Tagarchief: social media

Social Media tegen terrorisme

20160416_map503

Een nieuwe intelligence-paradigma. Zo noemen?veiligheidsbeambten van de Isra?l Defence Force (IDF) de sociale media waarop ze zoeken naar informatie over aanslagen en daders daarvan. Een enkeling gaat zelfs zo ver te stellen dat deze speurtochten op sociale media hebben geleid tot een daling van het aantal incidenten. Luitenant-generaal Gadi Eisenkot zegt dat het nu veel gemakkelijker is om lone wolfs of slapende cellen te vinden. Waar dat voorheen een langdurig opsporingsproces was, kan dat nu veel sneller ? door profielen aan elkaar te koppelen, door te zoeken naar vriendennetwerken, likes en shares. De doelgroep immers, tieners en twintigers die aanslagen willen plegen, is massaal online actief. ?We can build in-depth profiles of past
perpetrators, their motives and inspirations, and based on what they have in common locate those with similar characteristics?. En zo hebben tientallen mensen al thuis bezoek gehad van IDF-medewerkers met de vraag wat ze nu precies bedoelden met die posting op facebook, of met die tweet. ?The same tools through which they are pushed to join jihad could help to stop them before it is too late?, aldus het artikel.

Online?intifada?

Na zes maanden van geweld in Isra?l en de Palestijnse gebieden zijn de Isra?lische veiligheidsfunctionarissen behoedzaam als er gesproken wordt over een afnemende dreiging. Gewelddadige protesten en rellen in de Westelijke Jordaanoever zijn weliswaar afgenomen, en het aantal incidenten waarin mensen worden neergestoken of -geschoten is gehalveerd (twee maanden geleden was dit?gemiddeld ??n per dag). In zes maanden, van oktober 2015 tot maart van dit jaar, waren er 230 aanvallen waarin 34 Isra?li’s en buitenlandse toeristen en 121 Palestijnse aanvallers werden gedood. Velen hebben het gehad over een derde intifada (opstand), hoewel het Isra?lische leger liever de term “beperkte opstand” verkiest. Het voorkomen van bloedvergieten is onwaarschijnlijk, ook al omdat Isra?lische en Palestijnse leiders niet eens in dezelfde kamer kunnen zitten.

De uitdaging voor?de Isra?lische veiligheidsdiensten is echt veranderd. “In de tweede intifada [2000-2005] was er een duidelijke keten van?regie, financiering van aanslagen en rolverdeling” zegt een officier van de Israel Defence Force (IDF). “Je kon?een terroristische cel lokaliseren en uitschakelen. Nu kan iedere?Palestijn een potenti?le verdachte zijn en dat is onwenselijk. Je moet eigenlijk daders kunnen onderscheiden in het Palestijnse publiek.” En dat is veel makkelijker gezegd dan gedaan als je ziet dat de huidige?aanvallers geen eerdere betrokkenheid hadden bij gewelddadige activiteiten, ze vaak als individuen handelen of hoogstens in groepjes van twee of drie vrienden acteren en in sommige gevallen zelfs maar?dertien jaar zijn. De stafchef van de IDF, luitenant-generaal Gadi Eisenkot, gaf drie maanden geleden toe dat de Isra?lische veiligheidsdiensten geen enkele aanwijzing hadden over de aanslagen. Dat is nu iets verbeterd, mede door ongebruikelijke inlichtingenoperaties.

Nieuw intelligence paradigma

Het is?Isra?lische ministers tot nu toe niet gelukt om bedrijven als Facebook te overtuigen?om het aanzetten tot geweld door Palestijnen?van het platform?te verwijderen, maar de inlichtingendiensten?zien de?social media platformen als uitgelezen kans om dreigingen te monitoren. De gemiddelde dader is tussen de?15 en 25 jaar?en de meesten van?hen zijn actief op Facebook en Twitter. Vaak kun je (en zeker achteraf) hun intenties afleiden uit hun online gedrag.

“Het is een nieuw paradigma waarin we zien dat we niet alleen te maken hebben met individuen zonder organisatorisch verband, maar deze daders weten een week of zelfs de dag ervoor nog niet dat?ze een aanval gaan uitvoeren”, aldus de Isra?lische inlichtingendienst. “Wat we wel kunnen doen is analyses gebruiken op basis van rijk gevulde?profielen van daders uit het verleden. Wat was hun motief, wat inspireerde hen om te handelen? Op basis van gemeenschappelijke kenmerken kunnen we deze mensen dan lokaliseren.”

Typische online profielen bevatten vaak beschuldigingen in de richting van Isra?l die de al-Aqsa moskee op de Tempelberg in Jeruzalem “ontheiligde”, klachten over de Palestijnse leiders en berichten over de?”verloren generatie” of persoonlijke woede over een vermoord?familielid, vriend of buur. Dit gedrag gaat vaak gepaard met persoonlijke problemen, zoals gedwongen huwelijken, schuld en sociale uitsluiting. Sommige verdachten gaven tijdens het?verhoor toe dat ze een zelfmoordactie van plan waren en?als “martelaren” wilden eindigen.

Met behulp van speciaal ontwikkelde algoritmen zoekt men nu op social media-accounts van jonge Palestijnen wat al snel een lijst van potenti?le verdachten opleverde. In sommige gevallen heeft het IDF ook aanvallen kunnen stoppen, nog tijdens de voorbereidende handelingen. Tientallen jonge mannen en vrouwen hebben ook “waarschuwingsbezoeken” gehad door de Shin Bet (de inlichtingendienst) waarin zij en hun ouders te horen kregen dat ze in de gaten werden gehouden. Ook worden de namen gedeeld met de Palestijnse autoriteiten. Radicaliserende jongeren op het web worden met de tools op deze manier gestopt voordat ze zich aansluiten bij de Jihad.

“Inlichtingendiensten hebben nog nooit een grote aanslag (zoals de Intifada) kunnen voorspellen”.

Dit is slechts een van de vele interessante uitspraken?uit de genomineerde documentaire over de Shin Bet:

Bronnen: Cops In Cyberspace, The Economist

CopWatchers

copwatcher

Andrew Henderson, 31, draagt een blauw t-shirt waarop staat “Blijf kalm en film de politie”in een van zijn honderden?YouTube-video’s. In een andere heeft hij een hoodie aan met “COPWATCH”. “Verschillende organisaties doneren t-shirts en truien” vertelt Henderson. Na een wedstrijd over de vraag “Waarom ik de politie film?” georganiseerd?door CopBlock.org, kreeg hij weer een hele stapel.?Henderson doet al vijf jaar aan ‘ copwatching’, een fenomeen dat groeit na elk (schiet)incident waar opnames van gedeeld worden.

Het aantal apps om de politie te filmen groeit bijna net zo hard als het aantal incidenten. Velen worden door burgers zelf gemaakt, soms zijn het stichtingen en organisaties die opkomen voor bijvoorbeeld mensenrechten. Het bekendste voorbeeld is de ACLU Police Tape app, maar er zijn ook apps als Y-STOP, Hands-Up, Mobile Justice, SideKik en Five-O.

keep-calm
Henderson is lid van een?informele burgerorganisatie COPWATCH, die ooit in 1990 begon in Berkeley, Californi? nadat bewoners genoeg hadden van de?intimidatie van daklozen en jeugd. Vorige maand werd Henderson nationaal nieuws toen hij een hooggeplaatste agent in St. Paul bekritiseerde op Facebook nadat die commentaar op Black Lives Matter aanhangers had. De agent trok aan het kortste eind en kreeg verplicht verlof.

Een anonieme tipgever wees?Henderson op een Facebook-reactie op een verhaal geplaatst over een geplande Black Lives Matter protest. Hier is de volledige tekst van wat luitenant Jeff Rothecker van?St. Paul schreef op Facebook:
copwatchers1

Henderson legt uit dat het niet moeilijk was om de identiteit van de agent te bepalen. “Ik zocht wat verder op?Facebook en vond zijn vrouw. Daarna checkte ik hun?huwelijksakte. En daarna was het makkelijk”. Nog even zoeken op Google en Pipl en hij kwam erachter dat?Rothecker de 2e vice-president van de Minnesota Fraternal Order of Police?was, onderdeel van ’s werelds grootste politievakbond.

Zodra hij Rothecker’s identiteit had geverifieerd, belde Henderson de politie om een klacht in te dienen over deze?agent. Rothecker is naast zijn verlof inmiddels ook?teruggetreden uit zijn functie bij de vakbond en bood?zijn verontschuldigingen aan Black Lives Matter aan. De groep wees?zijn excuses af en eiste strafrechtelijke vervolging.

Na de klacht van Henderson werden al snel vergelijkbare Facebook berichten gevonden van de agent in kwestie. Burgemeester Chris Coleman veroordeelde het gedrag Rothecker. “Ik blijf verontwaardigd over dit?online commentaar,” zei hij. “Hoewel een verontschuldiging zeker op zijn plaats is, is het niet voldoende om het vertrouwen te herstellen,” vervolgde hij. “Ik kan helaas niet aangeven welke?disciplinaire maatregelen worden genomen, omdat de wet mij verbied erover te praten totdat de periode om er tegen?in?beroep te gaan voorbij is.”

Als je even een blik werpt op?The Drewks, het YouTube-kanaal van Henderson zie je in video na video dat?de politie van Minnesota zich misdraagt. In de eerste?video legt hij uit waarom hij?copwatcher is geworden: nadat hij getuige was van een heftige?woordenwisseling tussen een andere inwoner en?de politie. “Ik filmde hen en deelde het publiekelijk om de politie ter?verantwoording op te roepen. Ook al omdat de politie anders?niet ter?verantwoording wordt geroepen.”

Het filmen van de politie is geen rustige hobby. In mei 2015?werd?Henderson achter het hoofdbureau van St. Paul aangehouden, omdat hij op het priv?terrein van het politiebureau stond. Een andere keer werd hij aangehouden voor wanordelijk gedrag voor het filmen van de politie, maar al snel werd hij daarvoor weer vrijgelaten.

Het rassenconflict?is al?een lange tijd iets waar Henserson zich over verbaast. “Ik ben opgegroeid in de stad. Ik ben geen blanke jongen uit een?buitenwijk”, verklaart hij. Henderson groeide op in een volkswijk vol allochtonen. “Als kind kon het me niets?schelen, het was gewoon mijn buurt” herinnert hij zich. “Ik had zowel zwarte als Hmong vrienden.” Pas later toen hij verhuisde naar?een overwegend blanke buurt?werden de verschillen hem duidelijk. “Die mensen spraken me anders aan en behandelden me anders,” zegt hij.

Het is niet zoals Henderson de conflicten tussen burgers en de politie opzoekt, verzekerd hij.?Maar als hij het tegenkomt, zal de?camera altijd aangaan. Hij is vrijwel altijd wel aanwezig bij Black Lives Matter protesten, hoewel hij zich niet de organisatie ervan bezighoudt.

De overheid houdt zelf niet bij?hoeveel politieagenten ontslagen of veroordeeld zijn tot gevangenis voor mishandeling van burgers. Uit een onderzoek van de Washington Post blijkt dat in 10 jaar tijd, tussen 2005-2015, slechts 54 ambtenaren zijn veroordeeld, ondanks duizenden fatale politie schietpartijen. In de afgelopen jaren?hebben een aantal?high-profile gevallen van vermeend politiegeweld en moorden geen gevangenisstraf voor agenten opgeleverd.

In?Minnesota zijn er niet veel cop watchers. Volgens Henderson zijnde meeste leden actief in Californi?, New York en New Hampshire. Een stadje nabij New Hampshire zet een extreem voorbeeld met de website Free Keene, bijna een Mekka voor copwatchers.?De groep?cop watchers?houdt wel actief online?contact en organiseert ook meetups.?Vorig jaar woonde Henderson een cop watchers conferentie bij?in New York City. “We hebben veel geleerd over de beste tactieken om de politie te filmen”, zegt Henderson. “Zo moet je altijd eerst je eigen voeten filmen en vervolgens inzoomen op het incident. Op die manier kan een cop watcher altijd bewijzen hoe ver hij van een incident stond”.

Er komen ook?ethische dilemma’s kijken bij copwatching. “Bijvoorbeeld hoe je omgaat?met de mensen die je filmt” vertelt Henderson. Hij maakt zijn aanwezigheid altijd bekend, zegt waarom hij er is, en dat hij er is om te helpen. En soms is het niet ethisch om bericht video online te plaatsen als de persoon die in beeld is minderjarig is of als de politie er was voor medische hulpverlening.

Op de vraag of Andrew?Henderson zou overwegen om een baan bij de St. Paul politie aan te nemen als intern onderzoeker schrikt hij terug en zegt heel duidelijk NEE. “Ik denk dat het makkelijker is om dit werk te doen vanuit de?buitenwereld. Politie-afdelingen die zichzelf onderzoeken vinden zich vrijwel nooit ergens schuldig aan. En langs de buitenkant gaat het ook veel sneller en eenvoudiger.”

In de tussentijd blijft Henderson zijn best doen: filmen wat hij ziet en dit delen met de wereld.

 

Peaceful Streets Project

Een andere bekende activist tegen politiegeweld is Antonio Buehler die als 34 jarige veteraan de politie filmde terwijl die een vrouw mishandelden. Buehler werd zelf ook gearresteerd en richtte daarna de?Peaceful Streets Project op. Sindsdien is hij tientallen malen gearresteerd voor het filmen van de politie en hij strijd nog steeds tegen politiegeweld en misbruik van macht. Hieronder zijn verhaal:

Wil je meer weten of het filmen van de politie, ook in landen als Nederland? Of het filmen dat de politie zelf ook steeds vaker doet met bodycams? Lees dan deze blogs over filmen van de politie, de wet-en regelgeving erover?en het effect van inzetten van bodycams?of drones met camera’s.

Bronnen: Fusion, CopBlock, Film The Police

 

DIY Detectives: The Internet Interceptors

In de serie op dit blog over online burgeropsporingsgroepen, blogden we eerder over online pedojager groepen als?Online Predator Investigation Team (OPIT),?The Punisher Squad,?Stinson Hunter,?Letzgo Hunting,?Daemon Hunters,?Dark Justice,?Anonymous DeathEaters, Creep Catchers?en?Peadophiles Unmasked. Maar ook televisieprogramma’s die dergelijke methodes gebruiken zoals “To Catch A Predator en?Dog The Bounty Hunter. Dit blog gaat over een groep uit Londen die zich?de The Internet Interceptors?noemen.

mullarkey screengrab thing.jpg-pwrt3

Een man uit New Addington, Londen, heeft toegegeven dat hij schuldig is en een?14-jarig meisje heeft ‘gegroomd‘ nadat hij werd geconfronteerd door wat de media?een ‘online buurtwacht’ noemt.?Hij werd betrapt en op video vastgelegd toen hij?een minderjarig meisje in de buurt van een tramhalte wilde ontmoeten door?de zelfbenoemde “Internet Interceptors“.

De man had?een aantal online berichten uitgewisseld met iemand waarvan hij aannam dat het een tienermeisje was.?Hij maakte expliciete verwijzingen naar seksuele handelingen die hij met haar wilde ondernemen.?Maar toen hij haar wilde ontmoeten stond hij ineens tegenover?de leden van Internet Interceptors, die hem beschuldigden van het plannen van een “verkrachting” van het gefingeerde meisje. In de rechtbank van?Croydon pleitte de man schuldig aan een poging tot grooming van een minderjarige.

Op de?Facebook pagina van de Internet Interceptors staat dat ze een?team zijn dat zich bezighoudt met?het online jagen op pedofielen in het Verenigd Koninkrijk en een veilige omgeving wil bieden.

12512618_508232279384980_8491787879206272928_n (1)

Een fragment van de berichtenuitwisseling tussen de dader en het gefingeerde 14 jarige meisje.?

internet interceptors

Een lid van Internet Interceptors zei dat de groep geen verklaringen afgeeft aan de pers, maar wel toestemming verleent voor het gebruik van beelden.?In onderstaande online video is te zien hoe de mannen van Internet Interceptors er ook op wijzen dat deze man gewoon een vrouw en twee kinderen heeft.?In een screenshot kun je duidelijk zien dat?de 31-jarige man vraagt: “Hoe oud ben je als ik vragen mag” waarna zij antwoord “je zou het niet zeggen maar ik ben 14 lol”.

internet interceptors 2


Daniel Mullarkey, 31, geconfronteerd met zijn daden door de?Internet Interceptors

DIY Detectives: Online pedojagers

pedophiles

De komende dagen plaatsen we?op dit blog een serie over online burgeropsporingsgroepen, met groepen?als het?Online Predator Investigation Team (OPIT),?The Punisher Squad,?Stinson Hunter,?Letzgo Hunting,?Daemon Hunters,?Dark Justice,?Anonymous DeathEaters, The Internet Interceptors,?Creep Catchers?en?Peadophiles Unmasked. Maar ook televisieprogramma’s die dergelijke methodes gebruiken zoals “To Catch A Predator en?Dog The Bounty Hunter?die social media nu ook omarmen in de opsporing van criminelen.

Pedofielen op Facebook en gewone burgers?die ze opsporen, het is een groeiende trend. Wat ook groeit is online?kindermisbruik dat sinds 2010 is verviervoudigd, en zeker in het Verenigd Koninkrijk lijkt de deksel nu echt?van de beerput. Bijna dagelijks is er een geval in de kranten en soms komen er?zaken naar voren met grote namen, zoals?bekendheden in politiek, bedrijfsleven en entertainment industrie.

Maar hoe vind?je de pedofielen?eigenlijk die?verborgen zitten achter een social media profiel?

Nicci Astin scrolde door een?Facebook-groep over stoppen met roken toen ze iets vreemds zag. Tussen de?tips en anekdotes stond een foto?van een kind dat werd misbruikt en geplaatst was door een mannelijke Facebook gebruiker. “Ik dacht eerst dat hij gewoon een trol was. Maar dat?bleek niet zo te zijn. De man had nog meer?soortgelijke foto’s?op zijn profiel”, vertelt ze. Toen ze doorklikte op zijn “vrienden”-lijst zag ze nog veel meer?pagina’s die gevuld waren met dezelfde.

Astin kwam zo voor het eerst in aanraking met de sociale wereld van pedofielen en kindermisbruikers die niet alleen beelden uitwisselen, maar ook connecties aangaan met elkaar en zelfs kinderen op social media benaderen. Ze was niet de enige die dit opmerkte. Ook andere gewone mensen werden meegezogen in dit fenomeen dat vrij open aanwezig was. Katie Ivall?zocht online?pedofielen omdat haar eigen dochter werd benaderd. Ze vertelde de BBC: “Dit is de donkere kant van het internet”.

Allereerst klopte Astin aan bij de politie die haar alleen kon melden: “Het is op Facebook, wat wil je dat we doen?”.

Ze sprak vervolgens met anderen die soortgelijke?ervaringen hadden en ze vormden samen een groep met als?doel meer informatie over deze mensen te verzamelen. Om deze?dan vervolgens door te spelen?aan de politie. Meerdere leden van?de groep deden zich voor als?13 of 14 jarige meisjes en spraken met de mensen die hen benaderden totdat ze hun telefoonnummer onthulden of een ??ontmoetingsplaats hadden afgesproken.

Dit lijkt misschien een vreemde hobby, maar het werd vooral ingegeven door de wettelijke en technologische bureaucratie?waar burgers?die dit soort zaken melden mee worden afgescheept. Het?Facebook beleid stelt dat “seksueel materiaal, seksuele berichten?met minderjarigen, bedreigingen tot het delen van intieme foto’s en aanbiedingen van seksuele diensten worden verbannen van de site”. Toch kunnen?bekende actieve pedofielen de volgende dag met een?nieuw account weer aan de slag.

hackers on steroids

Oisin Sweeney, die ook een lid van de groep werd, schrijft in zijn boek Hackers on Steroids over deze duistere internet subculturen. In zijn boek beschrijft hij een zaak waarin een zekere?Paolo Ghelardini?als “topprioriteit” doelwit werd van?de groep. Toen de politie deze man?arresteerde, vonden ze 9.500 foto’s en 1.000 videobeelden van kinderen in zijn huis. Hij had ten minste 19 Facebook-accounts gehad in de periode tussen?januari 2010 en mei 2011.

De groep beweert ook?direct betrokken te zijn geweest bij?de arrestatie van een aantal andere individuen?die online actief waren en foto’s van kinderen bezaten van wie sommigen actief werden misbruikt. Ze gaven informatie door aan de?Internet Watch Foundation (IWF), een organisatie die samenwerkt met Facebook om kinderen online veilig te houden. De groep stuurde ook bewijsmateriaal aan de?Child Exploitation and Online Protection Agency (CEOP), onderdeel van?de National Crime Agency.

Astin geeft als voorbeeld een zaak?waarin een?aantal leden van de groep zich online voordeed als tiener en met?John Huitema afspraken, een Nederlandse man uit Glasgow. Oisin Sweeney gaf de gegevens vervolgens door?aan de CEOP (de CEOP zegt alleen dat zij blij zijn met tips van burgers, maar wil niet ingaan op individuele zaken).

Toen de politie hem arresteerde bleek dat meneer Huitema 7.333 illegale beelden had op zijn computer. Zoals de groep al dacht, had hij ook een twee jarig meisje misbruikt en er foto’s van online gezet. Hij werd in juli 2012 veroordeeld tot vier en een half jaar gevangenis, en zal na vrijlating worden uitgezet naar?Nederland.

Het Engelse?CEOP ontvangt tips meestal?niet van individuen, zoals Sweeney en Astin, maar van het National Centre for Missing and Exploited Children (NCMEC) uit?de VS, omdat volgens de Amerikaanse wet Facebook en andere social media platformen hun informatie aan hen moeten overdragen als het om?kinderporno gaat. In 2010 ontving CEOP 400 aanwijzingen per maand van de NCMEC. Nu, in 2016, ontvangen ze er elke maand rond de 1800! De toename heeft ook te maken met de eenvoudigere meldingsmogelijkheden, maar meer dan verviervoudiging betekent dat deze illegale activiteiten flink stijgen.

To-catch-A-Preditor

Deze gewone burgers, die het als hun?plicht zien om op pedofielen te jagen, zijn een beetje verworden tot clich? door?televisieprogramma’s als NBC’s To Catch a Predator. Toch zien mensen als Astin geen andere optie als ze?deze verdachten?aanmelden om ze?vervolgens de volgende dag weer verder te zien gaan via een ander account. Astin heeft al langer campagne gevoerd tegen kindermishandeling, zoals in de zaak van Daniel Pelka, die dodelijk verhongerde bij?zijn eigen ouders. Voor Astin?is het onmogelijk om gewoon de andere kant op te kijken, of de beelden simpel weg te klikken.

De IWF werkt rechtstreeks met Facebook om dit soort misbruik?tegen te gaan en zegt?erover: “Als IWF lid heeft Facebook zero tolerance voor seksueel misbruik van kinderen … Facebook is een van de leiders op het gebied van?nieuwe technologie om deze problemen te bestrijden. “?Een woordvoerder van Facebook vertelt dat ze onder andere Microsoft’s?PhotoDNA technologie gebruiken die pornografisch materiaal matcht met een register van bekend materiaal. Dit kan de verspreiding van bestaande beelden op?het web stoppen maar niet zomaar?nieuwe herkennen. Facebook heeft ook een “single point of contact” die hulp bij rechtshandhaving in bestaande onderzoeken mogelijk maakt.

Zowel Sweeney en Astin hebben?gevallen gemeld waarbij ze automatisch een antwoordbericht ontvingen waarin stond dat de beelden “de richtlijnen van Facebook niet hadden overtreden”. In een?BBC onderzoek naar pedofielen online?had de verslaggever exact dezelfde ervaring met Facebook.

Een deel van het probleem is dat de context van een foto doorslaggevend?kan zijn: de?BBC uitzending laat een foto zien van een “meisje van 10 of 11 in een vest” die onder de meeste omstandigheden niet verwijderd zou worden. Dit is een behoorlijke uitdaging voor Facebook, want het zou enorme resources vereisen?om mensen al deze?afzonderlijke berichten te laten bekijken.

Astin en Sweeney denken dat vooral?geheime groepen een groot probleem zijn. Deze zijn niet doorzoekbaar en je moet worden uitgenodigd om mee te doen en pas dan kun je de beelden?zien. “De?ergste dingen die ik ooit in mijn leven heb gezien waren in dergelijke?geheime groepen,” vertelt Astin.?De groepen zijn herkenbaar aan de namen en trefwoorden die deze gebruikers hebben ontwikkeld in deze groepen. In het boek van Sweeney legt hij uit hoe er een?hele pedofiele subcultuur met?eigen woorden, codes en symbolen en ook eigen helden zijn. Onderstaande symbolen zijn gelekt via een?FBI-document op Wikileaks:

 

wikileaks

“Pthc” of “Pre-teen harde kern” was een veel voorkomend acroniem dat nog steeds wordt gebruikt, ook al probeerde Facebook deze te blokkeren. Astin vertelt dat gebruikers gewoon “puntjes tussen de letters zetten” om de beperkingen te omzeilen. Een Facebook woordvoerder vertelt dat ze samenwerken met veel organisaties samenwerken en?de lijst van termen regelmatig aanpassen.

In 2011 vroeg?de politie Astin en Sweeney te stoppen met de pedojagersgroep, want wat ze deden viel in een juridisch grijs gebied. De groep had toegang tot illegaal materiaal en deed zich voor als kind, iets dat de politie liever in een gecontroleerde omgeving deed. In hetzelfde jaar werd een documentaire gemaakt door Mark Williams-Thomas (een ex-politieman die hielp in de ontmaskering van Jimmy Savile) die laat zien dat in Engeland de politie nu dezelfde tactiek gebruikt als de burgerspeurders om online misbruikers aan te pakken.

Toch blijkt uit de?cijfers van de CEOP, en ook uit Astin’s eigen ervaring, dat het probleem juist verslechterd is na 2011. “Ik ben natuurlijk niet meer met nepaccounts actie, maar kan nog wel avanf mijn eigen account kijken en zodra je ??n iemand vindt, vind je de een na de ander.?Er zijn er minstens duizenden, het is absoluut afschuwelijk. ”

Wat zou kunnen helpen? De Metropolitan Police geeft als antwoord:?”Het distributienet voor beeldmateriaal van kindermishandeling kan?worden gesloten als de productie van het materiaal effectief wordt gecontroleerd”. Dit is een mooi?doel, maar het wordt nog veel ingewikkelder als je bedenkt dat er heel veel sociale netwerken zijn waarin dit gebeurt: Facebook, Twitter,?Instagram of de app Kik waar veel jeugd gebruik van maakt:


Astin vindt?dat Facebook meer verantwoordelijkheid moet nemen over wat mensen online plaatsen. De real-name policy, het afdwingen van het gebruik van je eigen naam, ziet zij als een goede mogelijkheid. Aan de andere kant kunnen ze gewoon?verder op andere platformen waar dergelijke regels niet gelden. De beste weg lijkt in ieder geval om meer?samen te werken met de politie om de daders te pakken, in plaats van gewoon hun online accounts?te verwijderen.?Dit lijkt nu ook te gaan gebeuren op een schaal zoals we die niet gekend hebben, omdat politie in Engeland de zedenteams fors aan het uitbreiden is, wellicht zelfs met cyber volunteers als het aan Jim Gamble ligt. Hij is voormalig hoofd van CEOP en vindt dat de overheid bij lange na niet genoeg doet. En de Britse wet maakt het voor burgers steeds moeilijker om in de opsporing bij te dragen, omdat het klikken op of kijken naar?onzedelijke beelden strafbaar kan zijn en ook direct contact met pedofielen riskant is vanuit juridisch oogpunt.

Astin reageert nuchter: “Als de politie evenveel tijd zou hebben als wij zou het een oplossing kunnen zijn. Maar ik kom liever in dergelijke?problemen dan dat er een kind wordt misbruikt. Ik wil best de hele dag in de rechtbank zitten als dat betekent dat ik dergelijk misbruik kan voorkomen. ”

Bronnen: NewStatesman, Liverpool Echo

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

attentie whatsapp

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

Door: Jos? H. Kerstholt, Arnout de Vries & Roy Mente

Samenvatting
De politieorganisatie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers, vooral in de context van Gebiedsgebonden Politiewerk (GGPW). Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken. We concluderen dat sociale media een steeds belangrijker rol spelen in de interactie tussen politie en burgers, wat nieuwe mogelijkheden cre?ert voor verdergaande samenwerking. Implementaties van GGPW, zoals verschillende vormen van burgerparticipatie, lijken vooral effect te hebben op sociaal-psychologische factoren als zichtbaarheid, vertrouwen en legitimiteit. Deze effecten kunnen echter wel de criminaliteitscijfers indirect be?nvloeden.

Een belangrijke pijler van Gebiedsgebonden politiewerk (GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur) is de samenwerking met burgers. Ook is er, in contrast met het traditionele politiewerk, een duidelijke verschuiving te zien van handhaving en vervolging naar preventie van criminaliteit (Gill, Weisburg, Telep, Vitter & Bennett, 2014). Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking met burgers, organisatieverandering en het oplossen van problemen. GGPW gaat dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers, maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet. De organisatieverandering houdt vooral in dat wijkagenten de ruimte moeten hebben om oplossingen af te stemmen op de lokale situatie, hetgeen vanuit de organisatie zo goed mogelijk gefaciliteerd dient te worden.

In een recente internationale studie naar de effecten van GGPW maakten Gill et al., (2014) een onderscheid in vijf indicatoren: criminaliteit, overlast, angst, tevredenheid van burgers en legitimiteit van de politie. De algemene conclusie die zij uit hun analyse trokken is dat GGPW positieve effecten heeft op de tevredenheid van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de politie, maar slechts zeer beperkte effecten op (angst voor) criminaliteit. Deze conclusie komt overeen met eerdere bevindingen: beperkte effecten op criminaliteitsreductie, maar positieve effecten op andere uitkomsten als de tevredenheid van burgers en vertrouwen in de politie (Weisburd & Eck, 2004).

Deze conclusies zijn gebaseerd op de directe effecten van GGPW, maar zoals ook is opgemerkt door Gill et al., (2014), zijn er wel aanwijzingen dat een toename van gepercipieerde legitimiteit er ook toe leidt dat burgers eerder meewerken en de criminaliteit afneemt (Bradford, Jackson & Hough, 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett & Tyler, 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de korte-termijn effecten van GGPW vooral tot uiting komen in psycho-sociale factoren als beleving en vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect hebben op het verlagen van criminaliteit.

Omdat het overzicht van Gill et al. (2014) vooral is gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten, geven we in het huidige paper een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar een?complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren naar een volgende generatie van GGPW.

Inleiding

In zowel de VS als Europa is er toenemende aandacht voor Gebiedsgebonden Politiewerk?(GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur). In?tegenstelling tot het traditionele politiewerk waarbij het accent op rechts- en?ordehandhaving ligt, is binnen het GGPW-concept het betrekken van burgers in?de preventiefase van groter belang. Uit verschillende overzichtsartikelen komt?naar voren dat GGPW positieve effecten heeft op uitkomsten als de tevredenheid?van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de
politie, maar slechts beperkte effecten heeft op de reductie van criminaliteit (Gill,?Weisburg, Telep, Vitter & Bennett 2014; Land, Stokkom & Boutellier 2014; Weisburd?& Eck 2004).

Hoewel de directe effecten van GGPW op criminaliteitsreductie beperkt lijken,?zijn er wel indirecte effecten. Een toename van gepercipieerde legitimiteit leidt er?bijvoorbeeld toe dat burgers eerder meewerken met de politie en dat de criminaliteit?afneemt (Bradford, Jackson & Hough 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett &?Tyler 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en?Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder?criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de kortetermijneffecten?van GGPW vooral tot uiting komen in psychosociale factoren als beleving en?vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect?hebben op het voorkomen van criminaliteit.
Omdat veel conclusies zijn gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten,?geven we in onderhavig artikel een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we?ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar?een complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om?de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren?naar een volgende generatie van GGPW.

Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking?met burgers, decentrale aansturing en het oplossen van problemen. GGPW gaat?dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers,?maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook?de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet.?De centrale vraagstelling van deze studie is derhalve welke effecten er zijn?gevonden van GGPW op zowel organisatieniveau als de directe samenwerking?met burgers.

1. GEBIEDSGEBONDEN POLITIEWERK
De belangrijkste redenen voor een landelijke implementatie van GGPW in Nederland in de jaren 90 van de vorige eeuw waren dat de politie: 1) meer direct zicht wilde hebben op relevante problemen in de wijk; 2) kon medi?ren tussen relevante belanghebbenden; en 3) meer autoriteit op kon bouwen (Boin, Van der Torre, ’t Hart, & Van der Meulen., 2003; Van der Vijver en Zoomer, 2004). De politie moest uit zijn isolement komen en het vertrouwen van burgers moest toenemen. Dus naast het bevorderen van veiligheid was het doel om via een lokale inbedding van de politie meer legitimiteit en vertrouwen van het publiek op te bouwen.
Binnen een basisteam zijn de wijkagenten sleutelfiguren voor de centrale doelen van GGPW, omdat zij in direct contact staan met de lokale gemeenschap. In principe is er ??n wijkagent per 5000 burgers, en voeren zij voor 80% van hun tijd activiteiten uit ten behoeve van de lokale gemeenschap. De wijkagenten werken daarbij samen met het basisteam, andere delen van de politieorganisatie, externe belanghebbenden en burgers.

Uit de Veiligheidsmonitor van 2014 (CBS, 2014) blijkt dat een kwart van de bewoners (zeer) tevreden is met het functioneren van de politie in de buurt wat ongeveer overeen komt met de cijfers uit 2012 en 2013. Opvallend is dat het grootste deel (42 procent) aangeeft dit niet te kunnen beoordelen. Ongeveer 40 procent van de respondenten vonden dat de politie burgers serieus neemt, bescherming biedt, reageert op problemen in de buurt en haar best doet. Slechts 20% vindt dat de politie contact heeft met bewoners in de buurt en zaken effici?nt aanpakt. Mensen zijn het meest negatief (49%) over de zichtbaarheid van de politie.

2. EFFECT STUDIES
Zowel op organisatieniveau als in de interactie met burgers speelt vertrouwen een centrale rol. Om vertrouwen te kunnen winnen is het noodzakelijk dat de politie zichtbaar en herkenbaar is?op wijkniveau. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het vertrouwen toe kan nemen als men de wijkagent kent (Beunders, Abraham, Van Dijk & Van Hoek 2011). Naast zichtbaarheid en herkenbaarheid zijn ook eerlijkheid en rechtvaardigheid van belang (Flight, Van Andel & Hulshof, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat de perceptie van eerlijkheid en rechtvaardigheid belangrijker is voor de legitimiteit dan de gepercipieerde effectiviteit. Met andere woorden: de manier waarop de politie omgaat met burgers is belangrijker dan de objectieve resultaten (Hough, Jackson, Bradford, Myhill, Quinton, 2010).

2.1 Organisatie
Net als in internationale studies heeft de Nederlandse wijkagent de taak om voor veiligheid in de wijk te zorgen, daarbij samen te werken met andere partijen en burgers te activeren om met hem of haar samen te werken (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Effecten van GGPW blijken echter lastig te meten door onder meer de ambigu?teit van het concept en de doelen van GGPW (Terpstra, 2009; Van der Vijver & Zoomer, 2004). Bovendien moet het concept adequaat ge?mplementeerd zijn (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Als te vroeg wordt ge?valueerd worden eerder implementatieproblemen gemeten dan de feitelijke effecten. Een laatste complicerende factor is dat GGPW per definitie een samenwerkingsverband is van meerdere partijen, waardoor effecten niet toegeschreven kunnen worden aan ??n afzonderlijke partij.

Hoewel de criminaliteit over de afgelopen jaren is gedaald (in 2014 werd zelfs acht procent minder misdrijven geregistreerd dan in 2013), is het niet duidelijk waar dit precies aan toe moet worden geschreven. Het algemene effect van GGPW had vastgesteld kunnen worden bij de invoering, maar dat heeft alleen in Haarlem plaatsgevonden (Van der Vijver en Zoomer, 2004). De effecten waren daar echter wel positief: minder criminaliteit-gerelateerde problemen, minder angst voor criminaliteit en burgers dachten positiever over de politie.

Als antwoord op het ambigue karakter van GGPW, analyseerde Terpstra (2011) de dagelijkse praktijk van wijkagenten en concludeerde dat er een discrepantie is tussen de theorie en de praktijk. Werkgebieden zijn vaak groot, er is slechts beperkte tijd om op straat door te brengen, en er is in het algemeen weinig beleid over hoe GGPW toegepast zou moeten worden. Hierdoor is het contact met burgers doorgaans beperkt en in de praktijk zijn wijkagenten slechts ge?nteresseerd in ??n specifieke vorm van burgerparticipatie: burgers als bron van informatie.

Rol van sociale media
Door technologische innovaties verandert de interactie tussen burgers en organisaties, zowel priv? als zakelijk. Steeds meer mensen, en ook de organisaties waar zij mee interacteren, gebruiken digitale communicatiemiddelen. Sociale media zijn ontwikkeld om de dialoog met een groot publiek te verbeteren (?many-to-many? interactie?) (Bertot, Jaeger & Hansen, 2012) Door sociale media kan op een snelle manier met een grote groep mensen worden ge?nteracteerd en het toenemende gebruik ervan binnen de politie heeft waarschijnlijk een grote invloed op de relatie met burgers.
Het eerste politie account op Twitter werd geregistreerd op 24 juli 2009 en in maart 2012 waren er 1000 accounts, waarvan 755 van wijkagenten (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012). Die 1000 politieaccounts hadden meer dan 770.000 volgers, dus een gemiddelde van 770 volgers per account. In maart 2011 was dit toegenomen naar 150.000 volgers. In de loop van 2015 zijn er al meer dan 2000 politie accounts met gezamenlijk meer dan 4 miljoen volgers en zit de meerderheid van de wijkagenten op Twitter. Het aantal Twitter accounts en volgers is dus duidelijk snel aan het toenemen wat Twitter en andere social media platformen zoals Facebook, tot een serieuze communicatiemiddelen maakt, zowel voor het uitwisselen van informatie als voor het opbouwen en het onderhouden van een vertrouwensrelatie.

Twitterende wijkagenten spenderen tussen 10 en 30 minuten per dag aan het zelf sturen van een tweet of het reageren op tweets van anderen (Meijer et al., 2012). De inhoud van de tweets gaat over waar ze op dat moment mee bezig zijn, en kan gaan over wijkgerelateerde criminaliteit of aanhoudingen. Ongeveer 80% van de twitterende wijkagenten zegt te twitteren over tips met betrekking tot preventie, een kwart vraagt burgers mee te denken met specifieke vraagstukken, en slechts een klein deel zegt over priv?-zaken te twitteren. Vaak melden wijkagenten overigens wel dat ze met vakantie gaan om daarmee aan te geven dat reacties wat langer op zich kunnen laten wachten of ze verwijzen naar een collega. De wijkagenten hoeven slechts vrij globale richtlijnen te volgen bij het opstellen van tweets, maar vaak wordt hun twittergedrag wel gevolgd vanuit de organisatie en in sommige korpsen heeft het management ook toegang tot de accounts van de wijkagenten. Ook op lokaal niveau volgen wijkagenten elkaar vaak waardoor zij kennis kunnen delen en ook weet hebben van actuele zaken die in andere wijken spelen.

2.2 Burgerparticipatie
Binnen het concept van GGPW is er een breed scala aan mogelijkheden om burgers te betrekken bij politietaken en zo samen te werken aan het verhogen van de veiligheid in de buurt. Land, Stokkom en Boutellier (2014) maakten in een recent overzicht een onderscheid in zeven vormen van burgerparticipatie in het politiedomein:

  • 1) Toezicht: informele sociale controle in de (semi) openbare ruimte waarbij, mogelijk met behulp van technologie, ongewenste situaties gecommuniceerd kunnen worden (bijvoorbeeld buurtwachten en ?Whatsappgroepen);
  • 2) Opsporing: informatie verzamelen ten behoeve van de opsporing van verdachte personen en zo criminaliteit en overlast actief tegengaan (bijvoorbeeld Opsporing Verzocht);
  • 3) Zorg voor de openbare ruimte: verbeteren en verfraaien van de openbare ruimte (bijvoorbeeld bewonersbudgetten, Opzoomer-achtige projecten);
  • 4) Conflictbemiddeling: bewoners met vaardigheden uitrusten om zelf onderlinge conflicten op te lossen en zo de woonoverlast in buurten terug te dringen (bijvoorbeeld buurtbemiddeling);
  • 5) Contactbevordering: contact bevorderen tussen bewoners of tussen bewoners en de politie en zo het onderlinge vertrouwen vergroten (bijvoorbeeld gedragscodes);
  • 6) Informatiebemiddeling: informatie verzamelen en toegankelijk maken (bijvoorbeeld Politie-app);
  • 7) Beleidsbe?nvloeding: vergroten van de zeggenschap van burgers bij de totstandkoming van beleid gepaard aan coproductie in de uitvoering van beleid (bijvoorbeeld Buurt Bestuurt en Veilige Buurten Teams).

De categorisatie die door Land et al. (2014) is voorgesteld hebben we langs twee dimensies gestructureerd: betrokkenheid van burgers en veiligheidsdomein. Voor de betrokkenheid van burgers hebben we de participatieladder gebruikt zoals die in eerste instantie is beschreven door Arnstein (1969). Arnstein (1969) maakte een onderscheid in 8 typen van burgerbetrokkenheid. De onderste sporten van de ladder zijn ?manipulatie? en ?therapie? en aangezien dit geen vormen van participatie zijn zoals hier bedoeld hebben we deze twee vormen buiten beschouwing gelaten. De derde en vierde sport geven burgers een stem: informeren en consulteren. Informeren wordt meestal gedaan via instrumenten als nieuwsberichten, flyers of posters, terwijl het consulteren kan gebeuren via vragenlijsten of openbare bijeenkomsten. Op de vijfde sport (bedaren of tevredenstellen) beginnen burgers wat invloed te krijgen. Op dit niveau kan burgers om advies worden gevraagd hoewel ze geen?daadwerkelijke macht hebben omdat ze geen beslissingen nemen. Op de laatste sporten (6: partnerschap, 7: gedelegeerde macht en 8: burger controle) hebben burgers daadwerkelijk invloed omdat hier sprake is van een herverdeling van de macht via onderhandelingen tussen burgers en machthebbers. Voor ons doel hebben we een driedeling gemaakt voor de mate van burgerparticipatie: 1) informeren en consulteren; 2) adviseren; en 3) co-produceren/ meebeslissen. Daarnaast hebben we een onderscheid gemaakt in het veiligheidsdomein waarbinnen burgerparticipatie plaatsvindt: preventie, handhaving, opsporing en het hogere niveau ?kwaliteit van leven? (zie Tabel 1).

tabel1

Tabel 1: Overzicht vormen van burgerparticipatie gerelateerd aan mate van invloed en domein Informeren/ consulteren Adviseren Co-produceren/ meebeslissen Preventie Informatiedeling Toezicht (bv burgerwacht) Handhaving Alertering (bv Burgernet) Beleidsbe?nvloeding (bv Buurt Bestuurt) Opsporing Burgeronderzoek (bv meedenken met lopende zaken) Kwaliteit van leven Conflictmediatie Zorg openbare ruimtes (bv wijkbudgetten)

De rol van sociale media is voor alle vormen van burgerinitiatieven toegenomen. Daarbij is het van belang om op te merken dat online en offline participatie niet onafhankelijk zijn van elkaar. Online participatie moet gezien worden als een aanvulling op offline participatie in plaats van een vervanging. Een voorbeeld van deze toegevoegde waarde is het?alerteringssysteem Burgernet, een instrument waarmee de politie burgers kan vragen om uit te kijken naar specifieke personen. Burgernet kan via Twitter worden gevolgd en de registratie gebeurt online, maar voor de alertering wordt gebruik gemaakt van de telefoon en SMS en is er sinds kort ook een app. Als burgers na een melding een gezochte persoon hebben gesignaleerd kunnen ze dit aan de meldkamer doorgeven, waardoor de politie mogelijk het zoekgebied weer aan kan passen. Er kan dus een mix van instrumenten worden gebruikt die optimaal is afgestemd op de specifieke situatie die zich voordoet.

1. Informeren en consulteren
De mogelijkheden om informatie met burgers te delen zijn enorm toegenomen met de komst van sociale media. Uit onderzoek van Veltman (2011) bleek bijvoorbeeld dat volgers op Twitter een positiever beeld hebben van de politieorganisatie. Deze positieve effecten werden echter niet alleen voor Twitter gevonden maar eigenlijk in alle gevallen dat de politie gericht informatie deelde met burgers en hen betrok bij lokale politiezaken. Twitter bleek geen toegevoegde waarde te hebben in het vergroten van vertrouwen maar er werd wel een klein effect gevonden op de gepercipieerde legitimiteit van de politie (Boverman, Van Duijn, De Graaf & Ritzema, 2011). Bovendien leidde het gebruik van Twitter tot een toename van gepercipieerde autoriteit, vooral voor wat betreft effectiviteit, zichtbaarheid en controleerbaarheid.

Een voorbeeld van een project in het preventiedomein zijn buurtpreventie- of interventieteams, waarbij burgers surveilleren in een publieke ruimte om vroegtijdig crimineel gedrag te detecteren of om crimineel gedrag te voorkomen (door bijvoorbeeld buurtbewoners te informeren dat er een raam open staat). Het doel is om potenti?le criminelen af te schrikken of aanstootgevend gedrag te be?nvloeden. Deze buurtwachten kunnen ondersteund worden door bijvoorbeeld Whatsapp. Het effect van buurtwachten is tot op heden niet aangetoond omdat de implementatie vaak een combinatie van interventies betrof (een uitzondering hierop vormt een recent onderzoek van de Universiteit van Tilburg waarin werd aangetoond dat het aantal woninginbraken daalde als gevolg van Whatsapp groepen (Akkermans & Vollaard, 2015)). Deelnemers waren echter wel positief over de inzet van buurtwachten, omdat ze meer veiligheid ervaren en hun gevoel van controle over de buurt is toegenomen. Dit geldt echter niet voor alle wijken. Voor sommige wijken nam het gevoel van onveiligheid zelfs toe, mogelijk in wijken waar het niveau van vertrouwen laag is (Eijck, 2013).

Voor burgerparticipatie binnen het opsporingsdomein wordt ook steeds meer gebruik gemaakt van moderne technologie?n als sociale media, apps en Facebook, waardoor zowel snelheid als effici?ntie van de informatie-uitwisseling is toegenomen (Meijer et al. 2012). Via deze communicatiemiddelen wordt burgers meestal gevraagd of ze iets gezien of gehoord hebben, maar burgers zouden ook zienswijzen kunnen genereren over wat er mogelijk gebeurd zou kunnen zijn. Door hun grotere afstand van een zaak, zouden burgers meer onconventionele of creatieve scenario?s (opsporingshypothesen) kunnen verzinnen, wat vervolgens het opsporingsproces een nieuwe impuls kan geven. Zo staat er op de politiesite (politie.nl) een aantal dossiers met informatie over zaken (bijvoorbeeld over de incidenten bij Jumbo-supermarkten in Groningen en Zwolle). Burgers wordt expliciet gevraagd tips te geven of mogelijke scenario?s te genereren. Ook kunnen burgers aangeven of zij op de hoogte willen worden gehouden van het verloop van de zaak.

Binnen de handhaving zijn een scala aan instrumenten beschikbaar die worden ingezet voor het signaleren van specifieke personen, waarvan Burgernet en Amber Alert waarschijnlijk de meest bekende zijn. Amber Alert wordt specifiek ingezet voor vermiste kinderen, terwijl Burgernet meer algemeen wordt ingezet. Hoewel het lastig is om effecten specifiek aan de input van burgers toe te schrijven suggereren Cornelissen en Ferwerda (2010) dat het aantal criminelen dat op heterdaad wordt betrapt toe is genomen door de inzet van Burgernet. Een aanvullend effect is dat burgers zich veiliger voelen door Burgernet omdat hun gevoel van controle is toegenomen. Burgers zijn over het algemeen positief over hun deelname, zijn meer alert op verdachte situaties en hebben een positiever beeld van de politie (Cornelissen & Ferwerda, 2010).

Meijer et al. (2011) onderzochten het verschil tussen Twitter en Burgernet en concludeerden dat Twitter van toegevoegde waarde is op SMS en telefoon. Het gebruik van Twitter had een positief effect op de betrokkenheid van burgers maar omdat er minder aandacht aan Twitter wordt besteed dan aan SMS of de telefoon, beperkte het effect zich tot situaties die minder tijd-kritisch zijn. Twitter kan worden gezien als een technologie die ondersteunend is voor de zwakkere verbindingen in sociale netwerken (weak ties) en is daarmee aanvullend op technologie?n die de sterke verbindingen ondersteunen zoals SMS en telefoon.

2. Adviseren
Bij de middelste categorie van de participatieladder hebben burgers wat meer invloed. Projecten die hier binnen vallen gaan vaak over het vergroten van de leefbaarheid van een wijk. Bij projecten die zich op de openbare ruimte richten kunnen twee subcategorie?n worden onderscheiden: gedragscode projecten en wijkbudgetten (Land et al., 2014). Voor beide subcategorie?n geldt dat het doel is om de sociale en fysieke leefbaarheid van de omgeving te bevorderen. Vooral de fysieke aspecten (schoon, heel en werkzaam) zijn van invloed op gevoelens van veiligheid (Blokland 2009). Een programma in Rotterdam (Opzoomeren, later ?Mensen maken de stad? genoemd) is exemplarisch voor beide subcategorie?n omdat zowel stadsetiquette als wijkbudgetten er onderdeel van uitmaken (Land et al., 2014). In dit programma kunnen burgers allerlei kleinschalige initiatieven bedenken om de leefbaarheid van hun woonomgeving te verbeteren zoals betere verlichting, onderhoud aan voortuinen, maar ook het bevorderen van onderling contact. Basisidee is dat burgers elkaar beter leren kennen door samen activiteiten te ondernemen zoals samen de groenvoorziening onderhouden of het organiseren van buurtfeesten. Daardoor neemt niet alleen de leefbaarheid en veiligheid toe maar ook de sociale cohesie.

3. Co-produceren/ meebeslissen
In de laatste categorie (co-produceren/ meebeslissen) vallen projecten waarin burgers daadwerkelijk invloed hebben op het beleid en problemen gezamenlijk worden aangepakt. Er zijn een aantal projecten in deze categorie waarbij ?Buurt Bestuurt? in Rotterdam waarschijnlijk wel de invloedrijkste is. ?Buurt Bestuurt? begon in 2009 met als belangrijkste doel om het publieke vertrouwen in de lokale overheid (waaronder de politie) te herstellen, om de problemen te identificeren die bewoners het belangrijkste vonden, en om samen oplossingen te bedenken. Als zodanig is het gebaseerd op het Britse ?reassurance policing? concept (Eysink Smeets, Moors, Jans & Schram, 2013).
Burgers die aan ?Buurt Bestuurt? deelnemen hebben het gevoel dat zij een zinvolle bijdrage leveren aan het oplossen van problemen in de wijk, zij ervaren dat de samenwerking met professionals verbetert en hebben ook meer vertrouwen in professionals. Het aantal mensen dat actief bijdraagt aan Buurt Bestuurt is echter vrij klein en niet representatief voor de gehele wijk. Dit lage percentage actieve burgers is waarschijnlijk ook de reden dat er geen meetbare effecten op wijkniveau zijn gevonden (Eysink Smeets et al. 2013).

3. CONCLUSIES

3.1 Organisatie
Wil GGPW succesvol zijn dan moeten oplossingen optimaal zijn afgestemd op de lokale context, en op de behoeften van burgers en andere relevante belanghebbenden. Omdat deze aspecten vari?ren over wijken, hebben wijkagenten discretionaire ruimte nodig: zij moeten de ruimte hebben om, binnen algemene kaders, zelf beslissingen te nemen op basis van hun inschatting van de lokale situatie. Aan de andere kant moet de positie en het functioneren van de wijkagent goed worden ingebed in de organisatiestructuur van de Nationale politie. Voor maximale flexibiliteit is GGPW het best gebaat bij een relatief platte organisatiestructuur, die zo goed mogelijk een genetwerkte vorm van samenwerking faciliteert en ondersteunt.
Onafhankelijk van de organisatiestructuur is vertrouwen een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle samenwerking tussen burgers en politie. Lokale zichtbaarheid en rechtvaardigheid zijn kernwaarden om het vertrouwen van burgers te bevorderen.
Sociale media kunnen een goede bijdrage leveren aan zichtbaarheid en herkenbaarheid als aanvulling op de fysieke aanwezigheid van agenten in de wijk. Steeds meer wijkagenten gebruiken bijvoorbeeld Twitter en dit heeft een grote impact op de interactie tussen burgers en politie. Door de snelle en directe communicatie kunnen burgers steeds beter betrokken worden, maar aan de andere kant maakt toenemende zichtbaarheid ook kwetsbaarder, onder meer door de vage scheidslijn tussen priv? en zakelijke informatie-uitwisseling.

Dit alles neemt niet weg dat er een duidelijke maatschappelijke trend is om meer gebruik te maken van het enorme potentieel aan capaciteit, kennis en kunde die burgers te bieden hebben. De vraag is daarom niet ?f organisaties met deze trend mee moeten gaan maar meer hoe structuur, cultuur en werkwijze zo goed mogelijk aangepast kunnen worden om de switch naar een meer genetwerkte manier van optreden te kunnen maken.

3.2 Burgerparticipatie
Er is een groot scala aan initiatieven waarin wordt samengewerkt met burgers. We hebben in ons overzicht een onderscheid gemaakt in drie categorie?n die een toenemende invloed van burgers laten zien: informatie/consulteren, adviseren en co-productie/meebeslissen. De meeste?initiatieven bevonden zich in de eerste categorie, wat betekent dat de daadwerkelijke invloed van burgers nog niet zo groot is. Aan de ene kant is dat begrijpelijk omdat de politie, samen met de militaire organisatie, een geweldsmonopolie heeft en burgers slechts tot op zekere hoogte bij kunnen dragen. Aan de andere kant is er wellicht ook wel meer interactie mogelijk en wenselijk om burgers meer te betrekken bij het oplossen van veiligheidsproblemen in hun eigen leefomgeving.
Een algemeen probleem bij participatieprojecten is dat slechts een beperkt aantal burgers bereid is om zich in te zetten en dat die groep niet representatief is voor de totale gemeenschap (hoewel mogelijk wel voor de problemen die er spelen). E?n van de oplossingsrichtingen is om beter aan te sluiten bij de behoeften van burgers. Een mooi voorbeeld is WAAKS, waarbij hondenbezitters worden gevraagd om tijdens het uitlaten van hun hond extra op te letten en verdachte signalen door te geven aan de politie. Een win-win situatie die weinig extra inspanning kost: de hond moet toch worden uitgelaten, de hondenbezitter heeft zijn of haar bijdrage geleverd aan de veiligheid in de wijk en de politie heeft er extra oren en ogen bij.

3.3 Effectmeting
De effecten van (implementaties van) GGPW zijn lastig vast te stellen. Een van de redenen is dat er een focus is op criminaliteitsreductie in plaats van wijk-gerelateerde indicatoren (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Criminaliteitsbestrijding wordt nog vaak gezien als het ?echte? politiewerk en is ook makkelijker te meten. Toch was het doel van GGPW, naast het verlagen van criminaliteit, ook om het vertrouwen van burgers en de legitimiteit van de politie te vergroten. Dus een eerste vereiste voor het meten van effecten is dat het doel van GGPW duidelijk wordt vastgesteld. Daarnaast blijkt uit recent onderzoek dat sociaal-psychologische factoren als gepercipieerde legitimiteit en vertrouwen indirect wel een invloed hebben op criminaliteit (Braga et al., 2015; Gill et al., 2014). Ook om deze reden is het van belang om niet alleen naar criminaliteitscijfers te kijken maar ook naar andere indicatoren zoals bekendheid in de buurt en mate van samenwerking in het voorkomen en oplossen van veiligheidsproblemen. Deze meer korte termijn effecten kunnen vervolgens bijdragen aan de meer lange termijn effecten zoals de reductie van criminaliteit.

Referenties
Akkermans, M. & Vollaard, B. (2015) Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken ? een evaluatie. Onderzoeksrapport Universiteit Tilburg.
Arnstein, S. R. (1969) A ladder of citizen participation. Journal of the American Institute of Planners, 35(4), 216-224.
Bertot, J. C., Jaeger, P. T., & Hansen, D. (2012) The impact of polices on government social media usage: Issues, challenges, and recommendations. Government Information Quarterly, 29(1), 30-40.
Beunders, H.J.G., M.D. Abraham, A.G. van Dijk & A.J.E. van Hoek (2011) Politie en publiek. Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. Amsterdam: Reed Business.
Blokland, T. (2009). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Boin, R. A., van der Torre, E. J., Paul ’t Hart, & van der Meulen, M. J. (2003) Blauwe bazen: het leiderschap van korpschefs. Politie & Wetenschap.
Boverman, E., Van Duijn, L., De Graaf, P. & Ritzema, J. (2011). Politie, twitter en gezag. Warnsveld: Politie Nederland.
Bradford, B., Jackson, J. & Hough, M. (2013). Police Legitimacy in Action: Lessons from Theory and Practice?, in Reisig, M. & Kane, R. (eds.) The Oxford Handbook of Police and Policing. Oxford: Oxford University Press.
Braga, A. A., Welsh, B. C., & Schnell, C. (2015). Can Policing Disorder Reduce Crime? A Systematic Review and Meta-analysis. Journal of Research in Crime and Delinquency, 52(4), 567-588.
Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) (2014). Integrale Veiligheidsmonitor 2014. Zoetermeer.
Cornelissen, A. & H. Ferwerda (2010). Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap en Arnhem: Bureau Beke.
Eijk, G. Van (2013). Veiliger door de buurtwacht? Over de veiligheidsbeleving van burgerparticipanten en het belang ervan voor lokaal veiligheidsbeleid. Tijdschrift voor Veiligheid, 12, 20-33.
Eysink Smeets, M., Moors, H., Jans, M. & Schram, K. (2013). De bijzondere belofte van Buurt Bestuurt. Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties
Gill, C., Weisburd, D., Telep, C. W., Vitter, Z., & Bennett, T. (2014). Community-oriented policing to reduce crime, disorder and fear and increase satisfaction and legitimacy among citizens: a systematic review. Journal of Experimental Criminology, 10(4), 399-428.
Flight, S., van den Andel, A. & Hulshof, P. (2006) Vertrouwen in de politie. Een verkennend onderzoek. Amsterdam: DSP-Groep.
Hough, M., Jackson, J., Bradford, B., Myhill, A., & Quinton, P. (2010). Procedural justice, trust, and institutional legitimacy, Policing: A Journal of Policy and Practice, 203-210.
Land, M. van der, Stokkom, B. van, Boutellier, H. (2014). Burgers in veiligheid: Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid [Citizens in security: Inventarisation of citizen involvement in the security domain]. Den Haag: Research and Documentation Centre (WODC) (in Dutch).
Mazerolle, L., Antrobus, E., Bennett, S., & Tyler, T. R. (2013). Shaping citizen perceptions of police legitimacy: A randomized field trial of procedural justice. Criminology, 51(1), 33-63.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S., Bos & Fictorie, D. (2011). Burgernet via Twitter. Onderzoek naar de waarde van dit nieuwe medium. Report University of Utrecht.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S.G., Fictorie, D., Thaens, M. & Siep, P. (2012). Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Terpstra, J. (2009). Community policing in practice: ambitions and realization. Policing, 4, 64-72.
Van der Vijver, K., & Zoomer, O. (2004). Evaluating community policing in the Netherlands. European journal of crime, criminal law and criminal justice, 12(3), 251-267.
Veltman, L. (2011). Twitterende wijkagenten en de beleving van burgers: Een onderzoek naar de effecten van een twitterende wijkagent. Masterscriptie Public Administration. Enschede: University of Twente.
Vries de, M.S., Vijver van der, C.D., (2002). Beelden van gezag bij de bevolking en bij de politie, Dordrecht: Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie.
Weisburd, D., & Eck, J. E. (2004). What can police do to reduce crime, disorder, and fear?. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 593(1), 42-65.

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het Europese project INSPEC2T (Inspiring CitizeNS Participation for Enhanced Community PoliCing AcTions);

Bronnen: Tijdschrift voor Veiligheid 2015 (14)

Big Data in een vrije en veilige samenleving

WRR Big Data

Big Data-toepassingen bieden vele kansen voor opsporing en surveillance. Ze maken snelle en precieze reconstructies van misdaden mogelijk, evenals gerichte inspecties en het realtime volgen van ontwikkelingen bij crisissituaties. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe risico?s voor burgers, op het gebied van privacy, discriminatie en de vrije meningsuiting. Aan de horizon dreigt (semi-)automatische besluitvorming, waarbij de uitkomsten van data-analyses sturend zijn voor het handelen van veiligheidsorganisaties.

De WRR analyseert in dit rapport hoe de Nederlandse overheid Big Data kan gebruiken en richt zich daarbij specifiek op het veiligheidsdomein. Big Data kan volgens de raad uitsluitend vruchten afwerpen als de huidige wet-en regelgeving wordt versterkt om fundamentele rechten en vrijheden te waarborgen. Hiertoe moet de aandacht worden verlegd van het reguleren van het verzamelen van data ? het zwaartepunt in de huidige juridische kaders ? naar de regulering van en het toezicht op de fases van de analyse en het gebruik van Big Data. Voor de vrijheid en de veiligheid van de burgers doen zich in deze twee fasen van Big Data-processen de grootste kansen ?n de grootste risico?s voor.

[slideshare id=61479991&doc=bigdataineenvrijeenveiligesamenleving-160428204125&type=d]
[slideshare id=61480471&doc=factsheetaanbevelingenr95-160428205914&type=d]

Download de complete publicatie als pdf bestand

Download de samenvatting als pdf bestand

Bronnen: WRR

(T)ERROR

terror 2doc

(T)ERROR is de eerste documentaire ter wereld waarbij de filmmakers ‘meelopen’ tijdens een FBI-operatie met betrekking tot terrorismebestrijding. De 63-jarige Saeed ‘Shariff’ Torres was ooit actief bij de militante Afro-Amerikaanse politieke organisatie Black Panthers en werkt nu als FBI-informant. Zonder zijn superieuren op de hoogte te stellen nodigt hij de filmmakers Lyric R. Cabral en David Felix Sutcliff uit hem te volgen bij zijn laatste opdracht voor de FBI. Torres moet in Pittsburgh vriendschap sluiten met de blanke tot de islam bekeerde Ali Al- Akili (foto hieronder), die in het openbaar pro-terroristische uitspraken heeft gedaan.

terror-2doc-achter

Deze Informant die zelf onwennig met social media was en zijn Facebookpagina door de FBI liet bijwerken, werd uiteindelijk door de POI (Person of Interest) Ali Al- Akili?onderkend?via Facebook. De filmmakers stuiten op verrassende onthullingen, niet alleen over Torres verleden, maar ook over de duistere argumenten voor zijn huidige missie. Hoe ver gaat terreur en welke vrijheden staan we toe om terreur te voorkomen?


In de must-read over watchlists lees je meer over de manier waarop de FBI werkt in de Verenigde Staten en de risico’s die hieraan kleven.?Op De Correspondent linkt Dimitri Tokmetzis naar twee verontrustende verhalen over de Amerikaanse strijd tegen het terrorisme. Een daarvan is de schokkende podcast ‘Dead Men Tell No Tales‘.

723078

Bronnen:?2Doc

Geen spoed, wel WhatsApp

400politie-whatsapp

Vanaf vorige?week?is het in de politie eenheid Zeeland-West-Brabant mogelijk om via WhatsApp vragen te stellen of meldingen te doen. Het Politie WhatsApp nummer 06 – 52 52 83 36 is geopend?in het bureau in Roosendaal?waar?Sectorhoofd Wiebe Leverman met het eerste bericht de WhatsApp meldapplicatie. De pilot loopt alleen in de eenheid Zeeland-West-Brabant en niet bij andere politie eenheden in Nederland. Het is ook niet hetzelfde als Buurtpreventie WhatsApp, maar een nieuw kanaal om te melden richting politie.

De politie biedt meerdere manieren om meldingen te doen. Via internet, telefoon en aan het bureau kon al gemeld worden. Deze manieren blijven. Nu komt daar deze manier bij. Het is een proef van 18 maart tot 30 juni. Daarna gaat de politie Zeeland-West-Brabant evalueren of het een goed kanaal is voor meldingen en wordt gekeken of het moet worden doorgezet.

De burger stuurt via telefoonnummer 06 – 52 52 83 36 een WhatsAppbericht met zijn melding. Dat kan zijn over overlast, afspraken, aanrijding materieel, zorgmeldingen etc. De politiemedewerker neemt contact op met melder. In principe eerst via WhatsApp, maar terugbellen of eventueel mailen is ook een optie. De melding wordt zoals gewoonlijk opgenomen in de politiesystemen.

De berichten worden uitgelezen van 07.00 uur tot 22.00 uur, 7 dagen in de week. Het is dus niet bedoeld voor 112 spoedmeldingen.

Uit deze pilot zal moeten blijken of de voordelen opwegen tegen de nadelen. Voordelen zijn natuurlijk dat het aansluit op een groeiende behoefte. Er zijn al 10 miljoen WhatsApp gebruikers in Nederland en zeker onder de jongere generatie is bellen geen tweede natuur meer. SOS Wat doe jij? is zelfs een campagne en app voor jongeren om te leren 112 te bellen.

Een ander groot voordeel is dat in tegenstelling tot andere social media er een telefoonnummer bekend is. Na een app-melding kan er dus altijd nog (terug)gebeld worden. Dat mechanisme zal ook het misbruik wat tegengaan. Als de politie je kan terugbellen of je met je telefoonnummer opsporen

De vraag is echter hoe burgers dit nummer in WhatsApp gaan gebruiken. Als het nummer ineens onderdeel wordt van een WhatsApp buurtgroep krijgt de politie wel erg veel meldingen binnen. De politie zal dus wel enige regie moeten voeren en burgers duidelijk maken hoe om te gaan met het nieuwe kanaal.

Nadelen zitten dus in de hoek van verwachtingsmanagement (hoe snel reageert men, neemt men alle meldingen wel in behandeling?) en wetgeving. Met name privacywetging komt in het geding omdat WhatsApp meldingen voordat ze naar de politie gaan eerst langs computersyststemen in de VS gaan (van WhatsApp en de uiteindelijke eigenaar Facebook). Als je dus gevoelige zaken wilt melden, hoe zit het dan? Hoe zit het met de wet politiegegevens? En er zijn mogelijk vreemde consequenties, zoals reclame in Facebook en zometeen WhatsApp die gebaseerd is op de inhoud van je meldingen.?Kortom, nog genoeg vragen om te onderzoeken, en daar is een pilot ook voor. Het is een mooie eerste stap van de analoge wereld van bellen naar digitaal melden middels data.

Bekijk hieronder het item van RTL Editie NL erover:

Gemeenten

Met?een aantal gemeenten konden burgers ook al contact opnemen via WhatsApp.?Appcare, de nieuwe naam voor webcare via WhatsApp, is hot.?Uit een?jaarlijkse onderzoek naar sociale media en gemeenten blijkt dat 11 procent van de 393 gemeenten WhatsApp gebruikt als extern communicatiekanaal. Met zo’n?10 miljoen?Nederlandse gebruikers is het eigenlijk gek dat WhatsApp niet eerder voet aan de grond kreeg bij de overheid. Iedereen kent en gebruikt het.

Zowel Terneuzen als Lelystad geven aan dagelijks ongeveer 5 ? 10 gesprekken via WhatsApp te voeren. De vragen verschillen volgens hen niet heel erg van die van andere kanalen als telefoon, Twitter of Facebook. Veruit de meeste vragen zijn eenvoudige vragen (openingstijden, aanvraag paspoorten & huwelijken) en door het Klant Contact Centrum (KCC) of Burgerzaken prima te beantwoorden.

De kans op escalatie is via WhatsApp minder groot dan bijvoorbeeld op Facebook. Daar willen andere mensen zich nog wel eens in gesprekken voegen. Dat het medium niet alleen voor jongeren is, blijkt uit de leeftijdsverdeling van WhatsAppcontacten van de gemeente Terneuzen. Zo appten zij ook al eens met iemand van 80 jaar.

Ervaringen bij WhatsApp als webcarekanaal gemeenten

Van Groningen tot…

Inwoners van Groningen kunnen bijvoorbeeld?via de populaire berichtendienst vragen stellen aan de gemeente.

Wethouder dienstverlening Ton Schroor: ?We willen aansluiten bij de communicatiekanalen die inwoners zelf al gebruiken. En omdat veel mensen al whatsappen, is het een heel laagdrempelige en makkelijke manier om met de gemeente in contact te komen.?

Gesprekken via WhatsApp worden ervaren als persoonlijk, omdat het een ??n-op-??n contact is, in tegenstelling tot Twitter en Facebook, aldus de gemeente. De ervaring van de gemeenten die al met WhatsApp werken is zeer positief, de klanttevredenheid is hoog.

Het is niet mogelijk om naar dit nummer te bellen of een sms te sturen. De gemeente probeert tijdens werkdagen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 24 uur de WhatsApp-berichten te beantwoorden.?WhatsApp-berichten worden door het Klant Contact Centrum behandeld tijdens de uren waarop de gemeente telefonisch bereikbaar is, van maandag t/m vrijdag van 8.30 tot 17.00 uur.

…Maastricht

Ook de gemeente Maastricht is vanaf vandaag ook via WhatsApp bereikbaar. Naast brief, telefoon, e-mail en publieksbalie was het ook al mogelijk om contact op te nemen via Facebook en Twitter. Met de toevoeging van WhatsApp wil het stadsbestuur inspelen op de toenemende behoefte van inwoners om digitaal in contact te komen met de gemeente. Ook wil de gemeente optimaal bereikbaar zijn voor de groeiende (internationale) studentenpopulatie. Wethouder Aarts, portefeuillehouder dienstverlening: ?We willen het onze inwoners en ondernemers zo makkelijk mogelijk maken. Door meerdere contactmogelijkheden aan te bieden, verlagen we de drempel en komen we tegemoet aan de diversiteit van de stad.? Het voordeel van WhatsApp voor gebruikers is dat ze een bericht kunnen sturen wanneer het hen uitkomt. Zelfs ?s nachts of in het weekend. Met een foto of video kunnen ze hun vraag of melding bovendien verduidelijken. De gemeente kan vervolgens snel antwoorden en waar nodig reageren met een hyperlink, zodat de gebruiker zelf zijn of haar zaken digitaal kan afhandelen. De gemeente beantwoordt alle vragen en meldingen binnen 24 uur, met uitzondering van weekenden.

Laagdrempelige communicatie

Burgemeester Penn-te Strake, portefeuillehouder communicatie: ?Communicatiemiddelen zijn constant in verandering. De afgelopen 10 jaar zijn de communicatiemogelijkheden enorm toegenomen. Wij willen beschikbaar zijn via de middelen waar onze inwoners, zeker studenten, veel gebruik van maken.? Op dit moment hoort de gemeente Maastricht bij een beperkte groep gemeenten die experimenteert met WhatsApp als servicekanaal. De eerste resultaten van andere gemeenten zijn positief.

Op Frankwatching heeft HowAboutYou?een boodschappenlijstje gemaakt om aan de slag te gaan:

  1. Een SIM-kaart met 06-nummer
  2. Een profielfoto die als avatar getoond wordt op de smartphone van de ontvanger
  3. Een goede statusmelding (?Hey there, I?m using WhatsApp? is niet handig, vermelding van webcaretijden wel)
  4. Een duidelijke voicemailmelding die gebruikers de weg wijst naar het juiste telefoonnummer van de gemeente (doorschakelen, maar leidt tot extra gesprekskosten)
  5. Een browser die emoticons ondersteunt (niet alle browsers laten de?Smiley WhatsApp,?Thumbs Up Whatsapp,en Drol met ogen WhatsApp zien)
  6. Je online mediamonitor waarmee je ook je webcare organiseert, inregelen voor WhatsApp (ga vooral niet zelf sleutelen of met een telefoon aan de gang)
  7. Een rapport om de prestaties te volgen (hoeveel, hoe snel, hoeveel in ??n keer beantwoord, etc.)

Bronnen: Roosendaal Op Internet, GIC, Frankwatching

 

 

 

 

 

Nieuwe media, nieuwe melden

melden

Je ligt onder je bed en je kunt 112 niet bellen omdat een indringer in je huis rondloopt. Of je bent slechthorend en verstaat de instructies van de centralist niet. Wat doe je dan? Je post tekst- of beeldberichten op social media. Maar die komen niet terecht bij de meldkamer, omdat de systemen hier niet op zijn ingericht. TNO?er Arnout de Vries ziet het met lede ogen aan. Hij is dan ook razend enthousiast als hem om hulp wordt gevraagd.

“Meldingen die burgers via social media doen, bereiken de meldkamer echter niet”

De Vries is expert op het gebied van social media en veiligheid. Hij heeft via onderzoek aangetoond dat hulpverleners ter plaatse effectiever handelen als zij informatie van social media tot hun beschikking hebben. Vervolgens helpt hij bij de realisatie van real time intelligence centers in de nieuwe 112-meldkamers. Van daaruit worden hulpverleners 24/7 voorzien van real time social media informatie. Meldingen die burgers via social media doen, bereiken de meldkamer echter niet.

Laat staan dat tekst- en beeldberichten direct naar de meldkamer gestuurd kunnen worden; er is geen digitaal loket. De ICT-systemen lopen achter bij de nieuwe mogelijkheden die er zijn. Terwijl burgers verwachten dat dit al lang geregeld is. Die kloof moet overbrugd worden voordat burgers en bedrijven hun eigen meldkamer gaan organiseren. Dat risico is volgens De Vries levensgroot aanwezig.

Modernisering meldproces

De technologische en maatschappelijke ontwikkelingen gaan razendsnel. Dat zet de overheid onder druk. Het ministerie van Veiligheid en Justitie en de kwartiermakersorganisatie Landelijke Meldkamer Organisatie (LMO) vragen daarom De Vries om hulp. Zij willen weten waar zij rekening mee moeten houden bij het moderniseren van het meldproces. Welke nieuwe manieren van melden zijn er nu al en welke gaan er in de toekomst ontstaan? Welke kansen biedt dat? Hoe integreer je dat in toekomstbestendig beleid? Om deze vragen te beantwoorden stelt De Vries een klein multidisciplinair team samen van TNO-collega?s. Zij zijn futuroloog, weten veel van het meldkamerdomein, zijn thuis in strategic business analysis en roadmapping of zijn expert op het gebied van nieuwe ICT-toepassingen en veiligheid. Met elkaar verkennen zij de toekomst. Als eerste kijken zij naar de manier waarop de maatschappij zich de komende jaren ontwikkelt. Vier verschillende leefwerelden worden geschetst, met ieder een andere uitwerking op het meldproces.

Toekomstgerichte scenario’s

Voor De Vries wordt het op dat moment duidelijk dat ?het nieuwe melden? van veiligheidsincidenten niet alleen gevolgen heeft voor de LMO in oprichting, maar ook voor de politie. Op zijn advies wordt de politie daarom mede-opdrachtgever. Vervolgens stelt hij samen met zijn teamgenoten toekomstgerichte scenario?s op en gaat daarover de discussie aan met professionals uit het meldkamer- en politiedomein. Dit is een beproefde methodiek om bouwstenen te krijgen voor de roadmap die De Vries wil opstellen. Maar dat blijkt nog een behoorlijke klus te zijn. Zij lopen namelijk tegen de complexiteit van het meldkamer- en politiedomein aan.

Veel partijen willen meedenken en hun mening geven

Veel partijen willen meedenken en hun mening geven. Door hun jarenlange kennis en ervaring weten De Vries en zijn mensen hiermee om te gaan en het te benutten. Zij worden daarbij geholpen door hun opdrachtgevers, die stelling durven nemen en met andere partijen zaken helder afstemmen.

In de startblokken

De Vries en zijn team leveren als resultaat een visie op ?het nieuwe melden? en een roadmap richting 2025. Aan de hand van vier toekomstige leefwerelden laat de roadmap zien welke stappen op korte en lange termijn nodig zijn om het nieuwe melden mogelijk te maken. De Tweede Kamer zal deze routekaart in ontvangst nemen. De Vries is trots op de resultaten. Samen met zijn team heeft hij opnieuw een aanzet tot verandering gegeven. Maar hij denkt ook al weer verder. Om de roadmap te realiseren is het nodig om te experimenteren, te innoveren, te verbinden en samen te werken met het bedrijfsleven. Ook dat pakt De Vries graag op. Energiek heeft hij de eerste stappen alweer gezet?

Om de roadmap te realiseren is het nodig om te experimenteren, te innoveren, te verbinden en samen te werken met het bedrijfsleven.

Bronnen: TNO Time

Nederlandse speurders van Bellingcat

bellingcat_HP_logo_black

Al enige tijd bloggen wij over het Bellingcat?initiatief. Een online platform voor burger-onderzoeksjournalistiek die?op geheel eigen wijze bijdragen?aan de opsporing, zoals een uitgebreide?analyse van de neergehaalde vlucht MH17. Eliot Higgins?startte het initiatief?in de zomer van 2014 op?na?een crowdfunding actie op KickStarter. Binnen exact vier weken?behaalde hij zijn target van 47.000 pond op Kickstarter, nadat hij eerder al via Indiegogo geld binnenhaalde voor zijn Brown Moses-blog?waarop de destijds werkloze boekhouder op systematische wijze vrij toegankelijke informatie op sociale media begon te analyseren en verifi?ren en erachter kwam hoe het?Syrische leger clusterbommen gebruikte.

Met Bellingcat wil Higgins deze vorm van onderzoeksjournalistiek een stap verder brengen en professionaliseren. ?Het is ongelofelijk hoe weinig mensen weten hoe je?open source-onderzoek uitvoert?, zei hij in een eerder?interview?met?Journalism.co.uk. En dat terwijl online content steeds vaker strategisch wordt gebruikt, meent Higgins. Bellingcat ging direct online en werd ingezet bij de analyse van de neergehaalde vlucht MH17.

Inmiddels is er al veel geschreven over Bellingcat, dus hoog tijd om ook wat te horen van de Nederlandse leden die hebben bijgedragen in diverse zaken, waaronder de voor Nederland zo omvangrijke opsporingszaak MH17.

Een interview met?Pieter van Huis

20160224-dwdd-gesprek2_8

Een van die leden is Pieter van Huis. Ik stelde?hem een paar vragen over hoe hij het werk via dit platform ervaart.?Eerder gaf hij een?radio interview?en zat?hij in DWDD:

  1. Kun je wat vertellen over wie je bent en wanneer en hoe je met Bellingcat in aanraking kwam?

Ik ben momenteel aan het afstuderen in geschiedenis. Mijn interesse in de voormalige Sovjet-Unie en de islamitische wereld bracht mij in aanraking met Bellingcat. Ik kende de oprichter, Eliot Higgins, al voordat hij zijn eerste blog was begonnen. Niet persoonlijk, maar we waren actief op hetzelfde forum waarop veel mensen zaten die de conflicten in het Midden-Oosten en later ook Oost-Europa aandachtig volgden. Zo werd ik er getuige van hoe hij, puur als hobby, was begonnen met een blog?waarop hij de wapenhandel richting?Syri? in kaart bracht aan de hand van verzamelde YouTube video?s.

Op een gegeven moment stapte?ik zelf met een onderzoek op hem af?dat uiteindelijk ook op de website werd geplaatst. Nadat hij de eerste opzet van mijn onderzoek had gelezen werd ik uitgenodigd om lid te worden van het Bellingcat MH17-onderzoeksteam. Dit team bestond toen nog slechts uit zeven man. Het team bleef groeien en hield zich uiteindelijk steeds meer bezig met onderwerpen die niet aan de MH17 gerelateerd waren.

  1. Wat is of was jouw motivatie om er zoveel tijd in te stoppen?

Voornamelijk mijn interesse in oorlog en conflicten, maar ook het gevoel iets te willen betekenen voor mensen die groot onrecht is aangedaan. Er komt een soort verantwoordelijkheidsgevoel bij kijken, want veel van de gegevens die wij verzamelen worden weer verwijderd. Als wij deze niet tijdig opslaan dan zijn ze wellicht voorgoed verdwenen.

De meesten van ons, waaronder ikzelf, kunnen echter niet fulltime voor Bellingcat werken. Bijna niemand van ons verdient geld met bijdragen, dus alles gaat ten koste van onze eigen?vrije tijd. Op een gegeven moment bereikt iedereen een punt waarop hij uitgeput lijkt te raken. Zo ben ik zelf ook lange tijd inactief geweest, of semi-actief omdat ik simpelweg geen tijd en energie over had.

  1. Noem een paar voorbeelden van projecten waar jij je voor hebt ingezet.

Mijn eerste onderzoek ging over de gevechten en gewelddadigheden in de stad Marioepol op 9 mei 2014. Oekra?ense soldaten werden er in de media van beschuldigd dat zij opzettelijk op burgers hadden geschoten. Deze beschuldigingen speelden een belangrijke rol in de Russische propaganda en werden soms ook overgenomen in de internationale media. Ze werden echter nooit goed geverifieerd. Vooraf leek het geen groot onderzoek, maar uiteindelijk groeide het uit tot een groot onderzoek dat enkele maanden kostte om in mijn eentje te voltooien.

victim4impact

Met een grondige analyse kon ik aantonen dat er zich in Marioepol iets heel anders had afgespeeld. Uit de beschikbare beelden op social media bleek dat militanten verkleed als burgers bezig waren met de bestorming van een politiebureau. Een aanval die opzettelijk werd gepleegd op een beladen feestdag om zo een confrontatie met het publiek uit te lokken. Ook schoten mensen vanachter de menigte met vuurwapens op de soldaten. Het belangrijkste was echter dat ik kon aantonen dat Oekra?ense soldaten niet opzettelijk op burgers schoten. Wel waren ze onprofessioneel bezig. Zo schoten ze herhaaldelijk voor de voeten van betogers om zo de menigte op afstand te houden. Een getrainde militair weet echter dat hij dat op straat nooit moet doen, want de kogel ketst af (ricochet).

ShootingLocation1

Verder heb ik ook kunnen bijdragen aan het MH17-onderzoek. In eerste instantie leek het lastig om in te haken in een onderzoek dat andere leden al veel langer bezig hield. Echter, op een gegeven moment raakte een aantal van de onderzoekers duidelijk uitgeput. Toen schoot ik te hulp. Mede doordat bleek dat ik goed kon samenwerken met Daniel Romein (hieronder meer over hem), ??n van de meest actieve leden en ook?Nederlander, heb ik uiteindelijk toch belangrijke bijdragen kunnen leveren.

  1. Wat zijn voorbeelden van mooie resultaten die je gezien hebt in de diverse?Bellingcat?projecten?

Dan denk ik meteen aan de onderzoeken naar de gifgasaanval op de buitenwijken van Damascus. Nu heb ik veel heftige beelden uit Syri? voorbij zien komen, maar de video?s van zwaargewonde kinderen door gifgasaanvallen blijven mij het meeste bijstaan. De beelden die Eliot wist te verzamelen en te lokaliseren tonen duidelijk aan dat het Syrische leger verantwoordelijk moet zijn geweest voor deze misdaad. Een belangrijk gegeven, want zowel Syri? als Rusland wijzen tot op de dag van vandaag met de vinger naar hun politieke tegenstanders (een bekende tactiek).

Het onderzoek toonde ook aan dat de buitenlandse inlichtingendiensten nog weinig?gebruik maakten van open-source intelligence. Als reactie op de gifgasaanval leek de VS van plan om militair in te grijpen tegen Assad. Het was dus in hun eigen belang om met goed bewijs te komen. Het Witte Huis gaf vervolgens een kaart vrij met daarop de vermeende frontlinies die de beschuldigingen slecht ondersteunde. De met gifgas gevulde raketten hadden een bereik van maximaal ongeveer drie kilometer, terwijl de kaart van de Amerikanen de illusie gaf dat het Syrische leger op grotere afstand was gestationeerd. Met het verzamelen en lokaliseren van alle relevante beelden kon Eliot echter aantonen?dat het Syrische leger diezelfde dag binnen het bereik van de raketten bezig was met een legeroperatie.

  1. Wat voor soort mensen zijn lid van Bellingcat? (van begin tot nu)

Dat is vrij divers. Ik moet daarbij meteen onderscheid maken tussen de inzenders en de leden van het onderzoeksteam. Veel journalisten, zowel beginners als mensen met een lange staat van dienst, hebben onderzoeken aangeleverd bij Bellingcat die op de website worden geplaatst. Het voordeel voor hen is dat Bellingcat geen woordenlimiet heeft, in tegenstelling tot de meeste mediakanalen. Bovendien wordt alleen goed onderzoek geaccepteerd, waardoor de publicaties meteen al veel aandacht krijgen.

Dan is er nog het onderzoeksteam waar iemand alleen op uitnodiging bij kan komen. Momenteel hebben bijna 20 mensen toegang tot alle lopende onderzoeken, maar slechts de helft daarvan is actief. De leden komen uit verschillende Europese landen, de Verenigde Staten en het Midden-Oosten. De meeste leden daarvan zijn al vaders met een gemiddelde leeftijd van ergens in de 30, maar de laatste tijd zijn er steeds meer studenten bijgekomen. Ook hebben we nu ??n vrouwelijk lid.

De meest actieve leden van het onderzoeksteam heb ik leren kennen als mensen met een grote interesse in internationale betrekkingen en mensenrechten. Een aantal hebben journalistiek of Russisch/ Arabisch gestudeerd en hielden zich eerder al professioneel bezig met gerelateerde onderwerpen. Anderen zijn ICT’er, maar ook bij hen is de interesse in de buitenlandse politiek leidend. In principe hoef je geen bijzondere ICT-kennis te hebben voor open-source onderzoek, maar ik merk wel op dat alle leden bijzonder snel kunnen omgaan met computers en internet.

  1. Hoe blijft Bellingcat objectief en onafhankelijk?

In principe door ook onderzoeken te doen of te accepteren die niet populair zullen zijn bij de eigen regeringen van de leden. Onze critici verspreiden doorgaans het bericht dat wij alleen de belangen behartigen van NAVO-landen. Dit is onterecht, want een aantal onderzoeken op Bellingcat kaarten ook de misstanden aan van NAVO-landen of partners daarvan. Veel mensen weten bijvoorbeeld niet dat Eliot als eerste bekendheid kreeg toen hij liet zien dat wapens die geleverd werden met hulp van de CIA in de handen waren gekomen van jihadisten. Dit bracht het Witte Huis alleen maar in verlegenheid.

Het blijft voor ons echter het meest uitdagend om tegen staatspropaganda in te gaan en deze is nou eenmaal het sterkst in niet-democratische landen. Dit is ook wat het publiek lijkt te interesseren. Zo werd er door ??n van ons een artikel geschreven?over de Amerikaanse luchtaanvallen op het ziekenhuis in Kunduz (Afghanistan). Dit onderzoek bleek minder populair te zijn, want de VS gaf vrij snel toe verantwoordelijk te zijn geweest voor de burgerslachtoffers. Als zij in de ontkenning waren geschoten, zoals Rusland structureel doet, dan was het onderzoek waarschijnlijk veel populairder geweest.

  1. Hoe verandert Bellingcat? Wordt Bellingcat professioneler? Wordt het commerci?ler? Waar werkt het wel of niet mee samen?

Echt commercieel zal Bellingcat nooit worden, schat ik zo in. In principe geven we de onderzoeken gratis vrij. Soms houden we ongecensureerde versies achterwege die alleen worden gedeeld met politie en justitie. In beide gevallen wordt er geen winst mee gemaakt. Misschien dat in de toekomst onderzoeken voor een geldbedrag aan kranten kunnen worden verkocht, maar ook dat zie ik niet snel gebeuren.

Eliot is wel continu op zoek naar sponsoren om de teamleden zelf te kunnen betalen voor hun diensten. Zelf krijgt hij een beurs van Google, die net hoog genoeg is om ??n ander lid in een salaris te voorzien. Samen beheren zij de website. Ook is er in het verleden samengewerkt met de Atlantic Council (een Amerikaanse denktank) om een rapport over Russische soldaten in Oost-Oekra?ne te promoten. Hier werd uiteindelijk een korte documentaire over gemaakt door Vice. Een salaris voor iedereen lijkt op korte termijn echter niet re?el. Niemand van de teamleden weet zeker of hij of zij lang door kan blijven gaan op puur vrijwillige basis.

  1. Hoe worden taken en werk verdeeld??

We maken gebruik van Slack voor de communicatie en het uitwisselen van bestanden. Elk onderzoek heeft zijn eigen kanaal en leden kiezen zelf of zij zich hiervoor aanmelden. De leden kunnen vervolgens zelf een bijdrage aan een onderzoek doen. Er worden eigenlijk nooit verwachtingen gecre?erd, want het blijft vrijwilligerswerk, maar mensen met een specialisatie of de juiste talenkennis worden doorgaans gevraagd om te assisteren.

  1. Kun je voorbeelden geven van het validatieproces van Bellingcat en eventuele methoden of tools?die daarbij gebruikt worden??

Eigenlijk maken we niet zoveel gebruik van speciale tools. Als we een interessante bron vinden (foto?s, video?s, tweets, facebookberichten, etc.) dan valideren we deze vooral door meer bronnen te verzamelen. E?n bron is geen bron, maar met meerdere bronnen kunnen we echter nagaan of alles overeenstemt.?Letten op de kleinste details, zoals schade aan gebouwen, weersomstandigheden en de stand van de zon is dan belangrijk.

Soms schakelen we de hulp in van derde partijen. Zo hebben journalisten ons in het verleden geholpen door foto?s te nemen van bepaalde plekken om belangrijke filmopnames te verifi?ren. Ook hebben we eerder met behulp van crowdfunding satellietfoto?s opgekocht. Deze tonen aan dat het Russische ministerie van Defensie opzettelijk gemanipuleerd MH-17 bewijs heeft aangeleverd. Zonder crowdfunding was dat niet gelukt, want ??n satellietfoto kost al snel meer dan duizend Euro.

  1. (Wanneer) Zou je het anderen aanraden om ook mee te doen??

Als iemand grote interesse heeft in de buitenlandse politiek en snel is met computers. Ik denk dat het onderzoeken van social media in de toekomst een steeds grotere rol zal geen spelen. Niet alleen in de journalistiek, maar ook in de politiek, het strafrecht, de terreurbestrijding en bij mensenrechtenactivisme. Je specialiseert je daarmee in iets waar nog maar weinig mensen verstand van hebben. Bovendien is het erg interessant; ik heb nog nooit zoveel geleerd over de wereld als in de afgelopen twee jaar.

  1. Welke gevaren zie je voor (werk of leden van) Bellingcat?

Dat is moeilijk in te schatten. In principe is ons werk veel veiliger dan het met een camera naar de frontlinies trekken (wat enkelen van ons ook doen, zoals ons nieuwste Nederlandse lid Christiaan Triebert). Wel zijn er veel mensen die niet blij zijn met ons werk. De meesten van ons werken vanuit landen die bescherming kunnen bieden, mocht het ooit uit de hand lopen. Anderen werken vanuit niet-democratische landen en moeten wel een schuilnaam gebruiken.

  1. Welke kansen of toekomst zou jij graag zien voor Bellingcat of soortgelijke initiatieven?

Ik zou vooral willen zien dat er in de media meer ruimte komt voor langdurige onderzoeksjournalistiek. Nu moeten veel journalisten het doen met een mager salaris en zijn kranten en journalen alsmaar bezig met het samenvatten van de laatste berichtgeving. Vandaag de dag hebben velen van hen steeds meer moeite om op eigen?poten te blijven staan, dus misschien biedt een investering in een andere en nieuwe manier van onderzoek voor hen nieuwe perspectieven.

0ecdd85f-89a0-43d2-9be2-93feea43869d

‘Daniel Romein’

Een ander Nederlands lid is Daniel Romein, een pseudoniem, dat zich stortte op het MH17 onderzoek en er bijna een obsessie van maakte. “Ik ben er in mijn hoofd erg vaak mee bezig”, zegt de man die?met de Volkskrant?sprak in een caf?.

Onwennig gaat hij zitten. Hij heeft een vriendelijk gezicht. Af en toe schiet zijn blik met een ruk naar rechts. Dan kijkt hij wie er buiten in de regen loopt. ‘Ik probeer de tegenstander altijd een stap voor te zijn’, zegt hij. Met tegenstander bedoelt hij de Russen. Hij wil voorzichtig zijn. ‘Als ict’er weet ik welke maatregelen ik moet nemen.’

Hij?werkt in het geheim voor onderzoekscollectief Bellingcat. Bijna niemand die het weet. Familie, vrienden, collega’s: de meesten hebben geen idee. Hij houdt de kring graag klein. Zelf schat hij het aantal op maximaal tien. Het afgelopen jaar onderzocht hij in de avonduren welke Russische militairen betrokken waren bij het neerschieten van vlucht MH17.

Zijn computer als wapen. Urenlang kijkt hij naar dat scherm en struint hij Russische sites en sociale media af. Hij doet het vrijwillig, naast een baan als ict’er. Soms wordt het laat – 2 uur ’s nachts – en zit hij met kleine ogen de volgende morgen op kantoor. Soms ziet hij het even niet meer zitten. Dan gaat het stroef en kan hij er met niemand over praten.

Hoewel hij nooit in Oost-Oekra?ne is geweest, staat de kaart van het rebellengebied in zijn hoofd geprent. Dan praat hij over dat ‘ene weggetje bij de grens met Sjeverny’, alsof hij er staat: ‘Voor de grens, die overigens niet helemaal duidelijk is, moet je door een nauw straatje, door een straat die over een heuvel gaat met een scherpe haarspeldbocht, of door een stuk grasland. De militaire voertuigen kiezen duidelijk voor dit laatste en gaan niet over de heuvel met haarspeldbocht omdat dat een moeilijke manoeuvre is.’

Het begint allemaal met het neerstorten van de MH17 in Oost-Oekra?ne. De beelden kan hij moeilijk loslaten. De ramp is voor hem een mix van ontzetting en obsessie met de landen die het treft: Nederland, Oekra?ne en Rusland. Al langer interesseert hij zich voor die regio. Lang geleden leerde hij Russisch. Toen de Russen de Krim binnenvielen, zocht hij naar informatie over de geschiedenis van de Krim. Net zoals toen de oorlog in Oost-Oekra?ne begon.

Romein is binnen Bellingcat degene die zich honderden, misschien wel meer dan duizend uren verdiepte in het zoeken?naar sporen op social media van militairen die betrokken zijn bij het neerhalen van het vliegtuig van Malaysia Airlines. Dat leidde tot een?rapport?dat vandaag is gepubliceerd.

“De ramp heeft mij enorm aangegrepen”, verklaart Romein?zijn motivatie. “Ik vond het zo afschuwelijk. Ik was zo kwaad. Ook al ken ik geen van de slachtoffers persoonlijk. Ik wilde weten welke idioten hierachter zaten.”

Er zit toch een risico aan dit werk, want ik weet dat de Russen echt niet blij zijn met onze onderzoeken.

In het meer dan 100 pagina’s tellende rapport staat niet?wie op de knop van de installatie heeft gedrukt waarmee de?Buk-raket is gelanceerd. Maar binnen een?groep van zo?n twintig?Russische officieren en soldaten van het Tweede Bataljon van de 53ste Brigade uit Koersk weet men volgens Romein wel wie het heeft gedaan. “We weten zeker dat het Tweede Bataljon de Buk-installatie naar de grens met Oekra?ne heeft gebracht.”

Bezeten bezoekt hij allerlei webfora. ‘Ik wilde weten wie het had gedaan.’ Mensen op Nederlandse fora blijken slecht ge?nformeerd. Al snel struint hij Oekra?ense en Russische fora af. De informatiestroom gaat hard.?Onderzoekscollectief Bellingcat komt na een paar dagen al met de eerste rapporten over mogelijke Russische betrokkenheid.?Romein stopt zijn zoektocht. Totdat Bellingcat in september met een nieuw rapport komt en Rusland aanwijst als herkomstland van de BUK. Romein heeft een nieuw onderzoeksdoel: ‘Ik ben daarna gaan kijken naar ander Russisch materieel dat naar Oekra?ne was gegaan.’

Hij bekijkt foto’s die Russische militairen op VKontakte zetten en ontdekt zo steeds meer over het gebied en de Russische militaire aanwezigheid. Zijn topografische kennis heeft hij voornamelijk van Google en de Russische tegenhanger Yandex. Voor het lokaliseren van gevonden foto’s kijkt hij naar amateurbeelden van dashcams – camera’s die de weg filmen tijdens het rijden. Uren dwaalt hij zo vanuit zijn kamer door het grensgebied tussen Rusland en Oekra?ne.

De Nederlander die vanuit huis het MH17-gebied uitkamde

Het overzicht stuurt hij in november naar Elliot Higgins, de Britse oprichter van Bellingcat. Die bedankt hem per kerende post vriendelijk. Twee weken later krijgt hij wederom een mail van Higgins. Romein: ‘Hij was onder de indruk, of ik meer wilde doen.’ Dat doet hij. Er is mailcontact en Higgins vraagt Romein of hij bij ‘de groep’ wil komen.

Wat dat inhoudt, kan Romein moeilijk toelichten. Er is geen selectiecommissie, hij hoeft geen brief te sturen of een telefonisch interview te doen. Hij ontmoet niemand. Higgins heeft hij nooit de hand geschud. Eigenlijk verandert er niets. Nou ja, hij krijgt toegang tot de ‘i-kanalen’ van Bellingcat: een informatieplatform waar leden van Bellingcat elkaar berichten sturen. De berichten zijn versleuteld. Romein is dan het zevende lid van Bellingcat.

Rond Kerst mailde Romein namens Bellingcat de bevindingen naar het Openbaar Ministerie (OM), dat de leiding heeft over het internationale strafrechtelijk onderzoek naar de ramp met vlucht MH17. Het?OM liet weten “de informatie serieus te zullen onderzoeken en beoordelen op bruikbaarheid voor het strafrechtelijk onderzoek”. Begin van dit jaar berichtte de?NOS hierover.

Vanaf januari stort hij zich volledig op de 53ste luchtafweergeschutbrigade van het Russische leger. De BUK-installatie is door het tweede bataljon van deze brigade naar de grens met Oekra?ne gebracht. Romein wil de namen en foto’s hebben van de militairen die het transport begeleidden. Zo wil hij de daders van MH17 vinden.

Romein is een van de elf medewerkers van Bellingcat die met het onderzoek bezig zijn geweest; hij schreef het grootste deel van het rapport. Maar over zijn rol wil hij in het openbaar niets vertellen. “Er zit toch een risico aan dit werk, want ik weet dat de Russen echt niet blij zijn met onze onderzoeken.”

Bovendien wil hij dat de aandacht uitgaat naar het vinden van de daders, niet naar hem. En dus wil Romein anoniem blijven. Alleen zijn collega?s bij Bellingcat kennen zijn ware identiteit. “Ik heb soms het gevoel een dubbelleven te leiden.”

Ontdekkingen

Romein is sinds november 2014 actief voor Bellingcat. Niet dat de ICT’er enige ervaring heeft als journalist. Wel beheerst hij de Russische taal enigszins en heeft hij naar eigen zeggen?iets met fotografie. “Voor dit werk moet je veel foto?s bekijken. Ik merk dat ik de gezichten van mensen goed kan herkennen, ook al is de foto niet scherp.”

Maar Romein weet uit eigen ervaring dat je pas iets aan dit soort vaardigheden hebt, als je ook de motivatie en de bereidheid hebt om veel tijd in een onderzoek te steken. Sinds hij voor Bellingcat onderzoek doet, besteedde Romein na zijn werkdag bijna iedere avond aan speurwerk. Ook hele weekeinden gingen eraan op.

Tijdens zijn sessies, die soms tot diep in de nacht duurden, deed hij veel ?ontdekkingen?. “De laatste was afgelopen najaar toen ik een officier op een recente foto herkende. Hij staat ook op een foto van de brigade uit 2013 in dezelfde functie. Het zou raar zijn als hij in 2014 een andere functie had.”

Zijn speurtocht naar de waarheid begon al direct na 17 juli 2014. Lezend op verschillende internationale en Russische internetfora vond hij aanwijzingen: namen, foto’s van militair materieel. Maar met de informatie kon hij niet veel. Pas toen hij een?publicatie van Bellingcat las, over de ontdekking dat MH17 door een Russische Buk-raket is?neergehaald, en toen hij oprichter Eliot Higgins in een televisieprogramma erover hoorde praten, besloot hij contact op te nemen.

Zijn verzamelde ‘bewijs’ werd positief ontvangen en Romein mocht als zevende vrijwilliger meezoeken. Al na een paar maanden publiceerde hij zijn eerste?artikel: de mogelijke lanceerlocatie van de Buk-raket. Daarna stortte hij zich samen met collega?s op het reconstrueren van het Tweede Bataljon van de 53ste Brigade.

Online vindt hij handgeschreven presentielijsten van de brigade. Ze vermelden wie er in de cruciale periode in het bataljon zaten. Het zijn er veel te veel, hij moet verder selecteren. Hij vindt een pagina van studenten van een technische universiteit uit Rusland. Toevallig bezochten zij een legerbasis waar de 53ste brigade was. Zo komt Romein stapje voor stapje dichterbij. Het is een lastig proces. Soms spannend, soms frustrerend en eenzaam. ‘Ik ben er zoveel tijd aan kwijt en vraag mezelf geregeld af: waarom doe ik dit eigenlijk?’

Hoewel hij op het Russische VKontakte steeds meer soldaten in het vizier krijgt, mist hij belangrijke informatie over de officieren. Dat blijkt op een andere profielensite te staan, Odnoklassniki, waar school- en klasgenoten elkaar kunnen vinden. Een goudmijn. ‘Eerst dacht ik: het zou al mooi zijn als we de betrokken soldaten kunnen identificeren. Maar we vonden nu ook de officieren.’

Alle officieren blijken met elkaar gelinkt te zijn in Odnoklassniki. Er is alleen een valkuil: ze kunnen zien wie hun profiel heeft opgevraagd. Romein lost het op door voor een paar euro per maand een profiel te kopen waarmee hij onzichtbaar door andere profielen kan zoeken. ‘Ik ben verbaasd over hoeveel de Russen delen. Het bewijs ligt voor het oprapen.’

De foto's van 'potenti?le getuigen en daders', zoals Bellingcat schrijft, zijn verzameld op sociale media.

Maanden werkt hij eraan om het plaatje compleet te krijgen. Om de officieren te vinden die betrokken moesten zijn bij het transport van de BUK-installatie. In de 53ste brigade zaten ongeveer 300 militairen en zo’n 60 officieren. Ongeveer eenderde daarvan zat bij het tweede bataljon. ‘Ik vond ze bijvoorbeeld doordat ik iemand herkende bij een oefening van de brigade. Als je dat ziet in 2013 en weer in 2015, is het aannemelijk dat die persoon er in 2014 ook bij zat.’

Hij begint weer bezield te vertellen over zijn bevindingen en het gebied. Alsof hij ineens ter plekke is. ‘In dat dorpje kun je allerlei richtingen op. Daarna moet je onder een spoorbrug door. Het gaat de diepte in. De brug blijkt 4,50 meter hoog te zijn en de BUK kan daar niet onderdoor en heeft zeer waarschijnlijk een zijweg genomen. Alleen lagen er barricaden voor een treinrails. Maar die kunnen tijdelijk weggehaald zijn op 17 juli 2014, of ze hebben er iets opgelegd, zodat de BUK er toch over kon rijden.’

In de zomer loopt Romein even vast. Hoewel het rapport bijna af is, vindt hij het niet goed genoeg. Hij heeft er samen met een ander lid van Bellingcat aan gewerkt. Maar hij heeft niet genoeg informatie, niet genoeg namen en niet genoeg bewijs. Hij gaat alleen verder.

In zijn zoektocht naar nieuw bewijs heeft hij in oktober een prettige meevaller. Op de pagina van de officieren van de 53ste verschijnt ineens extra informatie. Meer foto’s, meer bewijsmateriaal. De puzzel is dan bijna af. ‘Ik heb het gevoel dat we de daders op de hielen zitten. We vermoeden wie er betrokken zijn geweest, maar alleen van de commandant staat de betrokkenheid vast.’

Het resterende bewijs zal hij niet kunnen vinden, zegt Romein. Want er zijn belangrijke omissies. Niet iedereen heeft nog een profiel op sociale media. De commandant van de brigade haalde die van hem er al snel af. Ook specifieke informatie over het BUK-transport op de dag van 17 juli 2014 is nauwelijks te vinden.

Het belangrijkste: niemand weet wie de BUK over de grens met Oekra?ne heeft gebracht. Dat valt niet meer uit openbare bronnen te halen. Romein: ‘Dan kom je bij informatie van inlichtingendiensten.’ En dat is een taak voor het internationale team dat een strafrechtelijk onderzoek uitvoert naar het neerhalen van de MH17.

De Nederlander die vanuit huis het MH17-gebied uitkamde

Romein sprak twee keer met ze. Hij gaf hun een paar weken geleden zijn hele rapport, inclusief al het ruwe materiaal. Foto’s, screenshots, routes, uploaddata. Hoewel zij hem niets konden vertellen over het mogelijke bewijsmateriaal, was hij onder de indruk van hun kennis. ‘Zij weten echt veel, dat kon ik opmaken uit de gesprekken. Veel meer dan ze tot nu toe gepubliceerd hebben.’

Getuige

Dat hun werk serieus wordt genomen, blijkt wel uit de reacties die Bellingcat krijgt van het?Joint Investigation Team. Dat voert het strafrechtelijk onderzoek uit naar de ramp met MH17 onder leiding van het Nederlandse OM.?”Ze zijn blij met onze inspanningen en ons werk. Ze prijzen het dat burgers op deze manier de politie bij een onderzoek helpen en moedigen dit zeker aan”, zegt Romein, die geregeld?contact heeft met rechercheurs van het JIT.

Zo heeft hij op uitnodiging van het JIT al meerdere keren informatie met het team gedeeld over het Bellingcat-onderzoek. Oprichter Eliot?Higgins werd twee keer als getuige gehoord.

Ondanks al hun inspanningen heeft?Bellingcat geen hard bewijs kunnen leveren?wie de Buk-raket heeft afgevuurd. “Dat we dat niet hebben kunnen vinden, is jammer. Maar het was?wel te verwachten”, zegt Romein. “Geen enkele Russische soldaat zal na het neerschieten van een vliegtuig met onschuldige passagiers trots op social media zeggen dat hij daarvoor verantwoordelijk was.”

MH17 rusland top

Hij is er nu bijna klaar mee. Romein wil het rustiger aan gaan doen. Het kost hem te veel energie. Ook omdat alles wat over de MH17 gaat gepolitiseerd is. Hij heeft nooit Rusland willen aanwijzen als de hoofddader, hij heeft onderzoek willen doen. ‘Ik heb juist altijd wat met Rusland gehad. Ik ben ook gaan inzien dat je Rusland niet van alles in de oorlog de schuld kunt geven.’ Maar ja, de MH17 werd nu eenmaal neergeschoten door een BUK-raket van de Russen, zegt Romein. Vergoelijkend: ‘Ze hebben het niet met opzet gedaan. Daar heb ik geen twijfel over. Niemand had daar een belang bij. Het zit alleen niet in de Russische cultuur om een fout toe te geven.’

eliot H

Hoe de Nederlandse Bellingcat-onderzoekers tot hunbevindingen kwamen

  • Reconstructie
    Legt foto’s, screenshots, routes en uploaddata naast elkaar om de namen te reconstrueren van de mannen die op 17 juli 2014 in de regio waren
  • Eindrapport
    Geeft alle ruwe materialen, screenshots, profieldata en aantekeningen aan het internationale onderzoeksteam en schrijft eindrapport over MH17
  • Vkontakte
    Speurt op VKontakte, de Russische tegenhanger van Facebook, naar Russische militairen: ontdekt meer over het gebied en de Russische aanwezigheid
  • Route
    Haalt topografische kennis van Google en Yandex (Russische zoekmachine), construeert op die manier de route die Russisch materiaal naar grens aflegt
  • Dashcams
    Lokaliseert gevonden foto’s aan de hand van amateurbeelden van dashcams
  • Namen
    Zoekt afgeschermde profielen op VKontakte met Google, zo achterhaalt hij namen van de 53ste luchtverdedigingsbrigade
  • Presentielijsten
    Vindt online handgeschreven presentielijsten van de brigade, ze vermelden wie er in de cruciale periode in het bataljon zaten
  • Meer namen
    Ziet een webpagina van studenten van een technische universiteit uit Rusland. Zij bezoeken toevallig een basis van de 53ste brigade. Vindt zo meer namen
  • Ontbrekende stukken
    Vindt officieren op de profielensite Odnoklassniki en stuit er onverwachts op de ontbrekende stukken in de puzzel

Het laatste rapport: