Tagarchief: Politieacademie

Burgerparticipatie in strijd tegen woninginbraken

Auteur: M.A.R. Sinke

Dit onderzoek maakt onderdeel uit van een onderzoek dat is gedaan in opdracht van het Ministerie van Veiligheid & Justitie naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken.
Hiertoe is in samenspraak met de opdrachtgever de aanpak van de Best of Three Worlds (B3W), bestaande uit probleemgericht werken, informatiegestuurde politie en burgerparticipatie, als
uitgangspunt genomen voor een effectieve aanpak. Vervolgens is op zes locaties in het land onderzoek gedaan naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken. De B3W-aanpak berust op drie pijlers, waaronder burgerparticipatie. Dit deelonderzoek heeft zich derhalve gericht op de vraag:

‘Op welke manier kan burgerparticipatie bijdragen aan een effectieve aanpak van woninginbraken?’.

Deze vraag is beantwoord door voornamelijk kwalitatief onderzoek te doen. In eerste instantie is in de literatuur gebleken dat burgers van grote waarde kunnen zijn in de aanpak van woninginbraken en dat de politieleiding die meerwaarde onderkent. Burgers kunnen bijdragen aan het voorkomen van inbraken, het vergroten van de heterdaadkracht en (daarmee) het opsporen en aanhouden van inbrekers. Vervolgens is in de literatuur gezocht naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot burgerparticipatie. Daarbij werd gestuit op een onderzoek van Collij (2012) naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot samenwerking met de politie. De door haar onderzochte motieven en voorwaarden, zowel vanuit de omgeving als vanuit het project, zijn kwalitatief getoetst op vijf van de zes onderzoekslocaties van het hoofdonderzoek. Deze kwalitatieve toetsing heeft voornamelijk plaatsgevonden aan de hand van interviews met politiemedewerkers en participerende burgers.

Daarnaast zijn burgers wederzijdse verwachtingen van politie en burgers in het kader van de woninginbrakenaanpak bevraagd evenals succes- en faalfactoren van burgerparticipatie. De bevindingen van Collij (2012) blijken grotendeels van toepassing zijn op burgerparticipatie in het kader van de woninginbrakenaanpak, maar niet volledig. Burgers hebben pluriforme belangen om te willen participeren, maar in dit onderzoek bleken burgers primair een persoonlijk belang te hebben in relatie tot eigen veiligheid en veiligheidsgevoelens. Dit in tegenstelling tot het onderzoek van Collij (2012) waarin burgers zowel een persoonlijk- als publiek belang zeggen te dienen en waarbij veiligheidsgevoelens niet als primair motief naar voren komen. Daarnaast blijken initiërende burgers in dit onderzoek niet per definitie een negatief beeld te hebben van de politie, terwijl Collij (2012) dat wel vond.

Verder blijken burgers graag bereid tot samenwerking, mits hun de noodzaak daartoe duidelijk is. Burgers hechten daarbij zeer aan samenwerking, waardering en ondersteuning vanuit de overheid, maar vinden een bepaalde mate van autonomie tegelijkertijd van belang. Serieus worden genomen, adequate opvolging van meldingen, informatie over wijkveiligheid en infomeren over afhandeling dan wel voortgang van meldingen en aangiften blijken belangrijk. Hierin blijkt verbetering wenselijk. Burgers blijken bereid verantwoordelijkheid te nemen en te willen melden bij verdachte situaties, maar blijken het een lastige afweging te vinden in welke gevallen het alarmnummer van de politie gebeld mag worden, waardoor melding geregeld nagelaten wordt.

Samenwerking met de politie leidt vrijwel overal tot een positiever beeld over de politie. Mensen stellen meer vertrouwen in de politie te hebben, sneller informatie te willen delen en de
meldingsbereidheid zou erdoor toenemen.

Op basis van het onderzoek zijn verschillende praktische aanbevelingen gedaan, onder andere gericht op de wijze waarop burgers gemotiveerd worden tot burgerparticipatie, op de burgers die het
beste benaderd kunnen worden en op enkele voorwaardelijke factoren van en voor burgerparticipatie.

Behalve deze praktische aanbevelingen zijn nog drie aanbevelingen geformuleerd met betrekking tot (mogelijk) vervolgonderzoek.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425162&doc=burgerparticipatieindestrijdtegenwoninginbraken-200909070126&type=d]

Bron: Politieacademie

App: Police Prep

Oefenen voor je politie examens

iPhone Screenshot 1iPhone Screenshot 2

De moderne student duikt de boeken niet meer in, dus bood een app een uitkomst om snel en eenvoudig lesstof aan te bieden. Ook makkelijk als er updates zijn. De app Police Prep?van Tactical Succes bevat 900 vragen en tips om je examinering met glans te doorstaan. Ook agenten in spe kunnen zien of ze er al een beetje klaar voor zijn.

Lessen uit crises en mini-crises 2013

mini crises 2013

In de publicatie Lessen uit crises en mini-crises 2013 (publicatie oktober 2014), wordt van elk van?18 kleine?en grotere crises die speelden in 2013?een korte beschrijving?gegeven, waarna een of meerdere dilemma?s aan de orde komen. Het gaat dan?bijvoorbeeld om de rol van procedures, het omgaan met maatschappelijke onrust, de beeldvorming in de media en ook de rol van de sociale media. ?Het gaat er hierin vooral om?cruciale dilemma?s in kaart te brengen en antwoord te geven op de vraag waarom?zaken gaan zoals ze gaan. Niet oordelen, maar verklaren en inzichtelijk maken, is de leidraad.?De publicatie, een vervolg op de editie van 2012, is een initiatief van het?lectoraat Crisisbeheersing van het Instituut Fysieke Veiligheid?(IFV) en de?Politieacademie.

In het NRC stond een artikel naar aanleiding van de verschijning van het boek met als titel “De politie weet zich nog altijd geen raad met likes, tweets en sharen; Het zorgde voor heksenjachten”. Autoriteiten snappen het belang, maar worstelen social media.

Mosterdgas

Er ligt mosterdgas in het appartement en de kelderbox van een overleden scheikundeleraar, zo vertelt zijn broer aan de brandweer. Hulpdiensten treffen het mosterdgas aan in goed afgesloten potten. De burgemeester besluit tot snelle verwijdering, het is inmiddels avond. Hulpdiensten evacueren het appartementencomplex. De bewoners, ruim honderd in getal en veelal oud, horen dat zij waarschijnlijk rond middernacht kunnen terugkeren naar hun woning. Die boodschap blijkt te optimistisch: pas om half vijf ’s ochtends zijn de stoffen verwijderd. De bewoners moeten de nacht elders doorbrengen.

Vanwaar de haast van de hulpdiensten? Die potten waren toch goed afgesloten? Waarom begonnen ze in de avond met hun actie, en niet de volgende ochtend, zodat ze meer marge zouden hebben v??r evacuatie nodig zou zijn?

Antwoord: de autoriteiten vreesden voor onrust en verontwaardiging onder de bevolking. Mosterdgas in een wooncomplex! En de hulpdiensten wachten een hele nacht voor ze aan het werk gaan! Sociale media zouden het nieuws vliegensvlug verspreiden, heel Nederland zou er wat van vinden. En dus kozen de autoriteiten voor een snelle operatie en weinig voorbereidingstijd. Met een plots nachtje weg voor honderd Nederlanders als gevolg.

Menno van Duin, lector crisisbeheersing aan de Politieacademie en het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), en zijn collega-onderzoeker Vina Wijkhuijs hebben de eindredactie van het boek?boek Lessen uit crises en mini-crises 2013, dat onlangs?verscheen. Daarnaast staan er nog zeventien optredens van overheid en hulpdiensten bij crises en belichten daarbij ook de rol van sociale media. Die hebben grote invloed op crisismanagement, zo blijkt keer op keer uit het boek.

Autoriteiten worstelen met de sociale media.
Zijn overheid en hulpdiensten daar dan nog niet van doordrongen? Jawel, zegt Van Duin. ,,Maar w?ten dat sociale media belangrijk zijn, is iets anders dan er adequaat mee omspringen.”
Dat bleek ook in Eindhoven. Een aantal jongens uit een groep van acht schopte een student vorig jaar op een avond tegen het hoofd. De politie liet de beelden van bewakingscamera’s zien via Omroep Brabant. Sociale media namen het filmpje over. De onderbuik van Nederland deed de rest: foto’s van alle acht jongens verschenen online, hun namen, telefoonnummers en adressen ook. Allen werden bedreigd. Een negende jongen ook, met toevallig dezelfde voor- en achternaam als een van de acht.

De rechter veroordeelde drie van de acht tot ruim een half jaar jeugddetentie. Maar hij paste een strafvermindering van enkele maanden toe wegens de online heksenjacht. Een tik op de vingers voor het Openbaar Ministerie. In deze casus had justitie de kracht van sociale media juist weer onderschat. Van Duin: ,,Justitie had kunnen volstaan met het tonen van stills van de bewakingsbeelden.” Ook effectief. En zulke stilstaande beelden hadden voor minder opwinding gezorgd.

Bij de vermissing van de broertjes Ruben en Julian, in mei 2013, zorgden sociale media voor een razendsnelle mobilisatie van hulptroepen. Honderden burgers gingen meezoeken in bossen. De politie had haar bedenkingen, schrijven Van Duin en Wijkhuijs. ,,Een dergelijke massale ‘sporenvernietigingsoperatie’ werd niet echt op prijs gesteld.”
Tegenhouden van de goedbedoelende hulptroepen was echter geen optie – ze waren te talrijk. De politie besloot de burgerzoektochten te laten begeleiden door politievrijwilligers, en dat ging met ‘vallen en opstaan’.

Politievrijwilligers werden op pad gestuurd ,,met grote groepen mensen” maar ,,zonder stafkaarten” en in gebieden ,,waarvan later bleek dat die eerder al door de Mobiele Eenheid en mariniers waren doorzocht”. Later verliep de samenwerking tussen politie en burgers overigens beter – meer overleg, meer afstemming.
Sociale media deden zich ook gelden in Deventer, augustus vorig jaar. Twee pedofielen – onder wie Marthijn Uittenbogaard, bekend van pedofielenvereniging Martijn – waren voor een paar dagen in de stad. Naar eigen zeggen om een ,,verslaafde vriend” te helpen.

Maar al snel ging het gerucht dat de twee zich in Deventer wilden vestigen. Sociale media verspreidden en versterkten het gerucht. Er kwam er een bij: ze zouden zich in de flat Parkzicht bevinden.
Opnieuw onwaar. De twee waren de stad inmiddels uitgevlucht. Maar de geruchten hielden aan en sociale media trommelden de demonstranten op. En zo schoolde een woedende menigte samen voor een flat waarin de twee hoofdpersonen zich niet bevonden. Agenten zeiden dat herhaaldelijk tegen de demonstranten, maar ze werden niet geloofd. Toen betogers vervolgens ook nog ruzie met flatbewoners gingen maken greep de politie in en keerde de rust terug. Volgens Van Duin waren veel van de demonstraten ,,rabiate activisten tegen pedofilie”. ,,Die mensen zijn nauwelijks te overtuigen, zo sterk geloven ze in de rechtvaardigheid van hun acties.”

Volgens Van Duin moeten overheid en hulpdiensten blijven nadenken over de manier waarop ze met sociale media moeten omgaan, want ,,de invloed wordt alleen maar groter”. Maar, benadrukt hij: de overheid kan niet ?lles oplossen. Zie de ,,zotte situatie” in Deventer, zegt Van Duin. ,,Er was niks aan de hand, maar er was wel een probleem. Dat is een beangstigend aspect van de sociale media.”

Bronnen:?NRC next, 8 oktober 2014 en Politieacademie

Burger Review Team in Cold Cases

Cold cases zijn de afgelopen jaren in Nederland steeds meer een begrip geworden. Vanuit zowel de politie en justitie, als de maatschappij, is de behoefte gegroeid om ernstige onopgeloste zaken te heropenen. Onderzoek heeft uitgewezen dat onderzoek in cold case zaken loont. Zo blijkt dat ongeveer een derde van alle afgeronde cold case onderzoeken, jaren na dato, alsnog tot opheldering van het misdrijf heeft geleid. Een andere ontwikkeling die de laatste jaren steeds meer in de belangstelling is komen te staan, is de ontwikkeling van burgerparticipatie. Zo staat er in het concept inrichtingsplan van de Nationale Politie (2012) het volgende: ‘Wij zijn een politie die intensief samenwerkt met burgers & partners.’

Uit onderzoek is gebleken dat burgers de belangrijkste succesfactor zijn voor effectief en efficiënt opsporen en dat burgers in het algemeen erg positief staan tegenover burgerparticipatie in de opsporing. In de Verenigde Staten werkt de politie in opsporingsonderzoeken ook op diverse manieren samen met burgers. Ook bij het onderzoeken van cold cases worden er burgers ingezet. Bij de Charlotte Mecklenburg Police Department (CMPD) in North Carolina, wordt er sinds 2003 gebruik gemaakt van een ‘Civilian Review Team’. Het team, voornamelijk bestaande uit gepensioneerde opsporingsambtenaren maakt vast deel uit van het cold case team en is verantwoordelijk voor de ordening en review van cold cases.

Het uitgangspunt van dit onderzoek is dat de inzet van een civilian review team, zoals toegepast bij de CMPD, als een zogenaamde ‘best practice’ wordt beschouwd. Het onderzoek heeft zich daarbij gericht op de mogelijkheden en onmogelijkheden die de inzet van een civilian review team, zoals toegepast door de CMPD met zich meebrengt indien een soortgelijk team op vergelijkbare wijze wordt ingezet bij Nederlandse cold case onderzoeken. Het doel hiervan is dat de inzichten die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen, door opsporingsafdelingen gebruikt kunnen worden om afwegingen te maken over het al dan niet inzetten van cocreatie bij opsporingsonderzoeken. Om inzicht in deze doelstelling te verkrijgen is de volgende probleemstelling behandeld:

In hoeverre is het mogelijk om bij cold case onderzoeken in Nederland, gebruik te maken van een burger review team, zoals deze is samengesteld en ingezet door de Charlotte Mecklenburg Police Department (CMPD) in North Carolina en wat voor bijdrage levert de inzet van een burger review team aan het onderzoeken van cold cases?
Om tot de beantwoording van de centrale probleemstelling komen, zijn de volgende drie onderzoeksvragen opgesteld:
1. Wat is de werkwijze van het civilian review team bij cold case onderzoeken in de Verenigde Staten, in het bijzonder de Charlotte Mecklenburg Police Department in North Carolina?
2. Met welke (on)mogelijkheden krijgt men te maken indien er een burger review team, zoals toegepast in North Carolina, wordt ingezet bij een cold case onderzoek in Nederland?
3. In hoeverre kan de toepassing van (aspecten van) een burger review team een meerwaarde bieden binnen de wijze waarop cold case onderzoeken in Nederland worden uitgevoerd?

METHODE VAN ONDERZOEK
Aan de hand van verschillende onderzoeksmethoden is antwoord gegeven op de drie onderzoeksvragen. Alle onderzoeksvragen zijn deels beantwoord door middel van de methoden literatuuronderzoek en interviews. Hierbij werden zowel semi-gestructureerde (mini)interviews afgenomen als gestructureerde vragenlijsten gebruikt.

Door middel van een studiebezoek heeft onderzoeker enkele teamleden van de cold case unit bij de CMPD persoonlijk geïnterviewd. Daarnaast werd voor dit onderzoek een klankbordbijeenkomst georganiseerd waarbij met een groep deskundigen een discussie heeft plaatsgevonden over de (on)mogelijkheden van de inzet een burger review team zoals toegepast bij de CMPD. De discussiepunten werden gebruikt om onderzoeksvraag 2 te kunnen beantwoorden. Om onderzoeksvraag 3 te kunnen beantwoorden werd er een experiment opgezet. Er is één cold case gereviewd door een groep van acht reviewers. Het experiment is opgezet op basis van de resultaten van de eerste twee onderzoeksvragen. Het kader voor het experiment is vastgesteld met inachtneming van de adviezen van de klankbordgroep. Dat wil zeggen dat de grote lijnen van de werkwijze van de CMPD werden aangehouden, maar dat bepaalde aspecten anders werden ingezet, vanuit het oogpunt van de mogelijkheden en de onmogelijkheden die de werkwijze van de CMPD met zich mee zouden brengen bij toepassing ervan in de Nederlandse situatie.

RESULTATEN ONDERZOEKSVRAAG 1
De cold case unit bij de CMPD bestaat uit twee rechercheurs, twee vrijwilligers en twee reviewers en is opgericht onder druk van het gemeentebestuur in verband met het grote aantal onopgeloste kapitale delicten. Momenteel zitten er bij de CMPD zo’n 700 cold cases in het archief.

Het verschil tussen de vrijwilligers en de reviewers is dat de vrijwilligers in overleg met de rechercheurs een cold case verzamelen en ordenen en dat de reviewers de cold case reviewen. Kenmerkend aan de reviewers is dat zij allemaal in meer of mindere mate een opsporingsachtergrond hebben. Een reviewer bestudeert meestal individueel een cold case en krijgt een kopie van de cold case mee naar huis die is samengesteld door de vrijwilliger. Gemiddeld krijgt een reviewer een maand de tijd om een cold case te reviewen. De reviewers maken middels een vaste methodiek een samenvatting van het onderzoek. Deze samenvatting, inclusief aanbevelingen, wordt aan het hele team gepresenteerd, waarbij gezamenlijk wordt bepaald in hoeverre de cold case potentie heeft om opgehelderd te worden.

Het team heeft de afgelopen jaren diverse onderscheidingen ontvangen en werd in literatuurstukken benoemd als succesvol voorbeeld van de inzet van burgers en het verbeteren van effectiviteit in opsporingsonderzoeken. De inzet van een civilian review team heeft diverse voordelen. Het onderzoek wordt namelijk met een frisse  lik bekeken en er kunnen meer cold cases onderzocht worden omdat de rechercheurs direct aan de slag kunnen met de aanbevelingen. Zij kunnen ook op basis van de review besluiten dat de cold case niet in behandeling wordt genomen. Het succes dat het team boekte, kwam volgens de teamleden niet alleen door de bijdrage van het civilian review team of de bijdrage van de rechercheurs, maar vooral door de onderlinge samenwerking.

Volgens de teamleden waren er een aantal kritieke succesfactoren die het team zo effectief hebben gemaakt, te weten een zorgvuldige selectie van de reviewers, vertrouwen tussen de reviewers en de rechercheurs en de tijd die de reviewers krijgen om hun werk te verrichten en hun draai in het team, als team te vinden.

RESULTATEN: ONDERZOEKSVRAAG 2
Er zijn op dit moment diverse initiatieven gaande waarbij de burger op diverse wijzen actief wordt betrokken bij opsporingsonderzoeken. Uit deze initiatieven is gebleken dat er ook in Nederland
gemotiveerde burgers zijn die op vrijwillige basis een bijdrage willen leveren aan opsporingsonderzoeken en dat er mensen binnen de politie zijn die het bestaan van een burger review team een plek willen geven. Er is daarnaast veel aandacht voor de aanpak van cold cases en door de professionalisering in de opsporing op zowel forensisch als op tactisch gebied, is de behoefte om meer zaken te onderzoeken gegroeid. Deze ingrediënten zorgden voor draagvlak en animo bij het cold case team om te experimenteren met de inzet van een burger review team.

Na onderzoek is gebleken dat de structuur die de werkwijze van de CMPD biedt, als positief werd gezien en dat het aanbrengen van structuur in de aanpak van cold cases door burgers, mogelijkheden biedt voor de ontwikkeling van een burger review team in Nederland. Daarnaast werd het aspect van het inzetten van mensen met een politieachtergrond, als kansrijk ervaren.

De bezwaren die naar voren kwamen gingen met name over het feit dat één reviewer één zaak zou moeten reviewen in één maand tijd. Bij de CMPD wordt dit met name gedaan omdat er zich tussen de cold cases een aantal onafgeronde zaken bevinden. Door de andere wijze van het onderzoek naar kapitale delicten in eerste aanleg, zijn er nog veel onderzoeken met ‘open einden’. Daarbij is om die reden het onderzoeksdossier een stuk kleiner dan een Nederlands onderzoeksdossier. Bij de CMPD ligt de nadruk van de review daarom op de kwantiteit. Het uitgangspunt van burgerparticipatie in Nederland is het verbeteren van de kwaliteit van de onderzoeken. Door het inschakelen van burgers hoopt men op nieuwe inzichten die een effectieve bijdrage kunnen leveren aan een opsporingsonderzoek. Om die redenen zou het voor de Nederlandse situatie niet effectief zijn om zoals bij de CMPD, één reviewer één zaak toe te wijzen.

Hoewel de rol van vrijwilliger in het reviewproces als nuttig werd ervaren, werd in verband met de haalbaarheid van het experiment besloten om de rol van vrijwilliger bij het reviewproces buitenwegen te laten.

RESULTATEN: ONDERZOEKSVRAAG 3
De review heeft drie maanden geduurd. Een door de teamleider geselecteerde cold case werd gedigitaliseerd, op een beveiligde USB stick geplaatst en verstrekt aan de reviewers. Alle reviewers hadden een politieachtergrond maar zijn overgestapt naar het bedrijfsleven.

Net als bij de CMPD hebben de reviewers een samenvatting gemaakt. Deze samenvatting werd inclusief de aanbevelingen besproken met leden van het cold case team tijdens de reviewbijeenkomst. Zowel bij het cold case team als bij het burger review team was er na deze bijeenkomst sprake van enthousiasme en de bereidheid om samen te werken. Zowel het burger review team als de leden van het cold case team gaven aan positief te kijken naar een samenwerkingsverband in de toekomst, mits de review op enkele punten verder zou worden ontwikkeld. Het is namelijk van groot belang te concluderen dat de ontwikkeling van een burger review team moet worden gezien als ‘work in progress’. Het overnemen van de werkwijze van de CMPD, bij dit experiment heeft nog niet geleid tot de meest optimale inzet van een burger review team, maar het kan wel worden gezien als een stap in de goede richting. Volgens de cold case teamleden hebben de reviewleden namelijk enkele relevante aanbevelingen gegeven. De meerwaarde voor de teamleider van het cold case team van de review door het burgerteam is dat een stapel dozen in de hoek van zijn kantoor nu een zaak is die potentie heeft om opnieuw bekeken te worden.

De samenstelling van het team, de inhoud van de samenvatting en de invulling van de reviewbijeenkomst, zijn punten die door zowel de reviewleden als cold case teamleden als ontwikkelpunten werden benoemd. Zoals eerder omschreven waren er een aantal kritieke succesfactoren die het team bij de CMPD zo effectief hebben gemaakt. Uit het experiment is gebleken dat investering in deze factoren bij zou kunnen dragen aan een positieve ontwikkeling van het burger review team.

Uit de review is gebleken dat naast een individuele selectie, de samenstelling van de groep ook een belangrijke factor is waar rekening mee gehouden moet worden indien er een burger review team zou worden geformeerd. De groepsleden voldeden als individu ruimschoots aan de selectiecriteria, maar als groep was de samenstelling mogelijk te eenzijdig. Om een cold case vanuit zoveel mogelijk invalshoeken te bekijken werd deelname van vrouwelijke reviewers en reviewers met een gevarieerde leeftijd en (politie)achtergrond als wenselijk werd gezien.

Door het enthousiasme van de burger reviewers en de cold case teamleden is er een goede vertrouwensbasis om de inzet van een burger review team verder te ontwikkelen. Het inzetten van een burger review team betreft een vorm van cocreatie. Dit is een actieve vorm van burgerparticipatie, die wederkerigheid vereist van beide partijen. Dit brengt met zich mee dat bij het invoeren van een soortgelijke werkwijze er wederzijdse verwachtingen en verplichtingen zullen ontstaan. Er zal dus het een en ander aan verwachtingsmanagement moeten worden gedaan.

Als het team daarnaast de tijd en ruimte krijgt om zijn draai te vinden, is de kans groot dat het in de toekomst zijn meerwaarde zou kunnen bewijzen.

AANBEVELINGEN
• Investeer in de ontwikkeling van een burger review team bij cold case onderzoeken en plan daarvoor een periode van ongeveer één jaar. Gebruik deze periode om met diverse werkwijzen te
experimenteren en om deze werkwijzen te evalueren en daar waar nodig te ontwikkelen.
• Stel in de opstartperiode een speciaal geselecteerde werkgroep samen die zich richt op de voortgang en ontwikkeling van het burger review team.
• Stel in de opstartperiode een procesbegeleider aan die fungeert als aanspreekpunt voor de burger reviewers en de cold case teamleden. De procesbegeleider is verantwoordelijk voor het faciliteren van de reviewers en begeleidt daarnaast het groepsproces en de brainstormsessies tijdens de review bijeenkomsten. Deze procesbegeleider kan tevens de samenwerking tussen het cold case team en het burger reviewteam monitoren en waar mogelijk verbeteren.
• Investeer in een goede selectie van reviewers en experimenteer met de samenstelling van het team. Onderzoek daarbij de mogelijkheid van één of meerdere burger reviewers zonder politieachtergrond.
• Zorg voor voldoende draagvlak voor zowel binnen als buiten de politie door de samenwerking en de eventuele successen van een burger review team te communiceren. Mogelijk kan dit bevorderd worden door een communicatieadviseur deel te laten nemen aan de eerder genoemde werkgroep.
• Bij dit onderzoek is het juridisch aspect van de inzet van een burger review team nauwelijks belicht. Zorg in overleg met het openbaar ministerie voor een duidelijke juridische afbakening van het burger review team en de werkwijze van het team en zorg dat dit in een protocol wordt vastgelegd.

Lees hier het volledige onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425288&doc=burgerreviewteam-200909070742&type=d]

Bron: Politieacademie

Sociale media veranderen het veiligheidsdomein

Boeksocialemediaveiligheidsdomein

Op 26 juni 2014 werd?het boek ‘Sociale media veranderen het veiligheidsdomein? gelanceerd. Tijdens de boekpresentatie hebben Roy Johannink, Arnout de Vries, Wouter Jong, Menno van Duin en?Jocko Rensen, allen deskundig op het gebied van sociale media, vanuit verschillende gezichtspunten de deelnemers een kijkje gegeven in de snel veranderende digitale wereld en ge?llustreerd?wat voor invloed dit heeft binnen het veiligheidsdomein

Met sociale media kunnen gebruikers online of mobiel informatie delen in een?sociale omgeving, waardoor een conversatie kan ontstaan. Het fenomeen sociale media heeft invloed op het veiligheidsdomein; wat en hoe wordt in dit handboek ‘?Sociale media veranderen het veiligheidsdomein’ beschreven.

Het handboek waaraan door diverse auteurs is meegewerkt, is een verdieping van de kennispublicatie van Infopunt Veiligheid (IFV) over Veilig omgaan met sociale media. In 11 hoofdstukken wordt verteld over de toekomstige en blijvende veranderingen van sociale media en wat de mogelijke invloed hiervan is binnen het veiligheidsdomein.
Aansluitend aan de boekpresentatie nam Jocko Rensen -??n van de co-auteurs, voormalig teamleider Infopunt Veiligheid en nu wethouder van de gemeente Houten- afscheid.

1. Presentatie ?Roy Johannink (VDMMP): Toekomstontwikkelingen bepalend voor het veiligheidsdomein
2. Presentatie Arnout de Vries (TNO): The Good, the Bad & the Ugly. Impact van sociale media op handhaving & opsporing
3. Presentatie Wouter Jong (NGB): Hoe sociale media bijdragen aan de leercurve van crisis-Nederland
4. Presentatie Jocko Rensen (gemeente Houten, voormalig teamleider Infopunt Veiligheid): Hoe je kijkt, maakt wat je ziet!

Het handboek begint met een inleidend hoofdstuk waarin de drie kenmerken en twee functies van sociale media worden uitgelegd. De hoofdstukken twee tot en met vijf behandelen de vier fasen van gebruik van sociale media: luisteren, produceren, reageren en interacteren. Hoofdstuk zes en zeven gaan over het gebruik van sociale media als (crisis)communicatiekanaal en informatiebron.

De wijze waarop organisatieprocessen kunnen veranderen en medewerkers dienen (mee) te veranderen, komen aan de orde in respectievelijk hoofdstuk acht en negen. Hoofdstuk tien belicht vervolgens de juridische kanten van sociale media en agressie. Het handboek sluit af met de visie en blik van een aantal auteurs op de mogelijke invloed van ontwikkelingen van sociale media op het veiligheidsdomein.

Dit handboek is een verdieping van de eerder uitgegeven kennispublicaties van Infopunt Veiligheid over veilig omgaan met sociale media van 2011, 2012 en 2013. De focus in dit handboek ligt op de blijvende verandering van sociale media in het veiligheidsdomein.

Burgers zijn positief over het feit dat de politie hen betrekt bij de opsporing

Burgers zijn positief over het feit dat de politie hen betrekt bij de opsporing. Dat is de belangrijkste conclusie van een onderzoek dat het lectoraat Criminaliteitsbeheersing & Recherchekunde van de Politieacademie uitvoerde in opdracht van politie Zeeland-West-Brabant naar aanleiding van het plaatsen van een moordzaak op het internet (onderzoek Mostafa Talaie zie persbericht 20 dec 2013).

Bij de inzet van van het Dossier Talaie is door 122 burgers een korte enqu?te ingevuld van tien vragen. De inzet van burgers heeft bij dit politieonderzoek zelf niet tot de oplossing van de zaak geleid. De vraag is volgens de onderzoekers of dit ?berhaupt wel lukt, als burgers op een voor hen onvolledig dossier hun scenario’s moeten baseren. Burgers lijken daar zelf ook aan te wijfelen, is gebleken uit de reacties. Voor veel respondenten voelde de hulpvraag als ‘ mosterd na de maaltijd’, aangezien het onderzoek al twee maanden aan de gang was. Ook de vraagstelling moet gerichter, meer op basis van informatie die dan al bekend is. Tegenover die twijfel staan wel grote pluspunten: het publiek vindt het een goed initiatief en waardeert het feit dat ze betrokken wordt. Volgens onderzoekers Henk Sollie en Nicolien Kop dient het rechercheteam ook een ‘ dossierfunctionaris’ aan te stellen dat input bijhoudt en vastlegt. Deze persoon houdt dan overzicht zodat er effici?nter gewerkt kan worden. Ook is het belangrijk burgers direct terugkoppeling te geven over hun bijdrage. Mensen weten dan wat ze wel of niet hoeven aan te dragen. Dit voorkomt dubbel werk bij zowel burgers als politie, aldus de onderzoekers.

Ik ben zelf sinds 2006 actief ten aanzien van het betrekken van burgers bij de opsporing. In Utrecht plaatsten we destijds al een cold case online met het verzoek aan burgers om mee te rechercheren.

In september 2011 vroeg de Groningse politie hulp van burgers bij het onderzoek Zuiderdiep. Hier werd de moordzaak al na een week online gezet. De Rotterdamse politie vroeg in 2012 de hulp van burgers via een website bij de vermissing van Monika Tanova.

Achtergrond
Begin 2011 heeft de politie de Strategie Aanpak Criminaliteit vastgesteld. In deze strategie is cocreatie met burgers en bedrijven benoemd als een van de drie hefbomen om de effectiviteit van de aanpak van criminaliteit te vergroten. De politie vraagt bijvoorbeeld burgers om hulp bij het oplossen van een moord. Het lijkt een moderne variant op het familiespel Cluedo, maar het is een serieuze oproep aan burgers om mee te denken in een lopend recherche-onderzoek. Wie kan het gedaan hebben, hoe kan het gebeurd zijn en wat is het mogelijke motief? Cocreatie is de meest intensieve vorm van burgerparticipatie waarbij een bedrijf of burger en de politie een gedeeld probleem hebben en gezamenlijk werken aan een oplossing die voor beide partijen waarde cre?ert.

Bij al deze zaken werden speciale websites gelanceerd waar burgers werd gevraagd mee te puzzelen en scenario’s aan te leveren ten behoeve van het onderzoek. Na enig recherchewerk werden deze scenario’s door de politie terug geplaatst op de website. Het grote verschil met de traditionele werkwijze is dat burgers niet enkel als informant betrokken werden, maar dat ze ook meedenken in de hypothese- en scenariovorming. Er kwam, zo bleek uit de evaluaties, waardevolle informatie binnen, die echter in deze zaken niet tot een doorbraak hebben geleid.

Positief over de inzet van het online dossier op politie.nl
Uit het onderzoek van de Politieacademie is gebleken dat nagenoeg alle respondenten positief zijn over de inzet van het online dossier op politie.nl. Met name vanwege de grote kennisbron en ?frisse blik? die aangeboord wordt. Iets meer dan de helft van de respondenten leverde ook suggesties voor verbetering van het onlinedossier en/of burgerparticipatie bij de opsporing. Hun aanbevelingen hebben betrekking op de wijze van informatieverstrekking, het design van de website en de interactie tussen burgers en het opsporingsteam en tussen burgers onderling. De resultaten van het onderzoek worden door de politie gebruikt om burgerparticipatie in de opsporing te bevorderen en verbeteren.

Lees hier het volledige rapport:

In de uitzending van Nieuwsuur (3 mei 2013) geven deskundigen een reactie:

Peter van Koppen, hoogleraar Rechtspsychologie aan de Faculteiten der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht en de Vrije Universiteit, spreekt over diskwalificatie van de recherche

?Wat hier gebeurd, is om burgers te laten meedenken alsof ze zelf rechercheurs zijn. Het is een diskwalificatie van je eigen vak. Want wat je zegt is: ?Ach, dat werk dat jullie als rechercheurs doen, dat kan iedere willekeurige burger doen.? Wat ze in feite doen is goed te vergelijken met een chirurg, die denkt van: ?Ach, ik heb hier een ingewikkeld probleem en hij gaat buiten op straat een paar willekeurige burgers aanhouden: ?Ik heb een ingewikkelde operatie, komen jullie dat even voor mij doen, dan hou ik wel even toezicht van een afstand.? Dat is nou precies wat de recherche nu aan het doen is.?

?Wij vragen burgers mee te denken en dan moet je ze informatie geven. Welke selectie aan informatie geef je ze. Dat is ten eerste een selectie aan informatie die gemaakt wordt door de rechercheurs die kennelijk niet instaat zijn om de zaak op te lossen. En bovendien moet je een zodanige selectie geven dat je niet alle privacy van allerlei mensen gaat schenden. En recherchewerk is nou eenmaal het schenden van de privacy van heel veel mensen. Dat hoort er bij. Als je dus de burgers het goed wilt laten doen, dan is het uitermate onethisch en als je het ethisch wilt doen, dan kunnen ze nooit helpen. We hebben bijvoorbeeld gezien in zaken als Marianne Vaatstra, waar allerlei mensen hun eigen onderzoekje zijn gaan doen op een uitermate onsmakelijke manier. En dat zou je hier ook kunnen verwachten als je mensen oproept om dit soort werk te gaan doen.?

?Wat natuurlijk het probleem is, stel dat burgers enthousiast gaan meewerken, dan gaan ze ontzettend veel gegevens produceren en aan de politie aanleveren. Filmpjes aanleveren, hun eigen bevindingen aanleveren, de scenario?s die ze bedacht hebben aanleveren. En als je burgers serieus neemt in dit project, moet je dat ook serieus gaan onderzoeken. Dus het is heel veel werk voor de politie met een hele kleine kans dat het ergens toe leidt.?

Danny Mekic, ondernemer en internetexpert, spreekt over een goed initiatief, want burgers bemoeien zich hoe dan ook met politieonderzoeken

?Wat je nu ziet gebeuren is dat burgers dus wel op zoek gaan naar daders, die informatie openbaar op sociale media met elkaar gaan lopen delen waar ook foutieve informatie tussen komt te staan en dus kwetsbare onschuldige mensen met naam en toenaam opeens worden gezien als een verdachte van iets. En het zou veel beter zijn als de politie iets zou ontwikkelen, een heel goed, mooi platform, noem het ?crowd-policing?, waarbij burgers dus kunnen zien: ?Dit zijn op dit moment lopende zaken waar wij zelf geen spoor meer hebben?.?

Achtergrondfilmpjes over het moordonderzoek Zuiderdiep:

Seminar cocreatie in de opsporing (verslag en presentaties)

Het lectoraat Criminaliteitsbeheersing & Recherchekunde organiseerde op 11 september jongstleden het seminar ?Cocreatie in de opsporing.? Een druk bezochte bijeenkomst met vertegenwoordigers uit de politiepraktijk, het politieonderwijs en ? inherent aan het thema ? burgemeesters, gemeenteraadsleden en vertegenwoordigers van andere partners in de veiligheidsketen. In de maandelijkse seminars van de Politieacademie delen lectoraten hun visie en onderzoeksresultaten met politiepraktijk en -onderwijs.?Conclusie van deze avond: cocreatie kan de politie veel brengen, maar vraagt ook veel. Kansen en risico?s, dilemma?s, opbrengsten, randvoorwaarden en succesvolle voorbeelden: het lectoraat zal een belangrijke bijdrage hebben door deze in kaart te brengen.?
?
Cocreatie is een van de speerpunten van het lectoraat, zo maakte lector Nicolien Kop al duidelijk in haar lectorale rede op 21 juni ?Van opsporing naar criminaliteitsbeheersing.? Volgens Kop moet de politie van een incidentgerichte, reactieve werkwijze naar een meer pro-actieve, op problemen gerichte aanpak van criminaliteit. De samenwerking met burgers en veiligheidspartners en publiek-private samenwerking is daarin onontbeerlijk. Kop: ?Het is niet effectief om de politie alleen verantwoordelijk te stellen voor het opsporen van daders van gepleegde misdrijven. Willen we echt wat doen aan de veiligheid in Nederland dan moeten we meer inzetten op het voorkomen van misdrijven en zowel burgers, bestuur als bedrijfsleven daarbij betrekken.? Nicolien verwees daarbij naar enkele actuele voorbeelden uit de praktijk, onder meer in Rotterdam-Rijnmond (zie?www.helpmonikavinden.nl).
Vermaatschappelijking
Na de inleiding van Nicolien Kop was het woord aan Pieter Tops, portefeuillehouder kennis en onderzoek binnen het College van Bestuur van de Politieacademie. Hij sprak over ?vermaatschappelijking van de opsporing? als verbijzondering van de vijfentwintig jaar geleden ingezette vermaatschappelijking van de politie als geheel. Tops sprak in navolging van Kop van een onvermijdelijke ontwikkeling, maar wees ook op de ?geboortepijnen? die ermee gepaard gaan. In dat kader benadrukte hij het belang van wederkerigheid. ?Cocreatie is niet een kwestie van over de schutting gooien van taken. Het vraagt van de politie dat zij ook informatie deelt en terugkoppelt wat zij doet met informatie. Om vrijblijvendheid te voorkomen is het van het grootste belang om betrouwbaar te zijn als politie, om afspraken na te komen. Dat vraagt om het nadrukkelijk uitspreken van verwachtingen tussen de samenwerkende partijen.? De Politieacademie gaat onderzoek uitvoeren naar de invoering van de Nationale Politie. Dat onderzoek zal zich onder meer toespitsen rondom de robuuste basisteams en de rechercheteams. Tops deed hierbij een oproep aan de aanwezige recherchechefs om zich hiervoor aan te melden.
?
Cultuurverandering
Albert Meijer van?de Universiteit Utrecht, ging vervolgens dieper in op de kenmerken en het ontstaan van cocreatie en het gebruik??van nieuwe media voor cocreatie in de opsporing. Ook hij benadrukte dat het veel verder gaat dan het benutten van de burger als informatiebron. De relatie moet wederkerig zijn en de burger is nadrukkelijk bezig met het bedenken van creatieve idee?n. Volgens Meijer past het versterken van burgerparticipatie bij een ?strong democracy? en zijn er indicaties voor positieve opbrengsten voor de politie. Wel zijn er ook ongewenste effecten, maar dat is geen reden om het niet te doen. Volgens Meijer vraagt cocreatie wel om een cultuurverandering bij de politie.
?
Opbrengsten en randvoorwaarden
De volgende spreker, Martin van Bochove van het Centrum Versterking Opsporing, gaf aan dat in zijn optiek cocreatie onvermijdelijk is en derhalve niet om een??cultuurverandering bij de politie vraagt maar die cultuurverandering zelf zal brengen. Hij ging verder in op cocreatie als een van de drie hefbomen die een dreigende crisis in de opsporing moet bezweren. Naast cocreatie zijn dat netwerkend werken en directe aanpak & afhandeling. Arnout de Vries van TNO ging vervolgens in op?Burgeropsporing?online: van crowdsourcing naar online cocreatie. Met een pakkende presentatie wist hij de aanwezigen mee te nemen in de nabije toekomst waar de politie in haar netwerken effectief is als gelijkwaardige partner in het proces naar criminaliteitsbe?nvloeding. De avond werd afgesloten met een paneldiscussie tussen de sprekers en het publiek.?Een van de aanwezige burgemeesters zei de politie in de praktijk als een ?gesloten bastillon? te ervaren, met weinig oog voor de verantwoordelijkheid voor veiligheid van het openbaar bestuur. Een tweede aanwezige burgemeester had daar weer heel andere ervaringen mee. Beiden erkenden het belang van cocreatie voor de politie. Er lijkt nog een wereld te winnen.
?
De presentaties van Albert Meijer en Arnout de Vries vind je hieronder:
En de lectorale rede van Nicolien Kop:

Resultaten onderzoek naar monitoren en toepassen social media tbv handhaving en opsporing

Hierbij koppelen we graag de resultaten terug van de?enqu?te?op politie 2.0 die in de zomermaanden van 2011 werd afgenomen. Het vormt onderdeel van meerdere initiatieven op het gebied van handhaving en opsporing die TNO uitvoert in samenwerking met diverse korpsen en de Politieacademie waarin gekeken wordt naar (het monitoren en inzetten van) social media. Hierbij bedanken we alle politie 2.0 bezoekers die hebben deelgenomen, wensen we iedereen leesplezier en zijn we uiteraard benieuwd naar jullie reacties op de uitkomst!

Hieronder?de samenvatting, de volledige resultaten zijn?hier?te downloaden


Doelstelling van het onderzoek
Het in kaart brengen van het huidige gebruik en de dilemma’s van social media voor veiligheidsorganisaties. De enqu?te resultaten zijn onderdeel van de input die verzameld wordt voor een toekomstvisie en nieuwe en concrete toepassingen van social media in de praktijk.

Deelnemersveld
De resultaten van deze enqu?te komen uit een brede vertegenwoordiging van veiligheidsorganisaties (in totaal meer dan 30 organisaties of onderdelen), waaronder 18 van de 25 politie korpsen, de Koninklijke Marechaussee,? politieacademie, diverse ministeries en zelfs tot over de grens: korps Politie Sint Maarten en de federale politie Belgi?. De resultaten moeten in het licht gezien worden van het deelnemersveld en het feit dat deze deelnemers (zeer) veel affiniteit hebben met social media, wat in lijn der verwachting was bij het publiek dat op politie 2.0 actief is.

Succesvolle inzet van social media en onbenutte kansen
De grootste kansen voor social media worden gezien in de opsporing, waarna handhaving en intake en noodhulp volgen. Andere belangrijke toepassingsgebieden zijn preventie, grootschalig optreden bij evenementen of incidenten, werving en imago verbetering. ?Er worden nu al veel kansen benut t.a.v. het netwerken, uitwisselen van informatie/kennis met deskundigen en (steeds meer) met burgers. Dit is goed voor de zichtbaarheid en onderling begrip. Bij de interactie met de laatste groep liggen vooral kansen in het samenwerken (dichten van de kloof) middels nieuwe werkwijzen als co-creatie en/of crowdsourcing om de ogen en oren van de massa, maar ook wat er tussen de oren zit, te benutten bij het oplossen van zaken of in de openbare orde.

Belemmeringen en bedreigingen die optimale inzet social media vandaag en voor de toekomst in de weg kunnen staan
Vandaag de dag zijn vooral de mentaliteit/cultuur en de kennis en vaardigheden belemmerend. Daarnaast wordt de inbedding in systemen en processen genoemd, alsmede het investeren in capaciteit en middelen. Weerstand zit er in allerlei lagen van de organisaties. Vooral de jongere, nieuwsgierige of technisch ge?nteresseerde collega?s, meestal medewerkers die vanuit hun functie al contact hebben met burgers zoals wijkagenten en communicatie afdelingen, zijn al aan de slag met social media. Hierbij worden (vaak gratis en eenvoudige) middelen gebruikt en ze ?zeggen? er voordeel van te ondervinden. Het gebrek aan (structureel) bewijs van de effecten van social media gebruik en de beperkte uitwisseling van ervaring zorgen voor veel scepsis. De vraag of inzet van social media nu overschat of onderschat wordt blijft daardoor onbeantwoord.
Bedreigingen die in de toekomst naar verwachting alleen maar groter worden zijn dilemma?s over hoe om te gaan met de toenemende stroom aan informatie en interactie met burgers. Men ziet extra capaciteit, opleiding, betere middelen, processen en verandering in de organisatie als moeilijk te nemen drempels. Verder speculeert men over de afbreukrisico?s t.a.v. privacy (o.a. wetgeving), gebrek aan controle, misbruik in diverse vormen, en het feit dat verdachten dit middel ook steeds beter benutten.

Social media en handhaving
Het nut van social media bij handhaving van de openbare orde, oa ten tijde van grote evenementen en incidenten, scoort hoog. Vooral informatie inwinning, voorlichting en crowd management zijn veelgenoemde toepassingen. Men wenst vooral te monitoren wat er speelt in bepaalde gebieden en op onderwerp. Belangrijk is ook sociale netwerk analyse en zien wie er actief is. Het effect van eigen berichtgeving wenst men ook inzichtelijk te krijgen, zoals het bereik van berichten bij voorlichting of het effect van pogingen om geruchten te weerleggen.? Het vaststellen van betrouwbaarheid van berichten van burgers is minder belangrijk dan bij opsporing.

Social media en opsporing
Opsporingsmogelijkheden scoren zeer hoog en hier zitten volgens de meeste deelnemers nog veel kansen. (Digitaal) buurtonderzoek, het vinden van getuigen middels social media en het inzetten van crowdsourcing en cocreatie op diverse manieren om burgers te betrekken bij het oplossen van zaken. Of dit nu in het eerste uur is (heterdaadkracht) of later in de tijd. Veel vragen die bij diverse zaken spelen kunnen middels social media worden aangevuld. Ofwel doordat informatie te vinden is, ofwel door het te durven vragen. Het gedrag van steeds meer mensen wordt transparant en wanneer gesloten bronnen met open bronnen gecombineerd kunnen worden ontstaat een vollediger beeld. Uiteraard zijn er diverse belemmeringen om de kansen te kunnen benutten. Crowdsourcing wordt in overleg met het OM nog voorzichtig toegepast, de middelen om slim te kunnen monitoren, infiltreren, informatie te valideren, dit als bewijslast op te voeren zijn zaken die nog niet ideaal zijn opgelost.

Conclusie
Hoewel social media al in de praktijk gebruikt wordt voor bepaalde toepassingen, zijn de middelen nog relatief eenvoudig en is het nog niet ingebed in de bedrijfsvoering. Hoewel de adoptie gestaag zal groeien en zowel vanuit de werkvloer als vanuit management plaatsvindt op diverse plekken, is er nog wel wat nodig om structurele stappen te maken. Er is voor de diverse onderdelen een eenduidige visie en strategie nodig die door alle lagen in de organisatie ondersteund wordt. Diverse organisaties voeren momenteel nog experimenten uit. Slechts op een paar plekken heeft dit speelkwartier plaatsgemaakt voor operationele inbedding. Wijkagenten en afdeling communicatie lijken hierin nu voorop te lopen en binnen de opsporing en andere handhavingsgebieden (zoals evenementen en grotere incidenten) liggen veel kansen. Voor een bredere adoptie in de organisatie zullen genoemde belemmeringen weggenomen moeten worden. Een proces dat ondanks organisatie veranderingen en bezuinigingen zowel top-down als bottom-up al in gang is gezet, maar waarvan verdeeldheid is over met welke prioriteit dit zou moeten gebeuren. Gebrek aan inzicht over het structurele effect van het inzetten van social media, is een van de genoemde redenen. Intussen hebben velen deze bewijslast niet nodig en zij nemen vanuit hun passie het voortouw.