App: I Sea

Vanuit je luie stoel met een app vluchtelingenbootjes zoeken

Vluchtelingen helpen zonder dat je naar de Middellandse Zee hoeft en zonder dat je er geld aan uit hoeft te geven??Migrant Offshore Aid Station (MOAS), een particuliere organisatie die op zee vluchtelingen redt, heeft daar een app voor ontwikkeld.?Je kunt nu vanuit je luie stoel en met?een paar vrije minuten?helpen zoeken naar migrantenboten op zee met I Sea.

De app, momenteel alleen nog beschikbaar voor iOS, moet het zoeken naar vluchtelingenboten makkelijk maken. De software van MOAS deelt de satellietbeelden – dat het krijgt van meerdere organisaties – op in miljoenen blokjes. Je krijgt bij het opstarten een van die miljoenen blokjes toegewezen. Crowdsourcend naar bootmigranten zoeken dus.

Jelle Goezinnen (38) van?Sea Watch, een andere particuliere hulporganisatie, vindt het een “goed?initiatief. Tot er een oplossing is voor de humanitaire ramp die er plaatsvindt?moet je met dit soort initiatieven blijven komen.”

isea1isea4isea2isea3
Spot je een boot in jouw blokje? Dan druk je op een knop om MOAS op de hoogte te stellen. Voordat je een bootje kunt taggen, moet je wel je naam, paspoortnummer en email invullen, om grappenmakers tegen te gaan.?Jouw ingestuurde?informatie wordt vervolgens bekeken en – als het inderdaad een vluchtelingenboot is -?doorgegeven aan schepen op het water. Zij kunnen aan de hand van de gegevens gaan zoeken.

De makers van de I Sea-app zeggen dat er weinig mensen zijn om op zee te zoeken naar vluchtelingen. Met deze app hopen ze dat er meer mensen mee gaan?helpen. Correspondent Rop Zoutberg herkent het probleem. “Er zijn handen en schepen?tekort, maar je kunt ook zeggen: de zee is gewoon te groot.” Daarom zou deze app zomaar eens uitkomst kunnen bieden, zegt Zoutberg.

Van deze boot werden de opvarenden net op tijd gered.?

Goezinnen: “Er komen steeds meer schepen, steeds meer initiatieven om te helpen, maar het is nog niet genoeg. Er sterven steeds meer mensen op zee.”?Er kwamen dit jaar al ruim 211 duizend migranten over de Middellandse Zee naar Europa. Bijna 3000 mensen verdronken, meldt de vluchtelingengroep UNHCR.

Volgens Goezinnen ligt het niet aan de techniek of de capaciteit. “Die is er al, die wordt maar mondjesmaat ingezet voor reddingsoperaties.”

Zo heeft Frontex, de Europese grensbewaker, al toegang tot realtime satellietbeelden, zegt Goezinnen. “Die worden 24/7 bekeken door tientallen professionals. Die zoeken allemaal?naar boten en kennen de routes.” Maar lang niet altijd wordt er ingegrepen door Frontex. “Hun mandaat is niet groot genoeg, ze zijn niet actief op de hele?Middellandse?Zee.”

“En zolang er geen Europese oplossing is voor vluchtroutes, zal deze ramp niet opgelost worden.”

Met twee motorboten worden de migranten van het schip gehaald.

Ook Nederland helpt mee met de grensbewaking.?Het marinefregat Zr. Ms. Van Amstel heeft?gistermiddag 193 mensen gered van een zinkend schip op de Middellandse Zee. De Van Amstel vaart daar in verband met de grensbewakingsoperatie Frontex van de EU.

Juist daar wil I?Sea verandering in brengen. Goezinnen zegt?dat het goed kan?werken. “Je moet snel ter plekke zijn om overvolle bootjes in nood te helpen.” Des te sneller zo’n bootje wordt gespot, des te groter de kans dat de opvarenden geholpen kunnen worden.

MOAS is in?2013 opgericht door het koppel Christopher en Regina Catrambone. De miljonairs hebben hun?schip De Phoenix en werken vanuit Malta. Met? schepen en drones heeft MOAS tot nu toe zo’n 13.000 mensen uit zee gered. En kreeg daarvoor de?Geuzenpenning.

Toch lijkt er het een en ander?mis met I Sea…

Of: wat is er n?et mis? Technisch blijkt er weinig van te kloppen. Al snel werd ontdekt dat de real-time satellietbeelden helemaal niet real-time zijn. Sterker nog, de app laadt bij iedereen dezelfde statische afbeelding, waar gegarandeerd niets in wordt gevonden. Ook de bijbehorende website is expres zo gemaakt dat het helemaal niets doet. Het inlogveld is bijvoorbeeld gemaakt om alleen een melding terug te geven dat de gebruikersnaam niet bestaat. Verder niets.

Maar ook zonder in de code te duiken zou de app al wat vragen moeten oproepen. Zo is het totaal onduidelijk waar de satellietbeelden vandaan komen en hoe actueel ze zijn. Het non-stop doorstralen van hoge-resolutiebeelden vanuit de ruimte staat, op zijn zachtst gezegd, nog in de kinderschoenen. En het feit dat je, mocht je onverhoopt een boot vinden die je wilt melden, jouw paspoortnummer moet doorgeven aan de organisatie is ronduit vreemd. Zeker omdat er nergens gebruiksvoorwaarden zijn te vinden die aangeven waarom dat moet.

Een app als I SEA is best ingewikkeld om goed in elkaar te draaien. Dat is niet iets wat de eerste de beste ontwikkelaar zomaar even doet. De app is gemaakt door Grey for Good, dat een soort goede-doelen-afdeling moet zijn van reclameboer Grey uit Singapore. I SEA is hun tweede app in de App Store. Ze hebben hiervoor een app gemaakt waarmee je laminaat kunt uitkiezen. Om dat nu met zoiets als I SEA op de proppen te komen is een flinke stap voorwaarts. En MOAS? Die rept op de eigen website letterlijk met geen woord over de I SEA app.

Kortom, heb jij naar aanleiding van de vele, vele, vele, vele nieuwsberichten van goedgelovige journalisten oprecht gezocht naar vluchtelingen, dan heb je dus sowieso jouw tijd zitten verdoen. Maar waarom zouden de helden van MOAS in vredesnaam op de proppen komen met een app waarvan ze weten dat het niet werkt? Over zo?n serieus onderwerp ook nog? We wachten nog op een reactie. Het zou goed kunnen dat MOAS hiermee aandacht wilde genereren voor de vluchtelingenkwestie. En heel veel aandacht zou de ontwikkelaar van de app ook niet slecht uitkomen. Volgens ??n twitteraar heeft die zijn eigen manke product namelijk al ingediend voor de Cannes Lions reclame-award.

Ondanks herhaaldelijke verzoeken is er nog geen reactie van de organisatie. Wel is de bewuste app inmiddels door Apple uit de AppStore gehaald?en?zijn ze via andere wegen naar buiten getreden. Zo laat MOAS aan Buzzfeed weten wel benaderd te zijn over het idee, maar verder niets te maken te hebben gehad met de app. Dat de uitvoering totaal ruk is, betreuren ze. ?We don?t use iPhones to save people.??Dan blijft de Grey dus over als schuldige in dit debacle. Zij laten op hun site weten dat de app nog in testfase is. Een glasharde leugen, gezien eerdere interviews die ze maar wat graag gaven over de app. Ondertussen hebben ze namelijk wel gewoon even een prestigieuze bronzen reclame-award voor de app in de wacht gesleept.

Bronnen: NOS, I Sea App, Draadbreuk

App: SAIP, Alert System To Inform Populations

Een app (iOS , Android) SAIP (Alert System To Inform Populations) moet het publiek in Frankrijk waarschuwen bij bomaanslagen, schietpartijen of andere noodsituaties. Daarnaast waarschuwt de?dienst als de veiligheidsdiensten denken dat er sprake is van acute dreiging, meldt het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken.

Naast alerts?kan de app ook uitleg geven over wat er precies aan de hand is en wat de?gebruiker moet doen om zichzelf en anderen in veiligheid te brengen.

De app?is net op tijd klaar?voor?het EK en werd in opdracht van het ministerie?ontwikkeld na de aanslagen in Parijs in 2015.?De veiligheid in het land ligt onder een vergrootglas nu het EK vrijdag begint. Er?worden honderdduizenden voetbalfans verwacht.

Geolocatie

Om alleen de mensen die echt in gevaar zijn te waarschuwen, maakt de app gebruik van de geolocatie van de smartphone-gebruiker. Maar gebruikers kunnen naast hun huidige locatie ook andere plekken kiezen waarvan zij op de hoogte willen worden gehouden. Hierdoor raakt?de batterij van de smartphone overigens wel veel sneller leeg.

saip1saip2saip3

saip5saip4

Bronnen: NOS, NRC

Hoe social bots sociale media be?nvloeden

Tay

Zogenoemde ‘social bots’, geautomatiseerde nepprofielen, proberen steeds vaker online mensen en debatten te manipuleren.

Chatbots zijn ouder dan we denken. Origineel noemden we ze ?ChatterBots?, een term die door Michael Mauldin, maker van de eerste?Verbot, werd bedacht in 1994. ?Maar het idee is al veel ouder. In de jaren ?50 bedacht Alan Turing, vooral bekend geworden vanwege zijn aandeel in de Tweede Wereldoorlog, de Turing Test. Daarmee moesten we kunnen aantonen dat een computer intelligent is. Dat doen we door een computerprogramma een mens na te laten doen in een real-time geschreven gesprek met een menselijke ?rechter?. Kan deze ?rechter? de computer niet van mens onderscheiden, dan is de computer intelligent.?Tot nu toe heeft echter geen enkele chatbot deze test behaald.

Verkiezingen in de VS

Begin deze maand merkte een republikeinse blogger op dat 465 accounts op Twitter spam verstuurden ten gunste van Donald Trump. De tweets, voorzien van hashtags en links, riepen op om Ted Cruz aan te geven bij een toezichthoudend agentschap. Maar sommige accounts gaven locaties als Brazili?, Itali? en India aan. Bovendien hadden ze zelden eerder over Trump getweet, volgden ze een verwaarloosbaar aantal andere gebruikers en werden ze zelf niet of nauwelijks gevolgd. De blogger berekende dat in dertig dagen, deze 465 accounts 411.000 tweets over Trump genereerden.

@DeepDrumf is een aardig voorbeeld van een relatief eenvoudig deep learning algoritme dat realistische uitspraken van Donald Trump genereert op Twitter.

drumpf

Politiek debat
‘Bots worden steeds vaker ingezet in het politieke debat’, zegt communicatiewetenschapper Samuel Woolley, die aan de Universiteit van Washington een onderzoek leidt naar het fenomeen. ‘Voorheen werden ze vooral gebruikt om een politicus of campagne populairder te laten lijken, maar tegenwoordig proberen ze steeds geavanceerder publieke opinie te manipuleren.’

Wie stuurt de bots aan?

Of de bots die het op Cruz gemunt hadden afkomstig waren van Trumps campagne is volgens Woolley moeilijk te zeggen. ‘We weten dat bots een actieve rol in de verkiezingen hebben, maar het is moeilijk te zeggen wie de bots aanstuurt.’

Het onderzoeksteam van Woolley heeft nu al moeite om vast te stellen of een account een bot is, mede doordat bots vaak snel uit de lucht worden gehaald en dat de eigenaar zijn bot op non-actief kan zetten om vervolgens zelf vanuit het account te posten.

Vanuit een aantal hoeken is bekend dat social bots worden ingezet. Allereerst waren er commerciele partijen die met bots aanbiedingen via social media als Twitter online wilden posten. Slimmere bots reageerden op Twitter op specifiek gebruikte keywords of mengden zich in trending topics. Al snel werden bots echter ook door regeringen ingezet. Zo is van Rusland bekend dat social bots worden ingezet om het debat te beinvloeden. Maar ook terroristische organisaties als Islamic State gebruiken bots om hun boodschap te propageren.

Groeiend aantal bots

Volgens onderzoekers van de universiteit van Arizona zijn minstens 7% van alle Twitter accounts social bots. Twitter zelf houdt het bij 5%, maar er zijn onderzoeken die aangeven dat met hun bot detectie tot minstens 9%. Opvallend is dat 50% (!) van alle accounts na 2014 inmiddels suspended zijn. En als het gaat om de hoeveelheid content die bots produceren zegt hetzelfde onderzoek van Arizona dat 24% van alle tweets niet van mensen, maar machines komen. Ook onder Facebook accounts zijn naar schatting 5-11% van alle accounts social bots. Er zijn social bot farms gedetecteerd die wel 750.000 accounts aansturen!

Social bots

facebook bots

Op populaire messaging platformen als KIK, dat vooral onder jongeren zeer populair is (ook in Nederland), wordt steeds meer gebruik gemaakt van social bots. Het is een nieuwe manier ook voor bedrijven om aan marketing te doen (conversational brands) en er zijn al 350 miljoen berichten met social bots zijn uitgewisseld. Ook platformen?als Slack maken er al op grote schaal gebruik van.

Maar juist de grote reuzen van deze aarde zijn er nu groots op aan het inzetten. 2016 wordt het jaar van de social bots genoemd waarin een aantal belangrijke lanceringen gepland staan, zoals de bots van Facebook. Facebook?s varianten blijken nu nog erg?traag, maar?onderstaande video laat zien wat Facebook met chatbots voor ogen heeft:

Remi Zoeten, data scientist bij Bol.com, stelt dat de groei van bots vanuit commerci?le bedrijven?aan meerdere aspecten ligt. ?Er is niet een enkele grote doorbraak geweest in de wereld van chatbots. Maar mogelijk is er een ?tipping point? bereikt welke het verschil maakt tussen wel of niet durven inzetten.? Dat tipping point heeft volgens Zoeten te maken met een aantal verbeteringen die we in de afgelopen jaren hebben gemaakt. ?We hebben bedacht hoe kunstmatige neurale netwerken kunnen worden gebruikt om met tekst om te gaan.?Neurale netwerken zijn ge?nspireerd op het neurale netwerk dat in ons brein zit. Er zijn dus betere computer-representaties gevonden voor mensentaal. Daarnaast zijn Wikipedia en andere (publieke) tekstbronnen?constant aan het groeien, hier kunnen chatbots van leren.?

Maar ook het aanbod van natuurlijke taalprocessoren als een service en kunstmatige intelligentie als een service dragen hieraan bij, stelt Jerry Wang, ontwikkelaar van chatbots in Silicon Valley. ??Veel verkopers bieden nu natural language processing (natuurlijke taalverwerking) aan als een service. In samenwerking met veel providers die de extra hulpmiddelen aanbieden kan vrijwel iedereen een coole chatbot maken die dingen voor je kan doen, in plaats van alleen maar ?hi? sturen zoals de Cleverbot deed.?

Dat grote bedrijven als Facebook nu op chatbots inspringen heeft volgens Wang en Zoeten ook een logische reden. ?Ik denk dat ze dit doen om dat de meest?intu?tieve interface naast een muis, toetsenbord of touchscreen een gesprek is. Met iemand praten om bepaalde informatie te vinden of een doel te bereiken is iets dat alle mensen doen?, stelt Wang. Zoeten ziet echter ook een commerci?le reden voor de opkomst van chatbots. ?Chatbots hebben veel commerci?le waarde, omdat ze de potentie hebben om veel werk te automatiseren, of zelfs om werk beter te doen dan professionals.
Denk aan chatbots die jou helpen om een goed cadeau te vinden, die zorgen voor een hogere omzet in online retail. Of een chatbot die de klantenservice doet bij online aankopen. Die is misschien wel veel sneller en effectiever dan een menselijke klantenservice.?

june-3-crisis-bot

?Chatbots kunnen leren van bijvoorbeeld Wikipedia of van vijfhonderd dikke boeken over anatomie en medicijnen?, vertelt Zoeten. ?Daar staat vaak het antwoord op een vraag letterlijk in. Maar als het antwoord op een vraag niet letterlijk in een tekst staat, dan kan het moeilijk zijn om het antwoord te bedenken of om het antwoord bij elkaar te verzamelen. Een chatbot kan misschien wel goed communiceren over het weer, of met interessante feitjes komen over een onderwerp, maar vermogen om te redeneren is er nog niet. Bijvoorbeeld: ?Jantje wil graag zijn 7 knikkers verdelen over zijn drie broertjes. Kan hij alle 7 knikkers eerlijk verdelen???Dit soort vragen zijn nog erg lastig. Je zou een programma kunnen maken dat z??r specifiek voor dit soort vragen geschreven is, maar als dan de vraag komt ?De cappuccino van 3.95 wordt afgerekend met een tientje, hoeveel wisselgeld wordt er gegeven??, kun je opnieuw beginnen.?Het moeilijke is om een algemene oplossing te geven voor ?vragen? en om te beslissen of de computer ?berhaupt het juiste antwoord wel heeft.?

Bovendien missen we nog wat features binnen chatbots waar we dankzij smartphones aan gewend zijn geraakt, vertelt Wang. ?Het gaat vooral om het opvragen van je locatie en het doen van betalingen. De Uber-app kan bijvoorbeeld erg goed uitzoeken waar je bent en op basis daarvan een auto naar je toesturen, maar een chatbot die je alleen via SMS spreekt kan dat niet. Tegelijkertijd kan een website als Amazon erg goed bestellingen en betalingen afhandelen, maar een chatbot heeft die mogelijkheid niet.?

Ook Google is achter de schermen druk bezig met hun nieuwste innovatie op het gebied van AI technologie.?En ook Microsoft zet er groots op in. Toch gaat het niet zonder slag of stoot. Onlangs lanceerde Microsoft haar chatbot Tay die leerde van het gedrag van de mensen waarmee de bot in gesprek raakte. De testers wisten dit en gingen zich extreem gedragen met de bot, waardoor de bot al snel rechts-extermistische uitingen deed en binnen korte tijd bekend werd als de nazi bot.

little bingMicrosoft lanceerde in 2015 het kleine zusje van Cortana, de chatbot XiaoIce aka Little Bing, waar miljoenen mensen in China hun diepste geheimen aan toevertrouwen. Volgens Yongdong Wang, de Microsoft medewerker die Xiaolce ontwikkelde, is de chatbot rond middernacht het meest populair. Gemiddeld worden er zo?n 23 berichten heen en weer gestuurd tussen chatbot en mens.

Our vision is we want her to be a friend, not just a professional assistant. A good friend where a user can develop an emotional connection and the trust and the confidence. And someone that the user feels free to talk to.”

?Bots as besties – get ready for a shift from having a bff to a bbf: bot best friend?

Er zijn diverse toepassingen voor social bots en ook veel nieuwe start-ups die bot technologie aanbieden. Magic, Sensay?en Cloe?zijn enkele voorbeelden.

cutting edge bots

Bot en troll farms

Semi-automatisch gebruik van bots lijkt een beproefde methode door de zogenaamde ’troll farms’ in Rusland. Eerder werd bekend dat het Kremlin ook mensen inhuurt om commentaar te leveren op media die zich kritisch uitlaten over Russisch beleid.

Zo werd de Guardian in 2014 gek van de spam die zeer waarschijnlijk afkomstig was van de troll farms. De moderators, mensen die toekijken op de commentaren onder artikelen, verwijderden honderden reacties onder Oekra?ne-gerelateerde artikelen. Ook in landen als China is dit een beproefde methode, en de Verenigde Staten gebruiken vermoedelijk ook al langere tijd social bots.

Het verstoren van het MH17-debat

Voormalig Vrij Nederland-verslaggever Tim de Gier dacht ook te maken te hebben met Kremlin-gestuurd commentaar wanneer het weekblad over MH17-ramp schreef. ‘Er stonden half-afgemaakte zinnen en allerlei opmerkingen die totaal niet logisch waren. Ik durf niet te zeggen of het commentaar geautomatiseerd of menselijk was.’

Probeerden social bots het Nederlandse MH17-debat echt te verstoren? ‘Zeer waarschijnlijk’, zegt Woolley. Zeker is dat de Russen publieke opinie over Oekra?ne probeerden te be?nvloeden, getuige een handleiding van een troll farm in handen van de Volkskrant. In die handleiding wordt de troll farm-medewerkers uitgelegd hoe ze op Twitter, Facebook en andere online media moeten overtuigen dat Oekra?ense politici het land ‘naar de rand van de afgrond’ hebben gebracht.

In de handleiding, gedateerd 7 maart 2015, staan zoekwoorden, casussen en verwijzingen naar media die de Russische trolls kunnen gebruiken in hun reacties. Een van de argumenten die gesuggereerd wordt om de publieke opinie over Oekra?ne te be?nvloeden is door te hameren op het nijpende gebrek aan gas in het land en achterstallige betalingen aan Gazprom, de Russische energiegigant. Een ander argument: Oekra?ense extremisme vormt een bedreiging voor de joodse minderheid. Of: de financi?le steun van het IMF zal vooral naar het leger gaan in plaats van de bevolking.

Tegenwoordig proberen bots steeds geavanceerder de opinies te manipuleren.

Eerlijke en objectieve informatie

Woolley benadrukt dat bots vooral een probleem zijn in landen met een door de overheid gecontroleerd mediabestel, omdat die burgers voor eerlijke en objectieve informatie op sociale media aangewezen zijn.

current_500pxwide_int

Hoe zo’n debat gemanipuleerd kan worden vertelde een hacker onlangs in een interview met Bloomberg Businessweek. De Colombiaan Andr?s Sep?lveda spaarde kosten noch moeite om presidentsverkiezingen te be?nvloeden in negen Latijns-Amerikaanse landen. Hij deed dat vooral door de oppositie digitaal te bespioneren, maar maakte in 2012 ook een Mexicaanse protestbeweging dankzij bots onschadelijk.

#YoSoy 132

De hacker gebruikte een leger van dertigduizend bots om de protestbeweging #YoSoy 132, ook wel de Mexicaanse Lente genoemd, in de kiem te smoren. #YoSoy 132 stelde de warme banden aan de kaak die de partij van presidentskandidaat Enrique Pe?a Nieto tijdens de campagne onderhield met de Mexicaanse media. De beweging benadrukte dat ze geen andere kandidaat steunden.

Sep?lveda’s bots zaaiden verwarring in de onlinediscussie, door #YoSoy 132 nadrukkelijk in verband te brengen met de linkse kandidaat Andr?s Manuel L?pez Obrador. Uit een door hem gehackt campagnememo wist Sep?lveda precies wat de zwakke punten van L?pez Obradors waren, en liet hij de bots die benadrukken. Net als de Occupybeweging en de Arabische Lente had #YoSoy 132 geen centrale leider die de berichten tegen kon spreken. Ongehinderd veroorzaakten de bots een kakofonie op sociale media, waardoor de boodschap van de protesten afzwakte en de beweging uiteindelijk onschadelijk werd gemaakt.

‘Ik werkte voor de donkere kant van de politiek, de kant die niet gezien wordt’, zegt Sep?lveda, die momenteel een straf in Bogot? uitzit vanwege hacken en spionage. Hij zegt zijn verhaal te doen omdat mensen niet bevatten hoeveel invloed hackers kunnen uitoefenen op moderne verkiezingen. Hij is ‘honderd procent zeker’ dat er ook met de Amerikaanse presidentsverkiezingen geknoeid wordt.

Hoe groot het effect van de bots in de Amerikaanse verkiezingen is, valt niet te zeggen. Alleen al omdat het onmogelijk is om in te schatten hoe veel bots er actief zijn. ‘Duizenden, tienduizenden, misschien wel honderdduizenden? Ik weet het niet’, zegt Woolley. Naast zijn onderzoeksteam zijn er nog een handvol mensen die zich met bot-propaganda bezig houden.

Wat zijn bots?

Een chatbot is een geautomatiseerde robot die zo menselijk mogelijk probeert over te komen, bijvoorbeeld op Twitter of Whatsapp. Bots zijn er in allerlei soorten en maten en worden op uiteenlopende manieren gebruikt. Zo zijn er bots die grappen genereren en geen specifiek doel hebben, maar chatbots zijn ook geliefd bij klantenservices van bedrijven. Chatbots kunnen antwoord geven op simpele vragen als ‘wat is de levertijd van het product?’ doordat ze steekwoorden herkennen.

Een chatbot antwoordt door de steekwoorden en zinsopbouw die hij herkent te vergelijken met een database vol voorgeprogrammeerde en aangeleerde woorden en zinnen. De bot hanteert een overeenkomst-percentage zodat hij ook bij taal- en grammaticafouten antwoord kan geven.

Bots worden steeds beter geprogrammeerd. Ze zijn in staat om gesprekken te analyseren en daarvan te leren, waardoor ze steeds menselijker overkomen en langer interacties kunnen volhouden.

Geperfectioneerd zijn ze nog niet – en dat levert nog wel eens problemen op. Zo maakte een bot van de Nederlandse Jeffry van der Goot vorig jaar onbedoeld doodsbedreigingen op Twitter. Tay, een bot die Microsoft ontwikkelde, moest de persoonlijkheid van een 19-jarig meisje nabootsen, maar internetgrappenmakers (trolls) kregen voor elkaar dat Tay racistische opmerkingen ging maken. De social bot paste zich namelijk aan de gesprekspartners aan. In korte tijd werd Tay een geradicaliseerde bot met uitspraken zoals hieronder.

Taytweets

Maar als een bot kan leren en radicaliseren door interactie met anderen, wat zal een social bot dan andersom kunnen doen als de technologie voortschrijdt?

Zero user interface

Maar als we Microsoft en Facebook mogen geloven ligt in de toekomst een grote rol voor bots weggelegd. Met de stevige investeringen die daarbij komen kijken? komt de bot-techniek in een stroomversnelling en zullen bots die door proberen te gaan als menselijke profielen, steeds moeilijker zijn te ontmaskeren.

Lees het rapport van Sander Duivestein en Menno van Doorn over commerci?le trends in social bots:

[slideshare id=63439926&doc=theboteffectfriendingyourbrandmachineintelligencenl-160625124014&type=d]

Bronnen: De Volkskrant, Engadget, The Verge, Global Voices Online,?ReportersOnline

Samen signaleren

De klassieke verzorgingsstaat verandert in een participatiesamenleving. Iedereen die daartoe in staat is, moet volgens de regering zelf verantwoordelijkheid nemen om zijn eigen leefomgeving veiliger te maken. Dat doen burgers dan ook. Met name met behulp van sociale media dragen burgers uit eigen initiatief bij aan sociale veiligheid. De huidige, nieuwe vormen van burgerparticipatie ? van WhatsApp-groep tot burgerwacht ? stellen gemeenten en politiekorpsen voor de vraag: hoe gaan we zo goed mogelijk om met deze initiatieven? Welke rol pakken we?

Samen Signaleren is het resultaat van een onderzoek van bureau Bervoets en bureau Beke naar nieuwe vormen van burgerinitiatieven en de recente ontwikkelingen daarin. De onderzoekers hebben zich gericht op initiatieven die daadwerkelijk door burgers zelf zijn genomen en opgezet.

Aanleidingen voor nieuwe initiatieven
De opkomst van sociale media heeft een impuls gegeven aan het ontstaan van nieuwe vormen van burgerparticipatie in sociale veiligheid. Maar ook het afnemen van straattoezicht door overheidsdiensten of een lokale toename van woninginbraken kunnen een impuls geven aan burgerinitiatieven.

Samenwerking burger en lokale overheid
*Al komt het initiatief van de burgers, in de praktijk is uiteindelijk altijd wel sprake van een samenspel tussen burger en lokale overheid. Daarin is het voor gemeente en politie soms nog zoeken naar de juiste vorm. Zij lopen tegen dilemma?s aan als zullen we regisseren of faciliteren? Gaan burgers alleen signaleren of ook proberen op te treden? Hoe zorgen we dat er geen mensen deelnemen met onzuivere motieven? In Samen Signaleren geven de onderzoekers praktische aanbevelingen voor deze samenwerking.

“Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel?, Troonrede 2013

Onderstaand rapport is ook te downloaden op Platform31

Auteurs Eric Bervoets, Tom van Ham, Henk Ferwerda

Bronnen: Platform31

Bommen, granaten en terroristen die katten aaien

bommen

Woorden en beelden zijn soms net zo krachtig als bommenwerpers. De strijd van overheden tegen de IS is daarom deels een communicatiewedloop. De technologische ontwikkelingen gaan snel. Hoe zorgen we ervoor dat we niet achterop raken?

Een mollige peuter richt trots een machinegeweer op ons, een kleuter onthoofdt haar knuffel en een tienjarig kind liquideert een militair: de beelden uit de Islamitische Staat missen hun doel nooit. Verspreid via social media zijn ze vaak minstens zo krachtig als vuurwapens. Ze nestelen zich in de hoofden van vriend en vijand om daar hun manipulerende, motiverende, of juist ontmoedigende werk te doen.

is cats

Een belangrijk verschil tussen de terroristen van Al Qaeda en van IS is dat de laatsten ?digital natives? zijn en de kracht van social media beter begrijpen. Of ze nu angst zaaien met afgehakte hoofden, of empathie oogsten met sympathieke strijders die katten aaien: de ?storytellers? van de IS doen niet onder voor de marketingstrategen van een multinational. Een goede ?internetstrijder? oogst bij IS dan ook evenveel waardering als een ervaren sluipschutter.

?de ?storytellers? van de IS doen niet onder voor de marketingstrategen van een multinational?

Social bots

Social media als Facebook en Twitter zijn voor terroristen belangrijke platformen om jongeren die vatbaar zijn voor radicale idee?n te manipuleren met eenzijdige informatie. Steeds vaker gebeurt dit met accounts die niet door mensen, maar door machines worden bestierd. Het betreft ?social bots?: computerprogramma?s, ontworpen om te communiceren met mensen.

Ze maken grootschalige manipulatie via social media veel gemakkelijker. De sociale platformen zouden een grotere rol kunnen spelen om radicalisering tegen te gaan, maar doen dit slechts mondjesmaat. Wel heeft de Europese Commissie onlangs met Microsoft, Facebook, YouTube en Twitter afgesproken dat haatzaaiende inhoud binnen 24 uur verwijderd wordt, mits burgers er melding van maken.

Ook gesloten platformen spelen een steeds grotere rol in de informatiewedloop tussen de IS en westerse overheden. Versleutelde apps als Signal of WhatsApp maken het mogelijk te communiceren buiten het zicht van informatiediensten. Games die onder jongeren populair zijn, zoals Grand Theft Auto (een spel waarin je agenten kunt aanrijden), bieden de IS de mogelijkheid om in besloten kring precies de juiste doelgroep aan te spreken. En het Dark Web, een versleuteld deel van internet, wordt onder meer gebruikt om ongezien aan uitreisdocumenten te komen en anoniem geld te storten aan het kalifaat.

Van wetenschap tot wapen

Veel goedbedoelde nieuwe-mediatechnologie?n veranderen in wapentuig, zodra misdadigers ze in handen krijgen. Dit zijn drie actuele voorbeelden.

Social Bots

Alan Turing ontwikkelde in 1950 de Turing test, die test of een machine te onderscheiden is van een mens. Sindsdien hebben wetenschappers grote stappen gezet in de ontwikkeling van computerprogramma?s die overtuigend communiceren met mensen. Social bots, gebruikt door zowel commerci?le bedrijven als misdadigers, komen hier uit voort. Bedrijven als Microsoft, Google en Amazon investeren miljarden in zelflerende varianten die steeds intelligenter worden.

Dark Web

Drugs, wapenhandel, kinderporno en identiteitsvervalsing: het dark web biedt alles wat het daglicht schuwt. Het is toegankelijk met speciale, door iedereen te downloaden software en gebruikers kunnen er anoniem doen wat ze goeddunkt. Het dark web is onderdeel van het ?deep web?, ooit begonnen als een internetvariant waar de Amerikaanse marine kon overleggen zonder pottenkijkers. Inmiddels maken ook terroristische organisaties als IS er dankbaar gebruik van.

Virtual reality

Technieken om de werkelijkheid te simuleren met behulp van software en eventueel een soort bril werden aanvankelijk vooral gebruikt voor het trainen van piloten, artsen en militairen. Vanaf de jaren negentig ging de gamingindustrie ermee aan de haal. De Oculus Rift is het meest actuele middel waarmee gebruikers zich in een andere context kunnen wanen. Experts vrezen dat terroristen dit soort apparatuur zullen inzetten voor het trainen van strijders. IS gebruikt oorlogsgames en gamification in hun uitingen nu al om strijders te recruteren.

Rol van de overheid

De overheid is zich bewust van de grote rol die deze technologie?n spelen in radicaliseringsprocessen. Gezien de snelle technologische ontwikkelingen op het gebied van versleuteling en kunstmatige intelligentie zal deze rol steeds groter worden.

Inlichtingendiensten, politie en politici missen echter zowel de expertise als wettelijke ruimte om in te grijpen. Goed bedoelde, Hollywoodachtige filmpjes met een alternatief verhaal vallen in het niets bij de enorme stroom ?reality TV? van IS. Twitterende politici missen de autoriteit om online serieuze invloed te hebben. Voor elke site die uit de lucht wordt gehaald, verschijnen tien nieuwe. En de inzet van afluistertechnologie?n en censuur door de overheid stuit op maatschappelijke en juridische weerstand.

TNO volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en zoekt met overheden en private partijen naar best practices en maatregelen. Hoewel eenvoudige oplossingen niet voor het grijpen zijn, denkt TNO dat burgers een veel grotere rol kunnen spelen bij het produceren van tegengeluiden. En ouders, politie en scholen zouden zich actiever moeten bemoeien met het internetgedrag van jongeren om radicalisering op tijd te onderkennen.

De technologische ontwikkelingen gaan snel. Om niet achterop te raken, moet de overheid investeren in kennis en expertise op het gebied van nieuwe media, versleuteling en kunstmatige intelligentie. Alleen als overheid, industrie en kenniscentra als TNO op dit gebied samenwerken, kan Nederland terroristen in deze communicatiewedloop de pas afsnijden.

Dit artikel is gebaseerd op een gesprek met Arnout de Vries van TNO.

Bronnen: TNO Time

Verzekeraars en recherchebureau’s

facebook00

Recherchebureaus die door verzekeraars worden ingezet om te kijken of letselschade daadwerkelijk is ontstaan door een ongeluk of dat er sprake is van fraude. Hoe ver gaan deze bureaus in hun werkwijze? Wat is geoorloofd en wanneer gaat het te ver?

Naar aanleiding van de uitzending over letselschade melden zich nieuwe tipgevers bij De Monitor. Zij zeggen allen te maken hebben gehad met recherchebureaus die door verzekeraars zijn ingezet om fraude aan te tonen. Het gaat om verzekeraars van de tegenpartij. Alle tipgevers zijn buiten hun eigen schuld om slachtoffer geworden van een ongeluk en hebben daar blijvend letsel aan overgehouden. Pijnlijk is dat deze mensen daardoor ook minder goed kunnen functioneren in hun banen. En die schade willen ze uiteraard verhalen op de verzekering van de partij die het ongeluk heeft veroorzaakt. Dat kan soms leiden tot een jarenlange strijd tussen beide partijen. Vooral als het gaat om letsel als een whiplash. Dan lijkt het extra moeilijk om te bewijzen dat het letsel is ontstaan door het ongeluk. De verzekering zet bij verdenking van fraude recherchebureaus in om te kijken in hoeverre er aanleiding is om aan het verhaal van het slachtoffer te twijfelen. Op zich geen rare gedachte, gezien het aantal keer dat er jaarlijks wordt gefraudeerd bij verzekeringen. Maar in het geval van letselschade valt dat verhoudingsgewijs juist mee. En er melden zich mensen bij De Monitor die zeggen dat er nauwgezet onderzoek is gedaan naar hun priv?-leven en zij vragen zich af hoever er gegraven mag worden in je verleden. Wanneer wordt de privacy te veel aangetast om een vermoeden van fraude te onderzoeken? Hoe ver gaan verzekeringen bij privacy-onderzoeken die moeten aantonen dat het letsel minder zwaar is dan slachtoffers claimen?

Bronnen: NPO

Monitoring en analyse informatie op sociale en online media; van leren naar verbeteren

monitoring roy

Hoe moet de politie omgaan met berichten op sociale media? Hoe serieus moet zij deze nemen, wanneer kan zij hier eveneens via sociale media op reageren en wanneer is meer inzet nodig? Op basis van welke informatie en werkwijzen worden beslissingen hierover genomen? Deze en meer vragen staan centraal in ?het onderzoeksrapport“Monitoring en analyse informatie op sociale en online media”.

[slideshare id=62993415&doc=onderzoeksrapportmonitoringenanalyseinformatiejuni2016-160613054852&type=d]

Het rapport geeft inzicht in de wereld ?chter de website, twitter- en facebookaccounts van de politie. Daar gebeurt veel meer dan wat de gemiddelde sociale mediagebruiker te zien krijgt. Het rapport schetst de ontwikkeling binnen de politie in de afgelopen jaren op dit relatief nieuwe vakgebied en biedt tevens een doorkijk naar de nog te maken slagen op het terrein van verzamelen, analyseren en duiden van berichten op sociale media.

Want dit is en blijft mensenwerk, dat voorlopig niet volledig is over te nemen door geautomatiseerde systemen.

Het onderzoek is hier te lezen en te downloaden.

Veel leesplezier, namens Roy Johannink en?Inge Gorissen.

Bronnen: Linkedin Pulse

Buienradar voor boeven

ProKidx

Onderstaand artikel van Kaya Bouma is eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer

‘Kijk me aan!’ Howard Marks, de man die net nog op het punt stond zijn vrouw en haar minnaar te lijf te gaan met de keukenschaar, ligt gevangen in de houdgreep van een politieagent. Het is exact vier minuten over acht ’s morgens. De vloer is bezaaid met glas. ‘Mr. Marks, bij volmacht van de afdeling PreCrime van Washington D.C. arresteer ik u voor de toekomstige moord op mrs. Marks en mr. Dubin, die vanmorgen plaats zou vinden om vier minuten over acht.’

precogs

We schrijven het jaar 2054. Misdaad bestaat niet meer. Drie helderzienden op sterk water, gekoppeld aan een ingenieus computersysteem, voorspellen wie wanneer een moord gaat plegen. Aan politieagent en protagonist Tom Cruise de taak om de criminelen in spe in de kraag te vatten v??r ze de fout in gaan. ‘Is er eigenlijk wel sprake van moord als de daad zelf niet gepleegd is?’ vraagt Colin Farrell in de hoedanigheid van kritisch inspecteur. ‘Het feit dat je iets voorkomt wil niet zeggen dat het niet zou gebeuren wanneer je niet had ingegrepen’, kaatst Cruise terug. Kort daarna rolt de politieagent zelf als toekomstig moordenaar uit het systeem en heeft hij een groot probleem.

Steven Spielbergs Minority Report gaat wellicht niet de geschiedenis in als zijn grootste meesterwerk, maar de film uit 2002 haalt nog zeker wekelijks het nieuws. Zodra het over iets nieuws en futuristisch gaat, gaat het over Tom Cruise en zijn drie telepaten in een badkuip. Meestal is dat niet in positieve zin. De actiefilm geldt voor velen als schrikbeeld van een toekomst waarin privacy non-existent is en de politie in de hoofden van burgers kruipt. Des te opvallender dat het omgekeerde geluid ook steeds vaker te horen is: veiligheidsorganisaties mogen graag naar de film verwijzen als inspiratiebron voor het optuigen van een vergelijkbaar voorspellend systeem – minus de helderzienden weliswaar.

Predictive policing heet dat: het voorspellen van misdaad op basis van grote hoeveel?heden data. En dat is niet iets van een verre toekomst. Politiekorpsen overal ter wereld, inclusief Nederland, maken er al gebruik van.

De kristallen bol is de misdaadbestrijding binnengedrongen. Daarbij wordt de blik steeds verder op de toekomst gericht. De allernieuwste ontwikkeling: preventief straffen. De Amerikaanse staat Pennsylvania werkt momenteel aan een systeem dat rechters helpt bij het bepalen van de strafmaat. Op basis van onder meer iemands criminele verleden (eerdere arrestaties en veroordelingen), geslacht, leeftijd en postcode wordt een voorspelling gedaan over zijn toekomstige wandaden. Is de kans statistisch gezien groot dat een dader ooit opnieuw een vergrijp pleegt, dan kan hij bij voorbaat extra zwaar gestraft worden. Andersom kan een dader aan wie een hemelsblauwe toekomst wordt toegedicht strafvermindering krijgen.

De techniek voor dit soort orakelwerk is al ruimschoots voorhanden. Grote techbedrijven buitelen de laatste jaren over elkaar heen in een wedloop van voorspellende software, waarbij de mogelijkheden duizelingwekkende proporties aannemen. Zo belooft IBM?politiekorpsen preventief naar de crime scene te leiden. In een bijbehorend reclamefilmpje staat een politieagent op z’n dooie gemak, koffie erbij, een overvaller op te wachten die op het punt staat toe te slaan.

Het Amerikaanse veiligheidsbedrijf Intrado ontwikkelde Beware, een systeem dat op basis van onder andere iemands adres, uitingen op sociale media en een eventueel strafblad voorspelt hoe groot de kans is dat hij een misdaad begaat. Een 42-jarige Afghanistanveteraan met PTSS?en een strafblad, die op Facebook schrijft over zijn oorlogservaringen? Het levert een dreigingsscore op van 67 van de 100 punten. Microsoft werkt aan een programma dat niet alleen criminaliteit van ver kan zien aankomen, maar ook van elke individuele gevangene kan voorspellen hoe groot de kans is dat hij of zij, eenmaal op vrije voeten, opnieuw de fout in zal gaan.

Politiekorpsen zijn er blij mee. In onder andere de Verenigde Staten, China, Brazili?, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland en Belgi? wordt met predictive policing gewerkt. Amerika loopt voorop: minstens zestig steden gebruiken een of meer vormen van voorspellende software. ‘Minority Report uit 2002 is de realiteit van vandaag‘, zei William Bratton, hoofd van de politie in New York, vorig jaar tijdens een debatavond over big data en veiligheid.

In Nederland neemt predictive policing ook ‘een enorme vlucht’, schrijven onderzoekers van TNO?in een recente publicatie over het onderwerp. Zo heeft de politie een systeem ontwikkeld dat inbraak en straatroof kan voorspellen. In samenwerking met de Universiteit Twente is informatiegestuurde luchtsteun opgezet: politiehelikopters vliegen preventief naar plekken waar high impact crime als overvallen en inbraken verwacht wordt. De politie werkt ook samen met commerci?le aanbieders van voorspellende software, maar noemt geen namen.

Volgens oud-politiemedewerker Rutger Rienks behoort Nederland internationaal tot de voorhoede. Als afdelingshoofd business intelligence bij de politie was Rienks de afgelopen jaren betrokken bij de eerste stappen naar voorspellend politiewerk. ‘Als je als overheids- of politieorganisatie criminaliteit op deze manier kunt uitbannen, dan lijkt mij dat een droom waar je je hard voor moet maken.’

Het is een omstreden droom. De Nationale Politie kreeg in oktober een Big Brother Award uitgereikt vanwege haar activiteiten rondom predictive policing. Met de prijs zet privacy-voorvechter Bits of Freedom jaarlijks ‘de grofste privacy-schenders’ in de schijnwerpers. Uit het juryrapport: ‘De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop en nauwlettend in de gaten. Daar zijn ze nu al mee begonnen.’ Criminoloog Marc Schuilenburg waarschuwt voor een politie die al te diep in de kristallen bol probeert te kijken: ‘Het gevaar is dat je uitkomt bij een gedachtenpolitie die steeds meer in de stoel van de psychiater gaat zitten en probeert criminele intentie te lezen in bepaald gedrag.’

Ook onderzoekers die zelf met voorspellings?modellen werken zijn kritisch. ‘Wij krijgen wel eens de vraag of we niet met heel evil technologie bezig zijn’, zegt Arnout de Vries. Als onderzoeker bij TNO?werkt hij aan verschillende experimenten rond predictive policing. ‘Misschien is dat wel zo, ja. Maar als je als overheid stil blijft staan en denkt: we houden deze enge technologie liever buiten de deur word je links en rechts door bedrijven ingehaald en sta je nergens. Je ziet politiewerk nu al privatiseren.’

In de VS ligt predictive policing al langer onder vuur. Tegenstanders waarschuwen behalve voor privacy-schending voor de groeiende macht van bedrijven die dit soort veiligheidssystemen aanbieden. De techniek zou bovendien leiden tot etnisch profileren, omdat de voorspellingen vooroordelen in de gebruikte data reflecteren.

Een alomtegenwoordige gedachtenpolitie, nog racistisch ook. Het klinkt nogal onheilspellend. Maar is het dat ook? Er is in Nederland nog weinig bekend over predictive policing. De politie geeft maar mondjesmaat informatie prijs. Wat gebeurt er al? Hoe werkt het precies? En wat kunnen we ervan verwachten?

Mark Jules klapt zijn laptop open en weet wat de toekomst in petto heeft. Jules is vice-president Public Safety Visualization bij multinational Hitachi en zodoende binnen de multinational de man met de glazen bol. Hij is vanmorgen overgevlogen uit Philadelphia en zit nu, zonnebril nog in het schouderlange stroblonde haar, in de bedrijfskantine van Hitachi Data Systems in Zaltbommel. Jules is in Nederland om te praten met ‘ge?nteresseerde partijen’ over de predictive-policingsoftware die het bedrijf sinds kort aanbiedt.

‘Even kijken’, hij zoomt in op de kaart van Washington D.C. en beweegt met zijn muis langs een rijtje delicten: diefstal, fraude, gewelddadige overvallen. De keuze valt op ‘sex crimes’. De kaart van de Amerikaanse hoofdstad, in rasters opgedeeld, kleurt hier en daar donkerrood. In die dieprode vierkantjes, elk goed voor twee huizenblokken, gaat het de komende 24 uur gebeuren. Om erachter te komen wat precies klikt Jules op een van de gekleurde vierkantjes. ‘In dit blok is de kans op een zedendelict vandaag 47 procent.’ Het is dat dit een demo-versie is, zegt Jules, anders kon hij per adres een gedetailleerde voorspelling geven.

Dit is predictive policing in de praktijk: een zo precies mogelijke kansberekening, uitgezet op een kaart. Buienradar, maar dan voor boeven. Het systeem van Hitachi is exemplarisch voor de meeste vormen van voorspellende software. Vertrekpunt: een flinke berg data van een stad of buurt. Historische criminaliteitscijfers, sociaal-geografische informatie over inwoners, adressen van bekende overtreders, data afkomstig van sociale media, het weer, het nieuws. Hoe meer hoe beter, liefst gecombineerd met een netwerk van slimme camera’s die in staat zijn gezichten te herkennen en geluidssensoren die geweerschoten detecteren. Zelflerende algoritmes zoeken vervolgens naar patronen. Blijkt er als het regent stelselmatig minder te worden ingebroken, dan wordt die informatie meegenomen in een voorspelling.

‘Ons systeem vindt correlaties die je als mens nooit gezien zou hebben’, zegt Jules. ‘In een van de steden waar wij werken blijkt rond fietsenrekken meer criminaliteit gepleegd te worden. Geen flauw idee waarom dat zo is. Maar zolang het een betrouwbare voorspelling oplevert, zijn wij tevreden.’ Een voorspelling van Hitachi komt volgens Jules in ongeveer 75 procent van de gevallen uit. ‘Dat is vijftien procent beter dan de meeste andere voorspellingsproducten.’ Of dat waar is, valt niet te controleren. Onafhankelijk onderzoek naar verschillende predictive systemen is nog niet gedaan.

Wordt er in Nederland al met de voorspellende software van Hitachi gewerkt? vraag ik.

‘Nee’, zegt Jules. ‘We werken alleen in de VS.’

‘Jawel hoor’, zegt persvoorlichter Bastiaan van Amstel even later, als Jules door is naar zijn volgende afspraak. ‘We mogen alleen niet alles zeggen. Niet alle partijen voor wie wij werken willen publiekelijk bekendmaken dat ze hiermee bezig zijn.’ Volgens de persvoorlichter zegt Jules daarom voor alle zekerheid niks. ‘Maar ik kan je vertellen dat deze software al op meerdere plekken in Nederland wordt uitgeprobeerd.’ Waar precies? Op hoeveel plekken? En voor wie?

‘Het aantal pilots is op ??n hand te tellen’, zegt Van Amstel. ‘We werken nog niet voor private bedrijven, het gaat om overheidspartijen.’ Met een mysterieuze glimlach: ‘Meer kan ik ?cht niet zeggen.’ Het is typerend voor het onderwerp. Predictive policing is in Nederland in nevelen gehuld. De politie maakt niet bekend met welke commerci?le instellingen wordt samen?gewerkt. Bedrijven kunnen op hun beurt vanwege geheimhoudingsovereenkomsten niet zeggen aan wie ze hun diensten verkopen.

Volgens de Amsterdamse korpschef Pieter-Jaap Aalbersberg moet het debat over predictive policing in alle openheid worden gevoerd. ‘Stel dat wij huiselijk geweld jegens kinderen kunnen voorspellen’, zei hij in oktober bij de uitreiking van de Big Brother Award. ‘Willen we dat? Het dilemma van het kind dat klappen krijgt tegen de methodiek die erachter zit. Dit zijn de debatten waar wij als politie zelf ook mee worstelen.’ Daarom is maatschappelijke discussie over het onderwerp ook zo belangrijk, zegt de korpschef. ‘Het gaat om openheid, want zonder maatschappelijk debat en democratisch besluit ben je niet een democratische samenleving.’

Toch wijst de politie meerdere interview?verzoeken af. Dat is niet uit onwil, zegt een persvoorlichter. ‘Het is nog te vroeg om naar buiten te treden. We zijn momenteel een belangrijke pilot rond predictive policing aan het afronden.’ Pas als er duidelijke cijfers en definitieve plannen zijn, is het tijd voor de pers. Om dezelfde reden wil de politie niet zeggen welke projecten er al lopen of hoeveel er al in wordt ge?nvesteerd.

Toch valt er op basis van gesprekken met betrokkenen en publicaties die recent over het onderwerp zijn verschenen een beeld te vormen van wat er al gebeurt. De politie werkt, zo blijkt, aan minstens acht projecten rond predictive policing. Daarbij gaat het deels om pilots en deels om systemen met voorspelcapaciteiten die al in gebruik werden genomen voor de bijbehorende allitererende modeterm kwam overwaaien uit de VS. De politie opereert zowel zelfstandig als met hulp van buitenaf. Zo wordt er bijvoorbeeld samengewerkt met TNO, dat ook voor de AIVD?en MIVD?de mogelijkheden van voorspellingen op basis van big data verkent.

Een rondgang langs grote spelers levert een rijtje bedrijven op die in Nederland al actief zijn. Zo is volgens een woordvoerder behalve Hitachi ook IBM, een van de marktleiders in de voorspellingsindustrie, ‘betrokken’ bij predictive-?policingprojecten. ‘We kunnen geen uitspraken doen over welke korpsen of over de aard van de projecten.’ Zakelijk dienstverlener Deloitte heeft net een pilot voor de politie afgerond, vertelt medewerker Maurice Fransen. ‘We hebben een soort buienradarkaart van Nederland gemaakt, waarmee je twee weken vooruit kunt zien in welke wijk we inbraken kunnen verwachten.’ De politie wil het model volgens hem ook inzetten voor andere vormen van criminaliteit.

Ook het Franse consultancybedrijf Cap?gemini werkt aan voorspellende projecten, valt af te leiden uit de Nationale Innovatieagenda Veiligheid 2015. Daarin wordt het ‘herkennen en voorspellen van afwijkend gedrag’ een landelijk innovatiespeerpunt genoemd. Cap?gemini gaat een voortrekkersrol vervullen, staat te lezen. Wat dat in de praktijk betekent wil het bedrijf niet zeggen. ‘Vraag maar na bij de politie.’

Met kop en schouders het opvallendste initiatief is de samenwerking met de Nederlandse start-up Pandora Intelligence uit het Gelderse Elst. Mede-oprichter Peter de Kock, ooit filmmaker en nu recherchekundige bij de politie, deed een paar jaar geleden promotieonderzoek naar het voorspellen van terrorisme en kwam met een onorthodoxe aanpak. De Kock legde een database aan van zo’n tweehonderdduizend terroristische incidenten die wereldwijd plaatsvonden en combineerde die met een database van filmscenario’s, boeken en theaterstukken waarin terrorisme voorkomt, opgebroken in scenario-elementen. Fictie kan volgens De Kock een krachtige voorspeller zijn. ‘Neem bijvoorbeeld de aanslagen van 11 september. Een vliegtuig dat zich in een wolkenkrabber boort, zoiets had de Amerikaanse schrijver Tom Clancy al jaren eerder beschreven in een van zijn boeken.’

Zie hieronder het interview dat hij gaf op de dag van zijn promotie in De Wereld Draait Door, met de kern van zijn onderzoek: ??wij zijn [?] nu voor de eerste keer in staat om heel veel data te genereren, heel veel data te wassen [?] Tot voor kort was het belangrijk wie dat opsporingsonderzoek leidde en of die de juiste kennis had. Nu kun je die kennis apart in een database zetten en iedereen heeft daar toegang toe die je daar toegang toe verleent. En dat gaat diegene helpen die de interpretatie moet maken.?

De aanpak is veelbelovend. De Kock liet zijn algoritmes voorspellingen doen op basis van terroristische incidenten die gepleegd waren voor 2007 en vergeleek de uitkomsten met aanslagen die werkelijk plaatsvonden na 2007. Zijn systeem bleek in sommige gevallen vijftig tot zeventig procent beter te kunnen voorspellen dan gangbare methodiek. Dat zijn bijzondere scores bij een ongrijpbaar verschijnsel als terrorisme. Niet gek dus dat veiligheidsorganisaties wereldwijd De Kock weten te vinden. ‘Telkens als er een klap is ergens in het Westen gaat bij mij de telefoon: je moet n? komen praten.’ Ook grote softwarebedrijven als IBM?en Oracle hebben interesse getoond. Toch heeft de politiemedewerker ervoor gekozen zijn voorspeller vooralsnog alleen in te zetten voor zijn eigen werkgever. Dit jaar nog koppelt hij zijn databases aan die van de politie en kan het betere orakelwerk beginnen.

Dat betekent overigens niet dat er straks spontaan een naam, een moordwapen en een locatie uit het systeem komt rollen, zegt De Kock: ‘Het werkt eerder zo: stel, een omstreden politicus houdt een boeksigneersessie, of Obama bezoekt Nederland. Dan kan mijn systeem straks alle potenti?le scenario’s bedenken van mogelijke daders en hun werkwijze.’ Daar kan de politie zich dan alvast op voorbereiden.

Maar dat is later. Wat de politie op dit moment zonder hulp van buitenstaanders onderneemt weet Rutger Rienks, een van de grondleggers van predictive policing in Nederland. Rienks, een jongensachtige dertiger, werkte tot een half jaar geleden bij de politie. Hij schreef voor de politieacademie het boek Predictive Policing: Kansen voor een veiligere toekomst, dat vorig jaar verscheen. Inmiddels werkt Rienks voor de gemeente Amsterdam, maar hij wil best nog eens vertellen over zijn ervaringen bij de politie. Want ja, hij is enthousiast. ‘Ik zie kansen, nou en of. Predictive policing kan ons een hele hoop ellende besparen. Er zitten natuurlijk allerlei haken en ogen aan, maar als je vertrouwen hebt in de modellen die die voorspellingen doen en ze goed toetst, dan kun je een hoop narigheid voorkomen.’

Die haken en ogen, daar heeft de oud-?politiemedewerker nog een leuk verhaal over met een poedel in de hoofdrol. Maar dat komt straks, eerst de voorspellende systemen. Rienks noemt in zijn boek een aantal voorbeelden. Het absolute paradepaardje van de politie is het zogenoemde Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS), dat in 2012 door de Amsterdamse politiemedewerker Dick Willems is ontwikkeld. Door het combineren van onder meer historische criminaliteitscijfers met CBS-data (denk aan inkomensgegevens, uitkeringen, gezinssamenstelling) en adressen van bekende verdachten kan de politie woninginbraken en straatroven voorspellen. Het systeem is in staat ongeveer veertig procent van de woninginbraken en zestig procent van de straatroven te voorspellen. Het cas wordt inmiddels uitgetest in vier steden, het streven is het systeem over heel Nederland uit te rollen. Ook internationaal is de belangstelling gewekt. Vertegenwoordigers uit onder andere Canada en Turkije zijn al op bezoek geweest om er meer over te weten te komen.

In onderstaande uitzending van Factchecker legt Dick Willems van de politie Amsterdam uit hoe het globaal werkt (na ongeveer 9 minuten in de uitzending). Zie ook?hier.

Een vergelijkbaar systeem in samenwerking met de Universiteit Twente stuurt helikopters preventief af op plekken waar veel misdaad wordt verwacht op basis van historische cijfers. Net als bij de meeste vormen van predictive policing gaat het daarbij om high impact crimes als inbraak, overvallen en straatroof. Deze vormen van criminaliteit hebben prioriteit binnen de politie, bovendien laten ze zich makkelijk voorspellen omdat ze relatief veel voorkomen.

protective_20policiagente

Twee andere projecten van de politie vallen op omdat ze voorspellingen doen over individuen. ProKid, een signaleringsinstrument dat in 2013 landelijk werd ingevoerd, voorspelt van kinderen tot twaalf jaar wie de grootste kans maakt op te groeien tot delinquent. Risicotaxatie-instrument RTI-Geweld schat van elke persoon die bij de politie bekend is (bijvoorbeeld vanwege betrokkenheid bij een incident) hoe groot de kans is op toekomstig geweld. ‘Bepaalde vroeger het aantal delicten dat iemand had gepleegd of hij boven aan de lijst kwam’, schrijft politiemedewerker Remco van der Hoorn in het boek van Rienks, ‘nu is dat het feit of hij het grootste risico laat zien in de toekomst weer over de schreef te gaan.’

Tijd voor het verhaal met de poedel. Daarvoor moeten we nog ??n vorm van predictive policing leren kennen: het voorspellen van drugssmokkel. Door gegevens over kentekens en reis?patronen te combineren kan de politie sinds 2011 auto’s opsporen waarvan de kans statistisch gezien groot is dat er drugs mee gesmokkeld wordt. Die aanpak werpt zijn vruchten af: door de controle te focussen op de voertuigen die de computer aanwijst, is het aantal gevonden grammen hero??ne per gecontroleerd voertuig van 5 naar 1027 gestegen. Rienks: ‘Het werkt erg goed. Maar het gaat ook wel eens mis.’

Zo kon het dat een poos geleden een verdachte auto op de snelweg in de buurt van Rotterdam met veel toeters en bellen werd klemgereden. De bestuurder bleek geen drugssmokkelaar, maar een geschokte oudere dame die net een spuitje voor haar poedel had gehaald. Haar pas aangeschafte tweedehands auto was, zo werd later duidelijk, van een smokkelaar geweest. Het nummerbord stond daarom nog in het systeem. De route die ze die dag reed paste toevallig precies in een verdacht reispatroon. ‘De mevrouw heeft een bosje bloemen gekregen als excuses. Maar zo zijn er natuurlijk wel meer verhalen.’

Het incident met de poedel is een goed voorbeeld van een van de nadelen van predictive policing: de kans op foute positieven. Dat zijn personen, plekken of situaties die ten onrechte als risico worden aangemerkt. Bij de ingebruikname van een nieuw systeem kan dat veel voorkomen. Zo bleek bij de evaluatie van de eerste pilots met ProKid dat meer dan ??n op de drie kinderen (36 procent, in totaal 902 kinderen) ten onrechte als risicokind werd aangemerkt door systeem- of registratiefouten. Ze werden door de computer geselecteerd op basis van incidenten die volgens de betrokken wetenschappers ‘irrelevant’ waren, staat te lezen in een evaluatie uit 2011. Dit soort fouten zijn, ook als een systeem al verder ontwikkeld is, moeilijk helemaal uit te sluiten, zegt Rienks. ‘Er bestaan altijd uitzonderingscategorie?n. Een jongeman in een veel te dure auto kan bijvoorbeeld een crimineel lijken, maar het kan ook een professioneel voetballer zijn.’

De uitzondering op de regel: het is ook een van de bezwaren van universitair docent criminologie Marc Schuilenburg van de Vrije Universiteit. Schuilenburg schreef een aantal artikelen over predictive policing en is, zacht gezegd, geen fan. De lijst met problemen die hij voorziet is lang. Om met de basis te beginnen: wetenschappelijk bewijs dat voorspellend politiewerk werkt is dun gezaaid. ‘Bij voorspellingen over plaatsen lijkt het er inmiddels wel op dat het effect kan hebben’, zegt hij. ‘Je ziet in internationale literatuur dat de criminaliteit afneemt als de politie extra gaat surveilleren in een wijk waar veel misdaad wordt verwacht. Hoewel het risico bestaat dat de criminaliteit zich verplaatst naar een andere wijk.’

Een stuk ingewikkelder wordt het als het om personen gaat. ‘Het is nog maar helemaal de vraag of je op basis van algoritmes kunt bepalen wie een misdaad gaat plegen.’ Daarbij zijn de risicoprofielen die veiligheidsorganisaties gebruiken volgens Schuilenburg te breed: ‘Je ziet dat er te veel personen aan de criteria voldoen. Dat levert een enorm lange lijst individuen op, die de politie onmogelijk allemaal in de gaten kan houden. Neem de aanslagen in Parijs en Brussel: alle daders bleken achteraf al in de kaartenbakken te zitten.’

Belangrijker nog: de gegevens waar voorspellingen op gebaseerd zijn, zijn niet altijd van goede kwaliteit. ‘De politiedata die gebruikt worden zijn vaak vuil. Het zijn haastig gemaakte notities of halve verwijzingen.’ Hoe slechter de data, hoe onbetrouwbaarder de voorspelling, wil de criminoloog maar zeggen. Zo staat in een verantwoordingsrapport uit 2014 over het eerder genoemde RTI-Geweld te lezen dat de gegevens waarop de voorspellingen zijn gebaseerd ‘soms erg vervuild’ zijn. ‘Als voorbeeld: iemand die als verdachte aan een incident is gekoppeld, hoeft dit in werkelijkheid niet geweest te zijn.’

boeven buienradar

Bovendien kunnen de data gekleurd zijn. Daarmee komt Schuilenburg op een vaak gehoorde klacht in de VS: predictive policing zou leiden tot etnisch profileren. ‘Er mogen allerlei slimme algoritmes aan te pas komen, daarmee zijn voorspellende modellen nog niet neutraal.’ De historische criminaliteitscijfers die bij predictive policing standaard worden gebruikt, kunnen bepaalde vooroordelen bevatten, bijvoorbeeld omdat sommige bevolkingsgroepen vaker worden opgepakt voor hetzelfde delict dan andere. Als een algoritme daar patronen in gaat zoeken, kunnen diezelfde vooroordelen weer uit het systeem rollen. Een voorspelling die zichzelf waarmaakt. Schuilenburg: ‘Dat zie je nu ook al gebeuren bij zo’n inbraakvoorspeller van de politie. Daar komen altijd wijken uit waar mensen wonen die al veel met de politie in aanraking zijn gekomen.’

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) waarschuwt ook voor dit zelfversterkende effect. De raad deed de afgelopen twee jaar in opdracht van de regering onderzoek naar het gebruik van big data door veiligheids?instellingen; eind april verscheen het onderzoeksrapport. Predictive policing komt daarin ook aan bod. ‘Een wijk waarin veel gesurveilleerd wordt, zal prominenter terugkomen in de criminaliteitscijfers. De extra aandacht vergroot de bestaande problemen verder uit, hetgeen weer de basis voor nieuw beleid kan zijn, dat op zijn beurt het (negatieve) beeld verder versterkt.’

Nonsens, vindt Jeffrey Brantingham. ‘Burgers doen aangifte van misdaad bij de politie. Als de politie die gegevens vervolgens gebruikt om preventief in bepaalde buurten te surveilleren en daarmee een buurt veiliger te maken, doet ze toch precies wat de maatschappij vraagt?’

Het is niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat Brantingham gevraagd wordt naar de schaduwkant van zijn voorspellingsmodellen. De hoogleraar antropologie in Los Angeles stond hoogstpersoonlijk aan de wieg van predictive policing. ‘Dat was niet gepland: ik deed onderzoek naar iets anders, maar er kwam een techniek uit waar de politie naar smachtte.’ Brantingham onderzocht voor het Amerikaanse leger modellen om aanvallen van rebellen en mogelijke burgerslachtoffers in Irak te voorspellen. Dezelfde software bleek inbraken en straatroof te kunnen voorzien.

Inmiddels staat Brantingham aan het hoofd van een indrukwekkend voorspellings?imperium: PredPol, een bedrijf dat in de VS alleen al in zestig steden actief is en ook in het Verenigd Koninkrijk software verkoopt. De Nederlandse politie heeft ook interesse, zegt Brantingham tijdens een flitsbezoek aan Den Haag. ‘Er zijn gesprekken geweest, maar nog niets formeels.’ Wat betreft die kwestie rond etnische profilering, daar kan de hoogleraar kort over zijn. ‘PredPol maakt geen gebruik van persoonsgegevens. We kijken alleen waar en wanneer iets gebeurd is.’ Racisme, met andere woorden, is uitgesloten. ‘Gemeenschappen krijgen meer politiesurveillance als ze vaker aangifte doen. Ze krijgen dus precies de aandacht waar ze om vragen.’

Toch kan die manier van werken indirect hetzelfde effect hebben, zegt Schuilenburg. Buurten met een slechte reputatie en veel politieaandacht komen eerder als risicolocatie uit de bus. Het gevolg is nog meer politieaandacht, die mogelijk gepaard gaat met etnisch profileren. ‘De politie pakt nu eenmaal eerder een Marokkaan in een hoody op dan iemand zoals ik in een maatpak.’ Dat werd vorige week duidelijk toen Typhoon werd aangehouden. De politie vond de dure auto waarin de rapper van Surinaamse afkomst reed in combinatie met zijn huidskleur verdacht.

De WRR?benoemt daarbij nog een probleem: bij wie ligt de verantwoordelijkheid als een voorspelling de plank volledig misslaat? ‘Aangezien de discriminatie in veel gevallen niet intentioneel is en niet met opzet in het algoritme ingeschreven wordt door de computerprogrammeurs zal het zeer moeilijk te achterhalen zijn wie verantwoordelijk is voor het probleem en om dit te bewijzen in een rechtszaak.’

Op naar Den Haag. Daar wordt op een zogeheten ‘verboden plaats’ gewerkt aan voorspellende modellen. Die verboden plek is een locatie van onderzoeksinstituut TNO?waar aan staats?geheimen wordt gesleuteld. Onderzoekers werken er bijvoorbeeld in opdracht van defensie. Bezoekers moeten hun telefoon bij de receptie achterlaten en mogen alleen onder begeleiding door het gebouw lopen. Het is ook de plek waar Selmar Smit en Arnout de Vries onderzoek doen naar verschillende modellen voor politie en veiligheidsdiensten. De Vries: ‘We proberen uit te zoeken hoe ver we kunnen gaan met voorspellen. Meer kunnen we er niet over zeggen.’

Toch heeft het duo een hoop te vertellen. De onderzoekers publiceerden eind april samen met twee andere collega’s een uitgebreid rapport over predictive policing. ‘Criminelen zijn gewoontedieren’, zegt De Vries. ‘Daardoor kun je makkelijk patronen zien in veel voorkomende vormen van misdaad.’ Hoewel er volgens collega Smit nog meer wetenschappelijk onderzoek moet komen, ‘is het aannemelijk dat predictive policing werkt’. Op dit moment doet tno alleen onderzoek voor overheidspartijen. ‘Maar vanuit de private sector bestaat veel interesse.’ Met name verzekeraars en particuliere beveiligingsbedrijven zien wel brood in een kijkje in de toekomst.

De technologie is veelbelovend, vinden de onderzoekers. Maar ze maken zich ook zorgen. Zo is er de privacy-kwestie. ‘Een goede voorspeller voor inbraken zijn de adressen van bekende inbrekers die net uit de gevangenis komen’, zegt Smit. ‘Maar ja, ze hebben hun straf al uitgezeten. Mag je die gegevens toch gebruiken?’ Andere kwestie: voor het doen van goede voorspellingen zijn data nodig, v??l data. Dat vereist al snel dat meerdere datasets aan elkaar worden gekoppeld. De Vries: ‘Dat is een enorm probleem. Die informatie heb je ooit verzameld met een bepaald doel en nu ga je het ineens voor een ander doel gebruiken, het voorspellen van misdaad.’

Privacy en het verzamelen van grote hoeveelheden data staan per definitie met elkaar op gespannen voet, staat te lezen in het eerder genoemde wrr-rapport. De wet schrijft voor dat gegevens niet voor een ander doel gebruikt mogen worden dan waarvoor ze verzameld zijn, ?n dat er niet meer gebruikt mag worden dan strikt noodzakelijk is. Het grote voordeel van big data-onderzoek zit ‘m nou juist in het ongericht verzamelen en combineren van eindeloze hoeveelheden gegevens, waardoor onverwachte patronen kunnen opduiken. ‘Spanningen met privacy en het gegevensbeschermingsrecht zijn daardoor nooit ver weg.’ Wetgeving schiet daarbij te kort. Of, zoals de wrr het formuleert: er is een ‘mismatch’ tussen wetgeving en het gebruik van big data door veiligheidsorganisaties. Regels over het verzamelen van data zijn er al, maar wat er vervolgens met die gegevens gebeurt, de analyse van die data, moet beter gereguleerd worden, vindt de raad.

Een fundamenteler probleem is dat predictive policing ingaat tegen het idee dat een individu onschuldig is tenzij anders bewezen. ‘De politie is eigenlijk van jou de kans aan het berekenen dat jij verdachte zou kunnen zijn’, zegt De Vries. Dat is in strijd met de onschuldpresumptie – een grondbeginsel van het strafrecht. ‘Het is heel moeilijk daar juridisch mee om te gaan.’

Het gevolg kan zijn dat de politie meer vrijheid krijgt om te handelen zonder rechterlijke controle, zegt Marc Schuilenburg. ‘Normaal gesproken heeft de politie toestemming van de rechter-commissaris nodig om bijvoorbeeld een telefoon te mogen aftappen.’ Bij predictive policing ontbreekt die controle. ‘De politie kan mensen op basis van een voorspelling alvast in de gaten gaan houden, zonder dat daar een zuiver juridische grond voor is’, zegt de criminoloog. ‘Het steeds vroeger willen ingrijpen van de politie schept zo een bijna ongebreidelde vrijheid voor de politie zelf.’

De politie zet met voorspellend politiewerk mogelijk te ruim opsporingsbevoegdheden in, zegt ook Bart Schellekens. Hij is onderzoeker Recht en ICT?bij de Raad voor de Rechtspraak, maar reageert op persoonlijke titel. ‘We moeten ons afvragen of dat past binnen de taak van de politie, en of toezicht en transparantie wel goed geregeld zijn.’ Voor Schuilenburg is dat al niet meer de vraag, maar een zorgwekkende constatering. ‘Met predictive policing rolt de politie een digitaal vangnet uit waarin de rechten van burgers volledig ondergesneeuwd raken aan die van onduidelijke opsporingsbelangen.’

Zo mogelijk nog ingewikkelder wordt het als het voorspellend model afkomstig is van een bedrijf dat het niet wil prijsgeven, zegt De Vries. ‘Mijn grootste zorg is uiteindelijk dat bedrijven de markt overnemen. Daar zit veel meer geld en kan veel meer snelheid gemaakt worden met technologie die al voor het oprapen ligt.’ Alle eerder genoemde risico’s, van etnisch profileren tot privacy-schending, nemen volgens de tno-?onderzoekers alleen maar toe als private partijen de boel overnemen, omdat er veel minder druk is om transparant te opereren. Smit: ‘Dan kan er anarchie ontstaan.’

Zo ver is het nog niet. De Vries: ‘Predictive policing groeit hard, maar staat nog in de kinderschoenen. Of de overheid uiteindelijk de overhand gaat krijgen of het bedrijfsleven gaan we zien. Maar dat de geest uit de fles is als het gaat om het voorspellen van misdaad, is wel duidelijk.’

Het is een veel gehoord geluid als het over voorspellend politiewerk gaat: de opmars van de kristallen bol lijkt onomkeerbaar. Sander Klous, hoogleraar big data aan de Universiteit van Amsterdam en adviseur ‘big data analytics’ bij KPMG, publiceerde onlangs een rapport met de veelzeggende titel Iedereen wil uiteindelijk die voorspellende glazen bol. ‘Het werkt met big data net als met tandpasta’, licht de hoogleraar toe. ‘Eenmaal uit de tube kun je proberen het terug te duwen, maar dat gaat niet lukken.’ Minder kleurrijk gezegd: als data eenmaal beschikbaar zijn, is het vrijwel onmogelijk deze weer terug te trekken. En er wordt steeds meer gemeten en gedeeld, niet in de laatste plaats dankzij smartphones en sociale media. Het valt te verwachten dat daar, nu voorspellingstechniek ?royaal voorhanden is, alleen maar meer gebruik van gemaakt zal worden.

Het sluipende gevaar is wat de WRR?’data?determinisme’ noemt. Het risico dat individuen worden beoordeeld op basis van wat statistisch gezien aannemelijk is dat ze gaan doen, in plaats van wat ze feitelijk gedaan hebben. Marc Schuilenburg heeft er een andere, meer dramatische term voor: ‘de gedachtenpolitie’ – een politieorganisatie meer gericht op intentie dan op de daad zelf. De verschuiving naar intentie is volgens Schuilenburg deel van een bredere ontwikkeling. ‘Het klassieke strafrecht in Nederland was een daadstrafrecht. Er moest een fysieke handeling hebben plaatsgevonden voordat iemand strafbaar was.’ Dat wordt de laatste twintig jaar steeds verder losgelaten. Voorbereidingshandelingen zijn bijvoorbeeld strafbaar geworden. ‘Als ik met een kalasjnikov in m’n hand en een plattegrond van een bank in m’n zak over straat loop, is dat genoeg voor een veroordeling.’ De daad zelf is daarmee opgerekt tot de voorbereiding ervan. ‘Het gevaar is dat de politie steeds eerder in het hoofd van mensen probeert te kruipen, aan bepaalde gedragingen conclusies gaat verbinden en al ingrijpt voor er iets gebeurd is. Terwijl: het is altijd de vraag of die persoon wel tot die daad was gekomen als je niets had gedaan.’

Daarmee raakt Schuilenburg aan de kern van veel vraagstukken rond voorspellend politiewerk: wat als iemand iets anders doet dan verwacht? Het is het klassieke thema van veel sciencefictionfilms en -boeken: predestinatie versus vrije wil. Tom Cruise krijgt er halverwege Minority Report mee te maken. Volgens de helderzienden staat hij deze keer zelf op het punt een man te vermoorden. De daad lijkt onontkoombaar, de politieagent gelooft heilig in zijn voorspellingsmethode. Hij zal ook bijna wel moeten: als hij de moord niet pleegt is hij het levende bewijs dat zijn methodiek niet werkt. ‘Je hebt w?l een keuze’, fluistert een van de helderzienden hem in.

Dat dit soort onwerkelijke dilemma’s geen volslagen fictie meer zijn, bewijst het voorbeeld uit Pennsylvania. Als de staat inderdaad een rekenmodel invoert dat rechters de strafmaat helpt bepalen, dan worden daders preventief afgerekend op een statistisch gegeven. De kans op recidive wordt met behulp van een punten?systeem berekend, aan de hand van onder andere historische criminaliteitsgegevens. Man-zijn alleen al levert daarbij meer punten op, omdat er nu eenmaal vaker mannen dan vrouwen worden veroordeeld. Hetzelfde geldt voor leeftijd: een jongere is een groter risico dan iemand van boven de veertig. Zelfs de woonplek telt mee: een stadsmens gaat vaker de fout in dan een plattelandsbewoner en kan dus strenger worden gestraft. Cijfermatige voorbestemming gaat zo zwaarder wegen dan vrije wil – de kans dat iemand iets anders doet dan wat statistisch voor de hand ligt.

Dezelfde kwestie in een andere vorm speelde bij de Amerikaan Robert McDaniel. In de zomer van 2013 stonden er drie agenten op de stoep van de toen 22-jarige inwoner van Chicago. De stad had net een voorspellend model in gebruik genomen dat moest bepalen welke inwoners de grootste kans maakten betrokken te raken bij een gewelddadig incident. McDaniel stond op de lijst en kreeg prompt bezoek van de politie. De boodschap: we houden je in de gaten, nog ??n misstap en de gevolgen zijn groot. Het incident haalde de krant omdat niet duidelijk was hoe de jongen op de lijst was beland, aangezien hij behalve een aantal arrestaties voor kleine vergrijpen (waaronder het roken van wiet) een schone lei had. ‘Ik heb niets m??r gedaan dan elke andere jongere die in deze buurt opgroeit’, zei McDaniel destijds in de Chicago Tribune. De doorslaggevende factor was waarschijnlijk dat hij wel vrienden had met een uitgebreid strafblad. Omdat sociale netwerken een goede voorspeller van gedrag zijn, telden die mee.

‘Zien we in de Nederlandse rechtbanken binnenkort ook Pennsylvaniaanse toestanden?’ vroeg de minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur onlangs retorisch bij de ontvangst van het WRR-rapport over big data en veiligheid. ‘Ik zal het nog eens navragen bij de Raad voor de Rechtspraak, maar ik vermoed van niet.’ Tegelijkertijd moeten we ons door dit soort ‘dystopische’ voorbeelden niet laten afschrikken van de mogelijkheden die big data bieden op het gebied van veiligheid, vindt de minister. ‘Als de negentiende-eeuwse boer die zo’n nieuwerwetse trein langs zijn wei vol koeien ziet denderen en denkt: verdomd, straks wordt de melk zuur.’

Dat Nederland die behoudende boer in elk geval niet is, blijkt uit het WRR-onderzoek. Wat de gevolgen daarvan zijn, zal moeten blijken. Volgens Van der Steur moeten we vooral realistisch zijn. ‘Wat geldt voor de zelfrijdende auto’s en drones geldt ook voor big data: het is niet de vraag of het onderdeel wordt van ons dagelijks leven, maar hoe we het vormgeven.’

Dit artikel kwam tot stand met steun van Fonds 1877

[slideshare id=61354641&doc=104tnorpredictivepolicingweb-160426065651&type=d]
[slideshare id=46552302&doc=predictivepolicing-kansenvooreenveiligeretoekomst-150401143504-conversion-gate01&type=d]

Bronnen: De Groene Amsterdammer

Internettrollen en botfarms

trollen2

Van pesterijen tot regelrechte oorlogvoering op internet: zogeheten trollen nemen bijkans het internet over. Journaliste Jessikka Aro schreef erover en werd zelf slachtoffer. Onderstaand artikel van kristel van Teeffelen stond onlangs in Trouw:

Jessikka Aro

Het is lente vorig jaar als de Finse journalist Jessikka Aro een bizar bericht ontvangt. Een sms van haar ‘vader’ die schrijft dat hij niet is overleden, maar ‘haar observeert’. Aro’s vader leeft al twintig jaar niet meer.

De journalist van het Finse tv-station Yle Kioski noemt het bericht later het dieptepunt van de onlinepesterijen die volgen op haar journalistieke onderzoek naar Russische internettrollen. Dat zijn mensen waarvan wordt verondersteld dat ze worden aangestuurd vanuit het Kremlin om pro-Russische berichten op internet te verspreiden. Het blijft niet bij het sms’je, de 35-jarige Aro krijgt te maken met dreigtelefoontjes en allerlei roddels die over haar verschijnen op sociale media: ze zou voor de Amerikanen werken en drugs dealen. In een filmpje op YouTube wordt ze neergezet als een dom blondje. De pesterijen maken haar leven tot een hel, zei ze onlangs tegen The New York Times.

Wat Aro overkwam, is kenmerkend voor wat internettrollen kunnen veroorzaken. Al bestaat er eigenlijk geen definitie van die term, laat staan dat er cijfers zijn over aantallen (zie hieronder). Zelf denkt de journalist dat ze werd bestookt vanuit de hoek waarop ze haar onderzoek richtte: de pro-Russische trollen. Mensen die doelbewust en herhaaldelijk het maatschappelijke debat proberen te be?nvloeden op sociale media en andere websites, in het voordeel van de Russische regering. Hoewel sommigen dat uit individuele overtuiging doen, is van Rusland bekend dat ook de overheid trollen aanstuurt.

Van die zogenoemde trollenfabriek is niet veel bekend, afgezien van de verhalen die de afgelopen jaren verschenen in verschillende media. Zo vertelde Ljoedmila Savtsjoek, een voormalige trol die haar werkgever vorig jaar voor de rechter sleepte, dat zij dagelijks tientallen reacties op sites en sociale media moest plaatsen waarin ze het opnam voor Poetin en diens beleid. Een andere trol beschreef in de Britse krant The Guardian dat ze over hele gewone dingen moesten schrijven, zoals het bakken van taarten en muziek. Daar moesten ze dan af en toe een politiek bericht tussendoor gooien over hoe fascistisch de regering in Kiev is, bijvoorbeeld.

Verhulde propaganda

De boodschap subtiel verpakken, is onderdeel van de tactiek. Berichten die vanuit de overheid komen, kunnen eenvoudiger aan de kant worden geschoven als overduidelijke propaganda, zegt Jan Melissen, als onderzoeker verbonden aan het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael. Dat is moeilijker als het bericht van een gewone burger lijkt te komen, die de politieke boodschap afwisselt met gezellige huis-tuin-en-keuken-berichten. De be?nvloeding gaat dan sluipenderwijs.

Hoe gevaarlijk is die inzet van dergelijke politieke trollen? Dat overheden zieltjes proberen te winnen, ook over de landsgrenzen heen, is niets nieuws, zegt Melissen. Het is door internet alleen een stuk makkelijker geworden. Regimes zijn erachter gekomen dat sociale media een bijzonder krachtige tool voor propaganda zijn. Een ontwikkeling die we volgens hem ‘buitengewoon serieus moeten nemen’.

Daar lijkt ook de Europese Unie sinds vorig jaar van doordrongen. De continue informatiestroom van de Russische trollen wordt gezien als potentieel zo ontwrichtend voor de Europese samenleving, dat er een team is opgericht dat weerwoord moet gaan bieden, de zogenoemde ‘East StratCom Task Force‘. Dat team houdt niet alleen bij wat er allemaal voor onwaarheden vanuit Rusland worden verspreid, ze antwoorden daar ook op door de andere kant van het verhaal te vertellen, door de Europese politiek uit te leggen. Daarnaast worden onafhankelijke media in Rusland vanuit de Task Force ondersteund. Ook Nederland doet daaraan mee. Eind 2015 maakte minister Bert Koenders van buitenlandse zaken bekend dat Nederland daarvoor 1,3 miljoen euro uittrekt.

Maar doen de EU en Nederland met het stimuleren van het pro-Europese tegengeluid niet hetzelfde als Rusland? De ondersteuning van onafhankelijke Russische media is niet bedoeld als tegenpropaganda, stelde Koenders bij de aankondiging vorig jaar. Want dat gaat volgens hem in tegen ‘onze democratische beginselen’. Het geld dat Nederland beschikbaar stelt, is volgens hem ook niet gericht tegen Rusland, maar is ‘voor onafhankelijke media’.

Nepaccounts

Het ondersteunen van het tegengeluid is goed, zegt Arnout de Vries van het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO. Al vraagt hij zich af of het voldoende is. Helemaal nu het voor trollen steeds makkelijker wordt om hun impact te vergroten. De Vries doet momenteel onderzoek naar het fenomeen van zogenoemde ‘botfarms‘. Dat zijn grote hoeveelheden accounts op sociale media waar geen gebruiker achter zit, maar een computer. De accounts doen vaak niets anders dan berichten retweeten, maar door de verbeterende technologie schrijven sommige computers inmiddels ook al volledige zinnen. De botfarms zorgen er bijvoorbeeld voor dat ??n persoon, ondersteund door de computer, een grote hoeveelheid accounts kan beheren.

“Uit onderzoek van de Universiteit van Arizona blijkt dat ten minste tien procent van de accounts op Twitter fake is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de berichten op het platform”, zegt De Vries. “Voor trollen zijn die nepaccounts bijzonder effectief. Kijk je naar de activiteiten van terreurgroep IS op sociale media, dan gaat het getal van 100.000 accounts rond. Dat lijkt heel wat. In werkelijkheid zitten er veel fake-accounts bij, waarmee ze hun boodschap kracht bijzetten.”?50% accounts na 2014 inmiddels suspended,?24% van alle tweets komen van bots en bij Facebook zijn de schattingen dat ook tussen de 5 en 11% van alle accounts bots zijn.

Steeds minder trollen kunnen daardoor een steeds grotere impact hebben, waarschuwt De Vries. Dan hebben de Russen straks geen leger meer nodig, maar is ??n bataljon genoeg.

Wat moet het antwoord van de EU daarop zijn? Zelf dan maar trollende botfarms inzetten? De Vries lacht: “Dat is een beetje te controversieel. Ik denk alleen wel dat je als overheid burgers in groten getale nodig hebt om tegengeluiden te laten horen. Maar overheden lijken een beetje beschaamd dat aan hun burgers te vragen. Het is toch alsof je je burgers het strijdveld op het web instuurt.”

En daar kan het er erg persoonlijk aan toe gaan, laat de kwestie met Jessikka Aro zien. Doodsbedreigingen, online speuren naar informatie en daarmee iemand chanteren; het zijn strategie?n die de doorgewinterde trol inzet om tegenstanders uit te schakelen en zijn invloed te doen gelden.

Toch is er volgens Jan Melissen van Clingendael wel een verschuiving gaande. De meeste overheden zetten dan wel geen trollenlegers op, maar ondersteunen burgers of organisaties wel steeds vaker indirect in het verspreiden van hen goedgezinde berichten op internet. “Dat doen ze bijvoorbeeld door organisaties met geld te ondersteunen, of burgers te trainen. Ik ken voorbeelden uit Zuid-Korea en uit Isra?l. Daar traint het ministerie van buitenlandse zaken jonge Isra?li?rs die het online opnemen voor hun land.”

Hoewel het volgens Melissen in een democratie lastig ligt om als overheid te veel te willen sturen op wat burgers online uiten, komt de wens voort uit het idee dat die burgers broodnodig zijn. Vooral als je te maken hebt met tegenstanders die op grote schaal onwaarheden verspreiden.

trollen

Trollen in alle soorten en maten

Lang niet alle trollen hebben een politiek motief. Soms zijn het internetters die uit verveling online op zoek gaan naar ruzie, of naar een lolletje. Een trollentruc is bijvoorbeeld om op internetfora onschuldig ogende linkjes achter te laten die in werkelijkheid leiden naar een site met alles behalve onschuldige plaatjes.

Door sommige mensen wordt trollen zelfs gezien als een ware kunst. E?n van hen is de Amerikaanse econoom Noah Smith, die in 2014 een vlammend betoog schreef over waarom hij trots is om een internettrol te zijn. Hij ziet het als een manier om mensen op hun vooroordelen te wijzen, en om de alledaagse sleur te doorbreken.

Maar trollen is lang niet meer zo onschuldig als in de begintijd van internet, erkent ook Smith. Neem het fenomeen dat bekend is onder de naam ‘doxen’, oftewel iemand uit de anonimiteit halen. De Britse schrijver Jamie Bartlett haalt een voorbeeld aan in zijn boek ‘Dark net‘, waarvoor hij in de krochten van internet dook. Een meisje had naaktfoto’s van zichzelf geplaatst op een anoniem forum, waarna een aantal aanwezigen een zoektocht naar haar identiteit begon. Binnen de kortste keren was haar naam, adres en telefoonnummer achterhaald via een studentenlijst van haar universiteit. En waren de naaktfoto’s naar al haar facebookvrienden verstuurd. Volgens Bartlett wordt dat op internet een ‘life ruin’ genoemd: bedoeld om blijvend leed te veroorzaken. En dat alleen maar omdat het kan.

In zekere zin gebruikten ook de trollen die achter Jessikka Aro aangingen die tactiek. Bij Aro lijkt er alleen een politiek motief achter te zitten, de pesterijen begonnen direct nadat ze haar eerste artikel publiceerde over het Russische trollenleger. Maar niet alleen die groep stuurde de roddels rond. Het viel Aro op dat er allerlei mensen aan meededen, waarvan de connectie met Rusland niet altijd duidelijk was. Dat is kenmerkend voor trollen, zegt Arnout de Vries van TNO. “Vaak zie je een sneeuwbaleffect: iemand haalt een grap uit, dat lokt reacties uit en de volgende gaat daaroverheen.”

twitter trolls

Ook in Nederland hadden trollen al een aantal keer flink impact. Bijvoorbeeld tijdens de rellen in Haren in 2012 (Project X). Een jongen uit Rotterdam twitterde die avond dat een meisje was overleden. Het was een grap. “Hij slingerde voor de lol leugens de wereld in en wist dat bijzonder goed te timen”, zegt De Vries. “Met alle ellende tot gevolg. De media vallen hulpdiensten onnodig lastig om bevestiging te krijgen en veel ouders bellen 112.” De jongen uit Rotterdam werd opgespoord, maar niet vervolgd omdat wat hij deed niet zomaar strafbaar was. Dat is een probleem bij de aanpak van trollen, stelt De Vries. Ze zijn erg moeilijk aan te pakken, terwijl ze bij grote gebeurtenissen klaarzitten om toe te slaan.

mediamix

Bronnen: Trouw

Hoe socia(a)l is de opsporingscommunicatie?

ops00

Coen Hoefnagel, portefeuillehouder Opsporingscommunicatie en sectorhoofd DDR in de Eenheid Den Haag, organiseert op 25 mei in Oud-Zuilen een worldcaf?. Een ontmoeting om te bevorderen dat we opsporingscommunicatie vaker benutten als interventiestrategie en de opsporing een gezicht geven in de media. Dertien voorlopers zetten er hun initiatieven in de etalage.

Is de opsporing wel sociaal genoeg in haar communicatie met burgers, vraagt Coen Hoefnagel zich af: ?De meeste zaken worden opgelost dankzij burgers. Dan durf ik te stellen dat we goud op de plank laten liggen. Recent onderzoek met betrekking tot cold cases geeft aan dat maar liefst achthonderd mensen iets weten over een vroegere moord, maar er niets over zeggen. Wat gebeurt er als we ernaar zouden vragen? Als we optimaal gebruikmaken van de grote hoeveelheid video?s en foto’s die beschikbaar zijn??

Inspireren

Alle Nederlandse smartphonegebruikers delen volgens Coen per dag maar liefst een miljoen foto’s met elkaar: ?En negen op de tien Nederlanders is in 2016 actief op sociale media. Daartussen zit ongetwijfeld ook informatie die cruciaal is voor de opsporing. Het goud moet van de plank en dat wil ik het komende jaar met collega?s nog vaker verzilveren. Dit worldcaf? is bedoeld om de opsporing warm te laten lopen voor de kansen die Opsporingscommunicatie biedt en uit te dagen om het komende jaar vaker gebruik te maken van opsporingscommunicatie als interventiestrategie. Opsporing moet een gezicht krijgen in de media. Dertien voorlopers zetten in dit worldcaf? hun initiatief en ervaring in de etalage. Zij hopen de 65 bezoekers te inspireren om hun idee te adopteren en toe te passen.?

Voorbeelden

Hieronder de voorbeelden van de innovatieve initiatieven van collega?s:

Facebook advertising voor getuigen Amsterdamse zaak Nabiel Amzieb

Een lugubere zaak, een gevonden hoofd voor het waterpijpcaf? in Amstelveen. Wellicht daardoor hadden we het binnen 24 uur voor elkaar. Geweldige samenwerking tussen de TGO onderzoeksleider, het OM, afdeling communicatie en mijn kennis van social media. Mijn filosofie? Je moet gaan vissen waar de vissen zwemmen. Burgers zijn actief op Facebook dus zie dat als kans. U kunt dit in een mum van tijd ook zelf realiseren. Het is goedkoop (750 euro), heeft enorm bereik (116.523) en leverde tientallen tips op. Ik vertel u graag over de do?s en don?ts.

Mobiel medialab: kansrijk voor de opsporing

ops12

Contact: Ed Sabel (Programma Integraal Mediabeleid en Digitale Media, adviseur innovatie en burgerpanels)

Pas ??n keer is ons mobiele medialab ingezet voor?opsporing. Een gemiste kans want wij komen met onze grote bus letterlijk naar de plaats delict met alle beschikbare communicatietools. Dankzij samenwerking met de imam en met collega?s die Turks en Marokkaans spreken, bezochten in Amsterdam West 350 burgers onze bus om mee te denken over het oplossen van de moordzaak. Buurtbewoners kregen exclusieve beelden te zien. Dit alles leverde 19 bruikbare tips op. Onze tools gaan verder dan vragen naar daderinformatie. Denken in scenario?s, brainstormen, het kan allemaal.

Hand in hand kameraden: samenwerking opsporing en communicatie in Rotterdam

ops11

Contact: Angelique Chatta (eenheid Rotterdam, communicatieadviseur) en Jan-Tjeerd de Jong (eenheid Rotterdam, operationeel expert tactische opsporing)

Je hebt iemand in de top nodig die zorgt dat communicatie ook echt geoormerkte capaciteit heeft om de handjes te laten wapperen. Dankzij Piet Melse is onze organisatie zo ingericht dat communicatie ook ondersteunend kan zijn aan de opsporing. De opsporing wordt steeds enthousiaster over het samenwerken en de interventiemogelijkheden. Graag vertellen we u aan de hand van de praktijk hoe succesvolle samenwerking kan ontstaan. Snel kunnen acteren is een must.

OM: ga niet los in de media maar vlieg onder de vlag van opsporing

ops10

Contact: Diederik Greive (Openbaar Ministerie, hoofdofficier van justitie)

Opsporingsberichtgeving zet je in om zaken op te lossen. Een effectief opsporingsmiddel. Toch gaan we niet ?los? in de media. Opsporingsbelang en privacy moeten eerst afgewogen worden. Vertrouwen wek je met succesvolle vervolging. Op termijn dus, geen snelle imagowinst. Dat vereist recherchekunde, opsporingscapaciteit en communicatie skills. In de mix. Er zijn mooie communicatie-initiatieven maar geen solide opsporingsbasis. Er moet een breed pallet aan middelen komen. Van digitaal buurtonderzoek, ZSM communities, TGO platforms, een 24/7 politiekanaal tot cold case zaken op het scherm. Dit onder de vlag van opsporing.

Communicatie als interventie bij aanpak ondermijning

marloes van nistelrooij

Contact: Marloes van Nistelrooij (RIEC Zeeland-West-Brabant en Oost-Brabant, communicatieadviseur)

Those who tell stories rule the world! We zijn het niet gewend, maar als overheid kunnen we veel vertellen over wat we doen. Vanuit het RIEC motiveren we partners om communicatie in te zetten als interventie bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Er kan meer dan achteraf persberichten versturen. Durf specifieke doelgroepen te benaderen om zo gericht je doel te bereiken. Bijvoorbeeld door ondernemers in hun eigen blad te attenderen op de risico?s die kleven aan het zaken doen met bepaalde mensen. Gewoon door te doen, ontwikkelden we best practices voor het inzetten van communicatie als interventie en experimenteren we hiermee door.

Scenariodenken in mediastrategie Jumbozaak: won journalistiek prijs

ops8

Contact: Henk Deekens (eenheid Noord-Nederland, teamchef TGO)

Burgers beschermen en niet opsporing was onze eerste prioriteit. Op basis van onze 18 scenario?s hebben we gekozen om vooral de omgeving te alarmeren en burgers te vragen om mee te denken. Het mooie van deze zaak is dat deze crimineel een oude bekende is die zich van een nieuwe techniek bediende, bitcoins. We hebben hem gepakt door de combinatie van oud recherchewerk en nieuwe technologie?n. Samenwerking was onze sleutel tot succes. Zowel met Team High Tech Crime als met de afdeling communicatie. Daarom vind ik deze prijs voor onze communicatiemedewerkers ook echt verdiend.

Basisteam Almelo slagvaardig in opsporen dankzij Facebookpagina

ops7

Contact: Marleen Olde Heuvel (eenheid Oost-Nederland, hoofdagent)

Na vier jaar hebben we 9260 volgers. Wekelijks roepen we hun hulp in en daardoor valt er ook wekelijks wel een succesje te vieren. Een gestolen auto is teruggevonden en dankzij het sporenonderzoek is er een verdachte aangehouden. Van de 10 gevonden fietsen zijn er 7 terug naar de eigenaren. Een agressieve man is opgespoord die met een honkbalknuppel iemand te lijf was gegaan. Met twee collega?s uit blauw onderhouden wij de Facebookpagina. We kleuren niet buiten de lijntjes. Alles waar we niet zeker over zijn, leggen we voor aan onze chef. Mijn advies? Start ook een pagina, het is leuk en makkelijk te doen.

Participatieladder: kunnen we een treetje hoger?

ops6

Contact: Nicolien Kop (Politieacademie, lector criminaliteitsbeheersing en recherchekunde)

Uit onderzoek blijkt dat burgers de succesfactor zijn bij het opsporen. Welke mogelijkheden ziet u bij het actief betrekken van burgers bij de opsporing? Waar loop je risico? Van informeren, raadplegen en adviseren naar co-creatie met burgers. Dat zijn de 5 treden van de participatieladder. Lector Nicolien Kop van de Politieacademie heeft praktijkvoorbeelden per trede. Zij gaat met u in gesprek over de dilemma?s per trede. Bij welke trede ligt voor u de grens?

Digitaal buurtonderzoek: een nieuw veelbelovend tool

kees van der kraan? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ?adriaan proos

Contact: Kees van der Kraan (eenheid Amsterdam, programmasecretaris stelselherziening geweldsaanwending) en Adrian Proos (directie communicatie IMDM, business consultant)

Jaarlijks voert de politie 60.000 buurtonderzoeken uit. Vandaag de dag gaat de politie nog altijd langs de deuren. Bewoners worden echter veelal niet bereikt. Aankomend najaar start een pilot die bewoners via de politie-app vraagt of ze iets (verdachts) gezien of gehoord hebben. Nee? Dan wordt er geen verder contact opgenomen met de bewoner. Ja? Dan wordt er contact opgenomen met de bewoner voor opsporingsinformatie. Het digitale buurtonderzoek is een enorme besparing op capaciteit. Doordat betrokken burgers direct bereikt worden, is de kans op kwalitatieve informatie en/of tips groter. Vanaf 1 januari 2017 kan deze tool landelijk worden ingezet.

Naming and shaming van subject in de media

erie hulleman

Contact: Erie Hulleman (eenheid Oost-Brabant, ontkleurd projectleider en integraal programmaleider bij de taskforce BZ)

We konden hoog vliegen mede dankzij onze mediastrategie. Die hebben we ingezet als interventie bij de integrale aanpak van huisjesmelkers. Bewust bespelen van de publieke opinie om de ogen de goede kant uit te laten kijken. Is je doel naming en shaming via de krant, dan vergt dat professioneel omgaan met journalisten. Begrip hebben dat we beiden vanuit een andere professionele waarde werken: voor ons is geheimhouding essentieel maar voor de journalist openbaarheid. Dat vergt vooraf niet alleen vertrouwen in elkaar maar ook duidelijke afspraken wat ?off the record? wordt gezegd, dus niet in de krant kan.

Jongerenchat: vraag het de politie

ops2

Contact: Kristian Harmelink (eenheid Den Haag, schoolwijkagent)

Onze chat is een gat in de markt voor jongeren die geen contact met de politie hebben maar wel met vragen zitten. Over huiselijk geweld, wapens, dreiging dat een naaktfoto geplaatst wordt. Je vraag appen is laagdrempeliger dan naar het bureau gaan. Als het gaat om opsporingscommunicatie, proberen wij jongeren juist te informeren in de hoop dat ze geen slachtoffer worden. Zo houden we maandelijks thema chats op onderwerpen zoals geldezels, radicalisering en drank en drugs. Zo?n 80 jongeren per week bereiken we op onze twee avonden. We willen meer en daarom hebben we vloggers uitgenodigd om filmpjes te maken over specifieke thema?s.

Videoscreening in Oost: superservice aan de opsporing

Contact: Team Video Expertise Oost-Nederland – VIDEX

In een apart hoekje werkt het team Videx continu aan het bewerken van videobeelden voor onze rechercheurs. Stel: een ondernemer doet aangifte, dan bewerken deze mensen meteen de screenshots, YouTube filmpjes of beelden van social media. Alles waar rechercheurs wat mee kunnen, wordt geoormerkt, gearchiveerd en ingebed in de WPG. Deze service bespaart de opsporing veel capaciteit, de kwaliteit van de beelden is beter en ?last but not least?: beelden verdwijnen niet in laatjes.

Burgers in de bijzondere opsporing? Nieuwe kansen!

Contact: Frank Debije (Landelijke Eenheid, co?rdinator HUMINT)

Door het verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten raakte de inzet van burgers in de bijzondere opsporing deels buiten beeld. De opheffing van dit verbod cre?ert nieuwe mogelijkheden voor deze en andere bijzondere vormen van burgerparticipatie in de opsporing. Politie en OM bundelen hun expertise om een zorgvuldige en integere toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden met burgers te kunnen garanderen.

Toekomstbestendig

Een impressie van het tweede opsporingscaf? in de reeks die de School voor Politie Leiderschap organiseert op verzoek van Wim van Amerongen (programmadirecteur Herijking Opsporing). Dit keer was het thema ?Opsporingscommunicatie?. Het worldcaf? is het tweede caf? in de reeks Opsporingscaf??s die de School voor Politieleiderschap samen met het programma Herijking Opsporing organiseert om de opsporing toekomstbestendig te maken. Coen Hoefnagel, als portefeuillehouder opsporing, vertelt in onderstaand?verslag wat hij het komende jaar wil bereiken.

ops14

Ambitie: verbinden van opsporing, communicatie en social media

Het wordt nu echt tijd om de idee?n rond opsporing, communicatie en social media om te zetten in toepasbare operationele activiteiten. Dit opsporingscaf? doet me denken aan oude tijden waarin minister de Cock niet alleen zijn successen vierde, maar ook op zoek was naar kritische reflectie aan de bar, in gesprek met ?burgers?. Het lijkt voor de opsporing haast ondenkbaar in deze tijd?

Wat heeft gemaakt dat de opsporing een licht autistische neiging heeft ontwikkeld in verbinding en relatie met de samenleving. Waarom zijn we (nog) niet in staat gebleken structureel sociaal of social burgers te betrekken. De opsporing heeft zichtbaar moeite zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden in de fysieke maar zeker in de virtuele wereld. Dat wordt bevestigd in de zelfanalyse ?Handelen naar Waarheid?. Adaptie, leren en actiegerichtheid moeten worden vergroot om als opsporing effectief te kunnen blijven.

Mijn opvatting is dan ook dat de opsporing zich op dit thema 3-dimensionaal moet ori?nteren: Opsporing, tradionelere communicatie en de nieuwe vormen van social media niet als afzonderlijke elementen maar een samenhangend stelsel.

Ik heb dan ook een ambitie langs deze drie lijnen:

  • De opsporing moet realtime in verbinding met de samenleving komen (fysiek en virtueel) door het aangaan van duurzame relaties met burgers en organisaties in netwerken en platforms;
  • Opsporingscommunicatie als interventiestrategie moet ?standaard? worden: van een afzetlint op de PD naar een realtime virtueel toegankelijke PD en van een traditioneel buurtonderzoek in de fysieke wereld naar een digitaal buurtonderzoek in de virtuele wereld;
  • De opsporing moet een herkenbaar gezicht in de samenleving krijgen door het vakmanschap lokaal, regionaal en landelijk weer herkenbaar aan het woord te laten.

Ik hoop dat we met elkaar de ?lef? hebben om een stap te zetten om opsporing, communicatie en social media aan elkaar te verbinden.

-?Coen Hoefnagel; sectorhoofd regionale recherche, eenheid Den Haag

Bronnen: Politieacademie