker in. De landmacht (Mijn missie) experimenteert ermee, net als het Openbaar Ministerie. En ook de politie heeft de podcast ontdekt. Eind 2018 startte woordvoerder en voormalig radiomaker voor RTV Utrecht, Martin de Wit, de Politie Podcast vanuit de Eenheid Midden-Nederland. Inmiddels maken verschillende eenheden afleveringen voor dit kanaal. De Wit: ‘We delen verhalen over het werk van de politie: wat maken agenten mee en wat doen ze allemaal precies?

Intiem
De politiewoordvoerder experimenteert ook met opsporing via de podcast. Voor aflevering 8 van de Politie Podcast –
‘Voor mij is het een paar dagen geleden’ – interviewde hij de moeder van Kim Veerman, die omkwam bij een aangestoken brand in haar woning. Aan het einde van de aflevering deelt hij informatie om tips te krijgen. De Wit: ‘Het is een heel intiem medium. Je hoort het verdriet van Kims moeder in haar stem. Dat komt hard binnen als je de podcast luistert.’

De komende tijd verschijnen verschillende afleveringen van eenheden in de Politie Podcast over coldcases. Waaronder een serie over een dertig jaar oude moordzaak met een ongeïdentificeerd slachtoffer, gemaakt door De Wit. Hiervoor liep hij mee met het opsporingsteam van de zaak. ‘De dossierkast ging open en ik mocht gaan lezen. Je
hoort in de afleveringen ook het oorspronkelijke rechercheteam herinneringen ophalen. Ze zijn aardig ver gekomen
als het gaat om de identificatie. Nu heeft het coldcaseteam met nieuwe middelen alles uit de kast gehaald om tot een
doorbraak te komen. Het publiek kan ons erbij gaan helpen. Grappend zeggen de rechercheurs tegen me: “En? Heb je de zaak al opgelost?”’. Het feit dat iemand bij de politie zelf de podcast maakt, is een voordeel, vindt politiewoordvoerder en maker van Countdown to capture Jennifer Manzella: ‘De rechercheurs in onze podcast praten anders tegen mij dan tegen de pers. Ze vertrouwen me en dat hoor je. Hun ervaringen klinken veel persoonlijker en informeler dan anders. Ze praten direct tegen de gemeenschap.’

Adrenalinerush
Wat maakt podcast zo geschikt voor opsporing? Luisteraars voelen zich door de stem van de verteller persoonlijk aangesproken, concludeert gedragsonderzoeker Steven M. Crimando in een artikel over podcasts voor het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stones. ‘Je krijgt het gevoel dat dit verhaal iedereen kan over komen, dus ook jouzelf. En true crime podcasts geven je een kijkje in het hoofd van een psychopaat. Dat triggert het angstgevoel en geeft een verslavende adrenalinerush.’ Het verschil met opsporingstelevisie? Bij podcasts kan de luisteraar zelf invulling geven aan het verhaal, stelt de onderzoeker. ‘Je creëert zelf een veel engere versie van het verhaal, gebaseerd op je eigen, diepste angsten.’ Wat meehelpt voor het bereik, is dat je podcasts overal kunt luisteren.

Manzella: ‘Een podcast past altijd in iemands leven. Je kunt luisteren terwijl je het gras maait. Dan voelt het alsof je een een-op-eengesprek met mij hebt.’ Daarbij heeft de podcastluisteraar een flinke spanningsboog. Een aflevering van een uur of twee is niet vreemd en wordt vaak, al dan niet in delen, helemaal afgeluisterd. Je hebt dus als maker behoorlijk wat tijd om je verhaal over te brengen.

Meeslepend
Een goede verteller is hierbij cruciaal, vindt tactisch coördinator Jan van de Belt van de Eenheid Noord-Nederland.
Hij werkte mee aan de podcast De kofferbakmoord, een productie van het Dagblad van het Noorden. Een fragment:
‘Het is donker, we staan vlak bij de plek waar Ralph werd gevonden. In de verte branden rode puntjes van windmolens. Het is geen totale duisternis, maar er reed net een auto langs en die zag ons niet. Wat dat betreft, is het een goede plek om dit te doen.’ De twee journalisten stonden om half zes ’s ochtends langs het Stieltjeskanaal in
Drenthe met een microfoon in de hand. Twee jaar geleden werd hier het zwaar toegetakelde, levenloze lichaam van de 31-jarige Ralf Meinema in de kofferbak van zijn Mercedes gevonden. Van de Belt: ‘Ik ken de zaak goed, maar op
papier is het een opsomming van feiten. De journalisten hebben er een meeslepende podcast van gemaakt.’

Hij ziet daarin ook een valkuil. ‘Het is goed dat luisteraars zich betrokken voelen bij een zaak, maar je moet oppassen dat je niet suggestief bent. Als politie wegen we ieder woord bij een persvoorlichting en dat doen we niet voor niets.
Te veel informatie delen kan een zaak schaden, net als het sensationeel maken. Ons doel is om een zaak op te lossen,
niet om een mooi verhaal te vertellen. Dat staat altijd voorop.’ Of, zoals Manzella het zegt: ‘We don’t want to
make a juicy story, our goal is to find the man.’

Samenwerking met journalisten
‘Zoek elkaar toch op’, zegt Arnout de Vries van TNO, die onderzoek deed naar de inzet van nieuwe media in burgeropsporing. Hij raadt de politie aan om naast het maken van eigen producties ook mee te werken met verzoeken van podcast-journalisten. Voor bijvoorbeeld afleveringen over een coldcase. ‘Je houdt zulke burgeropsporing toch niet tegen, dus je kunt maar beter de handen ineenslaan. Zo houd je in elk geval nog
wat regie.’ De Vries is te horen in De moord op Patrick, gemaakt door Sanne Boer. Haar podcast gaat over het onderzoek naar de moord op tennisleraar Patrick van der Bolt. De VPRO-journaliste vraagt zich in haar podcast hardop af hoe ver ze in de zaak moet duiken. De Vries vertelt haar in een aflevering dat ze in de weg kan lopen van het onderzoek, omdat ze gesprekken voert met nieuwe getuigen waar de dader tussen kan zitten.

Boer: ‘Ik ben me bij het maken van de podcast steeds bewust dat ik het opsporingsbelang niet moet schaden en heb
hierover advies gevraagd bij De Vries. Ik weet bijvoorbeeld meer dan dat ik in de podcast zeg. Die informatie gebruik ik bewust niet.’ De TNO-onderzoeker gaf Boer officiële getuigenformulieren. ‘Als journalist heb ik een controlerende functie, maar ik kom ook veel te weten. De Vries benadrukte dat die informatie in een later stadium gebruikt kan worden. Alle gesprekken die ik voer, bewaar ik ook op band.’

Interactief
Net als bij Countdown to capture maakte Boer pas een nieuwe aflevering als er nieuwe feiten en tips waren. ‘Je zit met podcast niet vast aan uitzendtijden. Het kanaal waar je op publiceert, is van jou, dus jij bepaalt de frequentie. Podcast kan daardoor heel interactief worden, je maakt het samen met de luisteraars.’ Ze opende op advies van De Vries na een paar afleveringen een mailbox, waar luisteraars tips en scenario’s kunnen insturen. ‘Hiervoor moest onze VPRO-server wel goed worden beveiligd, zodat tipgevers ook anoniem konden melden.’

De vele scenario’s die binnenkwamen via het mailadres wierpen bij haar de vraag op: wat kan ik hiermee? Wat is mijn rol als journalist in deze zaak? Via de mailbox meldden zich ook deskundigen, zoals De Vries. ‘Sanne Boer sprak andere experts dan de politie’, vertelt hij. ‘Zo zou ze verbanden kunnen leggen die tot nieuwe inzichten leiden. Een journalistieke blik kan helpen in een moordzaak.’ Manzella is het hiermee eens: ‘Waarheidsvinding en gerechtigheid zijn niet alleen van de politie.’

Welke zaken zijn geschikt?
Over het algemeen was rechercheur Van de Belt enthousiast over de samenwerking met de makers van De kofferbakmoord, maar de telefoon stond daarna niet roodgloeiend: ‘Het heeft de zaak weer veel bekendheid gegeven. We hoorden zelfs vanuit Texel dat mensen ernaar luisterden. Maar het heeft ons team niet verder geholpen. Misschien is deze moord te regionaal voor een breed medium als dit.’
Dat zou kunnen, aldus Manzella. ‘Peter Chadwick had de Engelse nationaliteit, familie in Azië en Australië en hij reisde graag naar Canada. We wisten dat we overal en nergens moesten zoeken. Daarom leende deze zaak zich heel goed voor een wijdverspreide podcast.’ Tegelijkertijd ziet zij ook kansen voor podcasts over regionale misdaad. ‘In
Amerika heet dat hyper local news: de inzet van media op een kleinere, specifieke groep mensen. Bijvoorbeeld de verspreiding van een podcast in een bepaald district of in een gevangenis. Daarmee kun je heel gericht de juiste
groep mensen bereiken.’

Combineren met andere middelen
‘Podcasts zijn geweldig om luisteraars te activeren’, vindt De Vries. ‘Zeker in combinatie met andere middelen. Verwijs bijvoorbeeld vanuit de podcast naar een website met een tijdlijn van alle gebeurtenissen rond de moord.’
Dat was precies wat de makers van Countdown to capture deden. Manzella: ‘Op de speciaal gemaakte website
(www.countdowntocapture.com, red.) stond niet alleen een omschrijving van de zaak met een uitgebreid signalement, contactgegevens en foto’s van Chadwick. Maar ook waren daarop alle podcastafleveringen uitgeschreven. Zo konden geïnteresseerden in andere landen de teksten via een online vertaalmachine meelezen. En de luisteraar kon doorklikken naar onze Facebook- en Instagrampagina’s, waar updates werden gegeven over de zoektocht.’
Het belangrijkste vindt Manzella de laagdrempeligheid waarmee de opsporingsinformatie wordt verspreid. ‘Niet iedereen kan omgaan met nieuwe media, maar ook die doelgroep willen we bereiken. Daarom kon je de afleveringen lezen en waren ze ook via een knop op de website te beluisteren, in plaats van alleen via luisterapps.’

We got him!
Hoe het is afgelopen met de voortvluchtige miljonair Peter Chadwick? In augustus van dit jaar – tien maanden na de
eerste aflevering van Countdown to Capture – komt de gouden tip binnen: Chadwick zit ondergedoken in Mexico.

10 maanden, 8 dagen, 4 uur en 1 minuut. Zo lang duurde het voordat Chadwick gepakt werd nadat de podcastserie Countdown to Capture online ging

Hij werkt er onder meer als afwasser in restaurants. We got him, klinkt het in de laatste aflevering. Maakster Jennifer Manzella is voorzichtig met de uitspraak dat de podcast hier direct aan heeft bijgedragen. ‘It is one tool in the toolbox.’

Hoe meer publiciteit voor een zaak, hoe beter. Het zet druk op een voortvluchtige verdachte en dat zorgt dat ze fouten maken en sneller te vinden zijn. Het is niet eenvoudig om in deze tijd aandacht van het publiek te krijgen en mensen om hulp te vragen. Ik ben er trots op dat we iets nieuws hebben geprobeerd.’

TRUE CRIME PODCAST HITLIJST
De Politie Podcast: Politieonderzoeken en -incidenten staan centraal in Nederlands eerste Politie Podcast, gemaakt door de politie zelf. Hoor agenten en rechercheurs in actie en luister naar persoonlijke verhalen over criminaliteit en veiligheid.

Serial: De meest bekende true crime podcast, die in 2014 de aandacht van miljoenen luisteraars over de hele wereld wist vast te houden. In meerdere afleveringen onderzoekt de Amerikaanse journalist Sarah Koenig de moord op de middelbareschoolleerling Hae Min Lee.

De Kofferbakmoord: In een vierdelige podcast duiken journalisten van het Dagblad van het Noorden in de moord op Ralf Meinema. Waarom moest Ralf, die joviale vriendelijke jongen, dood?

De Moord op Patrick: Journalist Sanne Boer onderzoekt hoe het komt dat de zaak van de moord op tennisleraar Patrick van der Bolt nog steeds niet is opgelost.

De Willem Podcast: Een uitgebreid verslag in tientallen afleveringen van misdaadjournalisten Harry Lensink en Marian Husken over het dossier Willem Holleeder.

Countdown to Capture: De voor zover bekend eerste door een politie-eenheid geproduceerde podcast voor opsporingsdoeleinden vertelt de zoektocht naar de voortvluchtige moordenaar Peter Chadwick.

The Teacher’s Pet: De Australische onderzoeksjournalist Hedley Thomas onderzoekt een 36 jaar oude moordzaak en komt met nieuw bewijs.

Bron: Blauw, editie npovember 2019

De vermissing van Anne Faber

Door: Menno van Duin, Marije Bakker, Vina Wijkhuijs

Inleiding
In het najaar van 2017 was Nederland in de ban van de vermissing van Anne Faber, een 25-jarige vrouw uit Utrecht. Na een wekenlange zoektocht werd duidelijk dat zij op een gruwelijke wijze om het leven was gebracht. De dader bleek een 27-jarige man die eerder geweld- en zedendelicten had gepleegd, daarvoor was veroordeeld en nog maar net deelnam aan een re-integratietraject. De vermissing en moord op Anne Faber beheerste begin oktober het nieuws en zou ook later nog een veel besproken onderwerp zijn. De nauwe betrokkenheid van de familie en de spontane hulp van vrienden bij het opsporingsonderzoek waren uniek te noemen.
In dit hoofdstuk gaan wij in op de vraag hoe aan de samenwerking tussen enerzijds de politie en anderzijds de familie en vrienden van het slachtoffer gestalte werd gegeven, wetende dat daar altijd dilemma’s of bezwaren aan kleven vanwege de vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid waarmee met opsporingsinformatie en bewijsmateriaal moet worden omgegaan. Ten behoeve van dit hoofdstuk is gesproken met verschillende personen bij de politie en met Hans Faber, de oom van Anne. Daarnaast zijn vele mediaberichten geraadpleegd.

Feitenrelaas
Het is vrijdagmiddag 29 september 2017 als de 25-jarige Anne Faber besluit een fietstocht te gaan maken door de provincie Utrecht. Ondanks de slechte weersverwachting vertrekt ze rond 17.00 uur op haar oma-fiets vanuit Utrecht. Rond 18.15 uur stuurt ze haar vriend een whatsappje waarin ze aangeeft dat ze in Hollandsche Rading is, een dorpje dat tussen Utrecht en Hilversum ligt. Juist op dat moment barst er noodweer los. Ruim een halfuur later stuurt Anne naar haar vriend een selfie die genomen is op de kruising van de Hilversumsestraat en de Amsterdamsestraatweg in Baarn. Op de selfie is te zien dat ze in een regenjas in de regen staat. Ze heeft dan zo’n twintig kilometer gefietst. Als Annes vriend een uur later (om 19.50 uur) een bericht terugstuurt, wordt dit bericht niet gelezen. Hij probeert met Anne contact op te nemen, maar wanneer dit niet lukt, begint hij zich zorgen te maken. Zo ook Annes familie. In de nacht van vrijdag op zaterdag 30 september doen zij bij de politie melding van de vermissing en zoekt de moeder van Anne al met de auto. De politie start direct een onderzoek en constateert dat er geen aanwijzingen zijn die erop wijzen dat Anne een tijdje zou willen verdwijnen. Als zij op zaterdag niet komt opdagen bij een afspraak in Amsterdam, besluit de politie een opsporingsbericht te verspreiden. Diezelfde dag plaatst de vriend van Anne op Facebook een emotionele oproep die massaal (zo’n 130.000 keer) wordt gedeeld.1 Er wordt een rechercheteam samengesteld dat gesprekken voert met
bekenden van Anne en met mensen die haar nog hebben gezien. Ook worden de gegevens van de provider (telefoon) nagetrokken. Vooralsnog blijft echter onduidelijk waar Anne is en wat haar mogelijk is overkomen.

1 Zie ‘Leger meezoekers helpt de politie’, NRC Handelsblad, 3 oktober 2017. In dit artikel geeft een specialist in online zoeken aan dat dit meezoeken geschiedt vanuit een mix van
meelevendheid en sensatiezucht.c

Op zondagavond 1 oktober start de politie een zoekactie in Baarn, rondom de locatie waar Anne haar selfie maakte. Ook zijn familie en vrienden – mede naar aanleiding van de oproep van haar vriend op Facebook – dan inmiddels met zoeken gestart. Bijgestaan door de politie start op maandag een grote groep van familieleden, vrienden en anderen vanaf Paleis Soestdijk een uitgebreide zoektocht, waarbij vrij systematisch wordt geprobeerd verschillende gebieden te doorzoeken waar Anne waarschijnlijk langs is gekomen. Deze zoekacties leveren aanvankelijk niets op. Gedurende de dagen die volgen blijven politie en burgers zoeken. Ondertussen leveren haar telefoongegevens een duidelijker beeld op waar gezocht moet worden. De media doen uitgebreid verslag van de zaak: niet alleen feiten worden gebracht; soms wordt de zoektocht ook in beeld gebracht en live gevolgd.

Dinsdagmiddag 3 oktober wordt door vrienden langs de Amersfoortseweg in Huis ter Heide een jas gevonden, die mogelijk van Anne zou kunnen zijn. Diezelfde avond zoeken enkele vriendinnen van Anne uit of een dergelijke jas door Anne zou zijn gekocht. Dat blijkt het geval te zijn. De vindplaats wordt afgezet en de politie begint een sporenonderzoek. Ook forensisch onderzoek zal later uitwijzen dat het inderdaad om de jas van Anne Faber gaat. Die avond besteedt het programma Opsporing Verzocht aandacht aan de zaak.

De dagen erna blijven groepen burgers naar Anne zoeken en vindt hierover afstemming plaats met de politie. Elke tip en elk gevonden voorwerp dat mogelijk van Anne is of met haar vermissing te maken zou kunnen hebben, wordt onderzocht. Ook worden camerabeelden geanalyseerd in de hoop nieuwe aanknopingspunten te vinden om te bepalen waar en hoe verder te zoeken.

De familie van Anne vindt het allemaal te traag gaan en doet – bij monde van de oom van Anne, Hans Faber, onder andere in De Telegraaf een oproep. Hoe langer de familie en vrienden zoeken, hoe groter het zoekgebied wordt. Bij hen breekt het besef door dat zij het zonder ondersteuning van de politie en de inzet van anderen niet zullen redden. Donderdag 5 oktober kopt De Telegraaf op de voorpagina: ‘Laat leger naar onze Anne zoeken’. Veel vrijwilligers zijn na vijf dagen zoeken wat uitgeput geraakt, terwijl er nog een groot gebied is dat nog niet is doorzocht. Hans Faber zegt in het interview:[2 ‘Zoek ook naar daders’, De Telegraaf, 5 oktober 2017].

‘[W]e voelen allemaal dat de tijd verstrijkt en het belangrijk is dat het onderzoek nieuwe impulsen krijgt. Dat kan in onze ogen alleen als de zoekacties aanmerkelijk worden uitgebreid en met veel meer mankracht en inzet van technische hulpmiddelen en materiaal plaatsvinden dan tot nu toe.’

Diezelfde donderdag wordt ’s avonds in een vijver in het Blookerpark in Huis ter Heide een fiets aangetroffen die vrijwel zeker van Anne is. De fietst wordt onderzocht en de vijver wordt leeggepompt. RTV Utrecht doet live verslag van het dreggen van de vijver, maar in de vijver worden
geen sporen aangetroffen die naar Anne leiden. Wel wordt de volgende dag een rugzak gevonden die op de rugzak van Anne lijkt. Ook wordt die dag bevestigd dat de gevonden jas inderdaad van Anne is.

Inmiddels is het een week geleden sinds Anne werd vermist. De zoekacties gaan onverminderd door. Op maandag 9 oktober lijkt er sprake van een doorbraak in het onderzoek, wanneer een 27-jarige man wordt aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de vermissing van Anne. Op basis van DNA-sporen die op de jas van Anne zijn aangetroffen, is hij als verdachte in beeld gekomen. De man heeft voor een aantal gewelds- en zedendelicten een straf uitgezeten en is voor de uiteindelijke terugkeer in de samenleving opgenomen in een forensisch psychiatrische kliniek in Den Dolder. Hij wordt verhoord en zijn gangen worden nagegaan vanaf de dag waarop Anne vermist raakte. Op basis van informatie die langs die weg verkregen wordt, voert de politie op woensdag 11 oktober en donderdag 12 oktober zoekacties uit in Zeewolde. De informatie die de politie van de verdachte heeft verkregen, leidt naar een gebied in de omgeving van het Nulderpad in Zeewolde. Met grote schermen wordt aan de massaal uitgerukte media duidelijk gemaakt dat het niet de bedoeling is dat het eventueel aantreffen van Annes lichaam op welke wijze dan ook in beeld wordt gebracht. Desondanks besluiten enkele journalisten met een klein vliegtuig de lucht in te gaan en worden er drones ingezet, om het werk van de forensische politie te volgen. Al diezelfde donderdagmiddag komt De Telegraaf met de primeur en publiceert op zijn site, nog voordat een officieel bericht is uitgegaan, dat het lichaam van Anne is gevonden. Om 18.00 uur is
er een officiële persbijeenkomst waar bekend wordt gemaakt dat het levenloze lichaam van Anne is aangetroffen.

In de daaropvolgende maanden doet de recherche uitgebreid onderzoek naar de toedracht van Annes dood. Onderzocht wordt wat er precies is gebeurd en welke rol de aangehouden verdachte daarbij heeft gespeeld. De verdachte verklaart dat hij Anne op 29 september 2017 van haar vrijheid heeft beroofd, heeft verkracht en om het leven heeft gebracht. Op woensdag 10 januari 2018 vindt een eerste pro forma zitting plaats; de inhoudelijke zitting volgt op 11 en 12 juni. Op 17 juli 2018 wordt de  verdachte, Michael P., veroordeeld tot 28 jaar cel en tbs met dwangverpleging. Hij gaat in hoger beroep.

Goed samenwerken (co-creatie)
In Nederland worden per jaar zo’n 40.000 meldingen gedaan van een vermissing van een persoon. In de meeste gevallen zijn de vermiste personen binnen een paar dagen weer terecht, doordat ze gevonden zijn of omdat ze zelf terugkeren naar huis. De meeste vermissingszaken komen dan ook nauwelijks in het nieuws. In het geval van Anne Faber was dat anders. Al na een paar dagen was heel Nederland in de ban van haar vermissing. Niet alleen de politie startte een zoektocht, ook haar familie, vrienden en anderen gingen naar haar op zoek.

Een van de zaken die deze casus bijzonder maakte, was de interactie en samenwerking tussen de politie en de familie. Dat ging in deze casus verder dan burgerparticipatie in haar klassieke vorm, waarbij de politie met tips en aanwijzingen wordt geholpen door burgers. Het betrof hier gaandeweg een min of meer geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen enerzijds familieleden en vrienden die een crisisteam hadden gevormd en anderzijds de politie (in casu de SGBO en het TGO). Een leidinggevende politiefunctionaris stemde (vanaf een dag of vijf na de vermissing) frequent af met een direct familielid over uiteenlopende zaken.

In de politiewetenschap is de laatste jaren veel aandacht voor het verschijnsel co-creatie, juist op het terrein van opsporing en recherche (zie bijvoorbeeld Kop, 2012; Jong & Hogendoorn, 2017). Daaruit wordt duidelijk dat co-creatie veel meer behelst dan alleen wat beter luisteren naar en informatie zoeken bij burgers. Co-creatie betekent een werkelijk wederkerige relatie tussen politie en burgers, waarbij de politie niet alleen vraagt en ophaalt, maar ook aanreikt, informeert en regelmatig een terugkoppeling geeft. De politie houdt daarmee burgers actief betrokken in het opsporingsproces. In dit geval betekende co-creatie een vergaande relatie tussen samenleving (in dit geval het crisisteam-Faber) en politie in het kader van opsporingsactiviteiten maar ook
op het terrein van de (afstemming van de) crisiscommunicatie. Het is voor de politie niet altijd gemakkelijk in een dergelijke situatie deze samenwerking aan te gaan. Enkele jaren geleden speelde in dezelfde  politieregio (en buurt) de vermissing van de broertjes Ruben en Julian. De moeder deed toen een wanhopige oproep op Facebook, die vervolgens een enorme hype op sociale media veroorzaakte. Iemand nam het initiatief mensen via Facebook op te roepen om gezamenlijk een zoektocht te starten, wat de politie destijds duidelijk in verlegenheid bracht: ‘Moest hier wel aan meegewerkt worden?’ (zie Jong, Dückers & Holsappel, 2014). Schoorvoetend werden stappen gezet om de samenwerking met zoekende burgers aan te gaan.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en wordt het voor de politie en ook andere (overheids)instellingen steeds duidelijker dat bepaalde vormen van co-creatie welhaast onvermijdelijk zijn. Vooral het groeiend gebruik van sociale media versterkt dat proces. De wereld verandert, iedereen kijkt mee en vindt er wel iets van. De tijd dat alle kennis en informatie alleen bij – in dit geval – de politie aanwezig is, is voorbij. Op vele fronten kunnen ook andere organisaties of personen zaken gewoon goed, zo niet beter dan de politie.

Deze ontwikkeling stelt de politie uiteraard wel voor een uitdaging. De hulp die burgers bieden kan waardevol zijn, maar hoe zet je hen op een goede manier in ten bate van het politieonderzoek? Hoe leid je de hulp die door burgers wordt aangeboden in goede banen, zonder dat bewijsmateriaal wordt ‘vernietigd’ of informatie over de dader vroegtijdig naar buiten wordt gebracht? Hoeveel informatie kan c.q. moet je delen om van wederkerigheid te kunnen spreken? Was hier nu sprake van co-creatie en waartoe leidde dat?

Het achterliggende dilemma
Natuurlijk was het grootste dilemma dat speelde rond de casus van Anne Faber de vraag hoe het kon dat zedendelinquent Michael P. op die desbetreffende avond – in de toestand waarin hij zich toen bevond – de gelegenheid had deze daad te verrichten. Had de samenleving – en in dit geval Anne Faber – niet tegen hem beschermd moeten worden? Hoe kon het dat Michael P. vanuit de kliniek in Den Dolder zo veel vrijheid kreeg en ongestoord Ritalin en andere middelen kon innemen? Waarom was hij, gezien zijn eerdere daden en uitspraken, niet opgenomen in een
tbs-kliniek? Was hij er al aan toe bepaalde vrijheden te genieten of was zijn toestand nog zodanig dat hij eerst een langere straf had moeten uitzitten?

Veel van dit soort vragen kwamen na de dramatische gebeurtenissen en de bekentenis van Michael P. in verschillende media uitgebreid naar voren. Weinig andere Nederlandse incidenten kregen in 2017 zo veel aandacht als juist deze moord op Anne Faber. Tijdens de rechtszitting in juni 2018 bleek dat Michael P. op de avond van de moord – naar eigen zeggen – strak van de pillen en stijf van de stress stond (Algemeen Dagblad, 16 juni 2018), maar desondanks wel gewoon buiten de inrichting mocht zijn. Hij had kort daarvoor gehoord dat zijn vriendin (een voormalig patiënt uit dezelfde inrichting) zwanger was.

Uit een onderzoek van een tweetal inspecties, in casu de Inspectie van Justitie en Veiligheid en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), blijkt dat er over de inrichting en de bemensing wel het een en ander was op te merken. Er was zo veel verloop onder het personeel dat er maar weinigen waren die enig zicht hadden op de geestesgesteldheid van patienten en dus een behoorlijke inschatting van hen konden maken.

Feitelijk blijft het een lastig dilemma of en wanneer een ex-gedetineerde – in dit geval een zedendelinquent – bepaalde vrijheden krijgt en daarmee een risico ontstaat dat (opnieuw) een verschrikkelijke daad wordt verricht. Enerzijds is voor de terugkeer in de samenleving zo’n traject van geleidelijkheid en wennen aan het leven buiten de gevangenis of inrichting waardevol. Anderzijds kleven er ook altijd risico’s aan. Daarbij speelt mee dat het altijd lastig is in te schatten hoe een patiënt/gedetineerde zich ontwikkelt. ‘Het jaren vooruit voorspellen van iemands gedrag na een paar uur aan gesprekken is iets wat de menselijke capaciteit van het brein ontstijgt, óók dat van de deskundige’, aldus de Nationale Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen in het rapport Gewogen risico (2017). Desondanks pleit de Nationale Rapporteur voor standaardgebruik van risicotaxatie-instrumenten. Anderen twijfelen aan de waarde van dergelijke instrumenten. Ook hiermee zijn de risico’s nog steeds lastig in te schatten. En daarnaast: ook als op basis van een dergelijk instrument een kleine kans op recidive zou bestaan, wat betekent
dat dan in de praktijk? Is dat een acceptabel risico?

Overigens kunnen de risico’s natuurlijk wel worden ingeperkt door gerichte behandeling en goede monitoring van de desbetreffende persoon. Er zijn in deze casus verschillende indicaties dat dat niet goed is gebeurd. Het onderzoek dat na de moord is ingesteld door de inspecties JenV en Gezondheidszorg & Jeugd en het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zullen mogelijk antwoord geven op een aantal van deze vragen. Hoe kon het dat iemand met deze achtergrond zo veel vrijheden kon hebben? Wat is er in de penitentiaire inrichting in Vught en later in Den Dolder aan monitoring en behandeling gedaan?

Analyse
Toen op zaterdag 30 september steeds waarschijnlijker werd dat Anne spoorloos was, formeerde de politie een TGO (team grootschalige opsporing). Omdat er op de politie meer afkwam dan alleen het opsporingsonderzoek, werd daarnaast een SGBO in het leven geroepen. Zo kon er meer gericht aandacht worden geschonken aan de externe communicatie, de media-aandacht en aan de organisatie van de zoektochten en afstemming met anderen.

Ook de familie en vrienden van Anne organiseerden zich en startten een soort van TGO op (het ‘crisisteam-Faber’). Dit team richtte zich niet alleen op de aansturing en afstemming van de zoektochten, maar verrichtte ook zelfstandig onderzoek naar de mogelijke fietsroute van Anne. Ook gingen zij op zoek naar camera’s en camerabeelden van particulieren en bedrijven. In de loop van de eerste week werd met deze aanpak iets meer duidelijk over de fietsroute van Anne en konden ook verschillende routes worden uitgesloten. In enkele dagen was er een gezelschap van familieleden en vrienden van Anne georganiseerd met brede kennis en vaardigheden: een fietskoerier die plaatselijk alle weggetjes kende, een google-maps-expert, een helikopterpiloot die zorgde voor goede stafkaarten van het leger, een ervaren crisiscommunicatiemanager en zo nog wat anderen. Feitelijk waren er twee teams – aanvankelijk bijna los van elkaar –aan het opsporen.

Er was vanaf het begin al wel het nodige contact tussen politie en de familie (politie hielp mee met de zoektochten; er waren familierechercheurs ingezet) maar deze relatie werd duidelijk hechter vanaf donderdag 5 oktober; de dag waarop De Telegraaf de oproep van de familie op de voorpagina plaatste. Die middag was er een eerste overleg tussen de onderzoeksleider van de politie, Ad Sanders, en de familie van Anne.

Voor de familie was een grotere en steviger rol van de politie in het hele proces cruciaal. De politie nam vanaf dat moment duidelijk(er) de coördinatie van de zoekacties over en regelde voor het crisisteam-Faber een geschikt onderkomen om vanuit te opereren (de brandweerkazerne in Zeist). Vanaf dat moment was er – mede vanwege het wederzijds vertrouwen tussen Ad Sanders (iemand die duidelijk meedacht met de familie) en Hans Faber – meer sprake van co-creatie en ging de politie meer informatie en belangrijke nieuwe ontwikkelingen delen met Hans Faber en de familie. Op de brandweerkazerne in Zeist werd bijvoor- beeld uitgebreid informatie uitgewisseld over de mogelijke fietsroute van Anne en over andere mogelijk relevante opsporingsinformatie.

Samen Zoeken
Het in samenwerking met burgers opsporen van vermisten is na de zoektochten uit 2013 (Ruben en Julian) een stuk professioneler geworden. Zo is er een app Samen Zoeken ontwikkeld die belangrijke ondersteuning biedt bij het organiseren van een zoektocht. Wie meezoekt krijgt op zijn scherm een kaartje te zien van het gebied waar de vermiste zich mogelijk bevindt. Over dat kaartje ligt een raster. Als er in een raster wordt gezocht, kleurt dat vakje donkerder. Zo is zichtbaar waar meer en waar weinig c.q. niet is gezocht. Ook kan de politie in de app zoektips delen met burgers en burgers kunnen elkaar foto’s sturen als ze wat bijzonders zien. [Zie voor een uitvoeriger beschrijving ‘Zoek mee naar vermiste, maar loop de politie niet in de weg’, NRC Handelsblad, 16 januari 2018]. In 2018 kreeg de politieman Ronnie Hessels de Innovatieprijs voor deze door hem gemaakte app. Overigens is bij de zoektochten naar Anne Faber geen gebruikgemaakt van deze app, maar zijn wel vergelijkbare vormen van ICT-ondersteuning gehanteerd.

Co-creatie en mogelijke knelpunten
Bij de politie was en is er altijd een deels terechte angst dat volledige co-creatie rond opsporing niet goed mogelijk is. Zo kunnen burgers ongewild sporen uitwissen, wat vervolgens de opsporing ernstig kan belemmeren. In deze casus vonden personen die werden aangestuurd door het crisisteam-Faber de jas van Anne ‘(…) in één van de onderste vakjes op de kaart. Op een onlogische plek om te zoeken, want haar route ging hier niet langs’.[Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16]. Degenen die de jas vonden, gingen – mede door de vooraf gegeven instructies – er zo voorzichtig mee om dat enkele dagen later, op basis van deze vondst, DNA-materiaal van de mogelijke dader kon worden vastgesteld en Michael P. kon worden opgepakt.

Een ander lastig punt is het gegeven, dat ook in deze casus opkwam, dat vooraf nooit is uit te sluiten dat iemand van de familie (in)direct betrokken of de dader kan zijn. Zo waren de vriend van Anne en ook familieleden onderwerp van rechercheonderzoek. Omzichtigheid vanuit de politie is dus altijd geboden. Op het moment dat de politie en het crisisteam-Faber steviger gingen samenwerken was het scenario van betrokkenheid van een bekende of familielid inmiddels geen thema meer. Binnen het TGO was al formeel vastgesteld dat deze personen uitgesloten waren van betrokkenheid. Het crisisteam-Faber had zelf ook verschillende maatregelen getroffen om te voorkomen dat relevante informatie gedeeld zou worden met mensen die er andere intenties mee hadden. Het kernteam bestond uit mensen die de familie goed kende. Iedereen die meehielp werd geregistreerd en daarmee waren er dus geen ‘anoniemen’. Daarnaast werd iedere dag een nieuwe
WhatsApp-groep aangemaakt, zodat personen die al waren gestopt met zoeken geen (actuele) informatie meer kregen. Ten slotte was er vanaf het begin een grote discipline in de communicatie. Vragen gingen naar de woordvoerders; niemand sprak zelfstandig met de media. Sociale media werden gevolgd. Belangrijke externe communicatie (zoals het interview met De Telegraaf) werd vooraf uitgebreid in het kernteam besproken.

Strafrechtjurist Brinkhoff waarschuwde in een interview in NRC Handelsblad voor nog andere risico’s bij burgerzoektochten. Zo kan een zoeker opeens oog in oog komen te staan met de dader of de vermeende dader. In het laatste geval zou zomaar – vaak via sociale media – een verkeerde verdachte in verband kunnen worden gebracht met het misdrijf. In de casus van de Boston Marathon (2013) leidde dat ertoe dat Sunil Tripathi aan de hand van camerabeelden als meest waarschijnlijke dader werd gezien, waarna vervolgens heel Amerika achter deze onschuldige persoon aanzat en zijn familie werd bedreigd. ‘Het gevaar is dat burgers steeds meer de rol van opspoorder, aanklager én rechter op zich nemen’, aldus Brinkhoff. [‘Zoek mee naar vermiste, maar loop de politie niet in de weg’, NRC Handelsblad, 16 januari 2018].

Buitensporig …
Bij een vermissingszaak waar veel aandacht naar uitgaat, kunnen zaken ook uit de hand lopen. Begin 2018 was er een aflevering van Medialogica waarin uitvoerig werd ingegaan op de zoektocht naar Ruben en Julian in 2013, wat daaromheen zoal gebeurde en vooral hoe mensen en organisaties over de schreef gingen. Een vrouw die had meegezocht vond dat ze na afloop ook wel het recht had om bij de begrafenis aanwezig te zijn. Een verslaggever van het Algemeen Dagblad die het adres van de moeder in de krant zette, omdat er nu eenmaal ‘een enorme honger naar informatie’ was. Een militair die toegaf dat men, vanwege de mediadruk, ’s nachts – volstrekt zinloos – maar doorging met zoeken. Een familierechercheur die in die tijd dagelijks contact had met de moeder en de vertrouwelijke band schond, door er later in een televisieprogramma uitvoerig over te vertellen.[‘Heel Holland zoekt: De vermissing van de broertjes Ruben en Julian’, uitzending Medialogica van 23 januari 2018. Zie ook de mooie bespreking van televisierecensent Arjen Fortuin van deze aflevering in NRC Handelsblad, 24 januari 2018].

Ook bij de vermissing van Anne Faber kwamen excessen voor. Zo bleken met een drone foto’s te zijn gemaakt in Zeewolde tijdens het opgraven van Annes lichaam en zette het ANP een helikopter in om beelden te vergaren, waarvan één foto al snel werd gedeeld in de sociale media. RTV Utrecht volgde live het leegpompen van het vijvertje waar Annes fiets werd gevonden. In die bewuste periode heeft het Veiligheidsinformatiecentrum (VIC) van Veiligheidsregio Utrecht ten behoeve van met name de meest betrokken gemeenten (Utrecht en Zeist) systematisch de sociale media gevolgd en waar nodig gemeenten geïnformeerd over eventuele gevoeligheden of zaken die mogelijk onrust zouden kunnen veroorzaken.

Misschien zijn deze bezwaren legitiem. Maar of er nu mogelijk sporen vernietigd worden, een bekende eventueel betrokken is, het tot een confrontatie met de verdachte komt of een onschuldig persoon wordt verdacht, vanuit de samenleving zullen allerlei initiatieven worden ondernomen om de vermiste te traceren. Zeker in een geval als deze, waar een ongekend grote (sociale) media-aandacht naar de zaak uitging. Of dat nu op prijs wordt gesteld of niet. De politie en eventueel anderen ontkomen er niet aan te proberen deze massale ‘urge’ vanuit de samenleving zo goed als mogelijk in beheersbare banen te leiden. Facebook, Twitter, Instagram en al die andere sociale media zijn er nu eenmaal en juist bij bepaalde soorten van gebeurtenissen gaan die viral. Deels zijn die gebeurtenissen voorspelbaar en deels gaat dat zonder dat het vooraf zou zijn verwacht. Alleen al dat gegeven maakt het meer en meer noodzakelijk dat een relatie wordt gelegd tussen politie
en deze (liefst zo georganiseerd mogelijke) groep. Daarbij is het – zeker voor de politie – goed als bij de zoekacties organisaties betrokken zijn die hebben nagedacht over en georganiseerd zijn om een zoekoperatie te verrichten (bijvoorbeeld het Rode Kruis of de krijgsmacht).

Daarnaast konden er juist door de (gaandeweg nauwere) samenwerking afspraken worden gemaakt tussen politie en het crisisteam-Faber. Daarbij beschikte het crisisteam-Faber over relevante knowhow en informatie, hield het een vinger aan de pols en daarmee ook de politie scherp (‘is die camera al uitgekeken; over enkele dagen zullen de beelden zijn gewist’). De politie en anderen deden hun best, maar zo intens gedreven als het crisisteam van familieleden, vrienden en bekenden van Anne waren zij mogelijk niet. Toch liepen ook aan de kant van de politie de emoties flink op en stelde het TGO soms bepaalde prioriteiten (en lieten ze daarmee zaken lopen die door de familie werden aangedragen) op basis van onderzoekslijnen waarvan de familie op dat moment nog niet op de hoogte was.

Burgerparticipatie of politieparticipatie
Wij hebben vaak de neiging te veronderstellen dat de overheid, en in dit geval de politie, in crisisachtige situaties ‘in the lead’ is en burgers zo mogelijk aanhaken. Er is dan sprake van burgerparticipatie. Maar evenzogoed kan het juist andersom zijn. Dan zijn burgers ‘in the lead’ en haakt de politie aan; politieparticipatie. In deze casus zagen wij verschillende varianten.

Feitelijk namen burgers (het crisisteam-Faber) de eerste dagen het initiatief bij het zoeken. In een persbericht van de politie staat ook dat ‘tientallen agenten aangehaakt waren om de familie te ondersteunen’.[‘Leger meezoekers helpt de politie bij vermissing Anne Faber’, NRC Handelsblad, 2 oktober 2017.]

‘Ik weet nog dat we de eerste maandag bij Paleis Soestdijk verzamelden. Daar waren ook lokale agenten. Je verwacht dat dan iemand in uniform de leiding neemt en zegt wat je moet gaan doen. Maar ze waren daar om ons te ondersteunen. Dat was best verwarrend en frustrerend.’ [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16].

Politie en burgers (in dit geval dus vooral het crisisteam-Faber) werkten aanvankelijk behoorlijk los van elkaar.

‘We hadden meer willen horen van het TGO. Als je echt wilt samenwerken moet je informatie durven delen. Zaken terugkoppelen. Als burgers informatie delen met een TGO, geef daar dan op zijn minst feedback op. (…) Je vindt een camera op een cruciale plek en je weet dat de beelden over enkele dagen worden gewist. Dan wil je weten of ze op tijd zijn opgevraagd. Daar kregen we dan geen antwoord op.’ [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16.]

Later, vanaf donderdag 5 oktober, is er meer sprake van co-creatie en kwamen de burger- en politieparticipatie meer en meer in een natuurlijk evenwicht. Na het eerste overleg tussen Ad Sanders en Hans Faber groeide het wederzijds vertrouwen en probeerden beide partijen elkaar zo goed mogelijk op de hoogte te houden. De politie hanteerde daarbij het uitgangspunt dat zij nieuwe informatie eerst zouden delen met de familie, vervolgens in de driehoek en met de betrokken bestuurders en vervolgens intern en dan pas de media zouden informeren. Zo kwam Sanders eerst naar de brandweerkazerne in Zeist (het crisiscentrum van het crisisteam-Faber) toen de politie het lichaam van Anne had gevonden.

Afronding
De vermissing en dood van Anne Faber vormden in 2017 een van de meest dramatische gebeurtenissen in Nederland. Het is veelzeggend dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek is gestart naar de wijze waarop tijdens de re-integratie van gedetineerden en tbs-gestelden rekening wordt gehouden met de veiligheid van de samenleving.

De casus leert ons daarnaast iets over de hobbels en de mogelijkheden van co-creatie; de samenwerking tussen politie en burgers. Het valt niet meer te ontkennen dat – of wij het nu willen of niet – de rol van burgers bij vermissingen en sommige andere crisisachtige gebeurtenissen alleen maar zal toenemen. De politie en andere (overheids)instanties zullen hier met vallen en opstaan aan moeten wennen. Voor verdergaande co-creatie is, naast een behoorlijke professionaliteit aan de kant van de burgers, zoals in dit geval bij het crisisteam-Faber, ook een bepaalde mindset bij de politie wenselijk. Hans Faber zei het in een interview als volgt: [Citaat uit interview met Hans Faber in Blauw, nr. 3, juni 2018, p. 12-16].

‘Stel je meer open, binnen de beperkingen van het strafrecht. Kijk de familie in de ogen en als er vertrouwen is, werk dan waar mogelijk samen. Durf gebruik te maken van lokale kennis, van externe bronnen. Familie en vrienden kunnen wat toevoegen aan een TGO’.

Bron: IFV

 

Ben je altijd een held als je de politie helpt?

Burgers gedragen zich vaak – gevraagd of ongevraagd – als politieagent of rechercheur en helpen bij opsporingen met tips, getuigenissen en bewijs. Een goede zaak, maar er kunnen hierbij ook gevaarlijke situaties ontstaan. Sven Brinkhoff stelt in zijn minicollege aan de orde waar de grens voor burgers ligt en wanneer hun taak volbracht is.

Mr. Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent Strafrecht, verbonden aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen hield op woensdag 26 juni 2019 om 16.00 uur het perroncollege ‘Ben je altijd een held als je de politie helpt?’ op Centraal Station Rotterdam. Dit live college vond plaats in het kader van de tweede ronde van de perroncolleges van de Open Universiteit.

Het komt steeds vaker voor, burgers die zich opwerpen als een soort Sherlock Holmes voor de politie. Buurten die hun eigen wijk bewaken, wandelaars op zoek naar slachtoffers van geweld en winkeliers die dieven met portret op Facebook posten. Burgeropsporing ontstaat vanuit alle hoeken van de samenleving. Maar waardoor ontstaat deze beweging eigenlijk? Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht aan de Open Universiteit, vertelt in dit college over het nut, de risico’s en de noodzaak van helpende burgers.

‘De opkomst van burgerparticipatie op het gebied van strafrecht komt deels voort uit onvrede met het feit dat de politie te weinig capaciteit heeft om alle zaken in behandeling te nemen. Gebeurtenissen zoals fietsendiefstal en inbraken, maar ook complexere zaken waarin weinig aanwijzingen zijn, blijven daardoor vaak op de plank liggen. En daarnaast kan de officier van justitie gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel: hij hoeft niet elke zaak die aangebracht wordt te vervolgen.’

Citizen Science als hulpmiddel voor politie

Aan de andere kant maakt de politie al van oudsher gebruik van tips en getuigenissen om criminelen te achterhalen. Wanneer je getuige bent van een incident dat niet in de haak is, ben je zelfs verplicht dit te melden bij de politie. ‘Daar draait de grote bulk op. Natuurlijk heeft de politie ook andere middelen om bewijs te verzamelen, zoals het afluisteren van telefoongesprekken, maar in het strafrecht is er meestal een slachtoffer waardoor getuigenissen en tips heel belangrijk zijn. Denk maar aan een programma als Opsporing verzocht.’ De laatste jaren neemt Citizen Science een ware vlucht. ‘Wetenschappers doen steeds vaker een beroep op burgers bij hun onderzoeksprojecten – denk aan digitalisering van archieven, het in kaart brengen van dialecten, bodemdiertjes tellen of gegevens over fijnstof verzamelen. In opsporing van strafbare feiten vragen we nu ook veel meer aan burgers, bijvoorbeeld om expertise die de politie soms zelf niet heeft, onder andere bij het opsporen van internetcriminaliteit. Of om extra capaciteit te realiseren wanneer dit nodig is, zoals bij grootschalige zoekacties.’ Een goed voorbeeld hiervan is Burgernet, dat via sms signalementen van gezochte personen of auto’s naar deelnemende burgers stuurt. ‘De nieuwe Mijn onderzoek app, waar vanaf juni mee geëxperimenteerd wordt, stelt burgers zelfs in staat om bewijs te verzamelen, met informatie over hoe je dit het beste kan doen.’

Zelf op zoek

Veelal ontstaat burgeropsporing echter op eigen houtje door burgers die geraakt zijn door een misdaad, of wanneer ze een delict willen voorkomen of oplossen. ‘Bijvoorbeeld in de vorm van buurtapps om de wijk veilig te houden. Of met social media: door een foto van een winkeldief te posten op Facebook in de hoop de dader te identificeren,’ vertelt Brinkhoff. ‘Daarnaast zijn er privédetectives die worden ingehuurd om een zaak op te lossen en initiatieven als Bellingcat, een digitaal collectief dat voorop liep in de onthullingen rondom de MH17. Zij kunnen samenwerken met overheden, maar onderzoeken veelal zaken op eigen initiatief vanuit hun expertise.’

Betrouwbaar bewijsmateriaal

Burgeropsporing kan de politie waardevolle informatie opleveren, maar er kleven ook risico’s aan. ‘Doordat burgers geen opleiding hebben gehad om bewijs te verzamelen bestaat de kans dat zij dit beschadigen, denk aan het besmetten van sporenmateriaal. Of dat ze het niet op de juiste manier verkrijgen; bijvoorbeeld door uitlokking. Denk maar aan het YouTubekanaal Pedojagers, waarbij burgers probeerden pedofielen te lokken en op heterdaad te betrappen. Daar maakt een advocaat in de rechtszaal gehakt van.’ De vraag is dan ook in hoeverre bewijsmateriaal van burgers uiteindelijk wordt toegelaten door de rechter. Wordt dit bewijs wel betrouwbaar geacht? Aan de andere kant maakt de politie soms dankbaar gebruik van dit materiaal om een dader te achterhalen. ‘Omdat burgers zich niet aan allerlei richtlijnen hoeven te houden, wordt er bijvoorbeeld makkelijker DNA-materiaal van mogelijke daders verkregen. Het is wel zo dat de politie dit alleen mag gebruiken als zij er geen weet van heeft; als zij de burger er niet toe heeft aangezet om op die manier informatie te verzamelen.’

Eigen rechter spelen

Veruit het grootste risico is dat van burgers die eigen rechter spelen. ‘Wanneer een burger meewerkt en bewijsmateriaal verzamelt, dan moet de politie dit natuurlijk wel serieus oppakken. Doet zij dat niet, dan bestaat de kans dat er nog meer onvrede ontstaat en kan de burger ervoor kiezen om het recht in eigen hand te nemen. En dat kan weer tot geweld leiden. Voorbeeld hiervan is een zaak waarin een vader ontdekt dat zijn dochter gegroomd wordt en hij de dader vervolgens bewerkt met een knuppel. Of een zaak uit Venlo, waarbij een vader en zijn zoons een gezin bijna doodsloegen omdat ze dachten dat een van hen was betrokken bij een inbraak.’ Maar ook kleinere vergrijpen als naming en shaming op social media vallen hieronder. ‘Het is dan aan de politie om deze ‘eigen rechters’ terug te fluiten of te vervolgen, zoals in de zaak van Willeke Dost is gebeurd waarbij een burger werd vastgezet voor opruiing. Het strafrecht biedt regels om burgers te beschermen. Bij eigenrichting, het recht in eigen hand nemen, zijn die er echter niet. Je loopt de kans bedreigd te worden of erger. Wanneer we allemaal rechter gaan spelen gaan we feitelijk terug naar de middeleeuwen, toen er nog geen politie was.’

Wat mag dan wél en wat mag niet?

Er ligt bij de overheid een belangrijke taak om burgers voor te lichten over de kaders van burgerparticipatie in het strafrecht. Stel, je betrapt een winkeldief, wat mag je dan doen? ‘In het wetboek van strafrecht is er weinig vastgelegd over wat burgers mogen doen, maar zij hebben in ieder geval het recht van ‘aanhouden op heterdaad’ en ‘zelfverdediging bij noodweer’. Je mag bijvoorbeeld iemand die je ziet stelen aanhouden en deze persoon vasthouden tot de politie er is. Rent de winkeldief weg, dan mag je hem niet zomaar neerslaan. Je mag hem wel tegenhouden. Pas wanneer jij vervolgens wordt aangevallen, mag je jezelf verdedigen. Dan is het noodweer. Maar je mag geen excessief geweld gebruiken. Of daar sprake van is wordt naderhand pas beoordeeld door de rechter.’ En opnames maken, mag dat? ‘Ja, dat mag. Je mag ze natuurlijk niet op Facebook zetten, maar wel naar de politie sturen. In de zaak Holleeder, waarin zus Astrid in het geheim opnamen maakte van de gesprekken met haar broer Willem, kan dit soort bewijs mogelijk wel worden toegelaten.’

Leer meer over burgeropsporing

In dit college heb je meer geleerd over het nut en de noodzaak van burgerhulp bij het oplossen van misdrijven. Er wordt gebruik gemaakt van Citizen Science om verdachten op het spoor te komen, door getuigenissen en tips, of door bewijs te verzamelen en aan te reiken. Ook vanuit de burger zelf wordt er steeds meer actie ondernomen, van kleinschalige zoektochten tot grote opsporingsinitiatieven. Tegen de voordelen van burgeropsporing moeten ook de risico’s afgezet worden. Bijvoorbeeld het beschadigen van bewijs of eigen rechter spelen. Het is belangrijk dat de overheid investeert in goede voorlichting en dat eigenrichting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hoewel de politie niet kan zónder hulp van burgers, ben je dus niet altijd een held als je helpt bij opsporing.

Over de perroncolleges

Om haar wetenschappelijke kennis te delen heeft de Open Universiteit gratis mini ‘perroncolleges’ ontwikkeld. Op digitale schermen op de perrons van grote stations in Nederland worden video-animaties getoond die prikkelende, actuele (wetenschappelijke) vragen behandelen. Vragen afkomstig uit onze samenleving. Wie wordt niet geconfronteerd met foto’s op social media? Of met de plastic verpakkingen van etenswaren? Wellicht ben je ook wel eens door collega’s buitengesloten op het werk. De Open Universiteit doet onderzoek naar deze vraagstukken en neemt de reiziger in het perroncollege mee in het probleem en de zoektocht naar oplossingen.

De campagne ‘Perroncollege’ is in mei 2019 uitgeroepen tot de beste creatieve Digital Out-of-Home uitvoering tijdens de FEPE International Annual Awards 2019 in Dubai voor beste Creative Digital Execution.

Bron: Open Universiteit

Burgeropsporing als trend in veiligheid

Trends in Veiligheid is een jaarlijks visierapport van Capgemini, waarin de belangrijkste (digitale) ontwikkelingen worden geschetst in het domein van openbare orde en veiligheid.

Dit jaar is het thema: “Slimmer samenwerken aan een veiliger Nederland”. Innovatie is duidelijk meer dan een buzzword in het veiligheidsdomein: veel betrokkenen zijn aan de slag om hun belangrijkste opdracht op een vernieuwende manier aan te pakken. Dat is cruciaal, want de bad actors zitten niet stil. Dankzij nieuwe technologie vinden criminelen steeds weer nieuwe manieren om te ontwrichten, op te ruien en digitale en fysieke veiligheidslinies te doorbreken.

Speciale aandacht in deze trendrapportage voor de rol van burgers in de opsporing:

Lees pagina 46 t/m 49 in onderstaand rapport met een beschrijving van de belangrijkste trends die zorgen dat burgeropsporing opkomend is:

[slideshare id=149436009&doc=trends-in-veiligheid-2019-web-version-190613130123&type=d]

Bron: Trends in Veiligheid

Politie en OM lanceren app voor burgeronderzoek

De politie en het Openbaar Ministerie (OM) lanceren op 1 juni een app waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf. Het gaat in eerste instantie om een proef in vier eenheden, voor mensen die zijn bestolen.

Politie en OM zien dat burgers steeds vaker zelf actie ondernemen als zij slachtoffer zijn van een misdrijf. ‘Vooral technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten. Met de app “Mijn onderzoek” proberen we op die beweging in te spelen en mensen te faciliteren’, zegt Oscar Dros, portefeuillehouder burgerparticipatie.

Diefstal
Het gaat om een kleinschalige proef in zes basisteams in vier politie-eenheden: Oost-Nederland, Oost-Brabant, Noord-Nederland en Rotterdam. Mensen die aangifte doen van diefstal krijgen de mogelijkheid aangeboden om via de app zelf onderzoek te doen.

Met de app kunnen zij onder meer een getuigeninterview afnemen, onderzoeken of er camerabeelden beschikbaar zijn, foto’s toevoegen van bewijsstukken, buurtonderzoek uitvoeren en online onderzoek verrichten. Het gaat om handelingen die iedere burger mag verrichten. John Lucas, hoofdofficier van justitie: ‘We zien dat burgers dergelijke handelingen nu ook verrichten. Het helpt als ze dat op een wijze doen waardoor wij de opbrengst van dit onderzoek ook in de vervolging kunnen gebruiken.’

Samenwerking
‘Het is niet zo dat wij burgers vragen om ons werk te doen’, benadrukt Dros. ‘We zien het echt als een vorm van samenwerking. Mensen komen steeds vaker zelf in actie, of wij nu wel of niet met hun aangifte aan de slag gaan. Wij proberen het onderzoek door burgers met deze app zo goed mogelijk te ondersteunen.’

Vervolging
Want, hoewel opvolging door politie en OM niet wordt gegarandeerd, de kans bestaat dat de informatie die burgers via de app verzamelen later een rol speelt in de opsporing en vervolging van een verdachte. Dros: ‘We merken dat initiatieven van burgers niet altijd aansluiten op de werkwijze van de politie. Daarom willen we beide werelden bij elkaar brengen. Het is in ieders belang dat onderzoek zorgvuldig gebeurt.’

Zoektocht
De proef, die twee maanden duurt, maakt onderdeel uit van een bredere zoektocht naar effectieve samenwerking tussen burgers en politie. ‘Het is een zoektocht die kansen biedt en dilemma’s met zich meebrengt. Als politie en burgers de handen ineenslaan, kan dat tot prachtige resultaten leiden. Maar burgeronderzoek brengt ook risico’s met zich mee. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat mensen het recht in eigen hand nemen?’

Bron: Politie.nl

Amper beleid bij forse groei buurtpreventie door burgers

Gemeenten stimuleren buurtpreventie, zonder te weten waarom. Terwijl het regelmatig tot problemen leidt, blijkt uit onderzoek.

Buurtpreventie blijft in Nederland groeien. Vooral het aantal buurtappgroepen is de afgelopen jaren fors gegroeid. Hoewel veel gemeenten de groei van buurtpreventie actief stimuleren, ontwikkelen ze nauwelijks beleid op dat gebied, terwijl in een op de vijf gemeenten de controlecultuur die met de buurtapps gepaard gaat tot problemen leidt.

Dat blijkt uit onderzoek van de aan de Erasmus Universiteit verbonden socioloog Vasco Lub, in opdracht van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, onder meer dan tweehonderd gemeenten.

Politie en bestuurders omarmen buurtpreventie als manier om burgers te betrekken bij het voorkomen en opsporen van criminaliteit. Dat kan via patrouilleteams die door de wijk lopen of via appgroepen, waarin buurtbewoners elkaar op de hoogte houden van verdachte situaties. Van de gemeenten stimuleert 65 procent buurtpreventie actief, bijvoorbeeld via informatieavonden, de eigen website of brieven aan inwoners.

In het merendeel van de gemeenten is er dan ook nauwelijks beleid over hoe om te gaan met de patrouilleteams en buurtappgroepen, constateert Lub. Van de 187 gemeenten die aangaven dat ze buurtpreventie hebben, hebben 109 er niets op papier over vastgelegd in officiële documenten zoals een collegeakkoord, veiligheidsplan of verordening. „En zelfs als er iets is vastgelegd, dan is dat minimaal”, zegt Lub. „Meestal wordt er alleen gemeld: we hebben het. Er staat vrijwel nooit in wat de reden is en welke strategie wordt gevolgd. Bijvoorbeeld: we kampen met overlast van een jeugdsoos of periodieke inbraak, en vragen daarom hulp van burgers. Of: we kunnen beperkter politie inzetten.”

Lub noemt dat een risico. „Als je geen prioriteiten of grenzen stelt, blijft vaag waarop het kan worden afgerekend.”

Rotonde afgezet

Ruim een vijfde van de gemeenten met buurtpreventie gaf in het onderzoek aan negatieve effecten van buurtpreventie te ondervinden. Door een overdaad aan meldingen worden ambtenaren en politiemensen overvraagd, en ook een doorgeslagen controlecultuur waarin burgers elkaar wantrouwen en eigenrichting zijn een probleem.

Bij het extreemste voorbeeld dat Lub van ambtenaren hoorde, hadden burgers na berichten in de appgroep een verdacht persoon staande gehouden en met tie-wraps vastgebonden. Elders zetten burgers na meldingen over een inbreker een rotonde af om een mogelijke verdachte te kunnen aanhouden.

Vaak zijn de negatieve effecten subtieler en zien ambtenaren dat de appgroepen voor een dreigende sfeer in de buurt zorgen. Maar, merkte Lub in zijn gesprekken: praten doen ze daarover liever niet. „Gemeenten zijn huiverig om het over de schaduwkanten te hebben. Ze hebben het nu eenmaal omarmd, actieve burgers zijn per definitie goed. Ik vermoed dat het werkelijke aantal plekken waar negatieve effecten zijn veel groter is.”

Appgroepen professionaliseren

Lub volgt de opkomst van buurtpreventie al langer: drie jaar geleden leidde hij een vergelijkbaar onderzoek en onlangs publiceerde hij voor het onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap een rapport over de samenwerking tussen burgers en politie. Het verbaast hem hoe weinig aandacht er vanuit de overheid is voor het fenomeen. „Er wordt nergens bijgehouden hoe groot dit is, of wat werkt en wat niet. Er wordt overal ingezet op burgermoed en burgerkracht, maar een landelijke richtlijn is er niet.”

Een deel van de buurtpreventiegroepen is de afgelopen jaren geprofessionaliseerd. Ze nemen de vorm aan van een vereniging, heffen contributie en betalen daarvan particuliere beveiligers of camera’s. Verschillende gemeenten experimenteren ondertussen met preventieteams die in opdracht van de politie na een misdrijf buurtonderzoek doen.

Zorgelijk, vindt Lub, die in zijn aanbevelingen voor duidelijker beleid pleit. „Het wordt nu klakkeloos gestimuleerd. Men bekijkt het praktisch: burgers kunnen een handje helpen. Maar er is een reden waarom buurtonderzoeken altijd door de politie zijn gedaan: omdat die onpartijdig is en weet hoe je objectieve informatie kunt verzamelen die standhoudt in de rechtbank.”

Cursussen worden wel aangeboden, maar richten zich volgens Lub louter op praktische zaken, zoals hoe je omgaat met een agressief persoon. „Niet op vragen als: wanneer vind ik een situatie verdacht? Wat is etnisch profileren? Wat mag ik wel en niet?” Groei van apps is door de overheid niet tegen te houden, erkent Lub. „Maar je kunt wel proberen ze beter te reguleren. En als mensen voor burgerwacht gaan spelen moet je dat proberen te bestrijden.”

Lees het volledige rapport:

[slideshare id=143055413&doc=de-burger-kijkt-mee-jh09-190501074916&type=d]

Bronnen: NRC, NOS, Volkskrant, RTL Nieuws, Hart van Nederland

Pas op met de burger als parttime politieman

We nemen steeds vaker zélf het initiatief bij de opsporing van criminaliteit. Daar zitten voordelen maar ook haken en ogen aan. Op 2 mei organiseren RTL Z en Open Universiteit een online seminar over dit thema, Sven Brinkhoff van Open Universiteit licht vast een tipje van de sluier op.

Een Whatsappgroep waar buurtbewoners elkaar waarschuwen als ze tussen de vitrage iets verdachts zien. Bezorgde burgers die in linie door een bos trekken, op zoek naar de verdwenen Anne Faber. Astrid Holleeder die de ruzies met haar broer opneemt. “Steeds vaker doen burgers opsporingswerk dat gewoonlijk was voorbehouden aan politie en recherche.”, zegt Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht en strafprocesrecht aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen van de Open Universiteit. “Een onmiskenbare trend.”

Volgens Brinkhoff komt burgeropsporing voort uit toenemende onvrede bij burgers over het functioneren van de politie. Met name kleine zaken die blijven liggen zorgen voor veel onvrede. Daarnaast is er de beschikbaarheid van digitale apparatuur, zoals smartphones. “Dat maakt het verzamelen van bewijsmateriaal niet alleen makkelijker, het is ook steeds eenvoudiger om die gegevens snel bij de politie aan te leveren.”

Brinkhoff geeft als voorbeeld de app Sherlock van TNO die de burger helpt bij het aanmaken van een opsporingsdossier. Daarin kunnen gegevens zoals locatie en het mogelijke motief worden genoteerd, maar ook zichtbare sporen en een lijst van gestolen goederen. “Heel handig, want zo’n kant-en-klaar dossier neemt de politie veel werk uit handen.”

Sven Brinkhoff van Open Universiteit

Dat politie en justitie meer medewerking vragen van burgers bij de bestrijding en opsporing van criminaliteit begrijpt hij dan ook wel. Ook in het smartphoneloze tijdperk werden burgers al gevraagd om te getuigen, tips te delen of aangifte te doen.

Maar aan de ontwikkeling van burgerparticipatie zitten ook minder rooskleurige kanten. Brinkhoff noemt de Amerikaanse app Vigilante die oproepen stuurde naar burgers om actief mee te zoeken naar daders in de buurt op het moment dat bijvoorbeeld een overval gaande was. “Daar is een stokje voor gestoken. Niet alleen breng je burgers zo in gevaar, je schaadt ook het geweldsmonopolie van de staat.”

Burgers zijn nu eenmaal burgers en geen getrainde opsporingsambtenaren. Ze weten niet hoe ze een plaats delict veilig moeten stellen. Daardoor kunnen sporen verloren gaan of raakt materiaal ‘vervuild’. Ook met al te actieve opsporing van ‘verdachte personen’ in een buurt kan veel mis gaan, benadrukt Brinkhoff: “Dat werkt eigenrichting of racisme in de hand, waarbij de participerende burger misschien wel een paar tikken verkoopt aan een onschuldige.”

Naast de alertheid die een BuurtWhatsapp-groep opwekt en het snel delen van beeldmateriaal en andere informatie is, zitten er echter ook nog andere nadelen aan burgerparticipatie, aldus Brinkhoff. Een valkuil is de juridische houdbaarheid van door burgers verzameld bewijsmateriaal. “De advocaat van de verdachte schiet daar onmiddellijk gaten in. Met als risico dat al het werk voor niks is geweest.”

Steeds vaker ziet Brinkhoff dat door de opkomst van particuliere recherchebureaus en eigenrichting de route langs politie en OM maar helemaal overgeslagen wordt. Volgens hem is dat een groot probleem omdat burgers die het heft in eigen hand nemen, het geweldsmonopolie van de staat ondermijnen. “Dat is echt een glijdende schaal.”

Brinkhoff waarschuwt dan ook voor te grote verwachtingen van de burger die voor politieagent gaat spelen. Burgerparticipatie mag dan wel een reactie zijn op de permanente onderbezetting bij de politie, het uit handen willen nemen van de opsporing hoeft niet tot minder politiewerk te leiden, zegt Brinkhoff: “Als het digitaal steeds makkelijker wordt om een dossier aan te leveren, dan verwacht de meewerkende burger wel dat daar iets mee gedaan wordt. Als dat vervolgens door capaciteitsproblemen niet gebeurt, dan vergroot je de kloof alleen maar.”

Politie en het OM die gebruik willen maken van burgeropsporing, zullen hoe dan ook moeten voorkomen dat ze hun eigen betrouwbaarheid en rechtvaardigheid op het spel zetten door te veel taken naar de burger door te schuiven, aldus Brinkhoff. Ook al is dat vanwege de permanente bezuinigingen wel verleidelijk.

Brinkhoff verwacht dat de rol van burgers bij opsporingswerk hoe dan ook zal toenemen de komende jaren. Dat heeft niet alleen met capaciteit maar ook met kennis te maken, zegt hij. “Kijk maar naar een collectief als Bellingcat. Dat heeft wel de middelen om hoogopgeleide digitale speurneuzen in te zetten, waar de politie geen geld voor heeft. Die expertise van buitenaf, die blijft natuurlijk welkom.”

Kijk en discussieer mee over dit thema

Op 2 mei gingen Sven Brinkhoff (universitair hoofddocent strafrecht) en Emile Kolthoff (hoogleraar criminologie) van Open Universiteit verder in op dit thema tijdens een online seminar bij RTL Z. Ze bespreken recente voorbeelden van burgerparticipatie bij opsporing en belichten de kansen en bedreigingen voor de politie en het OM. Bekijk het online seminar hier terug.

Bron: RTL Nieuws, Open Universiteit

Sensing Clues: Van wilde natuur naar veilige omgeving

Als politie-onderzoeker kent hij de modernste technologie die wordt ingezet bij opsporing. Met zijn stichting zet Jan-Kees Schakel die in om stroperij in wildparken te bestrijden. “Sensing Clues turns wild spaces into safe havens!” valt te lezen op de website.

De rangers van Wildlife Works in Kenia en Phundundu in Zimbabwe hebben vandaag de dag een nieuw wapen in de strijd tegen stropers, illegale houtkap, en andere bedreigingen. Dankzij een applicatie van de Nederlandse non-profit Sensing Clues kunnen de rangers hun observaties nu in real-time met elkaar delen en combineren.?Natuurgebieden worden voortdurend bedreigd door illegale activiteiten, vari?rend van stroperij tot illegale begrazing, houtkap, ontginning, mijnbouw en afvaldumping. Met name in Afrika wordt de bescherming van bedreigde flora en fauna bemoeilijkt door de enorme omvang van de natuurgebieden, en het beperkte aantal rangers. In Kenia wordt bijvoorbeeld een natuurgebied van ruim 200.000 hectare natuur beschermd door minder dan 150 rangers ? een gebied dat ongeveer zo groot is als de provincie Limburg.

Tot op heden gebruikten veel rangers papieren formulieren om hun ervaringen en observaties te rapporteren. Daardoor krijgen ze pas veel later? soms maanden ? een duidelijk overzicht van wat er in het natuurgebied speelt. Vanaf vandaag hebben de rangers van Wildlife Works en Phundundu de beschikking over de nieuwe applicatie van Sensing Clues om al hun observaties in ??n beveiligde analyse-omgeving te centraliseren.

?Rangers vormen de voorhoede van natuurbeschermingsorganisaties,??zegt Dr. Schakel.??Zij zien veel sporen van illegale activiteiten in het gebied, maar konden hun individuele observaties niet eenvoudig met elkaar delen om hier vervolgens gezamenlijke inzichten uit te destilleren. Onze app geeft ze die mogelijkheid. Zij hebben nu een uiterst professionele observatie- en analysetool die ze helpt om op basis van de verzamelde informatie gericht in actie te komen. Dit is essentieel voor effectieve bescherming, omdat de gebieden immens groot zijn, het aantal ?boots on the ground? zeer beperkt, en stropers hier handig misbruik van maken.?

Kunstmatige Intelligentie

Na een testperiode van enkele maanden worden de observaties van de rangers in de applicatie aangevuld met observaties van ?slimme? sensoren. Sensing Clues ontwikkelt sensoren die in de natuur geplaatst worden om mens-gerelateerde signalen, zoals radiocontact en geluiden op te vangen. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden geweerschoten, motorzagen en bromfietsen automatisch herkend. Deze observaties worden gedeeld met de rangers, die hierdoor direct in actie kunnen komen.

In de nabije toekomst wordt het softwareplatform volgens Schakel uitgebreid met nog meer databronnen en algoritmes voor het berekenen van risico?s:??Er zijn veel geweldige initiatieven voor het monitoren van wilde dieren. Biologen en ecologen gebruiken bijvoorbeeld gps-chips om bedreigde diersoorten te volgen. Zulke gegevens zijn ook heel waardevol voor misdaadpreventie als ze gecombineerd worden met de bevindingen van rangers en bijvoorbeeld de weersvoorspelling. De inzichten die dit oplevert helpt rangers om op het juiste moment op de juiste plaats te zijn om bedreigde diersoorten te beschermen.?

Een luide knal

De luide knal van een geweerschot. Jan-Kees Schakel en zijn vrouw worden midden in de nacht opgeschrikt in hun bamboehut in de jungle van Laos. Ze zijn op dat moment de enigen in het resort. Verder alleen de herrie van de natuur. En dat schot dus ineens. Ze wachten op wat komen gaat. Angstige minuten. Een kwartiertje later horen ze een bootje wegtuffen op de nabijgelegen rivier, richting bewoonde wereld. Het kan maar ??n ding betekenen, weet Schakel: stropers. Het incident vormt het begin van zijn stichting Sensing Clues. Als onderzoeker en strategisch adviseur bij de politie heeft hij dan al vele jaren ervaring met het gebruik van de modernste waarnemingstechnologie?n die kunnen worden ingezet bij opsporing. Dat kunnen camerabeelden zijn, maar ook Twitterberichten: alles wat maar kan helpen bij het opsporen van criminelen of het zo snel mogelijk signaleren van een crisissituatie.

In zijn hut in de jungle van Laos beseft Schakel dat precies dit soort informatie hard nodig is om de natuur te beschermen. Hier kan hij zijn oude en zijn nieuwe werk combineren; voordat hij bij de politie terechtkwam, heeft Schakel jarenlang in de tropen gewerkt als natuurbeschermer. Met zijn stichting wil hij parkwachters voorzien van de technieken waar ook de politie mee werkt. Sensoren, analyseprogramma?s, apps: alles wat maar kan bijdragen aan de strijd tegen stropers. Als het de natuurbeschermers aan ??n ding ontbreekt, is het real time-informatie.

Jan-Kees Schakel (links) met een parkwachter in Nepal.?Beeld Sensing Clues

Schakel kwam er snel achter wat het grote probleem is: er zijn gadgets genoeg, maar die werken vaak niet goed samen. Of ze zijn gebruiksonvriendelijk. Het gevolg is dat veel informatie nog altijd op traditionele wijze wordt overgebracht; mondeling, als de rangers elkaar ?s avonds bij het eten treffen. Of via opschrijfboekjes, die pas na drie maanden door iemand in de computer worden ingevoerd. De stroper is dan al lang en breed gevlogen.

???

Kies het type spoor dat gevonden is en leg de observatie vast of deel een melding.

Een deel van de oplossing is volgens Schakel de app van?Sensing Clues. Schakel, die inmiddels nog maar de helft van de tijd bij de politie werkt en de helft van zijn inkomsten heeft ingeleverd, laat de app zien. Eenvoud staat voorop; de ranger kan zijn rapportages doen via een aantal icoontjes. Zo kan hij aangeven dat hij resten van een vuur heeft gevonden, of een strik of bandenspoor. ?Rangers weten vaak niet of iets van belang is of niet. Logisch ook; pas in combinatie met andere sporen kan de grote lijn duidelijk worden.?

Schakel noemt als voorbeeld de vondst van een kapot kapmes door ranger 1 en een paar dagen later in hetzelfde gebied batterijen van een zaklantaarn door ranger 2. ?De combinatie van zaklamp met kapmes kan duiden op het stropen van giraffen?, weet Schakel. ?De ene stroper verblindt de giraffe met een krachtige lichtbundel en maakt lawaai met een ratel, waarop het dier in verwarring blijft staan. Zijn collega benadert de giraffe van achter en hakt de achillespezen door, waarop het beest ter aarde stort.? Het vlees van de ? beschermde ? giraffe wordt vervolgens op de markt verkocht als ?bush meat?, goedkoper dan koeien- of geitenvlees.

Vele uren mankracht

?Alles begint met de waarnemingen. Die kunnen van parkwachters zijn, maar ook van andere mensen die je vertrouwt, zoals boeren, gidsen of toeristen.? Een ander belangrijk onderdeel is het data- en analyseplatform. Hier komen alle gegevens binnen. Schakel had dit nooit kunnen ontwikkelen zonder de hulp van allerlei partijen die hij vanuit zijn politiewerk al kende. Consultants, juristen, datawetenschappers, vormgevers en programmeurs hebben allen belangeloos hun steentje bijgedragen. Door software zonder licentiekosten beschikbaar te stellen, maar ook via vele uren mankracht. Het resultaat is een systeem dat iedereen snapt. De ranger ziet ??n duidelijke kaart waarop alle informatie kan worden getoond. Dit alles met als doel meteen actie te kunnen ondernemen.

Verder zijn ook sensoren hard nodig, want mankracht alleen is nooit voldoende. In de Rukinga Wildlife Corridor in Kenia werken bijvoorbeeld zo?n 120 rangers (in groepen van 8) op een gebied van 220 duizend hectare. Dat is maar iets minder dan de provincie Noord-Holland. Op strategische plekken kunnen sensoren worden achtergelaten. Daar komt veel bij kijken, want ze moeten via zonnepanelen (of eventueel een batterij) aan energie komen, maar mogen tegelijk niet opvallen.

Schakel verstopt een zonnecel voor een sensor in een park in Kenia.?Beeld Sensing Clues

Sensing Clues ontwikkelt nu drie typen sensoren: voor het registreren van kunstmatig licht, van elektronica (bijvoorbeeld de signalen die mobieltjes uitzenden) en voor menselijk geluid. ?Stropers maken veel lawaai?, weet Schakel. ?Ze wanen zich onbespied omdat het gebied zo groot is. Ze maken dus gerust een vuurtje en zetten de radio aan.?

Herbert Prins, hoogleraar Natuurbeheer aan de Universiteit van Wageningen, gelooft enorm in het gebruik van sensoren en AI om stropers op te sporen voordat ze een misdaad hebben begaan. Het is de reden dat hij Sensing Clues ondersteunt door in de raad van toezicht plaats te nemen. De natuurbescherming is volgens hem de laatste decennia ?gemilitariseerd?, een slechte ontwikkeling. Volgens Prins moet de geweldsspiraal?? aan beide kanten vallen dodelijke slachtoffers ? doorbroken worden, wat mogelijk is door technologie slim in te zetten. Hij noemt de speciale trackers waaraan het Hilversumse ict-bedrijf Sodaq werkt. Deze worden aangebracht op bijvoorbeeld zebra?s. Door het gedrag van een kudde te analyseren, kan met ?een waanzinnige precisie? voorspeld worden of er stropers in de buurt zijn. ?Zebra?s?reageren anders?op stropers dan op parkwachters of toeristen. Ze ruiken gevaar als ze mensen zien die sluipen of gewoon wandelen en gedragen zich daar dan ook naar door bijvoorbeeld hard weg te lopen.?

Toys for boys

Hoe veelbelovend al dit soort sensoren ook zijn, het zijn geen wondermiddelen, benadrukt Schakel. ?Je hebt niets aan gereedschap als het niet onderdeel is van een hele kist. Alles moet goed op elkaar zijn afgestemd.? En juist daar gaat het vaak mis, volgens Schakel. Hij ziet spectaculaire en mediagenieke voorbeelden voorbijkomen. Camera?s in de hoorn van een neushoorn, drones, noem maar op. ?Dat ziet er allemaal prachtig uit, maar er is niet altijd goed over nagedacht.? In de woorden van Prins:?toys for boys.

Daarom werd Schakel in eerste instantie ook met de nek werd aangekeken toen hij bij parken aanklopte: w??r zo?n westerling die met een gadget komt aanzetten die alles gaat oplossen. Pauline Verheij, programmamanager Wildlife Crime bij dierenwelzijnsorganisatie IFAW, is ?heel enthousiast? over het gereedschap van Sensing Clues. ?Vaak wordt vergeten wat de basisproblemen zijn. Stroperij floreert in landen waar gebrek is aan capaciteit, geld en politieke wil. En waar veel corruptie is. Rangers moeten vaak werken onder slechte omstandigheden, waardoor ze ongemotiveerd zijn. Er is geen benzine, geen uitrusting, geen fatsoenlijke kleding. Dan kun je wel met de nieuwste technieken komen, maar dat lost niets op.? Terwijl techniek volgens Verheij wel degelijk kan helpen om de bestrijding van stroperij effectiever te maken. ?Ik geloof erin als het eenvoudig en laagdrempelig is in het gebruik.? Sensing Clues voldoet daar volgens haar aan.

Voor die gereedschapskist van Sensing Clues moet trouwens nog wel betaald worden. Veel is het niet: een paar duizend euro per jaar voor ondersteuning. Sensing Clues heeft nu afspraken met twee beschermde gebieden: Rukinga Wildlife Corridor in Kenia en Phudunda in Zimbabwe. Dat is het begin, als het aan Schakel ligt: ?We hebben de ambitie om honderden parken te helpen.? Zorg is er ook, over de beveiliging van de webomgeving: ?Stroperij is een miljardenbusiness. Zodra stropers zien dat dit een succes is, gaan ze alles uit de kast halen om ons plat te leggen, zodat rangers hun werk niet meer kunnen doen. We moeten er rekening mee houden dat we van alle kanten worden aangevallen.? Schakel zoekt dus nog hulp van de beste cybersecuritybedrijven. De constante wapenwedloop tussen beschermer en stroper zal ook op internet worden gevoerd.

DRONES IN OPKOMST, MAAR EXPERTS HEBBEN TWIJFELS

Sinds een jaar of tien zijn drones flink in opkomst om de natuur te beschermen. De ontwikkelingen gaan hard, zegt Serge Wich, mensaaponderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam ?n dronespecialist. Een van de mogelijkheden is drones te verbinden met camera?s of gps-trackers die op dieren zijn aangebracht, zodat ze altijd kunnen worden gevolgd. Met behulp van kunstmatige intelligentie (AI) zou zo?n drone ook, via beeldherkenning, kunnen bepalen of hij een neushoorn ziet of een stroper. De Lindbergh Foundation werkt samen met AI-bedrijf Neurala om zoiets?voor elkaar te krijgen. Wich heeft zijn bedenkingen over de werking: ?Er wordt van alles geroepen, maar er is nog veel onderzoek nodig.? Het is leuk dat de drone een stroper kan herkennen, maar er wordt niet bij verteld hoe vaak hij hem mist, zegt Wich. Ook is het duur drones in de lucht te houden en is er veel training nodig om een vliegtuigje goed te laten landen. Programmamanager Wildlife Crime Pauline Verheij heeft nog meer bedenkingen: ?Zolang er corruptie is, kunnen drones ook worden misbruikt door stropers om dieren op te sporen.? Ook hoogleraar Natuurbescherming Prins ziet de nodige nadelen aan drones, zeker als ze worden ingezet om via beeldherkenning op jacht te gaan naar stropers. ?Daar wil ik niet aan meewerken. De volgende stap is zo?n drone op stropers te laten schieten.? Wat wil niet zeggen dat drones niet nuttig zijn. Bijvoorbeeld om de informatie die door de sensoren wordt doorgegeven te verwerken. De huidige drones maken volgens hem een ?heel irritant? geluid dat op grote afstand is te horen, vergelijkbaar met een zwerm killer-bijen. Zowel beest als stroper slaat ervan op hol. Prins heeft hoge verwachtingen van een heel nieuw type drone: de??Robird?. Het Nederlandse Clear Flight Solutions is een van de partijen die zo?n klapwiekende drone wil ontwikkelen.

CHIMPFACE

Alexandra Russo probeert met haar kersverse initiatief?ChimpFace?het probleem van illegale handel in chimpansees op een heel andere manier aan te pakken. Met gezichtsherkenningssoftware scant ze internet af op afbeeldingen van chimpansees die in gevangenschap leven. Sociale media staan vol met foto?s van in babykleertjes gehulde apen, maar er zijn ook sites waar ze te koop worden aangeboden. Met de slimme software moet het gemakkelijker zijn om dit soort beelden op te sporen, waarna experts er naar kijken. Uiteindelijk is het doel van Russo om ? net als bij gezichtsherkenningssoftware voor mensen ? specifieke?chimpansees te herkennen?om zo een spoor te kunnen volgen over internet. De schade is altijd groter dan die ene schattige chimpansee, weet Pauline Verheij. ?Om ??n babychimp mee te nemen, wordt een hele familie uitgemoord.? Het vlees daarvan wordt op de markt verkocht.

Drones en smartphones worden ook ingezet om?illegale ontbossing tegen te gaan en Sea Shepherd zet nu ook?drone in tegen walvisjagers.

Bron: De Volkskrant, Emerce