Tagarchief: onderzoek

Schouder aan schouder. Lessen over burger- en politieparticipatie uit de zaak Anne Faber

Bij de vermissing van Anne Faber hadden burgers veel expertise te bieden. Zelfs als dat niet zo is, moet de politie burgers serieus nemen, adviseert de Politieacademie. Nicolien Kop en Jerôme Lam deden onderzoek naar de rol van burgers bij de zoektocht naar Anne Faber. Zij adviseren om beter te inventariseren welke taken aan burgers uitbesteed kunnen worden.

Anne Faber werd in het najaar van 2017 twee weken vermist. Uiteindelijk bleek dat zedendelinquent en psychiatrisch patiënt Michael P. haar had misbruikt en gedood. Voor Schouder aan schouder: Burger- en politieparticipatie tijdens de vermissing van Anne Faber is onder meer aan veertien medewerkers van de politie gevraagd welke lessen ze trekken uit deze periode.

In het NRC valt te lezen:

„De zoektocht naar Anne Faber was een kantelpunt”, zegt Lam. Familieleden gingen voortvarend te werk: ze hadden contacten bij Defensie en vroegen gedetailleerde kaarten op van het gebied waar Anne voor het laatst was gezien. Ze organiseerden een tijdelijk hoofdkantoor en via appgroepen werden verschillende zoekgroepen aangestuurd.

In de eerste dagen van de vermissing vond het zoekproces van de politie en de burgers min of meer onafhankelijk van elkaar plaats, staat in Schouder aan schouder. De politie was in die dagen wel „ter ondersteuning” aanwezig in het gebied waar Anne Faber vermist is geraakt, maar gaf geen sturing omdat ze nog niet zeker wist of ze nog in het gebied was.

De aanwezigheid van de agenten schiep verwarring. „De houding van de politie tegenover de familie werd als storend ervaren”, zegt een van de politiemedewerkers in het onderzoek. Familieleden zagen de politie als een „black box”: de familie deelde al hun bevindingen maar de politie vertelde weinig over wat zij ontdekte.

De samenwerking werd steeds nauwer, onder meer omdat de politie zich aansloot bij het dagelijkse overleg van de familie. Op dag twaalf van de zoektocht liepen burgers en de Mobiele Eenheid van de politie in linie – schouder aan schouder – door het zoekgebied.

„Burgers bieden zich steeds vaker aan”, zegt Lam. „Als je samen kunt werken omdat er zoals bij de familie van Anne Faber veel expertise is, moet je dat doen, maar als je slecht kunt samenwerken moet je er ook iets mee zodat het onderzoek geen schade oploopt.”

Aanbevelingen voor politiepraktijk: ‘judo met burgers’
Burgerparticipatie is niet meer weg te denken uit de moderne samenleving. Burgers pakken steeds vaker gevraagd en ongevraagd hun rol op het gebied van veiligheid en criminaliteit. Dit vraagt om een cultuuromslag bij de politie: accepteer dat burgerparticipatie een onderdeel is van het moderne politiewerk. Dit betekent niet dat de politie alle burgerinitiatieven klakkeloos moet goedkeuren. Sommige burgeracties zijn waardevol, andere juist onwenselijk vanuit ethisch en/of juridisch perspectief of omdat ze een bedreiging vormen voor het opsporingsonderzoek. Beoordeel per onderzoek welke vormen van burgerinitiatief ontstaan, hoe en waar deze burgerparticipatie versterkt kan worden, of juist bijgestuurd of begrensd moet worden. De essentie voor de politie is om niet tegen burgerinitiatieven te ‘vechten’, maar deze te omarmen en samen de juiste kant op te bewegen: ‘participatie-judo’. Participatiejudo (zie figuur hieronder) voor de politieorganisatie is gebaseerd op drie principes, die hieronder worden toegelicht.

1. Maak contact
Leg in een vroeg stadium contact met betrokkenen, zoals familie of initiatiefnemers. De politie is een actief onderdeel van de samenleving. Wat de politie doet, heeft vaak direct invloed op burgers en omgekeerd. Burgerinitiatieven bij bijvoorbeeld een vermissing, hebben vaak een directe impact op het politiewerk, doordat mensen zelf gaan zoeken of informatie gaan verzamelen. De uitdaging is om hier als politieorganisatie goed op te anticiperen. Een deel van het moderne politiewerk is daarom zien waar burgers mee bezig zijn en daarover contact onderhouden.

Organiseer een duidelijke politiestructuur waarbij de juiste mensen worden geïnformeerd en in positie gebracht. Goed judo vraagt om balans en een basis om stevig te kunnen staan. Dit is te vergelijken met een goede interne organisatiestructuur, zoals bijvoorbeeld de inrichting van het opsporingsproces of het SGBO-structuur. Informatie is vervolgens de energie die door
deze structuur stroomt. Stevig staan houdt in dat de onderdelen van de interne structuur op elkaar afgestemd moeten zijn. Concreet betekent dit goede interne communicatie en duidelijke afstemming van taken, rollen en posities tussen organisatieonderdelen en processen, bijvoorbeeld de verhouding en afstemming tussen TGO en SGBO. Daarnaast vraagt judo om een goede grip, zodat beide partijen elkaar stevig beet kunnen pakken.
Zorg ervoor dat er stevige contactpunten zijn tussen de politieorganisatie en de burgers, bijvoorbeeld in de rollen van familieagent- en rechercheur.
• Ondersteun goede burgerinitiatieven zich zo sterk mogelijk te organiseren De essentie van judo is om gebruik te maken van de kracht en de structuur van de ander. Vergelijkbaar heeft de politie baat bij een duidelijke structuur bij burgerinitiatieven. Een sterke burgerpartner maakt namelijk dat het makkelijker is om contact te onderhouden en informatie te geven of te halen. Of om gezamenlijk afspraken te maken. Help daarom burgers die in staat zijn om zich te organiseren en om waar nodig een structuur op te zetten.

2. Beweeg mee
• Laat de juiste politiemensen aansluiten bij burgerinitiatieven
Hierdoor kan tussentijds worden beoordeeld of de initiatieven waarde hebben voor het zoekproces of het opsporingsonderzoek. Door bijvoorbeeld politiemensen in te zetten die het opsporingsproces goed kennen, kan de toegevoegde waarde of de opbrengsten van de burgerparticipatie beter worden ingeschat. Politiemensen kunnen burgers ook ondersteunen bij initiatieven, waardoor hun waarde wordt vergroot. Activiteiten kunnen gericht zijn op het fysieke zoekproces, alsook van belang zijn voor de intelligence of het opsporingsonderzoek.
• Wees voorbereid op de informatie die door burgers kan worden gegenereerd en worden gevraagd
Net als bij judo, zijn burgers voortdurend aan het duwen tegen en trekken aan de politieorganisatie. Vaak doen zij dit door informatie te geven (duwen) en informatie te vragen (trekken) Wanneer burgers betrokken raken bij een opsporingsonderzoek of een vermissing, kan de politie overspoeld raken met informatie. Tips die via verschillende kanalen binnenkomen, kunnen oplopen tot enkele duizenden. Daarnaast kan het gaan om zowel digitaal als fysiek bewijsmateriaal, bijvoorbeeld camerabeelden die worden veiliggesteld of mogelijke sporen die burgers vinden. Aan de ene kant is deze informatie onmisbaar voor het politieonderzoek, tegelijkertijd vormt het een belasting voor de organisatie. Bovendien vragen burgers, zoals familieleden, ook veel informatie en uitleg. Iets waar de politie niet altijd voldoende op voorbereid is. Zorg daarom dat het effectief en serieus omgaan met deze informatiestromen op de juiste wijze in de organisatiestructuur is ondervangen, zodat de politie kan meebewegen met de informatiebehoefte van burgers.
• Beoordeel informatie van burgers op de wijze waarop deze is verkregen en waar deze op is gebaseerd Burgers kunnen voor het onderzoek allerlei informatie aanleveren op basis van bronnen
die die politie (nog) niet heeft. Denk aan tips, hypotheses of scenario’s. Lang niet alle informatie zal waardevol zijn, sommige zaken echter wel. Een manier om het kaf van het koren te scheiden, is na te gaan hoe burgers tot hun bevindingen zijn gekomen. Dat vraagt van de politie een actieve en open houding in het aangaan van het gesprek: “Als een burger in een moordonderzoek naar je toekomt en zegt: ‘dat doe je echt niet goed, omdat…’. Dan kun je zeggen: ‘Wij zijn al honderd stappen verder’. Maar je kunt ook zeggen: ‘Wij gaan even zitten, want jij hebt een verhaal. Vertel eens’.”

3. Leid waar nodig
• Stel aan het begin van een onderzoek de vraag wat burgerparticipatie voor het onderzoek kan betekenen
Om een opsporingsonderzoek effectief te leiden, is het van belang dat de politieorganisatie een beeld heeft van het te behalen doel en hoe dat te bereiken. Op het moment dat dit doel scherp is, kan de vraag worden gesteld of burgerparticipatie hierin iets kan betekenen. Soms is dat niets, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid van de betrokkenen bij een liquidatieonderzoek. n andere gevallen kunnen burgers met hun kennis en expertise mogelijk een waardevolle bijdrage leveren.
• Communiceer duidelijk over welke partij de regie heeft
Het is niet vanzelfsprekend dat de politie altijd de leidende rol op zich neemt. Soms is het wenselijk of noodzakelijk dat de politie een ondersteunende of faciliterende rol vervult. Bijvoorbeeld omdat de politie (nog) geen concrete aanwijzingen heeft om een onderzoek op te starten of een lopend onderzoek richting te geven. In dergelijke gevallen kan de politie wel informatie geven of op andere wijze ondersteuning bieden. De politieorganisatie moet zich goed bewust zijn van het gegeven dat burgers vaak ‘het uniform’ als autoriteit zien en de politie als expert. Dit maakt dat de burger impliciet of expliciet een leidende rol vanuit de politie verwacht. Om misverstanden en verkeerde verwachtingen te voorkomen, is het van belang om aan het begin de verschillende rollen en verantwoordelijkheden expliciet te benoemen.
• Informeer burgers en wees transparant in keuzes
Het effectief leiden van burgerparticipatie vraagt vaak om de juiste vragen stellen aan burgers. Dit betekent mogelijk dat de politie meer informatie aan burgers geeft dan zij gewend is. Immers, als je de helft geeft, krijg je ook maar de helft terug. Net als bij judo zal de politie soms moeten ‘duwen’, door burgers de informatie te geven en ze de juiste kant op te laten bewegen. Vanzelfsprekend kan de politie niet alle inhoudelijke informatie delen in een onderzoek. Maar daar waar keuzes het publiek raken of verontrusten, kunnen die uitgelegd worden. Bijvoorbeeld waarom de politie in het ene geval maximaal inzet en in een ander geval niet. Voor het behoud van haar legitimiteit en de relatie met burgers, heeft de politie namelijk niet alleen de verantwoordelijkheid om het goede te doen, maar ook om te verantwoorden wat het goede is.

Lees hier het volledige rapport:

[slideshare id=230327039&doc=19433191211defboekannefaberdi-200316092249]

Het artikel in Tijdschrift voor politie

[slideshare id=230326893&doc=001-048tvdp0819schouderaanschouder-200316091944&type=d]

De infographic:

[slideshare id=230326956&doc=infographicburgerparticipatie-200316092108&type=d]

Radio interview op NPO1 met Carlijn Plancken, Chef Opsporing Midden Nederland:

Bron: Politieacademie, Secondant, NRC, Tijdschrift voor Politie, Website voor politie

Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden

Het schrikt inbrekers af als er buurtwachten op straat lopen. Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals een WhatsApp-buurtpreventiebord, heeft veel minder effect. Dat blijkt uit een onderzoek in opdracht van het programma Politie en Wetenschap, waarbij het gedrag van inbrekers met virtual reality werd bestudeerd. Inzicht in de denkwijze van inbrekers en de keuze van hun doelwitten, kan helpen om woninginbraken te voorkomen.

Het onderzoek werd uitgevoerd door de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Twente. Zij gingen met 181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers aan de slag. Hierbij kregen de deelnemers een virtual reality-bril op, waarmee zij door twee virtuele wijken ‘liepen’. Via deze methode werd onderzocht wat inbrekers in een wijk afschrikt.

Sybren van der Velden, projectleider woninginbraken bij de politie, reageert op de onderzoeksresultaten. ‘We zijn natuurlijk geïnteresseerd in dit innovatieve onderzoek. De aanpak van woninginbraken is en blijft belangrijk. We zien een groei van de buurtwachten, die extra “ogen en oren” in de wijk vormen. Als politie werken we samen met deze buurtteams. Buurtwachten kunnen niet 24/7 zichtbaar zijn en dat geldt wel voor de buurtpreventieborden. In onze ogen versterken de buurtwacht en preventieborden elkaar dan ook. En dat geldt ook voor andere maatregelen zoals bijvoorbeeld goed hang- en sluitwerk en aandacht voor het afsluiten van ramen en deuren. Zeker in deze periode rond de feestdagen – waarin we een toename van het aantal inbraken zien – is het advies bij afwezigheid om ramen en deuren goed af te sluiten en een lamp aan te laten, bijvoorbeeld met een automatische tijdschakelaar. ‘

Buurtpreventie

Het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, schrikt inbrekers nauwelijks af. De zichtbare, fysieke aanwezigheid van buurtbewoners op straat doet dit wel.

181 veroordeelde inbrekers en 123 niet-inbrekers namen deel aan dit unieke onderzoek. Het onderzoek had twee doelen. Het eerste doel was om vast te stellen of virtual reality als onderzoeksmethode gebruikt kan worden om inbrekers te bestuderen. Het tweede doel was om te onderzoeken of en hoe de fysieke of symbolische aanwezigheid van buurtbewoners inbrekers afschrikt. Hiervoor werden twee virtuele wijken ontwikkeld. In de eerste wijk werden deelnemers blootgesteld aan verschillende afschrikkingsborden, zoals het WhatsApp buurtpreventiebord, in de tweede wijk werden zij virtual blootgesteld aan de aanwezigheid van een buurtbewoner. Aan deelnemers werd gevraagd beide wijken te scouten alsof zij een woninginbraak wilden plegen. Na dit scoutingsproces werden er verschillende vragenlijsten afgenomen over wat hen aantrok of afschrikte en werd een kort interview gehouden met de inbrekers.

Uit de reacties van de inbrekers bleek dat zij de virtuele wijken als realistisch ervoeren. Zij hadden veelal het gevoel daadwerkelijk in de virtuele omgeving te zijn. Dit wijst erop dat het gedrag in de virtuele wereld sterk lijkt op het gedrag dat deze inbrekers vertonen in de echte wereld. Hiermee wordt bevestigd dat virtual reality een effectieve onderzoeksmethode kan zijn om inbrekers te bestuderen.
De effectiviteit van het plaatsen van borden om inbrekers af te schrikken lijkt bescheiden te zijn. Vooral niet-inbrekers reageerden op afschrikkingsborden, waarbij zij bijvoorbeeld sociale cohesie in de buurt hoger achtten wanneer deze borden aanwezig waren. Dit laat zien dat, alhoewel een bord misschien voor de gewone burger een bepaalde impact heeft, dit voor inbrekers niet het geval is.

De aanwezigheid van buurtbewoners had wel een afschrikkend effect op inbrekers. Wanneer er een virtuele buurtbewoner in de wijk aanwezig was werd onder andere de waargenomen pakkans als hoger gezien, terwijl de aantrekkelijkheid van de wijk afnam. Hiermee wordt bevestigd dat de fysieke aanwezigheid van buurtbewoners een belangrijke factor is om inbraken te voorkomen.

Rapport

Het onderzoeksrapport ‘Virtual reality als onderzoeksmethode om inbrekers te doorgronden’ vindt u hier.

[slideshare id=207784342&doc=vr-191219153522&type=d]

Burgers en sensoren: 8 spelregels voor de inzet van sensoren voor veiligheid en leefbaarheid

In Nederland worden in toenemende mate sensoren, zoals camera’s of trackers die je beweging volgen en vastleggen, ingezet om leefbaarheid en veiligheid te bevorderen:

  • burgers en bedrijven bezitten circa 1,5 miljoen beveiligingscamera’s;
  • gemeenten hebben ruim 3.000 toezichtcamera’s;
  • de politie heeft ongeveer 500 tot 1.000 toezichtcamera’s.

Doordat nieuwe technologie steeds kleiner, mobieler en goedkoper wordt, kunnen ze gemakkelijker worden ingebouwd, zoals bij camera’s in smartphones. Verder worden verzameling en verwerking van data steeds gemakkelijker, zoals met slimme algoritmen in apps. Hierdoor is een uitgebreid netwerk van sensoren ontstaan dat een grote hoeveelheid data produceert. Dit netwerk bestaat niet alleen uit nieuwe sensoren, maar ook uit nieuwe actoren en toezichtsvormen:

  • burgers worden gemonitord door de overheid en bedrijven (surveillance);
  • burgers gebruiken sensoren om elkaar te monitoren (horizontale surveillance);
  • burgers gebruiken sensoren om de overheid en bedrijven in de gaten te houden (sousveillance).

We schetsen in dit rapport verschillende trends, die laten zien hoe toezicht verandert:

  1. We zien bij de politie steeds meer gebruik van sensoren en sensordata.
  2. We zien automatisering van kernactiviteiten van de politie zoals getuigen opsporen en handhaven door middel van slimme sensortechnologie.
  3. We zien burgers, bedrijven en gemeenten steeds meer sensordata verzamelen.
  4. We zien nieuwe vormen van samenwerking tussen de politie en andere actoren uit de samenleving om sensoren te gebruiken voor leefbaarheid en veiligheid.
  5. We zien private partijen die zelf speurwerk en handhaving doen met sensoren en sensordata.

Welke factoren bepalen hoe burgers denken over sensoren?

Om inzicht te krijgen in de mening van burgers over het inzetten van sensoren voor veiligheid en leefbaarheid, ontwikkelden we een begrippenkader (zie figuur 1). Hierin onderscheiden we drie dimensies van burgers (linkerkolom, vetgedrukt) en drie dimensies van sensortoepassingen (rechterkolom, vetgedrukt) die invloed hebben op hoe burgers denken over de inzet van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid.

De literatuur laat zien dat persoonskenmerken, algemene houdingen en de directe sociale omgeving een rol spelen bij de meningsvorming van burgers. Zo blijkt dat dat oudere mensen meer geneigd zijn om sensortechnologie te accepteren dan jongere mensen. Verder blijkt dat mannen de partij die de sensor inzet (zoals de politie of een beveiligingsbedrijf) belangrijker vinden dan vrouwen, terwijl vrouwen meer waarde hechten aan het doel van de opsporing. Ook blijkt dat een positieve houding ten opzichte van technologie in het algemeen bijdraagt aan het vertrouwen van burgers in sensoren.

Met betrekking tot sensortoepassingen onderscheiden we ook drie dimensies die de kijk op sensoren beïnvloeden. Bij sensortechnologie gaat het over het type sensor en de mate waarin in het ontwerp van de technologie al rekening is gehouden met privacy (privacy-by-design) zijn genomen. Bij sociale praktijk en actoren gaat het om de context waarin de technologie wordt toegepast en de personen of organisaties die hierbij een rol spelen. Tot slot is de maatschappelijke, institutionele context, zoals de wettelijke regels voor cameratoezicht, of het maatschappelijke vertrouwen in autoriteiten, van belang. Om meer te weten te komen over de perspectieven van Nederlanders op sensortechnologie organiseerden we verschillende focusgroepen.

Hoe denken Nederlandse burgers over de inzet van sensoren?

Uit de focusgroepen komt een genuanceerd beeld naar voren van de inzet van sensortoepassingen. Het is niet mogelijk om los van de context te spreken over de acceptatie van bepaalde sensoren of technologieën. Burgers zijn niet voor of tegen bepaalde technologie, zoals bodycams of wifitrackers. Er is bij de inzet van technologie discussie nodig over:

  • de technologische eigenschappen;
  • het doel van de technologie;
  • de effectiviteit van de technologie;
  • de soort criminaliteit die begaan wordt door middel van de technologie; en
  • de context waarin de technologie wordt toegepast (waar, wanneer, hoe, door wie).

Uit de gesprekken blijkt dat twee factoren in het bijzonder van belang zijn: het type leefomgeving waarbinnen sensortechnologie wordt toegepast en de mate van veiligheid die burgers ervaren.

Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers.

We zien dat de acceptatie van sensorinzet afhankelijk is van de mate van veiligheid: hoe onveiliger burgers een situatie inschatten, des te meer ze het geoorloofd vinden om sensoren toe te passen om de veiligheid en leefbaarheid te vergroten.

De acceptatie is daarnaast afhankelijk van het type leefomgeving: de inzet van sensoren in de privéruimte is minder acceptabel dan de toepassing in de openbare ruimte, met name als de drukte daar groot is.

Aan de ene kant zeggen burgers dus ‘ja’ tegen de inzet van sensoren in zeer onveilige situaties en drukke openbare ruimtes, ‘mits’ voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden. Aan de andere kant zeggen burgers ‘nee’ tegen de inzet van sensoren in thuissituaties, en in de rustige openbare ruimte als die veilig of licht onveilig is of aanvoelt, ‘tenzij’ het de veiligheid en leefbaarheid duidelijk verhoogt en voldaan wordt aan belangrijke randvoorwaarden, zoals privacy en persoonlijke vrijheid.

Maatschappelijke acceptatie sensorinzet
Figuur 2 Invloed van de mate van veiligheid en type leefomgeving op de acceptatie van sensoren voor leefbaarheid en veiligheid door burgers

Uit de focusgroepen bleek dat ook waarden richting geven aan de mening van burgers. Zo werd de discussie over de toepassing van sensortechnologie veelal geframed als een afweging tussen veiligheid en privacy. Tegelijkertijd blijkt uit de gesprekken duidelijk dat burgers bij de inzet van sensoren een breder palet aan waarden belangrijk vinden. Naast veiligheid en privacy gaat het daarbij om waarden zoals democratische rechten, efficiëntie, effectiviteit, innovatievermogen, transparantie, leefbaarheid en menselijk contact.

Acht spelregels voor de toepassing van sensoren

Bij het inzetten van sensoren en sensordata wordt van de politie verwacht dat ze zich bewust is van het belang van de genoemde publieke waarden en dat deze daadwerkelijk worden toegepast. In de praktijk kunnen bovengenoemde waarden op gespannen voet met elkaar komen te staan. Burgers verwachten dat de politie, in overleg met de samenleving, een goede balans vindt tussen verschillende waarden.

Op basis van de resultaten van het literatuuronderzoek en het focusgroepenonderzoek hebben we daarom spelregels geformuleerd, die handvatten geven voor de vertaling van waarden naar praktijk. Deze spelregels zijn toegespitst op de politie. Ons onderzoek laat echter zien dat burgers deze spelregels ook belangrijk vinden voor andere overheidsdiensten, bedrijven en medeburgers.

  1. Bij de inzet van sensoren dient de politie zo te handelen dat het vertrouwen wekt bij burgers.
  2. Burgers willen graag helder en transparant geïnformeerd worden over de inzet van sensoren.
  3. Burgers vinden dat privacy-by-design moet worden toegepast bij de inzet van sensoren.
  4. Burgers willen niet dat de inzet van sensoren ten koste gaat van de aanwezigheid van en het contact met politieagenten.
  5. Burgers willen dat het innovatievermogen van de politie op orde is en dat de inzet van sensoren effectief gebeurt.
  6. De inzet van sensoren mag niet leiden tot discriminatie.
  7. Om de persoonlijke vrijheid te waarborgen is het belangrijk om de inzet van sensoren voor veiligheidsdoeleinden te beperken tot onveilige situaties en drukke publieke ruimtes.
  8. Bovengenoemde spelregels gelden ook voor de samenwerking van de politie met andere partijen.

Rapport:

[slideshare id=171674827&doc=burgersensensoren-190913185622&type=d]

Bron: Rathenau

Onderzoek naar digitale buurtpreventie in Rotterdam: ‘Niet meer veiligheid, wel meer (kans op) verbinding’

Buurtveiligheidsapps leiden in Rotterdam nauwelijks tot een directe verbetering van de veiligheid, het veiligheidsgevoel of de leefbaarheid in de buurt. Toch vinden deelnemende buurtbewoners de apps wel zinvol: het geeft hen meer zicht op wat in de buurt speelt en een gevoel een steentje bij te dragen. Ook verwachten zij een beter contact met politie, gemeente en met elkaar. Dit blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Alerte burgers, meer veiligheid?’ dat vandaag is aangeboden aan de Rotterdamse wethouder en locoburgemeester Bert Wijbenga. Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoekersteam van Publiek Vertrouwen in Veiligheid van Hogeschool Inholland, in opdracht van de Rotterdamse Kenniswerkplaats Leefbare Wijken.

In Rotterdam zijn vele honderden digitale buurtpreventiegroepen actief. De gemeente stimuleert deze groepen, vanuit de verwachting dat hierdoor de veiligheid, veiligheidsbeleving en de leefbaarheid in de buurt toenemen. Burgers zouden alerter zijn op verdachte situaties en elkaar en de politie sneller waarschuwen, waardoor de politie sneller zou kunnen ingrijpen. Maar…. is dat ook zo? Om die vraag te beantwoorden deden de onderzoekers onderzoek in tien uiteenlopende buurtpreventiegroepen in Rotterdam. Zij spraken met beheerders, deelnemers en professionals en analyseerden de chatgeschiedenis van elk van deze groepen. Zij vonden daarbij geen aanwijzingen dat digitale buurtpreventiegroepen inderdaad de zogenaamde ‘heterdaadkracht’ vergroten, criminaliteit verminderen of de veiligheid doen toenemen. Een effect op de veiligheidsbeleving of de leefbaarheid was slechts in een enkele groep zichtbaar.

[slideshare id=171502812&doc=infographic-buurtpreventie-865480-190913093017&type=d]

Beter weten wat er speelt, kortere lijntjes
Desondanks stellen de onderzoekers dat digitale buurtpreventiegroepen in Rotterdam wel degelijk een meerwaarde hebben. Zij dienen voor burgers alleen vaak andere doelen dan beleidsmakers verwachten. ‘Gewoon’ een beter beeld krijgen van wat er speelt in hun buurt bijvoorbeeld. Of de afstand verkleinen tussen overheidsprofessionals en burgers. Zoals een deelnemer aangeeft: “Voorheen had ik nog nooit een wijkagent gezien, wist ik niet wie het was. Nu weet ik dat tenminste en weet ik ook waar ik met welke melding terecht kan”.

“Wij adviseren de gemeente: gooi het kind niet met het badwater weg, maar hou wel de eigen verwachtingen ten aanzien van digitale buurtpreventie tegen het licht en ga meer uit van de betekenis die digitale buurtpreventie voor burgers zelf heeft,” aldus Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid bij Hogeschool Inholland.

Digitale buurtpreventie werd in het hele land – mede – populair nadat een onderzoek in Tilburg in 2016 had laten zien dat digitale buurtpreventie leidde tot een afname van het aantal woninginbraken met zo’n 40%. In de afgelopen tijd zijn enkele onderzoeken gedaan in andere steden waarin zo’n aansprekend resultaat niét werd gevonden. Het nu gepresenteerde Rotterdamse onderzoek past in deze lijn. Let op: het is goed mogelijk dat in meer landelijke gebieden andere resultaten worden geboekt.

[slideshare id=171502976&doc=alerteburgersmeerveiligheid-190913093123&type=d]

Lees ook de artikelen die over dit onderwerp zijn verschenen:

Bron: InHolland

Is generatie Z participatiebereid?

Is generatie Z participatiebereid? – Een verkennend onderzoek naar de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit, auteur Nicolle Versteeg

Sinds een aantal jaren is er een duidelijke toename te zien van cyberincidenten en ook krijgen traditionele vormen van criminaliteit steeds vaker een digitaal karakter en zullen in de toekomst alle
criminaliteitsvormen een grote digitale component hebben. Veelvoorkomende verschijningsvormen van online criminaliteit zijn volgens Stol en Strikwerda (2017) hacken, e-fraude en kinderporno en in het Cyberbeeld 2018 van Oost-Nederland staan ook voornamelijk vormen van hacken en e-fraude in de top 5 van online criminaliteit in Oost-Nederland, echter uit een recente enquête is gebleken dat anno 2019 het oppakken van digitale criminaliteit of cybercrime voor veel collega’s in Oost-Nederland nog steeds geen gesneden koek is (Vortex NP, 2019). De politieorganisatie is tot op heden niet in staat om de technologische en digitale ontwikkelingen bij te houden en heeft daardoor een flinke achterstand opgelopen ten opzichte van de reeds ‘gedigitaliseerde’ burger en kan hierdoor de hulp van de burger goed gebruiken. Anno 2019 hebben we te maken met vijf verschillende generaties op de arbeidsmarkt, waarvan de laatste net is begonnen deze te betreden. Deze laatste generatie, generatie Z, is de eerste generatie die zich geen leven voor het internet kan bedenken en maximaal online is. Deze nieuwe generatie burgers lijkt, door dit digitale referentiekader, bij uitstek geschikt om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Echter over de participatiebereidheid van deze burgers, op welke wijze zij bereid zouden zijn te participeren en welke factoren bij hun hierop van invloed zijn, is nog maar weinig bekend. Inzicht hierin is noodzakelijk voor de opsporing om deze nieuwe generatie burgers te betrekken bij de opsporing naar online criminaliteit.

Dit kwalitatieve onderzoek richt zich daarom op het verkrijgen van inzicht in op welke wijze deze nieuwe generatie burgers (tussen de 15 en 19 jaar oud) uit Oost-Nederland bereid is te participeren in de opsporing naar online criminaliteit en welke factoren er van invloed zijn op hun participatiebereidheid. Binnen de politieorganisatie zijn er vijf verschillende participatieniveaus te onderscheiden, waarvan de niveaus raadplegen, adviseren en coproduceren in dit onderzoek zijn meegenomen, mede door een reeds bestaand onderzoek waaruit blijkt dat jongeren met name op deze niveaus van meerwaarde voor de politieorganisatie zouden kunnen zijn. Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat vertrouwen in de organisatie de basis is voor een succesvolle
samenwerking tussen politie en burger en dat een aantal factoren van invloed zijn op de participatiebereidheid van burgers in het algemeen. Deze factoren zijn de perceptie van de burger op
de participatietaak, de perceptie van de burger op de eigen competenties, de intrinsieke karakteristieken van de burger en de motieven van de burger.

Voor dit onderzoek zijn er 12 jongeren, zowel mannen als vrouwen, tussen de 15 en 19 jaar oud, met diverse opleidingsniveaus en wonend verspreid over Oost-Nederland geïnterviewd over hun
participatiebereidheid binnen drie cases van online criminaliteit. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de motieven en overige factoren die van invloed zijn op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers om te participeren in grote lijnen overeenkomen met de resultaten van reeds bestaande onderzoeken binnen andere generaties. De nieuwe generatie burgers staat open voor participatie op alle niveaus van de participatieladder, maar moet zich wel specifiek aangesproken voelen om te participeren in de opsporing naar online criminaliteit. Eén van de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek is dat voornamelijk het belang van het onderwerp van het opsporingsonderzoek en het besef van de meerwaarde van participatie door deze burger van invloed is op de participatiebereidheid van de nieuwe generatie burgers. Opvallend is echter dat uit dit onderzoek naar voren is gekomen dat deze nieuwe generatie burgers niet actief politieberichtgeving volgt en hier in het dagelijkse leven niet mee bezig is. Hierdoor weet deze generatie niet ‘echt’ hoe groot de problemen zijn op het gebied van online criminaliteit en hoe belangrijk het aanpakken van deze vorm van criminaliteit werkelijk is. Het besef van het belang van burgerparticipatie door deze nieuwe generatie burgers in de opsporing naar online criminaliteit ontbreekt en voornamelijk daar liggen de kansen voor de opsporing om deze burgers meer te betrekken.

[slideshare id=238425397&doc=isgeneratiezparticipatiebereid-200909071410&type=d]

Bron: Politieacademie

Politievrijwilligers in de opsporing

Politievrijwilligers in de opsporing: Over de wijze waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zij bij zoekzaken

Auteur: Koen Matheeuwsen

De opsporing heeft anno 2018 te kampen met een zogenaamde ‘effectiviteitscrisis’. Uitgangspunt van deze crisis is dat er slechts minder dan 1 op de 4 geregistreerde misdrijven wordt opgelost. Gesteld wordt dat burgers een belangrijke rol kunnen spelen in het opvijzelen van deze minimale cijfers. Burgers zijn immers de belangrijkste succesfactor voor effectief en efficiënt opsporen.
Politievrijwilligers betreffen burgers die zich zowel binnen de politieorganisatie als de burgermaatschappij bevinden. Uit onderzoek is gebleken dat politievrijwilligers over het algemeen
hoog opgeleid zijn en dat er door de politie niet of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en expertise die vrijwilligers meenemen vanuit hun betaalde functies. Vanuit deze hoedanigheid hebben politievrijwilligers de potentie interessant te zijn voor problemen die in de opsporing op specialistische terreinen spelen.

Dit gegeven wordt ingezien binnen het programma ‘herijking opsporing’, dat zich bezig houdt met het verhogen van de kwaliteit binnen de opsporing. Voor de politie-eenheid Midden-Nederland is
Margriet Algera de kartrekker van dit programma. Zij wilde dat er onderzoek gedaan werd naar de wijze(n) waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland. Hiertoe staat in onderhavige studie deze onderzoeksvraag centraal:

Op welke wijze(n) kunnen politievrijwilligers van meerwaarde zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland?

Ter beantwoording van de onderzoeksvraag zijn interviews afgenomen onder politievrijwilligers en leidinggevenden van de opsporing in de politie-eenheid Midden-Nederland. Hierbij stond centraal over welke meerwaarde(n) politievrijwilligers überhaupt beschikken, op welke wijze(n) zij ingezet kunnen worden ten aanzien van hun meerwaarde(n) en welke kansen, valkuilen en randvoorwaarden aan deze inzet verbonden zijn. Deze kansen, valkuilen en randvoorwaarden zijn ook besproken in een interview met een expert op het gebied van de inzet van politievrijwilligers binnen de opsporing. Ten behoeve van deze studie stonden zoekzaken centraal. Op basis van de interviews kan gesteld worden dat iedere politievrijwilliger ‘extra handjes’ kan leveren binnen de opsporing. Door deze ‘extra handjes’ kan de capaciteit van de opsporing vergroot worden. Dit kan worden beschouwd als een kwantitatieve meerwaarde.

Daarnaast beschikken politievrijwilligers over (de navolgende) kwalitatieve meerwaarden. Zo beschikt de politievrijwilliger over, al dan niet specialistische, kennis en ervaring. Deze kennis en
ervaring kan van meerwaarde zijn voor de opsporing. Hiermee kan immers het pallet van kennis en ervaring van de opsporingsorganisatie uitgebreid worden. Dit kan zaaksinhoudelijk of procesmatig nieuwe inzichten voor de opsporing opleveren.

Er bestaat een gerede kans dat politievrijwilligers over competenties beschikken die van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing. Binnen deze competenties kan een onderscheid gemaakt
worden tussen vaardigheden die raken aan de professionele beroepsomgeving van politievrijwilligers en meer algemene vaardigheden en eigenschappen.

Uit de interviews is gebleken dat de politievrijwilligers inhoudelijk beschikken over zeer verschillende netwerken. Al deze netwerken kunnen door hun expliciete kennis en ervaring, via de
politievrijwilligers, het pallet van kennis binnen de opsporing eveneens vergroten. Politievrijwilligers beschikken over een frisse blik en in mindere mate ook over creativiteit en innovatieve vermogens. Deze aspecten kunnen van meerwaarde zijn voor de opsporing. Vanuit zaaksinhoudelijk oogpunt kunnen deze aspecten tot nieuwe of andere inzichten binnen zaken leiden.
Procesmatig gezien kunnen deze aspecten leiden tot een effectievere en/of efficiëntere herziening van de opsporingsinstrumenten en –methoden.

Ten aanzien van bovengenoemde meerwaarden kunnen politievrijwilligers in de rol van (assistent-)rechercheur of in de rol van adviseur binnen de opsporing ingezet worden. In de rol van
(assistent-)rechercheur werken politievrijwilligers inhoudelijk aan een zaak mee. Al de genoemde meerwaarden zouden in deze rol tot uiting kunnen komen. In de adviseursrol adviseren politievrijwilligers onderzoeksteams, al dan niet vanuit kennis- en ervaringsachtergrond, in bepaalde zaken. Hierbij komen eveneens, met uitzondering van de ‘extra handjes’, alle meerwaarden tot uiting.

De inzet van politievrijwilligers in de gestelde rollen zou genoemde meerwaarden als kansen voor de opsporing kunnen opleveren, wat vervolgens tot een effectievere en efficiëntere opsporing kan leiden. Een inzet als (assistent-)rechercheur stuit echter op een aantal praktische valkuilen. De belangrijkste valkuil is dat politievrijwilligers slechts beperkt beschikbaar zijn voor de opsporing. Dit
zorgt voor een ongewenste vertraging in de voortgang van zaken. Deze valkuil geldt niet voor de inzet van politievrijwilligers in de rol van adviseur. Het onderzoek blijft immers voortgang houden indien de politievrijwilliger als adviseur wordt ingezet.

Geconcludeerd kan worden dat de meerwaarden van politievrijwilligers het meest effectief tot hun recht komen in de rol van adviseur. Om deze reden wordt aanbevolen om politievrijwilligers in een rol als adviseur binnen de opsporing in te zetten. Hiertoe dient van alle politievrijwilligers helder te zijn welke opleidings- en werkachtergrond zij hebben. Deze achtergronden dienen in een database geregistreerd te worden. Onderzoeksteams kunnen in gevallen dat zij verlegen zitten om bepaalde kennis, deze database ter hand nemen en vervolgens een beroep doen op een politievrijwilliger met specifieke kennis en ervaring. Tevens bestaat er een mogelijkheid om als opsporing politievrijwilligers breed over (specialistische) problemen binnen de opsporing te bevragen. Hiervoor is instemming van de politievrijwilligers benodigd.

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=238425304&doc=politievrijwilligersin-200909070850&type=d]

Bronnen: Politieacademie

Beeld in de meldkamer is mensenwerk

Meldingen naar 112 worden nu nog telefonisch gedaan. Maar meldkamers verwachten dat burgers en bedrijven steeds vaker beeld zullen willen sturen. Uit de eerste experimenten blijkt echter dat het gebruik van foto’s en video’s in de meldkamer minder vanzelfsprekend is dan het lijkt.

Door Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder, Kees van Dongen

We leven in een beeldcultuur. Volgens Facebook worden er per minuut 200.000 foto’s op de site gezet. Samen kijken we een miljard uur per dag video op YouTube. Elke seconde maken 50.000 mensen een foto met hun telefoon. Nederland, waar 93 procent van de inwoners een smartphone heeft, loopt in deze trend wereldwijd voorop. Vooral voor jongeren is de beeldcultuur een feit: 63 procent zegt foto’s en video’s over zichzelf te delen met anderen. Maar vlak ook ouderen niet uit. 9 van de 10 Nederlandse 55-plussers lopen met een smartphone op zak, en 34 procent is volgens het CBS actief op sociale media.

Beelden in de meldkamer

Die maatschappelijke ontwikkeling raakt ook aan veiligheidsprocessen, zoals handhaving, opsporing en hulpverlening. Burgers zetten zelfgenomen beelden van inbraken, ongelukken en (vermeende) daders op internet. Een buurtgroep wil met eigen foto’s en video’s de politie ondersteunen.

Het ligt voor de hand dat door burgers gemaakte beelden ook in toenemende mate gebruikt gaan worden in de meldkamers van 112. Op dit moment is dat nog niet goed mogelijk. Zo zijn de systemen van de centralisten nog niet ingericht op het weergeven en opslaan van foto’s en video’s die burgers sturen. De meldkamers staan echter wel open voor het gebruik hiervan. Ook de samenleving verwacht in toenemende mate dat zelfgemaakte digitale foto’s en video’s de telefonische melding kunnen ondersteunen.

Maar wat is het effect van foto, video en live-beeld in de meldkamer op het 112-intakeproces? En op de 112-centralist? Dat onderzocht TNO in samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Landelijke Meldkamer Samenwerking. Er zijn 2 verkennende experimenten gedaan met 12 centralisten van de Meldkamers Noord-Nederland en Noord-Holland. Zij waren werkzaam in de ambulancezorg, bij de brandweer en bij de politie. Een derde experiment, dat onder andere zou gaan over het effect van de kwaliteit van het aangeboden beeld, moet nog worden uitgevoerd.

Niet sneller en niet per se beter

Het eerste experiment ging om de vraag wat het effect was van foto, video en ‘live’-beeld op de snelheid van het intakeproces en de volledigheid en juistheid van de vergaarde informatie. De deelnemende centralisten werden onder meer geconfronteerd met een door een acteur gedane melding van bijvoorbeeld huiselijk geweld, een persoon te water of een uitslaande brand. In totaal werd gebruikgemaakt van 8 veel voorkomende duidelijke meldingen. De resultaten van dit experiment zijn afgezet tegen een eerder onderzoek met dezelfde meldingen maar dan zonder beeld. Omdat destijds de meldingen alleen verzoeken om noodhulp en zorg betroffen, kon voor dit onderzoek alleen dit type meldingen worden gebruikt.

En wat bleek? De afhandeling van een melding met beeld duurde gemiddeld langer dan een melding zonder beeld. En gemiddeld werd geen kwaliteitsverbetering in de vergaarde informatie waargenomen; eerder een marginale afname. Vooral bij de melding met een live-beeld was er sprake van een (gering) negatief effect. Een interessante waarneming was dat beelden zekerheid, maar ook onzekerheid kunnen veroorzaken bij de centralist. Dit laatste is het geval als beeld en mondelinge melding niet overeen lijken te komen.

Meerwaarde van het beeld

Toch zagen de deelnemende centralisten meerwaarde in het gebruik van beeld. Na afloop was 80 procent positief. Vóór het experiment was dat 25 tot 30 procent. De centralisten gaven achteraf aan dat burgerbeelden de melding kunnen verduidelijken, met name bij gebruik van jargon of bijvoorbeeld bij een taalbarrière. Ook in het geval van een zeer emotionele beller, die bijvoorbeeld geen vragen kan of wil beantwoorden, voegde beeld iets toe. Verder droegen beelden bij om een situatie van een ongeval of stadium van een brand beter te beoordelen. Een ander voordeel, zo vonden centralisten, was dat zij veronderstelden te kunnen zien of instructies daadwerkelijk werden opgevolgd door de melder. Livebeelden genoten de voorkeur, omdat deze de meest actuele beelden gaven en als betrouwbaarder gezien werden.

Impact van beeld

Dat burgers foto’s en video’s maken bij ongevallen, is niet onomstreden. Aan de andere kant kunnen beelden, wanneer die worden gedeeld met de 112-meldkamer, bijdragen aan een beter inzicht in de situatie. Wel kunnen beelden van ongevallen of misdrijven heftige emoties oproepen.

Om te onderzoeken wat de impact van beeld is op centralisten deed TNO een tweede experiment. De 22 eerder genoemde centralisten voerden een gesimuleerde meldkamertaak uit. Tijdens het verwerken van de informatie van de melding werd geen foto, een neutrale foto (zoals een auto) of een heftige foto (zoals een verwonding) getoond.

Emotioneel en mentaal belastend

Om meldingen waarbij foto’s werden getoond te verwerken moesten centralisten meer mentale inspanning leveren dan bij meldingen waarbij geen foto’s werden getoond. Heftige foto’s leidden niet tot meer inspanning dan neutrale foto’s. De emotionele belasting is gemeten met vragenlijsten tijdens het experiment en bevraagd in een interview na afloop. De vragenlijsten lieten geen effect van foto’s op emotionele belasting zien, in de interviews gaven centralisten wel duidelijk aan dat ze verwachten dat heftige beelden in de toekomst belastend kunnen zijn voor henzelf of voor collega’s. Ook vertelden centralisten in de interviews dat de beelden in het experiment ervoor zorgden dat het moeilijker was om de aandacht te verdelen. Dit sluit aan op het resultaat uit het eerste experiment dat centralisten gemiddeld minder volledig waren bij het vergaren van de informatie. Zowel met heftige als met neutrale beelden werden meer auditieve informatie-elementen gemist dan zonder beelden. Bij heftige beelden werd meer gemist dan bij neutrale beelden. Reflecterend vonden centralisten de getoonde foto’s over het algemeen nuttig en zien ze het nut van beelden voor de meldkamer van de toekomst. Ze hielpen om prioriteit en behoefte in te schatten bij een melding.

Toegevoegde waarde

Uit de eerste experimenten blijkt dat beeldmateriaal als ondersteuning van telefonische meldingen niet zonder meer tot kwaliteitsverbetering zal leiden. De grootste toegevoegde waarde van beeld bij het duiden van een melding door de centralist lijkt er te zijn in situaties waarbij de melding of melder onduidelijk is, of de centralist onzeker is over de toestand ter plaatse. De juistheid van deze veronderstelling vraagt om aanvullend onderzoek. Dit staat overigens nog los van de waarde die het beeld verder in de keten kan hebben voor het opbouwen van een informatiepositie op de meldkamer en de opvolging, zoals bijvoorbeeld de waarde voor de opsporing.

Verder blijkt dat beelden zorgen voor extra mentale en emotionele belasting van de centralist. Centralisten geven aan dat ze behoefte hebben aan eigen regie over het bekijken van eventueel beeldmateriaal. Dit kan echter leiden tot keuzestress en dilemma’s. Zij moeten een afweging maken tussen enerzijds het goed uitvoeren van de functie en dus alle beelden uitkijken en anderzijds zichzelf beschermen tegen (te) veel emotionele belasting.

Vaardigheden van de centralist

Het toevoegen van beeld aan het meldproces vraagt daarom niet alleen om technische en analytische skills van de centralist, maar ook typevaardigheid (blind kunnen typen) en het vermogen om te gaan met emotionele stimuli en stress. Hier zal bij de selectie, training en opleiding van personeel rekening mee moeten worden gehouden.

Het gebruik van beeld in de meldkamer zal sterk toenemen. Dit past bij de maatschappelijke trend, waarbij foto’s en video’s steeds nadrukkelijker aanwezig zijn. Initiatieven om beeld in de meldkamer te brengen en te beproeven worden daarom aangemoedigd. De impact van beeld op de centralist mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Dit vraagt om zorgvuldig beleid en betrokkenheid van mensen met een achtergrond in het personeelsbeleid en de psychologie. Om het beleid te kunnen formuleren is bovendien meer onderzoek nodig. Bijvoorbeeld naar het effect van de verschillende manieren waarmee beeld het beste aan de centralist kan worden aangeboden.

Onderzoek

Lees ook: J.S. Barnhoorn en C.J.G. Van Dongen (2019) De impact van beeld in 112 meldkamers op de centralist (TNO rapport R10211) en M. Menkhorst en C.M.C. Schilder (2019) Effect van beeld op het 1-1-2 intake proces (TNO rapport R11729). Of lees hieronder de rapporten:

Samenvatting:

[slideshare id=143053720&doc=tno-2019-m10233-190501071611&type=d]

De impact van beeld in 112 meldkamers op de centralist

[slideshare id=143053568&doc=tno-2019-r10211-190501071323&type=d]

Effect van beeld op het 1-1-2 intake proces

[slideshare id=143053619&doc=tno-2018-r11729-190501071426&type=d]

Jonathan Barnhoorn, Marc Menkhorst, Caroline Schilder en Kees van Dongen zijn werkzaam bij TNO. Jonathan Barnhoorn is bereikbaar voor vragen en discussies via e-mail: [email protected]

Bron: Secondant

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen
Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politie 

Politie, Politieacademie, Politie en Wetenschap en het directoraat generaal Politie (ministerie Justitie en Veiligheid) organiseerden op 9 april 2019 de jaarlijkse conferentie over onderzoek naar, voor en door de politie. De conferentie bood een overzicht van actueel wetenschappelijk onderzoek in Nederland en brengt beleidsmakers, wetenschappers en politie samen om in gesprek te gaan over de betekenis van dit onderzoek voor de toekomst van de politie.

De conferentie bood volop gelegenheid tot interactie, kennisuitwisseling en netwerkvorming. Centraal stond de vraag naar de relevantie en doorwerking van de verschillende onderzoeken in beleidsvorming en politiepraktijk en -onderwijs. Tijdens de conferentie werd ook ingegaan op de strategische onderzoeksagenda voor de politie 2019-2022. Ook werd stilgestaan bij verschillende vormen van praktijkonderzoek binnen de context van de politie.

[slideshare id=140312201&doc=192961-strategischeonderzoeksagendapolitie2019-2022-190410135109&type=d]

De dag werd afgetrapt door Ferd Grapperhaus (Minister van Justitie en Veiligheid), Liesbeth Huijzer (Lid Korpsleiding Politie) en Edwin Bakker (Hoofd Kennis & Onderzoek Politieacademie).

Hieronder een overzicht van alle dialoogsessies:

1. Gebiedsgebonden politie: hervorming is broodnodig
Nikita Rombouts en Judith van Valkenhoef, onderzoekers Politieacademie
Dennis van Kommer, teamchef Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag
Jur Westra, operationeel specialist C team Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag

De Nederlandse politie zet met gebiedsgebonden politie (GGP) al decennialang veel kaarten op lokale kennis, contacten en invloed. Tevredenheid over de openbare orde en over GGP veronachtzaamde hoe makkelijk drugscriminelen geld verdienen en op hun manier bijdragen aan het lokale leefklimaat. Wijkagenten en andere medewerkers van basisteams signaleren in wijken en dorpen vandaag de dag veel georganiseerde (drugs)criminaliteit, vaak zonder (kans) dat er een opsporingsonderzoek wordt gestart. Dit is een ongemakkelijke realiteit die vraagt om andere lokale politie: herdefiniëring van het GGP-concept en een betere organisatorische inrichting op lokaal niveau. De huidige basisteams zijn de XL-variant van de oude wijkteams die vanaf jaren zeventig van de vorige eeuw werden ingevoerd. De personele samenstelling van de basisteams is te generalistisch. De basisteams zijn gebaseerd op ontwerpkeuzen die structurele knelpunten opleveren bij een belangrijke kernopdracht van de politie, namelijk opsporing.

De geringe slagkracht van generalistische politiemensen bij misdaadbestrijding laat al ruim dertig jaar veel ruimte bestaan voor criminelen. Dat is een probleem met kenmerken van een creeping crisis of institutionele crisis. Immers, het dominante GGP-concept negeert al lange tijd de grote behoefte onder politiemensen (juist ook wijkagenten), burgers en burgemeesters aan een politie die steviger en effectiever optreedt tegen lokale misdaad. Als een instituut dergelijke kritiek veronachtzaamt, brokkelt haar legitimiteit langzaam maar zeker af. Hervorming is dan noodzakelijk. We verwerpen het idee van GGP niet, maar het is noodzakelijk om het te hervormen en om zo de basis op orde te brengen. We gaan in deze dialoogsessie graag in gesprek over wat deze bevindingen betekenen voor de politie van overmorgen. Link naar de notitie: https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/95323.PDF

[slideshare id=140312749&doc=95323-190410135646&type=d]

2. The ecological validity of evidence disclosure models in interviews with suspects
Martijn van Beek, docent-onderzoeker Politieacademie / promovendus University of Derby Jos Hoekendijk, recherchepsycholoog Politie eenheid Noord-Nederland

De ervaren hoeveelheid bewijs is voor een verdachte een belangrijke factor bij de beslissing om in verhoor wel of geen aanvullende informatie te verstrekken. Het (a) moment waarop en (b) de manier waarop in verhoor bewijs (tactische aanwijzingen) onthuld wordt aan de verdachte zijn voor de verhoorder dan ook belangrijke instrumenten om verdere informatie te kunnen verzamelen. In onderhavig promotieonderzoek worden drie modellen daarvoor onderling vergeleken: het model dat momenteel gebruikelijk is in de Nederlandse politiepraktijk en twee buitenlandse, vanuit de wetenschap ontwikkelde modellen.

Uit de eerste bevindingen blijkt dat de drie modellen er ook in een praktijkgerichte setting inderdaad toe leiden dat verdachten van een pseudo-diefstal meer informatie verstrekken dan wanneer hen alleen naar hun eigen verklaring wordt gevraagd. Dit geldt voor zowel schuldige als onschuldige verdachten. Onderzocht wordt of deze extra informatie het ook mogelijk maakt een beter onderscheid te maken tussen schuldige en onschuldige verdachten.

Recherchepsycholoog Jos Hoekendijk van de eenheid Noord-Nederland gaat tijdens de dialoogsessie in op de vraag hoe de bevindingen van het onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan meer op maat gemaakt verhooradvies en aanpassingen in verhoorstrategieën.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Verdachten in Nederland hebben tegenwoordig recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens verhoor. Onderzoek uit landen waar deze rechten eerder al ingevoerd zijn, laat zien dat de advocaat voor zijn advies aan de verdachte vaak ook vaart op het bewijs dat de politie voor of tijdens het verhoor onthult. Het verdachtenverhoor krijgt daarmee een meer strategisch karakter. Inzicht in wat het meest effectieve moment en wat de meeste effectieve wijze van onthullen van bewijs is, helpt de politie zich aan deze veranderingen aan te passen.

3. Van reactief naar proactief: de meerwaarde van data-driven AI modellen om criminaliteit tegen te gaan
Bob van der Vecht en Selmar Smit, senior researchers TNO

Hoe kunnen data-driven modellen bijvoorbeeld overlast of kleine criminaliteit voorspellen in een stad? En als je dit kan voorspellen, wat doe je daar dan vervolgens mee? Er zijn meerdere initiatieven voor data-driven AI modellen ter ondersteuning van politiewerk. Door maatregelen te nemen op basis van voorspellingen, kunnen er waterbedeffecten en andere neveneffecten optreden. AI modellen en simulaties kunnen op basis van gedragstheorieën helpen om deze aan te zien komen. Maar hoe kunnen deze modellen in praktijk effectief ingezet worden?

Het inzetten van AI vereist een goed inbedding van expertkennis van politiemensen in de modellen. Hoe kan daarvoor gezorgd worden? En gaan de recherche skills en intuïtie van politiemensen op termijn niet verloren door gebruik van modellen? En versterkt het gebruik van modellen juist tunnelvisie?

Het gebruik van AI roept veel vragen op. In deze dialoogsessie presenteren wij recente AI-onderzoekprojecten voor politietoepassingen, waarin wij data-driven AI technieken integreren met expertkennis en criminologische theorieën. We bespreken de consequenties van vragen zoals bovenstaande voor zowel onderzoek als praktijk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Door ontwikkelingen van AI-onderzoek zal er bij de politie in de toekomst een verschuiving plaatsvinden van reactief af gaan op meldingen naar proactief optreden. Voor de politieorganisatie heeft dit impact op mens, organisatie en techniek.

4. Medewerkersparticipatie bij de politie
Ivo van Duijneveldt, adviseur/onderzoeker AEF
Fleur Hilhorst en Justine Kaasjager, senior organisatieadviseurs, Politie / PDC HRM / Team Ontwikkelen en Veranderen

Hoe kunnen medewerkers participeren bij beslissen in en over het werk? Deze vraag staat centraal in een onderzoek naar medewerkersparticipatie bij de politie. Het onderzoek vindt plaats in opdracht van de Korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad. Doel van het onderzoek is een groter inzicht te verkrijgen in medewerkersparticipatie. Welke betekenis geven medewerkers en leidinggevenden eraan? In hoeverre vinden zij het van belang? Wat maakt dat medewerkersparticipatie soms als vanzelf ontstaat, maar soms ook heel moeizaam? Deze vragen worden beantwoord op basis van veldwerk in uiteenlopende teams in de politieorganisatie. In het onderzoek zijn zowel blauwe, grijze als ondersteunende teams betrokken. Ook richten de onderzoekers zich op een analyse van goede voorbeelden, verbeterinitiatieven en innovaties die vanuit het werk zijn ontstaan. Het onderzoek wordt eind 2019 afgerond. In deze dialoogsessie geven de onderzoekers een presentatie van de eerste inzichten uit het veldwerk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De korpsleiding beschouwt medewerkersparticipatie van strategisch belang voor de politie. Om adequaat en snel in te kunnen spelen op wat er speelt in de maatschappij is het van belang dat politiemensen zelf richting en invulling kunnen geven aan hun werk. Medewerkersparticipatie veronderstelt dat medewerkers actief bijdragen aan het onderzoeken van vraagstukken die spelen in het werk en aan het bedenken van oplossingen. Dit leidt tot groter eigenaarschap voor zowel het vraagstuk als de oplossingen. Medewerkersparticipatie draagt bij aan draagvlak voor beslissingen en voor beleid, als medewerkers zelf betrokken zijn bij het analyseren en definiëren van het vraagstuk en bij het bedenken van oplossingen. Daarnaast is uit onderzoek bekend dat ruimte voor participatie positief bijdraagt aan de kwaliteit van het werk en aan de arbeidssatisfactie. Als medewerkers ruimte ervaren om zelf te kunnen sturen op het werk, draagt het bij aan reductie van werkstress en daaraan gerelateerd verzuim.

5. Op zoek naar de Buzz: (sociale) media en het delictgedrag van plegers van high impact crimes
Nicole Bouman, onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jos van der Stap, landelijk overvalcoördinator Politie

Onderzoek naar de sterke groei van het aantal overvallen in Nederland leverde een interessante bijvangst op. Overal in het land, letterlijk van Groningen tot Maastricht, doken ineens overvallers op die vergelijkbaar delictgedrag lieten zien. Bijvoorbeeld in hun keuze voor bepaalde objecten, of hun modus operandi (Rovers et al. 2010). Dit patroon van kopiëren kon niet verklaard worden uit het feit dat het hier over dezelfde daders ging of over daders die elkaar allemaal kenden. Er leek sprake van een copycat effect (Coleman 2004). Er hing iets ‘in de lucht’, dat die overvallers kennelijk oppikten en waar ze hun delictgedrag op leken aan te passen.

In 2016 liet de Taskforce Overvallen de intensieve aanpak van overvallen evalueren. Die aanpak bleek een succes. In 2009 piekte het aantal overvallen in Nederland nog met ongeveer 3000 incidenten. In 2016 was dit teruggelopen tot ongeveer 1200 incidenten per jaar. Eén van de factoren die dit succes zouden kunnen verklaren, was dat in de voorbije jaren allerlei partijen in allerhande media veel aandacht hadden besteed aan de aanpak van overvallen. Zou het dan zo kunnen zijn, dat deze mediacommunicatie een eigenstandig effect had op de beslissing van potentiële daders om (voorlopig) niet meer voor dit delict te kiezen (Rovers & Fijnaut 2016)?

Stel dat in kringen van overvallers is gaan rondzingen dat je dit delict beter even niet kan plegen. Dat er zoiets als een Buzz is ontstaan. Met deze hypothese begon dit onderzoek. En dat (sociale) media daar een rol bij speelden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van delictgedrag, lag voor de hand. Surette (2014) vroeg daders of ze ooit via de media een idee hadden opgedaan voor het plegen van een delict. Een kwart van de betrokkenen antwoordde hierop bevestigend.

Met dit onderzoek wilden we een beter inzicht krijgen in wat er in kringen van plegers van high impact crimes (HIC: overvallen, straatroven, woninginbraken en geweld) precies gebeurt naar aanleiding van bepaalde (sociale) media-uitingen. Over wat voor type uitingen gaat het dan, via welke kanalen en met welke content? Verder wilden we weten wat de effecten van die media-invloed zijn op individuele beslissingen om wel of niet een delict te plegen. En of het zo zou kunnen zijn, dat die media-invloed ook tot groepseffecten leidt. Want in dat laatste geval zouden we van een Buzz kunnen gaan spreken.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid door Hans Moors, Ben Rovers en Nicole Bouman. Publicatie wordt verwacht voor april 2019.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

In de voorbije jaren zijn beleidmakers tot de conclusie gekomen dat enkel repressie niet werkt bij plegers van HIC-feiten. Aanvullende beleidsstrategieën, zoals een persoonsgerichte aanpak, zijn nodig om de frequentie van deze delicten terug te dringen. Beïnvloeding van deze groep (potentiële) daders via mediacommunicatie is mogelijk een aanvullende strategie om dit doel te realiseren. Dit onderzoek maakt duidelijk of dit een zinvolle strategie kan zijn.

Daarmee wordt een belangrijke leemte opgevuld in de bestaande kennis over dadergerichte preventie door middel van communicatie. Onderzoek naar de effecten van (preventieve) communicatie op delictgedrag focust namelijk vaak op de zendende partij (Santos & Santos 2016). Hiermee gaat het voorbij aan een vitaal aspect in de causale keten: de criminelen, hun mediaconsumptie, en de betekenis daarvan voor hun delictgedrag. Er is opmerkelijk weinig bekend over hoe specifieke groepen criminelen naar (sociale) media kijken en morele afwegingen maken die hun handelen beïnvloeden (Van Ommen 2018; Janicke 2013; Tamborini et al. 2012). Dit onderzoek richt zich op dat vitale aspect en start juist aan de kant van de ontvanger van de boodschap: de (HIC-)delictpleger. Deze kennis is in hoge mate praktijkrelevant, omdat die concrete aanknopingspunten kan bieden voor evidence-based communicatiestrategieën gericht op daders van wie de delicten een grote impact hebben op de samenleving.

6. Politiewerk in een diverse samenleving
Sandra ter Woerds en Valerie Peeck, onderzoekers Politie eenheid Amsterdam (Team A&O)
Rutger Hendriksen, teamchef basisteam Zuidoost-Bijlmermeer, Politie eenheid Amsterdam
Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke

In 2018 werd binnen de eenheid Amsterdam tegelijkertijd onderzoek gedaan naar het politiewerk in de Bijlmer én naar de aanpak van professioneel controleren binnen de eenheid. In deze dialoogsessie presenteren onderzoekers van Bureau Beke en onderzoekers van de politie in samenhang de bevindingen van deze onderzoeken.
De nadruk zal liggen op de raakvlakken tussen beide: het vormgeven van professioneel politiewerk in een diverse samenleving. Hoe gaat (en ging) dat in de Bijlmermeer? En hoe meet je de effecten van professionalisering op dit vlak?

Waar staan we in de Bijlmermeer? (Team A&O politie eenheid Amsterdam)
In de media wordt soms scherpe kritiek geuit op het werk van de politie bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarbij burgers onjuist bejegend of onterecht behandeld worden. De relatie tussen de burger en de politie zou onder druk staan, voornamelijk in wijken met een diverse bevolking. In de media is veel aandacht voor de beleving van de burger. Maar hoe wordt dit door politiemedewerkers ervaren?

Vanuit het district Oost (Eenheid Amsterdam) werd opdracht gegeven voor een onderzoek om te achterhalen welke perceptie politiemedewerkers van basisteam Bijlmermeer hebben van de zeer diverse samenleving in hun werkgebied, de tegenstellingen tussen groepen onderling en de verhouding tussen burgers en de politie.
De vraag is hoe zij daarbinnen invulling geven aan hun professioneel handelen en hun vakmanschap? In dit onderzoek staan de verhalen en ervaringen van de medewerkers van het basisteam centraal. Zij zijn uitvoerig geïnterviewd over hun werk in de Bijlmermeer en hun contact met de burgers in de wijk. Het vertelt ‘het verhaal’ van het basisteam Bijlmermeer gebaseerd op hun beleving.

Professioneel controleren (Bureau Beke)
De aanpak van professioneel controleren staat momenteel binnen politie-eenheid Amsterdam volop in de belangstelling, ook omdat de politie regelmatig het verwijt van etnisch profileren krijgt. Momenteel worden al bestaande maatregelen voor professioneel controleren aangevuld met nieuwe, vaak innovatieve maatregelen. Nu er zoveel aandacht uitgaat naar de aanpak, bestaat ook de wens om te kijken naar de effecten hiervan. Maar voor de driehoek is het nog de vraag welke criteria hiervoor relevant zijn. Deze criteria zijn nader bepaald in dit onderzoek en zullen worden gebruikt voor een periodieke scan op de maatregelen. Bureau Beke zal een toelichting geven op dit onderzoek.
Wat betekent je onderzoek volgens jou voor de toekomst van de politie?

Deze beide onderzoeken geven inzicht in de ontwikkeling(en) van de professionalisering van het omgaan met diversiteit binnen het politiewerk. Hoe kan je hier handen en voeten aan geven en hoe blijf je aangaande deze materie een vinger aan de pols houden?

Daarnaast maakt het onderzoek ‘Waar staan we in de Bijlmermeer?’ duidelijk dat het basisteam Bijlmermeer een uniek verhaal te vertellen heeft wat betreft de aard en de ontwikkeling van het politiewerk in de eigen wijk. En zo zal ieder basisteam in Nederland op soortgelijke wijze een geheel eigen verhaal te vertellen hebben over het politiewerk en het contact tussen de politie en de burgers in de wijk. Hoe mooi zou het zijn om ook de verhalen van andere basisteam op soortgelijke wijze voor het voetlicht te brengen?

7. Geolinkage & Geoselectie; geografische analyses voor efficiënter politiewerk.
Jasper van der Kemp, universitair docent Criminologie, VU School of Criminology, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam
Rixt Brouwer, analist A&O, Politie eenheid Amsterdam
Sander Tulp, procesmanager BI (OSB), Politie eenheid Noord-Nederland

Politiewerk vraagt om het maken van keuzes om de beperkte capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. De noodzaak tot het maken van efficiënte keuzes geldt voor surveillances die gericht zijn op het genereren van een preventief effect door de aanwezigheid van meer blauw op straat tot het gericht zoeken naar verdachten in grootschalig opsporingsonderzoek. Door gebruik te maken van geografische analyses kan gerichtere inzet worden bewerkstelligd; door surveillance te sturen naar die locaties waar de incidenten zich vooral afspelen, door gebiedsgebonden probleemgericht te interveniëren of door het geografisch gedragskundig koppelen van zaken tot series om effectief te rechercheren.
In deze dialoogsessie zullen verschillende geografische analyses aan de hand van voorbeelden worden toegelicht en bediscussieerd in het licht van de mate waarin deze in de politiepraktijk kunnen worden toegepast. Denk hierbij aan het bepalen van de risk terrain profielen van wijken voor woninginbraak; het vaststellen van de hot streets van autobranden (vs hot spots) en het selecteren en koppelen van zaken tot mogelijke series.

8. Openbare orde online; de rol van gemeente en politie
Willem Bantema, senior-onderzoeker NHL Stenden Hogeschool
Imke Smulders, docent communicatie en taalvaardigheden Juridische Hogeschool Avans-Fontys / onderzoeker expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool
Sander Hoed, digitaal wijkagent team Nijmegen Zuid, Politie eenheid Oost Nederland

Willem Bantema et al. (2018). Burgmeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld (Politie en Wetenschap).
Imke Smulders (2017). #Politie. Twittergebruik door wijkagenten & de veiligheidsbeleving van de burger (Proefschrift – OU).

Er zijn veel voorbeelden van openbare ordeverstoringen met een digitale component. Te denken valt aan oproepen tot snelwegblokkades, boze burgers, bedreigingen aan bestuurders, aankondiging van demonstraties en bijvoorbeeld sexting-zaken die gevolgen voor de openbare kunnen hebben. In tegenstelling tot fysieke openbare ordeverstoringen is het bij openbare ordeverstoringen met een digitale component minder duidelijk in hoeverre zij onder verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters vallen. Juridisch gezien blijkt uit de studie ‘burgemeesters in cyberspace’ dat openbare-ordebevoegdheden van burgemeesters niet zijn toegesneden op de online wereld. Vanuit de praktijk worden strafrecht en OM vaak als aangewezen partij gezien voor handhaving in cyberspace, mede door het grens overstijgende karakter ervan.

Dit roept meer fundamentele vragen op die zich natuurlijk niet beperken tot de gemeente. Wat is precies de rol van gemeenten op dit gebied? Welke verstoringen kunnen gezien worden als een openbare orde probleem en welke niet? Lopen gemeenten de politie niet voor de voeten als ze hier een meer actieve rol zouden willen spelen? Waar begint de rol van de gemeente en of politie en waar houdt die op, hoe verhouden hun taken zich tot elkaar? Zijn partijen voldoende toegerust op de uitvoering van hun taken? Doen soortelijke discussies en problemen zich buiten de gemeente ook voor binnen de politiepraktijk, wat betekenen de digitale ontwikkelingen voor hun werk in de toekomst?

De rol en ervaringen van gemeente worden belicht door Willem Bantema die ook vervolgonderzoek gaat doen naar mogelijke gemeentelijke interventies in cyberspace (Justitie en Veiligheid) en naar het monitoren in cyberspace door gemeenten (Politie en Wetenschap). De rol van de politie wordt belicht door de recent gepromoveerde Imke Smulders die onderzoek heeft gedaan naar het twittergebruik van digitale wijkagenten en het effect daarvan op ervaren veiligheid door burgers en door digitale wijkagent Sander Hoed vanuit zijn praktijkervaring.

De dialoogsessie heeft tot doel discussie te voeren over ervaringen met online dreigingen (signalering en interventies) en het voeren van discussie over de rollen en onderlinge verhoudingen tussen politie en gemeenten. In hoeverre is de politie gebaat bij handelingen van gemeenten en burgers op dit gebied? Welke input zou het politiewerk bevorderen en welke input werkt juist belemmerend? Waar kunnen partijen elkaar effectief aanvullen en of versterken? Is de burger überhaupt bereid en bekwaam om een actieve rol te spelen en zo ja, liggen er dan ook mogelijk ongewenste neveneffecten op de loer? Invloed op onder andere de veiligheidsbeleving of het oordeel over de politie is niet ondenkbaar. Naast juridische vragen gaat het dan ook over normatieve en organisatorische vragen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door de toenemende digitalisering is de vraag of er wat moet gebeuren inmiddels achterhaald, maar het is wel vaak onduidelijk wie die dreigingen moet signaleren en wie moet ingrijpen.
Nu is het vaak onduidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Zeker wanneer er niet sprake is van een strafbaar feit (geen OM) maar wanneer er wel duidelijk bedreigingen zijn voor de openbare orde en veiligheid. Wanneer gemeenten een actieve rol zouden spelen bij het signaleren en interveniëren in cyberspace zou dat de lokale gemeenschap en politie veel tijd en moeite schelen en kan politietijd ingezet worden voor meer ‘harde’ criminaliteit. Aan de andere kant kan ook de overweging meespelen dat de wijkagent in deze tijden juist ook online het contact met zijn wijk wil en moet houden; wanneer gemeenten vanuit een actievere rol zaken gaan afvangen, ontstaat dan niet het risico dat kennis die relevant is voor de taakuitoefening van de wijkagent niet meer bij hem terechtkomt? Of het risico dat bepaalde informatie niet meer wordt gedeeld, omdat de burger het lijntje met de (bekende) wijkagent als korter ervaart dan dat met de gemeente? Het is ook de vraag in hoeverre vanuit de politie behoefte is aan steun op dit gebied door gemeenten en de vraag waartoe gemeenten/burgemeesters en politie op aarde zijn en hoe ze elkaar in de werkzaamheden/handhaven van de openbare orde en veiligheid het beste kunnen versterken. Moet er bijvoorbeeld massaal geïnvesteerd worden in het opleiden van digitale wijkagenten of moet de politieorganisatie juist verder ontlast worden en moeten gemeenten een grotere rol krijgen op dat gebied?

9. ‘Komt een amateur rechercheur bij de politie’
Arnout de Vries, wetenschappelijk onderzoeker TNO
Shanna Wemmers, scientist innovator TNO

Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing? Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze dialoogsessie willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/

10. Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie
Nanette Slagmolen, wetenschappelijk onderzoeker Politieacademie
Basya Berends, coördinator Master Tactisch Leidinggevenden Politieacademie
Dave Deswijzen, toegevoegd teamchef C team Maastricht, Politie eenheid Limburg

Het prijsgeven van vertrouwelijke politie-informatie wordt onderkend als een ernstig vergrijp, zowel door politiemensen zelf als in de samenleving. Vooral gevallen waarin zulke informatie aan criminelen blijkt te zijn verkocht, kunnen op massale media-aandacht rekenen. Ze leiden tot speculatie over de omvang (neemt het toe?) en de oorzaken (frustratie onder agenten over de reorganisatie, gerichte ondermijning door georganiseerde misdaad?).

Voor het onderzoek ‘Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Aard, omvang en ernst van het fenomeen bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee’ kregen de onderzoekers toegang tot alle dossiers (2015 en 2016) van de afdelingen die integriteitsschendingen onderzoeken bij de Politie en de Marechaussee. Voor het eerst zijn zo middels systematische dossieranalyse aard, omvang en ernst van lekken in kaart gebracht. Deze fenomeenbeschrijving geeft de politie handvatten voor preventieve maatregelen. Ook beschrijven de onderzoekers de wijze waarop meldingen van lekken worden behandeld, wat aanknopingspunten voor verbeteringen biedt.

Uit het onderzoek blijkt dat het lekken van politie-informatie vaak voortkomt uit onoplettendheid in de alledaagse, uitvoerende politiepraktijk. Ook zien sommige politiebeambten niet altijd kwaad in het onrechtmatig opzoeken van informatie omdat ze het niet delen met derden, het zogenoemde lekken aan jezelf. Waar de onderzoekers nauwelijks zicht op kregen, was het perspectief van de leidinggevende op het feit dat een medewerker verdacht werd van of bestraft werd voor het lekken van informatie. In de dossiers werd bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek of verhoor met de leidinggevende gevonden.

Als het gaat om onoplettendheid en het ongeoorloofde gedrag – wat lekken van informatie aan anderen en aan jezelf is – verwachten de onderzoekers dat leidinggevenden een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie. Om meer aandacht en bewustzijn te stimuleren voor het fenomeen lekken van informatie, is de rol van leidinggevende van belang. Die rol van de leidinggevende is een blinde vlek gebleken in het huidige onderzoek en daarom willen we tijdens de dialoogsessie met de groep verkennen hoe leidinggevenden die rol kunnen vervullen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Burgers mogen verwachten dat de politie integer is en zorgvuldig omgaat met gevoelige en vertrouwelijke informatie. Politiemedewerkers hebben daarin een voorbeeldfunctie. Fouten en integriteitsschendingen zijn niet voor honderd procent te voorkomen aangezien politiewerk mensenwerk is en mensen fouten kunnen maken. Voor politiemensen die misbruik maken van hun positie en over de schreef gaan, is echter geen plaats in de organisatie. De Korpsleiding heeft om deze reden opdracht gegeven tot dit onderzoek, het onderzoeken van het fenomeen lekken van politie-informatie. Met de uitkomsten van het onderzoek heeft de Korpsleiding handvatten om aan de slag te gaan met het vóórkomen van oneigenlijke gebruik van politie-informatie.
Bovendien is integriteit in het algemeen en het lekken van informatie in het bijzonder een zeer actueel thema. In februari 2018 werd Mark M. veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het langdurig tegen betaling verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan Brabantse criminelen. Op 11 januari jl. werd ons onderzoek naar het lekken van politie-informatie vroegtijdig naar de pers gelekt; in de Telegraaf was een uitvoerige weergave van de inhoud van ons rapport gepubliceerd. Wat ons betreft is integriteit een belangrijk thema en zeker ook een ingewikkeld thema dat om een zorgvuldig en open verkenning vraagt.

11. De sociale impact van kunstmatige intelligentie
Dennis de Kool, onderzoeker Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam
Ron Boelsma, kennis en innovatiemakelaar Politie Landelijke Eenheid

De politie wil kunstmatige intelligentie breed inzetten om de kwaliteit van werkprocessen te verbeteren. De focus van dit onderzoek is gericht op een belangrijk proces bij de politie, namelijk het aangifteproces. Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dat de inzet van kunstmatige intelligentie niet alleen impact heeft op medewerkers die betrokken zijn bij het primaire (aangifte)proces, maar ook op ondersteunende (PIOFACH) organisatieonderdelen, ketenpartners en burgers en bedrijven die aangifte doen. Dit onderzoek belicht in dat kader de sociale impact van kunstmatige intelligentie. Daarmee is de inzet van kunstmatige intelligentie niet (louter) een innovatieproces, maar een sociaal veranderingsproces, waarbij het van groot belang is dat alle belanghebbende partijen actief zijn aangehaakt.

Bij de uitvoering van het (lopende) onderzoek wordt een incrementele en gefaseerde aanpak gehanteerd, waarbij vier fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase (september-oktober 2018) bestaat uit een literatuurstudie, waarin het begrip en verschillende dimensies van kunstmatige intelligentie, de kansen en de risico’s nader zijn verkend, evenals de noodzakelijke randvoorwaarden om kunstmatige intelligentie op een verantwoorde en succesvolle manier in te zetten. Op basis van deze inzichten is een conceptueel model ontwikkeld, waarbij tevens is geput uit literatuur over verandermanagement. De tweede fase (november-december 2018) omvat het interviewen van experts binnen de politieorganisatie en de keten (Openbaar Ministerie). De resultaten van de interviews zijn beschreven in een rapportage. Bij de derde fase (januari-februari 2019) wordt informatie verzameld aan de hand van twee focusgroepen, namelijk een focusgroep met een afvaardiging van PIOFACH en een focusgroep waarin het burgerperspectief centraal staat. De concrete invulling van fase 4 van het onderzoek wordt eind januari besproken met de begeleidingscommissie van het onderzoek.

De dialoogsessie in Den Haag is een uitermate geschikte onderzoeksmethode om de voorlopige resultaten van de eerste drie fasen van het onderzoek voor het voetlicht te brengen en kritische feedback te verzamelen. Deze feedback kan dan in fase 4 van het onderzoek worden verwerkt.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek richt zich primair op het aangifteproces bij de politie. Het aangifteproces is een erg belangrijk proces binnen de politie. Een gerobotiseerd aangifteproces kan resulteren in betere aangiftes en completere dossiers en aldus een bijdrage leveren aan de centrale opdracht van de politie, namelijk het veiliger maken van de samenleving. Daarnaast kan de inzet van kunstmatige intelligentie in het aangifteproces (en andere processen) zorgen voor taakverrijking voor medewerkers. Zowel de politieorganisatie als de maatschappij kunnen dus baat hebben bij de inzet van kunstmatige intelligentie. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met factoren en kritische succesfactoren die in de literatuur over verandermanagement zijn genoemd. De dialoogsessie is een uitstekende manier om met de deelnemers in gesprek te gaan over de voorlopige resultaten van het onderzoek.

12. Politie in beeld; Analyse van politieoptreden bij conflicten tussen burgers
Wim Bernasco, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Lisa van Reemst, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam

Hoewel de alomtegenwoordigheid van camera’s in zowel de publieke als de private ruimte van tijd tot tijd vraagtekens oproept over privacy en effectiviteit, biedt beeldmateriaal unieke mogelijkheden om menselijk gedrag te observeren en vervolgens te analyseren. Dat geldt ook voor conflicten tussen burgers, voor criminaliteit, voor de reacties van omstanders en voor interventies door de politie en andere rechtshandhavers.

In de afgelopen jaren hebben we bij het NSCR, deels ondersteund door financiering vanuit de politie, een onderzoeksprogramma ontwikkeld waarin we beeldmateriaal gebruiken om inzicht te verwerven in de interacties tussen daders, slachtoffers en omstanders in uiteenlopende conflictsituaties, variërend van gewapende overvallen in de detailhandel tot opstootjes op straat. Omdat gedragsobservatie met beeldmateriaal in de criminologie nog nauwelijks gebruikt werd, hebben we methoden en technieken leren toepassen uit andere disciplines, zoals de gedragsbiologie en de ontwikkelingspsychologie.

In onderzoek naar overvallen in de detailhandel in Rotterdam en Amsterdam hebben we bestudeerd hoe interacties tussen overvallers en slachtoffers in sommige gevallen wel maar in andere gevallen niet tot gebruik van fysiek geweld leiden. Een belangrijke bevinding is de ondersteuning van het bestaande advies aan slachtoffers om de overvalsituatie te aanvaarden, en overvallers geen tegenstand te bieden (het RAAK principe).

Voor gedragsobservaties in het openbaar vervoer (in Denemarken) maken we gebruik van beeldmateriaal van bodycams, en onderzoeken we de rol van controleurs en passagiers in conflictsituaties. Vanuit de gedachte dat omstanders mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in zowel escalatie als de-escalatie van conflicten, bestuderen ook hun rol in detail.
We gaan binnenkort ook gedrag van politieagenten bestuderen. Met hulp van het team Technisch Toezicht van de eenheid Amsterdam hebben we beeldmateriaal verzameld van conflicten die zich op straat afspeelden onder het oog van toezichtscamera’s. Het gaat hier om beginnende conflicten die soms uit de hand lopen maar vaak ook met een sisser aflopen. In het merendeel van deze situaties observeren we de aankomst en de interventies van de politie. We leggen vast wat politieagenten precies doen en welke effecten die interventies hebben. Ook hier wordt de rol van omstanders meegenomen, zowel in relatie tot de conflictpartijen als in relatie tot de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De uitkomsten van het onderzoek zullen bruikbaar zijn in de opleiding van politiepersoneel. Zij kunnen empirische ondersteuning geven (evidence-based) aan bestaande instructies, maar kunnen ook inzichten verschaffen die aanleiding geven tot aanpassing van de inhoud van trainingen in conflicthantering.

13. Design Science onderzoek naar de opsporing
Karin Michiels en Coen Visser, operationeel specialisten Dienst Landelijke en Operationele Samenwerking, Politie Landelijke Eenheid

Het onderzoek
Er is wetenschappelijk gezien relatief weinig bekend over het verloop van opsporingsonderzoeken. In het voortraject van twee promotieonderzoeken is een model ontwikkeld dat de stand van zaken en de voortgang van een opsporingsonderzoek in beeld kan brengen vanaf de start tot de afronding. In de volgende onderzoeksfasen wordt rond dit model een protocol ontwikkeld om (1) sturing van opsporingsonderzoeken te verbeteren en (2) het delen van informatie in opsporingsonderzoeken te verbeteren.

In het algemeen verloopt de doorwerking van wetenschappelijk onderzoek binnen de politieorganisatie moeizaam. Om deze te vergemakkelijken is gekozen voor design science als onderzoeksmethodologie. Binnen design science wordt expliciet een verbinding gemaakt tussen aan de ene kant wetenschappelijke theorie en aan de andere kant een generiek praktijkprobleem.
Design Science

In de sociale wetenschappen wordt veel gebruik gemaakt van kwantitatief (statistisch) onderzoek en kwalitatief (beschrijvend/verklarend) onderzoek. In bedrijfskundige informatica, geneeskunde en bouwkunde wordt ook gebruik gemaakt van een constructieve onderzoeksmethodologie. Vanwege de mogelijkheid om kennis te ontwikkelen waarmee verbeteringen kunnen worden ontworpen, wordt deze methodologie ook sinds enige decennia toegepast in management- en organisatiewetenschappen.

De opsporing betreft een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject. De vele kritische geluiden op het opsporingsproces en de wens voor verbeteringen zijn de afgelopen jaren niet van de lucht zoals is op te maken uit ‘Handelen naar Waarheid’, een sterkte- en zwakteanalyse die in 2016 in opdracht van het Programmateam Herijking Opsporing is opgesteld en het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012 over de prestaties in de strafrechtketen. Het deelnemen aan opsporingsonderzoeken maakt het mogelijk de voortgang van opsporingsonderzoeken te bestuderen en was aanleiding ‘iets’ te bedenken wat handvatten geeft voor het structureren van een opsporingsonderzoek. Zoekende naar een passende methodologie is ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek onder de aandacht gekomen: Onderzoek dat zich niet alleen richt op het beschrijven en verklaren van typen veldproblemen maar zich vervolgens ook richt op het ontwikkelen en testen van generieke oplossingen voor die veldproblemen. Deze vorm van wetenschappelijk onderzoek levert generieke kennis voor het ontwerpen van oplossingen voor specifieke veldproblemen door de professionals die met die problemen te maken hebben. Omdat dit onderzoek door haar generieke aard geen kant-en-klare oplossingen biedt maar ‘slechts’ input voor het ontwerpen van specifieke oplossingen, wordt deze vorm van praktijkgericht onderzoek ook wel ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek genoemd. De onderzoekers werken bij dit type onderzoek zowel in een kennisstroom als in een praktijkstroom en halen inspiratie en voldoening uit de combinatie van beiden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De dialoogsessie laat een alternatieve onderzoeksmethode zien waarbij de nadruk ligt op de toepassing van ontwerpkennis in de praktijk. Dit betekent prescriptief onderzoek met gebruikmaking van kwalitatieve en kwantitatieve methoden van onderzoek en het ontwerpen en testen van een oplossingsstructuur voor het veldprobleem. Deze dialoogsessie toont de toepassing van een wetenschappelijke methodologie gericht op het ontwerpen van organisatorische verbeteringen.

14. Het NICHD-interviewprotocol en hoe dit kan bijdragen aan een betere samenwerking tussen Veilig Thuis en de politie
Deze dialoogsessie is vervallen.

15. Kinderen van criminelen uit de georganiseerde misdaad
Melvin Soudijn, operationeel specialist D Politie Landelijke Eenheid
Meintje van Dijk, promovenda Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Veroni Eichelsheim, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)

‘De appel valt niet ver van de boom’ is een herkenbaar spreekwoord. Kinderen lijken namelijk in diverse aspecten vaak op hun ouders. Bepaalde kenmerken of gedragingen kunnen zo van generatie op generatie worden overgedragen. Die overdracht kan in positieve zin plaatsvinden, maar ook in negatieve zin. Zo is gebleken dat criminaliteit kan worden doorgegeven of overgenomen: in diverse studies is aangetoond dat kinderen van criminele ouders, vergeleken met kinderen met niet-criminele ouders, een verhoogde kans hebben om zelf ook in de criminaliteit te belanden. Dat effect treedt niet alleen bij huis-tuin en keukencriminaliteit, maar ook bij zwaardere vormen van misdaad. Zo heeft pilotonderzoek naar een beperkt aantal kinderen (N=48) van plegers van georganiseerde misdaad in Amsterdam laten zien dat hun kinderen een zeer groot risico lijken te lopen om in de voetsporen van hun ouders te treden: ongeveer 90 procent van de zonen en 48 procent van de dochters staat zelf geregistreerd voor één of meer delicten (Van Dijk et al. 2018). Dit is reden tot zorg over deze groep kinderen en vormt de aanleiding om grootschalig vervolgonderzoek op te zetten naar een landelijke sample veroordeelde plegers van georganiseerde misdaad (N= 478) en hun kinderen (N= 722).

In de dialoogsessie presenteren we de resultaten van dit vervolgonderzoek en gaan we onder andere in op de mate van intergenerationele overdracht van criminaliteit bij zonen en dochters van zowel mannelijke als vrouwelijke plegers van georganiseerde misdaad, het relatieve risico op criminaliteit ten opzichte van andere kinderen (met en zonder criminele ouders) in Nederland, de typen gepleegde delicten door ouders en kinderen en of bepaalde delict typen een hoger risico hebben op intergenerationele overdracht in deze groep. Na de presentatie van de bevindingen gaan we door middel van een interactief debat in gesprek met de aanwezigen over wat de resultaten betekenen voor de politiepraktijk. De studie is een gezamenlijk initiatief van de politie en het NSCR.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Bewustmaking van risico’s op intergenerationele overdracht bij georganiseerde misdaad. Nadenken over interventies binnen gezinnen waarbij de ouders nadrukkelijk binnen de georganiseerde misdaad betrokken zijn.

16. Onder de Loep: het effect van een slachtofferverklaring en de ernst van een misdrijf op de meldingsbereidheid van burgers
Wendy Schreurs, promovenda (proefschrift afgerond op 1 april 2019) Universiteit Twente
Sterre ten Berge, opsporingscommunicatie Politie eenheid Oost-Nederland

Veel zaken worden opgelost met behulp van burgers. Eén manier om burgers te betrekken bij het oplossen van misdrijven, is het inzetten van opsporingscommunicatie via televisieprogramma’s zoals Onder de Loep en Opsporing Verzocht. Het inzetten van burgers wordt steeds belangrijker en de politie kan hier, door de grote toename aan beschikbaar beeldmateriaal, slim op in spelen. De meldingsbereidheid van burgers kan afhankelijk zijn van hoe misdrijven in zulke programma’s worden weergegeven. Zijn burgers bijvoorbeeld eerder bereid iets te melden als het om een moreel verwerpelijker misdrijf gaat, of als er een slachtoffer uitlegt wat de impact van het misdrijf op hem/haar is geweest? In deze studie hebben we in samenwerking met Onder de Loep vier video’s gemaakt waarin werd gemanipuleerd welk misdrijf de respondenten te zien kregen (fietsendiefstal of babbeltruc) en of er wel of geen slachtofferverklaring werd uitgezonden. In totaal keken 100 deelnemers naar een van de vier ‘Onder de Loep’-video’s; 63 deelnemers namen ook deel aan de tweede fase in samenwerking met het Mobile Media Lab, waarbij ze op straat “toevallig” werden blootgesteld aan de verdachte uit de video en de mogelijkheid kregen om deze informatie te melden. Na het bekijken van de video, werden het feitelijke meldgedrag van de respondent, zijn bereidheid om in de toekomst te melden en in te grijpen gemeten en de relatie met mogelijk onderliggende psychologische factoren (waargenomen morele verwerpelijkheid, morele waarden, morele emoties en eerder melden en ingrijpen) onderzocht.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek kan een bijdrage leveren aan hoe de politie instrumenten als opsporing verzocht, of regionale versies als Onder de Loep in de toekomst in kan zetten. Dit was een van de eerste studies om het feitelijke meldgedrag van burgers na het bekijken van opsporingscommunicatie televisieprogramma’s te meten. De opgedane inzichten kunnen worden gebruikt als startpunt voor toekomstig onderzoek over dit onderwerp en voor tv-programma’s over criminaliteit om de bereidheid van burgers en het feitelijke rapportagegedrag te vergroten.

17. Flexibel Rechercheren: oude wijn of revitaliserend bruiswerk?
Peter Klerks, raadadviseur Openbaar Ministerie, Parket-Generaal
Lisanne Kramer, recherchekundige / operationeel specialist Politie eenheid Zeeland-West-Brabant
Gerben Euwijk, operationeel specialist B Politie eenheid Zeeland-West-Brabant

In de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant introduceerde de Dienst Regionale Recherche in 2015 het concept Flexibel Rechercheren (FR). Dit komt neer op het herontdekken van traditioneel recherche-vakmanschap en het pakken van kansen. Een training en voortdurende aandacht moest een eind maken aan vrijblijvendheid. Gerard Hertsenberg en Peter Klerks onderzochten voor het landelijk programma Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen (TOV) samen met recherchekundige Lisanne Kramers (ZWB) het Flexibel Rechercheren op kernelementen, waardering en effectiviteit door middel van interviews en dossierstudie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Meerdere eenheden en rechercheafdelingen onderzoeken momenteel de toepasbaarheid van FR. Het onderzoek kan bijdragen aan vernieuwing van de recherche, opmerkelijk genoeg door traditionele vaardigheden en attitudes opnieuw centraal te stellen.

18. Predictieve textmining in politieregistraties naar cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit
Nikolaj Tollenaar, onderzoeker WODC
André van der Laan, senior onderzoeker WODC
René Hesseling, operationeel specialist D / senior-onderzoeker Politie eenheid Den Haag

In deze studie is onderzocht of het mogelijk was een machine learning model te ontwikkelen om politieregistraties in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) die betrekking hebben op cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit te classificeren. Met dat model is de omvang van deze online criminaliteit in de BVH-registratie van 2016 geschat. Tevens zijn de achtergrondkenmerken beschreven van bekende verdachten bij deze registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Het onderzoek richt zich op registraties van drie typen cybercriminaliteit (hacken, ransomware en DDoS-aanvallen) en vijf typen gedigitaliseerde criminaliteit (online bedreiging, online stalken, online smaad/laster/belediging, online identiteitsfraude en online aan- en verkoopfraude).

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat predictieve textmining (PTM) bruikbaar is om accuraat registraties als (één of meerdere van de acht) online delicten te classificeren. En onder voorwaarden is het ook mogelijk om binnen een 95%-betrouwbaarheidsinterval omvangschattingen te geven van de aantallen registraties betreffende cyber- en gedigitaliseerde delicten in de BVH-2016. Omdat strenge eisen moeten worden gesteld aan de precisie van het classificeren om achtergrondkenmerken van verdachten te kunnen beschrijven, bleek het model alleen registraties van hacken, ransomware en online aan- en verkoopfraude voldoende accuraat te kunnen classificeren. We verwachten dat het ontwikkelde ML-model bruikbaar kan zijn voor trendonderzoek, wel is daarvoor nader onderzoek nodig. Door te verwachten veranderingen in de verschijningsvorm van cybercriminaliteit en veranderingen in de (kwaliteit van de) registratiebron is het noodzakelijk het model voor andere jaren te updaten. Dat vraagt de nodige investeringen.

De werkwijze, methode en resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd. Daarnaast zal de bruikbaarheid van het ontwikkelde model en de omvangschattingen worden bediscussieerd.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

PTM en het ontwikkelde ML-model kan bruikbaar zijn als voorsorteer-tool om uit de BVH-registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit te halen.

19. Wanneer blaffende honden bijten. Een onderzoek naar de verschillen tussen fataal huiselijk geweld en huiselijk geweld zonder dodelijke afloop
Christine Boelema, junior onderzoeker, Institute for Security and Global Affairs, Universiteit Leiden

Jaarlijks zijn ongeveer 200.000 slachtoffers van huiselijk geweld te betreuren. In sommige gevallen loopt het fataal af: in Nederland vindt ongeveer 30 procent van alle moorden plaats in gezinsverband. Eerder huiselijk geweld vormt één van de belangrijkste voorspellers van fataal huiselijk geweld. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de risicofactoren die huiselijk geweld onderscheiden van fataal huiselijk geweld. Dergelijk onderzoek kan de politie in haar dagelijkse taken ondersteunen, omdat zij vaak de eerste responders zijn bij een melding van huiselijk geweld. Zo kan de politie geholpen worden bij het inschatten van de situatie en samen met Veilig Thuis interventies aanbieden ter voorkoming van een verdere escalatie van (mogelijk) fataal geweld, bij zowel partners als bij kinderen.

Het Institute of Security and Global Affairs, Universiteit Leiden, heeft een verdiepend dossieronderzoek gedaan naar geweld tegen partners en kinderen. Op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze is gekeken naar de risicofactoren dat huiselijk geweld van fataal huiselijk geweld onderscheidt. Deze dialoogsessie zal, op basis van de onderzoeksresultaten, een voorzet geven in de discussie naar het vinden van strategieën die kunnen bijdragen aan het voorkomen van fataal huiselijk geweld.

20. Betrokkenheid en verbondenheid in de integrale aanpak overlast en jeugdcriminaliteit
Anne van Uden, docent Universiteit Leiden
Jan Dirk de Jong, lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden
Marco den Dunnen, operationeel specialist A Politie eenheid Rotterdam

Tijdens deze dialoogsessie worden twee onderzoeken gepresenteerd: één vanuit het perspectief van de politie en één vanuit het perspectief van de jongeren.
Politie

Anne van Uden vertelt over de voorlopige resultaten van haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de politieaanpak van jeugdgroepen en de vraag wat daarin goed politiewerk is. Voor het onderzoek bestudeerde zij drie Nederlandse politieaanpakken. Uit het onderzoek blijkt dat de politie in haar werk rekening moet houden met meerdere waarden. Deze waarden en de verschillende manieren waarop de politie zich daar rekenschap van kan geven, vullen elkaar aan, maar staan tegelijkertijd op gespannen voet met elkaar. In dit complexe samenspel speelt het tonen van betrokkenheid door politiemensen een cruciale rol en in de presentatie wordt getoond hoe politiemensen dat doen.

Jongeren
Jan Dirk de Jong en Marco den Dunnen belichten juist het perspectief vanuit jongeren. Een jongere ‘van de straat’ bepaalt doorgaans snel: Heeft deze professional me gehoord? En is wat ik zei van betekenis voor hem of haar? De beleving van verbondenheid blijkt al jaren van cruciaal belang bij de aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit. In deze presentatie draait het om het onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden naar verbondenheid. De vraag is of een kwetsbare jongere het gevoel krijgt dat hij of zij echt wordt gezien, erbij hoort en ertoe doet. De essentie is of die beleving komt van positieve of negatieve krachten. Het kwantitatief meten daarvan is geheel nieuw en heeft veel praktische implicaties om de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit verder te helpen!

Wat betekenen de onderzoeken voor de toekomst van de politie?
Beide onderzoeken laten zien dat contact en de wijze waarop politiemensen met burgers omgaan een belangrijke rol spelen binnen het werk van de politie. Dat is relevant voor de politiepraktijk. Tevens bieden de onderzoeken aanknopingspunten voor de vraag hoe goed politiewerk ‘meetbaar’ kan worden gemaakt en kunnen de onderzoeksresultaten worden gebruikt om de kwaliteit van de werkrelatie met jeugd inzichtelijk te krijgen en daar beter op te sturen. Tot slot kan de politie de onderzoeksuitkomsten benutten voor de samenwerkingsrelatie met ketenpartners binnen de integrale aanpak, in het bijzonder in het sociale domein.

21. Doorvoer van cocaïne via Nederland
Irma Vermeulen en Wouter van der Leest, onderzoekers Afdeling Analyse en Onderzoek, Politie Landelijke Eenheid
Vanessa Dirksen, onderzoeker Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica

In opdracht van de portefeuillehouder drugs van de politie is onderzoek gedaan naar de doorvoer van cocaïne via Nederland. De import van cocaïne in Nederland is grotendeels in beeld, aangezien de opsporing in Nederland zich vooral op die import richt. De doorvoer van cocaïne via Nederland vormde echter een blinde vlek, en dat terwijl de hoofdmoot van de in Nederland ingevoerde cocaïne bestemd is voor de buitenlandse afzetmarkt. Een (integrale) aanpak is gebaat bij het kunnen verstoren van de hele criminele cocaïneketen en dus ook het kunnen verstoren van de doorvoer.

Het onderzoek heeft niet alleen de belangrijkste vormen van doorvoer en bestemmingen inzichtelijk gemaakt. Ook is meer inzicht verkregen in de werking van de cocaïnemarkt, de cruciale rol van de transporteur en van Nederland als distributiecentrum voor verschillende verdovende middelen.

Wat betekent je het voor de toekomst van de politie?
Het kan opsporingsonderzoeken context bieden, evenals context om te komen tot een integrale aanpak van (de ondermijnende werking van) de cocaïnehandel.

22. Ondersteunende technologie voor politie(vaardigheidstraining)
Randy Klaassen, Merijn Bruijnes en Dirk Heylen, onderzoekers Human Media Interaction Universiteit Twente
Robbert Rietveld Wunderink, Innovatie Inspirator, Directie Operatien Politie Staf Korpsleiding

Technologie kan opsporingsambtenaren op verschillende gebieden ondersteunen. In deze dialoogsessie bespreken we ontwikkelingen op het gebied van het toepassen van technologie in het opsporingsveld aan de hand van een aantal voorbeelden. Hierbij kan men denken aan het toepassen van spraakherkenningstechnologie waarmee het verhoor ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door het automatisch te transcriberen en doorzoekbaar te maken. Daarnaast bespreken wij toepassingen binnen het vaardigheidsonderhoud en de opleiding. Denk hierbij aan serious games waarmee politieagenten getraind kunnen worden in verhoorvaardigheden en virtual reality installaties waarmee geoefend kan worden met bijvoorbeeld reanimatie of het veiligstellen van materiaal en sporen. Tijdens de dialoogsessie kunnen de deelnemers zelf ervaring op doen met de huidige toepassingen die ontwikkeld worden binnen de vakgroep Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Tijdens de dialoogsessie nodigen we de deelnemers graag uit om samen te brainstormen waar soortgelijke toepassingen ingezet kunnen worden binnen de opsporingsdiensten.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het krijgen van een overzicht van technologieën en voorbeeld van ontwikkelingen die toepasbaar zijn binnen de opsporingsdiensten. Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot efficiëntere en betere opleiding, training en uitvoering van het opsporingswerk.

23. Vluchtelingen onder de loep: Risicotaxatie op basis van big data. Een onderzoek naar de waardengedreven en procesmatige achtergrond van risicotaxatietooling binnen het veiligheidsdomein
Jeffrey Seij, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam
Mieke Struik, analist Taskforce Vreemdelingen en Migratiecriminaliteit Politie

Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA)
De vluchtelingencrisis speelde de afgelopen jaren een bijzonder grote rol binnen de samenleving. Belangrijk hierbij was een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Risicoprofilering middels risicotaxatietooling zou dit positief kunnen beïnvloeden en vandaar ook dat men ging inzetten op dergelijke kansrijke technologische ontwikkelingen binnen de vreemdelingenketen. Dit heeft onder meer geresulteerd in de creatie van hetgeen hier in dit onderzoek onderzocht is: het Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA). Hiermee wordt in essentie beoogd om binnen de eerste fase van het asielproces de besluitvormers te ondersteunen door middels veel data een risico-inschatting te produceren betreffende onder meer de kwaadwillendheid en kwetsbaarheid van een vluchteling.

In relatie hiertoe zijn er veel invloedrijke aspecten die de beoogde technologische vooruitgang op instrumentniveau significant kunnen stagneren. Deze kunnen op basis van hun veronderstelde uitwerking worden gecategoriseerd in twee groepen. Ten eerste de waardengedreven inhoudskant, welke voornamelijk verwijst naar factoren die specifiek ingaan op de waarden die men toekent aan de gebruikte data en het model zelf. Daarnaast de procesmatige clusterkant, waartoe factoren behoren die gerelateerd zijn aan het proces van ontwikkeling.
Deze categorieën zijn van belang voor de centrale vraagstelling binnen dit onderzoek: ‘Welke waardengedreven en procesmatige factoren hebben invloed op de succesvolle ontwikkeling van risicotaxatietools binnen het veiligheidsdomein?’. In deze dialoogsessie presenteer ik samen met Mieke mijn bevindingen en ervaringen aan de hand van het onderstaande conceptuele model. Daarnaast gaan wij graag met de aanwezigen in gesprek over hun visie omtrent een datagedreven Nationale Politie en de rol van risicotaxatietooling hierbinnen.
‘Datagedreven politiewerk zal de toekomst van de Nationale Politie dicteren’

Vanwege de bedreigende risico’s van jihadisten die meereizen met vluchtelingenstromen, is een efficiënte, effectieve en verantwoorde omgang van vluchtelingen bovenmatig van belang. Datagedrevenheid gaat hierbij een steeds grotere rol spelen en dit is dan ook direct één van de redenen waarom dit onderzoek relevant is voor de toekomst van de Nationale Politie. Er wordt namelijk op landelijk niveau bijzonder hard ingezet op het werken met grote hoeveelheden data en de daarop gebaseerde profilering. In relatie hiertoe geven diverse gerenommeerde onderzoekers zelfs aan dat als deze ontwikkelingen competent en coherent worden doorgezet, dit de toekomstige rol van politiewerk zal dicteren.

Daarnaast is er middels dit onderzoek beoogd om de maatschappelijke discussie aangaande het toenemende gebruik van big data en de hierop gebaseerde handelingen te voeden. Hiermee wordt onder meer gedoeld op het spanningsveld tussen veiligheid aan de ene kant en privacy tezamen met ethiek aan de andere kant. Ondanks dat dit wel in het achterhoofd van veel mensen speelt, krijgt dit thema relatief weinig aandacht waardoor duidelijke grenzen ontbreken en het thema zich in een grijs gebied blijft verkeren. Dit is nadelig voor de Nationale Politie, maar ook voor de samenleving als geheel.

24. Een efficiëntere noodhulpfunctie, het is mogelijk!
Astrid Scholtens, onderzoeker Crisislab
Ira Helsloot, hoogleraar Crisislab

Regelmatig zijn er signalen dat de politiecapaciteit te beperkt is om al het politiewerk uit te voeren. De wissel die de noodhulp (spoedeisende meldingen) op die capaciteit trekt zou een belangrijke oorzaak zijn. Samen met vier basisteams heeft Crisislab in opdracht van Politie en Wetenschap daarom drie experimentele werkwijzen voor de noodhulpfunctie ontwikkeld die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.

De werkwijzen zijn een uitwerking van een van twee hoofdrichtingen. De eerste hoofdrichting is om noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede is het opheffen van de specifieke noodhulp suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris.

De werkwijzen zijn in drie basisteams (tijdelijk) geïmplementeerd en aan de hand van een nul- en éénmeting op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.
Een eerste conclusie is dat momenteel politieleidinggevenden niet in staat lijken werkelijk sturing te geven om hun medewerkers aan te sturen zodat de eerste hoofdrichting weinig kansrijk is.
Het opheffen van de noodhulp suborganisatie blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Het blijkt dan overigens ook dat er momenteel niet genoeg zinvol werk kan worden gegenereerd om alle uitvoerende politiefunctionarissen aan het werk te houden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Zoals gezegd leidt het afschaffen van de noodhulp tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk.

Om definitief over te (kunnen) gaan tot het afschaffen van de noodhulp is binnen de politie een paradigmashift nodig. Om dit kans van slagen te geven is een belangrijke taak voor de (team)leiding weggelegd. Maar … is de politie daartoe wel in staat?

25. Shishalounges: de problematiek en de aanpak
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

26. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over WhatsAppgroepen
Ronald van Steden, universitair hoofddocent Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Shanna Mehlbaum, zelfstandig onderzoeker Mehlbaum Onderzoek Sherwin Tjin-Asjoe, teamchef, Politie eenheid Noord-Holland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan alledaagse inbraken die veel impact op het veiligheidsgevoel van mensen hebben en hen daarom verenigen in WhatsApp-preventiegroepen. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.

Ronald van Steden en Shanna Mehlbaum concluderen op basis van hun recente onderzoek dat WhatsApp-preventiegroepen goed zijn voor de sociale cohesie in de buurt, maar dat je er nauwelijks boeven mee vangt. Politie en gemeenten hebben wel baat bij dergelijke groepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van de politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting, te voorkomen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals zichzelf organiserende burgers om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn. Mehlbaum Onderzoek voert projecten uit voor onder andere gemeenten, politie en wetenschap, provincies en universiteiten.

27. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over polarisatie
Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Ronald Zwarter, lid eenheidsleiding Politie eenheid Noord-Nederland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan polarisatie dat tot spanningen, segregatie en conflicten tussen bevolkingsgroepen kan leiden. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Jacquelien van Stekelenburg en Ronald Zwarter gaan in op processen van polarisatie. Het begrip polarisatie wordt in het huidig tijdsgewricht veel gebezigd, maar wat verstaan we precies onder polarisatie, welke mechanismen en processen liggen er aan ten grondslag, wat is de invloed van geopolitieke spanningen en hoe kunnen we hier in de samenleving en organisaties mee omgaan? Dit zijn allemaal onbeantwoorde vragen met grote relevantie voor de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals polarisatie om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn.

28. De mogelijkheden van netwerkprofilering op individueel niveau
Lydia ter Haar, docent-onderzoeker Politieacademie
Marlies van den Berg, FSNA praktijkonderzoeker FPC Dr. S. van Mesdag

Binnen de forensische psychiatrie is er groeiende aandacht voor persoonlijke netwerkbenaderingen. Door aandacht te hebben voor het relationele verhaal (narratief) van de forensisch psychiatrische patiënt en zijn netwerk krijgt het behandelteam meer inzicht in cruciale netwerkfactoren die het behandelsucces en de resocialisatiemogelijkheden van de patiënt beïnvloeden. Het onderhavig promotieonderzoek beschrijft een Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA) benadering. Deze benadering is gebaseerd op inzichten vanuit de risicotaxatie en –management literatuur gecombineerd met inzichten vanuit de wetenschappelijke discipline Sociale Netwerk Analyse (SNA) en gerelateerde netwerktheorieën. Binnen een FSNA onderzoek wordt het netwerk van de patiënt beschreven en geanalyseerd ten tijde van de delictperiode en gedurende de behandeling. Daarnaast worden verwachtingen in kaart gebracht over de netwerksituatie bij een eventuele terugkeer van de patiënt in de samenleving. Voor het verzamelen van de netwerkgegevens is het FSNA-interview ontwikkeld. De patiënt en meerdere geselecteerde netwerkleden worden geïnterviewd. Er is bijvoorbeeld gedetailleerde informatie nodig over of en op welke manier het netwerk van de patiënt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het delict. Bovendien is het belangrijk te weten of de mensen die ten tijde van het delict een rol in het leven van de patiënt speelden, nu nog steeds een rol vervullen in het netwerk.

In het promotieonderzoek is op casusniveau onderzocht in hoeverre netwerkkenmerken in de loop ter tijd veranderen en in hoeverre deze eventuele veranderingen als beschermend of risicovol voor toekomstig risicovol gedrag kunnen worden gezien.

Tijdens de dialoogsessie wordt aan de hand van een praktijkcasus de belangrijkste onderliggende theoretische en praktische concepten van de FSNA benadering uitgelegd. Wij willen samen met de deelnemers brainstormen over hoe een dergelijke benadering een bijdrage kan leveren binnen de politie. In de afgelopen jaren is de FSNA al in enigszins aangepaste vorm toegepast bij meerdere cold case onderzoeken, maar waar liggen nog meer kansen?

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De toepassing van sociale netwerk analyse op individueel niveau staat in de forensische praktijk nog in de kinderschoenen. Dit staat op gespannen voet met de bestaande inzichten dat bij het bestuderen van crimineel gedrag de analyse van sociale relaties van groot belang is. Een samenwerking tussen onderzoekers van verschillende forensische domeinen – zoals samenwerking tussen de politie en forensisch psychiatrische centra – is van toegevoegde waarde om dit onderzoeksdomein verder te ontwikkelen.

29. Beter geïnformeerd oordelen in lastige situaties
Teresa Cardoso Ribeiro, strategisch adviseur en leiderschapstrainer bij de Universiteit Leiden / L&D, Publidox advies, training en strategisch management
Michel Bravo, hoofd Strategie DG Pol, Ministerie van Justitie en Veiligheid

De methode die wij in de dialoogsessie kunnen aanreiken, nodigt uit om meer ‘hands on’ gebruik te maken van het beschikbare onderzoek dat duiding geeft aan en verklaringen biedt voor lastige vraagstukken waar de politie mee te maken heeft. Het creëert urgentie om naar onderzoek op zoek te gaan. Daarmee is het juist gericht op het helpen integreren van de doelstelling van de conferentie in het dagelijks werk. Het laat deelnemers zelf ervaren waarom het van meerwaarde is voor hun werk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Als je de werkwijze van de dialoogsessie breed inzet binnen de politieorganisatie, dan kun je het ook als onderzoekstool gebruiken om te inventariseren waar de behoefte aan versterking zit bij de professionals van de politie die onderzoek/evidence willen benutten bij hun werk. Dit kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met het hebben/bouwen aan een relevant kennisnetwerk. Op basis daarvan kun je hen vervolgens gericht ondersteunen.

30. Onderzoek naar sociale netwerken die zich uiten over geweldsaanwending door de politie en hun associaties daarbij
Kevin Willemsen, onderzoeker EMMA | Experts in Media en Maatschappij & Communicatie Politie
Rianne de Vries, adviseur communicatieonderzoek, Dienst Communicatie Politie

EMMA | Experts in Media en Maatschappij heeft voor de politie een analyse gemaakt van sociale netwerken die zich roeren rondom het thema ‘geweldsaanwending door de politie’. Tevens is in kaart gebracht welke associaties ze bij dit thema hebben. De analyses zijn uitgevoerd in opdracht van de politie.

De analyse laat zien dat er sprake is van verschillende ‘kampen’ in de online berichtgeving (in dit geval geanalyseerd op Facebook). Er zijn kampen die zich verzamelen rondom accounts van de politie en het gebruik van geweld over het algemeen steunen. Daarentegen zijn er ook groepen mensen die geweldsaanwending zien als een teken van etnisch profileren of discriminatie. Deze groepen kijken elk heel anders aan tegen nieuws over de politie. Er is binnen deze groepen veel contact, maar tussen deze groepen veel minder.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De resultaten van het onderzoek geven de politie inzicht in hoe haar communicatie effectief kan worden gericht op de informatiebehoefte van verschillende groepen in de samenleving. Sommige netwerken zijn makkelijker te bereiken dan andere en daar moet een verschillende toon voor worden aangeslagen. Bovendien levert de methode op zichzelf inzicht in de dynamiek die zich voordoet op sociale media met het oog op voor de politie relevante thema’s. Het onderzoek vestigt tevens aandacht op slimme data-combinaties om publiekscommunicatie te versterken.

31. Communicative Policing in een nieuwe wereld
Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid, Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid, Hogeschool Inholland
Hans Moors, directeur EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jaco van Hoorn, directeur Operatiën, Staf Korpsleiding Politie

Het is de hoogste tijd dat de politie zich beweegt van community policing naar communicative policing, zo stelde Innes (2002) al in het begin van deze eeuw. Dat advies lijkt sindsdien alleen maar in belang te hebben gewonnen: door de social media revolutie die zich sindsdien voltrok, maar ook door de – deels daarmee samenhangende – veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat. Beelden lijken steeds belangrijker te worden dan feiten. En het lijken vooral die beelden te zijn die politieke en maatschappelijke impact hebben. Hoe acteert de politie daarin? In hoeverre stuurt de politie ook op dergelijke beelden? Is de politie zich daarbij voldoende bewust van de effecten? In hoeverre gebruiken politie (en politiebonden!) dergelijke beelden ook als middel in het vraagstuk van ‘probleemdefinitie’, het vraagstuk dat volgens Beck (2018) een sleutelrol speelt in de kosmopolitische risicosamenleving? Blijft het leidend motto ‘waakzaam en dienstbaar aan de kernwaarden van de rechtsstaat’ daarbij onverkort overeind? De bijdrage is gebaseerd op een combinatie van onderzoeken, waaronder het lopende promotieonderzoek Public Reactions to Crime, een analyse van de communicatie over de jaarwisseling 2018/2019, lopend onderzoek naar Digitale Buurtpreventie in Rotterdam en het onderzoek Effecten van de communicatie rond de aanpak van woninginbraken (Eysink Smeets et al, 2017).

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie? Scherper bewustzijn van de gewilde en ongewilde doorwerking van politiecommunicatie, zowel op strategisch als uitvoerend niveau.

32. Vingersporen, de bron en verder
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

33. Hoger opgeleiden binnen de politie: Luctor et emergo
Teun Meurs, promotieonderzoeker Hogeschool Arnhem Nijmegen / docent Politieacademie
Daffney Dekker, operationeel specialist B Politie eenheid Midden-Nederland

Deze dialoogsessie gaat over mijn promotieonderzoek naar de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Samen met participant Daffney Dekker bespreek ik ten eerste de worsteling van studenten en afgestudeerde bachelors binnen de recherche- en basisteams op het gebied van hun positie, identiteit en handelingsperspectief. Hiertoe worden de ervaringen van Daffney en andere participanten geduid met behulp van het bestuurskundig concept ‘hybride professionaliteit’. Ten tweede zoomen we – wederom aan de hand van Daffney’s ervaringen – in op de wijze waarop hoger opgeleiden gaandeweg grip krijgen op hun hybride positie, identiteit en handelingsperspectief. Met betrekking tot het laatste presenteren we tenslotte het concept ‘Actieonderzoekend Vermogen als politiespecifieke variant van het – in het HBO – invloedrijke perspectief van ‘Onderzoekend Vermogen’. Hiermee bieden we een handelingsperspectief dat hoger opgeleiden en hybride professionals meer houvast kan geven bij het invullen van hun verbindende rol binnen de beroepsuitoefening.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek draagt ten eerste bij aan het beter begrijpen van de beoogde meerwaarde en de belangrijkste uitdagingen van hoger opgeleide professionals binnen de politie. Dit kan worden gebruikt door hoger opgeleiden zelf om hun verbindende rol betekenisvol in te vullen. Ook kan het worden gebruikt door leidinggevenden om hoger opgeleiden gericht te coachen en door het onderwijs om hoger opgeleiden te scholen en beter voor te bereiden op hun taak.

34. Bewegen in opsporen
Wouter Landman, onderzoeker en adviseur Twynstra Gudde
Roderik Kouwenhoven, onderzoeker en adviseur Roderik Kouwenhoven Consultancy

Tijdens deze dialoogsessie geven wij inzicht in de (dan nog niet gepubliceerde) inzichten van anderhalf jaar actieonderzoek binnen de opsporing in opdracht van Politie en Wetenschap. We presenteren deze inzichten in de vorm van patronen in de manier van werken, organiseren en veranderen die de ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing belemmeren dan wel bevorderen. Hierbij kan worden gedacht aan een (belemmerend) patroon als een ‘straatperspectief op de opsporing’ (werkpatroon) of het ‘fragmenteren van werksystemen’ en aan bevorderende patronen als ‘meervoudig sturen’ en ‘diepgaand veranderen’. We lichten de werking van de patronen toe en illustreren deze met voorbeelden uit de praktijk. De deelnemer krijgt een raamwerk van patronen aangereikt waarmee naar de eigen opsporingspraktijk kan worden gekeken. De bevorderende patronen bieden handelingsperspectief om de eigen praktijk te ontwikkelen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing is een van de belangrijkste prioriteiten van de huidige korpsleiding. Hoewel er tegenwoordig veel nadruk ligt op de rol die technologie hierbij kan spelen, is het ook essentieel om inzicht te hebben in de organisatiepatronen die belemmeren of helpen bij het vernieuwen van de opsporing. Ons onderzoek draagt bij aan dit inzicht en kan daarom hopelijk bijdragen aan de toekomst van de politie.

[slideshare id=140312265&doc=overzicht-dialoogsessies-conferentie-090419-190410135148&type=d]

Bron: Conferentie politieonderzoek

Zorgen om buurtwachten en burgeropsporing: ?Voor eigen rechter spelen ligt op de loer?

Burgers die de politie helpen via appgroepen en buurtpreventieteams gaan daarin soms te ver, blijkt uit onderzoek. Zo zouden burgers zelf tot opsporing overgaan en is er sprake van discriminatie tegenover jongeren en mensen met een migratieachtergrond.

Onderzoekers van het onafhankelijke programma Politie en Wetenschap concluderen dat de hulp van burgers in bepaalde vormen effectief kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor diefstal en inbraakpreventie. Maar ze zien ook gebreken in de groeiende sociale controle van actieve bewoners, die concurreert met het toezicht van de politie.

Zelf opsporen
Aan de hand van interviews en buurtapp-communicatie blijkt dat burgers soms onrechtmatig handelen. Onrechtmatigheden, zoals beschreven in het onderzoek, als ‘actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden.’


Volgens Vasco Lub van Politie en Wetenschap zou de politie meer betrokken moeten zijn om burgerhulp soepeler te laten verlopen. “De verhouding tussen de politie en de burger is niet goed ingekaderd. Er is een risico dat burgers zich miskend voelen en zelf ingrijpen en een opsporing opzetten. Dat is niet de bedoeling. Je mag als burger niet voor politieagent spelen.”

Beter begeleiden
De politie zou burgers die hen proberen te helpen beter moeten begeleiden, zegt Vasco Lub. “Het is makkelijk gezegd om burgers in te zetten, maar burgergroepen beginnen steeds meer zelf te doen: opsporing, patrouilleren zonder dat de politie het weet en voertuigcontrole.” Hij vraagt zich af of dit wenselijk is.

In een reactie laat de politie weten dat zij burgerparticipatie in veiligheidsvraagstukken zien ‘als een belangrijke en positieve ontwikkeling in de samenleving.’ De politie zegt te willen voorkomen dat ‘burgers andere burgers daarbij in hun vrijheden beperken of schade berokkenen’.

Volgens de politie zijn veel burgerinitiatieven relatief nieuw, waardoor de spelregels duidelijk opgesteld moeten worden. Dit gaat om kwesties als de privacyregels die burgers moeten respecteren en ervoor zorgen dat bewijs dat burgers verkrijgen bruikbaar is. “We zijn als politie een landelijk project gestart om via lokale experimenten adviezen en spelregels op te stellen om de samenwerking tussen burgers en de politie in de opsporing te versterken.”

Bronnen: EenVandaag, RTL Nieuws, Hart van Nederland, AD. Nu.nl

Politie en actief burgerschap: een veilig verbond? Onderzoek naar samenwerking, controle en (neven)effecten

De politie werkt steeds vaker samen met burgers op het terrein van veiligheid, toezicht en openbare orde, maar dit heeft niet alleen maar positieve effecten. De ruimte die burgers claimen ? bijvoorbeeld via buurtpreventieteams en app-groepen ? kan leiden tot onrechtmatigheden en risico?s voor niet-actieve burgers. Dit blijkt uit een uitgebreid etnografisch onderzoek van socioloog Vasco Lub en criminoloog Tom de Leeuw. In het onderzoek zijn voor het eerst ook app-data tussen politie en burgers geanalyseerd.

Het onderzoek vond plaats in veilige en onveilige wijken in verschillende gemeenten aan de hand van observaties, interviews en analyse van buurtapp-communicatie. Het laat diverse vormen zien van effectieve samenwerking, bijvoorbeeld op het terrein van heling-aanpak, diefstal en inbraakpreventie. Maar het illustreert tegelijk dat de politie nog vaak op afstand opereert van actieve burgers. De politie is nog vooral gericht op urgente meldingen van actieve burgers, waardoor minder urgente maar waardevolle informatie, over bijvoorbeeld minder zichtbare ondermijnende criminaliteit, onbenut blijft.

Door de ruimte die actieve bewoners claimen ?n krijgen, wordt de sociale controle van burgers op straat bovendien steeds concurrerender ten opzichte van het toezicht van de politie. Het onderzoek laat zien dat dit tot onrechtmatigheden kan leiden, bijvoorbeeld actieve burgers die zelf tot opsporing overgaan, die jongeren of personen met een migratieachtergrond discrimineren of verdachte personen staande houden. De politie is wettelijk bevoegd voor taken rond opsporing, toezicht en handhaving, wordt geacht onpartijdig te zijn, en valt onder de controle van de overheid. Burgers hebben die bevoegdheden niet en handelen ? bewust of onbewust ? regelmatig ook uit eigen belang.

Als aanbeveling formuleren de onderzoekers dat de politie in de praktijk meer betrokken moet zijn om actief burgerschap op het terrein van veiligheid in goede banen te leiden (niet verslappen of verstoppen). Verder kan de politie zich in onveilige wijken beter richten op haar kerntaken dan op het werven van nieuwe vrijwilligers. Ook kan zij meer gebruik maken van burgerfora om aan gedeelde referentiekaders te werken en het informatiebeheer van digitale communicatiekanalen met burgers zoals buurtapps moet verbeteren.

[slideshare id=127772405&doc=politieenactiefburgerschap-190111150341&type=d]

Bronnen: Politie en Wetenschap, Nu.nl