Categoriearchief: Publicaties

Kijk uit! Burger op de uitkijk

In het coalitieakkoord (mei 2018) heeft de gemeente Den Haag aangegeven dat ze WhatsApp-groepen in de buurt willen ondersteunen (Neighbourhood WhatsApp Groups: NWAG’s). Het doel van de ondersteuning is het vergroten van de burgerparticipatie en het verbeteren van het veiligheids- en veiligheidsgevoel in de wijk. Momenteel is er geen stadsbrede benadering om buurtwhatsappgroepen te ondersteunen.

Momenteel is er geen stadsbrede benadering om NWAG’s te ondersteunen. De vraag is dus: hoe kan een ondersteuningsstructuur worden opgezet voor het succes op lange termijn van NWAG’s? Dit wordt in dit ontwerpproject beantwoord en ondersteund door het onderzoek dat gedurende het project is uitgevoerd.

Voor het opzetten van een succesvolle ondersteuningsstructuur is inzicht verkregen in de wensen voor ondersteuning en de bijdragen van de steun die in andere gemeenten wordt gegeven. De moeilijkheid voor politie en gemeente is dat ze veel aannames hebben met betrekking tot het ondersteunen van NWAG’s. Hoewel deze veronderstellingen in werkelijkheid niet bestaan of opgelost kunnen worden, houden ze de politie en de gemeente tegen om te beginnen met het geven van (delen van) de steun die bewoners verlangen.

Het onderzoek toonde ook aan dat ondersteuning zeer wenselijk is voor bewoners. Het aantal inwoners dat een NWAG start en onderhoudt, neemt toe als er enige vorm van ondersteuning wordt gegeven. Bewoners willen hulpmiddelen ontvangen om een NWAG op te zetten en willen informatie uitwisselen met politie en gemeente over hun buurt. Bewoners vinden het evident en vanzelfsprekend dat de gemeente de NWAG’s op deze manier ondersteunt en begrijpt niet waarom dit nog niet het geval is.

De co?rdinator van een NWAG heeft een centrale rol, aangezien hij de NWAG beheert. Daarom was het doel van het ontwerp om ondersteuning te cre?ren voor co?rdinatoren. Het principe van het maken van een WhatsApp-beheerdersgroep (WWAG) wordt gebruikt, omdat die groep alle co?rdinatoren in een wijk, een gemeentebeambte en (wijk) politie bevat. De focus ligt op het helpen van bewoners om een NWAG te starten, co?rdinatoren aan te sluiten bij de WWAG en te schetsen wat WWAG zou moeten doen.

Op basis van het gebruikersonderzoek zijn de volgende ontwerprichtlijnen opgesteld om ondersteuning te bieden aan co?rdinatoren:

1. Houd informatie bij evenals activiteiten over veiligheidsgerelateerde onderwerpen.

2. Presenteer informatie en activiteiten eenvoudig, zodat het doel duidelijk is.

3. Streef ernaar om co?rdinatoren bij de besluitvorming te betrekken bij het instellen en uitvoeren van WWAG van bepaalde taken die de WWAG onderhouden.

4. Leg geen verplichtingen op aan co?rdinatoren om lid te worden van de WWAG.

5. Maak duidelijke afspraken tussen alle WWAG-leden voor wederzijds begrip.

6. Toon waardering voor de co?rdinatoren in persoon.

7. Bied praktische hulpmiddelen die co?rdinatoren ondersteunen, voornamelijk in de startfase.

De ontworpen?ondersteuningsservice bestaat uit twaalf contactpunten. Touchpoints zijn middelen om interacties tussen co?rdinatoren en de ondersteuningsdienst tot stand te brengen. De touchpoints tonen de minimale middelen die de gemeente zou moeten gebruiken om ondersteuning te bieden aan NWAG’s.

De ondersteunende dienst helpt bewoners bij te dragen aan een veilige buurt om in zichzelf te leven. Dit verhoogt de participatie van bewoners evenals gemeentelijke en politie-ambtenaren in de buurt.

Dit rapport toont het proces van het ontwikkelen van de touchpoints en legt de richtlijnen en touchpoints in detail uit, evenals de implementatie van de touchpoints.?

E. Wennekers (2018). Watch it! Resident on the lookout: Design of a support service for neighborhood WhatsApp groups.

[slideshare id=126175212&doc=masterthesiselkewennekers-181218082009&type=d]

[slideshare id=126175394&doc=posterelkewennekers-181218082328&type=d]

[slideshare id=126175606&doc=appendixelkewennekers-181218082725&type=d]
Bronnen: TUDelft

Eerste hulp bij cyberincidenten? Update het meldproces!

Door: Petra Vermeulen en Arnout de Vries, eerder?gepubliceerd in tijdschrift voor de politie

Een nepmail van de bank, online shoppen op een malafide website, een naaktfoto die op het internet belandt, bitcoins moeten betalen om toegang tot een computer terug te krijgen, of niet kunnen internetbankieren door een DDoS aanval. Cyberincidenten treffen onze samenleving steeds vaker.[1]?De impact van deze cyberincidenten kan groot zijn. Zelfs z? groot dat iemand besluit een einde aan het leven te maken. In 2017 pleegde de 15-jarige scholier Onur zelfmoord, na het ontdekken van naaktfoto?s op sociale media.[2]

Hoewel de gevolgen ernstig kunnen zijn, blijft het aantal meldingen van cyberincidenten beperkt. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) concludeerde in september 2017 dat driekwart van de cyberdelicten niet wordt gemeld.[3]?Dit terwijl er naar schatting ruim 2,5 miljoen cyberdelicten werden gepleegd en melden belangrijk is een compleet beeld van cyberincidenten (online diefstal, verstoringen, configuratiefouten, et cetera) te krijgen om trends te kunnen signaleren, te kunnen anticiperen op ontwikkelingen en om te prioriteren in wat er moet worden aangepakt. Volgens de?Cyber Security Raad?(CSR) moeten het meld- en aangifteproces plus de opvolging ervan dan ook worden verbeterd door het proces eenvoudiger te maken.[4]?Maar hoe ziet het huidige proces er precies uit? Waar is nog ruimte voor verbetering? En wat betekent dit voor de?Landelijke Meldkamer Samenwerking? De door TNO uitgevoerde korte verkenning ?Melden Cyberincidenten? pakt deze vragen op.

De korte verkenning leert dat het meldproces voor cyberincidenten nu nog is ingericht vanuit een klassiek veiligheidsoogpunt. Voor vitale aanbieders met een directe link naar de nationale veiligheid is er een centraal meldpunt ingericht. Vanuit veiligheidsoogpunt is dit begrijpelijk. Vitale processen zijn essentieel voor onze samenleving. Uitval of verstoring van deze processen leidt tot ernstige maatschappelijke ontwrichting of vormt een bedreiging voor de nationale veiligheid. De overheid werkt via het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) dan ook samen met de vitale aanbieders, inlichtingendiensten, en hulpverleners om crisisbeheersing goed te regelen.[5]?Maar voor andere partijen als bedrijven en burgers, die vooral persoonlijke schade ondervinden, is er geen centraal meldpunt. En dat is een gemiste kans, want een dergelijk centraal en landelijk meldpunt is wel nodig.

In de eerste plaats zijn incidenten in de cyberwereld niet los te zien van de fysieke wereld. Toegegeven, cyberincidenten bij bedrijven of burgers hebben veelal geen directe gevolgen voor de nationale veiligheid. Ook hebben dergelijke incidenten niet altijd gevolgen voor de fysieke veiligheid. Daarom is de noodzaak van het melden bij deze doelgroepen anders dan bij vitale aanbieders of klassiek 1-1-2 gebruik. Maar er kunnen wel degelijk fysieke gevolgen voortkomen uit een cyberincident. Cyberincidenten hebben zelfs steeds vaker fysieke impact op personen, bedrijven, overheid of de openbare orde en, zoals de zaak van de 15-jarige Onur aantoont, kunnen incidenten verregaande schade veroorzaken waarbij zelfs mensenlevens in gevaar komen.[6]

Ten tweede is er voor burgers nu geen centrale partij die helpt dreigingen zoveel mogelijk te mitigeren, waardoor deze groep relatief kwetsbaar is. Zeker, er zijn veel meldpunten beschikbaar, verdeeld over diverse type incidenten. Zo kan men voor spam terecht bij de website spamklacht (onderdeel van de Autoriteit Consument & Markt), voor kinderporno bij het Meldpunt Kinderporno, voor grooming, sexting, sextortion, voor online seksueel misbruik bij helpwanted.nl, voor identiteitsfraude bij het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI) van de rijksoverheid en voor phishing (bankfraude) bij de eigen bank, internetprovider of politie. Maar de veelvoud aan meldpunten maakt het voor burgers lastig om snel het juiste meldpunt te vinden.

Weinig prikkels
Een centraal meldpunt zou dus een verbetering zijn, maar er valt meer te verbeteren blijkt uit de verkenning. Zo toont de verkenning aan dat er weinig handelingsperspectieven worden geboden, zelfs niet als er bij de politie aangifte wordt gedaan. Hierdoor zijn er vermoedelijk weinig prikkels om (nogmaals) te gaan melden. Ook de 1-1-2 meldkamer biedt nog geen eenduidige handelingsperspectieven bij cyberincidenten. Dit terwijl de meldkamer voor burgers een essenti?le ?lifeline? is, een reddingsboei bij alle acute hulpvragen.[7]

Een centraal (uit maatschappelijk oogpunt ingericht) meldpunt of noodnummer zou dan ook een plek moeten zijn waar burgers terecht kunnen voor zowel informatie over bijvoorbeeld aanwezige kwetsbaarheden en dreigingen, als voor preventieadvies (wat te doen om te voorkomen dat je slachtoffer wordt) en hulpverlening (wat te doen als je t?ch slachtoffer wordt).

Het niet-vitale bedrijfsleven bevindt zich overigens in een vergelijkbare situatie als de burgers. Ook hier kennen online incidenten regelmatig fysieke gevolgen. Denk bijvoorbeeld aan verstoring door een DDoS aanval, of een datalek zoals bij de commerci?le datingsite Ashley Madison waarbij (e-mail)adressen, telefoonnummers, geboortedata, foto?s en versleutelde wachtwoorden op straat kwamen te liggen. Leden ontvingen daarop ook fysieke bedreigingen en vreesden zelfs voor hun leven.[8]

Net als bij burgers heeft ook deze doelgroep te maken met versnippering in het meldlandschap en een gebrek aan handelingsperspectieven. Men heeft het gevoel dat melden geen zin heeft.[9]?Voor concrete hulp zijn bedrijven nu aangewezen op (kostbare) private ICT-dienstverleners. Er is nog geen eenduidige (nood)hulp bij maatschappelijke onrust of schade in de keten als gevolg van een cyberincident. Weliswaar heeft de overheid in 2018 een?Digital Trust Center?(DTC) opgezet om de cyberweerbaarheid van bedrijven te verbeteren, maar het DTC biedt slechts enkele handelingsperspectieven via een doorverwijspagina, en is op zichzelf geen meldpunt (dus ook geen noodnummer) of CERT.[10][11]?Het DTC is momenteel vooral gericht op het beperken van economische schade via informatiedeling, niet op het inrichten van maatschappelijke hulpverlening.

Concluderend zijn er voor vitale aanbieders en niet-vitale bedrijven diverse processen opgezet om de cyberweerbaarheid te verhogen en cybercrises te mitigeren. Voor burgers is dit echter nog niet het geval, waardoor deze groep bijzonder kwetsbaar is. Bij cyberincidenten is er daarnaast geen enkele vorm van hulpverlening beschikbaar: spoed of niet.

Dit alles zorgt ervoor dat bedrijven en burgers weinig worden gestimuleerd om incidenten te melden. Men heeft het gevoel dat dit geen zin heeft. Om het melden van cyberincidenten voor deze groepen te stimuleren en om ervoor te zorgen dat ook in de online wereld burgers en bedrijven geholpen worden bij acute hulpvragen, is een update nodig: een update naar ??n online meldpunt, een update van de samenwerking tussen meldpunten en vooral een update van de geboden handelingsperspectieven. Alleen zo zal het melden van cyberincidenten meer zin krijgen.

Dit artikel maakt onderdeel uit van het onderzoeksprogramma Het Nieuwe Melden. Dit multidisciplinaire onderzoeksprogramma voert TNO uit in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid, het programma LMS en de verschillende partners in het meldkamerdomein. De publicatie wordt breed verspreid om de opgebouwde kennis ten goede te laten komen aan het gehele meldkamerdomein en ook aan aanpalende domeinen. De publicatie kan tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven niet gezien worden als het beleidsstandpunt van betrokken partijen.

[1]?VTM Groep, 2018. ?Aantal cybersecurity incidenten in 2017 bijna verdubbeld?. Februari 2018. Beschikbaar via:?https://www.vtmgroep.nl/nieuws/aantal-cybersecurity-incidenten-in-2017-bijna-verdubbeld

[2]?Tweede Kamer, 2017. ?Beantwoording Kamervragen over zelfmoord ten gevolge van sexting?. April 2017. Referentie 1167229. Beschikbaar via:?https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/04/10/beantwoording-kamervragen-over-een-zelfmoord-ten-gevolge-van-sexting/beantwoording-kamervragen-over-een-zelfmoord-ten-gevolge-van-sexting.pdf

[3]?Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 2017. Driekwart van de cybercrimedelicten niet gemeld. Datum: 25-09-2017. Beschikbaar via:?https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/39/drie-kwart-cybercrimedelicten-niet-gemeld

[4]?Cyber Security Raad (CSR), 2017. Naar een landelijk dekkend stelsel informatieknooppunten ? Advies inzake informatie-uitwisseling met betrekking tot cybersecurity en cybercrime. CSR-advies 2017 nr 2. Beschikbaar via:?https://www.cybersecurityraad.nl/binaries/CSR-advies%202017%20nr.%202%20-%20Naar%20een%20landelijk%20dekkend%20stelsel%20van%20informatieknooppunten_tcm56-269317.pdf

[5]?Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), 2018. ?ICT Response Board? ; ?Information Sharing and Analysis Centers (ISAC?s)?; en ?Weerbare Vitale Infrastructuur?. 2018. Beschikbaar via:?https://www.ncsc.nl/samenwerking/ict-response-board.html?en?https://www.ncsc.nl/samenwerking/isacs.html?en?https://www.nctv.nl/binaries/18.%20Factsheet%20Vitale%20Infrastructuur_tcm31-32336.pdf

[6]?Tweede Kamer, 2017. ?Beantwoording Kamervragen over zelfmoord ten gevolge van sexting?. April 2017. Referentie 1167229. Beschikbaar via:?https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2017/04/10/beantwoording-kamervragen-over-een-zelfmoord-ten-gevolge-van-sexting/beantwoording-kamervragen-over-een-zelfmoord-ten-gevolge-van-sexting.pdf

[7]?Gebaseerd op Wet Veiligheidsregio?s, ? 6., artikel 35

[8]?Vice News, 2015. ?How the Ashley Madison Hack Could Threaten People?s Lives?. Beschikbaar via:?https://news.vice.com/article/how-the-ashley-madison-hack-could-threaten-peoples-lives

[9]?Forum, VNO-NCW, 2016. Forum-onderzoek: nationale politie heeft ondernemers niets opgeleverd. En opiniestuk: Help, ik ben gehackt! D?t kun je dan verwachten van de politie. Beschikbaar via:?https://www.vno-ncw.nl/forum/forum-onderzoek-nationale-politie-heeft-ondernemers-niets-opgeleverd. En:?https://www.vno-ncw.nl/forum/help-ik-ben-gehackt-d%C3%ADt-kun-je-dan-verwachten-van-de-politie-0

[10]?VNO-NCW, 2018. ?Factsheet Digital Trust Centre (DTC)?. Maart 2018. Beschikbaar via:?https://www.vno-ncw.nl/meer-informatie/factsheet-digital-trust-centre-dtc

[11]?CERT staat voor Computer Emergency Response Team, en wordt ook wel CSIRT (Computer Security Incident Response Team) genoemd. Het zijn aparte organisaties of organisatieonderdelen die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, isoleren en mitigeren van computer- en informatiebeveiligingsincidenten in computers of netwerken. Daarmee wordt de beschikbaarheid van informatiestromen en diensten gegarandeerd. In Nederland hebben de vitale aanbieders vaak een eigen CERT/CSIRT. Daarnaast is er een nationale CERT/CSIRT voor de rijksoverheid: NCSC-NL. Zie ook:?https://www.cert.nl/

Bron: Tijdschrift voor de politie

Burgerparticipatie in het politiedistrict Oost-Utrecht: kwalitatief onderzoek naar de kansen

Auteurs: Roelof Benning en Job Nauta

Onveiligheid wordt in toenemende gezien als maatschappelijk probleem. Dit komt door de nieuwe opvattingen over de verhouding tussen burgers en de overheid sinds de jaren tachtig.
In het verleden werd de burger bij criminaliteit en overlast vooral om een passieve reactie gevraagd (politie bellen en niets doen), terwijl we nu zien dat er een actieve bijdrage wordt verwacht in de strijd tegen onveiligheid. We zien vandaag de dag dan ook steeds vaker allerlei vormen van samenwerking met de burger.

In het politiedistrict Oost-Utrecht hebben een aantal incidenten plaatsgevonden waarbij er sprake was van een grote maatschappelijke impact, grote burgerbetrokkenheid en ook samenwerking met de burger. Denk hierbij aan een serie autobranden in Den Dolder en de zaken Romy en Savannah en Anne Faber.

De omvang van deze zaken, de verwachting dat de intensiteit en frequentie van burgerparticipatie alleen maar toe zal nemen en het gebrek aan kennis over burgerparticipatie binnen het district, zijn aanleiding geweest voor dit onderzoek. De centrale vraag van dit onderzoek luidt:

Waar liggen volgens de literatuur, politiemensen en burgers de kansen voor district Oost- Utrecht met betrekking tot burgerparticipatie?

We hebben deze vraag door middel van een kwalitatief onderzoek beantwoord. Naast het bestuderen van literatuur, hebben wij een vragenlijst onder politiemensen uitgezet en een tweetal focusgroepinterviews uitgevoerd. Deze interviews voerden wij met burgerrechercheurs uit Den Dolder en buurtvaders in Amersfoort.

We hebben onderzocht wat het begrip burgerparticipatie inhoudt en hoe het wordt omschreven. Het begrip burgerparticipatie is geen zwart-wit-begrip. Hoe het wordt gedefinieerd, hangt vaak af van de context waarin het gebruikt wordt en het referentiekader van de betreffende persoon of instantie. De opbrengsten van burgerparticipatie zijn de toename van het veiligheidsgevoel, meer vertrouwen in de politie, een afschrikwekkende preventieve werking op criminaliteit en overlast, een grotere meldingsbereidheid en daarmee samenhangend, een betere informatiepositie.

Vervolgens zijn we in de literatuur op zoek gegaan naar succes- en faalfactoren, randvoorwaarden en aanbevelingen op het gebied van burgerparticipatie. Belangrijke factoren voor burgerparticipatie zijn betrokkenheid, vertrouwen, eigenaarschap, sociale kracht, zelfredzaamheid en respect voor burgers. Best persons, sleutelfiguren in participatienetwerken, hebben een belangrijk aandeel in de samenwerking met burgers.

Onze derde deelvraag richtte zich op hetgeen er binnen het district geregeld is met betrekking tot burgerparticipatie, hoe politiemensen de samenwerking met de burger ervaren en wat zij daarbij nodig hebben. In het Inrichtingsplan en Deelrealisatieplan Midden- Nederland wordt het belang van burgerparticipatie op landelijk en eenheidsniveau benadrukt. In het district is weinig vastgelegd of geborgd. Het is overigens niet zo dat er niets gebeurt.

Op één basisteam na, hebben alle basisteams en de districtelijke recherche een operationeel expert of specialist die burgerparticipatie in zijn portefeuille heeft. De activiteiten richten zich echter voornamelijk op social media en het beheren van WhatsAppgroepen. Daarnaast kent het district de bondgenotenaanpak. Politiemensen geven aan overwegend goede ervaringen met burgerparticipatie te hebben, maar zij missen wel tijd, middelen en kennis. Uit de resultaten van de focusgroepinterviews blijkt dat zij burgerparticipatie voornamelijk zien als het fungeren als ogen en oren voor de politie. Zij spreken overwegend positief over hun samenwerking met de politie. Communicatie en terugkoppeling worden

genoemd als belangrijke punten in de samenwerking. Daar waar de politie duidelijk uitleg gaf en het belang van de samenwerking benadrukte, was te zien dat er daadwerkelijk een gedragsverandering bij de burgers plaatsvond. De kracht van burgerparticipatie is door de samenwerking met burgerrechercheurs en buurtvaders duidelijk aangetoond.

Conclusie en aanbevelingen
Ons onderzoek laat het belang van burgerparticipatie zien. De twee kansen die wij voor het district Oost-Utrecht op het gebied van samenwerking zien, zijn het ontwikkelen en uitbreiden
van de vormen van burgerparticipatie die momenteel in het district worden uitgevoerd en het uitbreiden van de rol van portefeuillehouders burgerparticipatie.

De eerste kans voor ons district richt zich op het uitbreiden en borgen van burgerparticipatie in het district. Burgerparticipatie zou structureel in meer vormen moeten worden ontplooid. Met uitzondering van de coördinatie van WhatsAppgroepen, het verspreiden van informatie via social media (zoals burgerparticipatie in de meeste portefeuilles is vormgegeven) en de bondgenotenaanpak, kenmerkt burgerparticipatie in het district zich als incidenteel en gericht op improvisatie en ad-hocsituaties. Succesvolle voorbeelden van burgerparticipatie, zoals de samenwerking met burgerrechercheurs en buurtvaders, komen gefragmenteerd voor.

De tweede kans, het uitbreiden van de rol van de portefeuillehouders, ligt in het feit dat zij als best persons in de organisatie en in de samenwerking met burgers een sleutelrol kunnen vervullen in het ontwikkelen van burgerparticipatie. Op dit moment geven collega’s die met burgerparticipatie zijn belast aan, dat zij over onvoldoende tijd en kennis beschikken om burgerparticipatie te ontwikkelen. Dat resulteert momenteel in een beperkte benutting van het potentieel dat burgerparticipatie in zich heeft.

Aanbevelingen
De aanbevelingen richten zich op de twee ontwikkelingsmogelijkheden die in de conclusie zijn benoemd. De aanbevelingen per kans zijn:

1. De uitbreiding en borging van burgerparticipatie
– Formuleer een gezamenlijke visie op burgerparticipatie.
– Organiseer structurele en functionele samenwerking met burgers.
– Borg kennis en ervaring, maak portefeuillehouders daarvoor verantwoordelijk.
– Faciliteer participerende politiemensen in tijd.

2. De uitbreiding van de rol van portefeuillehouders burgerparticipatie
– Breid het aantal verantwoordelijken voor burgerparticipatie uit.
– Faciliteer portefeuillehouders in tijd en kennis.
– Breid de portefeuille burgerparticipatie uit.
– Organiseer een structureel (ontwikkelings)overleg tussen portefeuillehouders.

Tot slot hebben wij een denkkader opgesteld met onze belangrijkste bevindingen. Deze kan worden gebruikt bij de ontwikkeling van burgerparticipatie in het district en is in het hoofdstuk met conclusies en aanbevelingen te vinden.

Lees of download hier het onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425371&doc=kansenvoorburgerparticipatiedistrictoostutrecht-200909071257&type=d]

Bron: Politieacademie

Vergroten burgerparticipatie bij de aanpak van georganiseerde hennepteelt

Vergroten burgerparticipatie bij de aanpak van georganiseerde hennepteelt in Zeeland-West-Brabant, auteur Ayse Demirtas

Zuid-Nederland is een van de concentratiegebieden van ondermijnende criminaliteit, met name op het gebied van hennepproductie. Vooral in Noord-Brabant, maar tevens in Limburg en Zeeland wordt veel hennep geproduceerd, waarbij zeer grote winsten worden gemaakt. Georganiseerde misdaad brengt echter grote schade toe aan de Nederlandse samenleving. Er is sprake van (financiële) vermenging van de onderwereld met de bovenwereld, ondermijning van het openbaar gezag en invloed van criminele macht. Hoewel de politie zich intensief bezig houdt met de aanpak van georganiseerde hennepteelt, vindt de teelt van hennep nog altijd op grote schaal plaats. Derhalve is nog een langdurige en intensieve inzet vereist. De aanpak van georganiseerde hennepteelt is lastig zonder actieve betrokkenheid en bewustwording van maatschappelijke organisaties en burgers. Burgers staan in principe open voor de initiatieven van de politie om hen mee te laten helpen bij de opsporing, zoals de Amber Alert en Burgernet.

De bereidheid ligt echter laag wanneer het de hennepteelt betreft. Burgers blijken dan niet te praten en houden hun mond dicht. Er is behoefte aan het vergroten van burgerparticipatie, specifiek bij de opsporing van georganiseerde hennepteelt in het werkgebied van de eenheid Zeeland-West-Brabant. Er is echter sprake van een gebrek aan kennis over de wijze waarop burgerparticipatie thans plaatsvindt en hoe dit verbeterd kan worden. Eerdere onderzoeken naar de burgerparticipatievormen zijn namelijk gedateerd. Bovendien is het niet specifiek gericht op de aanpak van hennep en ook niet op het werkgebied van de eenheid Zeeland-West-Brabant. Aangezien burgerparticipatie vanwege technologische ontwikkelingen onderhevig is aan veranderingen, is de kans echter groot dat er inmiddels nieuwe burgerparticipatievormen zijn ontstaan. Derhalve is er sprake van een kennislacune op dit gebied en is er behoefte aan dit scriptieonderzoek. Door te achterhalen wat de overwegingen van burgers zijn om al dan niet bij te dragen aan de opsporing, zouden vervolgens de redenen om niet te participeren weggenomen kunnen worden en kan de samenwerking met burgers worden vergroot. De doelstelling van dit onderzoek is tweeledig. Op de eerste plaats moet het onderzoek inzicht geven in de wijze waarop burgerparticipatie bij de opsporing van georganiseerde hennepteelt thans plaatsvindt in Zeeland-West-Brabant. Ten tweede dient zicht verkregen te worden op de positieve en negatieve overwegingen van burgers die een rol spelen bij de meldingsbereidheid.

Burgers kunnen verschillende redenen hebben om wel of niet te participeren bij de aanpak van georganiseerde hennepteelt. Zowel positieve, als negatieve overwegingen of belangen kunnen een rol spelen. Betreffende de negatieve overwegingen neemt de burger bewust de beslissing om géén melding te doen. Dat kan bijvoorbeeld komen door angst voor problemen of wraak, vanwege familierelaties of vanwege het eigen belang. Maar de burger kan ook onbewust geremd worden in het doen van meldingen, namelijk vanwege gebrek aan kennis. Daarbij kan gedacht worden aan het gebrek aan kennis over de geur van hennep en de hennep gerelateerde gedragingen, waardoor burgers niet in staat zijn om deze activiteiten eventueel te linken aan hennep. Daardoor blijven meldingen uit. De positieve overwegingen stimuleren de burgers om wel te participeren bij de aanpak van hennep. Middels interviews hebben de respondenten twee extra positieve overwegingen toegevoegd die nog niet uit de literatuur en politie-interviews naar voren kwamen. Burgers worden onder andere gestimuleerd door hun verantwoordelijkheidsgevoel, normen en waarden en de veiligheid van hun kinderen.

Het vergroten van burgerparticipatie kan op twee manieren gerealiseerd worden, namelijk door te investeren in zowel de negatieve als positieve overwegingen. Ten eerste kan dat door de negatieve overwegingen aan te pakken en de belemmeringen die burgers ervaren proberen weg te nemen. In sommige gevallen zal dat echter lastiger zijn dan in andere gevallen. Dat is het geval als er sociale relaties of familiebanden in het spel zijn. Op de tweede plaats kan burgerparticipatie worden vergroot door de positieve overwegingen te stimuleren, want die doorbreken de andere redenen (drempels) waarom burgers niet zouden willen meewerken. Gebleken is dat er voorlichting gewenst is op meerdere gebieden, te weten: MMA, TCI, over de geur van hennep en de hennep gerelateerde gedragingen van criminelen. Bovendien willen burgers terugkoppeling en transparantie. Tot slot is ook voorlichting gewenst ten behoeve van de positieve overwegingen, zodat deze (wederom) aangewakkerd kunnen worden en de burgers triggeren om te melden.

Lees of download hier het gehele onderzoeksrapport:

[slideshare id=238425354&doc=vergrotenburgerparticipatiebijdehennepteelt-200909071205&type=d]

Bron: Politieacademie

#Burgerparticipatie in de opsporing

Kennis uit afstudeeronderzoeken van recherchekundigen gebundeld voor de politiepraktijk, Auteur: Jerôme Lam (2018).

De laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de rol van de burger in het opsporingsproces. In de Strategie Aanpak Criminaliteit 2011-2015 benoemt de Raad van Korpschefs cocreatie met burgers expliciet als een van de hefbomen die bijdragen aan het verhogen van de effectiviteit van het politiewerk. Door samenwerking met burgers kan de slagkracht van de politie verhoogd worden.

De Raad van Korpschefs stelt dan ook vast: ‘Burgerparticipatie als onderdeel van de aanpak van criminaliteit, moet veel meer een structureel en essentieel onderdeel worden van de strategie en aanpak.’ Ook in het koersdocument ‘Naar een toekomstbestendige opsporing’ krijgt de burger een belangrijke rol toebedeeld.

Dit inzicht in het belang van burgers is niet nieuw. Burgers zijn altijd al een belangrijk onderdeel geweest voor het opsporingsproces. Niet in de minste plaats als slachtoffer, aangever en getuige. In de meeste gevallen is hetgeen de burger heeft gedaan, weet of heeft laten weten de start van het onderzoeksproces. Uit onderzoek is bovendien bekend dat de politie grotendeels afhankelijk is van informatie van burgers om haar werk goed te kunnen doen. De burger is daarmee een cruciale factor voor de effectiviteit van de politie.

De rol die de burger speelt binnen het opsporingsproces is echter wel aan verandering onderhevig. Maatschappelijke ontwikkelingen dragen eraan bij dat de burger zelfstandiger, mondiger en kritischer wordt. Burgers nemen steeds vaker zelf het initiatief en worden hier ook toe uitgenodigd door de overheid. Technologische ontwikkelingen maken onder andere dat burgers meer informatie tot hun beschikking hebben en deze sneller en verder kunnen delen. De beschikbaarheid van kennis, expertise en informatie onder burgers maakt de burger niet alleen nog belangrijker als bron van informatie, het maakt ook dat deze steeds beter in staat is om zelfstandig opsporingshandelingen te verrichten. Deze ontwikkelingen zijn van invloed op de relatie van de burger tot de politie en het opsporingsproces.

Eén van de manieren om de relatie tussen burger en overheid, in dit geval politie, weer te geven is de zogenaamde participatieladder. Een veel gebruikte variant die is toegespitst op de Nederlandse situatie is de participatieladder van Edelenbos en Monnikhof. Dit model bestaat uit vijf niveaus, waarbij bij iedere trede de mate van gelijkwaardigheid en wederkerigheid toeneemt.

Het laagste niveau bestaat uit informeren, en neemt vervolgens toe van raadplegen en adviseren naar (bijna) volledige gelijkwaardigheid op de niveaus van coproduceren en meebeslissen.

De treden (niveaus) van de participatieladder worden in de komende paragrafen gebruikt om de geanalyseerde onderzoeken te presenteren. Per trede zal eerst een korte toelichting worden gegeven, waarna het podium wordt gegeven aan de onderzoeken die inzichten bieden met betrekking tot hoe burgerparticipatie op het betreffende niveau kan bijdragen aan de opsporing.

Deze bundel is gebaseerd op originele scripties van recherchekundigen. De credits voor de inhoud van deze uitgave gaan uit naar de recherchekundigen die deze scripties hebben geschreven. De lijst van de recherchekundigen en hun scripties is achter in deze bundel in bijlage 1 opgenomen. Tekstdelen zijn soms letterlijk uit de scripties overgenomen om zo dicht mogelijk bij de brontekst te blijven en zo min mogelijk zelf te interpreteren. Ieder thema in deze reeks start met een korte inleiding waarin de context van de onderwerpen uit de afstudeeronderzoeken wordt geschetst. De voor deze reeks geselecteerde scripties zijn de bron van iedere inleiding, voor de leesbaarheid volstaat hier daarom de eenmalige verwijzing naar de betreffende scripties (bijlage 1) die zijn gebaseerd op het onderzoek van de recherchekundigen (bijlage 2) waarvoor ze wetenschappelijke literatuur (bijlage 3) hebben gebruikt en toegepast. Voor de leesbaarheid wordt hier niet
apart verwezen naar diverse bronnen.

De presentatie van de vergaarde kennis over het thema in deze reeks volgt een vaste structuur. Allereerst wordt het thema ingeleid en dan volgen de onderdelen: korte uitleg van het onderzoek, de conclusies, de aanbevelingen en eventuele kanttekeningen van de auteur van de Reku reeks onder het kopje ‘goed om te weten’. Voor meer achtergrondinformatie zijn de scripties op verzoek in te zien via de betreffende recherchekundigen.

Achterin de bundel is een bijlage opgenomen met relevante literatuur c.q. naslagwerken (aanbevolen literatuur) voor wie meer wil lezen over het onderwerp. Bijlage 2 bevat voor de geïnteresseerden een overzicht met de onderzoeksmethoden die in de scriptie-onderzoeken  zijn gebruikt.

Lees of download het gehele rapport:

[slideshare id=238425325&doc=burgerparticipatieindeopsporing-200909070952&type=d]

Bron: Politieacademie

Lessen uit crises en mini-crises 2017

De angst voor fipronil in eieren zorgde er in de zomer van 2017 voor dat de consumptie van eieren drastisch afnam. Dit terwijl de hoeveelheid fipronil in de besmette eieren dermate laag was dat het gezondheidsrisico verwaarloosbaar was. Hoe manage je een crisis waarbij de risicoperceptie groter is dan het daadwerkelijke risico? Met welke dilemma’s heb je te maken in de crisiscommunicatie? Dit is een van de casus die beschreven worden in de nieuwe bundel Lessen uit crises en mini-crises 2017.

“Met dit zesde jaarboek staat de teller inmiddels op 99 casus”, vertelt lector Crisisbeheersing Menno van Duin. “En ook dit keer is er weer een aantal rode draden te ontdekken. In verschillende casus speelt opzet een rol bij het veroorzaken van het probleem. Dat gold voor de fipronil-casus, maar ook voor de cyberaanval op Maersk en voor de Friese actievoerders die de anti-zwartepietenlobby een halt wilden toeroepen.” Een ander terugkerend thema is de timing van maatregelen. “Zo zijn er crisissituaties waarbij de timing wordt ingegeven door de bron van het probleem. Toen orkaan Irma over Sint Maarten en Caribisch Nederland getrokken was, werd direct noodhulp verleend. Daarnaast zijn er situaties waarin min of meer gestuurd kan worden op het moment of de wijze van ingrijpen. Een goed voorbeeld daarvan is de sluiting en ontruiming van camping Fort Oranje, waarbij de veiligheidsregio een bijzondere rol vervulde”, aldus Van Duin.

Rotterdamse aanpak van mini-crises

De uitgave werd vanmiddag gepresenteerd tijdens een plug-in kennissessie waarin werd stilgestaan bij enkele mini-crises. Frank Paauw, politiechef in Rotterdam, vertelde over de komst van de Turkse minister en het kampioenschap van Feyenoord en hoe de lokale driehoek deze twee totaal verschillende mini-crises heeft aangepakt. Arjen Boin, hoogleraar aan de Universiteit Leiden, reflecteerde op mini-crises en ontwikkelingen in crisismanagement. De veranderende rol van de GGD bij crisissituaties werd belicht door Annemieke van der Zijden, directeur bij GGD West-Brabant.

Voor wie?

Lessen uit crises en mini-crises 2017 is geschreven voor bestuurders en professionals werkzaam op het terrein van crisisbeheersing en veiligheidsmanagement.

[slideshare id=238339635&doc=2018-ifv-lessen-uit-crises-en-mini-crises-2017-200831110034&type=d]

Download Lessen uit crises en mini-crises 2017

Lessen uit crises en mini-crises 2017

Bron: IFV

Doe-het-zelfsurveillance

WhatsApp-buurtpreventiegroepen zijn goed voor de sociale cohesie in de buurt, maar je vangt er nauwelijks boeven mee. Dit blijkt uit onderzoek van Mehlbaum onderzoek, de Vrije Universiteit en het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van Politie en Wetenschap. De onderzoekers volgden meer dan een jaar zes WhatsApp-buurtgroepen in Almere, Amstelveen, Amsterdam en Tilburg. Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De wijkagent heeft vaak nauw contact met beheerders en blijft zo op de hoogte van wat er speelt in de wijk. Daarnaast kan de politie de WhatsApp-buurtgroepen voeden met informatie over bijvoorbeeld actieve dadergroepen in de buurt, zodat buurtbewoners hiernaar uit kunnen kijken en preventiemaatregelen kunnen treffen. Hier ligt een kans voor de politie om de verbinding met de wijk te verbeteren, in het bijzonder met buurten die gelden als zogenaamde ?hot spots? of waar weinig contact is met buurtbewoners.

WhatsApp-buurtgroepen zijn een wijdverspreid fenomeen in Nederland en duizenden Nederlanders helpen mee om hun buurt in de gaten te houden en delen verdachte situaties met elkaar. In hoeverre dit daadwerkelijk bijdraagt aan sociale veiligheid is echter nog nauwelijks onderzocht. Dit onderzoek heeft, op basis van een analyse van chatgeschiedenissen en gesprekken met beheerders en andere buurtbewoners, politie- en gemeentemedewerkers, in kaart gebracht wat zich allemaal afspeelt in deze appgroepen. Ook werd gekeken welke maatschappelijke gewenste en ongewenste gevolgen dit met zich meebrengt.

Uit het onderzoek blijkt dat buurtbewoners elkaar door de WhatsApp-buurtgroepen (beter) leren kennen en dit mondt vaak uit in andere vormen van contact, zoals een buurtbarbecue of een gezamenlijke Facebookgroep. Het initiatief voor deze groepen komt vaak vanuit een enthousiaste buurtbewoner die het beheer op zich neemt en de huisregels in de groep handhaaft.
De invloed van de appgroepen op sociale veiligheid lijkt echter beperkt. Respondenten wijzen vooral op de preventieve werking van de appgroepen om inbraken of andere delicten te voorkomen. Of dit daadwerkelijk zo is, is echter lastig hard te maken. Buurtbewoners delen wel verdachte situaties met elkaar, maar dit heeft slechts in 1 casus (Amsterdam) geleid tot aanhoudingen. Behalve dat buurtbewoners relatief weinig verdachte situaties opmerken, vari?rend van 0.08 tot 1,5 per maand, melden ze ook niet alle verdachte situaties aan de politie.

Politie en gemeente hebben wel baat bij de WhatsApp-buurtgroepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting te voorkomen. Deelnemers aan de groepen weten hierdoor wat wel en niet geoorloofd is in de groepen en wijzen elkaar hier op. Ongewenste uitwassen zijn we dan ook nauwelijks tegengekomen in de geanalyseerde appgroepen.
De actieve inzet van buurtbewoners voor de veiligheid van hun buurt, roept echter ook verwachtingen op. Buurtbewoners willen graag terugkoppeling ontvangen, wanneer ze een melding doen bij de politie. Uit het onderzoek blijkt dat dit vaak niet gebeurt, waardoor niet duidelijk is op de meldingen opgevolgd zijn door de politie. Ook verwachten buurtbewoners ondersteuning van de gemeente als het gaat om preventiebordjes of -stickers. Per gemeente wordt hier verschillend mee omgegaan en dit kan leiden tot onvrede onder buurtbewoners.

[slideshare id=120818321&doc=doe-het-zelfsurveillance-181026101007&type=d]

Bronnen: Politie en Wetenschap

Internettrollen vervuilen het web met gevaarlijk gedrag

Op het internet duiken steeds meer spookaccounts op, die nepnieuws verspreiden. Deze internettrollen zijn ook verantwoordelijk voor online haatmisdrijven en kunnen de rechtsorde bedreigen. Hoe kunnen online veiligheid en leefbaarheid gewaarborgd worden in de 21ste eeuw?

– Een artikel van Arnout de Vries geplaatst in Secondant

Sociale media zijn breed beschikbaar en worden door jong en oud en onschuldige maar soms ook kwaadwillende personen gebruikt. We kennen sociale media vooral als een geweldig middel om met elkaar verbonden te raken via chat en door (vakantie)foto?s te delen. Toch kan je niet alleen je hart luchten met andere gebruikers, maar ook mensen isoleren, van anderen vervreemden en vernederen. Dit varieert van kleine pesterijen tot regelrechte oorlogsvoering. Want kinderen?gamen online, maar in dezelfde spelletjes zitten vaak ook neonazi?s, zoals in het online oorlogsspel Clash of Clans. Soms zitten zij in eenzelfde chatsessie met jonge, zeer be?nvloedbare kinderen. Toezicht op de online normoverschrijdingen is beperkt, of afwezig.

Het zogeheten trollen als vorm van normoverschrijdend gedrag online neemt toe. Trollen kan beginnen met pesten, maar verergeren tot intimideren en stalken. Het kan slachtoffers zelfs tot zelfmoord drijven. Als dit online gedrag de veiligheid en leefbaarheid schaadt, komt het als verschijnsel in beeld bij de overheid.

Veiligheidsconferentie

In mei dit jaar werd in Londen een internationale veiligheidsconferentie gehouden over ?trolling?. Onderzoekers en specialisten uit bedrijfsleven en overheden vanuit meer dan 15 Europese landen kwamen bijeen om de kansen voor een vernieuwde aanpak te bespreken. Ook de bedreigingen van deze ontwikkelingen kwamen aan bod. Al deze partijen uit de veiligheidssector hebben als doel om het internet veiliger en leefbaarder te maken.*

De techniek heeft zich in de afgelopen jaren zodanig ontwikkeld dat internet een vanzelfsprekendheid is voor veel mensen. Echter, ook anonimiteit door encryptietechnieken en het gebruik van kunstmatige intelligentie worden steeds normaler. De internetgedragscodes veranderen sinds het ontstaan ervan mee, maar: Wat is acceptabel en wat niet? Wat staan we met moderne technologie toe en wat niet? Nieuwe ontwikkelingen bieden nieuwe kansen, maar vormen ook nieuwe bedreigingen. Op het wereldwijde web zijn de meningen verdeeld over hoe ver vrijheid van meningsuiting mag gaan en elk socialemediaplatform hanteert hierbij zijn eigen huisregels. Socialemediaplatforms dulden bijvoorbeeld alleen echte mensen en toch duiken steeds meer valse en machinegestuurde accounts op om te trollen.

Dilemma?s in moeizame aanpak trollen

De conferentie focuste op preventie en interventies in handhaving en vervolging met aandacht voor sociale en technologische innovaties.?Best practices?werden gedeeld, zoals die van John Donovan, werkzaam bij?The Online Hate Crime Hub?van de Metropolitan Police. Sinds 2017 pakken de speciaal getrainde politieagenten online misstanden aan. De Hub onderzoekt meldingen van online haatmisdrijven, waaronder racisme en discriminatie gericht op beperking, religie, of geaardheid en acteren hierop, voor zover mogelijk. Donovan benoemde diverse juridische obstakels bij het trollen, zoals onduidelijke wettelijke kaders die de vervolging van trollen bemoeilijken. Ondersteuning van het slachtoffer staat dan wel centraal bij de Hub, maar als slachtoffers niet willen meewerken aan verdere actie blijven trollen vaak anoniem en ongestraft. Daarmee gaat dan weer geen afschrikkende werking uit tegen herhaling.

Normloosheid van gamingplatforms

Gamingplatforms werden expliciet uitgelicht, omdat het normoverschrijdende gedrag hierin n?g prominenter lijkt. Cybercriminoloog Thomas-Gabriel R?diger vergeleek online games met een fysieke speeltuin: rond de spelende kinderen zien we borden met simpele gedragsregels en ouders die vanaf een bankje wat toezicht houden. Online houdt niemand zo toezicht. Via online??speeltuinen??zoals Minecraft, Roblox en MovieStarPlanet worden steeds meer kinderen het slachtoffer van?grooming, terwijl ouders denken dat ze een onschuldig spelletje spelen.

Online zijn gedragsregels op zijn minst anders te noemen, maar eigenlijk vaak afwezig. Wat vinden we van deze normloosheid? R?diger liet zien hoeveel online groepen met nazinamen in de game Clash of Clans te vinden zijn, hoe die gesprekken verlopen en ook met welk gebrek aan online normen het spel soms gespeeld wordt. Naast dit spel zijn er vele games waarin gecommuniceerd wordt, via tekst, maar ook via spraak, zoals bijvoorbeeld het populaire schietspel Fortnite: 100 spelers strijden tot de laatste overblijft. Een spel waarin de norm lijkt dat online alles geoorloofd is om maar die laatste te zijn.

Sterkte-zwakteanalyse

De conferentie resulteerde op grond van de vele voorbeelden in een sterkte-zwakteanalyse, waarbij kansen en bedreigingen werden benoemd voor een effectievere aanpak voor veiligheidspartijen die trollen willen aanpakken: *

Figuur 1> SWOT-analyse van aanpak trollen door veiligheidsdiensten

Trollen bedreigen de rechtsorde

Trollen vindt niet alleen plaats op individueel niveau. Uit?onderzoek?van?NRC?bleek dat Russische internettrollen op Twitter probeerden anti-islamsentimenten in Nederland aan te wakkeren. Dit gebeurde vanuit een??trollenfabriek? in Sint-Petersburg, het beruchte Internet Research Agency (IRA). Dat beheerde zeker 3841 trol-accounts. Sommige tweets zijn door de nepaccounts verstuurd op de dag van de aanslagen in Brussel, 22 maart 2016, andere ten tijde van de Nederlandse verkiezingen.

Volgens Facebook is 2 tot 3 procent van hun accounts vals, maar experts schatten dat het eerder 10 procent is. Ook Twitter heeft last van miljoenen spookaccounts. Bij de grote zomerschoonmaak verwijderde Twitter?70 miljoen nepaccounts. Facebook blokkeerde zelfs?1.3 miljard accounts.

Internettechnologie

Twitter-directeur Jack Dorsey beklaagde zich er onlangs over hoe fictieve accounts zijn berichtendienst misbruiken. Hij wil weer een gezond debat met echte mensen, maar heeft geen idee hoe de klok terug te draaien. Internettechnologie ontwikkelt zich intussen verder. Volgens sommige trendwatchers is 2018 het jaar van de??social bot??(online robotaccounts die communiceren). Veel omarmen dat in hun klantgerichte dienstverlening. Nu al kan een computer kunstmatig aangemaakte portretfoto?s genereren en voorzien van namen. Accounts aangedreven door kunstmatige intelligentie worden dan een?chatbot. Je kunt nu al een bot maken die praat als president Trump en nieuwe ?Trump-uitspraken? doet op basis van oude uitspraken.

Onder kinderen zijn social bots enorm populair. Opeens kunnen ze chatten met Minions, die precies praten zoals in de film. Minion-bots bieden ook producten aan: ?Heb je al aan papa en mama verteld dat een nieuwe Minion-film uitkomt?? Chinese kinderen vertrouwen hun diepste geheimen toe aan dit soort?bots, terwijl kinderen vaak erg be?nvloedbaar zijn. Papa en mama weten ondertussen niet welke informatie hun kinderen delen en welke informatie gedeeld wordt.

Nederlandse trollen hadden in 2012 al een aantal keren flinke impact. Een jongen twitterde bijvoorbeeld tijdens Project X dat een meisje was overleden. Hij deed dit voor de lol en noemde zich ?hoax creator?, maar dat wisten hulpdiensten, media en maatschappij niet, met alle gevolgen van dien. De jongen werd niet vervolgd, omdat wat hij deed dan wel niet ethisch, maar ook niet ?zomaar? strafbaar was.

Offline en online maatschappij

We stevenen af op een kantelpunt waarin het onderscheid tussen echt of nep steeds lastiger wordt. De jeugd praat graag online met Justin Bieber, ook al weten ze ergens wel dat hij niet echt is. Vele partijen spelen, goed en kwaad, in op deze ontwikkelingen. Alleen met bewustzijn en verantwoordelijkheid, ook onder technologieaanbieders en overheden, kunnen online leefbaarheid en veiligheid in de 21ste eeuw geborgd worden. Samenwerking, juist internationaal, moet hierom volwassener worden. Passende wet- en regelgeving moet die samenwerking ondersteunen.

Door gebrekkige kennis van sociale media en gamen wordt de kloof tussen de offline en online maatschappij alleen maar verder vergroot, zolang hier niks mee gedaan wordt. Die kloof kan kleiner worden door relaties te versterken tussen specifieke groepen en veiligheidsinstanties. Wat staan we toe en waar ligt de grens? Er bestaan al genoeg voorbeelden van bedreigingen die de leefbaarheid verminderen en die de grens al ver gepasseerd zijn. Gelukkig bestaan ook genoeg kansen. Als we deze samen aangrijpen hoeft het niet van kwaad tot nog erger te gaan. <<

Europees project

Het onderzoeksproject MEDI@4SEC brengt de kansen en bedreigingen in kaart die nieuwe communicatietechnologie?n teweegbrengen voor de veiligheid en veiligheidsinstanties. Dit artikel is het derde van een serie artikelen over specifieke thema’s binnen dit onderwerp als: Do It Yourself (DIY) Policing; Rellen en massabijeenkomsten; Dagelijks politiewerk; Dark Web; Trolling en; Innovatieve marktoplossingen. Lees ook het inleidende artikel in Secondant over de kansen van nieuwe communicatietechnieken voor justitie en politie.

Meer informatie over MEDI@4SEC is te vinden op de projectwebsite. Hier zijn ook de volledige onderzoeksrapporten te downloaden zodra deze openbaar zijn.

Bron: Secondant

De toekomst van sensing voor veiligheid

Sensing is het vermogen van een organisatie om relevante informatie te verzamelen met behulp van sensoren, met de intentie tot opvolging. Met de onze publicatie ‘De toekomst van sensing voor veiligheid’ plaatsen we sensing voor veiligheid in een maatschappelijke context en helpen we onze partners om zelf tot een visie te komen.

Een eenzijdige focus op meer data en informatie over burgers en bedrijven is niet de oplossing voor de toekomst van sensing op veiligheid. Dat leidt alleen maar tot minder privacy en dus minder vrijheid. Uitvoerende veiligheidsorganisaties worden door de snelheid en hoeveelheid van technologische en maatschappelijke ontwikkelingen uitgedaagd om zelf te bepalen welke informatie ze wel ?n welke ze niet nodig hebben.

TNO geeft inzicht in wat er nodig is voor partners actief in openbare veiligheid en vitale infrastructuren, om z?lf een visie op sensing te kunnen ontwikkelen ter ondersteuning van de uitvoering van operationele taken, gestoeld op expliciet beschreven principes die de relatie tussen maatschappij, uitvoerende veiligheidsorganisatie en technologie duiden.

TNO laat tevens zien hoe uitvoerende veiligheidsorganisaties zelf tot een visie op dit zeer actuele onderwerp kunnen komen, zonder dat men vervalt in een welles-nietesdiscussie over kraaltjes en spiegeltjes.

Download of lees de publicatie online:

[slideshare id=117774888&doc=tno-2018-toekomst-181002105901&type=d]

Bron: TNO

Onderzoek: Buurtpreventie-apps geven burgers veilig gevoel

Het gebruik van buurtpreventie-apps bezorgt de burgers een veiliger gevoel. Het idee dat digitale buurtpreventie burgers juist bang maakt, is onjuist. Dat blijkt uit een onderzoek van Avans Hogeschool dat vandaag gepresenteerd wordt.

In opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid deed het lectoraat Digitalisering en Veiligheid onderzoek naar de effecten van digitale buurtpreventie. Aangespoord door de politie en gemeentebesturen sluiten steeds meer Nederlanders zich aan bij groepjes die elkaar via smartphones wijzen op verdachte situaties in hun buurt. Zo zijn er al meer dan 650.000 Nederlanders aangesloten bij Whatsapp Buurtpreventie. Onderzoek van de Universiteit Tilburg wees in 2016 uit dat in Tilburgse buurten waar zulke whatsappgroepen actief waren, het aantal inbraken was gehalveerd.

Whatsapp?

Avans-lector Ben Kokkeler ziet de whatsapp-groepen niet als beste platform voor digitale buurtpreventie. ,,Een app als veiligebuurt.nl is veel doelgerichter dan whatsapp. Daar zetten mensen ook hele andere zaken op, die niks met veiligheid te maken hebben. Aan veiligebuurt.nl kun je, anders dan bij whatsapp, ook anoniem meedoen. Het onderzoek laat zien dat de bereidheid om verdachte zaken uit je eigen buurt te melden dan groter is.” De buurtpreventie-app veiligebuurt.nl werd in 2015 in Den Bosch opgericht en kent nu 200.000 deelnemers. In diverse plaatsen werkt de politie al aan deze app mee.

Kokkeler wijst er ook op dat whatsapp een Amerikaanse eigenaar heeft: Facebook. ,,En sinds een jaar weten we hoe makkelijk die gehackt kan worden. We denken dat het voor de politie beter is om samenwerking te zoeken met? Nederlandse apps. Daar denken ze overigens ook al volop over na.”

Houvast

De politie communiceert ook op andere digitale kanalen met de burger, bijvoorbeeld op Facebook, Instagram en Twitter. Verstandig, vindt Kokkeler: ,,Ze zetten zo veel mogelijk instrumenten in, over een paar jaar zullen de vier of vijf beste overblijven. De digitale samenwerking tussen burgers en politie staat nog maar in de kinderschoenen, het wordt alleen maar meer. Uit ons onderzoek blijkt ook dat de buurtpreventie-apps mensen houvast bieden, ze weten wanneer ze de politie moeten bellen en wanneer niet. Al blijft het wel van belang dat de politie erin slaagt om een vervolg te geven aan de tips die ze krijgt.”

Literatuuronderzoek, expertinterviews en de eigen expertise binnen het lectoraat vormen de basis van het evaluatiemodel. Aan de hand van dit model is?veldonderzoek gedaan?naar Whatsapp-groepen en het gebruik van Veiligebuurt.nl. Lees het onderzoeksrapport hier, of download het:

[slideshare id=117092932&doc=onderzoeksrapportavans-denvdigitalebuurtpreventie-180928125443&type=d]

Het advies over digitale buurtpreventie dat het lectoraat Digitalisering en Veiligheid doet aan het ministerie is een bouwsteen van een meerjarig project over inbraakvrije wijken. In dit project organiseren verschillende gemeenten en de politie diverse pilots. Dit doen zij in opdracht van het ministerie en onder regie van het Dutch Institute for Technology, Safety & Security.

Het lectoraat treedt hierin op als kennispartner, samen met de Jheronimus Academy of Data Science.

Bronnen: BD, Avans