Tagarchief: wetgeving

Online agent pesten, mag dat? En: wat doe je eraan?

Hij zet filmpjes op internet waarin hij politieagenten beledigt en uitlacht. Hoofdagent Said noemt deze politietreiteraar zich. Maar mag dat wel, politieagenten op die manier treiteren? Of gaat deze `hoofdagent’ Said te ver?

Dit is Said, alias Hoofdagent Said. Hij houdt van agentje pesten. Hij filmt politiemannen- en vrouwen, daagt ze uit en zet het resultaat online. Maar mag dat eigenlijk?

De man uit Lelystad noemt zich hoofdagent, maar hij is alles behalve dat. Met zijnInstagramaccount?’hoofdagent said’ treitert hij de politie. Met meer dan 16.000 volgers heeft hij een groot bereik.

Said?(hij wil z’n achternaam niet noemen om zijn familie te beschermen) draagt op foto’s soms een?politiejasje. Hij noemt zich ‘de hoofdagent zonder contract en diploma’ en wil alle agenten van Nederland het leven zuur maken. Omdat ze hem in het verleden oneerlijk behandeld hebben, zegt hij.

Dik en lelijk
Hoe dat pesten eraan toegaat? Hij noemt agenten steevast dik en lelijk en lacht ze uit. In het begin moest zijn wijkagent het ontgelden, maar Said neemt in zijn recentere filmpjes steeds een andere agent op de hak.

Volgens advocaat Christiaan Alberdingk Thijm moet Said oppassen. “Je mag agenten niet beledigen. Ze moeten wel wat kunnen hebben, maar als je echt iemand stelselmatig treitert en pest, dan begeef je je wel op glad ijs.”

‘Hoort bij het werk’
?Alberdingk?Thijm?weet dat er in het verleden wel rechtszaken zijn geweest over het nemen van foto’s van agenten. “Dat belemmerde de agenten echt in hun?functie. Maar dat was nog v??r het tijdperk van sociale media waarin we nu leven. Daar zal een rechter nu wel rekening mee houden.”

Pieter Beljon van de?Politieacademie?zegt dat de politie steeds vaker gefilmd wordt. “Maar het werk verandert er niet door. Je moet als agent professioneel blijven. Dat leren we ook op de politieacademie. We geven trainingen in hinder en hoe hiermee om te gaan. Het wordt alleen maar erger, en het hoort natuurlijk een beetje bij een publieke functie. Het moet alleen niet te ver gaan.”

Filmen op de openbare weg is gewoon toegestaan, vult een woordvoerder van politie Midden-Nederland aan. “Dus in die zin doet Said niets verkeerd. Als hij ons wel zou hinderen in het werk, dan houden we hem aan.”

Aangifte van belediging
Een aantal agenten van politie Midden-Nederland heeft inmiddels wel aangifte gedaan wegens smaad, laster en belediging. Een officier van justitie gaat nu bekijken of Said daarvoor kan worden vervolgd. De man uit Lelystad is al een keer aangehouden voor het dragen van een gestolen politiejasje op social media. Maar het jasje werd niet bij hem thuis gevonden, dus kon de politie niet bewijzen dat het echt was en gestolen.

Bronnen: RTL Nieuws

 

Wie belt er nog?

De manier waarop we communiceren verandert. Dit heeft invloed op de manier van het?melden van gebeurtenissen aan politie, brandweer, ambulancezorg en bijvoorbeeld?gemeenten. Als er iets bedreigends gebeurt bel je nu natuurlijk 112 of 0900-8844.?Kan het wachten, dan doe je een melding via het web. Maar hoe ziet ?Het Nieuwe Melden??er in 2025 uit?

Het ministerie van Veiligheid en Justitie en de Landelijke Meldkamer Organisatie (LMO) hebben TNO gevraagd waar zij rekening mee moeten houden bij het moderniseren van het meldproces. Welke nieuwe manieren van melden zijn er nu al en welke gaan er in de toekomst ontstaan? Welke kansen biedt dat? Hoe integreer je dat in toekomstbestendig beleid? Om deze vragen te beantwoorden heeft een team van TNO-experts een roadmap 2025 voor het meldkamer- en politiedomein ontwikkeld. Aan de hand van toekomstverkenningen beschrijven zij welke stappen gezet moeten worden om vernieuwende manieren van melden mogelijk te maken.

Dit boekje dat vandaag aan de Tweede Kamer is aangeboden schetst een langere termijn visie en roadmap voor het (spoedeisend) melden in?het domein van de openbare orde, veiligheid en ambulanzezorg. Het beschrijft ?Het Nieuwe?Melden? in uiteenlopende toekomstige leefwerelden en stelt de vragen: wie wil je zijn en?wie moet je zijn als overheid in 2025 (visie), welke keuzes maak je dan om burgers te?bedienen in het (nieuwe) meldproces en hoe kom je daar (roadmap)?

Op de weg naar Het Nieuwe Melden voorziet TNO een aantal transities. Deze transities zijn?al in gang gezet, maar er is nog een innovatieve weg te gaan. De toekomstverkenning in?dit boekje is daarom geen eindpunt, maar is bedoeld als startpunt voor een discussie over?dienstverlening en het melden in de toekomst, waaraan ?lle overheden, markt- en?ketenpartijen en ook burgers deelnemen. Op naar een toekomst waarin burgers kunnen?blijven bouwen op de dienstverlening van de overheid.

Bronnen: TNO, Tweede Kamer

Opsporing op social media en stelselmatige informatie-inwinning

sherlock-holmes_artikel-arnout_240

Voor informatie die burgers via social media naar buiten brengen bestaat vanuit opsporingsinstanties veel belangstelling. Het gebruik van deze informatie door de opsporing moet plaatsvinden binnen wettelijke kaders, en van het bestaande wettelijke kader is niet altijd duidelijk hoe het moet worden toegepast in een online-omgeving. Op grond van de taakomschrijving van de politie in art. 3 Politiewet mag de politie bepaalde opsporingshandelingen verrichten. De vraag is wanneer de inbreuk op de privacy die dat onderzoek veroorzaakt zodanig is dat een eigenstandige legitimering in de wet noodzakelijk is.

In dit onderzoek van Marnix Oosterhoff staat de vraag centraal of de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige observatie en stelselmatige informatie-inwinning voldoende mogelijkheden bieden om binnen de grenzen van het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel op rechtmatige en verantwoorde wijze online opsporingswerkzaamheden uit te voeren. Door empirisch onderzoek is nagegaan hoe de politie omgaat met opsporingsbevoegdheden op social media. O.b.v. literatuur en ontwikkelingen in de maatschappij is vastgesteld welke definitie van privacy gehanteerd kan worden in een online omgeving en hoe het recht op privacy is gecodificeerd. Van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is aangetoond dat stelselmatige informatie-inwinning (126j) onder voorwaarden toepasbaar is op de opsporing op social media.?De auteur neemt het standpunt in?van een smalle definitie van stelselmatige observatie (126g) en dat dit artikel afvalt bij opsporing op social media omdat dit artikel gaat over?het waarnemen van gedrag en niet?de resultaten daarvan. Bij opsporing op social media gaat het over het verzamelen van informatie.

Gelet op verschillende knelpunten rondom de toepassing van artikel 126j en het feit dat niet volledig helder is op welke wijze dit artikel moet worden toegepast bij informatie-inwinning in een niet-fysieke omgeving verdient het aanbeveling om een aparte bevoegdheid voor online informatievergaring in het leven te beroepen, bijvoorbeeld als onderdeel van het lopende traject van herziening van het wetboek van strafvordering. Deze bevoegdheid zal dan wel technologie-onafhankelijk geformuleerd moeten worden.

Inbreuk op privacy?

Door een subjectief privacybegrip is het moeilijker om te bepalen wanneer er sprake is van een inbreuk op het recht op privacy. Immers, als de beoordeling van de inbreuk wordt overgelaten aan het subjectieve oordeel van de betrokken persoon, kan bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een bepaalde handeling door de ene persoon wel en door een andere persoon niet als inbreuk op de privacy worden beschouwd. Toegepast op social media: de ene persoon zal er geen moeite mee hebben dat de politie zijn openbare berichten op Facebook leest, terwijl een andere persoon dat als ongepast zal beschouwen omdat hij het niet met dat doel op Facebook heeft geplaatst. De overheid zal in dat geval niet anders kunnen dan een voorzichtige houding aannemen en dan al snel het in het kader van de opsporing verzamelen van informatie op social media als inbreuk op het recht op privacy moeten beschouwen. Door middel van een voortdurende maatschappelijke discussie en eventuele proefprocessen zal moeten worden vastgesteld wat passend is en wat niet.

Op basis van haar algemene bevoegdheid mag de politie inbreuk maken op de rechten van burgers, dus ook op het recht op privacy. Echter, als die inbreuk meer dan gering is, vormt art. 3 PolW onvoldoende basis, en zijn aanvullende bevoegdheden noodzakelijk. De bevoegdheid kan gevonden worden in de BOB-wetgeving, maar dan moet wel aan de daarin opgenomen voorwaarden zijn voldaan.

Onderdeel van de eisen die art. 8 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) stelt aan een inbreuk is dat deze voorzienbaar moet zijn. Ten aanzien van de opsporing op social media betekent dat, dat de burger op de hoogte moet zijn van het feit dat de politie ook op social media opsporingshandelingen uitvoert. Alleen dan kan de burger op een adequate manier afwegen of hij informatie op social media wil publiceren, welke informatie en op welke wijze. Dit gaat echter niet zo ver dat de politie moet aangeven op welke wijze die opsporing plaatsvindt. Dat zou een te grote beperking betekenen voor de uitvoering van de opsporingstaak.

De vraag wanneer de inbreuk op de privacy door bepaalde opsporingshandelingen meer dan gering is is niet exact te beantwoorden. In dit onderzoek zijn wel factoren ge?dentificeerd die de mate van inbreuk be?nvloeden. Dat zijn: de duur van de onderzoekshandeling, de plaats waar de informatie verzameld wordt, de intensiteit waarmee de informatieverzameling plaatsvindt, de gevoelige aard van de gegevens, het doel van de onderzoekshandeling, het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel, het al of niet opslaan van de gevonden gegevens en de proportionaliteit. De uiteindelijke weging van deze factoren is geen exacte wetenschap: de professionele inschatting van de politieambtenaar en de uiteindelijke rechterlijke toetsing daarvan, blijfven, net als bij de toepassing van ?gewone? bevoegdheden, belangrijk gegevens.

Rechtmatigheid

Om de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen op social media te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat in het procesdossier wordt verantwoord op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het veldwerk is gebleken dat in de reguliere opsporing deze verantwoording vaak beperkt is tot zinnen als ?Uit onderzoek op social media is gebleken dat ?.?. Het is zeer de vraag of de rechter en de verdediging hierdoor in staat zijn te beoordelen of dit onderzoek op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Het zou daarom goed zijn als politie en Openbaar Ministerie hier meer aandacht voor zouden hebben en de uitgevoerde onderzoekshandelingen uitgebreider zouden verantwoorden.

Bronnen: Open Universiteit

Britten krijgen wet tegen wraakporno, wij niet

snapchat revenge porn

In Groot-Brittanni? is ‘ie er?bijna doorheen, een wet tegen wraakporno. We schreven eerder al uitgebreid over voorbeelden van het fenomeen ‘revenge porn’. Als die wet er?is, kan je maximaal twee jaar achter de tralies verdwijnen?als je zonder toestemming naaktfoto’s van je ex het net opslingert.

De kwestie wraakporno is daar sinds de zomer in een stroomversnelling geraakt, zei correspondent Martijn Rosdorff in november al. Volgens hem draaide het toen ook om verkiezingsretoriek, “om jongeren te paaien”. Maar volgens?de Britse staatssecretaris van Justitie komt het erg vaak voor en is het een groeiend probleem.

“Er gaat gewoon veel verkeer naar die websites”, aldus Rosdorff.?Vandaar nu een wet die specifiek dit probleem aanpakt.

Japan, Isra?l, VS

Ook in andere landen wordt wraakporno als een serieus probleem gezien. Japan heeft in november als eerste land wraakporno strafbaar gesteld. Er staat maximaal drie jaar gevangenisstraf en een boete van 4000 euro op.

Isra?l kwam een maand geleden met een wet; daar kan je maximaal 5 jaar voor in de cel belanden. Bovendien sta je dan te boek als zedendelinquent.

Verschillende staten in Amerika zijn sinds 2013 al bezig met wetten tegen wraakporno. In Californi? kan je bijvoorbeeld zes maanden cel krijgen en 1000 dollar boete.

Steeds vaker versturen jongeren zelfgemaakte naaktfoto’s en blootfilmpjes via hun mobiele telefoon (foto: ANP)

Nederland?

In Nederland hebben we geen wet die specifiek wraakporno aanpakt. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Justitie is wraakporno onder de bestaande wetten goed afgedekt.

“Indien de beelden zonder toestemming via het internet worden verspreid, bijvoorbeeld uit wraak, kunnen deze handelingen tot strafrechtelijke vervolging leiden op grond van belediging, smaad en, als?er feiten worden verkondigd die niet waar zijn, laster.” Dat was een antwoord van minister Opstelten na?Kamervragen van de PvdA in december.

“Die Kamervragen hebben niet opgeleverd wat ik ervan verwacht had”, zegt Arnout de Vries,?onderzoeker social media en maatschappelijke veiligheid bij TNO. “Het moet anders gewogen worden.”

Schadevergoeding

In Nederland kan je je dus beroepen op belediging,?smaad of laster.?Of op het portretrecht, als je herkenbaar op de foto staat. En als dat nadelig werkt, bijvoorbeeld bij een sollicitatie, kan je een?schadevergoeding eisen.?Er komt wel een nieuwe wet aan, eentje die te maken heeft met auteursrecht, zegt het ministerie. “Daar valt?dus sowieso onder dat je?niets van iemand?mag publiceren zonder diens?toestemming.”

Allemaal vergrijpen waar je geen celstraffen voor hoeft te verwachten dus.?Waarom komen er in andere landen dan wel speciale wetten voor dit probleem? “Misschien dat daar mazen in de wet zaten, waardoor wraakporno niet aan te pakken was”, aldus het ministerie.

Volgens de Vries heeft het ook te maken met cijfers en opsporing. “Zelfs al zou die wet er zijn, dan nog is het de vraag of je zo’n zaak aanhangig kan maken.” De websites waar de foto’s op staan zijn moeilijk aan te pakken. En bewijzen dat iemand je foto online heeft gezet, kan?ook lastig zijn.

“Zoiets?kan een slepende zaak van jaren worden. En de moeite die je ervoor moet doen, voor de bewijslast, weegt niet op tegen de uiteindelijke straf.”

Pleister

Maar op een nieuwe wet rekent hij eigenlijk niet. “Ik verwacht niet dat er?een nieuwe wet komt zonder dat het OM?zich kan baseren op cijfers.” En zonder cijfers gaat de politie?er ook?geen prioriteit van maken. “Al zit er wel meer beweging in, ze registreren wel meer.”

En nu? Je hebt nog het?Europese recht om persoonlijke informatie van het internet te laten verwijderen, het recht om vergeten te worden. En een informatieverzoek bij Google. “Een kleine pleister op de wonde”, zegt De Vries.

Bronnen: NOSop3

Bedreigende, discriminerende en beledigende uitingen op social media

We publiceerden al eerder een blog over Veilige Publieke Taken met handreikingen over wat te doen tegen agressie en geweld via social media. Bedreigingen via social media worden in de meeste gevallen in principe op hetzelfde wijze behandeld als alle andere bedreigingen. Toch kan de dynamiek en impact heel anders zijn. Recentelijk publiceerden Roy Johannink, Eveline Heijna en Miranda Brummel van VDMMP. Onderstaande tekst van hen is?eerder gepubliceerd in?Sociale media veranderen het Veiligheidsdomein en ook geplaatst in Digitale Dialoog, de sociale media almanak voor gemeenten.

VPT2

Wat is de impact van bedreigende, discriminerende en beledigende uitingen op social media vanuit juridische optiek??Er leven veel vragen over de strafbaarheid van agressie via sociale media. In principe?geldt dat alles wat niet-digitaal strafbaar is, ook strafbaar is als het via social?media gebeurt.

Agressie via sociale media is veelal direct tegen een persoon of organisatie gericht. Daarom zal de agressie veelal op persoonlijke pagina?s van werknemers en organisaties plaatsvinden, zoals een Twitter- of Facebook- account. Dan weet de afzender immers dat de boodschap ook wordt gelezen. Agressie en bedreigingen via sociale media zijn, net als ?offline? agressie strafbaar. De bedreiging moet in dat geval van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat bij de bedreigde persoon de redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ook uitgevoerd zou worden.

Het maakt hierbij niet uit als een bedreiging via sociale media op een indirecte manier plaatsvindt. Zo vormde het plaatsen van een tekst op internet waarin werd gesuggereerd dat liquidatie van onze premier verstandig zou zijn, een strafbare bedreiging. Agressie en bedreigingen via sociale media kunnen altijd plaatsvinden. Of een dergelijk bericht binnen of buiten werktijd wordt geplaatst, doet er hierbij niet toe. Het gaat om de relatie van de bedreiging tot de functie en werkzaamheden van de werknemer of de organisatie. Agressie en bedreiging die direct gerelateerd kunnen worden aan de functie en werkzaamheden?van de werknemer of organisatie valt als risico onder psychosociale arbeidsbelasting van de werknemer. Een organisatie dient zich hierop voor te bereiden.

Het Burgerlijk Wetboek (BW) schrijft in artikel 7:611 voor dat een werkgever zich moet houden aan ?het beginsel van goed werkgeverschap?. En artikel 7:658 BW stelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn medewerkers. Deze bepalingen zijn verduidelijkt door jurisprudentie waarbij een werkgever aansprakelijk is gesteld voor geleden schade. Op basis daarvan is gesteld dat bij agressie via sociale media een werkgever erop moet letten dat:

  • Onderzocht is welke schadeveroorzakende gebeurtenissen zich zouden kunnen voordoen (risicoanalyse).
  • Op basis van deze risicoanalyse zorgvuldig afgewogen preventieve maatregelen zijn getroffen.
  • Er goede opvang en nazorg geboden is.

De gemeente is als werkgever daarmee wettelijk verplicht risico?s op psychosociale arbeidsbelasting zoveel mogelijk te beperken. Hieronder vallen ook het beperken van de gevolgen van uitingen van agressie via sociale media. Meer informatie over de verantwoordelijkheid van de werkgever is opgenomen in het handboek Sociale media veranderen het veiligheidsdomein.

geweldsbanner

Hoe nu om te gaan met bedreigingen via sociale media?
Belangrijk is om met medewerkers in gesprek te gaan over de vraag welke typen agressie er via sociale media voorkomen, op welke sociale media dit gebeurt, welke gevolgen dit heeft, et cetera. Werkgevers kunnen ook met andere organisaties spreken over agressie via sociale media en zo ervaringen en best practices uitwisselen. De volgende stappen zijn te doorlopen om te voldoen aan de Arbowet als het gaat om agressie via sociale media:

1. Risicoanalyse – Inventariseer de risico?s van agressie via sociale media door met medewerkers in gesprek te gaan.

2. Visie – Maak op basis van de risicoanalyse uit stap 1 een plan van aanpak met daarin een visie over de aanpak van agressie via sociale media. Belangrijk is om dit in gesprek met de werkvloer te doen. Het gebruik (zowel type, aard als frequentie) van sociale media verschilt namelijk per medewerker.

3. Normen – Wat medewerkers ervaren als agressie en wat ze aan maatregelen nodig hebben of achten, verschilt. Het vaststellen van normen helpt daarbij. Wat is
acceptabel via sociale media en wat niet? En wat moet en mag een medewerker doen bij overschrijding van de norm? Mag hij of zij direct reageren of dient dit
eerst met de leidinggevende te worden besproken?

4. Gedragscode – De houding en het gedrag van werknemers kan ook leiden tot escalatie van agressie via sociale media. Een gedragscode over hoe je je gedraagt
op sociale media is daarmee eveneens een onderdeel van preventief beleid.

5. Werkafspraken – Vervolgens is belangrijk dat teams en leidinggevenden goed samenwerken als het gaat om het voorkomen van agressie via sociale media. Er
dienen concrete werkafspraken over omgang met sociale media gemaakt te worden; alleen dan wordt beleid effectief.
Enkele suggesties voor de invulling hiervan:
a. Leidinggevenden besteden minimaal ??n keer per jaar aandacht aan het gebruik van sociale media en agressie.
b. Teams maken gezamenlijk afspraken over gebruik van sociale media en reactie op agressie.
c. De teamafspraken worden vastgelegd en jaarlijks ge?valueerd.

6. Actief aanpakken – Wijs medewerkers aan die verantwoordelijk zijn om agressie via sociale media aan te pakken: dit gaat over het bespreekbaar maken, stimuleren en het melden van agressie en het bieden van nazorg. Dit kan een communicatiemedewerker zijn, maar ook een preventiemedewerker of een Arboco?rdinator.

7. Opvang – Agressie via sociale media is ondanks allerlei voorzorgsmaatregelen niet zomaar te voorkomen. Het is daarom van belang dat de impact van de
agressie of bedreiging beperkt wordt door een juiste reactie. Opvang nadat agressie via sociale media heeft plaatsgevonden, is ook belangrijk. Het kan ingrijpend zijn om bedreigd te zijn via sociale media. Bedrijfsopvangteams kunnen bij deze opvang een belangrijke rol spelen. De juiste opvang kan worden geboden door vooraf na te denken over de volgende zaken:
a. Welke zorg heeft de agressief bejegende of bedreigde werknemer nodig?
b. Welke reactie kan en moet richting dader gegeven worden?
c. Wat is nodig om de situatie veilig te stellen? Is bijvoorbeeld beveiliging nodig?
d. Wie dienen ingeschakeld te worden (bijvoorbeeld politie) en hoe wordt met hun samengewerkt?

8. Actie ondernemen – Ook niet onbelangrijk is het geven van een daadkrachtige reactie naar de afzender van het bedreigende of agressieve bericht. Dit is niet
concreet in de Arbowet opgenomen. Wel zijn de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) opgesteld. De ministers van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties en vertegenwoordigers van veertien verschillende sectoren hebben zich door ondertekening van deze afspraken gecommitteerd aan
verschillende aspecten van afhandelen, zoals melden, registreren en schade verhalen.

Als werkgever kunt u hier op verschillende manieren invulling aan geven:
a. Melden en registreren van incidenten bevorderen. Dit is extra belangrijk bij sociale media, omdat lang niet altijd duidelijk is dat agressieve uitingen op
sociale media ook een vorm van agressie is en dus gemeld en geregistreerd moet worden. Alleen zo krijgt een organisatie zicht op de omvang van agressie via sociale media, kan een incident afgehandeld worden en het organisatiebeleid bijgesteld worden.
b. Reactie richting afzender geven. Er dienen afspraken gemaakt te worden over hoe gereageerd wordt naar een afzender van agressieve of bedreigende uitingen via sociale media. Dit kan een verzoek tot stoppen zijn, maar bij ernstigere uitingen, zoals een doodsbedreiging, kan dit ook een contact- of pandverbod zijn. De werkgever dient bij een strafbaar feit aangifte of melding bij de politie te doen, net als bij niet-digitale agressie. Bedenk hierbij dat wanneer de gedraging niet digitaal gepleegd zou zijn, het dan ook als strafbaar feit beschouwd wordt. Als dit het geval is, doe dan aangifte! De politie verzorgt dan, in overleg met het Openbaar Ministerie, de opsporing. De politie heeft niet onbeperkt mogelijkheden om een anonieme dader, bijvoorbeeld via het IP-adres, op te sporen. Hiervoor hebben zij toestemming nodig van de Officier van Justitie.

Het verhalen van schade gaat via dezelfde procedure als bij niet-digitale delicten. Slachtoffers kunnen immateri?le schade vorderen voor de angst en het leed
die hen door het strafbare feit is aangedaan.

9. Training en Voorlichting – Een laatste punt is training en voorlichting. Laat sociale media een integraal onderdeel worden van de agressiehanteringstraining, training in de-escalatie, voorlichting en instructie. Bespreek wat gepaste reacties zijn op agressief gedrag via sociale media. Ga ook bij de training over het beperken van agressie in op agressie via sociale media.

Bronnen: Deze?tekst is eerder gepubliceerd in?Digitale Dialoog en hoofdstuk 11 van Sociale media veranderen het Veiligheidsdomein.?Dit handboek is een verdieping van de eerder uitgegeven?kennispublicaties ?Veilig omgaan met sociale media? van 2011, 2012 en?2013.

Bekijk het volledige document van expertisecentrum Veilige Publieke Taak (VPT)

Social Media censuur als antwoord op terrorisme?

In het meest recente magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing schrijft Mirko Tobias Sch?fer over ‘het onzinnige sociale mediabeleid in de integrale aanpak van Jijadisme’. Mirko is universitair docent op de universiteit van Utrecht, Instituut Media en Cultuurwetenschap en medeoprichter en directeur van de Utrecht Data School. Hij doet onderzoek naar de impact van sociale media op burgerparticipatie, politiek en democratie. In 2011 is zijn boek ?Bastard Culture! How User Participation Transforms Cultural Production? verschenen bij Amsterdam University Press. Hieronder?zijn stuk en de reactie van de NCTV daarop:

censored

Sinds de zogenaamde Arabische Lente staan sociale media bekend?als instrumenten voor politiek activisme en massamobilisatie.?Na de rellen in Haren omtrent Project X hadden sociale media in de ogen van politie en openbaar bestuur hun onschuld verloren.?Tweets die vergelijkbare evenementen in Hoorn, Amsterdam of?Arnhem aankondigden, leidden toen tot wanhopige en overhaaste?reacties van de kant van de politie en overheid. De reacties waren?op zijn zachtst gezegd g?nant (Hoorn). In het ergste geval waren?ze een inbreuk op de burgerrechten (Arnhem). De aanwezigheid van terroristische groepen op sociale media leidt nu tot vragen?over de noodzakelijkheid van een verscherpt beleid en de expliciete?oproep tot censuur.

In het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme wordt voorgesteld?om propaganda op sociale media te bestrijden. De auteurs?vestigen hoop op een ?notice and take down? procedure waarbij ze zich baseren op het wetsvoorstel computercriminaliteit III. Het is?hierbij de bedoeling dat een team van de Nationale Politie haatzaaiende?(jihadistische) content verwijdert. Het actieprogramma verwijst naar een ?vrijwillige gedragscode? die internetbedrijven?moet stimuleren om ?radicaliserende, haatzaaiende, jihadistische?content? te verwijderen. Het gebruik van het woord ?vrijwillig? in verband met de gedragscode is dubieus, wat blijkt uit het vervolg?van de tekst: “bedrijven die aan deze gedragscode tekortkomen,?zullen worden gedwongen om twijfelachtige content te verwijderen door de toepassing van verschillende bestaande of nog te cre?ren?wetten”.

De voorgestelde aanpak is op verschillende punten zorgwekkend.?Hij laat zien dat er een schrikbarend gebrek heerst aan kennis bij?politici en bestuurders wat betreft internettechnologie en het?gebruik daarvan.

Het is het niet verwonderlijk dat iedereen gebruik maakt van de?goedkope communicatiekanalen van sociale media. Ook terroristische?groeperingen zijn geen uitzondering op de regel. Vrijwel alle?partijen die een rol spelen in het conflict in het Midden-Oosten zijn?te vinden op sociale media. Ook andere media worden ten behoeve?van propaganda ingezet: het Amerikaanse leger maakt bijvoorbeeld gebruik van de online-game America?s Army om op een speelse manier soldaten te werven. Hezbollah tracht de moraal van haar jonge achterban te bevorderen door de computer game Special Force, en de Islamitische Staat haalde onlangs het nieuws met een gemodificeerde versie van Grand Theft Auto die zij voor propagandadoeleinden gebruiken.

gta ISIS

Tevens verspreiden niet alleen jihadisten hun haatzaaiende berichten via internet; ook de racistische Stormfront, de Ku Klux Klan, diverse linksradicale groeperingen, nationalisten en chauvinisten van elke etnische minderheid en nationaliteit verspreiden hun radicale opvattingen via dezelfde kanalen. Op websites zoals 4chan is een oneindige stroom aan vernederende, haatzaaiende en politiek meer dan incorrecte uitingen te vinden. Moet deze content niet ook allemaal gecensureerd worden? Een les die te leren valt uit het proces tegen politicus Geert Wilders is dat het niet makkelijk is om te bepalen wat haatzaaiende content is. Maar als het actieplan omgezet wordt, zal deze definitie in toekomst zonder tussenkomst van een rechter in handen van de politie zijn.

Het actieplan suggereert dat jihadistische content doelgericht verwijderd kan worden. Er wordt echter met de internationale dimensies van deze klus ? de verschillende regelgevingen van de landen waar de content uiteindelijk ligt opgeslagen ? geen rekening gehouden.

Hoewel de auteurs benadrukken dat het actieplan ondersteuning?moet bieden voor een actieve maatschappij waarin diverse?stemmen gehoor krijgen, wordt er geen enkele moeite gedaan om?elke burger het recht op vrije meningsuiting te garanderen. Er wordt?met geen enkel woord benoemd, wie de procedure van censuur ? en?dit is waar het verwijderen van content op neerkomt ? zou moeten?controleren. Tevens wordt niet duidelijk welke criteria voor het?censureren gehanteerd zullen worden of hoe de censuur gedocumenteerd?zal worden. Is het de bedoeling dat een politieagent zelfstandig de opdracht geeft om content te verwijderen zoals dat?nu in Turkije het geval is?

De affaire omtrent de samenwerking van de AIVD met buitenlandse?diensten heeft duidelijk laten zien dat onze gekozen volksvertegenwoordigers,?die de controle over dergelijke procedures zouden moeten uitoefenen, hooguit een symbolische functie hebben. Ze?bleken zelfs uitermate slecht over de gang van zaken ge?nformeerd.?Is het in dit licht verstandig om het verwijderen van willekeurige content onder het mom van terrorismebestrijding ongecontroleerd?over te dragen aan de executieve? Zonder enige juridische of?parlementaire controle? Het zal een kwestie van tijd zijn voordat copyright-houders, politici of bedrijven druk uitoefenen om?ongewenste content zonder tussenkomst van een rechter te laten?verwijderen.

Met een censuur van het internet plaatsen we ons land in hetzelfde?schuitje met landen zoals Turkije, Wit-Rusland, Rusland, China,?Egypte en talloze andere landen. Deze landen staan terecht elk jaar opnieuw op de lijst van de onderdrukkers van het internet en de vrije meningsuiting. Censuur blijkt echter vooral de civiele maatschappij te onderdrukken, in plaats van dat deze maatregel terroristen effici?nt in het nastreven van hun doelen belemmert.

Het actieplan suggereert dat door het verwijderen van haatzaaiende content de radicalisering van internetgebruikers tegengehouden zou kunnen worden. Deze suggestie geeft blijk van een incorrect begrip van media-effecten. Radicalisering is nooit het effect van het?lezen van twijfelachtige content hetzij op online media of in de printmedia. De Britse cultuurtheoreticus Stuart Hall ontkrachte dit idee al in de jaren ?70 van de vorige eeuw op basis van zijn beroemde encoding-decoding-model. Politieke opvattingen formeren zich als gevolg van de individuele situatie en de sociale context van een individu.

Ook om andere redenen is een extreme en nauwelijks gecontroleerde?censuur van sociale media een volledig ineffectief middel. Aan de?ene kant worden alle activiteiten in de context van sociale media al?nauwkeurig gecontroleerd door de platformaanbieder zelf. Verder?zijn deze activiteiten openbaar toegankelijk voor analyse door social?media monitoring, welke niet alleen door marketingbedrijven maar?ook door politie en AIVD toegepast wordt. Een censuur zal voor deze?diensten echter betekenen dat waardevolle informatie verloren gaat.

Aan de andere kant betekent de censuur van bepaalde online media?niet dat de communicatiestromen zullen afbreken. Terroristische?groeperingen zullen andere, wellicht minder goed te monitoren platformen vinden om hun opvattingen te verspreiden. Internet?Relay Chat of het TOR-netwerk zijn slechts twee voorbeelden van?media die moeilijker te traceren communicatievormen voor?gebruikers aanbieden. Er kan voorondersteld worden dat veel?bestuurders niet eens weten hoe deze software te vinden, te?installeren en te gebruiken is. Volgens onderzoek van het Oxford?Internet Institute gebruiken in Nederland dagelijks tussen de?100.000 en 200.000 mensen het TOR-netwerk. Sociale media?en het door Google te doorzoeken web stellen maar een kleine?percentage van het internet voor.

Tor_Hexagons

Wat echter wel een oplossing kan bieden, is de inzet van goed?ge?nformeerde en meertalige rechercheurs met kennis van?interculturele aspecten. Tegenwoordig doorzoekt al een aantal?rechercheurs openbaar toegankelijke bronnen online om strafbare?handelingen op te sporen. De afdelingen binnen de politie die zich?met deze waardevolle taak bezighouden, verdienen de steun van de?politiek en de waakzame toezicht van de rechterlijke macht. De?censuur van sociale media is slechts symboolpolitiek en bovendien?gevaarlijker voor de democratische samenleving dan de haatzaaiende?content die op sociale media te vinden is.


De reactie van het NCTV, programmadirectie Contraterrorisme, ten aanzien van de bestrijding van jihadistische content online:

Internationaal ? en in Nederland ? spelen het internet en?sociale media een belangrijke rol bij jihadistische radicalisering.?De jihadistische content biedt een platform om de?gewelddadige jihadistische ideologie te verspreiden en?draagt bij aan verdere radicalisering en het binnen halen van?nieuwe aanwas. Zoals geconcludeerd door de AIVD in zijn?rapport Transformatie van het jihadisme in Nederland hebben?sociale media de jihadistische beweging in Nederland?gestimuleerd. Waar voorheen propaganda verticaal?verspreid werd via vrij ontoegankelijke webfora (van?enkelen naar velen), gebeurt dit nu op horizontale wijze (van?velen naar velen). Dit heeft de professionalisering van?vervaardigers en verspreiders doen toenemen, waardoor de?propaganda een groter bereik en meer impact heeft.?Hierdoor is de jihadistische boodschap toegankelijker en?makkelijker te verspreiden. Het internet en sociale media?spelen daarmee een belangrijke rol bij jihadistische?radicalisering. Er zijn websites en sociale mediakanalen die?Nederlandstalige jihadistische propaganda verspreiden, de?strijd verheerlijken en oproepen tot jihadgang. Het is?onacceptabel dat terroristische organisaties propaganda?vrijelijk verspreiden via onder andere Nederlandse?websites en social media. Ook tegen uitingsdelicten online?dient opgetreden te worden.

Onderdeel van het actieprogramma Integrale Aanpak?Jihadisme is de bestrijding van online jihadistische propaganda?met als doel het reduceren van de impact, hoeveelheid?en toegankelijkheid van jihadistische propaganda.?Hiervoor wordt ingezet op samenwerking met sociale media?bedrijven en Internet Service Providers, hosting partijen etc.?die de door hun aangeboden internetdiensten misbruikt zien?worden voor jihadistische doeleinden. De NCTV is in gesprek?met sociale media bedrijven, internet service providers en?hosting partijen over de wijze waarop zij, binnen hun?bestaande (juridische) mogelijkheden, kunnen bijdragen aan?het bestrijden van de online jihadistische content. De NCTV?ervaart deze gesprekken als zeer constructief. Sociale media?bedrijven kennen en erkennen het probleem en ook internet?service providers en hosting partijen denken mee over het?verbeteren van bestaande (juridische) procedures.

Drones van politie en burger met live video

Politie-drone

Er vliegen steeds vaker drones van Defensie en de politie boven Nederland.?Het zou onder meer de ‘heterdaadkracht’ van de politie moeten?vergroten. Ook steeds meer burgers zetten de technologie (niet-commercieel) in, terwijl autoriteiten worstelen met wetgeving.

De militaire drone lijkt definitief zijn intrede te doen als?opsporingsmiddel voor de Nederlandse politie. Plaatsen als Rotterdam,?Utrecht, Arnhem en Harlingen werden vorig jaar dagen- of wekenlang?vanuit de lucht bespied door onbemande Defensie-vliegtuigjes van het?type Raven RQ 11B. Veel vaker dan in voorgaande jaren werden ze?ingezet boven Nederland, diverse malen voor de opsporing van?criminelen. De Tweede Kamer maakt bovendien plannen om de toekomstige,?veel geavanceerdere drones van Defensie ook boven Nederland te?gebruiken. Waarvoor de Ravens precies worden ingezet, blijft vaak?onbekend, omdat het OM en het ministerie van Defensie daar weinig over?loslaten.

Burgerrechtenactivist Rejo Zenger, ook werkzaam voor?privacyorganisatie Bits of Freedom, vroeg Defensie onlangs hoe vaak de?onbemande toestellen boven Nederland vliegen. In 2012 ging het tot in?augustus om vijf keer, zo antwoordde het ministerie van Defensie. Nu?blijken die inzetten, op basis van gegevens in de Staatscourant, vaak?vele weken te duren. Steeds meer Raven-teams van Defensie zijn?gecertificeerd om in Nederland boven bewoond gebied te patrouilleren.?Daardoor neemt de nationale inzet steeds verder toe. Vorig jaar werd?veertien keer op grond van de Politiewet boven Nederland gevlogen. In?2011 was dat drie keer, in 2010 vier keer en in 2009 ??nmaal.?Aanvragen komen van het OM, de politie, gemeentes en brandweer. Als?het om handhaving van de openbare orde gaat, wordt soms wel bekend?waarvoor de Ravens worden gebruikt. Zo hielden twee toestellen in?oktober toezicht op de ‘4 mijl van Groningen’, een grote?hardloopwedstrijd.

Maar als het om strafrechtelijk onderzoek gaat is het OM, dat politie?en Defensie toestemming moet geven voor publiciteit, minder scheutig?met informatie. Waarom werd er vorig jaar ruim drie weken boven?Amersfoort gevlogen? We weten het niet. Waarom werd er ruim een week?boven Den Oever gevlogen, waarom wekenlang tussen Utrecht en Arnhem en?waarom boven Harlingen en Soesterberg?

Ook de nieuwe Nationale Politie doet geen mededelingen. Eerst wordt er?een ‘werkgroep voor de nationale co?rdinatie van drone-activiteiten’?opgezet, zegt een woordvoerder. De politie zelf heeft namelijk ook?drones. Die zijn kleiner dan die van Defensie, ze vliegen lager en?minder lang. Ze worden alleen gebruikt om een plaats delict te?fotograferen, of te kijken hoe een brand zich ontwikkelt.?Nu vliegt de politie vaak met helikopters boven Den Haag, maar dat kost volgens VVD-lijsttrekker Boudwijn Revis uit Den Haag?te veel geld. “Het werkt sneller als we drones laten opstijgen bij wijkbureaus en misschien later zelfs vanuit de achterbak van politiewagens.”?Begin 2013 bleek dat de politie steeds vaker drones?inzet, onder meer voor inbraakpreventie. De politie Amsterdam?stopte?met het gebruik van zijn drone door een defect.?D66-Kamerlid Gerard Schouw, die vorig jaar?opriep?tot nieuwe wetgeving die de inzet van politiedrones reguleert, vindt het plan van de VVD overhaast. Hij wil een onafhankelijk onderzoek, waar minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) opdracht toe heeft gegeven, eerst afwachten.?Tegenover?Radio 1?zegt Revis de drones gericht te willen inzetten: “Het is niet zo dat wij denken dat een drone 24 uur per dag boven de stad moet hangen. Maar hij moet?wel snel en makkelijk ingezet worden op het moment dat er ergens een overval is geweest, een inbraak of overlast is.”?”Niemand zal er bezwaar tegen hebben als we op deze manier sneller misdrijven opsporen en mensen achter de tralies krijgen”, aldus de lijsttrekker.

In Almere was het een wijkagent die in januari tegen Omroep Flevoland?vertelde dat er boven de stad met Ravens naar inbrekers werd gespeurd.?Veel inwoners waren toen al maanden onwetend. Uit mededelingen in de?Staatscourant, die achteraf worden gepubliceerd, blijkt namelijk dat?de eerste Ravens al op 21 oktober boven Almere vlogen. Voor de?toestellen moet een deel van het luchtruim worden vrijgemaakt, vandaar?de verplichte bekendmaking in de Staatscourant.?Over de reden van de Raven-inzet is op basis van mediaberichten soms?wel te speculeren. Harlingen werd eind vorig jaar getroffen door een?inbraakgolf, dus mogelijk werd er daarom gevlogen. In Zaandam werd?rond de Raven-inzet op 27 november een meisje vermist, misschien werd?naar haar gezocht. En rond de jaarwisseling 2011-2012 werd in?Culemborg waarschijnlijk weer gevreesd voor rellen tussen?Nederlands-Marokkaanse en Nederlands-Molukse jongeren.?In Almere wilde D66 na de mededelingen van de wijkagent wel wat meer?weten over die Ravens. Moeten burgers niet vooraf worden ge?nformeerd??Nee, antwoordde het college van burgemeesters en wethouders. Aangezien?het om opsporing gaat, is de inzet per definitie ,,heimelijk”. Uit het?antwoord bleek wel dat de Raven in ?meerdere gemeenten voor?strafrechtelijke doeleinden is ingezet. De onbemande vliegtuigjes?worden gebruikt voor het ,,vergroten van de heterdaadkracht” van de?politie. De inzettijden in Almere werden bepaald door de momenten?waarop woninginbraken het vaakst voorkomen. Er werd in Almere gevlogen?tussen zes uur ’s avonds en acht uur ’s morgens.

080409_Robotvogel_0206

Privacy

Ook van een inbreuk op de privacy zou geen sprake zijn, omdat mensen?onherkenbaar in beeld komen en de beelden niet worden bewaard. Maar in?een filmpje op de website van Defensie zegt Frank Ostendorf,?commandant van een Raven-team: ,,Afhankelijk van de vlieghoogte kan?het beeld heel gedetailleerd zijn, tot en met wat voor kleding je aan?hebt.”

Als de drones tot aanhoudingen leiden, zou dat mogelijk tegenwicht?bieden aan het privacybezwaar. Maar ook daarover is weinig bekend. De?wijkagent in Almere zei tegen Omroep Flevoland dat het aantal inbraken?in de drie wijken waarboven gevlogen werd met eenderde was gedaald.?Onbekend is of er ook aanhoudingen zijn verricht.?In de Tweede Kamer juichen diverse partijen de inzet van?Defensie-drones toe. In 2011 riepen VVD, PvdA, CDA, ChristenUnie en?SGP het kabinet in een Kamermotie op ook de toekomstige?Defensie-drones ,,in het kader van de binnenlandse veiligheid” in te?zetten. In 2017 wil Nederland over vier geavanceerde drones beschikken?die 24 tot 48 uur, op een hoogte van vijfduizend tot vijftienduizend?meter, surveillance- en verkenningstaken kunnen uitvoeren.

Raven RQ 11B Het Nederlandse leger beschikt over 72 onbemande?vliegtuigjes van het type Raven RQ 11B. Die zijn 0,91 meter lang,?hebben een spanwijdte van 1,37 meter en een bereik van 10 kilometer.?Ze worden vanuit de hand gelanceerd en worden uitgerust met dag- of?nachtcamera’s (warmtebeeld).?Een vlucht duurt maximaal 60 minuten. De toestellen vliegen meestal op?300 meter hoogte. Op het grondstation kunnen militairen en politie?live meekijken en de beelden opslaan en bewerken. Een Raven-team van?Defensie kan meerdere vliegtuigjes tegelijk de lucht insturen. Door af?te wisselen kan uren achtereen worden gepatrouilleerd.

Defensie beschikt ook over een grotere drone, de Scaneagle, met een?bereik van 70 kilometer en een vluchtduur van 12 uur. Deze wordt nog?niet boven Nederland ingezet. In 2017 wil Nederland beschikken over?een drone die tot 48 uur kan vliegen op een hoogte 15.000 meter. Een?voorbeeld is de MQ-1 Predator, die ook kan worden bewapend en al?veelvuldig door de VS worden gebruikt.

Eerder (wat later een hoax bleek) was er een rus die een drone maakte met een machinegeweer eraan. Hoewel het in de lucht houden van drones met de ?terugslag van zo’n geweer niet eenvoudig is, zal het niet lang duren voordat men dit uitregelt. Onder dit filmpje kun je namelijk zien hoe ver men al is (meestal in gereguleerde omgeving) met het gedrag van deze quadcopters, hexacopters en octocopters.

Embedded image permalink

Burgers met drones opgepakt

De politie heeft een 18-jarige jongen opgepakt omdat hij met een drone luchtbeelden heeft gemaakt van de Efteling. Het filmpje heeft voor nogal wat ophef gezorgd, omdat de beelden illegaal gemaakt zijn en het onbemande vliegtuigje waarmee gefilmd werd vlak over de Python heen vloog.

Ook een brand in Vlijmen is met een drone in beeld gebracht:

Eerder klaagde?een burger de politie aan omdat zijn vliegpraktijken gestopt werden toen hij een auto ongeluk vanuit de lucht filmde. Hij vraagt zich af welke wet hij schond als burger. Peugeot toonde zelfs een conceptauto met drone voor de automobilist.

In Turkije schoot de politie zelfs een drone uit de lucht, terwijl de bestuurder protesten filmde op het?Taksimplein in Istanbul waar de politie waterkanonen en traangas inzette.

Bekijk onderstaande grap van De Speld over drones die burgers realtime corrigeren:

Maar bekijk ook onderstaande gevaarlijkere toepassingen van drones vanuit het oogpunt van criminelen (de film is een hoax, maar toch…)

Of deze mogelijke toekomstige drone:

Bronnen:?NRC.NEXT (6 maart 2013), Hart van Nederland, Nu.nl, The Courant,