Tagarchief: onderzoek

Twitter en bioritme

bioritme_1_500x376

Tweets veranderen van karakter gedurende de dag en week, blijkt uit een Amerikaanse analyse van ruim 20 miljoen tweets.

?s Ochtends op hun werk tweeten mensen vooral over verplichtingen en #ergernissen. #grr #zucht

Later op de dag pieken de tweets over #gezelligheid en sociale activiteiten. #drankje #bijkletsen

Weinig frustratie en juist veel positiviteit in het #weekend. Dan tweeten mensen vooral over #succes, #schoonheid en #liefde.

Vrouwen delen meer emoties ? positief en negatief ? en plaatsen meer romantische berichten. #mijnliefkooktvoorme

Tweets van mannen gaan vooral over wat ze op dat moment doen. #patathalen

Meer dan 20 miljoen Tweets uit?een periode van twee weken zijn geanalyseerd om de psychologische eigenschappen van diverse dagelijkse?situaties te doorgronden. Het?DIAMONDS?model is daarbij gebruikt om (semi)automatisch individuele Tweets te scoren in een classificatie voor dagelijkse situaties. Dagelijkse en wekelijkse patronen werden ge?dentificeerd met voorspellende temporele trends, die vervolgens gevalideerd werden. Op weekdagen pieken zakelijke dingen in de ochtend en dalen daarna gestaag terwijl sociale zaken richting de avond stijgen. Negativiteit is het hoogst tijdens de werkweek en het laagst in het weekend. Positiviteit toont het tegenovergestelde patroon. Geslachts- en locatiespecifieke verschillen zijn ook?verkend. Vrouwen delen zowel meer emotioneel geladen (positieve en negatieve) situaties, terwijl er geen verschillen gevonden zijn tussen?mannen en vrouwen in ” doe” dingen. Verschillen tussen?landelijke en stedelijke gebieden zijn niet gevonden. In onderstaand paper worden ook toekomstige toepassingen met deze methode besproken.

Bronnen: Situations in 140 characters: assessing real-world situations on Twitter, Plos One, november 2015

Bellingcat: DIY Detectives

SelfieSoldiers1
De laatste jaren is er spectaculair veel informatie te verzamelen op het internet. Een kwestie van goed zoeken en slim analyseren. Open Source Intelligence is een steeds belangrijker deel van het werk geworden. Het onderzoekscollectief Bellingcat, bestaande uit een paar medewerkers en tientallen vrijwilligers, kwam afgelopen weekend weer in het NOS-journaal. Eliot Higgins en zijn team van open source onderzoekers baarde? in 2014 opzien door met foto- en videomateriaal aan te tonen dat een BUK-raketsysteem op 17 juli 2014 in de buurt van de rampplek werd gesignaleerd. Op een foto is te zien hoe ??n van de raketten op de installatie ontbreekt na de aanslag. De beelden werden later door het internationale onderzoeksteam gebruikt voor een getuigenoproep.
Nu heeft Bellingcat twintig Russische militairen ge?dentificeerd die betrokken moeten zijn geweest bij de lancering van de BUK-raket die op 17 juli 2014 de MH17 neerhaalde. De onderzoekers wisten in totaal drieduizend relevante beelden te verzamelen. Een sleutelmoment in de zoektocht was de vondst van militaire presentielijsten. Foto’s van die lijsten waren door soldaten gepost op Instagram. Door de informatie te vergelijken met profielen op sociale media wisten de onderzoekers de eenheid gedetailleerd in kaart te brengen. Het is bijzonder om te zien hoeveel informatie het Russische leger prijsgeeft via sociale media. Het bijzondere aan deze en andere primeurs van Bellingcat is dat ze niet zijn gebaseerd op het hacken van Russische sites of Wikileaks, maar op openbare bronnen, zoals Instagram, Twitter en Facebook. De namen van de militairen die zich bezighielden met de verplaatsing van het lanceerplatform van de BUK-raket stonden op Instagram.

De vrijwillige Bellingcat burgerrechercheurs publiceren hun bevindingen op Bellingcat.com. De organisatie van Higgins is niet onomstreden. Het zou soms onduidelijk zijn hoe betrouwbaar de geleverde informatie is en waar die vandaan komt. Of de MH17-info overeind blijft in een rechtszaal staat nog te bezien. Maar die twijfels horen bij elke nieuwe vorm van informatievergaring. In die enorme berg van informatie die is verzameld in de sociale media, bevindt zich ook info die een licht werpt op waarheden die anders bedekt waren gebleven. Je kan met behulp van sociale media duizenden puzzelstukjes verzamelen die samen een tot dan verborgen werkelijkheid blootleggen. De burgerrechercheurs van Bellingcat tonen ons die mogelijkheden. Het is ouderwets zoeken naar een speld in de hooiberg; maar de hooiberg is honderd keer zo groot geworden en er liggen meer spelden in verborgen.

Binnenkort zullen we op dit blog een interview plaatsen met een?Nederlands lid van de Bellingcat onderzoekers die heeft meegewerkt aan dit en vele andere onderzoeken. Bekijk in de tussentijd ook het interview dat we een jaar geleden met initiatiefnemer Eliot Higgins hebben geplaatst over burgeropsporing.

selfiesoldiers4 selfiesoldiers3 SelfieSoldiers2

selfiesoldiers5

Bronnen:?NOS, Volkskrant, NRC,?Bellingcat

Buurtwacht: “Het mooiste is een heterdaadje”

In steeds meer wijken zijn buurtwachten die een oogje in het zeil houden. Werken ze? En hoe dan?

De buurtwacht liep twee man sterk door de straat toen iemand uit de bosjes kwam. Marco Gerritsen (37) richtte zijn zaklamp op de figuur. ,,Wat ben jij aan het doen?” Geplast, antwoordde de man, en verdween. ,,Maar hij droeg handschoenen, dat vonden we vreemd. En hij was helemaal in het zwart gekleed. Dat vonden we verdacht.” Gerritsen belde de politie, die in de buurt was. De man werd gevonden en ontmaskerd: een benzinedief. Dat was in 2014, hun grootste vangst tot nu toe.

Maandereng is een Edese nieuwbouwwijk uit de jaren tachtig, met rijtjeshuizen. In 2013 was er een inbraakgolf; bijna iedereen kende wel een buurtbewoner van wie spullen waren gestolen. ,,Mensen voelden zich minder veilig in hun huis”, zegt Gerritsen. Hij is beveiliger op Schiphol en richtte in 2013 een buurtteam op. Gewoon, door een Facebookpagina aan te maken en een oproep te plaatsen voor buurtbewoners. Nu patrouilleren er meestal zeven dagen per week mensen met gele hesjes door de straten. Zij speuren naar onveilige situaties.
Het team heeft een harde kern van acht leden. ,,Schoonmakers, vuilnismannen, iemand die nog op school zit, beveiligers zoals ik.” Als ze iets verdachts zien, bellen ze de politie, gewoon op 112. Ze hebben geen privileges boven andere burgers.

De afgelopen vijf jaar zijn er in Nederland veel van dit soort ‘buurtpreventieteams’ (BPT) bijgekomen, constateren onderzoekers onafhankelijk van elkaar. Marco van der Land – tot vorig jaar gespecialiseerd in veiligheid en burgerschap aan de Vrije Universiteit, inmiddels verbonden aan de Haagse Hogeschool – schat dat er zo’n driehonderd van deze teams actief zijn.

bordje-Attentie-Buurtpreventie-WhatsApp

Tegen het plafond
Schoonmaakster Hilda van Stuivenberg (45) loopt meestal twee diensten per week. Vandaag praat ze, sigaretten rokend, met medebuurtwacht John van der Linden (66), gepensioneerd jongerenwerker. Links en rechts schijnen ze met hun zaklantaarn op woningen, auto’s, in steegjes waar de achtertuinen aan grenzen. Als er een raam openstaat en de bewoners lijken niet thuis, doen ze een ,,waarschuwingsbericht” in de bus. Vandaag is dat nergens nodig. Het is stil op straat. Er is een man die zijn bruine labrador uitlaat.

De misdaad in Nederland wordt harder, denkt Van Stuivenberg. Mensen kunnen minder hebben en ,,vliegen snel tegen het plafond”, zegt Van der Linden. Onderzoeker Van der Land filosofeert graag over ,,dat toenemende gevoel van onzekerheid” dat Nederlanders hebben. Ook het ,,gevoel van onbehagen en onveiligheid” is naar zijn idee toegenomen.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeerde deze maand dat 60 procent van de Nederlanders de indruk heeft dat criminaliteit toeneemt. In 2012 was dat nog 64 procent. Terwijl Nederland volgens het SCP veiliger wordt. Uit het onderzoek blijkt dat Nederlanders in 2014 de ,,minste criminaliteit sinds jaren” rapporteerden.

Voor Hilda van Stuivenberg is de buurtwacht een soort sport. Ze is suikerpati?nt, wil genoeg bewegen, en de spinning bike op zolder is zo saai. Van der Linden heeft in de jeugdzorg gewerkt en wil graag iets betekenen voor zijn wijk. Mensen initi?ren buurtwachten vaak zelf, zegt onderzoeker Van der Land: ,,Het gaat vaak niet zozeer om probleemwijken, maar juist om meer gegoede buurten.” De gemeente verstrekt soms ‘werkkleding’, biedt cursussen en houdt contact met de wachten.

Ongeveer zeven keer heeft buurtwacht Maandereng een ,,heterdaadje” gehad dat tot een aanhouding leidde. Behalve de benzinedief was er ook een man die twee broden stal uit een magazijn.
Vorig jaar met Oud en Nieuw was een groep jongeren fikkie aan het stoken, zegt Van Stuivenberg als ze langs een schutting naast een bedrijventerrein lopen. Ze raakte aan de praat met een van de jongens, die vertelde onder invloed van coke en speed te zijn. ,,Ze wilden naar een of ander partyfeest. Dus toen heb ik de politie gebeld.” De jongen werd opgepakt.

Slecht imago
Buurtwachten hebben soms een slecht imago, zegt Van der Land. ,,Als ze in achtertuinen gaan kijken of de deur op slot zit, vinden sommige mensen dat heel vervelend.” Toen Marco Gerritsen met zijn idee voor een buurtwacht bij de gemeente aanklopte, werd gewaarschuwd: ,,Maar het moet geen knokploeg worden.”

Ook in Maandereng werd geprotesteerd. Het oudste lid van de Edese buurtwacht ging vroeg in de morgen zijn honden uitlaten en ontdekte de leuzen op woonhuizen en stroomhuisjes. Er stonden dingen als ‘BPT weg ermee” en ,,kankerzooi NSB”, herinnert Van Stuivenberg zich. Ze vermoeden dat het een bekende ,,anti-autoritaire” man uit de wijk is, maar de dader is nooit gevonden. Van der Land: ,,Het is een paar keer gebeurd dat iemand van een buurtwacht door bewoners werd belaagd.”

Effecten buurtwacht
In Nederland zijn nog geen resultaatmetingen naar burgerwachten gedaan. Buitenlands onderzoek laat een positief beeld zien, constateert socioloog Vasco Lub, verbonden aan de Erasmus Universiteit. ,,Uit de meerderheid van internationale evaluaties blijkt een grotere reductie of kleinere toename in criminaliteit ten opzichte van vergelijkbare wijken waar geen burgerwachten actief zijn.”

Gemeente Ede denkt dat de buurtwacht in Maandereng heeft geholpen. In 2014 is het aantal inbraken in de hele stad met bijna 45 procent gedaald ten opzichte van 2013 – wijkspecifieke cijfers ontbreken. Vaak gaat dit soort projecten samen met andere initiatieven om de veiligheid te vergroten, zoals inbraakpreventiecampagnes. Dat maakt de directe invloed lastig meetbaar.

In Tilburg zijn het afgelopen jaar opmerkelijke resultaten geboekt met een digitale burgerwacht. In verschillende wijken nemen bewoners deel aan WhatsAppgroepen, waar ze – nadat ze de politie hebben gebeld – melding doen van verontrustende gebeurtenissen. In de 35 Tilburgse buurten waar tot dan toe een digitale burgerwacht was, is het aantal inbraken afgenomen met 40 procent.

Op dit moment zijn in negentig Tilburgse straten en buurten WhatsAppgroepen actief. De wijkagent wordt er ook bij betrokken. Ben Vollaard, hoofddocent economie aan de Universiteit van Tilburg, doet samen met student Martijn Akkermans onderzoek naar de invloed van de WhatsAppgroepen. ,,Die hebben een afschrikwekkend effect”, zegt Vollaard. Vaak zijn potenti?le inbrekers mensen uit de buurt, die horen dat bewoners elkaar waarschuwen als er iets gebeurt, ze weten dat er in de wijk goed wordt opgelet. ,,Ik houd me al heel lang met preventie bezig, en hoe goed dit werkt is echt h??l bijzonder.”

Uit het onderzoek van Marco van der Land blijkt ,, vrij duidelijk”, zo zegt hij, dat buurtwachten kunnen bijdragen aan het vertrouwen in de overheid en dat het een gevoel van veiligheid kan geven. Dat geldt overigens vooral in wijken waar mensen langere tijd blijven wonen en elkaar al kennen. Als er een hoge ‘omloopsnelheid’ is, worden bewoners juist angstiger als ‘buurtpreventisten’ in gele hesjes door de wijk struinen.

De buurtwacht Maandereng heeft een eigen keet, waar de leden om op te warmen automaatkoffie drinken uit plastic bekertjes. Van der Linden en Van Stuivenberg gaan meestal nog door tot een uur of twaalf ’s nachts. Als het rustig is, kijken ze bij mensen naar binnen. Het is een soort tv-kijken, zeggen ze. ,,Voor ons is het ook leuk als er iets gebeurt.”
Als ze in achtertuinen gaan kijken of de deur op slot zit, vinden sommige mensen dat heel vervelend

Bronnen:?NRC Handelsblad

 

Samen ten strijde trekken op het Dark Web

dark web1Op het Dark Web kunnen criminelen relatief eenvoudig handelen in drugs, wapens of kinderporno. Ook cybercriminelen, mensenhandelaren en terroristische organisaties zijn er actief. Interpol global complex on innovation en TNO ontwierpen een training waarin misdaadbestrijders leren hoe criminelen handelen op dit duistere deel van het internet.

Het Dark Web is een verza?meling van duizenden websites, die gebruik maken van TOR of I2P-adressen om IP-adressen te verbergen. Op die manier kunnen criminelen en terroristen anoniem blijven en dat is precies wat ze willen.? Aan het woord is Pim Takkenberg, TNO?er en oud-politieman. ?Neem een drugshandelaar. Die komt alleen nog in contact met de re?le wereld bij het kopen en het afleveren van de handelswaar. Maar ook daar zijn trucs op gevonden, zoals het gebruik van leegstaande panden.?

Criminelen kunnen op het Dark Web een tweede identiteit aannemen, compleet met virtueel geld, marktplaatsen en sites waar ze elkaar vertellen hoe betrouw?baar een potenti?le zakenpartner is. Takkenberg: ?Ze voelen zich op het Dark Web zo op hun gemak, dat ze de re?le wereld zo veel mogelijk proberen te vermijden.?

Big Data tegen criminelen

Rechercheren op het duistere internet is een vak apart zegt TNO?er Mark van Staalduinen, die van huis uit big data analyse expert is: ?Big data helpt bij de opsporing op het Dark Web. Zo kan de taal die criminelen gebrui?ken een indicatie zijn voor de plaats waarvandaan ze opereren. Maar Nederlandse criminelen weten dat ook en communiceren bij voorkeur in het Engels. Wie nog ?Nederlands gebruikt, krijgt een waarschuwing van de anderen.? Al met al is duidelijk, concludeert Van Staalduinen, dat criminelen en terroristen het internet steeds vaker en steeds slimmer gebrui?ken en dat de opsporingsinstan?ties niet mogen achterblijven.

Van Staalduinen en Takkenberg ontwierpen daarom samen met TNO?er Pieter Hartel en collega?s van het Interpol Global Complex on Innovation de vijfdaagse Dark Web Training Game. Hartel: ?We hebben realistische trainingsomgeving gebouwd waar de cur?sisten de rol van koper, verkoper of administrator spelen en op marktplaatsen handelen met cryptovaluta?s zoals de Bitcoin. Ook leren ze er welke opsporings?methoden effectief zijn en hoe ze die moeten toepassen.?

Cursisten uit 21 landen

Het ?spel? bevindt zich in een veilige en gecontroleerde trainings- omgeving en zonder de beperkingen die de wetgeving stelt aan deals met criminelen in de re?le wereld. Van Staalduinen: ?De trainingsomgeving is flexibel en kan snel worden aangepast aan de nieuwste methoden van crimi?nelen. Met de opgedane kennis kunnen de cursisten bovendien het bewustzijn over de dreigingen van het Dark Web in hun eigen organisatie vergroten.? De cursus is inmiddels in Singapore gehou?den met deelnemers uit eenen?twintig landen, waaronder Australi?, Finland, Ghana, Hong Kong, Indonesi?, Nederland en Turkije. Van Staalduinen: ?De cursisten waren erg enthousiast en we gaan op grond van hun ervaringen nu verbeteringen aanbrengen. Daarna gaan we de cursus verder uitrollen. Bovendien zullen we op 4 november in het kader van de campagne Alert Online aan mkb?ers en journalisten een verkorte versie presenteren.?

De leermomenten van de cursisten

De cursisten van de eerste Dark Web Training Game waren vooral blij met het realistische karakter van de trainingsomgeving waarin ze konden oefenen. Hun namen kunnen om begrijpelijke redenen niet genoemd worden, maar hun meningen zijn duidelijk genoeg.

?Ik was verbaasd over het gemak waarmee je toegang kunt krijgen tot een illegale marktplaats en ook over het gemak waarmee je daar kunt handelen?, schreef een van hen. Een andere cursist merkte op, dat het hem tijdens de training nog eens extra duidelijk was geworden hoe een?voudig het is om een carri?re te maken als crimineel op het Dark Web.

Ook opsporing hoort bij de cursus en tijdens dat onderdeel leerden de cursisten hun nieuwe kennis en vaardigheden toe te passen. ?Eindelijk een training die echt is gericht op wetshandhaving?, was een veelzeg?gende opmerking. ?We maakten fouten en realiseerden ons dat criminelen dezelfde fouten maken. Daar gaan we gebruik van maken?, schreef een andere cursist. En dat de cursus ook direct praktisch nut heeft, wordt duidelijk uit de opmerking van deze cyberrechercheur: ?Ik kon eindelijk een echt onderzoek uitvoeren op het Dark Web.?

Bekijk hoe het Dark Web ook mainstream kan of onvermijdelijk zal?gaan als het aan Jamie Bartlett en Alan Pearce ligt en niet alleen een plek voor criminelen is, maar juist voor iedereen om te gaan begrijpen en gebruiken:

Bronnen: TNO

Sociale media vaak betrokken bij noodsituaties

Sociale media zijn en blijven een belangrijke informatiebron bij noodsituaties. Whatsapp, Twitter en Facebook zijn nog steeds de belangrijkste kanalen voor informatie, hoewel een klein deel van de Nederlanders vindt dat hulpdiensten ook via Youtube relevante informatie zouden moeten communiceren.

Dat blijkt uit onderzoek van VDMMP (sinds 1 sept?onderdeel van?PBLQ)?in opdracht van het Rode Kruis. Mensen verwachten anno 2015 dat hun hulpvraag in noodsituaties door de betrokken instanties snel wordt beantwoord. Een melding via sociale media zou volgens 40% van de respondenten in 2020 net zo snel opgepakt moeten worden als een melding via 112. Meer dan de helft van de respondenten geeft aan hulpdiensten via sociale media te benaderen indien het telefoonnetwerk overbelast is.

Persoonlijk contact nog steeds het belangrijkst
Mensen aanwezig bij een noodsituatie halen hun informatie steeds vaker van sociale media. Ook andere media en telefonisch contact met familie en vrienden zijn belangrijk. Respondenten aanwezig bij een noodsituatie hebben vooral via televisie, radio, websites van lokale overheid en de Whatsapp informatie ontvangen. Twitter en Facebook volgen hierna pas.

In dit digitale tijdperk is telefonisch contact nog steeds populairder dan sociale media om familie en vrienden op de hoogte te brengen van de eigen situatie. Minder dan de helft van de respondenten is van plan zelf berichten op sociale media te plaatsen, mochten zij in een noodsituatie verkeren.

Onderzoeker Niek van As van VDMMP: ?Interessant is dat sociale media ??n van middelen is voor informatie, terwijl de bron van informatie zoals familie/vrienden, buurtbewoners, hulpdiensten en media verschillen. De bronnen komen dus bij elkaar op sociale media. De onderzoeken laten door de jaren heen zien dat sociale media vooral worden gebruikt om informatie te ontvangen bij noodsituaties, minder om zelf informatie te delen. Je zag bijvoorbeeld na de ramp met de MH17 op 17 juli 2014 in de Oekra?ne dat iets minder dan de helft (45%) van de respondenten sociale media gebruikt, waarbij 90% het heeft gebruikt voor het verzamelen van informatie.?

MH17 social media

Als het gaat over alerteringen bij noodsituaties, hebben de bestaande alerteringen via bijvoorbeeld NL-Alert de voorkeur (zo?n 60%). Een extra app gebruiken om informatie te ontvangen bij een noodsituatie heeft de voorkeur van ruim 40% van de respondenten. Nieuwe mogelijkheden zien respondenten ook voor YouTube als rampenzender, maar dit gaat voor sommigen nog te ver. Inmiddels zijn halverwege 2015 de (live) streaming apps Periscope en Meerkat door enkele media, zoals RTV Noord en TV West, al omarmd als extra communicatiekanaal.

social media noodsituaties

Werk aan de winkel voor het Rode Kruis
Om familie en vrienden te informeren bij noodsituaties is het ook mogelijk om gebruik te maken van de Rode Kruis website ?ikbenveilig.nl?. Minder dan 5% geeft echter aan de website al te kennen. De website is bedoeld om het grotere sociale netwerk buiten directe familie en vrienden te bereiken in geval van nood.

Het Rode Kruis kan rekenen op veel burgerhulp. Indien het Rode Kruis een oproep zou doen om hulp te verlenen bij een noodsituatie geeft 49% van de respondenten aan dat zij hier gehoor aan wil geven (al dan niet via sociale media). Hun reactie is daarmee vaak dat ze een bijdrage willen leveren aan waar de hulp nodig is. Ruim een derde geeft aan zich te willen aanmelden. Dit kan inmiddels ook bij het netwerk Ready2Help van het Rode Kruis. Overigens geeft zeventig procent aan niet eerder voorlichting of tips over noodsituaties te hebben gezien van het Rode Kruis.

burgerhulp

Samenwerking VDMMP met het Rode Kruis
Het onderzoek ?Sociale media bij noodsituaties? is in 2012 voor het eerst landelijk uitgevoerd door VDMMP. In 2015 is samengewerkt met het Rode Kruis. Het onderzoek is deze keer met een geactualiseerde vragenlijst uitgezet bij een panel, voor een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking. Ruim duizend respondenten hebben deelgenomen aan het onderzoek.

Lees hier het onderzoeksrapport.

Bronnen: VDMMP, SocialMediaSocialMedia

Een gesloten binnenwereld en een kritische buitenwereld – burgerparticipatie in de opsporing

Een exploratief onderzoek naar de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing. – Auteur: Martin Boezen, 2015.

De probleemstelling van dit onderzoek was:
Wat is er bekend over de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en welke verklaringen zijn er voor deze attitudes?

Door het uitvoeren van het literatuuronderzoek en het spreken van verschillende respondenten met verschillende achtergronden is deze probleemstelling beantwoord. Bij het inzichtelijk maken van de cognitieve -, affectieve – en conatieve componenten is tevens oog en oor geweest voor mogelijke verklaringen hieromtrent. In het vorige hoofdstuk werd dit inzicht en deze verklaringen reeds uitgebreid beschreven, tevens werden hier enkele tussenconclusies beschreven.

Resumé
Uit dit onderzoek is dan ook gebleken dat de cognitieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede bestaat uit verschillende aspecten. Zo is het kader waarin de kennis van de politie en burgerparticipatie in de opsporing wordt geplaatst gekleurd door culturele, historische en communicatieve factoren. Deze factoren verschillen tussen enerzijds het attitude-object en anderzijds de Marokkaanse gemeenschappen: de grofmazige – ten opzichte van de fijnmazige cultuur en de historische achtergrond van verzet en wantrouwen tegen de regering.

De affectieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede bestaat uit gevoelens van wantrouwen en onbetrokkenheid uit schaamte en uit angst voor gezichtsverlies. Tot slot bestaat de conatieve component van de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede uit onmacht, praktische overwegingen zoals angst voor de consequenties en de pragmatische overwegingen waarbij een keuze moet worden gemaakt tussen de gesloten binnenwereld en de kritische buitenwereld.

Conclusies
Er kan geconcludeerd worden dat de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede een sterke attitude bezitten ten opzichte van het attitude-object: burgerparticipatie in de opsporing. Deze attitude beïnvloedt het gedrag van de Marokkaanse gemeenschappen, met als resultaat dat de mate van burgerparticipatie in de opsporing van deze gemeenschappen zeer beperkt is. Holland, Verplanken en Van Knippenberg (2002) schreven dat een sterke attitude leidend is bij gedrag en dat sterke attitudes herkenbaar zijn en resistent zijn tegen tijd en verandering. Dit komt overeen met de resultaten uit dit onderzoek. Ook in dit onderzoek waren de attitudes herkenbaar en resistent tegen tijd en verandering. De attitude van de gemeenschappen is te omschrijven als negatief. Een positieve attitude hoeft echter ook niet te leiden tot bepaald gedrag. Zowel een positieve als een negatieve attitude hoeven niet te leiden tot bepaald gedrag.

De Marokkaanse gemeenschappen zijn te omschrijven als los zand, maar toch sluiten de gelederen zich wanneer zij slecht in het nieuws komen. Zo lang het besef er niet is dat er een criminaliteitsprobleem onder Marokkaanse jongens is of zo lang dit genegeerd wordt. Zo lang de slachtofferrol gehanteerd wordt, wordt het zeer moeilijk om de pragmatische overwegingen in gedrag om te zetten. De besloten binnenwereld dient opengebroken te worden, er dient vertrouwen gewonnen te worden door de kritische buitenwereld. Tot een oplossing hiervoor is echter niet eenvoudig te komen.

De ontwikkeling van inbraken binnen de eigen gemeenschappen doen wellicht overgaan tot burgerparticipatie in de opsporing. Zodoende kunnen de gemeenschappen hun gedragsintentie bijstellen en hun mate van burgerparticipatie in de opsporing verhogen, waarna een positieve houding kan volgen en de kennis kan worden bijgesteld. Echter, uit dit onderzoek blijkt dat de attitude zeer sterk is waardoor verandering erg moeilijk wordt, tevens is het culturele, fijnmazige kader zeer sterk bij de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede. Wanneer de huidige verhoudingen tussen de politie en de Marokkaanse gemeenschappen niet wijzigen zal de attitude van de Marokkaanse gemeenschappen eveneens niet wijzigen.

Het lijkt een vicieuze cirkel. De criminaliteit onder specifieke Marokkaanse jongens gaat gestaag door. De politie reageert door Marokkaanse jongens in de gaten te houden. De Marokkaanse jongen brieft dit door binnen de gemeenschappen. Dit levert angst voor schaamte op bij de Marokkaanse gemeenschappen, waardoor de gelederen van de besloten binnenwereld sluiten. Het onbegrip van de kritische buitenwereld over deze geslotenheid vergroot: het stigmata verhard en de partijen lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan. De angst voor uitsluiting, schaamte, gezichtsverlies en andere repercussies is dusdanig groot binnen de Marokkaanse gemeenschappen dat een kritische, zelfreinigende blik uitblijft. Wellicht zijn de Marokkaanse gemeenschappen trots en hebben ze een groot gevoel voor onrecht. Zolang de façadecultuur gehandhaafd blijft zijn de Marokkaanse gemeenschappen moreel failliet zoals Ahmed Marcouch (2013) verwoordde in zijn roep de zwijgzame massa te doen spreken.

Aanbevelingen
Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek kunnen diverse aanbevelingen gedaan worden. Zoals reeds werd beschreven bezitten de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede sterke attitudes ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en de politie. De aanbevelingen die in dit hoofdstuk worden opgesomd zullen niet zorgen voor een acute verandering in de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in Culemborg en Ede. Er mag ook niet verwacht worden dat de sterke attitudes met enkele aanpassingen veranderd kunnen worden, zoals reeds werd beschreven zijn sterke attitudes herkenbaar aan resistentie tegen verandering (Holland et al., 2002). De volgende aanbevelingen kunnen echter wel bijdragen aan een betere verstandhouding en kunnen wellicht op de lange termijn zorgen voor kleine, maar gestage veranderingen in de attitudes.

Aanbeveling 1:
Een goede basisopleiding voor politieambtenaren waarin veel aandacht besteed wordt aan multiculturele vraagstukken.

De politieorganisatie heeft talloze initiatieven ingesteld om huidige politieambtenaren te onderwijzen in multiculturele vraagstukken. Echter, zo blijkt uit dit onderzoek, is het de fase van aspirant waarin de eerste contacten tussen de Marokkaanse gemeenschappen en de politie tot stand komt. Er kan afgevraagd worden of het gewenst is om begrip te creëren en inzicht te geven in multiculturele vraagstukken wanneer er reeds een eerste indruk is bepaald. Met andere woorden: komen de huidige initiatieven wellicht te laat? Deze aanbeveling is vooral gericht aan de politieacademie en de ‘blauwe tak’ van de politieorganisatie.

Aanbeveling 2:
Wees bewust van het ‘spel’

Op straat wordt de houding ten opzichte van de politie vooral duidelijk tijdens het spel van de Marokkaanse jongen en de politieambtenaar. Door bewustwording van dit ‘spel’ kan er ingespeeld worden op de verstandhouding tussen politie en de gemeenschappen. Hierbij zijn enkele punten zeer belangrijk zo bleek uit de bevindingen van dit onderzoek: Wees bewust van niet willekeurigheid met betrekking tot staande houdingen van Marokkaanse jongens. En: Bij contact met personen van Marokkaanse herkomst: benadruk de gezaghebbende rol van de politie en leg beslist geen nadruk op de fictieve machthebbende rol. Deze aanbeveling geldt voor zowel de handhaving als de opsporing. De opsporingspraktijk dient rekening te houden met het spel dat Marokkaanse verdachten kunnen spelen tijdens het verhoor. Door bewustwording kan ingespeeld worden op dit spel. De verdere uitwerking van deze bewustwording valt echter buiten de
doelstelling van dit onderzoek.

Aanbeveling 3:
Doelgerichte communicatie: Verbeter de communicatie omtrent burgerparticipatie in de opsporing wanneer de Marokkaanse gemeenschappen de doelgroep zijn.

De bevindingen uit dit onderzoek logen er niet om. De communicatie van de politie voldoet niet aan de eisen van interculturele communicatie. De huidige opsporingscommunicatie kan omschreven worden als “iets over de schutting gooien”. De Nederlandse, grofmazige waarden zijn zeer duidelijk aanwezig in de communicatie van de politieorganisatie. Doelgroepgerichte communicatie is dan ook zeer aan te bevelen. Deze laatste aanbeveling geldt voor de opsporingspraktijk en specifieker voor de opsporingscommunicatie.

Aanbeveling 4:
Vervolgonderzoek

Er zijn tal van vervolgonderzoeken te formuleren. De meest belangrijke in de ogen van deze onderzoeker is het onderzoeken van verschillen in attitudes tussen verschillende Marokkaanse gemeenschappen in verschillende steden. Nu doet wellicht de vraag rijzen: is dat niet onderzocht tijdens dit onderzoek? De aanbeveling voor vervolgonderzoek richt zich met name op verschillen tussen attitudes. Met andere woorden: waarom hebben bepaalde Marokkaanse gemeenschappen in bepaalde steden of dorpen een andere attitude ten opzichte van burgerparticipatie in de opsporing en hoe valt dit te verklaren. Deze verklaringen kunnen bijdragen aan de verandering van de attitudes van de Marokkaanse gemeenschappen in bijvoorbeeld Culemborg en Ede. Door deze verklaringen te analyseren kunnen mogelijk inzichten verworven worden waarop de politieorganisatie kan inzetten.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425148&doc=eengeslotenbinnenwereldeneenkritischebuitenwereld-200909070034&type=d]

Bron: Politieacademie

Burgerparticipatie in strijd tegen woninginbraken

Auteur: M.A.R. Sinke

Dit onderzoek maakt onderdeel uit van een onderzoek dat is gedaan in opdracht van het Ministerie van Veiligheid & Justitie naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken.
Hiertoe is in samenspraak met de opdrachtgever de aanpak van de Best of Three Worlds (B3W), bestaande uit probleemgericht werken, informatiegestuurde politie en burgerparticipatie, als
uitgangspunt genomen voor een effectieve aanpak. Vervolgens is op zes locaties in het land onderzoek gedaan naar factoren die leiden tot een effectieve aanpak van woninginbraken. De B3W-aanpak berust op drie pijlers, waaronder burgerparticipatie. Dit deelonderzoek heeft zich derhalve gericht op de vraag:

‘Op welke manier kan burgerparticipatie bijdragen aan een effectieve aanpak van woninginbraken?’.

Deze vraag is beantwoord door voornamelijk kwalitatief onderzoek te doen. In eerste instantie is in de literatuur gebleken dat burgers van grote waarde kunnen zijn in de aanpak van woninginbraken en dat de politieleiding die meerwaarde onderkent. Burgers kunnen bijdragen aan het voorkomen van inbraken, het vergroten van de heterdaadkracht en (daarmee) het opsporen en aanhouden van inbrekers. Vervolgens is in de literatuur gezocht naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot burgerparticipatie. Daarbij werd gestuit op een onderzoek van Collij (2012) naar de voorwaarden waaronder burgers bereid zijn tot samenwerking met de politie. De door haar onderzochte motieven en voorwaarden, zowel vanuit de omgeving als vanuit het project, zijn kwalitatief getoetst op vijf van de zes onderzoekslocaties van het hoofdonderzoek. Deze kwalitatieve toetsing heeft voornamelijk plaatsgevonden aan de hand van interviews met politiemedewerkers en participerende burgers.

Daarnaast zijn burgers wederzijdse verwachtingen van politie en burgers in het kader van de woninginbrakenaanpak bevraagd evenals succes- en faalfactoren van burgerparticipatie. De bevindingen van Collij (2012) blijken grotendeels van toepassing zijn op burgerparticipatie in het kader van de woninginbrakenaanpak, maar niet volledig. Burgers hebben pluriforme belangen om te willen participeren, maar in dit onderzoek bleken burgers primair een persoonlijk belang te hebben in relatie tot eigen veiligheid en veiligheidsgevoelens. Dit in tegenstelling tot het onderzoek van Collij (2012) waarin burgers zowel een persoonlijk- als publiek belang zeggen te dienen en waarbij veiligheidsgevoelens niet als primair motief naar voren komen. Daarnaast blijken initiërende burgers in dit onderzoek niet per definitie een negatief beeld te hebben van de politie, terwijl Collij (2012) dat wel vond.

Verder blijken burgers graag bereid tot samenwerking, mits hun de noodzaak daartoe duidelijk is. Burgers hechten daarbij zeer aan samenwerking, waardering en ondersteuning vanuit de overheid, maar vinden een bepaalde mate van autonomie tegelijkertijd van belang. Serieus worden genomen, adequate opvolging van meldingen, informatie over wijkveiligheid en infomeren over afhandeling dan wel voortgang van meldingen en aangiften blijken belangrijk. Hierin blijkt verbetering wenselijk. Burgers blijken bereid verantwoordelijkheid te nemen en te willen melden bij verdachte situaties, maar blijken het een lastige afweging te vinden in welke gevallen het alarmnummer van de politie gebeld mag worden, waardoor melding geregeld nagelaten wordt.

Samenwerking met de politie leidt vrijwel overal tot een positiever beeld over de politie. Mensen stellen meer vertrouwen in de politie te hebben, sneller informatie te willen delen en de
meldingsbereidheid zou erdoor toenemen.

Op basis van het onderzoek zijn verschillende praktische aanbevelingen gedaan, onder andere gericht op de wijze waarop burgers gemotiveerd worden tot burgerparticipatie, op de burgers die het
beste benaderd kunnen worden en op enkele voorwaardelijke factoren van en voor burgerparticipatie.

Behalve deze praktische aanbevelingen zijn nog drie aanbevelingen geformuleerd met betrekking tot (mogelijk) vervolgonderzoek.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425162&doc=burgerparticipatieindestrijdtegenwoninginbraken-200909070126&type=d]

Bron: Politieacademie

Weet wat je tweet

Het gebruik van Twitter door de wijkagent en het vertrouwen in?de politie

Door: Dick Roodenburg & Hans Boutellier

Organisaties en sociale media hebben elkaar de afgelopen jaren steeds beter?gevonden. De politie is, zeker als overheidsorganisatie, een voorloper in het gebruik?van sociale media. Hoe een sociaal medium als Twitter zijn werk doet in het dagelijks?werk van de wijkagent is al redelijk goed in beeld gebracht. Onderzoek heeft?uitgewezen dat het gebruik van Twitter een positieve invloed heeft op het?vertrouwen van de burger in de politie. Maar welke factoren zijn bepalend voor dit?vertrouwen en op welke wijze kan het gebruik van Twitter het vertrouwen versterken??Dit artikel onderzoekt de aard van het tweetverkeer van wijkagenten en laat?zien op welke wijze tweets kunnen bijdragen aan de verbetering van de vertrouwensrelatie?tussen burger en politie.

1 Inleiding
Als het gaat om het vertrouwen van burgers in de politie, dan is het belangrijk dat?de politie een nabije en herkenbare rol speelt op wijkniveau (Van Caem 2011).
Vertrouwen wordt in de regel niet in korte tijd door een wijkagent verdiend en als?het vertrouwen eenmaal is gewonnen, dient het zorgvuldig te worden onderhouden.?Bij groepen die op voorhand weinig vertrouwen hebben in de politie, kan vertrouwen?toenemen door de persoonlijke bekendheid van de wijkagent (Beunders,?Abraham, Van Dijk & Van Hoek 2011, 131). Bij de komst van de Nationale Politie?en de daarmee gepaard gaande schaalvergroting is benadrukt dat veiligheidszorg?lokaal verankerd moet zijn. Belangrijk kenmerk daarvan is de bepaling dat er ten?minste ??n wijkagent op 5000 inwoners moet zijn (Inrichtingsplan Nationale?Politie 2012, 14). Het (opbouwen van) vertrouwen op operationeel niveau bij de?wijkagent is en blijft dus een essentieel onderdeel in de organisatie.

Het toenemende gebruik van sociale media zal invloed hebben op de relatie tussen?politie en burger. Het gegeven dat de politie door de sociale media dichter bij?de mensen staat, kan positieve maar ook negatieve gevolgen hebben. De invloed?van sociale media op het imago van de politie moet niet worden onderschat. Het?werk van de politie wordt steeds zichtbaarder. Een politieagent is op elk moment?van de dag het visitekaartje van de organisatie. De politie moet zich hier terdege?bewust van zijn. Hoe een politiefunctionaris overkomt op de burger, ook via de?sociale media, is direct van invloed op de waardering en het respect van de burger?voor de politie (Boutellier, Van Steden, Bakker, Mein & Roeleveld 2011, 62-63).

Gezien het feit dat de politie bewust en nadrukkelijk gebruikmaakt van sociale?media, is het van belang om te weten welke invloed deze media hebben op de vertrouwensrelatie?tussen de burger en de politie. Onderhavig onderzoek is een?exploratief onderzoek dat gericht is op ??n vorm van sociale media die al in
behoorlijke mate is ingeburgerd, namelijk Twitter, meer specifiek het gebruik van?Twitter door de wijkagent. Hierin staat de volgende probleemstelling centraal:
hoe kan het gebruik van Twitter door de wijkagent een bijdrage leveren aan het?vertrouwen van de burger in de politie?

In dit artikel defini?ren we allereerst het vertrouwen van de burger in de politie.?Welke determinanten van vertrouwen worden in de literatuur in het algemeen
onderscheiden? Aansluitend komen aan de orde wat in de literatuur bekend is?over de rol en het gebruik van Twitter door de wijkagent en wat bekend is over
het verband tussen het gebruik van Twitter en het vertrouwen dat de burger heeft?in de politie (de wijkagent). Vervolgens beschrijven we (de resultaten van) het
empirisch onderzoek en doen we enkele aanbevelingen.

2 Vertrouwen in de politie
Het vertrouwen in de individuele politiefunctionaris (sociaal vertrouwen) en het?vertrouwen in de politieorganisatie (institutioneel vertrouwen) kunnen niet los
van elkaar worden gezien (Weijers & Hertogh 2007, 34-35). Ook kan vertrouwen?door gezagsvolle handhaving (Van Dijk 2007, 9) niet los worden gezien van legitiem?optreden en eerlijk, onpartijdig en rechtvaardig handelen. Uit met name?Amerikaans en Engels onderzoek is gebleken dat vertrouwen zelfs niet primair
bepaald wordt door hoe effectief de politie optreedt (performance-based justice).?Acceptatie en vertrouwen lijken met name te maken te hebben met de wijze van
optreden en de bejegening van de burger (procedural justice). De beoordeling van?de politie en de rechtbank zijn volgens Tyler en Huo (2002) niet hoofdzakelijk
gekoppeld aan performance-based judgments zoals kosten en de snelheid van de?procesgang, maar aan de wijze waarop men door hen behandeld is.

De aanpak van criminaliteit (effectiviteit) is weliswaar van invloed op vertrouwen,?maar lang niet zo sterk als men zou veronderstellen. Dit geldt ook voor
degenen die persoonlijke ervaring met de politie hebben. In het geval van een?grote controle waarin de politie op zoek is naar wapens accepteren mensen de
aanhouding en het doorzoeken van hun auto indien de politie professioneel?optreedt en uitlegt waarom de controle wordt uitgevoerd, zich excuseert voor het
oponthoud en dergelijke (Tyler & Huo 2002; Sunshine & Tyler 2003). Met andere?woorden, de wijze waarop men behandeld is door de politie doet er voor burgers?meer toe dan het objectieve resultaat (Hough, Jackson, Bradford, Myhill &?Quinton 2010, 205).

In de literatuur komen veel omschrijvingen van vertrouwen voor die elkaar in?zekere zin benaderen en/of overlappen. De variatie laat tegelijkertijd het complexe
en moeilijk grijpbare van vertrouwen zien. Men noemt bijvoorbeeld?betrouwbaarheid, eerlijkheid en gelijkwaardigheid (Flight, Van den Andel &?Hulshof 2006, 38) of gebruikt termen als voorspelbaar, open, integer en?functioneel handelen (Van der Vijver 2006, 122). Het vertrouwen van de burger?in de politie, ?politieel vertrouwen?, lijkt volgens Van Dijk (2007, 10) in de kern?om ??n ding te gaan: de verwachting dat de politie er voor je zal zijn bij zaken die?er echt toe doen. Het gaat er dan vooral om dat het korps de juiste prioriteiten?stelt en deze aanpakt. Ook moet de politie beschikbaar zijn op momenten waarop?de burger haar hard nodig heeft (zie ook Ringeling & Sluis 2011, 36-37). De?jaarlijkse Veiligheidsmonitor hanteert in zijn vragenlijst de hoofdelementen??tevredenheid over laatste contact met de politie? en ?het functioneren van de politie?in de buurt en in het algemeen?. Hierin komen ook begrippen als ?bescherming?bieden?, ?aanspreekbaarheid?, ?weten wat ze doen? en ?rekening houden met de?wensen van de samenleving? naar voren.

Jackson en Bradford (2010) benaderen de kwestie van vertrouwen breder. Zij?gebruiken het besproken principe van procedural justice van Tyler in hun onderzoek?naar vertrouwen in de Londense politie en maken onderscheid tussen confidence?in policing en trust in the police. Het eerste geldt als een paraplubegrip en?betreft het algehele vertrouwen in het politiewerk: ?doing a good job?. Over het?algemeen wordt dit in de ogen van beleidsmakers en politici vrij eendimensionaal?ge?nterpreteerd: het aanpakken van criminaliteit, overlast en ordeproblemen.

De mate van confidence wordt volgens hen echter bepaald door het bredere begrip?trust in the police. Deze trust gaat er ook om dat de politie de behoeften van de?samenleving (de lokale gemeenschap) kent, dat zij de burgers eerlijk en respectvol?behandelt, dat ze de burgers informatie geeft en mensen de gelegenheid biedt om?hun lokale problemen kenbaar te maken.?Op basis hiervan onderzochten Jackson en Bradford het verband tussen het algehele?vertrouwen (overall confidence) en de drie dimensies van trust. De eerste?dimensie is de effectiviteit van het politiewerk (technische competenties, aanpak?van criminaliteit en openbare-ordeproblemen). De tweede dimensie is eerlijkheid/?rechtvaardigheid in politiewerk (burgers met respect en op eerlijke wijze?behandelen), en de derde is de betrokkenheid van de politie met de directe omgeving?(gedeelde waarden, oog en oor hebben voor de problemen in de buurt). De?conclusies uit hun onderzoek zijn dat er een sterk verband is tussen het algehele?vertrouwen en de factoren eerlijkheid/rechtvaardigheid en betrokkenheid met de?directe omgeving en gedeelde waarden. De effectiviteit van de politie als bestrijder?van de misdaad telt duidelijk minder, maar is wel relevant. Deze conclusies?zijn zichtbaar in figuur 1.

tweetweet
Figuur 1 Model van factoren die algeheel vertrouwen in de politie bepalen?(Jackson & Bradford 2010)

Samenvattend is volgens Jackson en Bradford het publieke vertrouwen, het vertrouwen?van de burger in de politie, opgebouwd uit drie elementen, namelijk het
vertrouwen in de effectiviteit van de politie, in de eerlijkheid/rechtvaardigheid?van de politie en in de betrokkenheid met de lokale gemeenschap en gedeelde
waarden. In het kader van dit onderzoek naar de wijze waarop het gebruik van?Twitter door wijkagenten bijdraagt aan het vertrouwen van de burger in de politie,
zullen deze definitie van vertrouwen en het bijbehorende begrippenkader als?conceptuele gereedschapskist worden gebruikt.

3 Politie, Twitter en vertrouwen
Met het gebruik van Twitter door een individu of organisatie kan een behoorlijk?grote groep mensen worden bereikt. Wereldwijd zijn er ongeveer 200 miljoen
mensen die actief twitteren. In januari 2013 is er een online onderzoek gehouden?onder 13.740 Nederlanders, ouder dan 15 jaar (Newcom Research & Consultancy?2013). Hieruit blijkt dat 3,3 miljoen Nederlanders (boven de 15 jaar) gebruikmaken?van Twitter, van wie ongeveer de helft (1,6 miljoen) actief dagelijks. De?vijf organisaties die het meest gevolgd worden, zijn nieuwszenders (47%), artiesten/?zangers (33% ), politie en gemeenten (beide 32%). Facebook en YouTube zijn?het grootst in Nederland met 7,9 respectievelijk 7,1 miljoen gebruikers. LinkedIn?staat met 3,9 miljoen gebruikers nog net boven de 3,3 miljoen gebruikers van?Twitter. Het aantal twitteraars is het afgelopen jaar niet meer gegroeid in?Nederland.

Het feit dat de politie door een grote groep mensen wordt gevolgd, is een sterke?aanwijzing dat Twitter zich stevig gevestigd heeft in de politieorganisatie. Meijer,
Grimmelikhuijsen, Fictorie en Bos (2011) stellen in een onderzoek vast dat de?politie Twitter gebruikt om nieuwe samenwerkingsverbanden met burgers vorm
te geven. Dit kan in de vorm van coproductie bij opsporings- en handhavingstaken.?Daarnaast cre?ert Twitter mogelijkheden om burgers te betrekken bij
preventief politiewerk. De potentie tot verdere groei zit in de wederkerige functie?van het medium. De wijkagent kan zijn werk ?delen? met de omgeving via
berichten over waar hij zich mee bezighoudt, maar ook door oproepen om mee te?werken of informatie te geven over criminaliteit en preventietips. Tegelijkertijd is?er een gem?leerd publiek van twitterende burgers die ge?nteresseerd zijn in het?werk van de politie, in het bijzonder in hun eigen wijk. Deze beide perspectieven?hebben een wederzijds versterkend effect (Meijer e.a. 2011; Meijer, Grimmelikhuijsen,?Fictorie, Thaens & Siep 2013).

Communicatie is de crux van lokale strategie?n om het vertrouwen van de burger?in de politie te verbeteren. Wederkerige informatievoorziening is daarbij essentieel (Beunders e.a. 2011). De burger alleen als informant gebruiken is niet voldoende.?Het belang van terugkoppeling, hem ge?nformeerd houden over gehouden?acties en de resultaten daarvan spelen een belangrijke rol (Van Caem 2012).?Dat is een centrale gedachte achter community policing, waarvan de belangrijkste?kenmerken zijn: het werken in geografisch beperkt gebied, nabijheid van de politie?en betrokkenheid van de politiefunctionaris (Van der Vijver & Zoomer 2004).?In hun onderzoek onderscheiden Meijer e.a. (2013) de bijdrage van sociale media?aan de effectiviteit van de opsporing en aan de effectiviteit in het kader van community?policing. Bij het eerste gaat het om het gebruik van sociale media om informatie?in te winnen en te verwerken en zo effectiever te kunnen opsporen, bij het?tweede om de veiligheidsbeleving en de perceptie van burgers van de politie. De?aanname hierin is dat de effectiviteit van community policing toeneemt met de?mate van interactie tussen politie en burgers gericht op het vergroten van de?buurtveiligheid. Dit is bij uitstek een functie waarin Twitter een rol kan spelen.?Meijer e.a. komen tot de slotsom dat de mate waarin tweets van de politie worden?gelezen, samenhangt met de mate waarin volgers de politie legitiem vinden (legitimiteit is een wat ander begrip dan vertrouwen, maar in het kader van deze theoretische?beschouwing maken we geen onderscheid).?Daarbij stellen zij (voorzichtig) vast dat het volgen van de politie een bijdrage aan?de gepercipieerde legitimiteit kan leveren. Coproductie leidt tot positieve effecten?op de percepties van burgers. Uit de analyses blijkt dat mensen die meer accounts?volgen en frequenter politietweets lezen, de politie meer legitiem vinden. Zij constateren?wel dat een oorzakelijk verband moeilijk is vast te stellen.?Een andere?mogelijkheid is namelijk dat men de politie intensiever volgt juist vanwege de grotere?steun die men al heeft. Toch zien Meijer e.a. (2013, 103-104, 118) aanwijzingen?in ander onderzoek en in de interviews in hun eigen onderzoek dat het volgen?een bescheiden bijdrage aan de gepercipieerde legitimiteit kan leveren. Laten we?er in dit verband van uitgaan dat de positieve relatie plausibel is.?

In ander onderzoek wordt geconstateerd dat tweets invloed hebben op de?informatieverwerking, de attitude en het gedrag van de volgers. Een interessant?gegeven is daarbij dat door het contact tussen de wijkagent en zijn volgers op?Twitter de wijkagent ook fysiek meer herkend wordt op straat. Twitter wordt?door de wijkagenten tactisch en strategisch gebruikt. Ten eerste om informatie te?delen en daarnaast om een beeld bij de volgers te ?framen?. Ze geven aan zodanig?te twitteren dat de zichtbaarheid en effectiviteit van de politie positief worden?be?nvloed (Boverman, Van Duijn, De Graaf & Ritzema 2011, 66-68).

Het lijkt er dus op dat sociale media, in het bijzonder Twitter, een belangrijke rol?in de (vertrouwens)relatie tussen burger en politie spelen. Frissen e.a. (2008)
brengen dit in verband met de veranderende verhouding tussen overheid en burgers.?Van alleen ?zender? van informatie (hi?rarchisch) zijn overheidsinstanties
steeds meer ?deler? van informatie. De literatuur geeft ons dus voldoende aanknopingspunten?om de betekenis van Twitter voor het vertrouwen in de politie te
onderzoeken. Het model van Jackson en Bradford (2010) gebruiken we daarbij als?richtsnoer.

4 Onderzoeksopzet en -methode
Uitgaande van een plausibele positieve relatie tussen het gebruik van Twitter?door de wijkagent en het vertrouwen van de burger in de politie, beoogt dit
onderzoek op exploratieve wijze een preciezer beeld te geven van de factoren die?daarbij een rol spelen. Dit is relevant, omdat Twitter als medium een nieuwe kwaliteit?inbrengt in de veranderende verhouding tussen overheid en burger, en de?gebruikswijze van Twitter de verhouding (vertrouwensrelatie) kan be?nvloeden.?Daarbij gebruiken we het model van Jackson en Bradford, waarin het algehele?vertrouwen in de politie (confidence) door drie factoren wordt bepaald: effectiviteit,?goede bejegening en betrokkenheid bij de directe leefomgeving. Analoog hieraan?gaan we ervan uit dat de tweets van een wijkagent inhoudelijk te relateren?zijn aan een van deze drie factoren. De tweets zijn derhalve in te delen naar drie?hoofdcategorie?n: (A) effectiviteit, (B) eerlijkheid/rechtvaardigheid/respect, en?(C) betrokkenheid.

Het onderzoek valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste bestaat uit interviews?met dertig burgers die hun actief twitterende wijkagent volgen. Daarnaast is een
inhoudsanalyse gemaakt van de tweets van de desbetreffende wijkagenten over?een periode van een jaar. Met het onderzoek hopen we enig systematisch inzicht
te krijgen in de factoren die er in het twitterverkeer van de wijkagent toe doen. In?het verlengde daarvan denken we enige concrete aanbevelingen te kunnen formuleren.

Selectie onderzoekseenheden
De onderzoekseenheden betreffen Twitter-accounts van drie wijkagenten. Het?eerste account is van de wijkagent van Leidsche Rijn (bekend als: @wijkagentLR).
Dit account bestaat sinds februari 2012. De wijk Leidsche Rijn telt circa?26.000 inwoners en op 1 februari 2013 had dit Twitter account 2081 volgers.
Leidsche Rijn is onderverdeeld in vier wijken: Parkwijk, Langerak, Terwijde, Het?Zand, Grauwaart, Lage Weide. Het tweede Twitter-account is van de wijkagent
van Vleuten De Meern (bekend als: @politieVDM), dat sinds 18 februari 2012 te?volgen is en inmiddels 3098 volgers heeft (peildatum 1 februari 2013). Vleuten
De Meern heeft ongeveer 43.000 inwoners. Het derde Twitter-account is van de?wijkagent van Mijdrecht (gebied Proosdijlanden, Wickelhof, centrumgebied Mijdrecht?en De Hoef) (bekend als: @pol_Mijdrecht). Mijdrecht heeft circa 17.000?inwoners en De Hoef circa 900 inwoners. In Mijdrecht zijn drie wijkagenten ieder?voor hun eigen wijk actief op Twitter. De wijk van het te onderzoeken Twitteraccount?omvat ongeveer 6000 inwoners. Op 1 februari 2013 had het account
@pol_Mijdrecht 995 volgers. Overigens stond het aantal volgers, als gevolg van?een persoonlijke wervingscampagne, rond 1 maart 2013 op 1100.

De keuze van deze accounts is tot stand gekomen in samenspraak met de politiefunctionaris?die namens de politie zitting heeft in de bestuurlijke werkgroep??Publiek Vertrouwen? (portefeuillehouder) van politie-eenheid Midden-Nederland.?Bij de keuze is pragmatisch te werk gegaan. Er is voornamelijk gekeken of men?actief twittert, hoe lang men twittert en hoeveel volgers men heeft. In dat kader?zijn de accounts van Leidsche Rijn en Vleuten De Meern naar voren gekomen,?omdat naar aanleiding van een aantal incidenten het gebruik van Twitter doelbewustactief is ingezet als communicatiemiddel. Het account van Mijdrecht kent?een relatief grote groep volgers in verhouding tot het aantal inwoners van de wijk?en heeft een minder stedelijk karakter ten opzichte van de andere twee accounts.?Per wijkagent zijn tien burgers ge?nterviewd die de agent via Twitter volgen, in?totaal dus dertig volgers. Om per wijkagent tien volgers te selecteren hebben alle?wijkagenten op verzoek een tweet geplaatst met een oproep om mee te werken?aan het onderzoek. Dit werd bijvoorbeeld op de volgende wijze gedaan:

tweet1

Dit leidde ertoe dat bij alle drie de wijkagenten zich binnen ??n tot anderhalf uur?tien volgers meldden en mee wilden werken. Daarnaast zijn de drie desbetreffende?wijkagenten ook ge?nterviewd.

5 Dataverzameling en operationalisering

Interviews
De interviews zijn volgens een gestructureerde vragenlijst afgenomen. In de interviews?met de volgers is gevraagd wat de respondenten zelf verstaan onder het
begrip vertrouwen en of zij bij zichzelf een ontwikkeling in hun vertrouwen hebben?ervaren als gevolg van het gebruik van Twitter. Voorts zijn de factoren die
volgens het model van Jackson en Bradford bepalend zijn voor het vertrouwen?van de burger in de politie voorgelegd aan de respondenten. Daarbij werd?gevraagd welke factor in hun beleving het meest gewicht heeft om het vertrouwen?positief te be?nvloeden, ofwel de bijdrage aan het vertrouwen het meest vergroot.?De uitleg van de categorie?n vond plaats aan de hand van de hierna genoemde?uitleg. Aan de drie wijkagenten zijn dezelfde vragen voorgelegd, maar dan uiteraard?geredeneerd vanuit hun eigen perspectief als wijkagent.

Tweets
Met behulp van een zogenoemde ?Twitter-tool? van de firma Coosto zijn de tweets?van de drie wijkagenten over de periode 1 februari 2012 tot 1 februari 2013 uit de?database van Twitter gehaald en naar een Excelbestand ge?xporteerd. Van het?Twitter-account van Leidsche Rijn zijn dat 1421 tweets, van Vleuten De Meern
1533 en van Mijdrecht 552; in totaal zijn dus 3506 tweets geanalyseerd.?Het begrip vertrouwen in de politie is ontleed in drie categorie?n. Categorie A?betreft de effectiviteit van de politie. De indicator is of de tweet met name betrekking?heeft op de resultaten van de aanpak van misdrijven en overtredingen. Categorie
B is gericht op eerlijkheid/rechtvaardigheid/respect waarmee de politie een?burger behandelt. Hier gaat het om het geven van antwoord op gestelde vragen,?op een respectvolle toon, vriendelijk en benaderbaar. Categorie C gaat over betrokkenheid?van de politie met zijn werkgebied, ofwel de buurt of de wijk. Om hierop
te scoren geeft de tweet inhoudelijk blijk van het kennen van de lokale problemen,?het omgaan met zaken in de omgeving die er toe doen en luisteren naar wat
mensen in de buurt bezighoudt.

Alle tweets zijn inhoudelijk beoordeeld aan de hand van deze driedeling. Als de?tweet voldoet aan een bepaalde categorie, krijgt deze een score ?1?. Per tweet kan
in slechts ??n categorie gescoord worden. Idealiter zou voor de ?zuiverheid? alleen?op A, B of C gescoord kunnen worden, maar volgens verwachting waren er ook
combinaties. Een score op een combinatie gebeurt alleen wanneer dit overduidelijk?een combinatie is. Indien tweets in het geheel niet in te delen waren naar A, B,?C of een combinatie daarvan, vallen ze in categorie X. Daarnaast is een onderscheid?gemaakt naar soorten tweets. Dit kan zijn een tweet (T): een bericht dat de
wijkagent zelf plaatst. Ten tweede kan er sprake zijn van een retweet (R): het herhalen?van een bericht van een andere gebruiker, zodat alle volgers van de desbetreffende?wijkagent hiervan op de hoogte gebracht zijn. Ten slotte kan er sprake?zijn van een antwoord of een zogeheten ?mention? (M). Dit is een bericht (vaak?een antwoord op een vraag) van de wijkagent naar een andere gebruiker, dat?tevens zichtbaar is voor alle volgers van de wijkagent.

6 Resultaten interviews

Algemeen
Voor vrijwel alle volgers geldt dat ze de wijkagent zijn gaan volgen vanwege?belangstelling voor wat er leeft en gebeurt in de eigen omgeving. Eveneens geldt
voor vrijwel alle respondenten dat Twitter de wijkagent wel dichterbij heeft?gebracht en de toegang tot de wijkagent (behoorlijk) laagdrempeliger heeft?gemaakt. Men blijkt over het algemeen eerder contact te zoeken met de wijkagent?via Twitter dan op een andere vaak genoemde wijze, namelijk telefonisch. Men?durft ook voor ?kleinere zaken? die stap eerder te zetten. Een van de respondenten?zegt: ?Twitter heeft politie dichterbij gebracht. Bij simpele dingen stel ik mijnvraag eerder via Twitter dan via 0900-8844.?

Vertrouwen
Alle elementen die volgens het model bepalend zijn voor het (algehele) vertrouwen?van de burger in de politie zijn bij vrijwel alle respondenten in meerdere of
mindere mate terug te vinden. Veel heeft van doen met interactie in de vorm van?communicatie, reageren op meldingen en vragen, en behoefte aan terugkoppeling?over ondernomen actie. E?n respondent koppelt vertrouwen aan gezag en respect,?iets wat verdiend moet worden.

Of het gebruik van Twitter door de wijkagent een positief effect heeft op het vertrouwen?in de wijkagent, geeft een gevarieerder beeld. Geen enkele respondent?heeft zijn vertrouwen zien afnemen. Daarnaast is een aantal respondenten hetzelfde?gebleven in hun vertrouwen. Grofweg de helft van de respondenten ervaart?wel een toename van het vertrouwen in de wijkagent juist door de nabijheid,?benaderbaarheid en het inzicht dat ze geven in wat ze doen en wat er speelt. E?n?respondent zegt: ?Vertrouwen [is] niet groter, maar ze zijn dichterbij gekomen, er?zit een mens achter de politie.? Een ander: ?Ja, gek genoeg wel, ik had totaal geen?hoge pet op van de politie. Ben ooit een keer aangehouden omdat ik toeterde en?dat liep uiteindelijk hoog op. Ik was heel kwaad en had geen vertrouwen meer.?Maar sinds Twitter (?), bijvoorbeeld dat ze zeggen een ronde te maken en vragen?waar op te letten. Ze zijn er en ze zijn bezig met ons.?

tweet2

Vertrouwen volgens het model
Wanneer het model van vertrouwen voorgelegd wordt aan de respondenten met?de vraag een rangorde (voorkeur) aan te geven binnen welke categorie het meest
getwitterd moet worden om hun vertrouwen het meest te be?nvloeden, levert dit?de opsomming op zoals weergegeven in tabel 1. Hierbij wordt bij de gewogen en
ongewogen telling uitgegaan van 28 scores. Met de gewogen telling wordt sterker?uitdrukking gegeven aan de categorie?n die in totaal het hoogste scoren door drie?punten toe te kennen als ze op de eerste plaats scoren, twee als ze op de tweede?plaats scoren en ??n als ze op de derde plaats scoren. Met de ongewogen telling?wordt weergegeven hoe vaak de categorie?n op de verschillende plekken scoren.

Het mag duidelijk zijn dat, zowel plaatselijk als over het geheel genomen, de volgers?er het meeste belang aan hechten dat in de tweets van de wijkagent de?betrokkenheid met de buurt/de eigen woonomgeving het sterkst tot uitdrukking?komt. Het totaal aantal keren dat C de eerste plek scoorde, is namelijk ruim drie?tot bijna vier keer zo groot als het aantal keren dat over de effectiviteit van het?politiewerk (A) of respectvol/ eerlijk behandelen (B) wordt getwitterd.?Het respectvol, eerlijk en rechtvaardig behandelen komt eerder tot uitdrukking in?face to face contacten en (telefoon)gesprekken tussen de politie en de burger. In?Tabel 1: Totaal scores categorisering voorkeursvolgorde en rangordening?(gewogen en ongewogen)?voorkeursvolgorde?categorie?n?het twitteren zal het voornamelijk ?verdiend? moeten worden door de wijze?waarop de wijkagent op volgers reageert. En dat is niet het eerste gebruiksdoel?van Twitter. Dat kan een verklaring zijn voor het feit dat deze categorie veelal op?de derde plaats staat en gewogen de minste punten heeft. Daarnaast is enkele?keren door respondenten uitgesproken dat respectvol, rechtvaardig behandelen?als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Binnen de context van dit onderzoek is het?opvallend dat de effectiviteit van het politiewerk (A) over het algemeen als minder?belangrijk wordt beschouwd dan het tonen van betrokkenheid.

Wijkagenten
Gezien het beperkte aantal wijkagenten dat is ge?nterviewd, is het moeilijk in?brede zin conclusies te trekken over de percepties van de wijkagenten van het vertrouwen.?Allen plaatsen het begrip vertrouwen in de sfeer van bejegening en communicatie.?Serieus nemen, zeg wat je doet en doe wat je zegt, en openheid. Twee?van de drie wijkagenten stellen vast dat in hun beleving de betrokkenheid de categorie?is waar tweets het meest inhoud aan moeten geven om het meest bij te dragen?aan het vertrouwen. Dit ligt in lijn met hoe de respondenten dit zien.

7 Resultaten tweets

Categorisering
Zoals in de onderzoeksopzet al is aangegeven, is onderscheid gemaakt naar het?soort tweet: een tweet (T), een retweet (R) of een mention (M). Daarbij was de
opzet om zo veel mogelijk te scoren op de categorie?n A, B of C. Een score op een?combinatie komt alleen voor wanneer dit overduidelijk het geval is. Per tweet kan?in slechts ??n categorie worden gescoord. Aanvankelijk is gestart met een proeffase?van circa 160 tweets, verdeeld over de drie accounts. Dit om aan de hand van?de inhoud van de tweets indicatoren te kunnen destilleren. Met behulp van deze?indicatoren kon een indicatorenlijst worden opgesteld waarmee het eenvoudiger?werd gemaakt om de tweets op een eenduidige wijze in te delen. De lijst is hier?weergegeven.

Indicatorenlijst voor het indelen van de tweets naar categorie?n
A: melding van een resultaat.?bijvoorbeeld:?Twee verdachten aangehouden voor poging #inbraak woning Wapendragervlinder?#Parkwijk. Worden verhoord. ^JM
B: is een individuele bejegening, een mention waarin ?@? een (persoonlijk)?antwoord of uitleg krijgt. Is ook persoonlijk bedoeld, aangezien in veel?gevallen niet te achterhalen is waar het ex?ct over gaat. Is ook primair?alleen voor deze persoon bedoeld.?bijvoorbeeld:?@DennisDenkt Dit zijn vaak hardnekkige problemen die niet alleen met?bekeuringen worden opgelost. Info is naar wijkagenten Ton+Elsbeth. ^JM
C: tonen van betrokkenheid met de directe omgeving.?bijvoorbeeld:?Nu overleg met buurtnetwerk?wat leeft er in de wijk? Aanschuiven kan?altijd!?of:?Komt plotseling groep 1-2 van basisschool #krullevaaar #veldhuizen het?politiebureau binnenvallen. Gezellig hoor. ^JM http://t.co/HubhCxDW
AB: melding van een resultaat als mention persoonlijk gericht aan een @.?bijvoorbeeld:?@TomTuijp Wijkagent Ton heeft afdeling Toezicht gemeente ingeseind.
Die hebben een dader kunnen achterhalen. Dader is thuis bekeurd. ^JM
AC: melding van een (gedeeltelijk) resultaat of incident/gebeurtenis in de?omgeving waar aanvullend informatie ten behoeve van bijvoorbeeld?opsporing gevraagd wordt.?bijvoorbeeld:?Vrijdag 25\2 21.15 vandalen hebben een auto op z’n kant gegooid ppl?C1000 achter cafe #De Don. Iets gezien of gehoord ? Bel 0900-8844. ^JM
BC: in eerste instantie gericht op een @, maar wel vanuit betrokkenheid?gericht op groter bereik.?bijvoorbeeld:?@WSDRV Het zou goed zijn als ouders eens zagen hoe laveloos hun kinderen?uit de horeca of bij schuurfeesten naar buiten kwamen.
ABC: combinatie van elementen van resultaat, bejegening, betrokkenheid.?bijvoorbeeld:?@NHvdBroek De 140 tekens lieten het niet toe, maar de #125cc is uiteraard?in beslag genomen. #Operettelaan #Terwijde. ^B
X: niet te categoriseren, omdat de inhoud van de tweet geen betrekking?heeft op het politiewerk.
Algemene pol info: een tweet die wel betrekking heeft op het politiewerk?of praktische informatie of dergelijke verstrekt en ook nuttig is, maar meer
een algemene strekking en niet specifiek op de buurt betrekking heeft.?bijvoorbeeld:?Moet u ondanks het barre winterse weer toch nog met de auto op pad?
Maak dan naast de ruiten ook uw lampen sneeuwvrij! #gratistip. ^B

Extra categorie:?Naar aanleiding van de samenstelling van deze indicatorenlijst is het noodzakelijk?gebleken een extra categorie toe te voegen, namelijk de categorie ?algemene politie-informatie? (Alg). Dit was noodzakelijk en nuttig, omdat in de algemene politie-informatie niet specifiek de betrokkenheid met de omgeving naar voren komt,?terwijl de inhoud van deze tweet wel van nut is voor de buurt. Niettemin zou het?niet onderscheiden van deze categorie de werkelijke betrokkenheid met de eigen?buurt (C), vaak herkenbaar door een genoemde straat en dergelijke, te veel ?vervuilen?.?Nu gaat categorie C ook werkelijk over de eigen buurt.

Een goed voorbeeld van een tweet die de betrokkenheid van de wijkagent met de?eigen buurt weergeeft en waar tegelijkertijd ook een stuk betrokkenheid van de?inwoners gevraagd wordt, is de zogenoemde twittersurveillance. De wijkagenten?van Leidsche Rijn en Vleuten De Meern hebben hier een paar keer mee ge?xperimenteerd,?hetgeen, zo blijkt uit de reacties van een aantal respondenten, ook erg?positief werd ontvangen. De tweet van de twittersurveillance gaat bijvoorbeeld als?volgt:

tweet3

De genoemde url verwijst dan naar de volgende overzichtsfoto van de route van?de surveillance:

tweet4

Categorie AC
In de proefanalyse kwamen ook tweets naar voren die weliswaar betrekking hadden?op de directe omgeving, maar ook een specifiek doel dienden, namelijk informatie?ten behoeve van opsporing. Het gaat dan om een gebeurtenis of incident?waar de politie nog geen of slechts gedeeltelijk resultaat op heeft gerealiseerd,
maar waar zij de burgers vraagt om relevante informatie te leveren. Hier is dus?sprake van een combinatie van effectiviteit en betrokkenheid. Er zit uiteraard wel
een element in dat de wijkagent weet wat er speelt in de buurt, maar de vraag?heeft als doel de politie effectiever te laten werken. De keuze was om deze tweets
als aparte categorie AC te benoemen, waardoor A en C ?zuiverder? blijven. Overigens?is het voorbeeld van de twittersurveillance dus geen tweet die onder categorie AC valt, omdat er geen opsporingsinformatie gevraagd wordt ten aanzien van?een bepaalde gebeurtenis of incident. De twittersurveillance is een goed voorbeeld?van het tonen van betrokkenheid met de eigen buurt en tevens de uitnodiging?aan de volger hierin mee te denken en mee te werken.

Categorie B en BC?
Met alleen een B-score is het duidelijk dat iemand persoonlijk bejegend wordt. In?de categorie BC betrekt de wijkagent in zijn tweet ook derden of richt zich rechtstreeks?tot hen.

Resultaten tweetanalyse
De analyses van de drie accounts leveren het totaalbeeld op zoals is weergegeven?in tabel 2 en figuur 2.

Tabel 2: Totaaloverzicht analyse van de tweets conform de indicatorenlijst

tweet5

tweet6

Figuur 2 Totaaloverzicht analyse van de tweets conform de indicatorenlijst

Het feitelijke tweetgebruik blijkt voornamelijk gedomineerd te worden door?tweets die betrokkenheid met de eigen omgeving laten zien. Categorie C is goed
voor bijna 32% van alle tweets. Verder zijn de tweets die te relateren zijn aan eerlijke?en respectvolle bejegening (B) in combinatie met bereik van omgeving (BC)
samen goed voor 26% van alle tweets. In 13% van alle berichten doet de wijkagent?melding van een resultaat, een effectief optreden (A). Opvallend is categorie AC,?waarin de wijkagent in zijn tweets om concrete (opsporings)informatie van de?volger vraagt naar aanleiding van een bepaald incident in de directe omgeving:
goed voor ruim 16% van de tweets. Algemene politie-informatie beslaat 11% van?het totaal aantal tweets, waarbij overigens bij deze categorie opvalt dat bijna de
helft van deze tweets ?retweets? zijn. Dit is een indicatie van de algemenere aard?van het bericht, dat kennelijk voor de volgers nuttig wordt bevonden.

Tweetanalyse gespiegeld aan het model voor vertrouwen
Voor de analyse van de 3506 tweets aan de hand van de categorie?n A, B en C?werd eveneens het model van Jackson en Bradford als uitgangspunt gehanteerd.?Ondanks het aanbrengen van meer categorie?n blijkt in de kern het model van?Jackson en Bradford bij het analyseren van de tweets heel goed toepasbaar te zijn?om de gegevens te duiden en te bewerken. De combinaties van categorie?n zijn?bijna allemaal afgeleiden van de hoofdcategorie?n, op categorie X na, maar die?kwam ook nauwelijks voor. Aangevoerd zou kunnen worden dat ook categorie Alg?niet een afgeleide van A, B of C is, maar het is verdedigbaar dat de algemene?informatie vanuit een stuk effectiviteit, eerlijkheid/rechtvaardigheid/respect of?betrokkenheid wordt gedeeld. Dat zou een nadere analyse vergen, wat buiten het?bestek van dit onderzoek lag.

Het model van Jackson en Bradford veronderstelt dat betrokkenheid van de politie?met de directe omgeving (categorie C) het meeste invloed heeft op dan wel de
grootste bijdrage levert aan het algeheel vertrouwen van de burger in de politie.?In dat kader blijkt uit de analyse dat, gezien de hoge categorie C-score, de wijkagenten?(bewust dan wel onbewust) blijk geven van betrokkenheid met de directe?A = effectiviteit, B = eerlijkheid/rechtvaardigheid/respect, C = betrokkenheid?Figuur 2 Totaaloverzicht analyse van de tweets conform de indicatorenlijst?omgeving en weten wat er speelt. Zonder daarmee te poneren dat dit het vertrouwen?direct positief be?nvloedt; ook dat zou nader uitgebreider onderzoek vergen.?De redelijke hoeveelheid tweets in (de nieuw ontstane) categorie AC vallen op. Dit?appelleert mogelijk aan de eerder vermelde conclusie van Meijer e.a. (2013) dat?sociale media bijdragen aan de effectiviteit van de opsporing en de effectiviteit?van community policing. Hierin ligt A en C als het ware besloten. Uit de interviews?blijkt dat de volgers over het algemeen ook de verzoeken om (opsporings)informatie?waardeerden. Maar daarbij werd door sommigen wel gesuggereerd niet te?eenzijdig te twitteren over bepaalde incidenten. Dit zou het idee geven dat men in?een wel heel onveilige buurt woont. Anderzijds werd men er wel alerter van door?zelf ook maatregelen te nemen, zoals inbraakalarm, beter hang- en sluitwerk.?Daarnaast werd in deze gevallen terugkoppeling wel als belangrijk ervaren: weten?hoe het afgelopen is en of het iets opgeleverd heeft. Hoe lang dat misschien ook?duurt.

Wat categorie A betreft blijkt uit de analyse van de tweets dat de wijkagenten?redelijk spaarzaam zijn met het uiten van effectiviteit, zeker in verhouding met
de categorie van betrokkenheid. Het vraagt om uitgebreider onderzoek om conclusies?te kunnen trekken of deze verhouding in het licht van het model Jackson
en Bradford de juiste is. Categorie B en BC hebben in de tweets een relatief hoge?score behaald. Gelet hierop is het een interessante vraag of de rechtstreekse ?twitterconversaties?,?conform het model van Jackson en Bradford, nog steeds indirect?in verband staan met het algehele vertrouwen (formerend voor betrokkenheid) of?dat dit rechtstreekser van invloed is. Dat zou nader onderzocht moeten worden.?Murthy (2012) heeft betoogd dat Twitter in sociologische zin dezelfde kenmerken?heeft als een gesprek, met uitzondering van het onderscheid van de onmiddellijkheid.?Dus de bejegening via Twitter heeft uitgaande hiervan misschien wel bijna?dezelfde ?kracht? als een persoonlijk contact via de telefoon of een face to face?gesprek. Negatief uitgelegd: genegeerd worden in een ?twittergesprek? heeft misschien?wel net zo’n impact als genegeerd worden in een ?gewoon gesprek?. Zeker?in verband met frequentere wederkerige contacten zou dit wel eens sterk van?invloed kunnen zijn op het vertrouwen.

8 Conclusie en aanbevelingen voor de twitterende wijkagent
Met dit onderzoek is systematisch inzicht gekregen in de wijze waarop Twitter?door wijkagenten gebruikt wordt en welke mogelijkheden zij hebben om het als
instrument in te zetten om een bijdrage te leveren aan het vertrouwen van de?burger in de politie. Het model van Jackson en Bradford is hierbij heel bruikbaar
gebleken, zowel om empirisch materiaal te analyseren als om verder onderzoek te?doen naar het verband tussen het gebruik van Twitter en het algehele vertrouwen?van de burger in de politie. De wijze van twitteren doet ertoe. De twitterende?wijkagent zou bewuste keuzes moeten maken als het gaat om waarover hij twittert?(welke categorie) en hoe de boodschap geformuleerd wordt. Kortom, dat hij?weet wat hij tweet.

Gezien de beperkte omvang van dit onderzoek is het niet mogelijk om betrouwbare?uitspraken te doen over de mate waarin Twitter-gebruik het vertrouwen van
de burger daadwerkelijk be?nvloedt. Met dit voorbehoud is het wel mogelijk een?aantal aanbevelingen te formuleren die de wijkagent mogelijk praktische handvatten?geven om het Twitter-gebruik doelgericht(er) in te kunnen zetten:
? Zoals uit de analyse van de tweets vast kwam te staan en daaraan gespiegeld
uit de interviews naar voren is gekomen, hebben de tweets die gaan over?betrokkenheid in de buurt (categorie C) een groot aandeel in het dagelijks?twitterverkeer en wordt dit door volgers gewaardeerd.
? De burgers zijn voor een groot deel bereid om mee te werken en (opsporings)?informatie te verstrekken als daarom gevraagd wordt (categorie AC). In?de tweets kwam dit vaak voor en de burger waardeert dit ook, zo blijkt uit?interviews. Echter, het is hierbij wel van belang te beseffen dat eenzijdig en?vooral veelvuldig gebruik van deze categorie (voor een bepaald gebied) deels?stigmatisering, deels gelatenheid/afstomping oplevert.
? Het is van belang zo veel als mogelijk de cirkel rond te maken. Dat houdt in?dat bij verzoeken ook teruggekoppeld wordt aan de volgers ?f en waartoe
hulp en inzet van burgers hebben geleid. Daarbij past het ook om van tevoren?goed te beseffen of een verzoek om informatie daadwerkelijk iets op zou k?nnen
leveren. Indien van tevoren duidelijk is dat dit niet het geval zal zijn, is?het beter geen tweet hierover te plaatsen.
? Het twitteren van effectief optreden van de politie (categorie A) kan goed?werken wanneer dit gepaard gaat met dat men weet wat de burger belangrijk
vindt. Snelheidscontroles en de mate waarin de politie daarmee succesvol is,?hoeven over het algemeen niet te rekenen op veel waardering. Wanneer?getwitterd wordt over snelheidscontroles in de eigen wijk en in de buurt van?scholen, is het effect alweer anders; het getuigt meer van kennis van wat er?speelt, wat belangrijk is. Zo mag duidelijk zijn dat de ?betrokkenheidscomponent??hierin ook weer een rol speelt.
? Als het gaat om de tweets in categorie B, is het belangrijk te beseffen dat deze?veelal getuigen van adequaat, respectvol, eerlijk, professioneel antwoord
geven op een vraag of reageren op een opmerking. De bejegening via Twitter?heeft misschien wel bijna dezelfde ?kracht? als een persoonlijk contact via de?telefoon of een face to face gesprek. Negatief uitgelegd: genegeerd worden in?een twittergesprek heeft misschien wel net zo’n impact als genegeerd worden?in een ?gewoon gesprek?. Door de volgers wordt in de interviews niet het?meeste gewicht aan B toegekend, veelal omdat deze categorie als vanzelfsprekend?wordt verondersteld. Echter, de redelijke hoeveelheid rechtstreekse antwoorden?in de analyse doen vermoeden dat het wel van belang is.
? Voortbordurend op de vorige aanbeveling: men moet, als het even kan, het?antwoord of de uitleg zodanig formuleren dat andere volgers er ook iets mee
kunnen, waarmee het een categorie BC wordt.
? Op dit moment is Twitter een van de ?hoofdrolspelers? in sociale media. In dat?licht (en dat blijkt ook nu weer) worden allerlei manieren gezocht om het
gebruik beleidsmatig in te bedden. De aard van Twitter leent zich er niet voor?om volgens een vast beleid dit middel op te leggen. Met inzicht in de?gebruiksmogelijkheden moet de ruimte er voor elke wijkagent zijn om het als?maatwerk toe te passen. Hij kent de eigen wijk immers het beste en voelt het
beste aan of men wat meer A-, C- of juist meer AC-tweets nodig heeft. De?categorisering mag hier juist een hulpmiddel in zijn.

9 Slotbeschouwing
Zie in dit verband ook de reflectie op de resultaten uit dit onderzoek in de diesrede van?H. Boutellier (2013).

We hechten eraan het gebruik van Twitter door de politie nader te duiden in de?context van de huidige netwerksamenleving. Het bericht over de twittersurveillance?en de bijbehorende overzichtsfoto is om een aantal redenen interessant. In?de eerste plaats verwijzen ze naar internet, dat in circa vijftien jaar ons leven is?gaan beheersen. Het digitale web verbindt ons permanent, niet alleen met onze?naasten, maar met iedereen die we maar willen. Mondiaal maar juist ook in de?eigen omgeving, zoals de wijkagent in Leidsche Rijn laat zien.?De tweet verwijst in de tweede plaats naar een verandering in de beroepsuitoefening,
in dit geval die van de politieagent. De politie zoekt van oudsher een balans?tussen afstand houden en nabijheid cre?ren (Van Caem 2012). De politie bewaakt
met gezag, op basis van het geweldsmonopolie, de morele grenzen van ons?samenleven. Maar dat kan in een rechtsstaat alleen op basis van een goede verstandhouding?met de burger. In elke tijd zoekt men weer op een andere manier?naar die juiste balans. In dit onderzoek is aangetoond dat met twitteren de agent?zijn betrokkenheid met de buurt kan laten doorklinken. Dat staat niet op zichzelf.?De professional van deze tijd onderhoudt steeds meer een ?dialogische relatie? met?zijn bewoners, zijn pati?nten, zijn klanten, zijn cli?nten of zijn afnemers ? de terminologie is afhankelijk van de werksoort. Co-creatie, coproductie, partnerschap?? modieuze termen die desalniettemin op een wezenlijke verandering wijzen. Een?nieuw soort professionaliteit dient zich aan.

Een bericht als de twittersurveillance verwijst ten derde naar een nieuwe verhouding?tussen staat en burger. In het twitterverkeer tussen de wijkagenten en hun
volgers schuilt een nieuwe vorm van legitimiteit van de overheid. Je zou met?enige goede wil zelfs kunnen spreken van directe democratie. Met het wegkwijnen
van de twintigste-eeuwse ideologie?n verschrompelde ook het vanzelfsprekende?gezag van de politicus. In plaats van welbespraakt vertegenwoordiger van een
gedachtegoed dat de kiezer met hem deelt, is de politicus steeds meer op zichzelf?aangewezen om het zwevende electoraat te overtuigen. Men spreekt van een crisis?in de representatieve democratie ? de politicus is een tragische figuur geworden,?die het moet hebben van zijn eigen overtuigingskracht. Toch lijkt er, in de
woorden van Danielle Allen (2006), eerder sprake te zijn van een democratische?paradox: het geloof in de parlementaire democratie neemt weliswaar af, maar
gaat gepaard met een groeiende betrokkenheid bij de eigen omgeving. Zo hebben?de twitterende wijkagent en zijn volgers vast weinig boodschap aan de Nationale?Politie en haar beleidsplannen.

Zij trekken wel hun eigen plan: ?Dit is mijn surveillanceronde,?wat vindt u ervan???Het empirische onderzoek naar de rol van de twitterende wijkagent bevestigt de
betekenis die sociale media kunnen hebben voor de nieuwe verhoudingen die?groeien tussen overheid en burgers. Dat daarin juist de betrokkenheid van de
politie bij de buurt van cruciaal belang blijkt, bevestigt de theoretische voorspelling,?maar sluit ook aan bij de notie van gezamenlijkheid die zo sterk doorklinkt in
het debat over de participatiesamenleving.

Literatuur
Allen, D.S. (2006) Talking to Strangers. Chicago: University of Chicago Press.
Beunders, H.J.G., M.D. Abraham, A.G. van Dijk & A.J.E. van Hoek (2011) Politie en publiek.?Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. Amsterdam: Reed?Business.
Boutellier, J.C.J. (2013) Spontaniteit en regulering. Over de complexiteit van samenleven in de?21e eeuw en de relevantie van de sociale wetenschappen (diesrede Vrije Universiteit?Amsterdam).
Boutellier, J.C.J., R. van Steden, I. Bakker, A. Mein & W. Roeleveld (2011) De positie van de?politie. Een verkennende studie voor de strategische onderzoeksagenda politie. Apeldoorn:?Politieacademie.
Boverman, E., L. van Duijn, P. de Graaf & J. Ritzema (2011) Politie, twitter en gezag (Strategisch?Leidinggevende Leergang 7; scriptie Politieacademie Warnsveld).
Caem, B. van (2012) Buurtregie met mate. Over de spanning tussen nabijheid en distantie in de?relatie tussen politie en burgers. Amsterdam: Boom.
Dijk, T. van (2007) 100%. Een onderzoek naar het vertrouwen van burgers in de politie.?Amsterdam: Intomart.
Flight, S., A. van den Andel & P. Hulshof (2006) Vertrouwen in de politie. Een verkennend?onderzoek. Amsterdam: DSP-Groep.
Frissen, V., M. van Staden, N. Huijboom, B. Kotterink, S. Huveneers, M. Kuipers &
G. Bodea (2008) Naar een ?User Generated State?? De impact van nieuwe media voor overheid?en openbaar bestuur. Delft: TNO.
Hough, M., J. Jackson, B. Bradford, A. Myhill & P. Quinton (2010) Procedural Justice,?Trust and Institutional Legitimacy. Policing, 4(3), 203-210. DOI: 10.1093/police/paq027.
Jackson, J.P. & B. Bradford (2010) Different Things to Different People? The Meaning and?Measurement of Trust and Confidence in Policing Across Diverse Social Groups in London.?http://ssrn.com/abstract=1628546 of http://dx.doi.org/10.2139/ssrn.1628546.
Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie & A. Bos (2011) Politie en Twitter, coproductie?en community policing in het informatietijdperk. Bestuurskunde, 25(3), 14-25.
Meijer, A.J., S.G. Grimmelikhuijsen, D. Fictorie, M. Thaens & P. Siep (2013) Politie & sociale?media. Van hype naar onderbouwde keuzen. Utrecht/Apeldoorn: Universiteit Utrecht/?Centre for Public Innovation/Politie & Wetenschap.
Murthy, D. (2012) Towards a Sociological Understanding of Social Media: Theorizing Twitter,?Sociology, 1-15, DOI: 10.1177/003803851142253.
Newcom Research & Consultancy (2013) Social Media in Nederland 2013. Grootste longitudinale?studie. Amsterdam: Newcom Research & Consultancy.
Ringeling, A. & A. Sluis (2011) Verkenning naar het thema ?gezag?. Een verkennende studie voor?de strategische onderzoeksagenda politie. Apeldoorn: Politieacademie.
Roodenburg, D.T. (2013) Weet wat je tweet (masterthesis Vrije Universiteit Amsterdam).
Sunshine, J. & T.R. Tyler (2003) The Role of Procedural Justice and Legitimacy in Shaping
Public Support for Policing. Law & Society Review, 37(3), 513-548.
Tyler, T.R. & Y.J. Huo (2002) Trust in the Law. Encouraging Public Cooperation with the Police?and Courts. New York: Russel Sage Foundation.
Vijver, C.D. van der (2006) Legitimiteit, gezag en politie. Een verkenning van de hedendaagse?dynamiek. In: C.D. van der Vijver & F. Vlek, De legitimiteit van de politie onder?druk? Beschouwingen over grondslagen en ontwikkelingen van legitimiteit en legitimiteitstoekenning.?Den Haag: Elsevier Overheid.
Vijver, C.D. van der & O.J. Zoomer (2004) Evaluating Community Policing in the Netherlands.?European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice, 12(3), 251-267.
Weyers, H. & M. Hertogh (2007) Legitimiteit betwist. Een verkennend onderzoek naar de ervaren?legitimiteit van het justitieoptreden. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
Beleidsdocumenten?Inrichtingsplan Nationale Politie, Ministerie van Veiligheid en Justitie, versie 3.0, december?2012.

Superpromoters in risico- en crisiscommunicatie

superpromoters

Hieronder de samenvatting van het literatuuronderzoek dat Crisislab deed in opdracht van WODC naar superpromoters in risico- en crisiscommunicatie. Er zijn organisaties die claimen dat ze voor commerci?le doeleinden superpromoters via social media?deels automatisch kunnen detecteren middels een aantal van de hieronder genoemde eigenschappen. Zou dit ook voor veiligheidstoepassingen als risico-en crisiscommunicatie kunnen?

Aanleiding en definitie van het onderzoek

De overheid zoekt naar nieuwe manieren om haar boodschap zo overtuigend mogelijk over het voetlicht te krijgen. Dit geldt in het bijzonder in situaties waarbij de boodschap activerend is dat wil zeggen bedoeld is om mensen tot door de overheid gewenst handelen te laten besluiten, bijvoorbeeld om met een risico of crisissituatie om te gaan.

In 2009 werd door Vogelaar voor het eerst het begrip ?superpromoter? ge?ntroduceerd. Een superpromoter is ?een enthousiasteling die zijn enthousiasme deelt en anderen hiermee be?nvloedt?. Superpromoters spelen volgens Vogelaar een centrale rol in hun sociale netwerk doordat ze anderen bewust of onbewust met hun enthousiasme aansteken en daarmee een boodschap overtuigend over het voetlicht brengen. Het concept is momenteel alleen gedefinieerd en toegepast waar het gaat om de verkoop van commerci?le producten.

Om de kansen voor en bedreigingen bij het inzetten van ?superpromoters van overheidsbeleid? in kaart te krijgen, heeft het WODC Crisislab gevraagd een literatuuronderzoek uit te voeren naar de effecten van het gebruik van superpromoters bij risico- en crisiscommunicatie.

Onder risicocommunicatie verstaan we in lijn met de klassieke definitie van Leiss ?de uitwisseling van informatie over aard, omvang en beheersingsmogelijkheden van een risico tussen alle betrokken actoren uit de samenleving zoals openbaar bestuur, wetenschap, bedrijfsleven en burgers?.

We zien crisiscommunicatie vervolgens als verbijzondering van risicocommunicatie waarbij het specifieke crisiskarakter, dat wil zeggen tijdsdruk, onzekerheid en een geschokte samenleving, specifieke eisen aan de crisiscommunicatie stelt.

Voor de definitie van een superpromoter van overheidsbeleid sluiten we zoveel mogelijk aan bij de definitie van Vogelaar: Een superpromoter van overheidsbeleid is een individu dat vanuit zijn/haar intrinsieke motivatie een standpunt van de overheid verspreidt binnen zijn/haar sociale netwerk waar deze persoon naar verwachting overtuigingskracht heeft.

Welke factoren bepalen theoretisch de effectiviteit van de superpromoter?

De meest bepalende factoren die samenhangen met de vier kernelementen (intrinsieke motivatie, het persoonlijk sociaal netwerk van de superpromoter, de activerende overheidsboodschap en verwachte overtuigingskracht) en die invloed hebben op de effectiviteit van superpromoters zijn de volgende.

De intrinsieke motivatie wordt volgens de zogenaamde zelfbeschikkingstheorie bepaald door de mate

  • waarin iemand in vrijheid, naar eigen goeddunken, kan handelen (gepercipieerde autonomie)
  • van (ervaren) verbondenheid die iemand met een persoon, groep of cultuur voelt
  • van de (gevoelde) competentie om de handeling uit te voeren.

Intrinsieke motivatie wordt verder vergroot door eigen ervaring met een risico en verkleind door vormen van beloning (anders dan positieve feedback).

Dominant is dan verder voor de andere drie kernelementen dat het persoonlijk netwerk sociale massa heeft: de heersende sociale normen en waarden hebben een beperkend effect op boodschappen die er niet bij passen (en daarmee op zenders van die boodschappen) en een stimulerend effect op zenders en boodschappen die er wel bij passen.

Variabele eigenschappen van het persoonlijke sociale netwerk die invloed hebben zijn:

  • hechte verbindingen tussen zender en ontvanger hebben een positief effect op de overdracht van complexe boodschappen en het bereiken van een gedragsverandering bij de ontvanger.
  • zwakke verbindingen zijn echter wel geschikt voor het snel overbrengen van een simpele boodschap wanneer zeker de ontvanger al gemotiveerd is om die uit te voeren zoals in crisisomstandigheden. Omdat mensen een groter (potentieel) zwak netwerk hebben zijn in dergelijke omstandigheden meer mensen te bereiken.

Meer algemeen geldt dat de boodschap beter overkomt als hij persoonlijk is gemaakt. Het gevaar is dan wel dat zo?n persoonlijke boodschap op andere ontvangers een negatief effect kan hebben. Geloofwaardigheid is een laatste onafhankelijk eigenschap van de boodschap: aspecten als perceptie van de waarheidsgetrouwheid bepalen de ontvangst van de boodschap.

De overtuigingskracht van de zender wordt bepaald door zijn geloofwaardigheid (waar het aspect betrokkenheid onder valt) en de mate waarin de ontvanger zich met de zender kan identificeren. Ook van belang is de mate van gepercipieerde congruentie tussen zender en zijn boodschap.

Samenvattend kan echter gesteld worden dat de literatuur geen integraal en voorspellend model kent waarin het effect van al deze factoren in is samengebracht.

Wat zijn morele afwegingen voor de overheid bij inzet van superpromoters?

In de meest algemene zin is risico- en crisiscommunicatie in de zin van dit onderzoek gericht op het bewerkstelligen dat burgers bepaalde door de overheid gewenste handelingen uitvoeren. Risico- en crisiscommunicatie heeft daarmee een ?manipulatief? uitgangspunt: het roept daarmee in de eerste plaats de ethische vraag op of het wel aan de overheid is om de autonomie van burgers te willen inperken door be?nvloeding. In de tweede plaats is de ethische vraag of de overheid wel zeker weet of de activerende boodschap wel de juiste is: in het verleden kwam het wel eens voor dat het standpunt van de overheid ?met de kennis van nu? niet de juiste was om burgers optimaal te beschermen tegen een risico.

In de literatuur wordt samenvattend vooral gesteld dat uiteindelijk de morele afweging moet zijn dat sturende boodschappen ethisch zijn mits burgers maar de realistische mogelijkheid hebben om af te wijken van de ?wens? van de overheid en de overheid democratisch besluit op basis van een afweging welke handelingen het grootste maatschappelijk nut hebben.

Voor crisiscommunicatie geldt dat het bieden van directe, niet neutrale, manipulatieve informatie legitiem is wanneer dat ertoe bijdraagt dat de ontvanger van die informatie kan handelen om zich te beschermen tegen directe en grote gevaren. Het bieden van neutrale informatie die door de ontvanger gewogen en ge?nterpreteerd moet worden kost in zo?n situatie immers mogelijk teveel tijd.

Deze algemene afwegingen gelden mutatis mutandis ook voor de afweging om superpromoters in te zetten. Specifiek voor de inzet van superpromoters geldt echter dat er een extra verantwoordelijkheid rust op de schouders van de overheid omdat in dit geval gewone burgers worden gebruikt die voor eventuele onjuiste handelingsperspectieven geen verantwoordelijkheid mogen dragen of het slachtoffer worden van een negatieve reactie van de ontvangers van de overheidsboodschap (zie ook de paragraaf hierna).

Samenvattend moet de overheid wel erg overtuigd zijn van de juistheid van haar activerende boodschap voordat zij superpromoters inzet.

Onder welke omstandigheden werkt de inzet van superpromoters voorspelbaar averechts??Uit de literatuur komen drie mechanismen naar voren die tot voorspelbaar averechtse effecten leiden bij de inzet van superpromoters:

In de eerste plaats zullen mensen met een sterk negatieve grondhouding ten opzichte van een boodschap die boodschap selectief ontvangen en ervaren dat als motivatie tot een tegen(communicatie)actie. Dit kan leiden tot antipromoters zoals bijvoorbeeld bekend als reactie op vaccinatiecampagnes door de overheid.

In de tweede plaats zal de inzet van superpromoters leiden tot aandacht in de media en daarmee volgens de heersende medialogica ook tot ten minste evenredige aandacht voor het tegengestelde perspectief. Hierdoor zullen bijvoorbeeld antipromoters meer media aandacht krijgen.

Meer algemeen zal in de derde plaats zal een activerende boodschap die niet overkomt om welke reden dan ook leiden tot een (door de overheid ongewenste) compenserende tegenreactie bij de ontvanger. Dergelijke boemerangeffecten kunnen ook gericht zijn op de superpromotor als bron van de slecht ontvangen boodschap.

Samenvattend: Wanneer en hoe kunnen superpromoters theoretisch het beste ingezet worden?

De kerngedachte achter de inzet van superpromoters is dat intrinsiek gemotiveerde burgers binnen hun netwerk een overheidsboodschap met meer overtuigingskracht kunnen verspreiden dan de overheid met klassieke communicatiecampagnes zou kunnen.

Terug redenerend zou de overheid als volgt moeten handelen om superpromoters in te zetten:

  • Gegeven een bepaalde doelgroep voor risico- of crisiscommunicatie, moet de overheid analyseren welke de doelgroep overlappende persoonlijke netwerken van geschikte?potenti?le?superpromoters aanwezig zijn.
  • De?potenti?le?superpromotors moeten vervolgens worden toegerust met informatie (de activerende overheidsboodschap en eventueel competenties om a) intrinsiek?gemotiveerd te raken en b) naar verwachting overtuigingskracht te krijgen.

We merken hier al op dat in de literatuur geen prescriptieve aanwijzingen zijn gevonden die kunnen helpen met de bovenstaande analyse, dat wil zeggen met het helpen traceren van de?potenti?le?superpromoters. Uit de beschrijving is al meteen op te maken dat de inzet van superpromoters voor niet bijzonder urgente?risicocommunicatie daarmee in het algemeen een arbeidsintensieve zaak zal zijn zodat het besluiten daartoe (in plaats van reguliere communicatie) een bijzondere reden behoeft.

Anders zou het kunnen zijn in crisissituaties: de literatuur laat zien dat tijdens crises er situationeel altru?sme optreedt, d.w.z. dat mensen intrinsiek gemotiveerd zijn om het goede te willen doen, dat er snel?potenti?le?netwerken geactiveerd kunnen worden van 5 bijvoorbeeld mensen in elkaars fysieke nabijheid of die een vorm van?contact hebben via sociale media.

De inzet van superpromoters in crisissituaties is zo beschouwd bijna onvermijdelijk en dan ook regelmatig aan de orde. Cruciaal is hier de snelle beschikbaarheid van een vertrouwenwekkende overheidsboodschap die een relevant handelingsperspectief geeft.

Slotsom

Het concept superpromoters dat centraal staat in dit onderzoek past in een serie van concepten die andere vormen van overheidscommunicatie mogelijk maken. Te denken valt aan andere concepten die benadrukken dat overheid aanwezig moet zijn op de plaatsen waar de samenleving ?spreekt? over de zaken die haar aan het hart gaan zoals in de zogenaamde discourscommunities en in de sociale media. Dit literatuuronderzoek geeft geen definitief antwoord op de vraag wanneer en hoe superpromoters kunnen worden ?ingezet? als modern communicatiemiddel. De literatuur bevat dergelijke inzichten simpelweg nog niet. Het biedt de overheid hopelijk wel mogelijkheid tot afweging. De inzichten uit dit rapport zijn bewust zo gepresenteerd dat ze voor een belangrijk deel ook breder bruikbaar zijn voor diegenen die nadenken over moderne interactieve overheidscommunicatie.

Bronnen: WODC

Online gedragsverandering

online gedrag

Vanaf vandaag is het boek ?De factor gedrag? online beschikbaar. Hierin maakt de lezer kennis met de visies en resultaten uit het Enabling Technology Programme ?Gedrag en Innovatie?, dat dit jaar na vier jaar onderzoek wordt afgerond. Dit boek is interessante kost voor ieder binnen en buiten TNO die meer wil weten over de wisselwerking tussen mens en (technologische) innovatie. Zo ook een reeks onderzoeken naar online gedrag op social media (vanaf pagina 23).

Vier maatschappelijke thema?s
De resultaten van het onderzoeksprogramma zijn beschreven aan de hand van vier maatschappelijke thema?s. Het eerste hoofdstuk van het boek, ?Sleutelen aan een duurzaam systeem?, gaat vooral in op pogingen om op grote schaal duurzame technologie en gedrag ingevoerd te krijgen. Het tweede hoofdstuk ?Participeren door online te communiceren? verkent de contouren van de participatiesamenleving en de rol die technologie daarin speelt. Het derde hoofdstuk ?Een leven lang goed functioneren, presteren en genieten? laat zien hoe je als burger van wieg tot graf gezonder, veiliger, zelfredzamer en productiever kunt leven. Het vierde en laatste hoofdstuk ?De e-burger en de digitale sneeuwbal? gaat, om een link te leggen met de praktijk, in op de risico?s van informatie- en communicatietechnologie en hoe die te voorkomen zijn of in elk geval in te dammen.

Gedragsverandering in de praktijk
Daarnaast worden veel cases beschreven: praktijkvoorbeelden waarin innovatie en gedragsverandering op een geslaagde manier samengaan. Ten slotte maken de projectleiders van het ETP Gedrag en Innovatie je deelgenoot van wat zij tijdens dit programma meemaakten en vertellen zij u wat de samenleving in hun ogen aan de resultaten kan hebben. Door het boek heen wordt, om dat te verduidelijken, een dag beschreven uit het fictieve gezin Dobbelaar. De leden van dit gezin ervaren in hun dagelijks leven de mogelijkheden van de innovaties die onderzocht werden in het ETP Gedrag en Innovatie.

Veel leesplezier, innovatie en gedragsverandering toegewenst!

Lees ?de factor gedrag? hier online: http://issuu.com/ono-ono/docs/tno_digi_issuu/1

Bronnen: TNO