Tagarchief: Twitter

Tarik Z.: verwarde man of terrorist?

Door:?Vina Wijkhuijs, Menno van Duin, uit?Lessen uit crises en mini-crises 2015

Inleiding
Op donderdagavond 29 januari 2015, zo?n twintig minuten voor aanvang van het achtuurjournaal, probeert een jonge man onder dreiging van geweld zich toegang te verschaffen tot de NOS-studio op het Mediapark in Hilversum. Hij wil tijdens de live-uitzending van het achtuurjournaal een mededeling doen. Terwijl hij een bewaker met een wapen bedreigt, begeleidt deze hem naar een opnamestudio. De bewaker brengt hem echter niet naar de studio waarvandaan het achtuurjournaal wordt uitgezonden, maar naar een studio die op dat moment niet in gebruik is. Aldaar wordt de man door de politie overmeesterd. Toch vindt er die avond geen uitzending van het achtuurjournaal plaats, wat een unicum is in de geschiedenis. Medewerkers hebben na het ontruimingsalarm of op last van de politie het NOS-gebouw in allerijl verlaten. De programmering op zowel NPO1 als NPO2 wordt noodgedwongen aangepast; ook het populaire programma Wie is de Mol? komt te vervallen. Vanaf ongeveer 21.00 uur volgt er op NPO1 een ge?mproviseerde reportage vanuit de NOS-studio in Den Haag. Daarin wordt verslag gedaan van wat er zich die avond op het Mediapark in Hilversum heeft voorgedaan.

Op het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond, lag bij velen de herinnering aan de terroristische aanslag op de redactie van het Franse tijdschrift Charlie Hebdo nog vers in het geheugen. Op 7 januari 2015 werden bij die aanslag in Parijs twaalf mensen gedood en raakten nog eens enkelen ernstig gewond. Bij menigeen ? zo kon uit berichten op sociale media worden opgemaakt ? leefde de vraag wat er in Hilversum aan de hand was. Werd dit keer Nederland getroffen door een terroristische aanslag?

Het incident bij de NOS liep gelukkig met een sisser af. Door kordaat optreden van de beveiliging en de politie kon de dader, Tarik Z., snel overmeesterd worden. De 19-jarige student bleek bovendien alleen te hebben gehandeld. Toch kon de situatie niet anders dan serieus worden genomen en leverde het daarmee een goede leerervaring op.

In dit hoofdstuk analyseren wij het incident aan de hand van twee dilemma?s. Het eerste dilemma betreft de vraag of en hoe de NOS over de bedreiging kon berichten nu de nieuwsorganisatie zelf onderwerp van dreiging was. Het tweede dilemma waar wij op in zullen gaan is de vraag van welke autoriteit in een casus als deze een duiding van
de gebeurtenis mag worden verwacht. Is dat de burgemeester van de gemeente waar de (dreiging van een) terroristische aanslag plaatsvindt, de hoofdofficier van justitie (omdat het een strafrechtelijk incident betreft), de bestuurlijk verantwoordelijke minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) of de minister-president?

De informatie in dit hoofdstuk is mede gebaseerd op een uitzending van Argos TV-Medialogica ‘Even geduld a.u.b.‘ die aan deze casus was gewijd. Daarnaast is gebruikgemaakt van twee evaluatierapporten die naar aanleiding van dit incident zijn opgesteld (Kaptein et al., 2015 en Scholtens et al., 2015).

Feitenrelaas
Het is donderdagavond 29 januari 2015 even voor acht uur. De mensen die in afwachting zijn van het achtuurjournaal weten niet dat een kleine twintig minuten voordien een jonge man de beveiligers bij de receptie van het NOS-gebouw onder dreiging van geweld heeft opgedragen hem naar de studio te brengen van waaruit om 20.00 uur het NOS Journaal zal worden uitgezonden.
Op het moment dat hij zich bij de receptie meldt, zegt hij voor een radioprogramma te komen. Plotseling legt hij op de balie een briefje neer en houdt met een wapen de beveiligers onder schot (Later blijkt het geen echt wapen te zijn). De beveiligers lezen het briefje, waarin staat dat er een cyberaanval zal plaatsvinden en in het land zware explosieven met radioactief materiaal tot ontploffing zullen worden gebracht, als de man niet in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de live-uitzending van het achtuurjournaal zijn verhaal te doen; hij eist tien minuten zendtijd. Na het briefje gelezen te hebben, zegt een van de twee dienstdoende beveiligers de man naar de opnamestudio te brengen. Terwijl de beveiliger met hem op weg gaat, activeert zijn collega de meldkamer van het beveiligingsbedrijf. Deze alarmeert onmiddellijk de security-officer van de NOS.

De beveiliger brengt de gijzelnemer echter niet naar studio 8 (van waaruit het achtuurjournaal zal worden uitgezonden), maar naar studio 10. Wanneer zij bij de regiekamer van studio 10 aankomen, is daar op dat moment een voltallige studioploeg van vijf personen aanwezig. Zodra de beveiliger de regieruimte binnenkomt, bemerken de aanwezigen al snel dat de man die bij hem is, gewapend is. De beveiliger overhandigt aan een van hen (i.c. de regisseur van het NOS Journaal) het briefje waarin de gijzelnemer zijn eisten stelt. De gijzelnemer wordt gezegd, dat als hij in het achtuurjournaal een mededeling wil doen, hij naar de opnamevloer van studio 10 zou moeten gaan; een opnamevloer ? zo weten de NOS-medewerkers ? die op dat moment niet in gebruik is.

Juist op het moment waarop de gijzelnemer dit wordt gezegd, probeert Herman van der Zandt ? ter voorbereiding van het achtuurjournaal ? contact te leggen met verslaggever Martijn Brink die in studio 10 gereed staat om later een kruisgesprek met hem te voeren. Van der Zandt hoort wat er in studio 10 wordt gezegd, maar krijgt geen respons. Hem bekruipt het vermoeden dat er serieus iets ernstigs aan de hand is en hij maant zijn collega?s de opnamestudio van het achtuurjournaal te verlaten. Ondertussen brengt de beveiliger de gijzelnemer naar de opnamevloer van studio 10; een regisseur en een geluidsman lopen met hen mee. Eenmaal op de vloer van studio 10 zorgen zij ervoor dat de gijzelnemer ? zonder dat hij daar iets van merkt ? in andere ruimtes op beeldschermen te zien is.

Om 19.54 uur activeert de beveiliger die bij de receptiebalie gebleven is het ontruimingsalarm op de eerste, tweede en derde verdieping van het NOS-gebouw. Om escalatie van de gijzeling te voorkomen, activeert hij het ontruimingsalarm op de vierde, vijfde en zesde verdieping bewust niet. Hij is daarbij in de veronderstelling dat de gijzelnemer naar studio 8 (op de vierde verdieping) is gebracht en weet niet dat zijn collega hem naar studio 10 (op de derde verdieping) heeft geleid (Kaptein et al., 2015).

Nagenoeg tegelijkertijd komt bij de meldkamer van de politie een eerste melding binnen van een NOS-medewerker die met spoed om de politie vraagt. Hij meldt dat er een gijzeling in het NOS-gebouw gaande is en dat een gewapende man zendtijd eist (Scholtens et al., 2015, p. 11).

Uit de beelden die in studio 10 worden opgenomen en die in andere ruimtes op beeldschermen te zien zijn, wordt het voor medewerkers van het achtuurjournaal duidelijk dat het journaal niet om 20.00 uur zal kunnen beginnen. Besloten wordt om op NPO1 een stilstaand beeld uit te zenden: ?Even geduld a.u.b.?, met daaronder ?I.v.m. omstandigheden is er op dit moment geen Journaal mogelijk.? Vanaf 19.59:58 uur tot uiteindelijk 21.05 uur is dit beeld op NPO1 te zien, op enkele momenten kort onderbroken door gereedstaande promo?s en leaders die per ongeluk worden uitgezonden (Kaptein et al., 2015, p. 15).

Rond 20.00 uur brengt de regie van het NOS Journaal de NOShoofdredacteur Nieuws, Marcel Gerlauff, op de hoogte van de situatie. Gerlauff belt vervolgens onmiddellijk naar de NOS-redactie in de studio in Den Haag en vraagt hen om via de Rijksvoorlichtingsdienst de minister-president te informeren.

Rond diezelfde tijd wordt burgemeester Broertjes van Hilversum door de basisteamchef van de politie van het incident op de hoogte gesteld. Burgemeester Broertjes besluit naar het Mediapark te gaan om te zien wat zich daar afspeelt (Scholtens et al., 2015, p. 11). Onderwijl (om 20.05 uur) formeert de politie een Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden (SGBO) en schaalt (op hetzelfde moment) de meldkamer op naar GRIP-1 (Scholtens et al., 2015, p. 11). Zo?n twintig minuten later (om 20.25 uur) schaalt de Leider CoPI, na overleg met de Operationeel Leider, op naar GRIP-2 (Scholtens et al., 2015). Bij het NOS-gebouw zijn dan inmiddels politiemensen gearriveerd. Eenmaal in het gebouw lopen zij richting studio 10, waar om 20.14 uur de gijzelnemer wordt vermeesterd en gearresteerd.

Ondertussen vindt er tussen leidinggevenden van de NOS en de NPO overleg plaats over het al dan niet uitzenden van de reguliere programmering. Na het achtuurjournaal zou een aflevering van het programma Wie is de Mol? volgen, maar besloten wordt dat het ongepast is tot uitzending van de reguliere programmering over te gaan. Voor wat betreft de berichtgeving over het incident doet NOS-hoofdredacteur Gerlauff aan medewerkers van de NOS (per e-mail) de oproep om niet aan ?externe berichtgeving? te doen, ook niet via sociale media. ?We doen niets aan communicatie tot er meer duidelijkheid is? (Kaptein et al., 2015, p. 17).

Voor televisiekijkers die op NPO1 hadden afgestemd, is inmiddels wel duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand is. Ook op NPO2 vindt er geen uitzending meer plaats. Op sociale media wordt er druk gespeculeerd over wat er bij de NOS aan de hand is. Voor informatie kan men (onder meer) terecht bij RTL-4. Deze zender onderbreekt om 20.25 uur de uitzending van Goede Tijden Slechte Tijden om van de ontwikkelingen verslag te doen. In een extra uitzending van RTL Nieuws wordt gemeld dat het NOS-gebouw, waarin tevens de NPO gehuisvest is, door de politie wordt ontruimd.De extra uitzending van RTL Nieuws wist vlak voor half negen ruim 2,6 miljoen kijkers te boeien en was daarmee die avond het best bekeken televisieprogramma. Zie: Mediacourant, 30 januari 2015. Kijkcijfers: Veel kijkers voor extra RTL Nieuws over gijzeling NOS (Bron). Zo?n zeventig ? tachtig medewerkers van de NOS en de NPO staan buiten in de winterkou te wachten op wat er verder gebeurt. Aan medewerkers werd overigens spontaan opvang geboden in de kantine van RTL en zij konden, na bemiddeling van de OvD Bevolkingszorg, ook terecht in een nabijgelegen restaurant. Zie: Bevolkingszorg Flevoland & Gooi en Vechtstreek, 22 februari 2015. Ervaringsverhaal: Paniek in Hilversum. (Bron).

Gaandeweg komt ? met enige improvisatie ? ook de berichtgeving door de NOS weer op gang. Vanaf 21.05 uur vindt er op NPO1 een extra journaaluitzending plaats vanuit de NOS-studio in Den Haag. Later die avond vindt de uitzending weer plaats vanuit het NOS-gebouw in Hilversum, dat de politie om 22.15 uur heeft vrijgegeven. Op het stadhuis in Hilversum start om 22.38 uur een persconferentie met burgemeester Broertjes, hoofdofficier van justitie Bac en teamchef Wielandt van de politie. Van de persconferentie en wat er zich eerder die avond in het NOS-gebouw heeft voorgedaan, wordt in het late NOS Journaal van 23.00 uur verslag gedaan.

Vijf maanden later, op vrijdag 19 juni 2015, verschijnt Tarik Z. voor de rechter. Het OM eist vier jaar celstraf vanwege gijzeling, bedreiging en verboden wapenbezit. Eind december 2015 wordt Tarik Z. in hoger beroep veroordeeld tot drie jaar en vier maanden celstraf (waarvan twee jaar voorwaardelijk). Uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 22 december 2015 in zaaknr. 21-003994-15 (ECLI:NL:GHARL:2015:9778).

Nieuwsvoorziening en duiding: twee dilemma?s
Opeens was de NOS, de grootste nieuwsorganisatie van Nederland, zelf onderwerp van ?breaking news?. Onder televisiekijkend Nederland, en uiteraard ook onder medewerkers van de NOS en NPO, heerste grote consternatie over wat er in het NOS-gebouw gaande was. Met een dergelijke situatie had de NOS geen rekening gehouden, ook al was men zich na de recente aanslag op Charlie Hebdo ervan bewust dat ook journalisten doelwit van terroristische acties kunnen zijn. De NOS-hoofdredacteur Nieuws, Marcel Gerlauff, werd met deze situatie voor het lastige dilemma gesteld hoe en wanneer over de gebeurtenis te berichten, terwijl hij niet wist hoe het met de veiligheid van het eigen personeel was gesteld. Het bleek niet alleen een moreel vraagstuk te zijn, maar ook een kwestie die gepaard ging met allerlei praktische problemen.

Daarnaast kan deze casus worden beschouwd aan de hand van de vraag wie in een dergelijke situatie de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt om de situatie te duiden. Was burgemeester Broertjes hiervoor verantwoordelijk, gezien het feit dat het incident in Hilversum plaatsvond, of lag die verantwoordelijkheid ? omdat het mogelijk een terroristische aanslag betrof ? bij de hoofdofficier van justitie, de minister van VenJ dan wel de minister-president? Het is een vraag waar ? in de hectiek van het moment ? doorgaans de tijd voor ontbreekt om bij stil te staan. Het is daarom goed om achteraf ook op deze vraag in te gaan.

Analyse

Nieuwsvoorziening versus veiligheid personeel
?Informeren is mijn journalistieke en publieke taak?, stelde Marcel Gerlauff enkele dagen na het incident in een column in NRC
Handelsblad.(Bron: ?Na de arrestatie was het nog niet veilig bij de NOS?, NRC Handelsblad, 2 februari 2015.) Het is journalisten eigen onder alle omstandigheden het nieuws te verslaan om anderen kennis te laten nemen van wat er in de wereld gebeurt. Daarop geldt ??n uitzondering ? zo bleek in deze casus ? en dat is als er daardoor gevaar dreigt voor eigen of andermans
leven. Toen NOS-hoofdredacteur Gerlauff onderweg in zijn auto telefonisch van de gijzeling vernam, gingen zijn gedachten uit naar de veiligheid van diegenen die in het NOS-gebouw aanwezig waren. ?Ik had onmiddellijk veel zorgen over wat er gebeurde en hoe het met de collega?s zou zijn?, aldus Gerlauff (Bron).

?Ik kreeg te horen dat er op de redactie een man met een wapen rondliep die van alles eiste en dat er een gijzeling gaande was. Dat de collega?s zich hadden opgesloten in de regie en niet wisten wat te doen. Ik hoorde angst, paniek en ontreddering.? (Bron: ?Na de arrestatie was het nog niet veilig bij de NOS?, NRC Handelsblad, 2 februari 2015). Gerlauff deelde wat hij had gehoord met Bram Schilham, chef van de NOS-redactie in Den Haag. Die schrok daarvan:?Ik schrok behoorlijk; het was kort na de gebeurtenissen in Parijs. We hadden het daar best wel eens over gehad (?): hoe zou dat zijn, als zoiets in Nederland zou gebeuren? Dus dat speelde toch wel in je hoofd. En je eerste gedachte is toch: zou dit het dan zijn?? (Bron)

Ook Martijn Brink, die de gijzeling van nabij meemaakte, legde een associatie met de terroristische aanslag in Parijs: ?We hadden natuurlijk net Charlie Hebdo gehad. Dat lag bij iedereen hier op de redactie nog heel vers in het geheugen. Ik dacht: nu zijn wij het, nu zijn wij de klos.?

Het is dan ook volstrekt logisch dat Gerlauff vanwege de veiligheid van het personeel besloot voorlopig niet aan externe berichtgeving te doen; de nieuwsvoorziening kwam nu even op de tweede plaats. NOS-directeur Jan de Jong deelde dit standpunt: ?De veiligheid van de mensen was voor ??n keer belangrijker dan het brengen van het nieuws.?

Naast de veiligheid van het personeel was er voor Gerlauff echter nog een reden om zijn medewerkers te manen (vooralsnog) niet naar buiten toe te communiceren. De kans was immers groot dat als iemand van de NOS iets over het incident zou melden, dit zou worden ge?nterpreteerd als zijnde een bericht dat was vrijgegeven door de NOS, terwijl voor Gerlauff en anderen die buiten stonden te wachten nog onduidelijk was wat er gaande was, laat staan hoe de gebeurtenis te duiden.

?Hoe noem je het? Noem je het een gijzeling, een incident. Dat vaststellen was heel erg moeilijk, omdat het voor de mensen die buiten stonden lastig was om daar een beeld van te krijgen.?

Gerlauff wenste dus eerst meer duidelijkheid over de situatie alvorens naar buiten te treden. Maar in hoeverre hield zijn beslissing stand in het huidige mediatijdperk? Degenen die nog in het NOS-gebouw waren en de gijzelnemer van nabij hadden meegemaakt of de gebeurtenissen in studio 10 via beeldschermen hadden gevolgd, wisten de ernst van situatie al beter in te schatten. Er was weliswaar sprake geweest van een gijzeling, maar de gijzelnemer was inmiddels gearresteerd. Ook hadden zij sterk het vermoeden dat hij alleen had gehandeld en met zijn aanhouding de dreiging was geweken. Zij schakelden daarom als van nature over op hun journalistieke taak om van het incident verslag te (gaan) doen. Via de zenders van de publieke omroep ging dat echter nog niet zo eenvoudig.

Op Twitter daarentegen verschenen al kort na acht uur enkele berichten ? eerst veelal nog met humoristisch ondertoon ? over de vertraging in de uitzending van het achtuurjournaal.

?Lol. Vanwege omstandigheden geen Journaal. Zit Rik te mollen achter de schermen? #npo1 #Nosjournaal #widm.? (Bron).

Ondanks Gerlauff?s oproep om niet aan externe berichtgeving te doen, mengden ook enkele NOS-medewerkers zich (op persoonlijke titel) in de berichtenstroom. Om 20.05 uur kwam van Studio Sportmedewerker Stefan van der Weijde het bericht: ?Paniek in Hilversum. Man met wapen eist zendtijd. Journaal gaat niet door.? (Bron: Hoe de media verslag deden van een media-gijzeling, NRC Handelsblad, 30 januari 2015). Twee minuten later volgde een ANP-persalarm dat door verschillende journalisten (Metro, de Volkskrant, RTL) werd verspreid: ?Pand NOS in Hilversum wordt ontruimd. Man met pistool zou zendtijd eisen (bron: NOS).? Tot het moment waarop Tarik Z. werd overmeesterd is dit bericht 2.628 keer gedeeld (Jong & D?ckers, 2016).

[slideshare id=76811611&doc=presentatielogeiondag-wouterjong-170609215531]

Rond 20.20 uur werd via tweets van wederom enkele NOS medewerkers duidelijk dat de gijzelnemer was overmeesterd. (Bron: Hoe de media verslag deden van een media-gijzeling, NRC Handelsblad, 30 januari 2015). Twintig minuten later verscheen een eerste afbeelding van de brief die Tarik Z. bij zich had. Om 20.45 uur meldde politiek verslaggever Dominique van der Heyde in een tweet dat er binnen enkele minuten een journaaluitzending over de ?kortstondige gijzeling? zou volgen (bron). Daarmee was uit het berichtenverkeer op Twitter in feite binnen drie kwartier de aard en afloop van het incident bekend.

Twitteranalyses
Van de Wijngaert (2015) en Jong & D?ckers (2016) hebben ? vanuit een eigen invalshoek ? de Twitterberichten over het NOS-incident geanalyseerd. Uit beide analyses bleek dat van alle tweets die op donderdagavond 29 januari 2015 vanaf 20.00 uur over het incident zijn verstuurd, twee derde een retweet was. In haar twitteranalyse geeft Van de Wijngaert op een heldere wijze weer hoe de thema?s van de berichten gedurende de avond veranderden en wie de prominente auteurs in het twitternetwerk waren. Jong & D?ckers besteedden specifiek aandacht aan zowel het ontstaan als de correctie van een tweetal geruchten die op Twitter rondgingen, namelijk dat ook bij de Belgische VRT sprake zou zijn van een gijzeling en dat de ouders van Tarik Z. bij de vliegramp MH17 zouden zijn omgekomen.

Onderzoek: twitteraars ontkrachten onjuiste geruchten razendsnel

[slideshare id=51556135&doc=gewapendemaneistzendtijdresultaten-150812182023-lva1-app6892]

Een deel van het (twitterende) publiek was dus al op de hoogte waarom er die avond geen achtuurjournaal was, hoewel de NOS daarover zelf nog geen mededeling had gedaan. In de live-uitzendingen op RTL-4 en op NPO Radio 1 en op verschillende nieuwssites (o.a. Nu.nl en de Volkskrant) werd vanaf ongeveer 20.20 uur van de ontwikkelingen in Hilversum verslag gedaan.

Al snel werd de Facebook pagina van Tarik gedeeld met een opvallende voorpagina foto:

Twitter864f65e

Na de arrestatie van Tarik Z. wilden ook de medewerkers van de NOS en de NPO direct weer aan de slag. Zij konden echter op dat moment niet in het NOS-gebouw terecht, omdat dit door de politie werd ontruimd om de aanwezigheid van explosieven uit te sluiten. Dat dit een vertragende factor was in de nieuwsvoorziening was zeker niet voor iedereen duidelijk, zo bleek uit de kritieken die de NOS te verduren kreeg.37 Om zo snel mogelijk weer ?op zender? te zijn, moest worden uitgeweken naar een ander gebouw van de NPO. Vandaaruit werd getracht een verbinding met de studio in Den Haag tot stand te brengen. Onderwijl had de NOS-redactie in Den Haag van de beelden die in studio 10 waren opgenomen een filmpje van de gijzeling samengesteld. Tijdens de extra journaaluitzending (die vanaf 21.05 uur kon aanvangen) werd dit aan het brede publiek getoond. Bij aanvang van die uitzending hadden bijna drie miljoen mensen hun tv (weer) op NPO1 afgestemd (zie figuur 2.1).

Wie geeft duiding?
Een kwestie die eveneens uit de casus naar voren kwam, is dat het niet altijd even duidelijk is wie nu, in een casus als deze, de leiding heeft en zich tot het publiek zou moeten richten. Welke autoriteit is bestuurlijk verantwoordelijk en zou naar buiten moeten treden om burgers te informeren en de gebeurtenis te duiden?

De lokale bestuurder?
De burgemeester heeft op grond van de Wet veiligheidsregio?s (Wvr) bij lokale rampen en crises een centrale rol. Hij is in die gevallen bestuurlijk verantwoordelijk voor de inzet van de brandweer, de ambulancevoorziening en de politie (voor zover het de handhaving van de openbare orde en veiligheid betreft). Ook dient hij ervoor te zorgen dat ?de bevolking informatie wordt verschaft over de oorsprong, de omvang en de gevolgen van een ramp of crisis die de gemeente bedreigt of treft? (art. 7, lid 1 Wvr). De burgemeester stemt zijn informatievoorziening af met de informatievoorziening door of onder verantwoordelijkheid van de bij de ramp of crisis betrokken ministers (art. 7, lid 3 Wvr).

Uitgaande van deze wettelijke bepalingen was het begrijpelijk dat burgemeester Broertjes van Hilversum, na de melding dat er op het Mediapark sprake was van een ernstig voorval, zijn verantwoordelijkheid nam. In plaats van direct naar het gemeentehuis te gaan, besloot hij om eerst ter plaatse poolshoogte te gaan nemen. Buiten in de kou stonden enkele tientallen medewerkers van de NOS en de NPO die mogelijk opvang en zorg nodig hadden; iets waarin overigens ook spontaan door collega?s van RTL werd voorzien.

In het evaluatierapport dat door Crisislab is opgesteld, krijgt burgemeester Broertjes het compliment dat hij, door naar het Mediapark te gaan, al binnen ??n uur na de melding in staat was de bevolking over het incident te informeren (zie Scholtens et al., 2015, p. 26). Om 20.25 uur wist hij te melden dat iemand in het NOS-gebouw zendtijd eiste. Of deze persoon gewapend was, kon de burgemeester nog niet zeggen. Hierbij zij opgemerkt dat er op dat moment nog geen cameraploegen aanwezig waren, waardoor de burgemeester slechts de schrijvende pers (ook van weblogs) te woord kon staan. Desondanks, zo stellen Scholtens et al., voldeed de burgemeester aan de ?richtlijn? die het Veiligheidsberaad heeft vastgesteld. Deze richtlijn luidt (Bron: Bevolkingszorg op orde 2.0, p. 45.):

?Binnen een uur komt de gemeente of burgemeester (het boegbeeld: ?het gezicht van de overheid?) met een proportionele reactie, die rekening houdt met de lokale impact en de vragen die onder de bevolking leven (?).?

Hoewel burgemeester Broertjes aan deze richtlijn zou hebben voldaan, is het te eenvoudig om te veronderstellen dat in dit geval de lokale bestuurder de meest aangewezen persoon voor de crisiscommunicatie was. Dat de burgemeester van Hilversum, later ook op de persconferentie, in de woordvoering een centrale positie innam, lag geenszins voor de hand. Er waren bij de gijzeling geen slachtoffers gevallen, hetgeen een prominente rol van de burgemeester zou hebben gerechtvaardigd. Verder heeft de richtlijn waar Scholtens et al. aan refereren specifiek betrekking op situaties met een ?lokale? impact, terwijl in dit geval de impact veel breder was en vooral ook buiten Hilversum werd ervaren.

De hoofdofficier van justitie?
Al uit de eerste melding die bij de meldkamer binnenkwam, kon worden opgemaakt dat het niet ging om een lokale calamiteit (als een gezinsdrama of een brand); er werd met spoed om de politie gevraagd, omdat er ?een gijzeling gaande was in het NOS-gebouw?. Er was daarmee sprake van een strafrechtelijk incident en in dat geval heeft ook de strafrechtsketen (de hoofdofficier van justitie, het college van Procureurs-Generaal en de minister van VenJ) een rol. Daarbij kwam dat ? zoals Tarik Z. in zijn brief had aangegeven ? rekening moest worden gehouden met de aanwezigheid van explosieven. In deze casus zou daarom het ?Stelsel bewaken en beveiligen? van toepassing kunnen worden geacht. Dit is het geheel van regelgeving en werkafspraken die tot doel hebben (terroristische) aanslagen te voorkomen. Een uitgangspunt van het stelsel is dat ?de ernst van de dreiging? en in het bijzonder ?het effect en de aard van de verwachte gebeurtenis? bepalend zijn voor de vraag of het primaat bij hetzij de burgemeester hetzij de hoofdofficier van justitie ligt. (Bron: paragraaf 4.2 van de Circulaire bewaking en beveiliging personen, objecten en diensten 2015).?De burgemeester is (op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid) verantwoordelijk voor de bewaking en beveiliging van objecten en diensten. Zo ging de discussie na afloop vooral over de vraag hoe het kon dat Tarik Z. zich toegang tot het NOS-gebouw had verschaft. Is er echter sprake van ?een concrete dreiging waarbij beveiligingsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van strafbare feiten? (zoals in dit geval de ontruiming van het NOS-gebouw vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieven), dan is de hoofdofficier van justitie primair verantwoordelijk.

Langs deze lijn bezien lag het gezag in deze casus dus primair bij de strafrechtsketen. Het zou daarom logisch zijn geweest als niet de burgemeester, maar de hoofdofficier van justitie de persconferentie had geleid. Ook in andere strafrechtelijke casus waarbij sprake was van maatschappelijke onrust, zoals na de arrestatie van de moordenaar van Marianne Vaatstra (2013) en de fatale overval in Deurne (2014), was het vanzelfsprekend dat de hoofdofficier van justitie de centrale positie achter de perstafel innam. Natuurlijk kan daartegenin worden gebracht dat het OM in die casus het voortouw nam, omdat over de (voorlopige) uitkomst van het opsporingsonderzoek iets kon worden gemeld. Op het moment waarop in Hilversum de persconferentie plaatsvond, was weliswaar de dader al gearresteerd, maar het onderzoek naar de toedracht van zijn handelen nog in volle gang. Hoofdofficier Bac was om die reden terughoudend. In het belang van het opsporingsonderzoek konden alleen de leeftijd en woonplaats van de dader worden gemeld. Een duiding van de gebeurtenis (bijvoorbeeld in termen als ?Dit is geen Charlie Hebdo?) bleef achterwege en was misschien ook wel te veel gevraagd.

Toch kwam de persconferentie die om 22.38 uur op het stadhuis in Hilversum aanving een beetje als mosterd na de maaltijd. In de twee uren voorafgaand had menigeen, hetzij via RTL Nieuws, Radio 1, Hart van Nederland of Twitter, al van het incident en de afloop ervan kunnen vernemen. Ook de NOS had inmiddels in een extra journaaluitzending al uitgebreid verslag van de gijzeling gedaan en meerdere keren het filmpje getoond waarop te zien was hoe Tarik Z. was overmeesterd. Nederland haalde weer opgelucht adem. Het beeld van een terrorist was al genuanceerd tot ?een verward persoon?. Een bevestiging van de hoofdofficier van justitie dat ?het gevaar? was geweken, was op zijn plaats geweest of er zou daarover bij het OM nog gerede twijfel moeten hebben bestaan. Als dat het geval was, dan had van de autoriteiten wel wat meer informatie ? en betekenisgeving (zoals dat zo mooi in de boekjes heet) ? mogen worden verwacht. De vraag is wie dan degene zou kunnen zijn die iets over de aard en omvang van de dreiging had kunnen zeggen?

De voorzitter van de veiligheidsregio of de regioburgemeester?
Aangezien de actie van Tarik Z. een incident was van meer dan plaatselijke betekenis, waarover de hoofdofficier van justitie nog geen verdere uitspraken kon doen, zou het te overwegen zijn geweest om de publiekscommunicatie over te laten aan een bestuurder op regionaal niveau; hetzij de voorzitter van de veiligheidsregio of de regioburgemeester.

Hoewel bij een (dreigende) aanslag de strafrechtsketen formeel de leiding heeft, betekent een aanslag per definitie een verstoring van de openbare orde en veiligheid. Ook de algemene keten heeft daarom in die situaties een rol. Op grond van de Wet veiligheidsregio?s is ?in het geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis? (of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan), de voorzitter van de veiligheidsregio bestuurlijk verantwoordelijk voor de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Daaronder zij inbegrepen de informatievoorziening aan de bevolking over de oorsprong, omvang en de gevolgen van de gebeurtenis. In situaties waarin sprake is van een (dreigende) aanslag zou dus de woordvoering c.q. duiding van de situatie kunnen worden overgelaten aan de voorzitter van de veiligheidsregio waar de (dreigende) aanslag plaatsheeft. In deze casus zou dan burgemeester Broertjes niet als lokale bestuurder hebben opgetreden, maar als voorzitter van de veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek (wat feitelijk niet het geval is geweest).

Een andere optie zou kunnen zijn om in dit soort situaties de regioburgemeester de gebeurtenissen te laten duiden. De regioburge meester is een relatief ?nieuwe speler? in het veld die in bepaalde gevallen een rol heeft of kan vervullen. Sinds de invoering van de nieuwe Politiewet (1 januari 2013) kennen we tien politie-eenheden, waarbij voor elke politie-eenheid een regioburgemeester is aangewezen die regelmatig overleg heeft met de hoofdofficier van justitie en de politie chef over zaken die de inzet van de politie betreffen. Hoewel het overleg in de zogenoemde ?regionale driehoek? voornamelijk over beheerszaken gaat, kan het niet anders dan dat de regioburgemeester in die functie beter dan andere burgemeesters op de hoogte raakt van ontwikkelingen op strafrechtelijk terrein. Mede om die reden zou juist in strafrechtelijke casus die een landelijke impact hebben, maar in ernst niet direct noodzaken tot opschaling naar nationaal niveau, de regioburgemeester de rol van ?duider? kunnen vervullen. In deze casus had dan de burgemeester van Utrecht (als regioburgemeester van de politie-eenheid Utrecht-Flevoland) tijdens de persconferentie naast de hoofdofficier van justitie gezeten en een duiding van de situatie kunnen geven.

De minister van Veiligheid en Justitie?
Zoals gezegd gingen de gedachten aanvankelijk uit naar een terroristische actie. Als daar werkelijk sprake van zou zijn geweest, dan was onmiskenbaar de strafrechtsketen ?in charge?. Bij (dreiging van) een terroristische aanslag zou bovendien bij voorbaat opschaling plaatsvinden van de informatievoorziening en het mediabeleid. (Bron: Bestuurlijke Netwerkkaart Terrorisme, p. 1).?Het is in dat soort situaties aan de minister van VenJ (of de minister-president) om de gebeur tenis(sen) te duiden. Vooral de aanvankelijke onwetendheid (?Is hier sprake van een terroristische aanslag??), die breed (onder televisiekijkend Nederland) werd gedeeld, maakte dat ? zeker als de situatie langer had voortgeduurd ? de minister van VenJ primair verantwoordelijk
zou zijn geweest voor de crisiscommunicatie.

[slideshare id=76811524&doc=systeemevaluatienos-incident-170609215022&type=d]

Tot slot
Premier Rutte verklaarde achteraf dat in dit geval de Nationaal Co?rdinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) al vrij snel had geconcludeerd dat het een aangelegenheid voor de lokale driehoek betrof, maar dat desalniettemin het incident een ?hele grote landelijke impact? had (Bron).De gevolgen van de gijzelingsactie bleven gelukkig beperkt, maar het is niet moeilijk allerlei varianten te bedenken die de casus hadden kunnen compliceren. Enkele varianten zouden kunnen zijn geweest:
? De dader is gewapend en schiet ??n of enkele personen neer en weet te ontkomen.
? Er zijn meerdere terroristen die het NOS-gebouw weten binnen te dringen en mogelijk over explosieven beschikken.
? De gijzeling doet zich bij een regionale omroep voor (bijvoorbeeld TV-Rijnmond of AT5 in Amsterdam).
? Door minder handig optreden van de NOS worden beelden van de gijzeling, de verklaring van de gijzelnemer(s) en mogelijk zelfs een beschieting rechtstreeks uitgezonden.
? Vrijwel gelijktijdig of kort erna is er ook een gewapende inval in de studio van Omroep Brabant (of elders in Nederland of Europa).
? Na korte tijd vindt er op Schiphol (of elders) een hevige explosie plaats.

In elk van deze situaties zou steeds opnieuw de vraag gesteld moeten worden wie in dat specifieke geval de leiding behoort te nemen en de situatie dient te duiden. Met andere woorden: van wie mag worden verwacht op televisie te verschijnen? Het zal duidelijk zijn dat de situatie al naargelang de ernst van het scenario (de mate van dreiging, de plaats waar het incident zich voltrekt, de mate waarin burgers van de situatie op de hoogte zijn, enzovoort) anders zal worden beleefd en dus ook een andere aansturing vergt. Bij (mogelijke) terroristische acties verwachten we niet dat een burgemeester van een kleine gemeente op televisie verschijnt, maar dat op zijn minst een hoofdofficier van justitie of de minister van VenJ uitleg geeft. Bij een casus met een daadwerkelijke schutter of meerdere daders die nog niet allemaal opgepakt zijn, zal het justiti?le aspect een veel grotere betekenis krijgen. Als echter de situatie zich in Amsterdam of Den Haag zou voordoen, zullen we ook weer niet vreemd opkijken als burgemeester Van der Laan of burgemeester Van Aartsen ? die mede vanwege hun voormalig ministerschap landelijke bekendheid genieten ? op de voorgrond zou treden. Het is ten slotte goed denkbaar ? en misschien soms zelfs wel verstandig ? dat degene die naar buiten toe de situatie duidt en als de ?gezaghebbende autoriteit? opereert, achter de schermen een beperkter rol heeft. Er hoeft geen volledige congruentie te bestaan tussen ?de duider? en ?de beslisser?.

In deze casus werd de woordvoering gedaan door burgemeester Broertjes van Hilversum. Achteraf kan echter de vraag worden gesteld of het primaat van de crisiscommunicatie in dit geval wel bij de lokale bestuurder lag. Uit de evaluatie van Crisislab blijkt dat de Hilversumse driehoek niet heeft onderkend dat afgewogen had moeten worden of er een landelijke dreiging bestond (zie Scholtens et al., 2015, p. 34). Dat is opmerkelijk, ook omdat NOS-hoofdredacteur Gerlauff daarmee wel rekening hield en direct de minister-president over de situatie bij de NOS liet informeren. Hij zei hierover achteraf:

?Het was mij onmiddellijk helder dat dit een heel groot nieuwsfeit betrof, en het leek mij belangrijk dat het kabinet direct hoorde wat er bij de publieke omroep aan de hand was.? (Bron)

Als inderdaad van een landelijke dreiging sprake zou zijn geweest, dan had naar nationaal niveau opgeschaald moeten worden. Een gijzeling of terroristische actie kan daarnaast natuurlijk ook reden zijn voor opschaling op lokaal niveau om bijvoorbeeld de hulpverlening en eventuele effecten voor de openbare orde en veiligheid in goede banen te leiden, maar dat maakt niet automatisch de lokale bestuurder ?het boegbeeld? van de samenleving.

[slideshare id=76811554&doc=coteindrapportagelessenonderzoekveiligheidsincidentnosnpo-170609215156&type=d]

Afronding
Het bericht dat in het NOS-gebouw een gijzeling gaande was, zette twee simultane processen in gang die beide als doel hadden het publiek te informeren over wat er in Hilversum aan de hand was.
Ten eerste trachtten de NPO en de NOS de nieuwsvoorziening via NPO1 weer zo snel mogelijk te hervatten. Over de inspanningsverplichting waaraan de NPO zou moeten voldoen, bestond in de dagen na het incident enige onduidelijkheid (zie Kaptein, 2015, p. 10). Volgens sommigen zou NPO1 te allen tijde als rampenzender moeten kunnen fungeren. Die suggestie werd mede gewekt door de reactie van minister Opstelten van VenJ (?publieke omroep mag niet op zwart gaan?, bron) op de dag na het incident, maar dit betreft echter een misverstand. Weliswaar kan de minister-president op grond van de Mediawet in buitengewone omstandigheden van de publieke omroep zendtijd en faciliteiten vorderen, maar de nationale publieke omroep heeft niet de verplichting om als rampenzender te fungeren. Die taak is neergelegd bij de regionale omroepen.(Sinds 1991 fungeren de radiozenders van regionale omroepen als calamiteitenzender, hetgeen betekent dat deze zenders bij een ramp of calamiteit direct gebruikt moeten kunnen worden voor mededelingen van het bevoegd gezag).

Terwijl bij de NOS de nieuwsvoorziening weer opgang kwam, kwam in Hilversum de lokale driehoek bijeen. Daarnaast vond in Den Haag overleg plaats tussen de NCTV, de minister van VenJ en de minister-president. De crisisstructuren werden zogezegd in werking gesteld. In Hilversum bleek het overleg in de driehoek lastig samen te gaan met opschaling volgens de GRIP-methodiek; een knelpunt dat zich wel vaker voordoet bij incidenten met een duidelijke strafrechtelijke component. Politie en OM zijn in dergelijke situaties weinig bereid om informatie over het opsporingsonderzoek met anderen dan de burgemeester te delen. Toch zal de burgemeester ook in staat moeten worden gesteld zijn verantwoordelijkheid in de crisisbeheersing te nemen. Het is dan zoeken naar een passende modus waarin een driehoeksoverleg samengaat met een multidisciplinair beleidsteam. In de Handreiking aanpak van radicalisering en terrorismebestrijding op lokaal niveau geeft de NCTV aan dat er bij een terroristische aanslag voor gekozen kan worden de lokale driehoek en het beleidsteam (deels) te integreren:

?Op die manier kunnen de belangen van hulpverlening, openbare orde en opsporing goed op elkaar worden afgestemd. Door de regio naal geneeskundig commandant en de regionaal commandant brandweer te betrekken bij de besluitvorming, kunnen zij de noodzakelijke maatregelen treffen, zoals het gereedstellen van ambulances, het voorbereiden van ziekenhuizen, en mankracht beschikbaar houden voor hulpverlening.? (NCTV, 2014, p. 55)

Bij incidenten met een duidelijke strafrechtelijke component kan het dus beter zijn om ? in plaats van een heel team ter ondersteuning van de burgemeester in te richten ? de driehoek uit te breiden met een of enkele adviseurs die voor de burgemeester relevant zijn en bij het OM en de politie het vertrouwen mogen genieten om met gevoelige informatie om te gaan.

Ten slotte heeft het weinig zin om naar aanleiding van een enkele casus regels en structuren aan te passen. Diegenen die eerdere publicaties van ons ? in bijvoorbeeld deze reeks ? gelezen hebben, weten dat wij daar geen voorstander van zijn. Vandaar dat wij hier geen andersoortige invulling van de besluitvormingsstructuur voorstellen. Wel denken wij dat het goed is als ? bijvoorbeeld binnen de veiligheidsregio?s en/of politie-eenheden ? geagendeerd wordt hoe bij een (dreigende) terroristische aanslag de externe communicatie en voorlichting ter hand te nemen? Het kan geen kwaad deze discussie vooraf eens expliciet met elkaar te voeren. Wie regisseert? Is er een rol voor de regioburgemeester weggelegd? Wanneer stapt de hoofdofficier van justitie naar voren? Zeer waarschijnlijk zal in een onverhoopt geval ?naar bevind van zaken? gehandeld (moeten) worden. Dat laat echter onverlet dat een discussie over dit thema het handelen wel degelijk kan versterken.

Zelfcorrigerend vermogen

Uit de twitter-analyse komen twee zaken naar voren:

  • Een echo-effect, wat betekent dat tweets met oud en achterhaald nieuws van Nu.nl nog steeds worden geretweet en blijven na-ijlen, ook als Nu.nl zelf inmiddels met een update van het nieuws is gekomen.
  • Daarnaast een?zelfcorrigerende vermogen van twitter. Op de avond van de gijzeling ontstonden namelijk twee hardnekkige geruchten. Allereerst dat er ook bij het VRT nieuws iets vergelijkbaars gaande was. Daarnaast werd later op de avond beweerd dat de ouders van de dader zouden zijn omgekomen bij de MH17 ramp. Twitteraars wisten deze twee geruchten te ontkrachten, door de geruchten online en in gezamenlijkheid te fact-checken.

Onderzoek: twitteraars ontkrachten onjuiste geruchten razendsnel

Bij grote, onverwachte gebeurtenissen ontkracht de onlinegemeenschap op Twitter razendsnel geruchten die niet blijken te kloppen. Dit blijkt uit onderzoek van de Universiteit Tilburg. De onderzoekers analyseerden het Twittergedrag op 29 januari 2015, toen een man de NOS-studio binnendrong, personeel gijzelde en zendtijd eiste. De studie biedt tegenwicht aan het idee dat misinformatie zich ongestoord kan verspreiden op sociale media.

Onderzoekers Wouter Jong en Michel D?ckers verzamelden bijna zestigduizend tweets over de gijzeling die in de uren tijdens en na de het incident circuleerden op Twitter. Deze werden aan de hand van steekwoorden geselecteerd en geanalyseerd op inhoud. Zo konden zij in kaart brengen hoe informatie zich tijdens zo’n crisissituatie via het medium verspreidt.

Daarnaast onderzochten zij ook de ontwikkeling van twee specifieke geruchten die tijdens het twitteren waren ontstaan. De gijzelaar zou zijn ouders zijn verloren bij de vliegramp MH17 waarbij op 17 juli 2014 298 mensen om het leven kwamen en er zou tegelijkertijd ook een gijzeling van het Vlaamse journaal plaatsvinden.

Verspreiding of kritiek?

“Factchecking lijkt wel een spelletje geworden – een wedstrijd wie als eerste overtuigend bewijs kan leveren” -?Onderzoeker Wouter Jong

Tweets gerelateerd aan deze geruchten werden ingedeeld naar of ze het gerucht verspreidden of juist bekritiseerden. Aan de hand hiervan kon worden vastgesteld hoe de geruchten zich over tijd ontwikkelden. ‘Zodra een gerucht ontstaat, gaan andere twittergebruikers aan de slag met het checken van de feiten’, schrijven de onderzoekers. Neem het verhaal dat indringers ook in Belgi? het journaal gijzelden. Twitteraars ontkrachtten dat al snel toen bleek dat de foto van het testbeeld die rondging niet authentiek was. ‘Samen reconstrueren ze het verhaal’, aldus Jong. ‘Factchecking lijkt wel een spelletje geworden – een wedstrijd wie als eerste overtuigend bewijs kan leveren.’

Kunnen we altijd vertrouwen op dit zelfcorrigerend mechanisme? Dat is niet zeker. Jong: ‘Dit onderzoek zou je opnieuw moeten uitvoeren voor andere situaties. Zo is de sociale dynamiek waarschijnlijk anders op Facebook, omdat informatie daar minder openbaar wordt gedeeld.’

Peter Burger, mediaonderzoeker in Leiden en niet betrokken bij de Tilburgse studie , is het daarmee eens: ‘Tragere crises, zoals met het Zika-virus ontspinnen zich over langere perioden, waarbij allerlei ingewikkelde complottheorie?n opduiken. Die hebben tijd nodig zich te ontwikkelen.’

Mogelijk is het zelfcorrigerend vermogen ook afhankelijk van het type gerucht. ‘Sommige informatie is gewoon moeilijker te checken’, legt Jong uit. ‘Dat zien we terug in onze studie. Het gerucht dat de ouders van de gijzelaar bij de vliegramp zouden zijn omgekomen, begon pas na twee uur te vervagen. Het duurde even voordat twitteraars toegang vonden tot informatie om een gerucht van zo persoonlijke aard te ontkrachten.’

Bronnen: IFV,?Volkskrant,?Human, LinkedIn?(2), Elsevier, Burgemeesters.nl

Aanslagen van deze zomer en de rol van social media

machete

Als al die aanslagen, schietpartijen en massamoorden van de laatste tijd iets gemeen hebben, dan is het wel dat er in social media ongelooflijk veel te vinden was over daders en slachtoffers.

Het blijft fascinerend te zien hoe op Twitter, Facebook en ?andere netwerken van alles rondgaat: foto?s, filmpjes ? niets blijft geheim. Of het allemaal klopt, is iets anders maar feit is wel dat we bij alles kunnen ?meekijken?. En dus zien we, bijvoorbeeld via Twitter, zowel de Syrische?asielzoeker die in Reutlingen een vrouw neerstak, als de machete?waarmee hij dat deed.

Two selfies have been released to French tv from prosecutors in Paris. Nice attack

Two selfies have been released to French tv from prosecutors in Paris, taken from the same lorry as the Nice attack.

En we?lezen op zijn Facebookpagina dat Mohamed Bouhlel, die met een vrachtwagen in Nice meer dan tachtig mensen doodde, IS-aanhanger werd, naar onthoofdingsfilmpjes keek, online zocht naar informatie over andere aanslagen en al sinds een jaar bezig was met zijn terreurdaad.

Munich-Facebook-post-main

Door internetdata?weten we ook (vrijwel) alles over Ali David Sonboly die in M?nchen negen mensen doodde bij een McDonald’s. Dat hij werd gepest op school, zich uitleefde in gewelddadige videospelletjes en ?n die games veel chatte over eerdere schietpartijen. Dat hij andere?school shooters?verheerlijkte, online informatie zocht over Breivik ?n dat hij ?op een donkere afdeling van het internet? de Glock-17?wist te kopen waarmee hij zijn actie uitvoerde. En dat hij zijn slachtoffers naar de McDonald’s lokte via Facebook: onder het alias ?Selina Akim? plaatste Sonboly het bericht dat daar gratis eten werd uitgedeeld. ?Kommt heute um 16 Uhr Meggi am OEZ ich spendiere euch was wenn ihr wollt?.

gavin-long-gun

Maar we weten ook veel over Gavin Long, de ex-marinier die in Baton Rouge, VS drie agenten doodschoot. Op sociale media schreef?Long dat ?terugvechten de enige manier is om een bullebak te stoppen?, dat hij al maandenlang boos was over de discriminatie van zwarte Amerikanen en dat hij zich online presenteerde als ?spiritueel adviseur?. Dat hij onder het alias Cosmo Setepenra allerlei filmpjes online zette waarin hij zich onder meer Arabieren en Indi?rs die ?geen fuck? zouden geven om het lot van zwarte Amerikanen. En weten we dat een van de door Long gedode agenten, Montrell Jackson, vlak voor zijn dood op Facebook schreef dat hij moe en teleurgesteld was als hij aan het werk was.

Ondertussen waarschuwde de politie van M?nchen iedereen toch vooral te stoppen met het online verspreiden van beelden van slachtoffers. ?Stop daar mee?, in hoofdletters, in twee talen. De tweet was vooral gericht aan de omstanders die op die bewuste vrijdagavond ?gretig en direct? foto?s en video?s verstuurden vanaf de plaats delict. Het korps adviseerde deze beelden te uploaden naar een speciale politiesite.

De actie was voor hoogleraar Henri Beunders (Erasmus Universiteit) aanleiding te pleiten voor een verbod op het direct openbaar uploaden van zulke beelden. ?Toen de Charlie Hebdo-schutters uit Parijs en hun medeplichtige in de joodse supermarkt waren omsingeld, konden ze via internet precies zien wat de politie op dat moment aan het doen was?, zegt Beunders die opmerkt dat ?we? nog steeds niet goed gewend zijn aan wat we wel en niet online moeten zetten. ?Het uploaden van sommige beelden is gewoon veel gevaarlijker dan men denkt?.

steiger

Ook privacy speelt hier een rol.?Iets langer geleden zagen we ook al hoe een verwarde man van het dak van een brandend pand in Amsterdam afsprong en verscheen er vorige week nog een video waarin iemand vanaf een (ander) dak ruziet met een omwonende. ?Het online zetten van die video geeft een beeld van de dader, maar de dader weet dan ook dat de politie weet waar hij is?. Volgens Beunders moet het OM een proefproces gaan voeren. ?Dat klinkt misschien hard, maar het zijn ook barre tijden?.

Bronnen:?CopsinCyberspace, AD

Celfies vanuit de bajes

Boeven die een celstraf uitzitten, gebruiken naar binnen gesmokkelde mobieltjes om hun ‘luxe leventje’ in de bajes te vereeuwigen op internet. Uit meer dan tien Nederlandse gevangenissen zijn al foto’s, filmpjes en selfies opgedoken. De mobieltjes op cel zijn tegen alle regels, maar gevangenen smokkelen ze naar binnen.

Verboden spullen de gevangenis in smokkelen, is zeker niet alleen weggelegd voor de fictieve personages in de populaire Netflixserie Orange is the new black. Ook in het echte gevangenisleven komt er van alles de cellen binnen. Via bezoekers, met hulp van gevangenisbewakers of simpelweg door de spullen over de gevangenishekken te gooien of er tussendoor te proppen.

Dat blijkt uit documenten die op verzoek van het ANP zijn vrijgegeven door de Dienst Justiti?le Instellingen (DJI). Het gaat om vele honderden vondsten die de afgelopen vier jaar in een aantal Nederlandse gevangenissen zijn gedaan. Mogelijk is er nog veel meer, want de instellingen zijn niet verplicht?vondsten te registreren.?Mobiele telefoons staan na drugs op de tweede plaats qua in beslag genomen waren in de bajes.

Alleen al in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost (in Roermond en Ter Peel)?zijn tussen 2012 en dit jaar 56 mobiele telefoons?gevonden, de meesten in een cel of verstopt op de luchtplaats.?In de gevangenis in Sittard waren dit er 37 in de afgelopen 3 jaar. Hier werd ook?een internet-dongel gevonden.

187 gangsters

Pot pindakaas
De jongen is zeker niet de enige. Op het twitter-account van 187gangsters staan meer niets verhullende filmpjes uit Nederlandse cellen. Dat schrijven ze niet alleen zelf maar valt bij ??n ook op door een pot pindakaas in de kast.

Een ander slaagt er zelfs in om een mobiel mee te nemen naar zijn cel in de rechtbank. ,,We zijn hier in Arnhem”, zegt hij in goed verstaanbaar Nederlands als hij de camera rond laat gaan in een kale, witte cel met alleen een bed, een zware deur met groot kijkgat en een flesje water.

De heimelijk gemaakte filmpjes en foto’s duiken de laatste maanden steeds vaker op en dat is opmerkelijk. Mobieltjes zijn namelijk ten strengste verboden in gevangenissen. Daar wordt ook op gecontroleerd, zeggen de gevangenissen. Er zijn celinspecties en er lopen bewaarders onaangekondigd met speciale apparatuur door de gangen om mobieltjes op te sporen.

De beelden laten onomstotelijk zien hoe sommige criminelen die maatregelen handig weten te omzeilen. Al worden er wel toestellen in beslag genomen, blijkt uit de meldingen de gevangenissen zelf hebben gedaan bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Sinds september vorig jaar onderschepten bewaarders zeker 20 mobieltjes. Maar hoe lang de gedetineerden die toestellen al hadden is niet duidelijk.

E?n ding viel w?l op: de gevangenen waren bijzonder vindingrijk om hun zelf verworven privilege zo goed mogelijk verborgen te houden. Zo zaten er toestellen verstopt in een pot zout, in de cornflakes, onder een kussen, in het plafond voor een deur en er was iemand zelfs in geslaagd om het plaatje van de wasbak van de muur te halen. Een ander was net bezig zijn matras uit te hollen toen de bewaarder binnen kwam. De stukken matras lagen nog in het toilet.

‘Hier is mijn tv. Hier zijn mijn kleren. Hier mijn badkamer.’ Het filmpje op internet duurt maar veertien seconden, maar het is net genoeg om een idee te krijgen hoe deze gevangene zijn dagen slijt. De tien vierkante meter oogt rommelig. Zijn bureau ligt bezaaid met spullen, de tv is aan, er staan een radio en een spelcomputer voor de nodige afleiding. ‘My crib in Dutch prison’ zet hij trots in het bericht voordat hij het op 1 februari dit jaar naar het YouTube-kanaal 187gangsters stuurt.

Hoewel dit niet bepaald een woonruimte is om trots op te zijn, kent deze jongere totaal geen schaamte. Hij filmt zichzelf half-herkenbaar in de spiegel en is zeker niet de enige. Een ander slaagt er zelfs in om een mobiel mee te nemen naar zijn cel in de rechtbank. “We zijn hier in Arnhem”, zegt hij in goed verstaanbaar Nederlands als hij de camera rond laat gaan in een kale, witte cel met alleen een bed, een zware deur met groot kijkgat en een flesje water. Op het Twitter-account van 187gangsters staan meer nietsverhullende filmpjes uit Nederlandse cellen.

Groot onderzoek
Mobieltjes zijn tegen alle regels, maar dat er nu ook nog mee wordt gefilmd en dat open en bloot op internet komt, baart het gevangenispersoneel nog meer zorgen, blijkt uit een vertrouwelijk memo van 9 november vorig jaar. Hierin slaat het hoofd beveiliging van jeugdgevangenis De Hartelborgt in Spijkenisse voor het eerst alarm over het nieuwe fenomeen.

,,Op Instagram worden foto’s gepubliceerd van verschillende inrichtingen waarbij ook jeugdinrichtingen voorkomen”, meldt hij. Er staan foto’s op van cellen en recreatiezalen, met en zonder gedetineerden. Vooralsnog geen medewerkers.

De beveiliging start direct een groot onderzoek naar waar ze precies zijn genomen. De gevangenissen Hoogvliet en Veenhuizen, alsook de jeugdgevangenis in Amsterdam worden al snel herkend. Later blijkt het te gaan om in totaal 11 afdelingen door het hele land, afgaande op de bijgevoegde teksten.

Cellfies in de VS

De politie van Bryant heeft op geheel eigen wijze een oplossing gevonden voor het feit dat een deel van de?criminelen nog steeds niet op social media zit. En zij wil?de criminelen in de dop die dat wel zitten ermee afschrikken. Met de woordspeling #CELLfie, dat meelift?op de wereldwijde Selfie trend, wordt het leven van de arrestanten vereeuwigd op het web. Voor Bryant politie een creatieve manier van moderne misdaadbestrijding.?Bekijk deze videoreportage?met meer achtergronden.?De grens om met je moderne ?mugshot? online gezet te worden wordt laag ingezet: het begint al bij een winkeldiefstal en gaat tot zeer zware vormen van gewelddadige criminaliteit.

?Ik wil dat ze weten dat als ze naar Bryant komen en een misdaad begaan, hun identiteit?openbaar?wordt gemaakt?, zegt politiechef?Mark Kizer, initiatiefnemer van het #CELLfie?idee. Nu zijn er in de VS natuurlijk al talloze ?mugshot? websites waar criminelen en verdachten op Facebook, Twitter, Instagram of Pinterest geplaatst worden.

? Er zijn zelfs berichten die wel 50.000 views op een dag krijgen? aldus?Kizer. De #CELLfie is vooral bedoelt om misdaad te ontmoedigen. Normaal worden online foto?s geplaatst van verdachten die nog niet gepakt zijn. Maar zorgt het plaatsen van je foto op het internet ervoor dat je zelf of een ander geen misdaad meer pleegt?

Bronnen: Brabants dagblad, Gelderlander, Metronieuws

Filmen of helpen?

In plaats van te helpen werd een meisje langs de gracht in nood dit weekend in Amsterdam eerst door omstanders gefilmd. Is filmen een eerste reflex geworden?

Op Facebook uitte de Amsterdamse politie haar verbazing. Een meisje lag zaterdag op de Groenburgwal ?al rillend van de kou, een uur langs de gracht?. Maar ??n persoon belde 112, anderen filmden alleen.

Ook bij een brand eind april, waarbij een man van het dak sprong, pakten veel omstanders de telefoon erbij en in no time waren de vlammen via Twitter te volgen. In februari reageerde een vrouw op Facebook verontwaardigd op omstanders die de gevolgen van een spoorwegongeluk met hun mobiel vastlegden.

Filmen in plaats van helpen is niet iets wat de hulpdiensten vaak meemaken, maar filmende omstanders is ze niet onbekend. Het is van deze tijd, zegt de politie. ?Je houdt het niet tegen.? Ook Ambulance Amsterdam herkent het. ?Het is een punt van aandacht, maar behalve schermen neerzetten kunnen we er weinig aan doen. Pas als de privacy in het geding is, of mensen ons voor de voeten gaan lopen, wordt het vervelend.?

De reacties op het politiebericht op Facebook zijn niet van de lucht. Misselijkmakend, noemt iemand het. Welkom in 2016, zegt een ander. De filmers zouden bovendien lafbekken zijn. Maar daar heeft het volgens neurowetenschapper Ruud Hortensius weinig mee te maken. ?Ze worden als slechte mensen bestempeld, maar ze maken op dat moment geen bewuste keuze. Hoe snel iemand helpt, is persoonlijk. Iemand met meer inlevingsvermogen zal bijvoorbeeld eerder in actie komen.?

mobile

Hortensius promoveerde op het omstandereffect: de kans op ingrijpen of hulp bieden door omstanders is kleiner wanneer de groep groter is. ?Dit is een duidelijk geval daarvan?, zegt hij over het voorval op de Groenburgwal. ?Dat mensen niet meteen te hulp schieten is helaas heel normaal. Ze zijn aan de grond genageld, iets wat voortkomt uit een gevoel van persoonlijk ongemak. Het is een emotionele reflex: bevriezen, vluchten of vechten.?

?Als er meerdere mensen op straat lopen deel je ook de verantwoordelijkheid met veel mensen?, legt VU-hoogleraar sociale psychologie Paul van Lange uit. ?Als er maar ??n iemand langsloopt, is de kans groter dat die ingrijpt. Ook hebben mensen in grote groepen sneller de neiging te denken dat het wel zal meevallen. Niemand doet immers wat.?

Waarom dan wel filmen? Het hoort bij de tijdgeest, zegt Jan van Dijk, hoogleraar nieuwe media van de Universiteit Twente. De nieuwe media maken dit gedrag mogelijk, maar het raakt ook meer in de cultuur ingebakken. ?We zijn steeds meer toeschouwer in plaats van onderdeel van een gebeurtenis. Het beeld is soms belangrijker dan de werkelijkheid die wordt gefilmd.? Eerst filmen en dan pas te hulp schieten zou daarmee te maken kunnen hebben, zegt hij. ?En waarom? Om te kunnen zeggen dat je er als eerste bij was.?

We kunnen er misschien maar beter aan wennen. Hortensius: ?Er is nog geen onderzoek naar gedaan, maar het lijkt een standaardreactie te worden, een automatisme. Zoals je je telefoon erbij pakt tijdens een verjaardag.?

Ook Van Lange noemt de behoefte te laten zien dat je ergens bij bent geweest. Al hoeft het niet altijd iets negatiefs te zijn, zegt hij. ?Het beeld kan ook als bewijs dienen en tijdens een misdrijf kan het zelfs afschrikken.?

Het wordt soms zelfs aangemoedigd. Zo luidde de slogan van een overheidscampagne: ?Pak de overvaller, pak je mobiel?, en ook de brandweer en Ambulance Amsterdam zien het nut van filmen. ?Een opname kan soms een heel goed hulpmiddel zijn.?


Het meisje werd in een ambulance nagekeken, ze bleek onderkoeld en het bleek om het vermiste meisje te gaan. Ze is teruggebracht naar de instelling.

Bronnen: Het Parool, Dagblad van het Noorden, Metronieuws, RTV Noord Holland, AD

De virtuele wijkagent: haalbaar of niet?

image-5712455

Agenten die handhaven op de digitale straat. Is dat haalbaar of niet?

Burgemeester Paul Depla van Breda is van mening dat zijn stad een virtuele wijkagent nodig heeft om zo ook het leven dat zich online afspeelt in de gaten te houden. Maar hoe kan dat worden vormgegeven? Klopt het dat deze online wijkagent signalen kan oppikken die anders niet worden opgemerkt? Wordt de informatiepositie van de politie beter wanneer zij ook virtuele wijkagenten inzet?

bais politiezorg

Handhaving op internet

?Begin eens met de wet handhaven op dat vrije internet?, zo luidt de titel van een artikel uit het NRC. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werden in 2014 een op de negen Nederlanders slachtoffer van cybercrime; 0,8% van de Nederlanders kreeg te maken met identiteitsfraude, 3,5% kreeg te maken met koop- en verkoopfraude en 5,2% kreeg te maken met een?hack?(inbraak) op computer, smartphone, e-mailaccount of website. Door de steeds beter wordende internetverbinding, het feit dat 98% van de huishoudens verbonden is met het internet, door het online gaan met smartphones en tablets (75% van de bevolking heeft een smartphone of tablet) en het gebruik van computers en laptops digitaliseert de samenleving. Doordat steeds meer mensen online zijn verspreiden de veiligheidsproblemen zich ook op het internet. Digitale apparatuur en informatie is kwetsbaar en kan worden misbruikt. ?Cybercrime neemt hand over hand toe‘. Het NCSC schrijft: ??Het aantal experts, de kennis en de middelen moeten dito toenemen, willen we het gevecht winnen en de ICT-veiligheid kunnen garanderen??. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft als taak Nederland weerbaarder te maken op internet. Maar wie doet de online handhaving van veiligheid?

Wat is de rol van de politie?

Henk van Essen, lid van de korpsleiding van de Nationale Politie, zei in het politiedebat van 18 november 2015 op de politieacademie: ??Wat is nou de rol van politie in de digitale wereld? Wat kan je van ons wel verwachten en wat kan je van ons niet verwachten. Het is fair om te zeggen dat we daar nog geen antwoord op hebben op dit moment.? Wanneer je zou zeggen dat die rol er wel is voor de politie en je je voorstelt dat deze rol handhaving betreft, dan kan dit onderzoek van pas komen. Diverse partijen, zowel de politie als private partijen, zien de noodzaak in tot het optreden op internet. De politie is aan het onderzoeken hoe zij meer en beter aanwezig kan zijn op het internet. Private partijen ontwikkelen software, geven beveiligingsadviezen en stellen middelen ter beschikking aan de politie. En eindgebruikers, zoals burgers, letten een beetje op elkaar.

Wanneer het gaat over online handhaving is het ook de vraag of de politie de aangewezen partij is om te handhaven op internet. De politie heeft diverse specialistische teams die zich op het internet begeven, maar de specialistische teams hebben veel minder kennis van wat zich op lokaal niveau afspeelt dan de basis politiezorg. Het internet kent vele spelers en eigenaren. Vrijwel iedereen in Nederland heeft toegang tot het internet, maar vrijwel alle websites staan op private servers van serviceproviders. Het internet is dus deels een publieke en deels een private ruimte. De politie is primair verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid. Om de specialistische teams te ondersteunen met, zoals voor dit onderzoek is gekozen, de online handhaving, wordt in dit onderzoek gefocust op de online handhaving in de basis politiezorg. Pieter Jaap Aalbersberg, korpschef van Amsterdam, heeft tegen de eerder genoemde Henk van Essen gezegd: ??ik heb in mijn organisatie 82 personen binnen de BPZ werken met een afgeronde HBO-opleiding?. Er zit veel kennis in de basis politiezorg van korps Amsterdam en zij hebben ook lokale kennis. Deze combinatie zou goed benut kunnen worden. De manier waarop dat kan plaatsvinden zou kunnen blijken uit dit onderzoek.

Onderzoek?handhaving van de openbare orde en veiligheid op internet

Het onderwerp van dit onderzoek is: ?handhaving op internet door de basis politiezorg?. Doordat steeds meer mensen online zijn verspreiden de veiligheidsproblemen zich ook naar het internet. In 2014 werden 1 op de 9 Nederlanders slachtoffer van cybercrime. Er is al veel bekend en onderzocht over (online) opsporing, maar het thema (online) handhaving wordt vaak vergeten. Wanneer het over online handhaving gaat is het de vraag of de politie de aangewezen partij is om te handhaven op internet. Aangezien er nog geen wetenschappelijke onderzoeken zijn die zich richten op deze preventieve kant van de basis politiezorg online,? richt dit onderzoek zich daarop. Het doel daarbij is om inzicht te bieden in de mate waarin agenten in de basis politiezorg in staat zijn om te handhaven op internet en welke mogelijkheden er zijn om de handhaving op internet te bevorderen. Het externe doel is daarbij om kaders te bieden waarbinnen deze handhaving kan plaatsvinden, voor zover het mogelijk is om die kaders te schetsen. De vragen die moeten bijdragen aan het bereiken van deze doelstelling gaan over: offline handhavingstaken en de vertaling daarvan naar online handhavingstaken, het juridische kader waarbinnen handhaving op internet zich kan afspelen, welke best practices en knelpunten er al bekend zijn, welke vaardigheden de agent moet hebben en welke kennis en middelen daar voor nodig zijn. Tot slot is bekeken in hoeverre private partijen een rol kunnen spelen in de handhaving op internet.

politie-twitter-150x150

Reguliere handhavingstaken

Onder de basis politiezorg vallen alle politietaken die niet apart zijn ondergebracht bij specialistische politieonderdelen. Een van de voornaamste taken van de basis politiezorg is het handhaven van de openbare orde onder het gezag van de burgemeester. De agenten in de basis politiezorg werken in verschillende functies. Het doel bij de dagelijkse werkzaamheden van de politie is het verbeteren van de informatiepositie, het de-escalerend optreden bij conflicten en het aangeven van kaders omtrent de openbare orde. De opsporing wijkt daar vanaf, aangezien de politie in dat kader onder het gezag van de officier van justitie valt en als doel heeft om strafvorderlijke beslissingen te ondersteunen. Handhaving is iedere actie die erop gericht is de naleving van het bij of krachtens wet- en regelgeving geldende recht te bevorderen en te bewerkstelligen. De offline handhavingstaken bestaan volgens respondenten uit het leefbaar houden van de wijk, het handhaven van de openbare orde en het bijsturen van gedrag of het uitdelen van boetes wanneer mensen zich niet aan de regels houden. Online kan dat mogelijk net zo plaatsvinden maar dan op digitale plekken. Echter, op het internet kan een agent zich niet net zo identificeren als op straat. Daarnaast kan worden afgevraagd of het internet onder de publieke ruimte valt. Online handhaving kan worden ingezet als instrument, maar kan daarnaast ook worden ingezet als middel tegen online overtredingen zonder dat deze gepaard gaat met een actie op de fysieke straat.

Bevoegdheden en wet- en regelgeving

Alle agenten moeten zich houden aan de politiewet. De politiewet is een aanvulling op het wetboek van strafvordering. In deze wetten is de opsporing strikter vastgelegd dan de handhaving. Opsporing mag alleen worden gedaan door een opsporingsambtenaar. Wettelijk gezien bedient de burgemeester zich bij het handhaven van de openbare orde van de politie. Dat is tevens vastgelegd in de politiewet en de gemeentewet. De burgemeester heeft hiervoor een aantal bevoegdheden. Of hij die online kan, mag en gaat gebruiken is nog veel discussie. Daarnaast is nog steeds onduidelijkheid over wat de agent wel en niet mag op het internet. Daarop heeft het Openbaar Ministerie een matrix opgesteld die in maart 2016 is verspreid binnen de politie. Daarin staat per actie aangegeven welke bevoegdheid de agent al heeft en/of moet vragen. De vraag is of de kaders online wel of niet anders zijn, of zouden moeten zijn, dan op straat. Kan de scope van het Wetboek van Strafvordering gezien de ontwikkelingen en de samenleving worden geprojecteerd op de digitale straat?

ruben1

Online handhaving binnen de politie

Binnen de politie zijn verschillende onderdelen die zich op het internet richten en betrekking hebben op handhaving. Deze onderdelen zijn het Crisis Communicatie Team, het Open Source Intelligence Team, het Real Time Intelligence Center en wijkagenten en jeugdagenten die actief zijn op social media. Daarnaast maakt het communicatieteam van iedere politie-eenheid ook gebruik van het internet. Deze onderdelen van de politie gebruiken internet met name voor berichtgeving en voor hun eigen informatievoorziening. Daarvoor gebruiken zij programma’s die het internet scannen op trefwoorden. Een overkoepelend onderdeel binnen de politie is de Dienst Regionale Informatie Organisatie. Daar komt vrijwel alle regionale informatie van alle politieonderdelen bijeen. Zij hebben ook de bevoegdheid om de informatie van de verschillende? politieonderdelen in te zien.

De politie heeft enkele goede ervaringen met het gebruik van internet in de vorm van handhaving. De politie in Groningen kreeg via een social media monitoringprogramma een twitterbericht te zien waarin stond dat iemand het aanstaande Sinterklaasfeest wilde verstoren. Daarop heeft de politie gereageerd. De persoon in kwestie had geen reactie verwacht en bood zijn excuses aan. Daarnaast blijkt het effect van het gebruik van social media bij evenementen groot. De informatie-inwinning, het managen van grote groepen mensen (crowd control) en het geven van voorlichting zijn daarbij erg belangrijk.

Tegenover goede ervaringen staan ook knelpunten. en slechte ervaringen, omdat een online actieve politie ook kwetsbaar is. De politie is nog terughoudend met het gebruik van internet. Online zijn is nieuw voor de oudere agenten en protocollen zijn onvoldoende aanwezig binnen de eenheid of de agent weet niet van het bestaan van de protocollen. Doordat er geen speciale internetpolitie is moeten agenten uit de basis politiezorg deze taken ook deels op zich nemen. Momenteel wordt dat nog niet gedaan volgens een vastomlijnd kader. De ene agent is erg actief op het internet en de andere agent maakt vrijwel geen gebruik van internet. Tot slot is de politie erg geori?nteerd op het zenden van informatie. Het ontvangen van informatie en het verwerken van informatie behoeft een grote verbeterslag. Daarbij gaat het zowel om informatie vanuit internet- en social media monitoring programma?s als om de algemene interactie met de burger.

Kennis, vaardigheden en middelen

Er zijn voor de politie cursussen en workshops beschikbaar die ondersteuning bieden aan agenten om actief te zijn op social media, zoals cursussen in het effectief zoeken op internet. Deze cursussen hebben tot doel om de agenten bekwamer te maken in het gebruik van internet als communicatiemiddel en handhavingsmiddel of gecombineerd. Deze cursussen en workshops zijn voor iedereen opgenomen in de politieopleiding, maar veel van de huidige agenten hebben die daarom nog niet gehad. Zij kunnen bijgeschoold worden na een aanvraag voor een cursus of workshop. Om goed met internet te kunnen werken is het belangrijk om expertise binnen de politiebureaus te hebben. Agenten worden steeds meer uitgerust met een smartphone waarmee zij veel zaken op en via internet kunnen regelen. Zo kunnen zij op social media, maar ook kunnen zij politiesystemen raadplegen en een bekeuring uitschrijven zonder dat zij daarvoor een computer nodig hebben. Er is op het intranet van de politie uitleg gegeven over het opzetten van een twitteraccount en waar het twitteraccount exact aan moet voldoen. Om kennis en middelen om te zetten naar vaardigheden en deze ook daadwerkelijk toe te passen is een goede scholing nodig. Aangezien nog niet iedere agent deze scholing heeft gehad en/of iets doet met de scholing op het gebied van social media bij het uitvoeren van de alledaagse werkzaamheden, is het lastig om handhaving op internet te bewerkstelligen.

Private partijen

De politie werkt op specialistisch niveau samen met private partijen zoals Facebook, Twitter, ICT bedrijven en internet service providers. Daarbij wordt zowel aan handhaving als aan de bestrijding en opsporing van cybercrime gedaan.? De handhaving die hier wordt uitgevoerd betreft het verwijderen van account wanneer personen zich niet aan de regels van de website houdt. Ook waarschuwt facebook een gebruiker wanneer deze zich niet houdt aan de door haar gestelde regels.

Bij evenementen wordt veel gebruik gemaakt van social media. Daarbij werken private partijen (organisatoren van evenementen) veel samen met de communicatieteams van de politie. Daar zijn voornamelijk bij de bevrijdingsfestivals van 2015 in Nederland goed successen mee geboekt.

Aanbevelingen

Het is aanbevolen om landelijk ??n beleid te voeren op het gebied van opleiding en gebruik van social media. Daarnaast is het belangrijk om de kennis van nieuw ingestroomde agenten op het gebied van social media te benutten en in te zetten om het kennisniveau van de oudere agenten te verhogen. Tot slot moet er meer samen worden gewerkt tussen private partijen en de politie, zonder dat de private partijen de handhaving uitvoeren in plaats van de politie. De daadwerkelijke uitvoering van de handhaving zou idealiter moeten plaatsvinden door de politie, waarbij de private partijen de informatie aanleveren voor de politie. Door samen te werken op het gebied van informatie vergaren en verwerken kan de politie effectiever zijn.

Aangezien dit onderzoek niet alle aspecten kan belichten van de handhaving op internet is het belangrijk om bepaalde aspecten nader te onderzoeken. Bijvoorbeeld of de agent zich online ook moet identificeren en zo ja, hoe hij dat moet doen. Tevens is het belangrijk om de wijzigingen die aanstaande zijn in het wetboek van strafvordering te volgen. Ook de resultaten van een onderzoek over de bestuurlijke bevoegdheden van de burgemeester op internet en een matrix/schema van het openbaar ministerie over de bevoegdheden van de agent op internet zijn waardevolle aanvullingen op dit onderzoek. Tot slot zou onderzoek moeten worden gedaan naar het opzetten van een social media team per robuust basisteam.

ruben2

Lees en/of download hieronder het hele rapport:

[slideshare id=63048046&doc=tno-2016-s10720-160614115614&type=d]

Bronnen: TNO

Monitoring en analyse informatie op sociale en online media; van leren naar verbeteren

monitoring roy

Hoe moet de politie omgaan met berichten op sociale media? Hoe serieus moet zij deze nemen, wanneer kan zij hier eveneens via sociale media op reageren en wanneer is meer inzet nodig? Op basis van welke informatie en werkwijzen worden beslissingen hierover genomen? Deze en meer vragen staan centraal in ?het onderzoeksrapport“Monitoring en analyse informatie op sociale en online media”.

[slideshare id=62993415&doc=onderzoeksrapportmonitoringenanalyseinformatiejuni2016-160613054852&type=d]

Het rapport geeft inzicht in de wereld ?chter de website, twitter- en facebookaccounts van de politie. Daar gebeurt veel meer dan wat de gemiddelde sociale mediagebruiker te zien krijgt. Het rapport schetst de ontwikkeling binnen de politie in de afgelopen jaren op dit relatief nieuwe vakgebied en biedt tevens een doorkijk naar de nog te maken slagen op het terrein van verzamelen, analyseren en duiden van berichten op sociale media.

Want dit is en blijft mensenwerk, dat voorlopig niet volledig is over te nemen door geautomatiseerde systemen.

Het onderzoek is hier te lezen en te downloaden.

Veel leesplezier, namens Roy Johannink en?Inge Gorissen.

Bronnen: Linkedin Pulse

Internettrollen en botfarms

trollen2

Van pesterijen tot regelrechte oorlogvoering op internet: zogeheten trollen nemen bijkans het internet over. Journaliste Jessikka Aro schreef erover en werd zelf slachtoffer. Onderstaand artikel van kristel van Teeffelen stond onlangs in Trouw:

Jessikka Aro

Het is lente vorig jaar als de Finse journalist Jessikka Aro een bizar bericht ontvangt. Een sms van haar ‘vader’ die schrijft dat hij niet is overleden, maar ‘haar observeert’. Aro’s vader leeft al twintig jaar niet meer.

De journalist van het Finse tv-station Yle Kioski noemt het bericht later het dieptepunt van de onlinepesterijen die volgen op haar journalistieke onderzoek naar Russische internettrollen. Dat zijn mensen waarvan wordt verondersteld dat ze worden aangestuurd vanuit het Kremlin om pro-Russische berichten op internet te verspreiden. Het blijft niet bij het sms’je, de 35-jarige Aro krijgt te maken met dreigtelefoontjes en allerlei roddels die over haar verschijnen op sociale media: ze zou voor de Amerikanen werken en drugs dealen. In een filmpje op YouTube wordt ze neergezet als een dom blondje. De pesterijen maken haar leven tot een hel, zei ze onlangs tegen The New York Times.

Wat Aro overkwam, is kenmerkend voor wat internettrollen kunnen veroorzaken. Al bestaat er eigenlijk geen definitie van die term, laat staan dat er cijfers zijn over aantallen (zie hieronder). Zelf denkt de journalist dat ze werd bestookt vanuit de hoek waarop ze haar onderzoek richtte: de pro-Russische trollen. Mensen die doelbewust en herhaaldelijk het maatschappelijke debat proberen te be?nvloeden op sociale media en andere websites, in het voordeel van de Russische regering. Hoewel sommigen dat uit individuele overtuiging doen, is van Rusland bekend dat ook de overheid trollen aanstuurt.

Van die zogenoemde trollenfabriek is niet veel bekend, afgezien van de verhalen die de afgelopen jaren verschenen in verschillende media. Zo vertelde Ljoedmila Savtsjoek, een voormalige trol die haar werkgever vorig jaar voor de rechter sleepte, dat zij dagelijks tientallen reacties op sites en sociale media moest plaatsen waarin ze het opnam voor Poetin en diens beleid. Een andere trol beschreef in de Britse krant The Guardian dat ze over hele gewone dingen moesten schrijven, zoals het bakken van taarten en muziek. Daar moesten ze dan af en toe een politiek bericht tussendoor gooien over hoe fascistisch de regering in Kiev is, bijvoorbeeld.

Verhulde propaganda

De boodschap subtiel verpakken, is onderdeel van de tactiek. Berichten die vanuit de overheid komen, kunnen eenvoudiger aan de kant worden geschoven als overduidelijke propaganda, zegt Jan Melissen, als onderzoeker verbonden aan het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael. Dat is moeilijker als het bericht van een gewone burger lijkt te komen, die de politieke boodschap afwisselt met gezellige huis-tuin-en-keuken-berichten. De be?nvloeding gaat dan sluipenderwijs.

Hoe gevaarlijk is die inzet van dergelijke politieke trollen? Dat overheden zieltjes proberen te winnen, ook over de landsgrenzen heen, is niets nieuws, zegt Melissen. Het is door internet alleen een stuk makkelijker geworden. Regimes zijn erachter gekomen dat sociale media een bijzonder krachtige tool voor propaganda zijn. Een ontwikkeling die we volgens hem ‘buitengewoon serieus moeten nemen’.

Daar lijkt ook de Europese Unie sinds vorig jaar van doordrongen. De continue informatiestroom van de Russische trollen wordt gezien als potentieel zo ontwrichtend voor de Europese samenleving, dat er een team is opgericht dat weerwoord moet gaan bieden, de zogenoemde ‘East StratCom Task Force‘. Dat team houdt niet alleen bij wat er allemaal voor onwaarheden vanuit Rusland worden verspreid, ze antwoorden daar ook op door de andere kant van het verhaal te vertellen, door de Europese politiek uit te leggen. Daarnaast worden onafhankelijke media in Rusland vanuit de Task Force ondersteund. Ook Nederland doet daaraan mee. Eind 2015 maakte minister Bert Koenders van buitenlandse zaken bekend dat Nederland daarvoor 1,3 miljoen euro uittrekt.

Maar doen de EU en Nederland met het stimuleren van het pro-Europese tegengeluid niet hetzelfde als Rusland? De ondersteuning van onafhankelijke Russische media is niet bedoeld als tegenpropaganda, stelde Koenders bij de aankondiging vorig jaar. Want dat gaat volgens hem in tegen ‘onze democratische beginselen’. Het geld dat Nederland beschikbaar stelt, is volgens hem ook niet gericht tegen Rusland, maar is ‘voor onafhankelijke media’.

Nepaccounts

Het ondersteunen van het tegengeluid is goed, zegt Arnout de Vries van het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO. Al vraagt hij zich af of het voldoende is. Helemaal nu het voor trollen steeds makkelijker wordt om hun impact te vergroten. De Vries doet momenteel onderzoek naar het fenomeen van zogenoemde ‘botfarms‘. Dat zijn grote hoeveelheden accounts op sociale media waar geen gebruiker achter zit, maar een computer. De accounts doen vaak niets anders dan berichten retweeten, maar door de verbeterende technologie schrijven sommige computers inmiddels ook al volledige zinnen. De botfarms zorgen er bijvoorbeeld voor dat ??n persoon, ondersteund door de computer, een grote hoeveelheid accounts kan beheren.

“Uit onderzoek van de Universiteit van Arizona blijkt dat ten minste tien procent van de accounts op Twitter fake is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de berichten op het platform”, zegt De Vries. “Voor trollen zijn die nepaccounts bijzonder effectief. Kijk je naar de activiteiten van terreurgroep IS op sociale media, dan gaat het getal van 100.000 accounts rond. Dat lijkt heel wat. In werkelijkheid zitten er veel fake-accounts bij, waarmee ze hun boodschap kracht bijzetten.”?50% accounts na 2014 inmiddels suspended,?24% van alle tweets komen van bots en bij Facebook zijn de schattingen dat ook tussen de 5 en 11% van alle accounts bots zijn.

Steeds minder trollen kunnen daardoor een steeds grotere impact hebben, waarschuwt De Vries. Dan hebben de Russen straks geen leger meer nodig, maar is ??n bataljon genoeg.

Wat moet het antwoord van de EU daarop zijn? Zelf dan maar trollende botfarms inzetten? De Vries lacht: “Dat is een beetje te controversieel. Ik denk alleen wel dat je als overheid burgers in groten getale nodig hebt om tegengeluiden te laten horen. Maar overheden lijken een beetje beschaamd dat aan hun burgers te vragen. Het is toch alsof je je burgers het strijdveld op het web instuurt.”

En daar kan het er erg persoonlijk aan toe gaan, laat de kwestie met Jessikka Aro zien. Doodsbedreigingen, online speuren naar informatie en daarmee iemand chanteren; het zijn strategie?n die de doorgewinterde trol inzet om tegenstanders uit te schakelen en zijn invloed te doen gelden.

Toch is er volgens Jan Melissen van Clingendael wel een verschuiving gaande. De meeste overheden zetten dan wel geen trollenlegers op, maar ondersteunen burgers of organisaties wel steeds vaker indirect in het verspreiden van hen goedgezinde berichten op internet. “Dat doen ze bijvoorbeeld door organisaties met geld te ondersteunen, of burgers te trainen. Ik ken voorbeelden uit Zuid-Korea en uit Isra?l. Daar traint het ministerie van buitenlandse zaken jonge Isra?li?rs die het online opnemen voor hun land.”

Hoewel het volgens Melissen in een democratie lastig ligt om als overheid te veel te willen sturen op wat burgers online uiten, komt de wens voort uit het idee dat die burgers broodnodig zijn. Vooral als je te maken hebt met tegenstanders die op grote schaal onwaarheden verspreiden.

trollen

Trollen in alle soorten en maten

Lang niet alle trollen hebben een politiek motief. Soms zijn het internetters die uit verveling online op zoek gaan naar ruzie, of naar een lolletje. Een trollentruc is bijvoorbeeld om op internetfora onschuldig ogende linkjes achter te laten die in werkelijkheid leiden naar een site met alles behalve onschuldige plaatjes.

Door sommige mensen wordt trollen zelfs gezien als een ware kunst. E?n van hen is de Amerikaanse econoom Noah Smith, die in 2014 een vlammend betoog schreef over waarom hij trots is om een internettrol te zijn. Hij ziet het als een manier om mensen op hun vooroordelen te wijzen, en om de alledaagse sleur te doorbreken.

Maar trollen is lang niet meer zo onschuldig als in de begintijd van internet, erkent ook Smith. Neem het fenomeen dat bekend is onder de naam ‘doxen’, oftewel iemand uit de anonimiteit halen. De Britse schrijver Jamie Bartlett haalt een voorbeeld aan in zijn boek ‘Dark net‘, waarvoor hij in de krochten van internet dook. Een meisje had naaktfoto’s van zichzelf geplaatst op een anoniem forum, waarna een aantal aanwezigen een zoektocht naar haar identiteit begon. Binnen de kortste keren was haar naam, adres en telefoonnummer achterhaald via een studentenlijst van haar universiteit. En waren de naaktfoto’s naar al haar facebookvrienden verstuurd. Volgens Bartlett wordt dat op internet een ‘life ruin’ genoemd: bedoeld om blijvend leed te veroorzaken. En dat alleen maar omdat het kan.

In zekere zin gebruikten ook de trollen die achter Jessikka Aro aangingen die tactiek. Bij Aro lijkt er alleen een politiek motief achter te zitten, de pesterijen begonnen direct nadat ze haar eerste artikel publiceerde over het Russische trollenleger. Maar niet alleen die groep stuurde de roddels rond. Het viel Aro op dat er allerlei mensen aan meededen, waarvan de connectie met Rusland niet altijd duidelijk was. Dat is kenmerkend voor trollen, zegt Arnout de Vries van TNO. “Vaak zie je een sneeuwbaleffect: iemand haalt een grap uit, dat lokt reacties uit en de volgende gaat daaroverheen.”

twitter trolls

Ook in Nederland hadden trollen al een aantal keer flink impact. Bijvoorbeeld tijdens de rellen in Haren in 2012 (Project X). Een jongen uit Rotterdam twitterde die avond dat een meisje was overleden. Het was een grap. “Hij slingerde voor de lol leugens de wereld in en wist dat bijzonder goed te timen”, zegt De Vries. “Met alle ellende tot gevolg. De media vallen hulpdiensten onnodig lastig om bevestiging te krijgen en veel ouders bellen 112.” De jongen uit Rotterdam werd opgespoord, maar niet vervolgd omdat wat hij deed niet zomaar strafbaar was. Dat is een probleem bij de aanpak van trollen, stelt De Vries. Ze zijn erg moeilijk aan te pakken, terwijl ze bij grote gebeurtenissen klaarzitten om toe te slaan.

mediamix

Bronnen: Trouw

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

attentie whatsapp

Politie en burgers: van informatie delen naar volwaardige samenwerking

Door: Jos? H. Kerstholt, Arnout de Vries & Roy Mente

Samenvatting
De politieorganisatie maakt steeds meer gebruik van de capaciteit, kennis en kunde van burgers, vooral in de context van Gebiedsgebonden Politiewerk (GGPW). Dit artikel geeft een overzicht van de huidige stand van zaken. We concluderen dat sociale media een steeds belangrijker rol spelen in de interactie tussen politie en burgers, wat nieuwe mogelijkheden cre?ert voor verdergaande samenwerking. Implementaties van GGPW, zoals verschillende vormen van burgerparticipatie, lijken vooral effect te hebben op sociaal-psychologische factoren als zichtbaarheid, vertrouwen en legitimiteit. Deze effecten kunnen echter wel de criminaliteitscijfers indirect be?nvloeden.

Een belangrijke pijler van Gebiedsgebonden politiewerk (GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur) is de samenwerking met burgers. Ook is er, in contrast met het traditionele politiewerk, een duidelijke verschuiving te zien van handhaving en vervolging naar preventie van criminaliteit (Gill, Weisburg, Telep, Vitter & Bennett, 2014). Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking met burgers, organisatieverandering en het oplossen van problemen. GGPW gaat dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers, maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet. De organisatieverandering houdt vooral in dat wijkagenten de ruimte moeten hebben om oplossingen af te stemmen op de lokale situatie, hetgeen vanuit de organisatie zo goed mogelijk gefaciliteerd dient te worden.

In een recente internationale studie naar de effecten van GGPW maakten Gill et al., (2014) een onderscheid in vijf indicatoren: criminaliteit, overlast, angst, tevredenheid van burgers en legitimiteit van de politie. De algemene conclusie die zij uit hun analyse trokken is dat GGPW positieve effecten heeft op de tevredenheid van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de politie, maar slechts zeer beperkte effecten op (angst voor) criminaliteit. Deze conclusie komt overeen met eerdere bevindingen: beperkte effecten op criminaliteitsreductie, maar positieve effecten op andere uitkomsten als de tevredenheid van burgers en vertrouwen in de politie (Weisburd & Eck, 2004).

Deze conclusies zijn gebaseerd op de directe effecten van GGPW, maar zoals ook is opgemerkt door Gill et al., (2014), zijn er wel aanwijzingen dat een toename van gepercipieerde legitimiteit er ook toe leidt dat burgers eerder meewerken en de criminaliteit afneemt (Bradford, Jackson & Hough, 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett & Tyler, 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de korte-termijn effecten van GGPW vooral tot uiting komen in psycho-sociale factoren als beleving en vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect hebben op het verlagen van criminaliteit.

Omdat het overzicht van Gill et al. (2014) vooral is gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten, geven we in het huidige paper een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar een?complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren naar een volgende generatie van GGPW.

Inleiding

In zowel de VS als Europa is er toenemende aandacht voor Gebiedsgebonden Politiewerk?(GGPW, Community Oriented Policing in de Engelstalige literatuur). In?tegenstelling tot het traditionele politiewerk waarbij het accent op rechts- en?ordehandhaving ligt, is binnen het GGPW-concept het betrekken van burgers in?de preventiefase van groter belang. Uit verschillende overzichtsartikelen komt?naar voren dat GGPW positieve effecten heeft op uitkomsten als de tevredenheid?van burgers, de perceptie van overlast en verloedering en de legitimiteit van de
politie, maar slechts beperkte effecten heeft op de reductie van criminaliteit (Gill,?Weisburg, Telep, Vitter & Bennett 2014; Land, Stokkom & Boutellier 2014; Weisburd?& Eck 2004).

Hoewel de directe effecten van GGPW op criminaliteitsreductie beperkt lijken,?zijn er wel indirecte effecten. Een toename van gepercipieerde legitimiteit leidt er?bijvoorbeeld toe dat burgers eerder meewerken met de politie en dat de criminaliteit?afneemt (Bradford, Jackson & Hough 2013; Mazerolle, Antrobus, Bennett &?Tyler 2013). Daarnaast werd in een recente meta-analyse van Braga, Welsh en?Schnell (2015) ook aangetoond dat reductie van overlast en verloedering tot minder?criminaliteit leidt. Al met al zijn er dus aanwijzingen dat de kortetermijneffecten?van GGPW vooral tot uiting komen in psychosociale factoren als beleving en?vertrouwen, maar dat deze effecten op de lange termijn wel degelijk een effect?hebben op het voorkomen van criminaliteit.
Omdat veel conclusies zijn gebaseerd op onderzoek in Amerikaanse buurten,?geven we in onderhavig artikel een overzicht van GGPW in Nederland, waarbij we?ook aandacht besteden aan de rol van sociale media. We streven daarbij niet naar?een complete weergave van alle evaluaties en effecten, maar het doel is vooral om?de huidige stand van zaken te schetsen als basis voor het defini?ren van vervolgstappen die nodig zijn om de samenwerking met burgers (nog meer) te verbeteren?naar een volgende generatie van GGPW.

Algemeen worden voor GGPW drie kernfactoren onderscheiden: samenwerking?met burgers, decentrale aansturing en het oplossen van problemen. GGPW gaat?dus niet over het simpelweg verbeteren van de relatie tussen de politie en burgers,?maar het richt zich specifiek op het oplossen van een probleem waarbij ook?de capaciteit en expertise van burgers (en mogelijk private partijen) worden ingezet.?De centrale vraagstelling van deze studie is derhalve welke effecten er zijn?gevonden van GGPW op zowel organisatieniveau als de directe samenwerking?met burgers.

1. GEBIEDSGEBONDEN POLITIEWERK
De belangrijkste redenen voor een landelijke implementatie van GGPW in Nederland in de jaren 90 van de vorige eeuw waren dat de politie: 1) meer direct zicht wilde hebben op relevante problemen in de wijk; 2) kon medi?ren tussen relevante belanghebbenden; en 3) meer autoriteit op kon bouwen (Boin, Van der Torre, ’t Hart, & Van der Meulen., 2003; Van der Vijver en Zoomer, 2004). De politie moest uit zijn isolement komen en het vertrouwen van burgers moest toenemen. Dus naast het bevorderen van veiligheid was het doel om via een lokale inbedding van de politie meer legitimiteit en vertrouwen van het publiek op te bouwen.
Binnen een basisteam zijn de wijkagenten sleutelfiguren voor de centrale doelen van GGPW, omdat zij in direct contact staan met de lokale gemeenschap. In principe is er ??n wijkagent per 5000 burgers, en voeren zij voor 80% van hun tijd activiteiten uit ten behoeve van de lokale gemeenschap. De wijkagenten werken daarbij samen met het basisteam, andere delen van de politieorganisatie, externe belanghebbenden en burgers.

Uit de Veiligheidsmonitor van 2014 (CBS, 2014) blijkt dat een kwart van de bewoners (zeer) tevreden is met het functioneren van de politie in de buurt wat ongeveer overeen komt met de cijfers uit 2012 en 2013. Opvallend is dat het grootste deel (42 procent) aangeeft dit niet te kunnen beoordelen. Ongeveer 40 procent van de respondenten vonden dat de politie burgers serieus neemt, bescherming biedt, reageert op problemen in de buurt en haar best doet. Slechts 20% vindt dat de politie contact heeft met bewoners in de buurt en zaken effici?nt aanpakt. Mensen zijn het meest negatief (49%) over de zichtbaarheid van de politie.

2. EFFECT STUDIES
Zowel op organisatieniveau als in de interactie met burgers speelt vertrouwen een centrale rol. Om vertrouwen te kunnen winnen is het noodzakelijk dat de politie zichtbaar en herkenbaar is?op wijkniveau. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat het vertrouwen toe kan nemen als men de wijkagent kent (Beunders, Abraham, Van Dijk & Van Hoek 2011). Naast zichtbaarheid en herkenbaarheid zijn ook eerlijkheid en rechtvaardigheid van belang (Flight, Van Andel & Hulshof, 2006). Onderzoek heeft aangetoond dat de perceptie van eerlijkheid en rechtvaardigheid belangrijker is voor de legitimiteit dan de gepercipieerde effectiviteit. Met andere woorden: de manier waarop de politie omgaat met burgers is belangrijker dan de objectieve resultaten (Hough, Jackson, Bradford, Myhill, Quinton, 2010).

2.1 Organisatie
Net als in internationale studies heeft de Nederlandse wijkagent de taak om voor veiligheid in de wijk te zorgen, daarbij samen te werken met andere partijen en burgers te activeren om met hem of haar samen te werken (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Effecten van GGPW blijken echter lastig te meten door onder meer de ambigu?teit van het concept en de doelen van GGPW (Terpstra, 2009; Van der Vijver & Zoomer, 2004). Bovendien moet het concept adequaat ge?mplementeerd zijn (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Als te vroeg wordt ge?valueerd worden eerder implementatieproblemen gemeten dan de feitelijke effecten. Een laatste complicerende factor is dat GGPW per definitie een samenwerkingsverband is van meerdere partijen, waardoor effecten niet toegeschreven kunnen worden aan ??n afzonderlijke partij.

Hoewel de criminaliteit over de afgelopen jaren is gedaald (in 2014 werd zelfs acht procent minder misdrijven geregistreerd dan in 2013), is het niet duidelijk waar dit precies aan toe moet worden geschreven. Het algemene effect van GGPW had vastgesteld kunnen worden bij de invoering, maar dat heeft alleen in Haarlem plaatsgevonden (Van der Vijver en Zoomer, 2004). De effecten waren daar echter wel positief: minder criminaliteit-gerelateerde problemen, minder angst voor criminaliteit en burgers dachten positiever over de politie.

Als antwoord op het ambigue karakter van GGPW, analyseerde Terpstra (2011) de dagelijkse praktijk van wijkagenten en concludeerde dat er een discrepantie is tussen de theorie en de praktijk. Werkgebieden zijn vaak groot, er is slechts beperkte tijd om op straat door te brengen, en er is in het algemeen weinig beleid over hoe GGPW toegepast zou moeten worden. Hierdoor is het contact met burgers doorgaans beperkt en in de praktijk zijn wijkagenten slechts ge?nteresseerd in ??n specifieke vorm van burgerparticipatie: burgers als bron van informatie.

Rol van sociale media
Door technologische innovaties verandert de interactie tussen burgers en organisaties, zowel priv? als zakelijk. Steeds meer mensen, en ook de organisaties waar zij mee interacteren, gebruiken digitale communicatiemiddelen. Sociale media zijn ontwikkeld om de dialoog met een groot publiek te verbeteren (?many-to-many? interactie?) (Bertot, Jaeger & Hansen, 2012) Door sociale media kan op een snelle manier met een grote groep mensen worden ge?nteracteerd en het toenemende gebruik ervan binnen de politie heeft waarschijnlijk een grote invloed op de relatie met burgers.
Het eerste politie account op Twitter werd geregistreerd op 24 juli 2009 en in maart 2012 waren er 1000 accounts, waarvan 755 van wijkagenten (Meijer, Grimmelikhuijsen, Fictorie, Thaens & Siep, 2012). Die 1000 politieaccounts hadden meer dan 770.000 volgers, dus een gemiddelde van 770 volgers per account. In maart 2011 was dit toegenomen naar 150.000 volgers. In de loop van 2015 zijn er al meer dan 2000 politie accounts met gezamenlijk meer dan 4 miljoen volgers en zit de meerderheid van de wijkagenten op Twitter. Het aantal Twitter accounts en volgers is dus duidelijk snel aan het toenemen wat Twitter en andere social media platformen zoals Facebook, tot een serieuze communicatiemiddelen maakt, zowel voor het uitwisselen van informatie als voor het opbouwen en het onderhouden van een vertrouwensrelatie.

Twitterende wijkagenten spenderen tussen 10 en 30 minuten per dag aan het zelf sturen van een tweet of het reageren op tweets van anderen (Meijer et al., 2012). De inhoud van de tweets gaat over waar ze op dat moment mee bezig zijn, en kan gaan over wijkgerelateerde criminaliteit of aanhoudingen. Ongeveer 80% van de twitterende wijkagenten zegt te twitteren over tips met betrekking tot preventie, een kwart vraagt burgers mee te denken met specifieke vraagstukken, en slechts een klein deel zegt over priv?-zaken te twitteren. Vaak melden wijkagenten overigens wel dat ze met vakantie gaan om daarmee aan te geven dat reacties wat langer op zich kunnen laten wachten of ze verwijzen naar een collega. De wijkagenten hoeven slechts vrij globale richtlijnen te volgen bij het opstellen van tweets, maar vaak wordt hun twittergedrag wel gevolgd vanuit de organisatie en in sommige korpsen heeft het management ook toegang tot de accounts van de wijkagenten. Ook op lokaal niveau volgen wijkagenten elkaar vaak waardoor zij kennis kunnen delen en ook weet hebben van actuele zaken die in andere wijken spelen.

2.2 Burgerparticipatie
Binnen het concept van GGPW is er een breed scala aan mogelijkheden om burgers te betrekken bij politietaken en zo samen te werken aan het verhogen van de veiligheid in de buurt. Land, Stokkom en Boutellier (2014) maakten in een recent overzicht een onderscheid in zeven vormen van burgerparticipatie in het politiedomein:

  • 1) Toezicht: informele sociale controle in de (semi) openbare ruimte waarbij, mogelijk met behulp van technologie, ongewenste situaties gecommuniceerd kunnen worden (bijvoorbeeld buurtwachten en ?Whatsappgroepen);
  • 2) Opsporing: informatie verzamelen ten behoeve van de opsporing van verdachte personen en zo criminaliteit en overlast actief tegengaan (bijvoorbeeld Opsporing Verzocht);
  • 3) Zorg voor de openbare ruimte: verbeteren en verfraaien van de openbare ruimte (bijvoorbeeld bewonersbudgetten, Opzoomer-achtige projecten);
  • 4) Conflictbemiddeling: bewoners met vaardigheden uitrusten om zelf onderlinge conflicten op te lossen en zo de woonoverlast in buurten terug te dringen (bijvoorbeeld buurtbemiddeling);
  • 5) Contactbevordering: contact bevorderen tussen bewoners of tussen bewoners en de politie en zo het onderlinge vertrouwen vergroten (bijvoorbeeld gedragscodes);
  • 6) Informatiebemiddeling: informatie verzamelen en toegankelijk maken (bijvoorbeeld Politie-app);
  • 7) Beleidsbe?nvloeding: vergroten van de zeggenschap van burgers bij de totstandkoming van beleid gepaard aan coproductie in de uitvoering van beleid (bijvoorbeeld Buurt Bestuurt en Veilige Buurten Teams).

De categorisatie die door Land et al. (2014) is voorgesteld hebben we langs twee dimensies gestructureerd: betrokkenheid van burgers en veiligheidsdomein. Voor de betrokkenheid van burgers hebben we de participatieladder gebruikt zoals die in eerste instantie is beschreven door Arnstein (1969). Arnstein (1969) maakte een onderscheid in 8 typen van burgerbetrokkenheid. De onderste sporten van de ladder zijn ?manipulatie? en ?therapie? en aangezien dit geen vormen van participatie zijn zoals hier bedoeld hebben we deze twee vormen buiten beschouwing gelaten. De derde en vierde sport geven burgers een stem: informeren en consulteren. Informeren wordt meestal gedaan via instrumenten als nieuwsberichten, flyers of posters, terwijl het consulteren kan gebeuren via vragenlijsten of openbare bijeenkomsten. Op de vijfde sport (bedaren of tevredenstellen) beginnen burgers wat invloed te krijgen. Op dit niveau kan burgers om advies worden gevraagd hoewel ze geen?daadwerkelijke macht hebben omdat ze geen beslissingen nemen. Op de laatste sporten (6: partnerschap, 7: gedelegeerde macht en 8: burger controle) hebben burgers daadwerkelijk invloed omdat hier sprake is van een herverdeling van de macht via onderhandelingen tussen burgers en machthebbers. Voor ons doel hebben we een driedeling gemaakt voor de mate van burgerparticipatie: 1) informeren en consulteren; 2) adviseren; en 3) co-produceren/ meebeslissen. Daarnaast hebben we een onderscheid gemaakt in het veiligheidsdomein waarbinnen burgerparticipatie plaatsvindt: preventie, handhaving, opsporing en het hogere niveau ?kwaliteit van leven? (zie Tabel 1).

tabel1

Tabel 1: Overzicht vormen van burgerparticipatie gerelateerd aan mate van invloed en domein Informeren/ consulteren Adviseren Co-produceren/ meebeslissen Preventie Informatiedeling Toezicht (bv burgerwacht) Handhaving Alertering (bv Burgernet) Beleidsbe?nvloeding (bv Buurt Bestuurt) Opsporing Burgeronderzoek (bv meedenken met lopende zaken) Kwaliteit van leven Conflictmediatie Zorg openbare ruimtes (bv wijkbudgetten)

De rol van sociale media is voor alle vormen van burgerinitiatieven toegenomen. Daarbij is het van belang om op te merken dat online en offline participatie niet onafhankelijk zijn van elkaar. Online participatie moet gezien worden als een aanvulling op offline participatie in plaats van een vervanging. Een voorbeeld van deze toegevoegde waarde is het?alerteringssysteem Burgernet, een instrument waarmee de politie burgers kan vragen om uit te kijken naar specifieke personen. Burgernet kan via Twitter worden gevolgd en de registratie gebeurt online, maar voor de alertering wordt gebruik gemaakt van de telefoon en SMS en is er sinds kort ook een app. Als burgers na een melding een gezochte persoon hebben gesignaleerd kunnen ze dit aan de meldkamer doorgeven, waardoor de politie mogelijk het zoekgebied weer aan kan passen. Er kan dus een mix van instrumenten worden gebruikt die optimaal is afgestemd op de specifieke situatie die zich voordoet.

1. Informeren en consulteren
De mogelijkheden om informatie met burgers te delen zijn enorm toegenomen met de komst van sociale media. Uit onderzoek van Veltman (2011) bleek bijvoorbeeld dat volgers op Twitter een positiever beeld hebben van de politieorganisatie. Deze positieve effecten werden echter niet alleen voor Twitter gevonden maar eigenlijk in alle gevallen dat de politie gericht informatie deelde met burgers en hen betrok bij lokale politiezaken. Twitter bleek geen toegevoegde waarde te hebben in het vergroten van vertrouwen maar er werd wel een klein effect gevonden op de gepercipieerde legitimiteit van de politie (Boverman, Van Duijn, De Graaf & Ritzema, 2011). Bovendien leidde het gebruik van Twitter tot een toename van gepercipieerde autoriteit, vooral voor wat betreft effectiviteit, zichtbaarheid en controleerbaarheid.

Een voorbeeld van een project in het preventiedomein zijn buurtpreventie- of interventieteams, waarbij burgers surveilleren in een publieke ruimte om vroegtijdig crimineel gedrag te detecteren of om crimineel gedrag te voorkomen (door bijvoorbeeld buurtbewoners te informeren dat er een raam open staat). Het doel is om potenti?le criminelen af te schrikken of aanstootgevend gedrag te be?nvloeden. Deze buurtwachten kunnen ondersteund worden door bijvoorbeeld Whatsapp. Het effect van buurtwachten is tot op heden niet aangetoond omdat de implementatie vaak een combinatie van interventies betrof (een uitzondering hierop vormt een recent onderzoek van de Universiteit van Tilburg waarin werd aangetoond dat het aantal woninginbraken daalde als gevolg van Whatsapp groepen (Akkermans & Vollaard, 2015)). Deelnemers waren echter wel positief over de inzet van buurtwachten, omdat ze meer veiligheid ervaren en hun gevoel van controle over de buurt is toegenomen. Dit geldt echter niet voor alle wijken. Voor sommige wijken nam het gevoel van onveiligheid zelfs toe, mogelijk in wijken waar het niveau van vertrouwen laag is (Eijck, 2013).

Voor burgerparticipatie binnen het opsporingsdomein wordt ook steeds meer gebruik gemaakt van moderne technologie?n als sociale media, apps en Facebook, waardoor zowel snelheid als effici?ntie van de informatie-uitwisseling is toegenomen (Meijer et al. 2012). Via deze communicatiemiddelen wordt burgers meestal gevraagd of ze iets gezien of gehoord hebben, maar burgers zouden ook zienswijzen kunnen genereren over wat er mogelijk gebeurd zou kunnen zijn. Door hun grotere afstand van een zaak, zouden burgers meer onconventionele of creatieve scenario?s (opsporingshypothesen) kunnen verzinnen, wat vervolgens het opsporingsproces een nieuwe impuls kan geven. Zo staat er op de politiesite (politie.nl) een aantal dossiers met informatie over zaken (bijvoorbeeld over de incidenten bij Jumbo-supermarkten in Groningen en Zwolle). Burgers wordt expliciet gevraagd tips te geven of mogelijke scenario?s te genereren. Ook kunnen burgers aangeven of zij op de hoogte willen worden gehouden van het verloop van de zaak.

Binnen de handhaving zijn een scala aan instrumenten beschikbaar die worden ingezet voor het signaleren van specifieke personen, waarvan Burgernet en Amber Alert waarschijnlijk de meest bekende zijn. Amber Alert wordt specifiek ingezet voor vermiste kinderen, terwijl Burgernet meer algemeen wordt ingezet. Hoewel het lastig is om effecten specifiek aan de input van burgers toe te schrijven suggereren Cornelissen en Ferwerda (2010) dat het aantal criminelen dat op heterdaad wordt betrapt toe is genomen door de inzet van Burgernet. Een aanvullend effect is dat burgers zich veiliger voelen door Burgernet omdat hun gevoel van controle is toegenomen. Burgers zijn over het algemeen positief over hun deelname, zijn meer alert op verdachte situaties en hebben een positiever beeld van de politie (Cornelissen & Ferwerda, 2010).

Meijer et al. (2011) onderzochten het verschil tussen Twitter en Burgernet en concludeerden dat Twitter van toegevoegde waarde is op SMS en telefoon. Het gebruik van Twitter had een positief effect op de betrokkenheid van burgers maar omdat er minder aandacht aan Twitter wordt besteed dan aan SMS of de telefoon, beperkte het effect zich tot situaties die minder tijd-kritisch zijn. Twitter kan worden gezien als een technologie die ondersteunend is voor de zwakkere verbindingen in sociale netwerken (weak ties) en is daarmee aanvullend op technologie?n die de sterke verbindingen ondersteunen zoals SMS en telefoon.

2. Adviseren
Bij de middelste categorie van de participatieladder hebben burgers wat meer invloed. Projecten die hier binnen vallen gaan vaak over het vergroten van de leefbaarheid van een wijk. Bij projecten die zich op de openbare ruimte richten kunnen twee subcategorie?n worden onderscheiden: gedragscode projecten en wijkbudgetten (Land et al., 2014). Voor beide subcategorie?n geldt dat het doel is om de sociale en fysieke leefbaarheid van de omgeving te bevorderen. Vooral de fysieke aspecten (schoon, heel en werkzaam) zijn van invloed op gevoelens van veiligheid (Blokland 2009). Een programma in Rotterdam (Opzoomeren, later ?Mensen maken de stad? genoemd) is exemplarisch voor beide subcategorie?n omdat zowel stadsetiquette als wijkbudgetten er onderdeel van uitmaken (Land et al., 2014). In dit programma kunnen burgers allerlei kleinschalige initiatieven bedenken om de leefbaarheid van hun woonomgeving te verbeteren zoals betere verlichting, onderhoud aan voortuinen, maar ook het bevorderen van onderling contact. Basisidee is dat burgers elkaar beter leren kennen door samen activiteiten te ondernemen zoals samen de groenvoorziening onderhouden of het organiseren van buurtfeesten. Daardoor neemt niet alleen de leefbaarheid en veiligheid toe maar ook de sociale cohesie.

3. Co-produceren/ meebeslissen
In de laatste categorie (co-produceren/ meebeslissen) vallen projecten waarin burgers daadwerkelijk invloed hebben op het beleid en problemen gezamenlijk worden aangepakt. Er zijn een aantal projecten in deze categorie waarbij ?Buurt Bestuurt? in Rotterdam waarschijnlijk wel de invloedrijkste is. ?Buurt Bestuurt? begon in 2009 met als belangrijkste doel om het publieke vertrouwen in de lokale overheid (waaronder de politie) te herstellen, om de problemen te identificeren die bewoners het belangrijkste vonden, en om samen oplossingen te bedenken. Als zodanig is het gebaseerd op het Britse ?reassurance policing? concept (Eysink Smeets, Moors, Jans & Schram, 2013).
Burgers die aan ?Buurt Bestuurt? deelnemen hebben het gevoel dat zij een zinvolle bijdrage leveren aan het oplossen van problemen in de wijk, zij ervaren dat de samenwerking met professionals verbetert en hebben ook meer vertrouwen in professionals. Het aantal mensen dat actief bijdraagt aan Buurt Bestuurt is echter vrij klein en niet representatief voor de gehele wijk. Dit lage percentage actieve burgers is waarschijnlijk ook de reden dat er geen meetbare effecten op wijkniveau zijn gevonden (Eysink Smeets et al. 2013).

3. CONCLUSIES

3.1 Organisatie
Wil GGPW succesvol zijn dan moeten oplossingen optimaal zijn afgestemd op de lokale context, en op de behoeften van burgers en andere relevante belanghebbenden. Omdat deze aspecten vari?ren over wijken, hebben wijkagenten discretionaire ruimte nodig: zij moeten de ruimte hebben om, binnen algemene kaders, zelf beslissingen te nemen op basis van hun inschatting van de lokale situatie. Aan de andere kant moet de positie en het functioneren van de wijkagent goed worden ingebed in de organisatiestructuur van de Nationale politie. Voor maximale flexibiliteit is GGPW het best gebaat bij een relatief platte organisatiestructuur, die zo goed mogelijk een genetwerkte vorm van samenwerking faciliteert en ondersteunt.
Onafhankelijk van de organisatiestructuur is vertrouwen een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle samenwerking tussen burgers en politie. Lokale zichtbaarheid en rechtvaardigheid zijn kernwaarden om het vertrouwen van burgers te bevorderen.
Sociale media kunnen een goede bijdrage leveren aan zichtbaarheid en herkenbaarheid als aanvulling op de fysieke aanwezigheid van agenten in de wijk. Steeds meer wijkagenten gebruiken bijvoorbeeld Twitter en dit heeft een grote impact op de interactie tussen burgers en politie. Door de snelle en directe communicatie kunnen burgers steeds beter betrokken worden, maar aan de andere kant maakt toenemende zichtbaarheid ook kwetsbaarder, onder meer door de vage scheidslijn tussen priv? en zakelijke informatie-uitwisseling.

Dit alles neemt niet weg dat er een duidelijke maatschappelijke trend is om meer gebruik te maken van het enorme potentieel aan capaciteit, kennis en kunde die burgers te bieden hebben. De vraag is daarom niet ?f organisaties met deze trend mee moeten gaan maar meer hoe structuur, cultuur en werkwijze zo goed mogelijk aangepast kunnen worden om de switch naar een meer genetwerkte manier van optreden te kunnen maken.

3.2 Burgerparticipatie
Er is een groot scala aan initiatieven waarin wordt samengewerkt met burgers. We hebben in ons overzicht een onderscheid gemaakt in drie categorie?n die een toenemende invloed van burgers laten zien: informatie/consulteren, adviseren en co-productie/meebeslissen. De meeste?initiatieven bevonden zich in de eerste categorie, wat betekent dat de daadwerkelijke invloed van burgers nog niet zo groot is. Aan de ene kant is dat begrijpelijk omdat de politie, samen met de militaire organisatie, een geweldsmonopolie heeft en burgers slechts tot op zekere hoogte bij kunnen dragen. Aan de andere kant is er wellicht ook wel meer interactie mogelijk en wenselijk om burgers meer te betrekken bij het oplossen van veiligheidsproblemen in hun eigen leefomgeving.
Een algemeen probleem bij participatieprojecten is dat slechts een beperkt aantal burgers bereid is om zich in te zetten en dat die groep niet representatief is voor de totale gemeenschap (hoewel mogelijk wel voor de problemen die er spelen). E?n van de oplossingsrichtingen is om beter aan te sluiten bij de behoeften van burgers. Een mooi voorbeeld is WAAKS, waarbij hondenbezitters worden gevraagd om tijdens het uitlaten van hun hond extra op te letten en verdachte signalen door te geven aan de politie. Een win-win situatie die weinig extra inspanning kost: de hond moet toch worden uitgelaten, de hondenbezitter heeft zijn of haar bijdrage geleverd aan de veiligheid in de wijk en de politie heeft er extra oren en ogen bij.

3.3 Effectmeting
De effecten van (implementaties van) GGPW zijn lastig vast te stellen. Een van de redenen is dat er een focus is op criminaliteitsreductie in plaats van wijk-gerelateerde indicatoren (Van der Vijver & Zoomer, 2004). Criminaliteitsbestrijding wordt nog vaak gezien als het ?echte? politiewerk en is ook makkelijker te meten. Toch was het doel van GGPW, naast het verlagen van criminaliteit, ook om het vertrouwen van burgers en de legitimiteit van de politie te vergroten. Dus een eerste vereiste voor het meten van effecten is dat het doel van GGPW duidelijk wordt vastgesteld. Daarnaast blijkt uit recent onderzoek dat sociaal-psychologische factoren als gepercipieerde legitimiteit en vertrouwen indirect wel een invloed hebben op criminaliteit (Braga et al., 2015; Gill et al., 2014). Ook om deze reden is het van belang om niet alleen naar criminaliteitscijfers te kijken maar ook naar andere indicatoren zoals bekendheid in de buurt en mate van samenwerking in het voorkomen en oplossen van veiligheidsproblemen. Deze meer korte termijn effecten kunnen vervolgens bijdragen aan de meer lange termijn effecten zoals de reductie van criminaliteit.

Referenties
Akkermans, M. & Vollaard, B. (2015) Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken ? een evaluatie. Onderzoeksrapport Universiteit Tilburg.
Arnstein, S. R. (1969) A ladder of citizen participation. Journal of the American Institute of Planners, 35(4), 216-224.
Bertot, J. C., Jaeger, P. T., & Hansen, D. (2012) The impact of polices on government social media usage: Issues, challenges, and recommendations. Government Information Quarterly, 29(1), 30-40.
Beunders, H.J.G., M.D. Abraham, A.G. van Dijk & A.J.E. van Hoek (2011) Politie en publiek. Een onderzoek naar de communicatievormen tussen burgers en blauw. Amsterdam: Reed Business.
Blokland, T. (2009). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Boin, R. A., van der Torre, E. J., Paul ’t Hart, & van der Meulen, M. J. (2003) Blauwe bazen: het leiderschap van korpschefs. Politie & Wetenschap.
Boverman, E., Van Duijn, L., De Graaf, P. & Ritzema, J. (2011). Politie, twitter en gezag. Warnsveld: Politie Nederland.
Bradford, B., Jackson, J. & Hough, M. (2013). Police Legitimacy in Action: Lessons from Theory and Practice?, in Reisig, M. & Kane, R. (eds.) The Oxford Handbook of Police and Policing. Oxford: Oxford University Press.
Braga, A. A., Welsh, B. C., & Schnell, C. (2015). Can Policing Disorder Reduce Crime? A Systematic Review and Meta-analysis. Journal of Research in Crime and Delinquency, 52(4), 567-588.
Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) (2014). Integrale Veiligheidsmonitor 2014. Zoetermeer.
Cornelissen, A. & H. Ferwerda (2010). Burgerparticipatie in de opsporing. Een onderzoek naar aard, werkwijzen en opbrengsten. Apeldoorn: Politie & Wetenschap en Arnhem: Bureau Beke.
Eijk, G. Van (2013). Veiliger door de buurtwacht? Over de veiligheidsbeleving van burgerparticipanten en het belang ervan voor lokaal veiligheidsbeleid. Tijdschrift voor Veiligheid, 12, 20-33.
Eysink Smeets, M., Moors, H., Jans, M. & Schram, K. (2013). De bijzondere belofte van Buurt Bestuurt. Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties
Gill, C., Weisburd, D., Telep, C. W., Vitter, Z., & Bennett, T. (2014). Community-oriented policing to reduce crime, disorder and fear and increase satisfaction and legitimacy among citizens: a systematic review. Journal of Experimental Criminology, 10(4), 399-428.
Flight, S., van den Andel, A. & Hulshof, P. (2006) Vertrouwen in de politie. Een verkennend onderzoek. Amsterdam: DSP-Groep.
Hough, M., Jackson, J., Bradford, B., Myhill, A., & Quinton, P. (2010). Procedural justice, trust, and institutional legitimacy, Policing: A Journal of Policy and Practice, 203-210.
Land, M. van der, Stokkom, B. van, Boutellier, H. (2014). Burgers in veiligheid: Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid [Citizens in security: Inventarisation of citizen involvement in the security domain]. Den Haag: Research and Documentation Centre (WODC) (in Dutch).
Mazerolle, L., Antrobus, E., Bennett, S., & Tyler, T. R. (2013). Shaping citizen perceptions of police legitimacy: A randomized field trial of procedural justice. Criminology, 51(1), 33-63.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S., Bos & Fictorie, D. (2011). Burgernet via Twitter. Onderzoek naar de waarde van dit nieuwe medium. Report University of Utrecht.
Meijer, A.J., Grimmelikhuijsen, S.G., Fictorie, D., Thaens, M. & Siep, P. (2012). Politie & sociale media: Van hype naar onderbouwde keuzen. Apeldoorn: Politie en Wetenschap.
Terpstra, J. (2009). Community policing in practice: ambitions and realization. Policing, 4, 64-72.
Van der Vijver, K., & Zoomer, O. (2004). Evaluating community policing in the Netherlands. European journal of crime, criminal law and criminal justice, 12(3), 251-267.
Veltman, L. (2011). Twitterende wijkagenten en de beleving van burgers: Een onderzoek naar de effecten van een twitterende wijkagent. Masterscriptie Public Administration. Enschede: University of Twente.
Vries de, M.S., Vijver van der, C.D., (2002). Beelden van gezag bij de bevolking en bij de politie, Dordrecht: Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie.
Weisburd, D., & Eck, J. E. (2004). What can police do to reduce crime, disorder, and fear?. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 593(1), 42-65.

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van het Europese project INSPEC2T (Inspiring CitizeNS Participation for Enhanced Community PoliCing AcTions);

Bronnen: Tijdschrift voor Veiligheid 2015 (14)

Twitter en bioritme

bioritme_1_500x376

Tweets veranderen van karakter gedurende de dag en week, blijkt uit een Amerikaanse analyse van ruim 20 miljoen tweets.

?s Ochtends op hun werk tweeten mensen vooral over verplichtingen en #ergernissen. #grr #zucht

Later op de dag pieken de tweets over #gezelligheid en sociale activiteiten. #drankje #bijkletsen

Weinig frustratie en juist veel positiviteit in het #weekend. Dan tweeten mensen vooral over #succes, #schoonheid en #liefde.

Vrouwen delen meer emoties ? positief en negatief ? en plaatsen meer romantische berichten. #mijnliefkooktvoorme

Tweets van mannen gaan vooral over wat ze op dat moment doen. #patathalen

Meer dan 20 miljoen Tweets uit?een periode van twee weken zijn geanalyseerd om de psychologische eigenschappen van diverse dagelijkse?situaties te doorgronden. Het?DIAMONDS?model is daarbij gebruikt om (semi)automatisch individuele Tweets te scoren in een classificatie voor dagelijkse situaties. Dagelijkse en wekelijkse patronen werden ge?dentificeerd met voorspellende temporele trends, die vervolgens gevalideerd werden. Op weekdagen pieken zakelijke dingen in de ochtend en dalen daarna gestaag terwijl sociale zaken richting de avond stijgen. Negativiteit is het hoogst tijdens de werkweek en het laagst in het weekend. Positiviteit toont het tegenovergestelde patroon. Geslachts- en locatiespecifieke verschillen zijn ook?verkend. Vrouwen delen zowel meer emotioneel geladen (positieve en negatieve) situaties, terwijl er geen verschillen gevonden zijn tussen?mannen en vrouwen in ” doe” dingen. Verschillen tussen?landelijke en stedelijke gebieden zijn niet gevonden. In onderstaand paper worden ook toekomstige toepassingen met deze methode besproken.

Bronnen: Situations in 140 characters: assessing real-world situations on Twitter, Plos One, november 2015

Meer blauw op digitale straathoek

blauwe hart
,,Sociale media zijn onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden.??

Een reden dat er minder jeugdoverlast op straat is? Kan er mee te maken hebben dat ze tegenwoordig vooral digitaal een beetje rondhangen. Daar moet je als politie dan op inspelen, vindt Rick de Haan. Voor zijn inspanningen om meer blauw op de digitale hangplekken te krijgen, ontving hij onlangs het Blauwe Hart van de eenheid Noord-Holland.

Door [email protected] – 21-1-2016, 21:25?


Het is nog maar ruim een aantal jaren geleden dat de eerste agent van de Nederlandse politie begon te twitteren. Hij inspireerde daarmee Rick de Haan, destijds werkzaam bij de politie in Beverwijk waar hij onder meer de Bazaar en jeugd onder zijn hoede had. ,,Voor ons was Twitter ook in opkomst als middel om met het publiek in contact te komen. En dan niet alleen als zendmiddel – dus om een boodschap over te brengen – maar echt als interactief communicatiemiddel. Met drie wijkagenten zijn we ermee begonnen en toen ging het balletje snel rollen.??

Aanwezig

Rick de Haan kreeg vanuit de eenheidsleiding de taak om vooral wijkagenten en sinds dit jaar ook andere collega?s in de basisteams te trainen in de nieuwe media zoals Twitter en Facebook om daarmee nieuwe informatiebronnen in hun werk aan te boren. Rick de Haan: ,,Via de sociale media is het bijvoorbeeld mogelijk evenementen en publiek te monitoren zonder dat je er zelf fysiek aanwezig bent. Dat kan bij geplande evenementen zoals Bevrijdingspop maar ook bij spontane demonstraties. Sociale media zijn daarbij onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden die een rol kunnen spelen in opsporing. We willen meer blauw op straat maar een deel van de straat is gedigitaliseerd. Wij moeten waakzaam en dienstbaar op de plek waar ons publiek is. Als politie kunnen we dus niet om sociale media heen en daarom zijn mensen als ik aangesteld om te kijken hoe we samenhang in het gebruik ervan kunnen bereiken. We weten dat het gebruik van Facebook in alle lagen gebeurt, Instagram richt zich meer op jongeren en op Twitter zie je het vele zakelijk gebruik zoals door journalisten en bestuurders. Soms moet je alle drie gebruiken, soms moet je kiezen en je moet weten wat de do?s en don’ts zijn van elk medium.??

Tandarts

Sociale media kennen hun valkuilen voor nieuwe gebruikers, zoals de Amsterdamse wijkagent die na een belediging en bedreiging twitterde: ?De wijkagent beledigen, zeg het dan recht in mijn gezicht als je een goede tandarts hebt?. Rick de Haan: ,,De gouden regel is: Wat je op straat niet doet moet je ook online niet doen. Bij twijfel even overleggen, maar negentig procent wordt zonder problemen en controle gepubliceerd.??

Sociale media worden ook gebruikt om ongenuanceerd gal te spuwen en azijn te pissen maar de Facebooksites van de politie worden daar nog redelijk van gevrijwaard. Rick de Haan: ,,De reacties zijn genuanceerder dan op krantensites of GeenStijl. Kritiek leveren op de politie mag, als het maar niet beledigend wordt. Daar reageren we op, in principe via een priv?bericht. Soms hoeven we ook niet te reageren. We wachten meestal even en dan wordt er vaak voor ons stelling genomen door andere gebruikers. Er is een zelfreinigend vermogen dat discussies vaak in ons voordeel oplost.??

Het gebruik van sociale media gaat lijnrecht in tegen de hi?rarchische structuur die de politie-organisatie van oudsher kent. Facebook, Instagram en Twitter ontstaan door netwerken waarvan de deelnemers op gelijke hoogte staan. Rick de Haan: ,,Dan merk je dat vooral de wijkagenten, die al met hun foto in het wijkblaadje staan, voor sociale media open staan. Sommige lagen van de organisatie, zoals bij rechercheafdelingen die zich met ondermijningsonderzoeken bezighouden, zijn veel terughoudender. Dat is begrijpelijk maar voor hun spelen de sociale media een andere rol. Elk mens laat online zijn digitale voetafdruk achter, ook criminelen.??

Webcare

Net als bij andere grote dienstverleners en bedrijven zou de politie ook over moeten gaan tot zogenaamde webcare. Rick de Haan: ,,65 Procent van de wijkagenten twittert maar zijn niet zeven dagen in de week en 24 uur per dag in dienst. Dan moet je bellen als je een melding wil doen, maar dan gaat tijd verloren. Mijn voorstel is dat naast de telefonische ook de online bereikbaarheid bij de politie 24/7 gegarandeerd is. Via sociale media bereiken ons persoonlijkere berichten dan via 0900-8844. Daar vinden andere gesprekken plaats. Verder zie ik wel iets in een digitaal vragenuurtje van de wijkagent en het informeren van het publiek via video?s op Facebook.??

Binnen

Op dit moment beschikt de politie al over Realtime Intelligence Centers (RTIC?s) bij de meldkamers. Bij meldingen, bijvoorbeeld van een straatroof, wordt binnen het opgegeven gebied online gerechercheerd op informatie die op sociale media wordt gezet. Rick de Haan: ,,Dan heb je de eerste verklaringen vaak al binnen.??

Bron: Haarlems Dagblad