Tagarchief: onderzoek

Podcast: De moord op Patrick

Voorbeelden waarin?de politie zelf gebruik maakt van (online) podcasts, waarbij informatie gegeven wordt over misdrijven, criminelen of preventie zijn zeer zeldzaam. Er zijn er wel wat voorbeelden waarmee podcasts vooral gebruikt worden om zo dichter bij de mensen te kunnen staan. Totdat?Serial, een nieuwe podcastserie van de makers van?This American Life?een echte moordzaakserie online slingerden en honderdduizenden volgers kreeg?die deels online zelf op zoek gingen in deze zaak.?Een paar jaar geleden schreven we al?over deze podcast die miljoenen mensen in zijn greep hield, en ook?in het rechtssysteem heel wat teweeg bracht.?Serial?liet zien waar het medium toe in staat is. Nu is er opvolging van dit concept in Nederland door Argos van de VPRO met de Limburgse cold case “De Moord op Patrick”. We zijn benieuwd naar wat het teweeg brengt…

Featured Image for True-crime podcast ???Serial??? will convert you to the format

De moord op Patrick

Op tweede kerstdag 2002 wordt een 36-jarige tennisleraar ?s ochtends dood gevonden in zijn appartement. Hij is vermoord. Twintig rechercheurs worden op de zaak gezet. Vijftien jaar later is de moord op Patrick van der Bolt nog steeds niet opgelost. Sanne Boer duikt in het leven van Patrick en ontdekt dat niets is wat het lijkt. In Argos vertelt Ron, de broer van Patrick, voor het eerst zijn verhaal.

In Nederland zijn er ruim 1500 onopgeloste zaken, cold cases. Waar ging het mis in het politieonderzoek bij Patrick? En wat zegt dit over de kwaliteit van de opsporing in Nederland?

Aflevering 1 – Het bericht

In de eerste aflevering van?De moord op Patrick?hoor je een reconstructie van die Tweede?kerstdag in 2002. De dag dat Patrick gevonden werd.?Waarom is het de politie nog niet gelukt om de moord op te lossen? En wat zegt dit over de kwaliteit van het opsporingsonderzoek? Patricks broer vertelt?voor het eerst zijn kant van het verhaal.

In de tweede aflevering van?De moord op Patrick?gaat het over de ex van Patricks vriendin. Waarom was hij lange tijd de hoofdverdachte en dus volgens de politie de mogelijke moordenaar van Patrick? Bewijs dat hij degene was die met kerst in het appartement is geweest en Patrick vanachter heeft neergeschoten, is er nooit gevonden. De vrienden van Patrick lijken meer te weten.

Politie en justitie hebben in 2013 informatie gekregen over de moord op Patrick van der Bolt uit Heerlen begin deze eeuw. Maar met die aanknopingspunten, aangeleverd door rechtspsycholoog Robert Horselenberg van de Universiteit Maastricht, is tot op heden ogenschijnlijk niets gedaan.

Heropening van de zaak?

Het Openbaar Ministerie in Limburg laat in een reactie weten dat de moordzaak zeker niet gesloten is, of dat informatie terzijde is geschoven. “We bekijken of we deze cold case weer kunnen activeren”, laat een woordvoerder weten. Hij weet niet precies wanneer dat gaat gebeuren. “Soms gaan zaken niet zo snel als we zouden willen.”

Abonneer je via volgende kanalen om niets te missen via??iTunes, ?RSS-feed,??Stitcher?.

Nieuwe afleveringen zijn ook te horen in Argos, iedere zaterdagmiddag van 14.00 tot 15.00 uur op NPO Radio 1. De afleveringen zullen onregelmatig verschijnen omdat de opnames nog lopen. De serie wordt gemaakt door Sanne Boer. Heb je een tip? Mail naar:?[email protected].

Bronnen: VPRO,?De Limburger

Politie schakelt de hulp in van een heel dorp bij oplossing cold case

De politie schakelt de hulp in van een heel dorp bij een onopgeloste vermissing. En dat is vrij uniek. Het gaat om de vermissing van Herman Ploegstra. Hij was 35 jaar toen hij op 26 oktober 2010 verdween.

Hij zou gaan sporten in de plaats Breskens, maar kwam niet meer thuis in zijn woonplaats IJzendijke. Zijn auto is later nog wel gevonden, met daarin zijn sleutels en z’n portemonnee. Na onderzoek gaat de politie inmiddels uit van een misdrijf. Vanavond is er een speciale meedenk-avond. De complete presentatie kun je hieronder bekijken en is geplaatst in een artikel van Omroep Zeeland:

De 35-jarige kraanmachinist Herman Ploegstra uit IJzendijke is in oktober 2010 spoorloos verdwenen, onder verdachte omstandigheden. De politie gaat ervan uit dat hij het slachtoffer is geworden van een misdrijf.

Beloning

De politie wil reuring in IJzendijke brengen om de zaak Ploegstra eindelijk op te lossen. Het cold case team vermoedt dat het antwoord dichtbij is, maar op dit moment zijn er nog geen verdachten in beeld. Er is ook nog altijd een beloning uitgeloofd voor de gouden tip: 15.000 euro. Die beloning staat al jarenlang uit, maar heeft nog niets opgeleverd.

De familie en het televisieprogramma Vermist hebben in oktober 2014 de beloning?verdubbeld tot 30.000 euro, maar ook die verhoogde beloning leidde niet tot de gouden tip. Inmiddels is die verdubbeling niet meer van kracht en is dus nog ‘alleen’ de originele beloning van politie en justitie van 15.000 euro over.

Vragen

Bij bijeenkomst in het gemeentehuis van de gemeente Sluis, in Oostburg, waren 25 ge?nteresseerden aanwezig. Tijdens de bijeenkomst werden er ook enkele vragen voorgelegd aan de inwoners van IJzendijke, die de politie graag snel beantwoord wil krijgen:

  • Wie weet er meer over Hermans buitenechtelijke relaties? Het cold case team weet al van meerdere mogelijke buitenechtelijke relaties, maar is nog op zoek naar meer informatie over een Marokkaanse vrouw waar Herman volgens getuigen mee om zou gaan. De politie weet nog niet om wie het gaat.
  • Waar kluste Herman bij ten tijde van zijn verdwijning? Volgens zijn baas verdiende hij een zakcentje bij, mogelijk met zwart werk. De politie wil nu weten waar hij toen bijkluste.
  • Waar is Hermans geheime telefoon? Hij had een tweede telefoon om zo zijn buitenechtelijke escapades geheim te houden. Die telefoon is nooit gevonden.
  • Waar ging Herman heen als hij wegsloop op zijn werk? Tijdens een werkdag ging hij weleens ongeoorloofd weg, de politie wil nu weten waarnaartoe.
  • Naar wie belde Herman vanaf de kraanmachine? Volgens getuigen zat hij urenlang te bellen, de politie wil weten met wie.
  • Werd Herman bedreigd door criminelen? In de periode voor zijn verdwijning zou hij meerdere malen zijn bedreigd, de politie wil nu weten of hij bij criminele activiteiten betrokken was.

De politie hoopt dat dankzij deze zogenoemde bewonersparticipatieavond mensen uit het dorp naar voren komen met nieuwe informatie over de zaak. Tegelijkertijd is het cold case team ook realistisch. De kans is klein dat iemand zijn vinger opsteekt en zegt: “Ik heb het gedaan.” Maar bij het bestuderen van het oorspronkelijke onderzoek is volgens het cold case team gebleken dat nog lang niet alle getuigen het achterste van hun tong hebben laten zien.

Kritisch op het oorspronkelijke onderzoek

Het cold case team is sowieso erg kritisch op het oorspronkelijke onderzoek. Zo zou er niet, of in ieder geval onvoldoende, gekeken zijn op plaatsen waar Herman zich op dat moment mogelijk had kunnen bevinden. Ook zouden niet alle mogelijke getuigen verhoord zijn en waren bij sommige getuigen die w?l ondervraagd zijn volgens het cold case team de verhoren niet grondig genoeg.

Daarom heeft het cold case team besloten om het volledige oorspronkelijke onderzoek opnieuw uit te voeren, inclusief alle verhoren en het forensisch onderzoek. Bovendien zijn er al meerdere bruikbare tips binnengekomen sinds het heropenen van de zaak. De politie is tevreden over het aantal binnengekomen tips, maar hoopt op meer, mede dankzij deze informatieavond.

Emotionele oproep

Tijdens de informatieavond werd ook aandacht besteed aan de impact van deze zaak op de familie. Hermans oudste broer Jan deed daarom een emotionele oproep: “Dit is heel moeilijk, maar ik ben gekomen om te kijken of we dit samen kunnen oplossen, om antwoorden te krijgen op alle vragen. Ik hoop echt dat er antwoorden komen. En aan iedereen die wat weet, zeg ik: meld het. Hoe klein het ook is. Dank u wel.”

Papa, ik mis je

Ook werd een briefje getoond dat dochter Anouk korte tijd na de verdwijning van haar vader schreef. “Papa, ik mis je en ik wil je zien, maar dat gaat niet en ik hoop dat je gevonden wordt”, schreef ze destijds.

Briefje van de dochter van Herman Ploegstra over de verdwijning van haar vader (foto: Politie)

In oktober 2010 verdween de toen 35-jarige Herman Ploegstra spoorloos. Een rechercheonderzoek leverde geen aanwijzingen op. Na bijna acht jaar heeft het Cold Case Team van de politie Zeeland-West-Brabant besloten deze zaak te heropenen.

De feiten op een rij

Tijdens de presentatie zette het cold case team nogmaals de feiten rond Ploegstra’s vermissing op een rij. Herman vertrok thuis rond 19.15 uur en reed naar de sportschool. Daar reed hij tussen 21.15 en 21.30 uur weg, maar hij zou nooit thuis aankomen.

Tussen 23.15 en 23.30 uur vonden vrienden zijn auto, haastig in de berm geparkeerd, met de sleutels nog in het contact en zijn portemonnee en brandweerpieper lagen naast de auto. Bij forensisch onderzoek werden later kleine bloedspatten in de auto gevonden.

Kaart van route die Herman Ploegstra aflegde op dag van zijn verdwijning (foto: Politie)

Het cold case team gaat uit van een misdrijf. Daarbij wordt rekening gehouden met drie scenario’s: dat het gaat om een misdrijf vanuit de familiale kring, de relationele sfeer of het crimineel circuit.

Tweede telefoon

Het cold case team bevestigt het beeld dat eerder in documentaires van misdaadjournalisten Peter R. de Vries en John van den Heuvel werd geschetst, namelijk dat Ploegstra er een dubbelleven op nahield. Hij ging vreemd en onderhield met behulp van een tweede telefoon contact met zijn buitenechtelijke sekspartners.

Het cold case team vermoedt nu dat meerdere ‘bekenden’ van Herman belang hadden bij het laten verdwijnen van zijn ‘geheime vrouwtjes-telefoon’, zoals de politie het toestel omschrijft. Het cold case team hoopt dat er inwoners van IJzendijke zijn die weten wie er mogelijk baat bij zou kunnen hebben om Ploegstra’s tweede telefoon te laten verdwijnen. Verder had Herman volgens het cold case team ruzie met ??n of meer collega-brandweermannen.

Uitgescheurde pagina

In zijn notitieboekje werd een uitgescheurde pagina gevonden. In de pagina eronder stond een vreemde tekst doorgedrukt. Herman schreef daarin onder meer: “Na al die tijd ben ik er vorige week achter je karakter gekomen”, en: “Ik geef om je maar niet op zoo’n manier.” Het cold case team wil nu weten om wie dit gaat.

Notitie van Herman Ploegstra, over wie heeft hij het hier? (foto: Politie)

In Hermans agenda werden ook meerdere vreemde symbolen gevonden. Vermoedelijk waren dit notities voor ontmoetingen met iemand. Mogelijk weet degene met wie Herman die afspraken maakte meer over wat er met hem is gebeurd.

Mysterieuze notitie in agenda van Herman Ploegstra (foto: Politie)

Wat voor symbool dat is, wil teamleider Ralph Nagelkerke van het cold case team niet zeggen. “Ik ga niet vertellen wat wij denken dat het zou kunnen zijn, ik vraag u om aan ons te vertellen wat u denkt dat het is”, zei hij tegen de aanwezigen.

Mysterieuze notities

Het cold case team hoopt dat dorpsgenoten meer weten over deze geheime afspraakjes en mysterieuze notities in zijn agenda. Mogelijk hebben deze notities te maken met Hermans buitenechtelijke escapades, maar het kan ook iets te maken hebben met een ander scenario: dat van zijn vermeende criminele contacten.

Mysterieuze notitie in agenda van Herman Ploegstra (foto: Politie)

Zo heeft Herman voor zijn verdwijning meerdere keren tegen zijn broers gezegd dat hij werd bedreigd, maar niemand kan die bedreigingen bevestigen. “De door Herman geuite bedreigingen zijn door niemand anders waargenomen dan door Herman zelf”, staat te lezen in de presentatie van het cold case team.

Kogel onder de ruitenwisser

Volgens zijn broers had Herman een envelop met daarin een kogel onder zijn ruitenwisser gevonden, waren zijn banden herhaaldelijk lekgestoken, werd hij meerdere malen achtervolgd en kreeg hij ’s nachts vaak dreigende telefoontjes. Volgens het cold case team is daar nog geen hard bewijs voor, maar het is wel een van de scenario’s die nu onderzocht worden.

Sinds de heropening van de zaak heeft het cold case team van de politie al meerdere zaken in beslag genomen die relevant zijn voor het onderzoek. Bij de presentatie kondigt het team aan dat er mogelijk meerdere huiszoekingen zullen volgen en dat de komende tijd meer goederen voor onderzoek in beslag genomen zullen worden.

Nogmaals het briefje van dochter Anouk

Tot besluit van de informatieavond toont het cold case team nogmaals het briefje van dochter Anouk, om alle aanwezigen ervan te doordringen dat nu nog steeds na acht jaar de familie van Herman nog altijd niet weet wat er gebeurd is met hun man, broer, vader of zoon. Iedereen die nog informatie wordt opgeroepen om die nu alsnog te delen, zodat zijn familieleden eindelijk de antwoorden krijgen waar ze nu al bijna acht jaar op wachten.

Bronnen: RTL, Omroep Zeeland

Kennis voor de politie van morgen

Op 5 april jl. was er de conferentie Kennis voor de Politie van morgen. Een conferentie met de focus op onderzoek bij, naar en voor de politie.?Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politiefunctie.

Een mix van beleidsmakers, wetenschappers en politiemensen gingen in dialoog over de betekenis van actuele onderzoeken bij, voor en naar de politie en wat dit betekent voor de toekomst van politiewerk en de gewenste onderzoeksprogrammering. Onderzoekers van binnen en buiten de politie zijn gevraagd een bijdrage te leveren. Relevante, vernieuwende en actuele onderzoeken op vier thema?s; wijken en veiligheid, intelligence, opsporing en politiemedewerkers. De dialoog tussen de workshopgevers en genodigden draagt bij aan het overbruggen van de afstand tussen wetenschap en politieprofessie, beleid en praktijk; waardevolle inzichten vanuit onderzoek kunnen dan vertaald worden in bruikbare handvaten voor de politieorganisatie en haar partners.

Nederland herbergt heel wat politieonderzoekers, van heel diverse pluimage, maar een centrale ontmoetingsplaats ontbrak nog. Dat is jammer voor politiemensen die hun vak beter willen uitoefenen of die een nieuwe taak hebben en willen leren van eerdere ervaringen. Dat is jammer voor docenten die politiemensen opleiden en up-to-date willen blijven. Dat is jammer voor beleidsambtenaren die politiewerk moeten beoordelen en wetten, regels en beleid moeten formuleren en lang moeten zoeken voor ze de juiste deskundige hebben gevonden. Maar het is bovenal jammer voor onderzoekers omdat onderzoek gedijt bij uitwisseling van idee?n, kritische discussie en toetsing aan de praktijk.

Daarom organiseerden Politie, Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Politieacademie ook dit jaar weer een conferentie over onderzoek naar en voor de politie. Meer dan tachtig onderzoekers, verdeeld over ongeveer veertig workshops, presenteerden hun bevindingen en gingen met elkaar en de bezoekers in discussie. Aan bod kwamen onderwerpen als politie in contact met vluchtelingen, ondermijning, licht verstandelijk beperkten in het strafproces, verhoor, discriminatie en polarisatie, weerbaarheid en presteren onder druk en nog veel meer.

Lees hier het programma of meer over de onderwerpen in het boekje.

[slideshare id=93344263&doc=kennisvoordepolitievanmorgen-180409154650&type=d]

Bronnen: Politie

Sherlock – DIY opsporingsplatform voor burgers

Daar sta je dan. Net terug van een feestje, lijkt er thuis ingebroken te zijn. De sporen van een inbraakpoging zijn duidelijk te zien. De adrenaline giert door je lijf. Die inbreker ga je opsporen! Maar hoe pak je dat aan? Met de Sherlock-app voor burgeropsporing, ontwikkeld door TNO en de politie.

Via de Sherlock-app openen slachtoffers van bijvoorbeeld vernieling, cyberpesten, een poging tot woninginbraak of diefstal hun eigen opsporingsdossier. Daarin leggen ze ? afhankelijk van het misdrijf ? de locatie, zichtbare sporen, mogelijk motief, getuigenverklaringen en gestolen goederen vast. Een andere mogelijkheid is het samenstellen van een compositiefoto van een verdachte. Veel mensen vinden het moeilijk om de juiste ogen, oren of neus op een gezicht te plakken. Daarom bevat de app een trainingsspel, waarmee gezichten van bekende personen ?bij elkaar geklikt? moeten worden. Is het dossier compleet? Dan deelt de gebruiker eenvoudig via diverse socialmediakanalen of e-mail een opsporingsbericht, en stuurt hij het complete dossier naar de politie zodat zij actie kan ondernemen. Vervolgens wisselen de gebruiker en politie updates uit via de app.

Zelf buurtonderzoek doen

?De app maakt het mogelijk om gebruik te maken van ?the wisdom of the crowd??, vertelt Arnout de Vries, onderzoeker bij TNO. ?De politie schakelt burgers nu nog vrij traditioneel in, bijvoorbeeld via Opsporing Verzocht. Maar burgers hebben niet alleen ogen en oren waarmee ze kunnen waarnemen, ze hebben ook hersenen met kennis en denkkracht, en handen en benen om iets te doen. Dat mobiliseren we via de app. Een buurtonderzoek kost bijvoorbeeld veel tijd en mankracht. Wat is er handiger dan dat ik na een inbraak zelf bij mijn buren langsga voor een verklaring? Ik weet wanneer ze thuis zijn en dankzij de app weet ik ook wat ik moet vragen. De politie hoeft niet meer alles zelf te doen. Zij kan haar schaarse capaciteit voortaan zo effectief mogelijk inzetten, waardoor er hopelijk meer zaken worden opgelost.?

?Een buurtonderzoek kost veel tijd en mankracht. Wat is er handiger dan dat ik na een inbraak zelf bij mijn buren langsga voor een verklaring??

Risico’s van zelf daders opsporen

Als burgers zelf daders gaan opsporen, brengt dat risico?s met zich mee. Hoogoplopende emoties kunnen bijvoorbeeld leiden tot eigenhandig optreden. De Vries is zich daarvan bewust, maar stelt dat dit ook zonder de app al het geval is: ?Je kunt burgers niet zomaar tegenhouden. Ze starten nu al hun eigen onderzoek via Facebook, omdat ze merken dat de politie aan lang niet alle zaken prioriteit geeft of te kampen heeft met capaciteitsgebrek.?

Burgeropsporing

Burgeropsporing is nu nog relatief klein, maar het is wel een trend die steeds belangrijker wordt. Daar moet je wat mee.? Daarom helpt de Sherlock-app niet alleen bij de opsporing, maar geeft het burgers ook informatie over preventie en over wat volgens de wet wel en niet mag. Daarnaast maakt de app inzichtelijk wat de consequenties zijn van sommige handelingen, zoals het online delen van namen en foto?s van verdachten en slachtoffers.

?Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers, en politieprocessen te veranderen?

Programma ‘herijking opsporing’

Op dit moment is de Sherlock-app nog een prototype en niet daadwerkelijk in gebruik. TNO hoopt deze innovatieve app verder te ontwikkelen, in het kader van het programma ?Herijking opsporing? van de politie. Burgerparticipatie krijgt binnen dit vernieuwingsprogramma de nodige aandacht, omdat het besef binnen de politie doordringt dat een ?chte revolutie nodig is: een actieve rol van, en samenwerking met burgers. De Sherlock-app is daarvoor een goed middel.

Cultuurverandering noodzakelijk

De Vries is realistisch genoeg om te weten dat hiervoor een cultuurverandering nodig is. ?Binnen de politie wordt niet voor niets gesproken over blauw ? de agenten op straat ? en grijs ? de recherche. De opsporingstak van de politie heeft dagelijks te maken met misdrijven en vertrouwt niet zomaar burgerspeurneuzen die zelf hun zaak willen oplossen. Het kost tijd om een meer open houding te realiseren richting goedwillende burgers, en politieprocessen te veranderen.?

?Burgeropsporing is nu nog relatief klein, maar het is wel een trend die steeds belangrijker wordt. Daar moet je wat mee?

Samenwerken met de politie

Daarnaast is een verandering in mindset nodig. Nu wordt burgerparticipatie vaak nog gezien als een laatste redmiddel om een zaak op te lossen. Ook zijn politieprofessionals bang dat burgers een zaak schaden, waardoor een dader niet berecht kan worden. ?Uit de onderzoeken die ik doe, blijkt dat de meeste burgers van goede wil zijn en bereid zijn om samen te werken met de politie. Daarom gaan TNO en de politie na een testfase het in gebruik nemen van de app verkennen. Zo gaan we op bezoek bij slachtoffers van een inbraak en maken we samen met hen een opsporingsdossier. Politie en burgers kunnen de samenwerking op die manier aan den lijve ervaren, waardoor meer respect en vertrouwen in elkaar kan ontstaan. De moderne Sherlock met app heeft de toekomst.?

Bronnen: TNO Time

Agenten beschermen tegen internetfilmpjes? #treitervlogs

anp-1024_30709972_1

Bekend is dat publieke professionals, zoals politieagenten en docenten, hun beroep uitvoeren in een stressvolle context. Sinds een aantal decennia valt het op dat de veranderde relatie tussen professional en burger vaker tot botsingen leidt. Zo maken professionals vaker agressie en geweld mee. Sinds een aantal jaar vormen sociale media een belangrijk strijdtoneel. Beelden van professionals, zoals aanhoudingen door agenten, veroorzaken hier publieke verontwaardiging. Professionals geven aan dit opnemen en online plaatsen als zeer stressvol te ervaren en weten niet goed hoe hiermee om te gaan of hoe zulke situaties te voorkomen. Veilige Publieke Taak heeft een aantal jaar gewerkt aan voorlichting en handelingsperspectief, bijvoorbeeld in geval van?bedreigende, discriminerende en beledigende uitingen op social media.

De vloggertjes die agenten filmen moeten worden aangepakt volgens een meerderheid van de Tweede Kamer. Volgens Kamerlid Marcouch staat er bij een actie van de politie altijd een groepje omheen dat filmt. Marcouch krijgt klachten van agenten dat hun familie daarna wordt lastiggevallen. Daarom grijpt de politie soms maar gewoon niet in als er wat op straat gebeurt.

Daarom vindt Marcouch dat video’s van agenten alleen online gezet mogen worden als de gezichten onherkenbaar zijn. “Politici kiezen ervoor om een publiek en bekend figuur te worden, deze agenten niet. We moeten voorkomen dat ze vogelvrij worden”, aldus het Kamerlid volgens De Telegraaf.

Maar leidt bedreiging er bijvoorbeeld toe dat professionals situaties gaan vermijden? Of verharden ze juist in de relatie met de burger? Welke ondersteuning heeft de professional nodig? Door kennis te ontwikkelen en verspreiden, draagt Impact bij aan het weerbaarder maken van professionals en publieke organisaties op dit thema.

Impact doet verkennend onderzoek naar de impact van social media framing op professionals. Daarin wordt specifiek gekeken naar het effect van het opnemen en online plaatsen van publieke handelingen op publieke professionals en de organisaties waarin zij werken. Men kijkt naar de motieven van burgers om beelden vast te leggen en te delen, in sectoren als het onderwijs, de jeugdzorg en veiligheidsinstellingen als de politie.

Impact op professionals met publieke taken

De gevolgen van het filmen lijken een beperking van de professionele bewegingsruimte en een aantasting van de professionele integriteit te veroorzaken.

Het blog Cops in Cyberspace noemt het “Fobf”, ofwel: Fear of being filmed dat bij steeds meer agenten lijkt op te spelen. Het artikel “agenten verlamd door YouTube” of?de politie uit Chicago die hun eigen dashcams uit de auto’s slopen laat zien dat niet alle agenten gediend zijn bij dergelijke transparantie. Toch mogen burgers nog steeds zelf dergelijke camerabeelden publiceren.

Negatieve framing kent twee belangrijke elementen, namelijk opnames op een dergelijke manier manipuleren dat een voor de professional negatieve situatie ontstaat. Dit kan bijvoorbeeld worden aan door het begin en het einde van een filmpje te knippen. Het tweede element is het vaak contextloze filmpje in verband brengen met een bepaalde sociale gebeurtenis of het image van een organisatie.

Het autonome handelen van de professional wordt soms in twijfel getrokken door de maatschappij. De boodschap van dergelijke filmpjes, en met name de reacties daaronder, is dan dat deze professional zijn of haar werk niet goed doet en ter verantwoording dient te worden geroepen. Deze situatie is nieuw in de zin dat het filmen en plaatsen van beeldmateriaal van professioneel handelen vaker gebeurt, maar vooral dat er na het plaatsen op sociale media een ongekende verspreidingssnelheid kan ontstaan, een olievlek werking naar andere media en dat er een gevoel van ongrijpbaarheid bij de professional ontstaat. Voor de professional is de problematisch omdat er geen mogelijkheid van hoor en wederhoor toegepast kan worden (de professional is monddood in dit geval) en de handelingsruimte van de professional wordt ingeperkt door permanente verantwoordingsdruk. Daarnaast wordt professioneel handelen persoonlijk handelen. Door professionals is aangegeven dat zij in toenemende mate in de priv?sfeer met hun professionele gedrag worden geconfronteerd door middel van sociale media. Dit uit zich in het plaatsen van filmpjes of foto?s op sociale media waarbij persoonlijke informatie over de professional wordt gedeeld, waarbij persoonlijke informatie over de professional wordt gevraagd of waarbij bedreigingen aan het persoonlijke adres van de professional worden geuit. Sociale media heeft daarin een bepalende rol doordat persoonlijke informatie van professionals makkelijk toegankelijk is via internet en cli?nten vaak niet in staat zijn de grens tussen professioneel handelen en persoonlijke situaties te onderscheiden. Deze situatie is problematisch doordat voor professionals ook de scheidingslijn tussen professioneel handelen en priv? kleiner wordt gemaakt. Professionele distantie maakt het mogelijk in moeilijke situaties juist te handelen. Doordat werk persoonlijk gemaakt wordt, lijkt juist handelen in bepaalde situaties moeilijker te worden.

Hieronder nog een aantal fragmenten van onder andere Rapper Boef en treitervlogger Ismail met de politie.

Impact kijkt naar diverse oplossingen. Oplossingen voor organisaties, professionals zelf en media en burgers. Intussen komen technologiepartijen ook met hun eigen oplossingen, zoals onderstaande app die al in lijkt te spelen op het idee van?Kamerlid Marcouch:

Bronnen: RTL Nieuws,?Powned, IMPACT

Stand van zaken: toenemende impact social media op veiligheid

media4sec

Onlangs is nieuw Europees onderzoek gestart naar de toenemende rol van sociale media in publieke veiligheid. Het consortium, MEDI@4SEC, met TNO als belangrijke partner, onderzoekt de kansen en bedreigingen van sociale media voor veiligheidsdiensten zoals de politie, met een focus op de ethische en juridische aspecten. Ook het gebruik van sociale media door burgers en criminelen en de gevolgen daarvan voor onze veiligheid worden onderzocht.

Sociale media bieden veel voordelen voor de samenleving waaronder nieuwe mogelijkheden om veiligheidsproblemen aan te pakken, zoals in de strijd tegen criminaliteit, het verminderen van angst voor criminaliteit en,? in meer het algemeen het verhogen van de kwaliteit van het leven. Echter, de nadelen kunnen gaan overheersen door toenemende vormen van gedigitaliseerde criminaliteit en terrorisme. Andere negatieve effecten zijn het gebruik van het sociale web voor trollen, cyberpesten, bedreigingen, dark web marktplaatsen. Ook het nutteloos delen van live video van politieoptreden tijdens incidenten kan vervelende gevolgen hebben voor de veiligheid. Het publiek ziet graag dat politie en beleidsmakers vergaande plannen hebben om de nieuwe technologische mogelijkheden optimaal te benutten, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de vrijheden van deze nieuwe technologie?n.

media4sec

MEDI@4SEC heeft bijna 2 miljoen euro aan financiering van de Europese Commissie gekregen en het brengt onderzoekers en professionals uit de praktijk van diverse veiligheidsorganisaties uit heel Europa bij elkaar, waaronder: de Universiteit van Warwick (Engeland), TNO (Nederland), de Europese Organisatie voor Security (EOS, Belgi?) Fraunhofer IAO (Duitsland ), Europees Forum voor Urban Security (EFUS, Frankrijk), Center for Security Studies (KEMEA, Griekenland), de Universiteit van Utrecht (Nederland), XLAB (Sloveni?), de politie van Noord-Ierland (UK) en de politie van Valencia (Spanje).

Victoria Sloss, landelijk communicatie verantwoordelijke van de Noord-Ierse politie zegt; “Het gebruik van sociale media binnen de politie ontwikkelt zich in een snel tempo. De media die de politie ter beschikking heeft om te communiceren, om deel te nemen en informatie te verstrekken aan gemeenschappen worden uitgebreid. Maar het is belangrijk dat ze op de juiste manier worden gebruikt, binnen de juridische en ethische kaders.?
“Betrokkenheid bij onderzoek hiernaar, zoals het MEDI@4SEC project, is van vitaal belang voor de ontwikkeling van het gebruik van sociale media door politie organisaties. We hebben de plicht om te communiceren en te interacteren met de maatschappij en het is belangrijk dat we ons blijven ontwikkelen om dit met de juiste tools te doen. Bovenal verwacht de maatschappij dat we criminaliteit blijven opsporen en voorkomen, en dat we hiervoor alle beschikbare tools in zetten.”

De technologische, sociale en politieke omgevingen waarbinnen de maatschappelijke veiligheid en openbare orde in steden worden gecre?erd veranderen snel. Het consortium start haar project door een breed scala van politieorganisaties, veiligheidsprofessionals en beleidsmakers samen te brengen met lokale gemeenschappen en eindgebruikers van sociale media in een serie van workshops. Deze workshops gaan over verschillende thema?s, waaronder de publieke betrokkenheid in maatschappelijke veiligheid, trollen, het dark web, rellen en massabijeenkomsten en doe-het-zelf politiewerk. MEDI@4SEC zal inzicht geven hoe sociale media wel en niet gebruikt kunnen worden voor maatschappelijke veiligheid en kennis delen over de ethische, juridische overwegingen waaronder privacy en zorgvuldige omgang van data.

De resultaten uit onderzoek in MEDI@4SEC zullen beleidsmakers en professionals ondersteunen om de juiste keuzes te blijven maken met: best practice rapporten; informatie en raamwerken over een reeks van sociale media-technologie?n; aanbevelingen voor Europese normen en standaarden; trainingsmogelijkheden; en, ethische bewustwording.

Bronnen: TNO.nl, Medi@4Sec

In de h200d: een eigentijdse etnografie

Robby Roks heeft verslag gelegd van een langdurig etnografisch onderzoek onder (ex-)leden van de Haagse jeugdbende Rollin 200 Crips. Drs. Robby Roks is als universitair docent verbonden aan de sectie Criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Gedurende het veldwerk heeft de auteur de mogelijkheden van sociale media verkend. Hij laat zien dat de activiteiten van deze jongeren zich in toenemende mate op social media afspelen en dat de grens tussen offline en online steeds moeilijker te trekken is. Posts en foto?s op social media kunnen op eenvoudige wijze door criminologen worden gebruikt voor dataverzameling, terwijl social media ook kunnen dienen als platform om contact te leggen en te communiceren met informanten. Ten slotte staat deze auteur stil bij de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Juan: ?Twitter tripple OG?S? (11-08-2013 17:06)
Fernando: @Juan: ?hahahah Rollin Twitter Crips? (11-08-2013 17:10)

De bovenstaande ?tweets? zijn afkomstig van twee jongeren die ik in?het kader van het veldwerk voor mijn promotieonderzoek vanaf 2011?tot en met 2013 heb gevolgd. Juan en Fernando, twee gefingeerde?namen, hebben allebei deel uitgemaakt van de Rollin 200 Crips, een?Nederlandse ?gang? naar Amerikaans voorbeeld die sinds de jaren?negentig in de media geregeld van zich heeft laten horen. (o.a. in de documentaire Strapped ?n strong uit 2009, maar ook in het boek Crips.nl van Saul van Stapele uit 2003 en diverse artikelen in het tijdschrift Nieuwe Revu, zoals Van Stapele 1998; 2009). Hun tweets?verwijzen naar de toenemende virtualisering van de Nederlandse?straatcultuur. OG, oftewel ?Original Gangster?, is slang die afkomstig is?uit de Verenigde Staten, maar als gevolg van de mondiale verspreiding?van Amerikaanse gang- en straatstijlen ook onderdeel is geworden van?het vocabulaire van jongeren in Nederland. Op Twitter wordt volgens?Juan geclaimd dat mensen ?Tripple OG? zijn: een term die gebruikt?wordt als verwijzing naar een hoge hi?rarchische en respectabele positie?op straat. Fernando lacht uitbundig om de opmerking van Juan en
maakt van Rollin 200 Crips de ?Rollin Twitter Crips?, implicerend dat?de activiteiten van de Crips zich in toenemende mate op social media?afspelen.

In deze bijdrage wil ik laten zien dat social media een relatief onontgonnen?bron van criminologisch relevante data kunnen opleveren. In?het bijzonder wil ik daarbij het belang van deze online praktijken illustreren?voor eigentijds etnografisch onderzoek. Ten slotte sta ik stil bij?de ethische dilemma?s en beperkingen die gepaard gaan met het?gebruik van deze nieuwe, andersoortige methoden van dataverzameling.

Etnografisch onderzoek
Sinds de Chicago School kent etnografisch onderzoek een stevige verankering?in de historie van de criminologie. Door de jaren heen lijkt er?een wisselende belangstelling te bestaan voor deze onderzoeksbenadering,?mede als gevolg van discussies over ethiek (Adler & Adler 1998)?en het tijdsintensieve proces van dataverzameling. In toenemende?mate wordt echter gewezen op de meerwaarde van dit methodologische?perspectief voor de criminologie (Ferrell & Hamm 1998), ook in?Nederland (Schuilenburg e.a. 2011, p. 13-14).

Etnografisch onderzoek vormt niet zozeer een methode van onderzoek,?maar dient gezien te worden als een onderzoeksbenadering die?meerdere methoden behelst. Naast participerende observatie, wordt?veldwerk gekenmerkt door het gebruik van diverse methoden en technieken,?zoals interviewen, maar ook het verzamelen en analyseren van?allerlei persoonlijke documenten. De kern van het verrichten van?etnografisch veldwerk is gelegen in het ?being there?: het langdurig?deelgenoot worden van een gemeenschap, cultuur of setting om deze?leefwereld van binnenuit te begrijpen en te beschrijven (Zaitch e.a.?2010, p. 262-274). Er valt een aantal ontwikkelingen waar te nemen die?inwerken op het centrale uitgangspunt van ?being there?. Allereerst?hebben processen van mondialisering invloed op de betekenis die?wordt gehecht aan de notie van lokaliteit (Wittel 2000). Hannerz pleit?om die reden voor zogenaamde ?multi-sited ethnographies? om recht?te doen aan het feit dat personen, verhalen en objecten steeds mobieler?worden (Hannerz 2003). Een hieraan verwante ontwikkeling betreft?de komst van het internet en de toenemende virtualisering van het?dagelijks leven.

Het internet biedt voor onderzoekers interessante uitdagingen, vooral?in methodologische zin. Ook binnen de criminologie is aandacht voor?het gebruik van internet bij het verrichten van kwalitatief onderzoek?(vgl. Flick 2010). In een themanummer van het Tijdschrift voor Criminologie?(2013) wordt daarbij onder andere gewezen op het gebruik van?online dader- en slachtofferenqu?tes, de opkomst van Big Data, digitale?of virtuele vormen van participerende observatie of het gebruik?van computertechnologie als aanvullend hulpmiddel waarmee respondenten
aan virtuele situaties kunnen worden blootgesteld (Van?Erp e.a. 2013, p. 332-333). Wat opvalt wanneer de mogelijkheden van?de gedigitaliseerde wereld worden verkend, is dat er over het algemeen?een (te) strikte scheiding wordt aangebracht tussen het verrichten?van online en offline onderzoek. Het is de vraag of een dergelijke?binaire scheiding voldoende recht doet aan de werkelijkheid (vgl. o.a.?Leander & McKim 2003; De Jong & Schuilenburg 2006; Murthy 2008;?Ferrell e.a. 2015). Online en offline praktijken raken immers in toenemende?mate verweven met elkaar, een ontwikkeling die nadrukkelijke?consequenties heeft voor het ?being there?. Etnografisch onderzoek?zou anno 2016 niet enkel aandacht moeten hebben voor wat respondenten
offline doen en zeggen, maar tevens proberen te incorporeren?wat zij online doen en zeggen. De mogelijkheden en moeilijkheden die?daarmee gepaard gaan, wil ik illustreren aan de hand van mijn veldwerk??in de h200d? (Roks 2016).

Offline in de h200d
Het startpunt voor mijn onderzoek naar de inbedding van criminaliteit?en identiteit was een kleine wijk in Den Haag, die in de volksmond?bekendstaat als het Vergeten Dorp. Sinds eind jaren tachtig van de?vorige eeuw claimen de Haagse Crips deze buurt als hun territorium?en noemen ze het hun ?h200d?.

?H200d? (uitgesproken als ?hood?) vormt een verbastering van het Engelse ?neighborhood?. Het vervangen van de letters ?O? in het woord door het getal ?200? vormt een verwijzing naar de volledige naam van deze Haagse Crips, de Rollin 200 Crips. Het gebruik van de term ?h200d? dient te worden gezien als een manier waarmee de Rollin 200 Crips de fysieke ruimte van het Vergeten Dorp claimen als hun territorium.

In januari 2011 begon ik mijn veldwerk?in de h200d met het intensiveren van de contacten die ik daar?had opgedaan in een eerder onderzoek (Roks 2007). Omdat mijn gatekeeper?Keylow, de leider en oprichter van deze Haagse Crips, op dat?moment in detentie verbleef, zocht ik naar plekken in de buurt waar?het sociale leven zich afspeelt. In navolging van anderen (o.a. Van
Gemert 1998; De Jong 2007) begon ik in het lokale buurthuis. Daar?bezocht ik, na overleg met de jongerenwerker, een paar keer per week?de inloop van het jongerenwerk. Ongeveer vijftig jongeren tussen de?12 en 20 jaar uit het Vergeten Dorp en omringende buurten kwamen?daar op vaste tijden bijeen in een kleine ruimte van het buurthuis.

Omdat deze inloop alleen werd bezocht door jonge buurtbewoners,?besloot ik ook contact te zoeken met de actieve bewonersorganisatie?die het Vergeten Dorp van oudsher kent. Een halfjaar en een flink aantal?e-mails later kwam ik in contact met de voorzitter en penningmeester?en werd ik uitgenodigd om de maandelijkse vergaderingen?van de bewonersorganisatie bij te wonen.

Toen Keylow een halfjaar na de start van mijn veldwerk weer in vrijheid?werd gesteld, besloot ik meer te investeren in het opbouwen van?relaties met leden van de Crips. Een direct gevolg hiervan was dat ik?minder tijd stak in het onderhouden en uitbouwen van contacten met?jongeren uit de buurt en oudere buurtbewoners. Omdat het buurthuis?bovendien in de zomermaanden gesloten bleef, zorgde dit voor een?extra complicerende factor voor mijn relaties met jongeren uit de?buurt. Ook het contact met de Crips verliep in het begin moeizaam,?ook al had ik al enkele jaren geleden het vertrouwen van mijn gatekeeper?Keylow weten te winnen. Bij afwezigheid van Keylow in de h200d?werd ik niet gegroet en op tijden zelfs opzichtig genegeerd wanneer ik?een gesprek probeerde aan te knopen. Het duurde bij sommige respondenten?meer dan een jaar, waarin ik de buurt meermaals per week?bezocht, voordat ze mijn aanwezigheid in hun nabijheid tolereerden?en mij actief betrokken in gesprekken. Na een jaar waarin vooral de?nadruk op observeren lag en ik bewust niemand van de Crips heb?ge?nterviewd, was ik gedurende de zomermaanden van 2012 in staat
om mezelf te midden van de Crips te begeven. Langzaamaan begon ik?met het systematisch verzamelen van informatie over de individuele?leden van de Crips. Mijn rol verschoof hierbij gradueel richting participerende?vormen van onderzoek in de vorm van gezamenlijke sportactiviteiten?en het luisteren van muziek, maar hoofdzakelijk het hele?dagen rondhangen in de h200d.

Het leggen van contacten in het buurthuis verliep in het begin eveneens?uiterst moeizaam. Tijdens mijn bezoeken aan het buurthuis trof?ik dezelfde jongeren die ik eerder in 2007 had gezien in de buurt, maar?die toen nog hooguit 10 of 11 jaar waren. Bovendien herkende ik een?deel van de bezoekers van het buurthuis van gezicht omdat zij naar?voren komen in de documentaire Strapped ?n strong (2009) over de?Rollin 200 Crips. Naarmate ik vaker in het buurthuis kwam, werd het?contact met sommige jongeren beter. In de periode dat ik meer tijd op?straat met de Crips doorbracht, zag ik deze jongeren echter steeds?minder. Slechts sporadisch trof ik ze nog op straat of in de wijk en het?contact met een deel van hen dreigde te verwateren.

Online in de h200d
Tijdens mijn eerste bezoeken aan de inloop sprong in het oog hoezeer?de jongeren gebruik maakten van sociaalnetwerksites als Hyves en?Twitter via de internetverbinding op de vaste computers in het buurthuis?of op hun mobiele telefoons. Op momenten dat ik niet in het Vergeten?Dorp of in het buurthuis was, probeerde ik de jongeren online te?vinden. Een probleem daarbij was dat lang niet iedereen onder zijn of?haar eigen naam actief is op social media. Na het nodige zoekwerk en?het systematisch doorzoeken van zogenaamde ?followlijsten? en hun?online ?vrienden? vond ik het grootste deel van de jongeren uit de?buurt online. Uiteindelijk heb ik van veertig jongere respondenten die?actief gebruik maken van social media als Twitter, Facebook en Instagram?gedurende drie jaar hun online activiteiten gemonitord, opgeslagen?en geanalyseerd.

Social media bieden mogelijkheden voor verschillende rollen, analoog?aan de methode van participerende observatie in bredere zin. De?nadruk tijdens mijn bezoeken aan de inloop in het buurthuis lag op?observeren. Onder de noemer ?lurking? (Leander & McKim 2003) of??cyberstealth? (Murthy 2008) is dit ook mogelijk online. De socialmedia-accounts?van de jongeren uit de buurt bevatten een scala aan relevante?informatie. Demografische gegevens, zoals leeftijd, afkomst en?woonplaats, waren te vinden op de openbare profielen. Op ?timelines??op Twitter stond daarnaast informatie over school, bijbanen, werk,?hobby?s en andere activiteiten in hun vrije tijd. De interactie tussen?jongeren op social media leerde mij bovendien veel over welke jongeren?met elkaar in contact staan en online veel contact met elkaar?onderhouden.

Door het volgen van hun online praktijken op social media kreeg ik op?een eenvoudige manier veel te weten over deze jongeren. Enigszins tot?mijn verbazing stuitte ik op social media bovendien op informatie?waarvan ik op voorhand niet direct had verwacht deze online te vinden.?In het buurthuis en op straat gingen gesprekken tussen jongeren?onderling geregeld over hun criminele betrokkenheid of hun aanrakingen?met politie. In het begin vonden dergelijke conversaties niet in?mijn aanwezigheid plaats en vielen jongeren stil of deden ze geheimzinnig?wanneer ik in staat was om delen van een gesprek op te vangen.?Met de jongeren sprak ik hoofdzakelijk over meer neutrale onderwerpen,?in het bijzonder omdat ik door enkele jongeren uitgemaakt was?voor ?po-po? of ?scotoe?. Dezelfde jongeren leken op social media veel?minder bezig met het afschermen van hun activiteiten op straat. Sterker?nog: social media werden expliciet gebruikt om de indruk te wekken?van criminele betrokkenheid.

Het eerste thema dat op social media valt waar te nemen, is geweld, in?het bijzonder in de vorm van het tonen van (vuur)wapens of kogels?(zie figuur 1 en 2).

Figuur 1

hood1

Figuur 1 is een beeldfragment dat afkomstig is uit de documentaire?Strapped ?n strong (2009), waarop twee jongeren uit de buurt, gehuld?in de voor de Crips kenmerkende blauwe kledingstijl, een volautomatisch?machinegeweer dragen. Het onderschrift ?hoodmovement? verhult?bovendien de mate van trots en identiteit die ontleend wordt aan?het feit dat de jongen afkomstig is uit de wijk waar de Crips hun wortels?hebben. Ondanks de symboliek van de Crips die hier gecommuniceerd?wordt, maakt de jongen in kwestie geen onderdeel uit van de?Rollin 200 Crips. Sterker nog: tijdens mijn onderzoek stond hij lange?tijd op gespannen voet met enkele jongere leden van de Crips.?Figuur 2 is een voorbeeld van een post waarop een vuurwapen wordt?getoond. Er bestaan hierbij verschillen tussen jongeren wat betreft

Figuur 2

hood2

hun herkenbaarheid wanneer ze afbeeldingen met vuurwapens of?kogels plaatsen op social media. Gedurende mijn veldwerk viel hierin?een ontwikkeling waar te nemen en verschenen de jongeren steeds?minder met hun gezicht in beeld. Deels was dit het gevolg van verhalen?die er op straat verteld werden over jongeren die door de politie?opgepakt werden vanwege het posten van dergelijke foto?s. Bovendien?bleven afbeeldingen met vuurwapens over het algemeen slechts een?beperkte tijd online staan en werden ze vaak nog dezelfde dag, nadat?de foto?s tientallen likes hadden gekregen, weer verwijderd.?Een tweede veelvoorkomend thema betreft het tonen van grote hoeveelheden?contact geld. Railey toont op figuur 3 dat hij in zijn zak een??bom? heeft bestaande uit diverse gekleurde bankbiljetten.

Figuur 3

hood3

Reynaldo plaatste een video op Instagram, waarvan figuur 4 een?snapshot vormt, waarop hij gedurende enkele seconden demonstratief?een stapel geld aan het tellen is. Naast het tentoonspreiden van?hun weelde, laat een deel van deze jongeren er op social media geen?misverstand over bestaan wat de herkomst van deze verdiensten is. In?tweets bieden zij onder andere scooters, televisies, tablets of telefoons?te koop aan, maar wordt er eveneens geadverteerd met diensten op?het gebied van de verkoop van drugs.

Social media worden ook gebruikt om uitdrukking te geven aan het?feit dat de politie op straat beschouwd wordt als ?de natuurlijke vijand?

Figuur 4

hood4

(De Jong 2007, p. 67). Met tweets als ?Fuck the Cops?, ?Fucc a popo? en??Fuck de 5?0??presenteren sommige jongeren op wekelijkse basis ? en?een enkeling zelfs dagelijks ? hun aversie tegen de politie.?Over de ontstaansgeschiedenis van deze denigrerende termen voor de politie doen op?internet diverse verhalen de ronde. Door populaire Amerikaanse films, series en (rap)muziek hebben deze termen?een mondiale verspreiding gekregen.

Een enkeling?heeft dit in de vorm van een tatoeage met ?FTP? ? oftewel Fuck The?Police ? zelfs vereeuwigd op zijn lichaam. Een specifiek thema waarin?de relatie met de politie naar voren komt, is ?snitchen?: het geven van?belastende verklaringen bij de politie over anderen, onder andere tijdens?verhoren (Roks 2015). Naast scheldkanonnades richting het?adres van politie, plaatsen de jongeren foto?s online van vrienden die?staande worden gehouden, worden gearresteerd, vrienden die vastzitten?en zich laten fotograferen tijdens hun gevangenisstraf van achter?de tralies (figuur 5), en ook verdachte vrienden worden tijdens rechtszaken?in de beklaagdenbank op de gevoelige plaat vastgelegd.

Figuur 5

hood5

Ook de afwikkeling van strafzaken valt online te volgen. Zo doet Jack?eigenhandig verslag van zijn rechtszaak. Hij begint op 11 mei 2011 met?de tweets ?Dood zenuw8tig main?, gevolgd door ?Morgen voorkomen?.?Een dag later brengt hij uitvoeriger verslag uit:

?@paleis van justesie? (12-05-2011 08:49)
?Fuck rechtzaken? (12-05-2011 09:55)
?Fuck werk school allleS !? (12-05-2011 09:55)
?Nu rechtzaak? (12-05-2011 10:33)
?Nu w8ten op uitspraak? (12-05-2011 11:14)
?Vrij kkk gesproken mossssssss !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!? (12-05-2011 13:00)
?Moss eerst 90 dagen zitten nu gewooon vrygesproken? (12-05-2011?13:08)

De eerdergenoemde Fernando plaatst eerst ?OMW rechtzaak?, om vervolgens?figuur 6 op Instagram te plaatsen. De foto, genomen voor het?Paleis van Justitie in Den Haag, is zo bewerkt dat er staat ?Eis van Justitie?,?terwijl de print op de rode trui van Fernando leest: ?FOKDEMCOPS?.

Naast inhoudelijk relevante informatie bieden social media eveneens?mogelijkheden tot het benaderen en werven van respondenten. Zo?werden telefoonnummers en e-mailadressen genoemd in berichten,?geplaatst onder afbeeldingen of gepubliceerd op gebruikersprofielen.?Daarnaast maakten veel jongeren gebruik van social media om met?elkaar af te spreken. Op die manier kreeg ik zicht op locaties in de stad?of buurt waar respondenten zich bevonden of openbare plekken waar?zij veel tijd doorbrachten. Bovendien bieden diverse sociaalnetwerksites?functies die gebruikers in staat stellen om priv?berichten of een?zogenaamde ?DM? (Direct Message) te sturen. Deze mogelijkheden?gebruikte ik om af te spreken met jongeren die ik offline langere tijd?niet had gezien of die ik wat langer een-op-een wilde spreken. Toch?was deze laagdrempelige manier van het leggen van contacten niet?altijd even succesvol en heeft een aantal respondenten nooit gereageerd?op mijn verzoeken, ondanks herhaaldelijke berichten. In die?gevallen probeerde ik hen offline te benaderen.?Ook offline verliep het benaderen van respondenten niet zonder problemen. De centrale?bevindingen in mijn proefschrift baseer ik op een netwerk van 150 respondenten. Van zestig?van deze respondenten heb ik gedetailleerde informatie verzameld, ofwel op basis van
??n (of meerdere) interview(s), ofwel omdat ik ze gedurende drie jaar meermaals op informele?basis heb gesproken en heb geobserveerd.

Beperkingen en dilemma?s: selectie, het gebruik van beelden en?performance
Social media bieden diverse mogelijkheden voor criminologisch?onderzoek, maar het gebruik van deze data dwingt ook tot een reflectie?op de beperkingen en brengt bovendien een aantal ethische
dilemma?s met zich mee. Een aantal van deze methodologische vertekeningen?is vergelijkbaar met de problemen en dilemma?s die inherent?zijn aan de meer klassieke, offline kwalitatieve methoden. Etnografisch?onderzoek kent als evident nadeel dat de nadrukkelijke aanwezigheid?van de onderzoeker en zijn of haar ?selectieve oog? invloed?kunnen hebben op de resultaten van de studie. Naast de beperkte?externe validiteit, gaat het gebruik van deze onderzoeksbenadering

Figuur 6

hood6

gepaard met diverse morele, juridische en ethische dilemma?s (Zaitch?e.a. 2010, p. 282-284). De toevoeging van een online dimensie aan?offline praktijken roept een aantal nieuwe vragen op.

De eerste beperking ten aanzien van online vormen van kwalitatief?onderzoek betreft selectiviteit. Tussen de respondenten in mijn studie?bleek een verschil te bestaan in de mate waarin zij actief waren op?social media. Vrijwel iedere jongere maakte gebruik van (meerdere)?social media en plaatste dagelijks meerdere foto?s of berichten. De?online praktijken van respondenten boven de 30 vielen veel minder?goed waar te nemen.?Wel viel er een opmerkelijke gelijkenis waar te nemen tussen wat jongere respondenten?op social media plaatsten en de profielfoto?s op BlackBerry ?Ping? en WhatsApp van?oudere respondenten.

Daarnaast bestond er een duidelijk verschil tussen?welke informatie online werd geplaatst. Sommigen plaatsten allerlei?facetten van hun dagelijks leven online, inclusief (de suggestie van)
hun criminele betrokkenheid, terwijl anderen zich beperkten tot het?reageren op berichten en foto?s van anderen. Als onderzoeker heb ik?hierdoor (slechts) zicht gekregen op een deel van de activiteiten van?deze veertig respondenten op social media. Dit geldt overigens eveneens?voor de offline praktijken van mijn respondenten: ondanks dat ik?getracht heb zo veel mogelijk deelgenoot te worden van hun dagelijks?leven, is er onherroepelijk een deel aan mijn oog onttrokken gebleven.?Het is immers onmogelijk om altijd en overal in het veld aanwezig te?zijn. Daarnaast hebben respondenten, ongeacht hoe hecht of vriendschappelijk?onze relatie in de loop der jaren werd, ook altijd een deel?van hun leven voor mij weten af te schermen.?Een bijkomende uitdaging op social media was dat jongeren zich in?toenemende mate?bewust leken van hun zichtbaarheid en privacy op?internet en zodoende hun profielen en accounts afschermden met de?mogelijkheden die sociaalnetwerksites daartoe bieden. Rond de start van mijn veldwerk was hier nauwelijks sprake van. Tegen het einde van mijn?onderzoek leken respondenten echter veel meer gebruik te maken van de mogelijkheden?die sociaalnetwerksites bieden om hun profielen af te schermen. Om toch toegang?te krijgen tot de inhoud van iemands online profiel of timeline,?dient dan een vriendschaps- of volgverzoek te worden verstuurd. Aan?de veertig respondenten die ik op social media gedurende drie jaar?heb gevolgd, heb ik allemaal een vriendschaps- of volgverzoek verstuurd.?Daarbij kwam het overigens ook voor dat respondenten mij een vriendschaps- of volgverzoek?stuurden.?Op een enkel geval na werden deze verzoeken vrijwel direct?geaccepteerd, naar alle waarschijnlijkheid omdat ik hen, op een enkeling na, ook offline ken of wel eens ontmoet heb. Daarbij was ik online?transparant over mijn identiteit als onderzoeker. Naast persoonlijke
foto?s valt in de profielen van mijn eigen socialmedia-accounts te?lezen dat ik als criminoloog verbonden ben aan de Erasmus Universiteit?Rotterdam.

Het gebruik van de berichten, afbeeldingen en video?s op social media?roept vervolgens de vraag op hoe deze informatie gebruikt kan worden,?in het bijzonder als het gaat om publicatie. Een dergelijk dilemma?doet zich ook voor als het gaat om offline vormen van etnografisch?onderzoek. Het gaat daarbij om ethische afwegingen rondom herkenen?herleidbaarheid, waarbij het de taak van de onderzoeker is om er zo?veel mogelijk zorg voor te dragen dat respondenten geen nadelige?gevolgen ondervinden van hun participatie aan het onderzoek (Van de?Bunt 2015). Op social media spelen deze overwegingen evenzeer,?maar wordt het complexer vanwege de visuele component: veel jongeren?maken immers foto?s en video?s van zichzelf, en elkaar, en plaatsen
deze in veel gevallen op openbaar toegankelijke profielen op internet.?Over de manier van het gebruiken van visuele data woeden discussies?over ethiek (Vanderveen 2010, p. 406-408). Allen (2015) werpt?de terechte vraag op of het anonimiseren van afbeeldingen, iets dat?gemeengoed is als het gaat om de verslaglegging van offline onderzoek,?geen farce maakt van de visuele dimensie van het onderzoek,?omdat het de respondent diens ?stem? ontneemt wanneer foto?s worden?geretoucheerd of ?geblurd?. In deze bijdrage, en in mijn proefschrift,?heb ik tweets geanonimiseerd en gezichten onherkenbaar?gemaakt. Een belangrijke overweging daarbij was dat het gaat om?afbeeldingen waarop strafbare feiten worden gepleegd, afgebeeld of?verbeeld. Ik heb ervoor gekozen om wel de verbeelding van deze?gedragingen, zoals wapens, kogels, grote hoeveelheden contant geld,?drugs en gestolen goederen te tonen, maar zonder gebruikersnaam of?gezicht. Herkenbaarheid van de respondent in kwestie had in dergelijke?gevallen geen meerwaarde of functie.

Een laatste beperking hangt samen met het voorgaande thema. Op?social media is het lang niet altijd duidelijk of afbeeldingen ?echt? of?authentiek zijn. Van Erp e.a. stellen daarnaast de terechte vraag ?of?online beweringen ook offline worden waargemaakt? (Van Erp e.a.?2013, p. 333). Social media bieden een dankbaar podium voor vormen?van ?impression management? (Goffman 1959), iets dat in het bijzonder?zichtbaar wordt als het gaat om online uitingen van straatcultuur?(Van den Broek 2013). In het geval van de voorbeelden in deze bijdrage?is het moeilijk om te achterhalen of we van doen hebben met echte?wapens of echt geld en of diegene die de afbeelding plaatst ook diegene?is die gefotografeerd is, behoudens de gevallen waarin gezichten?of andere duidelijk herkenbare persoonskenmerken zichtbaar zijn. De?informatie op social media lijkt in eerste instantie meer te zeggen over?de indrukken die respondenten willen overbrengen. Dit vormt een?beperking in het analyseren van online praktijken, maar dit geldt in?het bijzonder wanneer enkel wordt afgegaan op wat respondenten?online doen. Over het algemeen is kwalitatief onderzoek in staat om?zicht te geven op het bestaan van verschillen tussen wat mensen zeggen?en wat ze doen. In het geval van etnografisch onderzoek kan dit?bijvoorbeeld door het combineren van gesprekken met het observeren?van gedrag. Social media kunnen hierbij een extra dimensie aanbrengen,?die de onderzoeker in staat stelt om een inschatting te maken van?de manier waarop posts en poses zich verhouden tot offline praktijken,?maar ook andersom.

Conclusie
De prominente plaats van internet in ons dagelijks leven dwingt tot?een reflectie op de rol van online praktijken in wetenschappelijk?onderzoek. Het centrale punt dat ik in deze bijdrage heb willen maken,?is dat social media diverse relatief laagdrempelige, aanvullende mogelijkheden?bieden voor het verzamelen van data en het leggen van contacten?met respondenten. De toenemende mobiliteit en virtualisering?van het dagelijks leven hebben gevolgen voor het klassieke etnografische?uitgangspunt van ?being there?. Het gebruik van social media?kent daarbij beperkingen die in het verlengde liggen van discussies?rondom selectiviteit en ethiek die opgeld doen in offline vormen van?etnografisch onderzoek. Maar bovenal hoop ik dat deze bijdrage heeft?laten zien dat het incorporeren van online praktijken onderzoekers in?staat stelt om beter recht te doen aan het gegeven dat verhalen, ook?criminologisch relevante verhalen, zich niet langer enkel offline afspelen.

Literatuur
Adler & Adler 1998
P. Adler & P. Adler, ?Foreword:?Moving backward?, in: F. Ferrell?& M. Hamm (red.), Ethnography?at the edge: Crime, deviance and?field research, Boston: Northeastern?University Press 1998, p. xiixvi.

Allen 2015
L. Allen, ?Losing face? Photo-anonymisation?and visual research?integrity?, Visual Studies (30)?2015, afl. 3, p. 295-308.

Van den Broek 2013
J.B.A. van den Broek, Van de?straathoek naar Facebook. Een?onderzoek naar het gebruik van?social media door jongeren binnen?de straatcultuur (ongepubliceerde?masterscriptie). Erasmus
Universiteit Rotterdam 2013.?Van de Bunt 2015?H.G. van de Bunt, ?Ethische?dilemma?s bij criminologisch?onderzoek?, Tijdschrift over Cultuur?en Criminaliteit (5) 2015, afl.?1, p. 55-70.

Van Erp e.a. 2013
J. van Erp, D.W. Stol & J. van?Wilsem, ?Criminaliteit en criminologie?in een gedigitaliseerde?wereld?, Tijdschrift voor Criminologie?(55) 2013, afl. 4, p. 327-341.

Ferrell & Hamm 1998
J. Ferrell & M.S. Hamm, Ethnography?at the edge. Crime, deviance,?and field research, Boston:?Northeastern University Press?1998.

Ferrell e.a. 2015
J. Ferrell, K. Hayward & J. Young,?Cultural criminology: An invitation,?Londen: Sage 2015.

Flick 2010
U. Flick, ?Kwalitatief onlineonderzoek:?gebruik van internet?,?in: T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven/Den?Haag: Acco 2010,?p. 407-431.

Van Gemert 1998
F.H.M. van Gemert, Ieder voor?zich. Kansen, cultuur en criminaliteit?van Marokkaanse jongens,?Amsterdam: Het Spinhuis 1998.

Goffman 1959
E. Goffman, The presentation of?self in everyday life, Harmondsworth,?Middelsex: Penguin Books?1959.

Hannerz 2003
U. Hannerz, ?Being there? and?there? and there! Reflections on?multi-site ethnography?, Ethnography?(4) 2003, afl. 2, p. 201-216.

De Jong 2007
J.D. de Jong, Kapot moeilijk. Een?etnografisch onderzoek naar?opvallend delinquent groepsgedrag?van ?Marokkaanse? jongens,?Amsterdam: Aksant 2007.

De Jong & Schuilenburg 2006
A. de Jong & M. Schuilenburg,?Mediapolis. Populaire cultuur en?de stad, Rotterdam: Uitgeverij?010, 2006.

Leander & McKim 2003
K.M. Leander & K.K. McKim,??Tracing the everyday ?sitings? of?adolescents on the Internet: A?strategic adaption of ethnography?across online and offline?spaces?, Education, Communication
& Information (3) 2003, afl. 2,?p. 211-240.

Murthy 2008
D. Murthy, ?Digital ethnography:?An examination of the use of new?technologies for social research?,?Sociology (42) 2008, afl. 5,?p. 837-855.

Roks 2007
R.A. Roks, ?Het is hier toch geen?Amerika?? Reconstructie van de?criminele carri?re van een Nederlandse??gangsta? (ongepubliceerde?masterscriptie), Erasmus?Universiteit Rotterdam 2007.

Roks 2015
R.A. Roks, ?Never snitch broertje,?want de straat hoort het?, Ars?Aequi (64) 2015, afl. 5, p. 422-425.

Roks 2016
R.A. Roks, In de h200d. Een eigentijdse?etnografie over de inbedding?van criminaliteit en identiteit,?Rotterdam: Erasmus School?of Law 2016.

Schuilenburg e.a. 2011
M. Schuilenburg, D. Siegel,?R. Staring & R. van Swaaningen,??Over cultuur en criminaliteit?,?Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit?2011, afl. 1, p. 3-17.

Van Stapele 1998
S. van Stapele, ?Crips?, Nieuwe?Revu (15) 1998, afl. 3, p. 42-47.

Van Stapele 2003
S. van Stapele, Crips.nl: 15 jaar?gangcultuur in Nederland,?Amsterdam: Vassallucci 2003.

Van Stapele 2009
S. van Stapele, ?Papa is een Crip?,?Revu (45) 2009, afl. 14, p. 22-28.

Vanderveen 2010
G. Vanderveen, ?Visuele data en?methoden in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie, Leuven:?Acco 2010, p. 380-413.

Wittel 2000
A. Wittel, ?Ethnography on the?move: From field to net to Internet?,?Forum: Qualitative Sozialforschung/Forum:?Qualitative?Social Research (1) 2000, afl. 1,

Zaitch e.a. 2010
D. Zaitch, D. Mortelmans &?T. Decorte, ?Participerende?observatie in de criminologie?, in:?T. Decorte & D. Zaitch (red.),?Kwalitatieve methoden en technieken?in de criminologie.?Leuven: Acco 2010, p. 257-309.

Bron: Justiti?le verkenningen, jrg. 42, nr. 1, 2016

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

attentie whatsapp

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

Door: Jos? H. Kerstholt, Arnout de Vries & Roy Mente

Samenvatting
De politieorganisatie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers, vooral in de context van Gebiedsgebonden Politiewerk (GGPW). Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken. We concluderen dat sociale media een steeds belangrijker rol spelen in de interactie tussen politie en burgers, wat nieuwe mogelijkheden cre?ert voor verdergaande samenwerking. Implementaties van GGPW, zoals verschillende vormen van burgerparticipatie, lijken vooral effect te hebben op sociaal-psychologische factoren als zichtbaarheid, vertrouwen en legitimiteit. Deze effecten kunnen echter wel de criminaliteitscijfers indirect be?nvloeden.

Een belangrijke pijler van Gebiedsgebonden politiewerk (GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur) is de samenwerking met burgers. Ook is er, in contrast met het traditionele politiewerk, een duidelijke verschuiving te zien van handhaving en vervolging naar preventie van criminaliteit (Gill, Weisburg, Telep, Vitter & Bennett, 2014). Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking met burgers, organisatieverandering en het oplossen van problemen. GGPW gaat dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers, maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet. De organisatieverandering houdt vooral in dat wijkagenten de ruimte moeten hebben om oplossingen af te stemmen op de lokale situatie, hetgeen vanuit de organisatie zo goed mogelijk gefaciliteerd dient te worden.

In een recente internationale studie naar de effecten van GGPW maakten Gill et al., (2014) een onderscheid in vijf indicatoren: criminaliteit, overlast, angst, tevredenheid van burgers en legitimiteit van de politie. De algemene conclusie die zij uit hun analyse trokken is dat GGPW positieve effecten heeft op de tevredenheid van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de politie, maar slechts zeer beperkte effecten op (angst voor) criminaliteit. Deze conclusie komt overeen met eerdere bevindingen: beperkte effecten op criminaliteitsreductie, maar positieve effecten op andere uitkomsten als de tevredenheid van burgers en vertrouwen in de politie (Weisburd & Eck, 2004).

Deze conclusies zijn gebaseerd op de directe effecten van GGPW, maar zoals ook is opgemerkt door Gill et al., (2014), zijn er wel aanwijzingen dat een toename van gepercipieerde legitimiteit er ook toe leidt dat burgers eerder meewerken en de criminaliteit afneemt (Bradford, Jackson & Hough, 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett & Tyler, 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de korte-termijn effecten van GGPW vooral tot uiting komen in psycho-sociale factoren als beleving en vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect hebben op het verlagen van criminaliteit.

Omdat het overzicht van Gill et al. (2014) vooral is gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten, geven we in het huidige paper een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar een?complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren naar een volgende generatie van GGPW.

Inleiding

In zowel de VS als Europa is er toenemende aandacht voor Gebiedsgebonden Politiewerk?(GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur). In?tegenstelling tot het traditionele politiewerk waarbij het accent op rechts- en?ordehandhaving ligt, is binnen het GGPW-concept het betrekken van burgers in?de preventiefase van groter belang. Uit verschillende overzichtsartikelen komt?naar voren dat GGPW positieve effecten heeft op uitkomsten als de tevredenheid?van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de
politie, maar slechts beperkte effecten heeft op de reductie van criminaliteit (Gill,?Weisburg, Telep, Vitter & Bennett 2014; Land, Stokkom & Boutellier 2014; Weisburd?& Eck 2004).

Hoewel de directe effecten van GGPW op criminaliteitsreductie beperkt lijken,?zijn er wel indirecte effecten. Een toename van gepercipieerde legitimiteit leidt er?bijvoorbeeld toe dat burgers eerder meewerken met de politie en dat de criminaliteit?afneemt (Bradford, Jackson & Hough 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett &?Tyler 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en?Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder?criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de kortetermijneffecten?van GGPW vooral tot uiting komen in psychosociale factoren als beleving en?vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect?hebben op het voorkomen van criminaliteit.
Omdat veel conclusies zijn gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten,?geven we in onderhavig artikel een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we?ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar?een complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om?de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren?naar een volgende generatie van GGPW.

Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking?met burgers, decentrale aansturing en het oplossen van problemen. GGPW gaat?dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers,?maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook?de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet.?De centrale vraagstelling van deze studie is derhalve welke effecten er zijn?gevonden van GGPW op zowel organisatieniveau als de directe samenwerking?met burgers.

1. GEBIEDSGEBONDEN POLITIEWERK
De belangrijkste redenen voor een landelijke implementatie van GGPW in Nederland in de jaren 90 van de vorige eeuw waren dat de politie: 1) meer direct zicht wilde hebben op relevante problemen in de wijk; 2) kon medi?ren tussen relevante belanghebbenden; en 3) meer autoriteit op kon bouwen (Boin, Van der Torre, ’t Hart, & Van der Meulen., 2003; Van der Vijver en Zoomer, 2004). De politie moest uit zijn isolement komen en het vertrouwen van burgers moest toenemen. Dus naast het bevorderen van veiligheid was het doel om via een lokale inbedding van de politie meer legitimiteit en vertrouwen van het publiek op te bouwen.
Binnen een basisteam zijn de wijkagenten sleutelfiguren voor de centrale doelen van GGPW, omdat zij in direct contact staan met de lokale gemeenschap. In principe is er ??n wijkagent per 5000 burgers, en voeren zij voor 80% van hun tijd activiteiten uit ten behoeve van de lokale gemeenschap. De wijkagenten werken daarbij samen met het basisteam, andere delen van de politieorganisatie, externe belanghebbenden en burgers.

Uit de Veiligheidsmonitor van 2014 (CBS, 2014) blijkt dat een kwart van de bewoners (zeer) tevreden is met het functioneren van de politie in de buurt wat ongeveer overeen komt met de cijfers uit 2012 en 2013. Opvallend is dat het grootste deel (42 procent) aangeeft dit niet te kunnen beoordelen. Ongeveer 40 procent van de respondenten vonden dat de politie burgers serieus neemt, bescherming biedt, reageert op problemen in de buurt en haar best doet. Slechts 20% vindt dat de politie contact heeft met bewoners in de buurt en zaken effici?nt aanpakt. Mensen zijn het meest negatief (49%) over de zichtbaarheid van de politie.

2. EFFECT STUDIES
Zowel op organisatieniveau als in de interactie met burgers speelt vertrouwen een centrale rol. Om vertrouwen te kunnen winnen is het noodzakelijk dat de politie zichtbaar en herkenbaar is?op wijkniveau. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het vertrouwen toe kan nemen als men de wijkagent kent (Beunders, Abraham, Van Dijk & Van Hoek 2011). Naast zichtbaarheid en herkenbaarheid zijn ook eerlijkheid en rechtvaardigheid van belang (Flight, Van Andel & Hulshof, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat de perceptie van eerlijkheid en rechtvaardigheid belangrijker is voor de legitimiteit dan de gepercipieerde effectiviteit. Met andere woorden: de manier waarop de politie omgaat met burgers is belangrijker dan de objectieve resultaten (Hough, Jackson, Bradford, Myhill, Quinton, 2010).

2.1 Organisatie
Net als in internationale studies heeft de Nederlandse wijkagent de taak om voor veiligheid in de wijk te zorgen, daarbij samen te werken met andere partijen en burgers te activeren om met hem of haar samen te werken (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Effecten van GGPW blijken echter lastig te meten door onder meer de ambigu?teit van het concept en de doelen van GGPW (Terpstra, 2009; Van der Vijver & Zoomer, 2004). Bovendien moet het concept adequaat ge?mplementeerd zijn (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Als te vroeg wordt ge?valueerd worden eerder implementatieproblemen gemeten dan de feitelijke effecten. Een laatste complicerende factor is dat GGPW per definitie een samenwerkingsverband is van meerdere partijen, waardoor effecten niet toegeschreven kunnen worden aan ??n afzonderlijke partij.

Hoewel de criminaliteit over de afgelopen jaren is gedaald (in 2014 werd zelfs acht procent minder misdrijven geregistreerd dan in 2013), is het niet duidelijk waar dit precies aan toe moet worden geschreven. Het algemene effect van GGPW had vastgesteld kunnen worden bij de invoering, maar dat heeft alleen in Haarlem plaatsgevonden (Van der Vijver en Zoomer, 2004). De effecten waren daar echter wel positief: minder criminaliteit-gerelateerde problemen, minder angst voor criminaliteit en burgers dachten positiever over de politie.

Als antwoord op het ambigue karakter van GGPW, analyseerde Terpstra (2011) de dagelijkse praktijk van wijkagenten en concludeerde dat er een discrepantie is tussen de theorie en de praktijk. Werkgebieden zijn vaak groot, er is slechts beperkte tijd om op straat door te brengen, en er is in het algemeen weinig beleid over hoe GGPW toegepast zou moeten worden. Hierdoor is het contact met burgers doorgaans beperkt en in de praktijk zijn wijkagenten slechts ge?nteresseerd in ??n specifieke vorm van burgerparticipatie: burgers als bron van informatie.

Rol van sociale media
Door technologische innovaties verandert de interactie tussen burgers en organisaties, zowel priv? als zakelijk. Steeds meer mensen, en ook de organisaties waar zij mee interacteren, gebruiken digitale communicatiemiddelen. Sociale media zijn ontwikkeld om de dialoog met een groot publiek te verbeteren (?many-to-many? interactie?) (Bertot, Jaeger & Hansen, 2012) Door sociale media kan op een snelle manier met een grote groep mensen worden ge?nteracteerd en het toenemende gebruik ervan binnen de politie heeft waarschijnlijk een grote invloed op de relatie met burgers.
Het eerste politie account op Twitter werd geregistreerd op 24 juli 2009 en in maart 2012 waren er 1000 accounts, waarvan 755 van wijkagenten (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012). Die 1000 politieaccounts hadden meer dan 770.000 volgers, dus een gemiddelde van 770 volgers per account. In maart 2011 was dit toegenomen naar 150.000 volgers. In de loop van 2015 zijn er al meer dan 2000 politie accounts met gezamenlijk meer dan 4 miljoen volgers en zit de meerderheid van de wijkagenten op Twitter. Het aantal Twitter accounts en volgers is dus duidelijk snel aan het toenemen wat Twitter en andere social media platformen zoals Facebook, tot een serieuze communicatiemiddelen maakt, zowel voor het uitwisselen van informatie als voor het opbouwen en het onderhouden van een vertrouwensrelatie.

Twitterende wijkagenten spenderen tussen 10 en 30 minuten per dag aan het zelf sturen van een tweet of het reageren op tweets van anderen (Meijer et al., 2012). De inhoud van de tweets gaat over waar ze op dat moment mee bezig zijn, en kan gaan over wijkgerelateerde criminaliteit of aanhoudingen. Ongeveer 80% van de twitterende wijkagenten zegt te twitteren over tips met betrekking tot preventie, een kwart vraagt burgers mee te denken met specifieke vraagstukken, en slechts een klein deel zegt over priv?-zaken te twitteren. Vaak melden wijkagenten overigens wel dat ze met vakantie gaan om daarmee aan te geven dat reacties wat langer op zich kunnen laten wachten of ze verwijzen naar een collega. De wijkagenten hoeven slechts vrij globale richtlijnen te volgen bij het opstellen van tweets, maar vaak wordt hun twittergedrag wel gevolgd vanuit de organisatie en in sommige korpsen heeft het management ook toegang tot de accounts van de wijkagenten. Ook op lokaal niveau volgen wijkagenten elkaar vaak waardoor zij kennis kunnen delen en ook weet hebben van actuele zaken die in andere wijken spelen.

2.2 Burgerparticipatie
Binnen het concept van GGPW is er een breed scala aan mogelijkheden om burgers te betrekken bij politietaken en zo samen te werken aan het verhogen van de veiligheid in de buurt. Land, Stokkom en Boutellier (2014) maakten in een recent overzicht een onderscheid in zeven vormen van burgerparticipatie in het politiedomein:

  • 1) Toezicht: informele sociale controle in de (semi) openbare ruimte waarbij, mogelijk met behulp van technologie, ongewenste situaties gecommuniceerd kunnen worden (bijvoorbeeld buurtwachten en ?Whatsappgroepen);
  • 2) Opsporing: informatie verzamelen ten behoeve van de opsporing van verdachte personen en zo criminaliteit en overlast actief tegengaan (bijvoorbeeld Opsporing Verzocht);
  • 3) Zorg voor de openbare ruimte: verbeteren en verfraaien van de openbare ruimte (bijvoorbeeld bewonersbudgetten, Opzoomer-achtige projecten);
  • 4) Conflictbemiddeling: bewoners met vaardigheden uitrusten om zelf onderlinge conflicten op te lossen en zo de woonoverlast in buurten terug te dringen (bijvoorbeeld buurtbemiddeling);
  • 5) Contactbevordering: contact bevorderen tussen bewoners of tussen bewoners en de politie en zo het onderlinge vertrouwen vergroten (bijvoorbeeld gedragscodes);
  • 6) Informatiebemiddeling: informatie verzamelen en toegankelijk maken (bijvoorbeeld Politie-app);
  • 7) Beleidsbe?nvloeding: vergroten van de zeggenschap van burgers bij de totstandkoming van beleid gepaard aan coproductie in de uitvoering van beleid (bijvoorbeeld Buurt Bestuurt en Veilige Buurten Teams).

De categorisatie die door Land et al. (2014) is voorgesteld hebben we langs twee dimensies gestructureerd: betrokkenheid van burgers en veiligheidsdomein. Voor de betrokkenheid van burgers hebben we de participatieladder gebruikt zoals die in eerste instantie is beschreven door Arnstein (1969). Arnstein (1969) maakte een onderscheid in 8 typen van burgerbetrokkenheid. De onderste sporten van de ladder zijn ?manipulatie? en ?therapie? en aangezien dit geen vormen van participatie zijn zoals hier bedoeld hebben we deze twee vormen buiten beschouwing gelaten. De derde en vierde sport geven burgers een stem: informeren en consulteren. Informeren wordt meestal gedaan via instrumenten als nieuwsberichten, flyers of posters, terwijl het consulteren kan gebeuren via vragenlijsten of openbare bijeenkomsten. Op de vijfde sport (bedaren of tevredenstellen) beginnen burgers wat invloed te krijgen. Op dit niveau kan burgers om advies worden gevraagd hoewel ze geen?daadwerkelijke macht hebben omdat ze geen beslissingen nemen. Op de laatste sporten (6: partnerschap, 7: gedelegeerde macht en 8: burger controle) hebben burgers daadwerkelijk invloed omdat hier sprake is van een herverdeling van de macht via onderhandelingen tussen burgers en machthebbers. Voor ons doel hebben we een driedeling gemaakt voor de mate van burgerparticipatie: 1) informeren en consulteren; 2) adviseren; en 3) co-produceren/ meebeslissen. Daarnaast hebben we een onderscheid gemaakt in het veiligheidsdomein waarbinnen burgerparticipatie plaatsvindt: preventie, handhaving, opsporing en het hogere niveau ?kwaliteit van leven? (zie Tabel 1).

tabel1

Tabel 1: Overzicht vormen van burgerparticipatie gerelateerd aan mate van invloed en domein Informeren/ consulteren Adviseren Co-produceren/ meebeslissen Preventie Informatiedeling Toezicht (bv burgerwacht) Handhaving Alertering (bv Burgernet) Beleidsbe?nvloeding (bv Buurt Bestuurt) Opsporing Burgeronderzoek (bv meedenken met lopende zaken) Kwaliteit van leven Conflictmediatie Zorg openbare ruimtes (bv wijkbudgetten)

De rol van sociale media is voor alle vormen van burgerinitiatieven toegenomen. Daarbij is het van belang om op te merken dat online en offline participatie niet onafhankelijk zijn van elkaar. Online participatie moet gezien worden als een aanvulling op offline participatie in plaats van een vervanging. Een voorbeeld van deze toegevoegde waarde is het?alerteringssysteem Burgernet, een instrument waarmee de politie burgers kan vragen om uit te kijken naar specifieke personen. Burgernet kan via Twitter worden gevolgd en de registratie gebeurt online, maar voor de alertering wordt gebruik gemaakt van de telefoon en SMS en is er sinds kort ook een app. Als burgers na een melding een gezochte persoon hebben gesignaleerd kunnen ze dit aan de meldkamer doorgeven, waardoor de politie mogelijk het zoekgebied weer aan kan passen. Er kan dus een mix van instrumenten worden gebruikt die optimaal is afgestemd op de specifieke situatie die zich voordoet.

1. Informeren en consulteren
De mogelijkheden om informatie met burgers te delen zijn enorm toegenomen met de komst van sociale media. Uit onderzoek van Veltman (2011) bleek bijvoorbeeld dat volgers op Twitter een positiever beeld hebben van de politieorganisatie. Deze positieve effecten werden echter niet alleen voor Twitter gevonden maar eigenlijk in alle gevallen dat de politie gericht informatie deelde met burgers en hen betrok bij lokale politiezaken. Twitter bleek geen toegevoegde waarde te hebben in het vergroten van vertrouwen maar er werd wel een klein effect gevonden op de gepercipieerde legitimiteit van de politie (Boverman, Van Duijn, De Graaf & Ritzema, 2011). Bovendien leidde het gebruik van Twitter tot een toename van gepercipieerde autoriteit, vooral voor wat betreft effectiviteit, zichtbaarheid en controleerbaarheid.

Een voorbeeld van een project in het preventiedomein zijn buurtpreventie- of interventieteams, waarbij burgers surveilleren in een publieke ruimte om vroegtijdig crimineel gedrag te detecteren of om crimineel gedrag te voorkomen (door bijvoorbeeld buurtbewoners te informeren dat er een raam open staat). Het doel is om potenti?le criminelen af te schrikken of aanstootgevend gedrag te be?nvloeden. Deze buurtwachten kunnen ondersteund worden door bijvoorbeeld Whatsapp. Het effect van buurtwachten is tot op heden niet aangetoond omdat de implementatie vaak een combinatie van interventies betrof (een uitzondering hierop vormt een recent onderzoek van de Universiteit van Tilburg waarin werd aangetoond dat het aantal woninginbraken daalde als gevolg van Whatsapp groepen (Akkermans & Vollaard, 2015)). Deelnemers waren echter wel positief over de inzet van buurtwachten, omdat ze meer veiligheid ervaren en hun gevoel van controle over de buurt is toegenomen. Dit geldt echter niet voor alle wijken. Voor sommige wijken nam het gevoel van onveiligheid zelfs toe, mogelijk in wijken waar het niveau van vertrouwen laag is (Eijck, 2013).

Voor burgerparticipatie binnen het opsporingsdomein wordt ook steeds meer gebruik gemaakt van moderne technologie?n als sociale media, apps en Facebook, waardoor zowel snelheid als effici?ntie van de informatie-uitwisseling is toegenomen (Meijer et al. 2012). Via deze communicatiemiddelen wordt burgers meestal gevraagd of ze iets gezien of gehoord hebben, maar burgers zouden ook zienswijzen kunnen genereren over wat er mogelijk gebeurd zou kunnen zijn. Door hun grotere afstand van een zaak, zouden burgers meer onconventionele of creatieve scenario?s (opsporingshypothesen) kunnen verzinnen, wat vervolgens het opsporingsproces een nieuwe impuls kan geven. Zo staat er op de politiesite (politie.nl) een aantal dossiers met informatie over zaken (bijvoorbeeld over de incidenten bij Jumbo-supermarkten in Groningen en Zwolle). Burgers wordt expliciet gevraagd tips te geven of mogelijke scenario?s te genereren. Ook kunnen burgers aangeven of zij op de hoogte willen worden gehouden van het verloop van de zaak.

Binnen de handhaving zijn een scala aan instrumenten beschikbaar die worden ingezet voor het signaleren van specifieke personen, waarvan Burgernet en Amber Alert waarschijnlijk de meest bekende zijn. Amber Alert wordt specifiek ingezet voor vermiste kinderen, terwijl Burgernet meer algemeen wordt ingezet. Hoewel het lastig is om effecten specifiek aan de input van burgers toe te schrijven suggereren Cornelissen en Ferwerda (2010) dat het aantal criminelen dat op heterdaad wordt betrapt toe is genomen door de inzet van Burgernet. Een aanvullend effect is dat burgers zich veiliger voelen door Burgernet omdat hun gevoel van controle is toegenomen. Burgers zijn over het algemeen positief over hun deelname, zijn meer alert op verdachte situaties en hebben een positiever beeld van de politie (Cornelissen & Ferwerda, 2010).

Meijer et al. (2011) onderzochten het verschil tussen Twitter en Burgernet en concludeerden dat Twitter van toegevoegde waarde is op SMS en telefoon. Het gebruik van Twitter had een positief effect op de betrokkenheid van burgers maar omdat er minder aandacht aan Twitter wordt besteed dan aan SMS of de telefoon, beperkte het effect zich tot situaties die minder tijd-kritisch zijn. Twitter kan worden gezien als een technologie die ondersteunend is voor de zwakkere verbindingen in sociale netwerken (weak ties) en is daarmee aanvullend op technologie?n die de sterke verbindingen ondersteunen zoals SMS en telefoon.

2. Adviseren
Bij de middelste categorie van de participatieladder hebben burgers wat meer invloed. Projecten die hier binnen vallen gaan vaak over het vergroten van de leefbaarheid van een wijk. Bij projecten die zich op de openbare ruimte richten kunnen twee subcategorie?n worden onderscheiden: gedragscode projecten en wijkbudgetten (Land et al., 2014). Voor beide subcategorie?n geldt dat het doel is om de sociale en fysieke leefbaarheid van de omgeving te bevorderen. Vooral de fysieke aspecten (schoon, heel en werkzaam) zijn van invloed op gevoelens van veiligheid (Blokland 2009). Een programma in Rotterdam (Opzoomeren, later ?Mensen maken de stad? genoemd) is exemplarisch voor beide subcategorie?n omdat zowel stadsetiquette als wijkbudgetten er onderdeel van uitmaken (Land et al., 2014). In dit programma kunnen burgers allerlei kleinschalige initiatieven bedenken om de leefbaarheid van hun woonomgeving te verbeteren zoals betere verlichting, onderhoud aan voortuinen, maar ook het bevorderen van onderling contact. Basisidee is dat burgers elkaar beter leren kennen door samen activiteiten te ondernemen zoals samen de groenvoorziening onderhouden of het organiseren van buurtfeesten. Daardoor neemt niet alleen de leefbaarheid en veiligheid toe maar ook de sociale cohesie.

3. Co-produceren/ meebeslissen
In de laatste categorie (co-produceren/ meebeslissen) vallen projecten waarin burgers daadwerkelijk invloed hebben op het beleid en problemen gezamenlijk worden aangepakt. Er zijn een aantal projecten in deze categorie waarbij ?Buurt Bestuurt? in Rotterdam waarschijnlijk wel de invloedrijkste is. ?Buurt Bestuurt? begon in 2009 met als belangrijkste doel om het publieke vertrouwen in de lokale overheid (waaronder de politie) te herstellen, om de problemen te identificeren die bewoners het belangrijkste vonden, en om samen oplossingen te bedenken. Als zodanig is het gebaseerd op het Britse ?reassurance policing? concept (Eysink Smeets, Moors, Jans & Schram, 2013).
Burgers die aan ?Buurt Bestuurt? deelnemen hebben het gevoel dat zij een zinvolle bijdrage leveren aan het oplossen van problemen in de wijk, zij ervaren dat de samenwerking met professionals verbetert en hebben ook meer vertrouwen in professionals. Het aantal mensen dat actief bijdraagt aan Buurt Bestuurt is echter vrij klein en niet representatief voor de gehele wijk. Dit lage percentage actieve burgers is waarschijnlijk ook de reden dat er geen meetbare effecten op wijkniveau zijn gevonden (Eysink Smeets et al. 2013).

3. CONCLUSIES

3.1 Organisatie
Wil GGPW succesvol zijn dan moeten oplossingen optimaal zijn afgestemd op de lokale context, en op de behoeften van burgers en andere relevante belanghebbenden. Omdat deze aspecten vari?ren over wijken, hebben wijkagenten discretionaire ruimte nodig: zij moeten de ruimte hebben om, binnen algemene kaders, zelf beslissingen te nemen op basis van hun inschatting van de lokale situatie. Aan de andere kant moet de positie en het functioneren van de wijkagent goed worden ingebed in de organisatiestructuur van de Nationale politie. Voor maximale flexibiliteit is GGPW het best gebaat bij een relatief platte organisatiestructuur, die zo goed mogelijk een genetwerkte vorm van samenwerking faciliteert en ondersteunt.
Onafhankelijk van de organisatiestructuur is vertrouwen een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle samenwerking tussen burgers en politie. Lokale zichtbaarheid en rechtvaardigheid zijn kernwaarden om het vertrouwen van burgers te bevorderen.
Sociale media kunnen een goede bijdrage leveren aan zichtbaarheid en herkenbaarheid als aanvulling op de fysieke aanwezigheid van agenten in de wijk. Steeds meer wijkagenten gebruiken bijvoorbeeld Twitter en dit heeft een grote impact op de interactie tussen burgers en politie. Door de snelle en directe communicatie kunnen burgers steeds beter betrokken worden, maar aan de andere kant maakt toenemende zichtbaarheid ook kwetsbaarder, onder meer door de vage scheidslijn tussen priv? en zakelijke informatie-uitwisseling.

Dit alles neemt niet weg dat er een duidelijke maatschappelijke trend is om meer gebruik te maken van het enorme potentieel aan capaciteit, kennis en kunde die burgers te bieden hebben. De vraag is daarom niet ?f organisaties met deze trend mee moeten gaan maar meer hoe structuur, cultuur en werkwijze zo goed mogelijk aangepast kunnen worden om de switch naar een meer genetwerkte manier van optreden te kunnen maken.

3.2 Burgerparticipatie
Er is een groot scala aan initiatieven waarin wordt samengewerkt met burgers. We hebben in ons overzicht een onderscheid gemaakt in drie categorie?n die een toenemende invloed van burgers laten zien: informatie/consulteren, adviseren en co-productie/meebeslissen. De meeste?initiatieven bevonden zich in de eerste categorie, wat betekent dat de daadwerkelijke invloed van burgers nog niet zo groot is. Aan de ene kant is dat begrijpelijk omdat de politie, samen met de militaire organisatie, een geweldsmonopolie heeft en burgers slechts tot op zekere hoogte bij kunnen dragen. Aan de andere kant is er wellicht ook wel meer interactie mogelijk en wenselijk om burgers meer te betrekken bij het oplossen van veiligheidsproblemen in hun eigen leefomgeving.
Een algemeen probleem bij participatieprojecten is dat slechts een beperkt aantal burgers bereid is om zich in te zetten en dat die groep niet representatief is voor de totale gemeenschap (hoewel mogelijk wel voor de problemen die er spelen). E?n van de oplossingsrichtingen is om beter aan te sluiten bij de behoeften van burgers. Een mooi voorbeeld is WAAKS, waarbij hondenbezitters worden gevraagd om tijdens het uitlaten van hun hond extra op te letten en verdachte signalen door te geven aan de politie. Een win-win situatie die weinig extra inspanning kost: de hond moet toch worden uitgelaten, de hondenbezitter heeft zijn of haar bijdrage geleverd aan de veiligheid in de wijk en de politie heeft er extra oren en ogen bij.

3.3 Effectmeting
De effecten van (implementaties van) GGPW zijn lastig vast te stellen. Een van de redenen is dat er een focus is op criminaliteitsreductie in plaats van wijk-gerelateerde indicatoren (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Criminaliteitsbestrijding wordt nog vaak gezien als het ?echte? politiewerk en is ook makkelijker te meten. Toch was het doel van GGPW, naast het verlagen van criminaliteit, ook om het vertrouwen van burgers en de legitimiteit van de politie te vergroten. Dus een eerste vereiste voor het meten van effecten is dat het doel van GGPW duidelijk wordt vastgesteld. Daarnaast blijkt uit recent onderzoek dat sociaal-psychologische factoren als gepercipieerde legitimiteit en vertrouwen indirect wel een invloed hebben op criminaliteit (Braga et al., 2015; Gill et al., 2014). Ook om deze reden is het van belang om niet alleen naar criminaliteitscijfers te kijken maar ook naar andere indicatoren zoals bekendheid in de buurt en mate van samenwerking in het voorkomen en oplossen van veiligheidsproblemen. Deze meer korte termijn effecten kunnen vervolgens bijdragen aan de meer lange termijn effecten zoals de reductie van criminaliteit.

Referenties
Akkermans, M. & Vollaard, B. (2015) Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken ? een evaluatie. Onderzoeksrapport Universiteit Tilburg.
Arnstein, S. R. (1969) A ladder of citizen participation. Journal of the American Institute of Planners, 35(4), 216-224.
Bertot, J. C., Jaeger, P. T., & Hansen, D. (2012) The impact of polices on government social media usage: Issues, challenges, and recommendations. Government Information Quarterly, 29(1), 30-40.
Beunders, H.J.G., M.D. Abraham, A.G. van Dijk & A.J.E. van Hoek (2011) Politie en publiek. Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. Amsterdam: Reed Business.
Blokland, T. (2009). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Boin, R. A., van der Torre, E. J., Paul ’t Hart, & van der Meulen, M. J. (2003) Blauwe bazen: het leiderschap van korpschefs. Politie & Wetenschap.
Boverman, E., Van Duijn, L., De Graaf, P. & Ritzema, J. (2011). Politie, twitter en gezag. Warnsveld: Politie Nederland.
Bradford, B., Jackson, J. & Hough, M. (2013). Police Legitimacy in Action: Lessons from Theory and Practice?, in Reisig, M. & Kane, R. (eds.) The Oxford Handbook of Police and Policing. Oxford: Oxford University Press.
Braga, A. A., Welsh, B. C., & Schnell, C. (2015). Can Policing Disorder Reduce Crime? A Systematic Review and Meta-analysis. Journal of Research in Crime and Delinquency, 52(4), 567-588.
Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) (2014). Integrale Veiligheidsmonitor 2014. Zoetermeer.
Cornelissen, A. & H. Ferwerda (2010). Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap en Arnhem: Bureau Beke.
Eijk, G. Van (2013). Veiliger door de buurtwacht? Over de veiligheidsbeleving van burgerparticipanten en het belang ervan voor lokaal veiligheidsbeleid. Tijdschrift voor Veiligheid, 12, 20-33.
Eysink Smeets, M., Moors, H., Jans, M. & Schram, K. (2013). De bijzondere belofte van Buurt Bestuurt. Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties
Gill, C., Weisburd, D., Telep, C. W., Vitter, Z., & Bennett, T. (2014). Community-oriented policing to reduce crime, disorder and fear and increase satisfaction and legitimacy among citizens: a systematic review. Journal of Experimental Criminology, 10(4), 399-428.
Flight, S., van den Andel, A. & Hulshof, P. (2006) Vertrouwen in de politie. Een verkennend onderzoek. Amsterdam: DSP-Groep.
Hough, M., Jackson, J., Bradford, B., Myhill, A., & Quinton, P. (2010). Procedural justice, trust, and institutional legitimacy, Policing: A Journal of Policy and Practice, 203-210.
Land, M. van der, Stokkom, B. van, Boutellier, H. (2014). Burgers in veiligheid: Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid [Citizens in security: Inventarisation of citizen involvement in the security domain]. Den Haag: Research and Documentation Centre (WODC) (in Dutch).
Mazerolle, L., Antrobus, E., Bennett, S., & Tyler, T. R. (2013). Shaping citizen perceptions of police legitimacy: A randomized field trial of procedural justice. Criminology, 51(1), 33-63.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S., Bos & Fictorie, D. (2011). Burgernet via Twitter. Onderzoek naar de waarde van dit nieuwe medium. Report University of Utrecht.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S.G., Fictorie, D., Thaens, M. & Siep, P. (2012). Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Terpstra, J. (2009). Community policing in practice: ambitions and realization. Policing, 4, 64-72.
Van der Vijver, K., & Zoomer, O. (2004). Evaluating community policing in the Netherlands. European journal of crime, criminal law and criminal justice, 12(3), 251-267.
Veltman, L. (2011). Twitterende wijkagenten en de beleving van burgers: Een onderzoek naar de effecten van een twitterende wijkagent. Masterscriptie Public Administration. Enschede: University of Twente.
Vries de, M.S., Vijver van der, C.D., (2002). Beelden van gezag bij de bevolking en bij de politie, Dordrecht: Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie.
Weisburd, D., & Eck, J. E. (2004). What can police do to reduce crime, disorder, and fear?. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 593(1), 42-65.

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het Europese project INSPEC2T (Inspiring CitizeNS Participation for Enhanced Community PoliCing AcTions);

Bronnen: Tijdschrift voor Veiligheid 2015 (14)

Opsporing op social media en stelselmatige informatie-inwinning

sherlock-holmes_artikel-arnout_240

Voor informatie die burgers via social media naar buiten brengen bestaat vanuit opsporingsinstanties veel belangstelling. Het gebruik van deze informatie door de opsporing moet plaatsvinden binnen wettelijke kaders, en van het bestaande wettelijke kader is niet altijd duidelijk hoe het moet worden toegepast in een online-omgeving. Op grond van de taakomschrijving van de politie in art. 3 Politiewet mag de politie bepaalde opsporingshandelingen verrichten. De vraag is wanneer de inbreuk op de privacy die dat onderzoek veroorzaakt zodanig is dat een eigenstandige legitimering in de wet noodzakelijk is.

In dit onderzoek van Marnix Oosterhoff staat de vraag centraal of de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige observatie en stelselmatige informatie-inwinning voldoende mogelijkheden bieden om binnen de grenzen van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel op rechtmatige en verantwoorde wijze online opsporingswerkzaamheden uit te voeren. Door empirisch onderzoek is nagegaan hoe de politie omgaat met opsporingsbevoegdheden op social media. O.b.v. literatuur en ontwikkelingen in de maatschappij is vastgesteld welke definitie van privacy gehanteerd kan worden in een online omgeving en hoe het recht op privacy is gecodificeerd. Van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is aangetoond dat stelselmatige informatie-inwinning (126j) onder voorwaarden toepasbaar is op de opsporing op social media.?De auteur neemt het standpunt in?van een smalle definitie van stelselmatige observatie (126g) en dat dit artikel afvalt bij opsporing op social media omdat dit artikel gaat over?het waarnemen van gedrag en niet?de resultaten daarvan. Bij opsporing op social media gaat het over het verzamelen van informatie.

Gelet op verschillende knelpunten rondom de toepassing van artikel 126j en het feit dat niet volledig helder is op welke wijze dit artikel moet worden toegepast bij informatie-inwinning in een niet-fysieke omgeving verdient het aanbeveling om een aparte bevoegdheid voor online informatievergaring in het leven te beroepen, bijvoorbeeld als onderdeel van het lopende traject van herziening van het wetboek van strafvordering. Deze bevoegdheid zal dan wel technologie-onafhankelijk geformuleerd moeten worden.

Inbreuk op privacy?

Door een subjectief privacybegrip is het moeilijker om te bepalen wanneer er sprake is van een inbreuk op het recht op privacy. Immers, als de beoordeling van de inbreuk wordt overgelaten aan het subjectieve oordeel van de betrokken persoon, kan bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een bepaalde handeling door de ene persoon wel en door een andere persoon niet als inbreuk op de privacy worden beschouwd. Toegepast op social media: de ene persoon zal er geen moeite mee hebben dat de politie zijn openbare berichten op Facebook leest, terwijl een andere persoon dat als ongepast zal beschouwen omdat hij het niet met dat doel op Facebook heeft geplaatst. De overheid zal in dat geval niet anders kunnen dan een voorzichtige houding aannemen en dan al snel het in het kader van de opsporing verzamelen van informatie op social media als inbreuk op het recht op privacy moeten beschouwen. Door middel van een voortdurende maatschappelijke discussie en eventuele proefprocessen zal moeten worden vastgesteld wat passend is en wat niet.

Op basis van haar algemene bevoegdheid mag de politie inbreuk maken op de rechten van burgers, dus ook op het recht op privacy. Echter, als die inbreuk meer dan gering is, vormt art. 3 PolW onvoldoende basis, en zijn aanvullende bevoegdheden noodzakelijk. De bevoegdheid kan gevonden worden in de BOB-wetgeving, maar dan moet wel aan de daarin opgenomen voorwaarden zijn voldaan.

Onderdeel van de eisen die art. 8 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) stelt aan een inbreuk is dat deze voorzienbaar moet zijn. Ten aanzien van de opsporing op social media betekent dat, dat de burger op de hoogte moet zijn van het feit dat de politie ook op social media opsporingshandelingen uitvoert. Alleen dan kan de burger op een adequate manier afwegen of hij informatie op social media wil publiceren, welke informatie en op welke wijze. Dit gaat echter niet zo ver dat de politie moet aangeven op welke wijze die opsporing plaatsvindt. Dat zou een te grote beperking betekenen voor de uitvoering van de opsporingstaak.

De vraag wanneer de inbreuk op de privacy door bepaalde opsporingshandelingen meer dan gering is is niet exact te beantwoorden. In dit onderzoek zijn wel factoren ge?dentificeerd die de mate van inbreuk be?nvloeden. Dat zijn: de duur van de onderzoekshandeling, de plaats waar de informatie verzameld wordt, de intensiteit waarmee de informatieverzameling plaatsvindt, de gevoelige aard van de gegevens, het doel van de onderzoekshandeling, het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel, het al of niet opslaan van de gevonden gegevens en de proportionaliteit. De uiteindelijke weging van deze factoren is geen exacte wetenschap: de professionele inschatting van de politieambtenaar en de uiteindelijke rechterlijke toetsing daarvan, blijfven, net als bij de toepassing van ?gewone? bevoegdheden, belangrijk gegevens.

Rechtmatigheid

Om de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen op social media te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat in het procesdossier wordt verantwoord op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het veldwerk is gebleken dat in de reguliere opsporing deze verantwoording vaak beperkt is tot zinnen als ?Uit onderzoek op social media is gebleken dat ?.?. Het is zeer de vraag of de rechter en de verdediging hierdoor in staat zijn te beoordelen of dit onderzoek op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het zou daarom goed zijn als politie en Openbaar Ministerie hier meer aandacht voor zouden hebben en de uitgevoerde onderzoekshandelingen uitgebreider zouden verantwoorden.

Bronnen: Open Universiteit

Het corrigerende effect van slacktivisten

In het FD van zaterdag 23 januari een artikel over slacktivisme met de titel:??Het corrigerende effect van de ?slacktivisten??, geschreven door David Langley van TNO naar aanleiding van de promotie van Tijs van den Broek. Geen enkel bedrijf heeft een goed onderbouwde strategie voor het omgaan met massale protesten via sociale media, vindt David Langley, onderzoeker bij TNO en de Rijksuniversiteit Groningen. Hij functioneerde als medebegeleider voor het in deze column genoemde promotieonderzoek.

Bij het najagen van commerci?le doelen kan het gedrag van een bedrijf soms tot nare neveneffecten leiden. Zoals uitbuiting van leveranciers, overlast voor omwonenden, of schade aan het milieu. Wanneer blijkt dat deze nadelen voor de maatschappij onacceptabel zijn, moet het bedrijf van het ingezette plan afzien. Met alle gevolgen van dien.

jacobsteadweb

(Illustratie: Jacob Stead)

In zulke gevallen is er binnen het betreffende bedrijf dus onvoldoende kritische discussie geweest om de blunder te voorkomen. Komt dit doordat werknemers te bang zijn om tegen hun bazen in te gaan? Of vergeten ze dat ze zelf, in hun rol als burgers en consumenten, ook een kritische houding mogen aannemen?

Wanneer tegengeluiden van binnen de organisatie ontbreken, dan moeten die maar van buiten komen.

Eergisteren promoveerde Tijs van den Broek cum laude aan de Universiteit Twente. Zijn promotieonderzoek gaat over luie activisten, ofwel ?slacktivisten?, die louter via de computer of smartphone deelnemen aan protestcampagnes tegen de strategie of het gedrag van een bedrijf. Het betreft hier dus tegengeluid via tweets en online petities.

Het fenomeen bestaat al een jaren, maar onderzoekers hadden nog niet aangetoond of de slacktivisten er toe doen. Zijn ze vooral bezig om hun vrienden te laten zien hoe cool ze zijn? Of kunnen ze werkelijk tegengewicht bieden om bedrijven in toom te houden?

Ten eerste de vraag: wat motiveert de slacktivisten? Van den Broek onderzocht een experimentele protestcampagne tegen vermeende slavenarbeid in buitenlandse hotels. Hij vond een duidelijk effect, namelijk dat slacktivisten die weinig tijd aan de protestwebsite wilden besteden, gemotiveerd werden om een online petitie te ondertekenen door een gevoel van verbondenheid met de slachtoffers. Collectieve identiteit, heet dat gevoel. Het bewijst dat slacktivisten werkelijk geven om het probleem waar het protest aandacht voor vraagt en niet louter uit zijn op het verhogen van hun eigen status. Ze willen er alleen weinig moeite voor doen of hebben het even te druk om er veel werk van te maken. Het is dus een denkfout om geringe bereidheid tot actie te zien als onverschilligheid.

Twee Fronten
De slacktivist zet aanhoudende druk op bestuurders en het bekritiseerde bedrijf ziet zelf dat het imagoschade oploopt

Dan de vraag of hun acties werkelijk effect hebben op het bedrijf? Van den Broek laat zien, door vele verschillende praktijkgevallen te analyseren, en nog een experiment uit te voeren, dat protestcampagnes waaraan vele slacktivisten meedoen werkelijk schadelijk voor het bedrijf zijn. Dit is merkbaar aan dalende verkoop, reputatieschade en ook aan de beurskoers.

Van den Broek noemt Royal Dutch Shell en haar, inmiddels mislukte, olie-exploratie in de Noordelijke IJszee, een van de laatste ongerepte natuurgebieden op aarde. Ging het groepsdenken binnen Shell zo ver dat geen van de 94.000 loontrekkers van het bedrijf dit een slecht idee vond? De beslissing in 2015 van de bestuurders om het plan om te keren had niet ??n oorzaak. De verhouding tussen de hoge exploratiekosten en de verwachte aanhoudende lage olieprijs wogen zeker zwaar mee.

Maar ook de massa slacktivisten speelde een merkbare rol, en wel op twee manieren. Ten eerste hielden de vele steunbetuigingen voor de protestcampagne de druk op beleidsmakers hoog. Onder andere presidentskandidaat Hillary Clinton gaf aan dat het risico voor het milieu te hoog is om het olieboren zinvol te maken. Dit alles zorgde voor onzekerheid rond de toekomstige wetgeving voor het exploiteren van die olievelden.

Ten tweede zag Shell hoe het imagoschade opliep: het bedrijf werd neergezet als roekeloze winstjager en vernieler van de wereldnatuur. Volgens ft.com gaven bestuurders van het olieconcern toe dat de massale aandacht een deuk in de reputatie van het bedrijf had aangebracht.

Wanneer een bedrijf door de slacktivisten flink onder vuur wordt genomen, weten bestuurders vaak niet hoe ze moeten reageren. Meestal zwijgen ze, hopend dat de storm overwaait. Van den Broek laat ook zien dat deze responsstrategie niet slim is, en de schade zelfs kan verergeren. Door op een constructieve wijze in discussie te gaan met de slacktivisten is er kans om tenminste een deel van de opgelopen schade te herstellen.

In het tijdperk voor sociale media bleef de mening van de massa vaak onduidelijk. Nu niet meer. Tenminste: de klagende consumenten van nu zijn betrokken genoeg om hun gedachten te delen. Dit biedt het bekritiseerde bedrijf de kans duidelijk te maken dat het als een goede burger wil optreden en, naast winstmaximalisatie en aandeelhouderswaarde, ook andere pro-sociale doelen nastreeft. Hiervan kan zowel bedrijf als samenleving profiteren.

Bronnen: FD