Tagarchief: politie

Politievrijwilligers in de opsporing

Politievrijwilligers in de opsporing: Over de wijze waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zij bij zoekzaken

Auteur: Koen Matheeuwsen

De opsporing heeft anno 2018 te kampen met een zogenaamde ‘effectiviteitscrisis’. Uitgangspunt van deze crisis is dat er slechts minder dan 1 op de 4 geregistreerde misdrijven wordt opgelost. Gesteld wordt dat burgers een belangrijke rol kunnen spelen in het opvijzelen van deze minimale cijfers. Burgers zijn immers de belangrijkste succesfactor voor effectief en efficiënt opsporen.
Politievrijwilligers betreffen burgers die zich zowel binnen de politieorganisatie als de burgermaatschappij bevinden. Uit onderzoek is gebleken dat politievrijwilligers over het algemeen
hoog opgeleid zijn en dat er door de politie niet of onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de kennis en expertise die vrijwilligers meenemen vanuit hun betaalde functies. Vanuit deze hoedanigheid hebben politievrijwilligers de potentie interessant te zijn voor problemen die in de opsporing op specialistische terreinen spelen.

Dit gegeven wordt ingezien binnen het programma ‘herijking opsporing’, dat zich bezig houdt met het verhogen van de kwaliteit binnen de opsporing. Voor de politie-eenheid Midden-Nederland is
Margriet Algera de kartrekker van dit programma. Zij wilde dat er onderzoek gedaan werd naar de wijze(n) waarop politievrijwilligers van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland. Hiertoe staat in onderhavige studie deze onderzoeksvraag centraal:

Op welke wijze(n) kunnen politievrijwilligers van meerwaarde zijn voor de opsporing binnen de politie-eenheid Midden-Nederland?

Ter beantwoording van de onderzoeksvraag zijn interviews afgenomen onder politievrijwilligers en leidinggevenden van de opsporing in de politie-eenheid Midden-Nederland. Hierbij stond centraal over welke meerwaarde(n) politievrijwilligers überhaupt beschikken, op welke wijze(n) zij ingezet kunnen worden ten aanzien van hun meerwaarde(n) en welke kansen, valkuilen en randvoorwaarden aan deze inzet verbonden zijn. Deze kansen, valkuilen en randvoorwaarden zijn ook besproken in een interview met een expert op het gebied van de inzet van politievrijwilligers binnen de opsporing. Ten behoeve van deze studie stonden zoekzaken centraal. Op basis van de interviews kan gesteld worden dat iedere politievrijwilliger ‘extra handjes’ kan leveren binnen de opsporing. Door deze ‘extra handjes’ kan de capaciteit van de opsporing vergroot worden. Dit kan worden beschouwd als een kwantitatieve meerwaarde.

Daarnaast beschikken politievrijwilligers over (de navolgende) kwalitatieve meerwaarden. Zo beschikt de politievrijwilliger over, al dan niet specialistische, kennis en ervaring. Deze kennis en
ervaring kan van meerwaarde zijn voor de opsporing. Hiermee kan immers het pallet van kennis en ervaring van de opsporingsorganisatie uitgebreid worden. Dit kan zaaksinhoudelijk of procesmatig nieuwe inzichten voor de opsporing opleveren.

Er bestaat een gerede kans dat politievrijwilligers over competenties beschikken die van meerwaarde kunnen zijn voor de opsporing. Binnen deze competenties kan een onderscheid gemaakt
worden tussen vaardigheden die raken aan de professionele beroepsomgeving van politievrijwilligers en meer algemene vaardigheden en eigenschappen.

Uit de interviews is gebleken dat de politievrijwilligers inhoudelijk beschikken over zeer verschillende netwerken. Al deze netwerken kunnen door hun expliciete kennis en ervaring, via de
politievrijwilligers, het pallet van kennis binnen de opsporing eveneens vergroten. Politievrijwilligers beschikken over een frisse blik en in mindere mate ook over creativiteit en innovatieve vermogens. Deze aspecten kunnen van meerwaarde zijn voor de opsporing. Vanuit zaaksinhoudelijk oogpunt kunnen deze aspecten tot nieuwe of andere inzichten binnen zaken leiden.
Procesmatig gezien kunnen deze aspecten leiden tot een effectievere en/of efficiëntere herziening van de opsporingsinstrumenten en –methoden.

Ten aanzien van bovengenoemde meerwaarden kunnen politievrijwilligers in de rol van (assistent-)rechercheur of in de rol van adviseur binnen de opsporing ingezet worden. In de rol van
(assistent-)rechercheur werken politievrijwilligers inhoudelijk aan een zaak mee. Al de genoemde meerwaarden zouden in deze rol tot uiting kunnen komen. In de adviseursrol adviseren politievrijwilligers onderzoeksteams, al dan niet vanuit kennis- en ervaringsachtergrond, in bepaalde zaken. Hierbij komen eveneens, met uitzondering van de ‘extra handjes’, alle meerwaarden tot uiting.

De inzet van politievrijwilligers in de gestelde rollen zou genoemde meerwaarden als kansen voor de opsporing kunnen opleveren, wat vervolgens tot een effectievere en efficiëntere opsporing kan leiden. Een inzet als (assistent-)rechercheur stuit echter op een aantal praktische valkuilen. De belangrijkste valkuil is dat politievrijwilligers slechts beperkt beschikbaar zijn voor de opsporing. Dit
zorgt voor een ongewenste vertraging in de voortgang van zaken. Deze valkuil geldt niet voor de inzet van politievrijwilligers in de rol van adviseur. Het onderzoek blijft immers voortgang houden indien de politievrijwilliger als adviseur wordt ingezet.

Geconcludeerd kan worden dat de meerwaarden van politievrijwilligers het meest effectief tot hun recht komen in de rol van adviseur. Om deze reden wordt aanbevolen om politievrijwilligers in een rol als adviseur binnen de opsporing in te zetten. Hiertoe dient van alle politievrijwilligers helder te zijn welke opleidings- en werkachtergrond zij hebben. Deze achtergronden dienen in een database geregistreerd te worden. Onderzoeksteams kunnen in gevallen dat zij verlegen zitten om bepaalde kennis, deze database ter hand nemen en vervolgens een beroep doen op een politievrijwilliger met specifieke kennis en ervaring. Tevens bestaat er een mogelijkheid om als opsporing politievrijwilligers breed over (specialistische) problemen binnen de opsporing te bevragen. Hiervoor is instemming van de politievrijwilligers benodigd.

Lees of download hier het gehele rapport:

[slideshare id=238425304&doc=politievrijwilligersin-200909070850&type=d]

Bronnen: Politieacademie

Ben je altijd een held als je de politie helpt?

Burgers gedragen zich vaak – gevraagd of ongevraagd – als politieagent of rechercheur en helpen bij opsporingen met tips, getuigenissen en bewijs. Een goede zaak, maar er kunnen hierbij ook gevaarlijke situaties ontstaan. Sven Brinkhoff stelt in zijn minicollege aan de orde waar de grens voor burgers ligt en wanneer hun taak volbracht is.

Mr. Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent Strafrecht, verbonden aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen hield op woensdag 26 juni 2019 om 16.00 uur het perroncollege ‘Ben je altijd een held als je de politie helpt?’ op Centraal Station Rotterdam. Dit live college vond plaats in het kader van de tweede ronde van de perroncolleges van de Open Universiteit.

Het komt steeds vaker voor, burgers die zich opwerpen als een soort Sherlock Holmes voor de politie. Buurten die hun eigen wijk bewaken, wandelaars op zoek naar slachtoffers van geweld en winkeliers die dieven met portret op Facebook posten. Burgeropsporing ontstaat vanuit alle hoeken van de samenleving. Maar waardoor ontstaat deze beweging eigenlijk? Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht aan de Open Universiteit, vertelt in dit college over het nut, de risico’s en de noodzaak van helpende burgers.

‘De opkomst van burgerparticipatie op het gebied van strafrecht komt deels voort uit onvrede met het feit dat de politie te weinig capaciteit heeft om alle zaken in behandeling te nemen. Gebeurtenissen zoals fietsendiefstal en inbraken, maar ook complexere zaken waarin weinig aanwijzingen zijn, blijven daardoor vaak op de plank liggen. En daarnaast kan de officier van justitie gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel: hij hoeft niet elke zaak die aangebracht wordt te vervolgen.’

Citizen Science als hulpmiddel voor politie

Aan de andere kant maakt de politie al van oudsher gebruik van tips en getuigenissen om criminelen te achterhalen. Wanneer je getuige bent van een incident dat niet in de haak is, ben je zelfs verplicht dit te melden bij de politie. ‘Daar draait de grote bulk op. Natuurlijk heeft de politie ook andere middelen om bewijs te verzamelen, zoals het afluisteren van telefoongesprekken, maar in het strafrecht is er meestal een slachtoffer waardoor getuigenissen en tips heel belangrijk zijn. Denk maar aan een programma als Opsporing verzocht.’ De laatste jaren neemt Citizen Science een ware vlucht. ‘Wetenschappers doen steeds vaker een beroep op burgers bij hun onderzoeksprojecten – denk aan digitalisering van archieven, het in kaart brengen van dialecten, bodemdiertjes tellen of gegevens over fijnstof verzamelen. In opsporing van strafbare feiten vragen we nu ook veel meer aan burgers, bijvoorbeeld om expertise die de politie soms zelf niet heeft, onder andere bij het opsporen van internetcriminaliteit. Of om extra capaciteit te realiseren wanneer dit nodig is, zoals bij grootschalige zoekacties.’ Een goed voorbeeld hiervan is Burgernet, dat via sms signalementen van gezochte personen of auto’s naar deelnemende burgers stuurt. ‘De nieuwe Mijn onderzoek app, waar vanaf juni mee geëxperimenteerd wordt, stelt burgers zelfs in staat om bewijs te verzamelen, met informatie over hoe je dit het beste kan doen.’

Zelf op zoek

Veelal ontstaat burgeropsporing echter op eigen houtje door burgers die geraakt zijn door een misdaad, of wanneer ze een delict willen voorkomen of oplossen. ‘Bijvoorbeeld in de vorm van buurtapps om de wijk veilig te houden. Of met social media: door een foto van een winkeldief te posten op Facebook in de hoop de dader te identificeren,’ vertelt Brinkhoff. ‘Daarnaast zijn er privédetectives die worden ingehuurd om een zaak op te lossen en initiatieven als Bellingcat, een digitaal collectief dat voorop liep in de onthullingen rondom de MH17. Zij kunnen samenwerken met overheden, maar onderzoeken veelal zaken op eigen initiatief vanuit hun expertise.’

Betrouwbaar bewijsmateriaal

Burgeropsporing kan de politie waardevolle informatie opleveren, maar er kleven ook risico’s aan. ‘Doordat burgers geen opleiding hebben gehad om bewijs te verzamelen bestaat de kans dat zij dit beschadigen, denk aan het besmetten van sporenmateriaal. Of dat ze het niet op de juiste manier verkrijgen; bijvoorbeeld door uitlokking. Denk maar aan het YouTubekanaal Pedojagers, waarbij burgers probeerden pedofielen te lokken en op heterdaad te betrappen. Daar maakt een advocaat in de rechtszaal gehakt van.’ De vraag is dan ook in hoeverre bewijsmateriaal van burgers uiteindelijk wordt toegelaten door de rechter. Wordt dit bewijs wel betrouwbaar geacht? Aan de andere kant maakt de politie soms dankbaar gebruik van dit materiaal om een dader te achterhalen. ‘Omdat burgers zich niet aan allerlei richtlijnen hoeven te houden, wordt er bijvoorbeeld makkelijker DNA-materiaal van mogelijke daders verkregen. Het is wel zo dat de politie dit alleen mag gebruiken als zij er geen weet van heeft; als zij de burger er niet toe heeft aangezet om op die manier informatie te verzamelen.’

Eigen rechter spelen

Veruit het grootste risico is dat van burgers die eigen rechter spelen. ‘Wanneer een burger meewerkt en bewijsmateriaal verzamelt, dan moet de politie dit natuurlijk wel serieus oppakken. Doet zij dat niet, dan bestaat de kans dat er nog meer onvrede ontstaat en kan de burger ervoor kiezen om het recht in eigen hand te nemen. En dat kan weer tot geweld leiden. Voorbeeld hiervan is een zaak waarin een vader ontdekt dat zijn dochter gegroomd wordt en hij de dader vervolgens bewerkt met een knuppel. Of een zaak uit Venlo, waarbij een vader en zijn zoons een gezin bijna doodsloegen omdat ze dachten dat een van hen was betrokken bij een inbraak.’ Maar ook kleinere vergrijpen als naming en shaming op social media vallen hieronder. ‘Het is dan aan de politie om deze ‘eigen rechters’ terug te fluiten of te vervolgen, zoals in de zaak van Willeke Dost is gebeurd waarbij een burger werd vastgezet voor opruiing. Het strafrecht biedt regels om burgers te beschermen. Bij eigenrichting, het recht in eigen hand nemen, zijn die er echter niet. Je loopt de kans bedreigd te worden of erger. Wanneer we allemaal rechter gaan spelen gaan we feitelijk terug naar de middeleeuwen, toen er nog geen politie was.’

Wat mag dan wél en wat mag niet?

Er ligt bij de overheid een belangrijke taak om burgers voor te lichten over de kaders van burgerparticipatie in het strafrecht. Stel, je betrapt een winkeldief, wat mag je dan doen? ‘In het wetboek van strafrecht is er weinig vastgelegd over wat burgers mogen doen, maar zij hebben in ieder geval het recht van ‘aanhouden op heterdaad’ en ‘zelfverdediging bij noodweer’. Je mag bijvoorbeeld iemand die je ziet stelen aanhouden en deze persoon vasthouden tot de politie er is. Rent de winkeldief weg, dan mag je hem niet zomaar neerslaan. Je mag hem wel tegenhouden. Pas wanneer jij vervolgens wordt aangevallen, mag je jezelf verdedigen. Dan is het noodweer. Maar je mag geen excessief geweld gebruiken. Of daar sprake van is wordt naderhand pas beoordeeld door de rechter.’ En opnames maken, mag dat? ‘Ja, dat mag. Je mag ze natuurlijk niet op Facebook zetten, maar wel naar de politie sturen. In de zaak Holleeder, waarin zus Astrid in het geheim opnamen maakte van de gesprekken met haar broer Willem, kan dit soort bewijs mogelijk wel worden toegelaten.’

Leer meer over burgeropsporing

In dit college heb je meer geleerd over het nut en de noodzaak van burgerhulp bij het oplossen van misdrijven. Er wordt gebruik gemaakt van Citizen Science om verdachten op het spoor te komen, door getuigenissen en tips, of door bewijs te verzamelen en aan te reiken. Ook vanuit de burger zelf wordt er steeds meer actie ondernomen, van kleinschalige zoektochten tot grote opsporingsinitiatieven. Tegen de voordelen van burgeropsporing moeten ook de risico’s afgezet worden. Bijvoorbeeld het beschadigen van bewijs of eigen rechter spelen. Het is belangrijk dat de overheid investeert in goede voorlichting en dat eigenrichting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hoewel de politie niet kan zónder hulp van burgers, ben je dus niet altijd een held als je helpt bij opsporing.

Over de perroncolleges

Om haar wetenschappelijke kennis te delen heeft de Open Universiteit gratis mini ‘perroncolleges’ ontwikkeld. Op digitale schermen op de perrons van grote stations in Nederland worden video-animaties getoond die prikkelende, actuele (wetenschappelijke) vragen behandelen. Vragen afkomstig uit onze samenleving. Wie wordt niet geconfronteerd met foto’s op social media? Of met de plastic verpakkingen van etenswaren? Wellicht ben je ook wel eens door collega’s buitengesloten op het werk. De Open Universiteit doet onderzoek naar deze vraagstukken en neemt de reiziger in het perroncollege mee in het probleem en de zoektocht naar oplossingen.

De campagne ‘Perroncollege’ is in mei 2019 uitgeroepen tot de beste creatieve Digital Out-of-Home uitvoering tijdens de FEPE International Annual Awards 2019 in Dubai voor beste Creative Digital Execution.

Bron: Open Universiteit

Politie en OM lanceren app voor burgeronderzoek

De politie en het Openbaar Ministerie (OM) lanceren op 1 juni een app waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf. Het gaat in eerste instantie om een proef in vier eenheden, voor mensen die zijn bestolen.

Politie en OM zien dat burgers steeds vaker zelf actie ondernemen als zij slachtoffer zijn van een misdrijf. ‘Vooral technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat mensen steeds beter in staat zijn om zelf onderzoekshandelingen te verrichten. Met de app “Mijn onderzoek” proberen we op die beweging in te spelen en mensen te faciliteren’, zegt Oscar Dros, portefeuillehouder burgerparticipatie.

Diefstal
Het gaat om een kleinschalige proef in zes basisteams in vier politie-eenheden: Oost-Nederland, Oost-Brabant, Noord-Nederland en Rotterdam. Mensen die aangifte doen van diefstal krijgen de mogelijkheid aangeboden om via de app zelf onderzoek te doen.

Met de app kunnen zij onder meer een getuigeninterview afnemen, onderzoeken of er camerabeelden beschikbaar zijn, foto’s toevoegen van bewijsstukken, buurtonderzoek uitvoeren en online onderzoek verrichten. Het gaat om handelingen die iedere burger mag verrichten. John Lucas, hoofdofficier van justitie: ‘We zien dat burgers dergelijke handelingen nu ook verrichten. Het helpt als ze dat op een wijze doen waardoor wij de opbrengst van dit onderzoek ook in de vervolging kunnen gebruiken.’

Samenwerking
‘Het is niet zo dat wij burgers vragen om ons werk te doen’, benadrukt Dros. ‘We zien het echt als een vorm van samenwerking. Mensen komen steeds vaker zelf in actie, of wij nu wel of niet met hun aangifte aan de slag gaan. Wij proberen het onderzoek door burgers met deze app zo goed mogelijk te ondersteunen.’

Vervolging
Want, hoewel opvolging door politie en OM niet wordt gegarandeerd, de kans bestaat dat de informatie die burgers via de app verzamelen later een rol speelt in de opsporing en vervolging van een verdachte. Dros: ‘We merken dat initiatieven van burgers niet altijd aansluiten op de werkwijze van de politie. Daarom willen we beide werelden bij elkaar brengen. Het is in ieders belang dat onderzoek zorgvuldig gebeurt.’

Zoektocht
De proef, die twee maanden duurt, maakt onderdeel uit van een bredere zoektocht naar effectieve samenwerking tussen burgers en politie. ‘Het is een zoektocht die kansen biedt en dilemma’s met zich meebrengt. Als politie en burgers de handen ineenslaan, kan dat tot prachtige resultaten leiden. Maar burgeronderzoek brengt ook risico’s met zich mee. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat mensen het recht in eigen hand nemen?’

Bron: Politie.nl

Pas op met de burger als parttime politieman

We nemen steeds vaker zélf het initiatief bij de opsporing van criminaliteit. Daar zitten voordelen maar ook haken en ogen aan. Op 2 mei organiseren RTL Z en Open Universiteit een online seminar over dit thema, Sven Brinkhoff van Open Universiteit licht vast een tipje van de sluier op.

Een Whatsappgroep waar buurtbewoners elkaar waarschuwen als ze tussen de vitrage iets verdachts zien. Bezorgde burgers die in linie door een bos trekken, op zoek naar de verdwenen Anne Faber. Astrid Holleeder die de ruzies met haar broer opneemt. “Steeds vaker doen burgers opsporingswerk dat gewoonlijk was voorbehouden aan politie en recherche.”, zegt Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht en strafprocesrecht aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen van de Open Universiteit. “Een onmiskenbare trend.”

Volgens Brinkhoff komt burgeropsporing voort uit toenemende onvrede bij burgers over het functioneren van de politie. Met name kleine zaken die blijven liggen zorgen voor veel onvrede. Daarnaast is er de beschikbaarheid van digitale apparatuur, zoals smartphones. “Dat maakt het verzamelen van bewijsmateriaal niet alleen makkelijker, het is ook steeds eenvoudiger om die gegevens snel bij de politie aan te leveren.”

Brinkhoff geeft als voorbeeld de app Sherlock van TNO die de burger helpt bij het aanmaken van een opsporingsdossier. Daarin kunnen gegevens zoals locatie en het mogelijke motief worden genoteerd, maar ook zichtbare sporen en een lijst van gestolen goederen. “Heel handig, want zo’n kant-en-klaar dossier neemt de politie veel werk uit handen.”

Sven Brinkhoff van Open Universiteit

Dat politie en justitie meer medewerking vragen van burgers bij de bestrijding en opsporing van criminaliteit begrijpt hij dan ook wel. Ook in het smartphoneloze tijdperk werden burgers al gevraagd om te getuigen, tips te delen of aangifte te doen.

Maar aan de ontwikkeling van burgerparticipatie zitten ook minder rooskleurige kanten. Brinkhoff noemt de Amerikaanse app Vigilante die oproepen stuurde naar burgers om actief mee te zoeken naar daders in de buurt op het moment dat bijvoorbeeld een overval gaande was. “Daar is een stokje voor gestoken. Niet alleen breng je burgers zo in gevaar, je schaadt ook het geweldsmonopolie van de staat.”

Burgers zijn nu eenmaal burgers en geen getrainde opsporingsambtenaren. Ze weten niet hoe ze een plaats delict veilig moeten stellen. Daardoor kunnen sporen verloren gaan of raakt materiaal ‘vervuild’. Ook met al te actieve opsporing van ‘verdachte personen’ in een buurt kan veel mis gaan, benadrukt Brinkhoff: “Dat werkt eigenrichting of racisme in de hand, waarbij de participerende burger misschien wel een paar tikken verkoopt aan een onschuldige.”

Naast de alertheid die een BuurtWhatsapp-groep opwekt en het snel delen van beeldmateriaal en andere informatie is, zitten er echter ook nog andere nadelen aan burgerparticipatie, aldus Brinkhoff. Een valkuil is de juridische houdbaarheid van door burgers verzameld bewijsmateriaal. “De advocaat van de verdachte schiet daar onmiddellijk gaten in. Met als risico dat al het werk voor niks is geweest.”

Steeds vaker ziet Brinkhoff dat door de opkomst van particuliere recherchebureaus en eigenrichting de route langs politie en OM maar helemaal overgeslagen wordt. Volgens hem is dat een groot probleem omdat burgers die het heft in eigen hand nemen, het geweldsmonopolie van de staat ondermijnen. “Dat is echt een glijdende schaal.”

Brinkhoff waarschuwt dan ook voor te grote verwachtingen van de burger die voor politieagent gaat spelen. Burgerparticipatie mag dan wel een reactie zijn op de permanente onderbezetting bij de politie, het uit handen willen nemen van de opsporing hoeft niet tot minder politiewerk te leiden, zegt Brinkhoff: “Als het digitaal steeds makkelijker wordt om een dossier aan te leveren, dan verwacht de meewerkende burger wel dat daar iets mee gedaan wordt. Als dat vervolgens door capaciteitsproblemen niet gebeurt, dan vergroot je de kloof alleen maar.”

Politie en het OM die gebruik willen maken van burgeropsporing, zullen hoe dan ook moeten voorkomen dat ze hun eigen betrouwbaarheid en rechtvaardigheid op het spel zetten door te veel taken naar de burger door te schuiven, aldus Brinkhoff. Ook al is dat vanwege de permanente bezuinigingen wel verleidelijk.

Brinkhoff verwacht dat de rol van burgers bij opsporingswerk hoe dan ook zal toenemen de komende jaren. Dat heeft niet alleen met capaciteit maar ook met kennis te maken, zegt hij. “Kijk maar naar een collectief als Bellingcat. Dat heeft wel de middelen om hoogopgeleide digitale speurneuzen in te zetten, waar de politie geen geld voor heeft. Die expertise van buitenaf, die blijft natuurlijk welkom.”

Kijk en discussieer mee over dit thema

Op 2 mei gingen Sven Brinkhoff (universitair hoofddocent strafrecht) en Emile Kolthoff (hoogleraar criminologie) van Open Universiteit verder in op dit thema tijdens een online seminar bij RTL Z. Ze bespreken recente voorbeelden van burgerparticipatie bij opsporing en belichten de kansen en bedreigingen voor de politie en het OM. Bekijk het online seminar hier terug.

Bron: RTL Nieuws, Open Universiteit

Voorspellen van de spoedvraag met live databronnen

Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat er steeds meer sensoren en data beschikbaar komen. Slimme, voorspellende algoritmes kunnen deze data gebruiken om op de spoedvraag te anticiperen en zo een belangrijke bijdrage leveren aan het noodhulpproces.

Dat blijkt uit onderzoek naar hoe het gebruik van live data kan leiden tot specifiekere voorspellingen van de spoedvraag. In samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Landelijke Meldkamer Samenwerking en de hulpverleningsdiensten voerde TNO in het najaar van 2018 dit onderzoek naar het voorspellen van de spoedvraag uit.

Betrouwbaar voorspellen
Het gebruik van (big) data voor het aansturen van het noodhulpproces is niet nieuw. Een voorbeeld hiervan is het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) dat de politie gebruikt om te voorspellen waar en wanneer misdrijven als straatroof en inbraak plaatsvinden. De voorspellingen van CAS en vergelijkbare systemen zijn grotendeels gebaseerd op trendanalyses van historische data, zoals het aantal incidenten in het verleden en demografische factoren. De voorspellingen geven informatie over de kans dat een bepaald type incident zal plaatsvinden gegeven de locatie en datum. Deze voorspellingen kunnen gebruikt worden bij het plannen van de benodigde inzet of voor het positioneren van eenheden. Maar deze voorspellingen geven alleen een trend aan en houden geen rekening met de huidige situatie. Hierdoor is het meestal niet wenselijk om op basis van deze informatie direct uit te rukken; in veel gevallen zal er namelijk helemaal geen incident plaatsvinden. In dit onderzoek is verkend in hoeverre het gebruik van live data kan helpen om specifieke incidenten te voorspellen met een dusdanige betrouwbaarheid dat het loont om ook direct op de voorspellingen te acteren.

Challenge in de meldkamer
Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een challenge. In samenwerking met de meldkamer Rotterdam heeft een team van onderzoekers van TNO in één week een prototype algoritme gebouwd dat op basis van historische en live data specifieke incidenten in het gebied Rotterdam-Rijnmond kan voorspellen. Het algoritme gebruik hiervoor onder andere meldingen uit het Generieke Meldkamer Systeem, weersvoorspellingen en evenementen kalenders. Tijdens de challenge zijn drie type meldingen uitgewerkt: openbare schennispleging, wateroverlast en liftopsluiting. Deze drie soorten zijn gekozen op basis van het aantal relevante meldingen in de dataset en de verwachte voorspelbaarheid van het type incident gegeven de bronnen die op dat moment beschikbaar waren. Met de huidige dataset bleek de liftopsluiting het beste te voorspellen, voor de andere twee type incidenten maakte het gebruik van live data geen significant verschil ten opzichte van standaard trendanalyses.

Conclusies
De resultaten van de challenge tonen aan dat de betrouwbaarheid van de voorspelling (de kans dat een incident ook echt plaatsvindt op de voorspelde plaats en tijd) erg verschilt per type incident. De meldkamer beschikt op dit moment vooral over databronnen die informatie bevatten over openbare fenomenen zoals weer en drukte; hierdoor zullen op korte termijn de incidenten die sterk met dergelijke factoren samenhangen het beste te voorspellen zijn. Het onderzoek toonde aan dat wanneer het algoritme een incident voorspelde dit in 30% van de gevallen juist was. Of deze en mate van betrouwbaarheid voldoende is om proactief op te treden is aan de hulpdiensten om te bepalen.

Gerichte experimenten kunnen meer inzicht bieden in de toegevoegde waarde van verschillende databronnen en de te verwachte betrouwbaarheid van voorspellingen voor deze specifieke incident types. Om de precisie van de voorspellingen in het algemeen te verbeteren moeten vervolgstappen zich richten op het aanvullen van voorspellingen met data van slimme sensoren zoals camera’s met automatische beeld- en geluidsanalyses.

Er blijft sprake van een continue schaal waarop de spoedvraag voorspeld kan worden: aan de ene kant is de precisie van de voorspelling hoog, maar is er weinig tijdswinst, aan de andere kant is voorspelling onbetrouwbaarder maar is er nog veel tijd om te reageren. Per type incident moet worden bepaald waar op dit spectrum de kosten, zowel in privacy als in geld, in balans zijn met de baten.

Meer weten
Wil je meer lezen over de aanpak, uitkomsten en conclusies van dit onderzoek? Lees dan de flyer Het Nieuwe Melden: voorspellen spoedvraag:

[slideshare id=142988155&doc=flyer-challenge-voorspellen-spoedvraag-april-2019-190430164742&type=d]

Bron: K-LMO

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen

Hoe politieonderzoek bijdraagt aan de politie van morgen
Beleid, praktijk en wetenschap in dialoog over de politie 

Politie, Politieacademie, Politie en Wetenschap en het directoraat generaal Politie (ministerie Justitie en Veiligheid) organiseerden op 9 april 2019 de jaarlijkse conferentie over onderzoek naar, voor en door de politie. De conferentie bood een overzicht van actueel wetenschappelijk onderzoek in Nederland en brengt beleidsmakers, wetenschappers en politie samen om in gesprek te gaan over de betekenis van dit onderzoek voor de toekomst van de politie.

De conferentie bood volop gelegenheid tot interactie, kennisuitwisseling en netwerkvorming. Centraal stond de vraag naar de relevantie en doorwerking van de verschillende onderzoeken in beleidsvorming en politiepraktijk en -onderwijs. Tijdens de conferentie werd ook ingegaan op de strategische onderzoeksagenda voor de politie 2019-2022. Ook werd stilgestaan bij verschillende vormen van praktijkonderzoek binnen de context van de politie.

[slideshare id=140312201&doc=192961-strategischeonderzoeksagendapolitie2019-2022-190410135109&type=d]

De dag werd afgetrapt door Ferd Grapperhaus (Minister van Justitie en Veiligheid), Liesbeth Huijzer (Lid Korpsleiding Politie) en Edwin Bakker (Hoofd Kennis & Onderzoek Politieacademie).

Hieronder een overzicht van alle dialoogsessies:

1. Gebiedsgebonden politie: hervorming is broodnodig
Nikita Rombouts en Judith van Valkenhoef, onderzoekers Politieacademie
Dennis van Kommer, teamchef Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag
Jur Westra, operationeel specialist C team Leiden Noord, Politie eenheid Den Haag

De Nederlandse politie zet met gebiedsgebonden politie (GGP) al decennialang veel kaarten op lokale kennis, contacten en invloed. Tevredenheid over de openbare orde en over GGP veronachtzaamde hoe makkelijk drugscriminelen geld verdienen en op hun manier bijdragen aan het lokale leefklimaat. Wijkagenten en andere medewerkers van basisteams signaleren in wijken en dorpen vandaag de dag veel georganiseerde (drugs)criminaliteit, vaak zonder (kans) dat er een opsporingsonderzoek wordt gestart. Dit is een ongemakkelijke realiteit die vraagt om andere lokale politie: herdefiniëring van het GGP-concept en een betere organisatorische inrichting op lokaal niveau. De huidige basisteams zijn de XL-variant van de oude wijkteams die vanaf jaren zeventig van de vorige eeuw werden ingevoerd. De personele samenstelling van de basisteams is te generalistisch. De basisteams zijn gebaseerd op ontwerpkeuzen die structurele knelpunten opleveren bij een belangrijke kernopdracht van de politie, namelijk opsporing.

De geringe slagkracht van generalistische politiemensen bij misdaadbestrijding laat al ruim dertig jaar veel ruimte bestaan voor criminelen. Dat is een probleem met kenmerken van een creeping crisis of institutionele crisis. Immers, het dominante GGP-concept negeert al lange tijd de grote behoefte onder politiemensen (juist ook wijkagenten), burgers en burgemeesters aan een politie die steviger en effectiever optreedt tegen lokale misdaad. Als een instituut dergelijke kritiek veronachtzaamt, brokkelt haar legitimiteit langzaam maar zeker af. Hervorming is dan noodzakelijk. We verwerpen het idee van GGP niet, maar het is noodzakelijk om het te hervormen en om zo de basis op orde te brengen. We gaan in deze dialoogsessie graag in gesprek over wat deze bevindingen betekenen voor de politie van overmorgen. Link naar de notitie: https://www.politieacademie.nl/kennisenonderzoek/kennis/mediatheek/PDF/95323.PDF

[slideshare id=140312749&doc=95323-190410135646&type=d]

2. The ecological validity of evidence disclosure models in interviews with suspects
Martijn van Beek, docent-onderzoeker Politieacademie / promovendus University of Derby Jos Hoekendijk, recherchepsycholoog Politie eenheid Noord-Nederland

De ervaren hoeveelheid bewijs is voor een verdachte een belangrijke factor bij de beslissing om in verhoor wel of geen aanvullende informatie te verstrekken. Het (a) moment waarop en (b) de manier waarop in verhoor bewijs (tactische aanwijzingen) onthuld wordt aan de verdachte zijn voor de verhoorder dan ook belangrijke instrumenten om verdere informatie te kunnen verzamelen. In onderhavig promotieonderzoek worden drie modellen daarvoor onderling vergeleken: het model dat momenteel gebruikelijk is in de Nederlandse politiepraktijk en twee buitenlandse, vanuit de wetenschap ontwikkelde modellen.

Uit de eerste bevindingen blijkt dat de drie modellen er ook in een praktijkgerichte setting inderdaad toe leiden dat verdachten van een pseudo-diefstal meer informatie verstrekken dan wanneer hen alleen naar hun eigen verklaring wordt gevraagd. Dit geldt voor zowel schuldige als onschuldige verdachten. Onderzocht wordt of deze extra informatie het ook mogelijk maakt een beter onderscheid te maken tussen schuldige en onschuldige verdachten.

Recherchepsycholoog Jos Hoekendijk van de eenheid Noord-Nederland gaat tijdens de dialoogsessie in op de vraag hoe de bevindingen van het onderzoek een bijdrage kunnen leveren aan meer op maat gemaakt verhooradvies en aanpassingen in verhoorstrategieën.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Verdachten in Nederland hebben tegenwoordig recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan en tijdens verhoor. Onderzoek uit landen waar deze rechten eerder al ingevoerd zijn, laat zien dat de advocaat voor zijn advies aan de verdachte vaak ook vaart op het bewijs dat de politie voor of tijdens het verhoor onthult. Het verdachtenverhoor krijgt daarmee een meer strategisch karakter. Inzicht in wat het meest effectieve moment en wat de meeste effectieve wijze van onthullen van bewijs is, helpt de politie zich aan deze veranderingen aan te passen.

3. Van reactief naar proactief: de meerwaarde van data-driven AI modellen om criminaliteit tegen te gaan
Bob van der Vecht en Selmar Smit, senior researchers TNO

Hoe kunnen data-driven modellen bijvoorbeeld overlast of kleine criminaliteit voorspellen in een stad? En als je dit kan voorspellen, wat doe je daar dan vervolgens mee? Er zijn meerdere initiatieven voor data-driven AI modellen ter ondersteuning van politiewerk. Door maatregelen te nemen op basis van voorspellingen, kunnen er waterbedeffecten en andere neveneffecten optreden. AI modellen en simulaties kunnen op basis van gedragstheorieën helpen om deze aan te zien komen. Maar hoe kunnen deze modellen in praktijk effectief ingezet worden?

Het inzetten van AI vereist een goed inbedding van expertkennis van politiemensen in de modellen. Hoe kan daarvoor gezorgd worden? En gaan de recherche skills en intuïtie van politiemensen op termijn niet verloren door gebruik van modellen? En versterkt het gebruik van modellen juist tunnelvisie?

Het gebruik van AI roept veel vragen op. In deze dialoogsessie presenteren wij recente AI-onderzoekprojecten voor politietoepassingen, waarin wij data-driven AI technieken integreren met expertkennis en criminologische theorieën. We bespreken de consequenties van vragen zoals bovenstaande voor zowel onderzoek als praktijk.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Door ontwikkelingen van AI-onderzoek zal er bij de politie in de toekomst een verschuiving plaatsvinden van reactief af gaan op meldingen naar proactief optreden. Voor de politieorganisatie heeft dit impact op mens, organisatie en techniek.

4. Medewerkersparticipatie bij de politie
Ivo van Duijneveldt, adviseur/onderzoeker AEF
Fleur Hilhorst en Justine Kaasjager, senior organisatieadviseurs, Politie / PDC HRM / Team Ontwikkelen en Veranderen

Hoe kunnen medewerkers participeren bij beslissen in en over het werk? Deze vraag staat centraal in een onderzoek naar medewerkersparticipatie bij de politie. Het onderzoek vindt plaats in opdracht van de Korpsleiding en de Centrale Ondernemingsraad. Doel van het onderzoek is een groter inzicht te verkrijgen in medewerkersparticipatie. Welke betekenis geven medewerkers en leidinggevenden eraan? In hoeverre vinden zij het van belang? Wat maakt dat medewerkersparticipatie soms als vanzelf ontstaat, maar soms ook heel moeizaam? Deze vragen worden beantwoord op basis van veldwerk in uiteenlopende teams in de politieorganisatie. In het onderzoek zijn zowel blauwe, grijze als ondersteunende teams betrokken. Ook richten de onderzoekers zich op een analyse van goede voorbeelden, verbeterinitiatieven en innovaties die vanuit het werk zijn ontstaan. Het onderzoek wordt eind 2019 afgerond. In deze dialoogsessie geven de onderzoekers een presentatie van de eerste inzichten uit het veldwerk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De korpsleiding beschouwt medewerkersparticipatie van strategisch belang voor de politie. Om adequaat en snel in te kunnen spelen op wat er speelt in de maatschappij is het van belang dat politiemensen zelf richting en invulling kunnen geven aan hun werk. Medewerkersparticipatie veronderstelt dat medewerkers actief bijdragen aan het onderzoeken van vraagstukken die spelen in het werk en aan het bedenken van oplossingen. Dit leidt tot groter eigenaarschap voor zowel het vraagstuk als de oplossingen. Medewerkersparticipatie draagt bij aan draagvlak voor beslissingen en voor beleid, als medewerkers zelf betrokken zijn bij het analyseren en definiëren van het vraagstuk en bij het bedenken van oplossingen. Daarnaast is uit onderzoek bekend dat ruimte voor participatie positief bijdraagt aan de kwaliteit van het werk en aan de arbeidssatisfactie. Als medewerkers ruimte ervaren om zelf te kunnen sturen op het werk, draagt het bij aan reductie van werkstress en daaraan gerelateerd verzuim.

5. Op zoek naar de Buzz: (sociale) media en het delictgedrag van plegers van high impact crimes
Nicole Bouman, onderzoeker EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jos van der Stap, landelijk overvalcoördinator Politie

Onderzoek naar de sterke groei van het aantal overvallen in Nederland leverde een interessante bijvangst op. Overal in het land, letterlijk van Groningen tot Maastricht, doken ineens overvallers op die vergelijkbaar delictgedrag lieten zien. Bijvoorbeeld in hun keuze voor bepaalde objecten, of hun modus operandi (Rovers et al. 2010). Dit patroon van kopiëren kon niet verklaard worden uit het feit dat het hier over dezelfde daders ging of over daders die elkaar allemaal kenden. Er leek sprake van een copycat effect (Coleman 2004). Er hing iets ‘in de lucht’, dat die overvallers kennelijk oppikten en waar ze hun delictgedrag op leken aan te passen.

In 2016 liet de Taskforce Overvallen de intensieve aanpak van overvallen evalueren. Die aanpak bleek een succes. In 2009 piekte het aantal overvallen in Nederland nog met ongeveer 3000 incidenten. In 2016 was dit teruggelopen tot ongeveer 1200 incidenten per jaar. Eén van de factoren die dit succes zouden kunnen verklaren, was dat in de voorbije jaren allerlei partijen in allerhande media veel aandacht hadden besteed aan de aanpak van overvallen. Zou het dan zo kunnen zijn, dat deze mediacommunicatie een eigenstandig effect had op de beslissing van potentiële daders om (voorlopig) niet meer voor dit delict te kiezen (Rovers & Fijnaut 2016)?

Stel dat in kringen van overvallers is gaan rondzingen dat je dit delict beter even niet kan plegen. Dat er zoiets als een Buzz is ontstaan. Met deze hypothese begon dit onderzoek. En dat (sociale) media daar een rol bij speelden, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van delictgedrag, lag voor de hand. Surette (2014) vroeg daders of ze ooit via de media een idee hadden opgedaan voor het plegen van een delict. Een kwart van de betrokkenen antwoordde hierop bevestigend.

Met dit onderzoek wilden we een beter inzicht krijgen in wat er in kringen van plegers van high impact crimes (HIC: overvallen, straatroven, woninginbraken en geweld) precies gebeurt naar aanleiding van bepaalde (sociale) media-uitingen. Over wat voor type uitingen gaat het dan, via welke kanalen en met welke content? Verder wilden we weten wat de effecten van die media-invloed zijn op individuele beslissingen om wel of niet een delict te plegen. En of het zo zou kunnen zijn, dat die media-invloed ook tot groepseffecten leidt. Want in dat laatste geval zouden we van een Buzz kunnen gaan spreken.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid door Hans Moors, Ben Rovers en Nicole Bouman. Publicatie wordt verwacht voor april 2019.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

In de voorbije jaren zijn beleidmakers tot de conclusie gekomen dat enkel repressie niet werkt bij plegers van HIC-feiten. Aanvullende beleidsstrategieën, zoals een persoonsgerichte aanpak, zijn nodig om de frequentie van deze delicten terug te dringen. Beïnvloeding van deze groep (potentiële) daders via mediacommunicatie is mogelijk een aanvullende strategie om dit doel te realiseren. Dit onderzoek maakt duidelijk of dit een zinvolle strategie kan zijn.

Daarmee wordt een belangrijke leemte opgevuld in de bestaande kennis over dadergerichte preventie door middel van communicatie. Onderzoek naar de effecten van (preventieve) communicatie op delictgedrag focust namelijk vaak op de zendende partij (Santos & Santos 2016). Hiermee gaat het voorbij aan een vitaal aspect in de causale keten: de criminelen, hun mediaconsumptie, en de betekenis daarvan voor hun delictgedrag. Er is opmerkelijk weinig bekend over hoe specifieke groepen criminelen naar (sociale) media kijken en morele afwegingen maken die hun handelen beïnvloeden (Van Ommen 2018; Janicke 2013; Tamborini et al. 2012). Dit onderzoek richt zich op dat vitale aspect en start juist aan de kant van de ontvanger van de boodschap: de (HIC-)delictpleger. Deze kennis is in hoge mate praktijkrelevant, omdat die concrete aanknopingspunten kan bieden voor evidence-based communicatiestrategieën gericht op daders van wie de delicten een grote impact hebben op de samenleving.

6. Politiewerk in een diverse samenleving
Sandra ter Woerds en Valerie Peeck, onderzoekers Politie eenheid Amsterdam (Team A&O)
Rutger Hendriksen, teamchef basisteam Zuidoost-Bijlmermeer, Politie eenheid Amsterdam
Jos Kuppens, onderzoeker Bureau Beke

In 2018 werd binnen de eenheid Amsterdam tegelijkertijd onderzoek gedaan naar het politiewerk in de Bijlmer én naar de aanpak van professioneel controleren binnen de eenheid. In deze dialoogsessie presenteren onderzoekers van Bureau Beke en onderzoekers van de politie in samenhang de bevindingen van deze onderzoeken.
De nadruk zal liggen op de raakvlakken tussen beide: het vormgeven van professioneel politiewerk in een diverse samenleving. Hoe gaat (en ging) dat in de Bijlmermeer? En hoe meet je de effecten van professionalisering op dit vlak?

Waar staan we in de Bijlmermeer? (Team A&O politie eenheid Amsterdam)
In de media wordt soms scherpe kritiek geuit op het werk van de politie bijvoorbeeld bij gebeurtenissen waarbij burgers onjuist bejegend of onterecht behandeld worden. De relatie tussen de burger en de politie zou onder druk staan, voornamelijk in wijken met een diverse bevolking. In de media is veel aandacht voor de beleving van de burger. Maar hoe wordt dit door politiemedewerkers ervaren?

Vanuit het district Oost (Eenheid Amsterdam) werd opdracht gegeven voor een onderzoek om te achterhalen welke perceptie politiemedewerkers van basisteam Bijlmermeer hebben van de zeer diverse samenleving in hun werkgebied, de tegenstellingen tussen groepen onderling en de verhouding tussen burgers en de politie.
De vraag is hoe zij daarbinnen invulling geven aan hun professioneel handelen en hun vakmanschap? In dit onderzoek staan de verhalen en ervaringen van de medewerkers van het basisteam centraal. Zij zijn uitvoerig geïnterviewd over hun werk in de Bijlmermeer en hun contact met de burgers in de wijk. Het vertelt ‘het verhaal’ van het basisteam Bijlmermeer gebaseerd op hun beleving.

Professioneel controleren (Bureau Beke)
De aanpak van professioneel controleren staat momenteel binnen politie-eenheid Amsterdam volop in de belangstelling, ook omdat de politie regelmatig het verwijt van etnisch profileren krijgt. Momenteel worden al bestaande maatregelen voor professioneel controleren aangevuld met nieuwe, vaak innovatieve maatregelen. Nu er zoveel aandacht uitgaat naar de aanpak, bestaat ook de wens om te kijken naar de effecten hiervan. Maar voor de driehoek is het nog de vraag welke criteria hiervoor relevant zijn. Deze criteria zijn nader bepaald in dit onderzoek en zullen worden gebruikt voor een periodieke scan op de maatregelen. Bureau Beke zal een toelichting geven op dit onderzoek.
Wat betekent je onderzoek volgens jou voor de toekomst van de politie?

Deze beide onderzoeken geven inzicht in de ontwikkeling(en) van de professionalisering van het omgaan met diversiteit binnen het politiewerk. Hoe kan je hier handen en voeten aan geven en hoe blijf je aangaande deze materie een vinger aan de pols houden?

Daarnaast maakt het onderzoek ‘Waar staan we in de Bijlmermeer?’ duidelijk dat het basisteam Bijlmermeer een uniek verhaal te vertellen heeft wat betreft de aard en de ontwikkeling van het politiewerk in de eigen wijk. En zo zal ieder basisteam in Nederland op soortgelijke wijze een geheel eigen verhaal te vertellen hebben over het politiewerk en het contact tussen de politie en de burgers in de wijk. Hoe mooi zou het zijn om ook de verhalen van andere basisteam op soortgelijke wijze voor het voetlicht te brengen?

7. Geolinkage & Geoselectie; geografische analyses voor efficiënter politiewerk.
Jasper van der Kemp, universitair docent Criminologie, VU School of Criminology, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vrije Universiteit Amsterdam
Rixt Brouwer, analist A&O, Politie eenheid Amsterdam
Sander Tulp, procesmanager BI (OSB), Politie eenheid Noord-Nederland

Politiewerk vraagt om het maken van keuzes om de beperkte capaciteit en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten. De noodzaak tot het maken van efficiënte keuzes geldt voor surveillances die gericht zijn op het genereren van een preventief effect door de aanwezigheid van meer blauw op straat tot het gericht zoeken naar verdachten in grootschalig opsporingsonderzoek. Door gebruik te maken van geografische analyses kan gerichtere inzet worden bewerkstelligd; door surveillance te sturen naar die locaties waar de incidenten zich vooral afspelen, door gebiedsgebonden probleemgericht te interveniëren of door het geografisch gedragskundig koppelen van zaken tot series om effectief te rechercheren.
In deze dialoogsessie zullen verschillende geografische analyses aan de hand van voorbeelden worden toegelicht en bediscussieerd in het licht van de mate waarin deze in de politiepraktijk kunnen worden toegepast. Denk hierbij aan het bepalen van de risk terrain profielen van wijken voor woninginbraak; het vaststellen van de hot streets van autobranden (vs hot spots) en het selecteren en koppelen van zaken tot mogelijke series.

8. Openbare orde online; de rol van gemeente en politie
Willem Bantema, senior-onderzoeker NHL Stenden Hogeschool
Imke Smulders, docent communicatie en taalvaardigheden Juridische Hogeschool Avans-Fontys / onderzoeker expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool
Sander Hoed, digitaal wijkagent team Nijmegen Zuid, Politie eenheid Oost Nederland

Willem Bantema et al. (2018). Burgmeesters in cyberspace. Handhaving van de openbare orde door bestuurlijke maatregelen in een digitale wereld (Politie en Wetenschap).
Imke Smulders (2017). #Politie. Twittergebruik door wijkagenten & de veiligheidsbeleving van de burger (Proefschrift – OU).

Er zijn veel voorbeelden van openbare ordeverstoringen met een digitale component. Te denken valt aan oproepen tot snelwegblokkades, boze burgers, bedreigingen aan bestuurders, aankondiging van demonstraties en bijvoorbeeld sexting-zaken die gevolgen voor de openbare kunnen hebben. In tegenstelling tot fysieke openbare ordeverstoringen is het bij openbare ordeverstoringen met een digitale component minder duidelijk in hoeverre zij onder verantwoordelijkheid van gemeenten en burgemeesters vallen. Juridisch gezien blijkt uit de studie ‘burgemeesters in cyberspace’ dat openbare-ordebevoegdheden van burgemeesters niet zijn toegesneden op de online wereld. Vanuit de praktijk worden strafrecht en OM vaak als aangewezen partij gezien voor handhaving in cyberspace, mede door het grens overstijgende karakter ervan.

Dit roept meer fundamentele vragen op die zich natuurlijk niet beperken tot de gemeente. Wat is precies de rol van gemeenten op dit gebied? Welke verstoringen kunnen gezien worden als een openbare orde probleem en welke niet? Lopen gemeenten de politie niet voor de voeten als ze hier een meer actieve rol zouden willen spelen? Waar begint de rol van de gemeente en of politie en waar houdt die op, hoe verhouden hun taken zich tot elkaar? Zijn partijen voldoende toegerust op de uitvoering van hun taken? Doen soortelijke discussies en problemen zich buiten de gemeente ook voor binnen de politiepraktijk, wat betekenen de digitale ontwikkelingen voor hun werk in de toekomst?

De rol en ervaringen van gemeente worden belicht door Willem Bantema die ook vervolgonderzoek gaat doen naar mogelijke gemeentelijke interventies in cyberspace (Justitie en Veiligheid) en naar het monitoren in cyberspace door gemeenten (Politie en Wetenschap). De rol van de politie wordt belicht door de recent gepromoveerde Imke Smulders die onderzoek heeft gedaan naar het twittergebruik van digitale wijkagenten en het effect daarvan op ervaren veiligheid door burgers en door digitale wijkagent Sander Hoed vanuit zijn praktijkervaring.

De dialoogsessie heeft tot doel discussie te voeren over ervaringen met online dreigingen (signalering en interventies) en het voeren van discussie over de rollen en onderlinge verhoudingen tussen politie en gemeenten. In hoeverre is de politie gebaat bij handelingen van gemeenten en burgers op dit gebied? Welke input zou het politiewerk bevorderen en welke input werkt juist belemmerend? Waar kunnen partijen elkaar effectief aanvullen en of versterken? Is de burger überhaupt bereid en bekwaam om een actieve rol te spelen en zo ja, liggen er dan ook mogelijk ongewenste neveneffecten op de loer? Invloed op onder andere de veiligheidsbeleving of het oordeel over de politie is niet ondenkbaar. Naast juridische vragen gaat het dan ook over normatieve en organisatorische vragen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Door de toenemende digitalisering is de vraag of er wat moet gebeuren inmiddels achterhaald, maar het is wel vaak onduidelijk wie die dreigingen moet signaleren en wie moet ingrijpen.
Nu is het vaak onduidelijk wie waar verantwoordelijk voor is. Zeker wanneer er niet sprake is van een strafbaar feit (geen OM) maar wanneer er wel duidelijk bedreigingen zijn voor de openbare orde en veiligheid. Wanneer gemeenten een actieve rol zouden spelen bij het signaleren en interveniëren in cyberspace zou dat de lokale gemeenschap en politie veel tijd en moeite schelen en kan politietijd ingezet worden voor meer ‘harde’ criminaliteit. Aan de andere kant kan ook de overweging meespelen dat de wijkagent in deze tijden juist ook online het contact met zijn wijk wil en moet houden; wanneer gemeenten vanuit een actievere rol zaken gaan afvangen, ontstaat dan niet het risico dat kennis die relevant is voor de taakuitoefening van de wijkagent niet meer bij hem terechtkomt? Of het risico dat bepaalde informatie niet meer wordt gedeeld, omdat de burger het lijntje met de (bekende) wijkagent als korter ervaart dan dat met de gemeente? Het is ook de vraag in hoeverre vanuit de politie behoefte is aan steun op dit gebied door gemeenten en de vraag waartoe gemeenten/burgemeesters en politie op aarde zijn en hoe ze elkaar in de werkzaamheden/handhaven van de openbare orde en veiligheid het beste kunnen versterken. Moet er bijvoorbeeld massaal geïnvesteerd worden in het opleiden van digitale wijkagenten of moet de politieorganisatie juist verder ontlast worden en moeten gemeenten een grotere rol krijgen op dat gebied?

9. ‘Komt een amateur rechercheur bij de politie’
Arnout de Vries, wetenschappelijk onderzoeker TNO
Shanna Wemmers, scientist innovator TNO

Wanneer werk je wel of niet samen met burgers in opsporing? Burgers hebben meer dan alleen ogen en oren, en willen in toenemende mate meedenken en doen in het opsporingsproces. Denk aan meezoeken bij vermissingzaken, of het speuren naar gestolen spullen op internet. Maar wanneer werk je nu als politie echt samen met burgers, en wanneer niet? Wanneer laat je burgers hun gang gaan, en wanneer moet je het in goede banen leiden? Of hoe kun je ingrijpen als het schadelijke gevolgen kent? In deze dialoogsessie willen we met jullie in discussie over benodigde instrumenten voor politie en burgers om deze processen in goede banen te leiden. Aan de hand van in ontwikkeling zijnde tools zoals het burgeropsporingsplatform Sherlock willen we interactief op zoek naar voorbeelden uit de praktijk en eindigen met voorlopige antwoorden op deze vragen. Sherlock: https://socialmediadna.nl/sherlock/

10. Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie
Nanette Slagmolen, wetenschappelijk onderzoeker Politieacademie
Basya Berends, coördinator Master Tactisch Leidinggevenden Politieacademie
Dave Deswijzen, toegevoegd teamchef C team Maastricht, Politie eenheid Limburg

Het prijsgeven van vertrouwelijke politie-informatie wordt onderkend als een ernstig vergrijp, zowel door politiemensen zelf als in de samenleving. Vooral gevallen waarin zulke informatie aan criminelen blijkt te zijn verkocht, kunnen op massale media-aandacht rekenen. Ze leiden tot speculatie over de omvang (neemt het toe?) en de oorzaken (frustratie onder agenten over de reorganisatie, gerichte ondermijning door georganiseerde misdaad?).

Voor het onderzoek ‘Het lekken van vertrouwelijke politie-informatie. Aard, omvang en ernst van het fenomeen bij de Nationale Politie en de Koninklijke Marechaussee’ kregen de onderzoekers toegang tot alle dossiers (2015 en 2016) van de afdelingen die integriteitsschendingen onderzoeken bij de Politie en de Marechaussee. Voor het eerst zijn zo middels systematische dossieranalyse aard, omvang en ernst van lekken in kaart gebracht. Deze fenomeenbeschrijving geeft de politie handvatten voor preventieve maatregelen. Ook beschrijven de onderzoekers de wijze waarop meldingen van lekken worden behandeld, wat aanknopingspunten voor verbeteringen biedt.

Uit het onderzoek blijkt dat het lekken van politie-informatie vaak voortkomt uit onoplettendheid in de alledaagse, uitvoerende politiepraktijk. Ook zien sommige politiebeambten niet altijd kwaad in het onrechtmatig opzoeken van informatie omdat ze het niet delen met derden, het zogenoemde lekken aan jezelf. Waar de onderzoekers nauwelijks zicht op kregen, was het perspectief van de leidinggevende op het feit dat een medewerker verdacht werd van of bestraft werd voor het lekken van informatie. In de dossiers werd bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek of verhoor met de leidinggevende gevonden.

Als het gaat om onoplettendheid en het ongeoorloofde gedrag – wat lekken van informatie aan anderen en aan jezelf is – verwachten de onderzoekers dat leidinggevenden een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie. Om meer aandacht en bewustzijn te stimuleren voor het fenomeen lekken van informatie, is de rol van leidinggevende van belang. Die rol van de leidinggevende is een blinde vlek gebleken in het huidige onderzoek en daarom willen we tijdens de dialoogsessie met de groep verkennen hoe leidinggevenden die rol kunnen vervullen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Burgers mogen verwachten dat de politie integer is en zorgvuldig omgaat met gevoelige en vertrouwelijke informatie. Politiemedewerkers hebben daarin een voorbeeldfunctie. Fouten en integriteitsschendingen zijn niet voor honderd procent te voorkomen aangezien politiewerk mensenwerk is en mensen fouten kunnen maken. Voor politiemensen die misbruik maken van hun positie en over de schreef gaan, is echter geen plaats in de organisatie. De Korpsleiding heeft om deze reden opdracht gegeven tot dit onderzoek, het onderzoeken van het fenomeen lekken van politie-informatie. Met de uitkomsten van het onderzoek heeft de Korpsleiding handvatten om aan de slag te gaan met het vóórkomen van oneigenlijke gebruik van politie-informatie.
Bovendien is integriteit in het algemeen en het lekken van informatie in het bijzonder een zeer actueel thema. In februari 2018 werd Mark M. veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het langdurig tegen betaling verstrekken van vertrouwelijke politie-informatie aan Brabantse criminelen. Op 11 januari jl. werd ons onderzoek naar het lekken van politie-informatie vroegtijdig naar de pers gelekt; in de Telegraaf was een uitvoerige weergave van de inhoud van ons rapport gepubliceerd. Wat ons betreft is integriteit een belangrijk thema en zeker ook een ingewikkeld thema dat om een zorgvuldig en open verkenning vraagt.

11. De sociale impact van kunstmatige intelligentie
Dennis de Kool, onderzoeker Risbo / Erasmus Universiteit Rotterdam
Ron Boelsma, kennis en innovatiemakelaar Politie Landelijke Eenheid

De politie wil kunstmatige intelligentie breed inzetten om de kwaliteit van werkprocessen te verbeteren. De focus van dit onderzoek is gericht op een belangrijk proces bij de politie, namelijk het aangifteproces. Een belangrijk uitgangspunt van het onderzoek is dat de inzet van kunstmatige intelligentie niet alleen impact heeft op medewerkers die betrokken zijn bij het primaire (aangifte)proces, maar ook op ondersteunende (PIOFACH) organisatieonderdelen, ketenpartners en burgers en bedrijven die aangifte doen. Dit onderzoek belicht in dat kader de sociale impact van kunstmatige intelligentie. Daarmee is de inzet van kunstmatige intelligentie niet (louter) een innovatieproces, maar een sociaal veranderingsproces, waarbij het van groot belang is dat alle belanghebbende partijen actief zijn aangehaakt.

Bij de uitvoering van het (lopende) onderzoek wordt een incrementele en gefaseerde aanpak gehanteerd, waarbij vier fasen zijn te onderscheiden. De eerste fase (september-oktober 2018) bestaat uit een literatuurstudie, waarin het begrip en verschillende dimensies van kunstmatige intelligentie, de kansen en de risico’s nader zijn verkend, evenals de noodzakelijke randvoorwaarden om kunstmatige intelligentie op een verantwoorde en succesvolle manier in te zetten. Op basis van deze inzichten is een conceptueel model ontwikkeld, waarbij tevens is geput uit literatuur over verandermanagement. De tweede fase (november-december 2018) omvat het interviewen van experts binnen de politieorganisatie en de keten (Openbaar Ministerie). De resultaten van de interviews zijn beschreven in een rapportage. Bij de derde fase (januari-februari 2019) wordt informatie verzameld aan de hand van twee focusgroepen, namelijk een focusgroep met een afvaardiging van PIOFACH en een focusgroep waarin het burgerperspectief centraal staat. De concrete invulling van fase 4 van het onderzoek wordt eind januari besproken met de begeleidingscommissie van het onderzoek.

De dialoogsessie in Den Haag is een uitermate geschikte onderzoeksmethode om de voorlopige resultaten van de eerste drie fasen van het onderzoek voor het voetlicht te brengen en kritische feedback te verzamelen. Deze feedback kan dan in fase 4 van het onderzoek worden verwerkt.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek richt zich primair op het aangifteproces bij de politie. Het aangifteproces is een erg belangrijk proces binnen de politie. Een gerobotiseerd aangifteproces kan resulteren in betere aangiftes en completere dossiers en aldus een bijdrage leveren aan de centrale opdracht van de politie, namelijk het veiliger maken van de samenleving. Daarnaast kan de inzet van kunstmatige intelligentie in het aangifteproces (en andere processen) zorgen voor taakverrijking voor medewerkers. Zowel de politieorganisatie als de maatschappij kunnen dus baat hebben bij de inzet van kunstmatige intelligentie. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met factoren en kritische succesfactoren die in de literatuur over verandermanagement zijn genoemd. De dialoogsessie is een uitstekende manier om met de deelnemers in gesprek te gaan over de voorlopige resultaten van het onderzoek.

12. Politie in beeld; Analyse van politieoptreden bij conflicten tussen burgers
Wim Bernasco, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Lisa van Reemst, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam

Hoewel de alomtegenwoordigheid van camera’s in zowel de publieke als de private ruimte van tijd tot tijd vraagtekens oproept over privacy en effectiviteit, biedt beeldmateriaal unieke mogelijkheden om menselijk gedrag te observeren en vervolgens te analyseren. Dat geldt ook voor conflicten tussen burgers, voor criminaliteit, voor de reacties van omstanders en voor interventies door de politie en andere rechtshandhavers.

In de afgelopen jaren hebben we bij het NSCR, deels ondersteund door financiering vanuit de politie, een onderzoeksprogramma ontwikkeld waarin we beeldmateriaal gebruiken om inzicht te verwerven in de interacties tussen daders, slachtoffers en omstanders in uiteenlopende conflictsituaties, variërend van gewapende overvallen in de detailhandel tot opstootjes op straat. Omdat gedragsobservatie met beeldmateriaal in de criminologie nog nauwelijks gebruikt werd, hebben we methoden en technieken leren toepassen uit andere disciplines, zoals de gedragsbiologie en de ontwikkelingspsychologie.

In onderzoek naar overvallen in de detailhandel in Rotterdam en Amsterdam hebben we bestudeerd hoe interacties tussen overvallers en slachtoffers in sommige gevallen wel maar in andere gevallen niet tot gebruik van fysiek geweld leiden. Een belangrijke bevinding is de ondersteuning van het bestaande advies aan slachtoffers om de overvalsituatie te aanvaarden, en overvallers geen tegenstand te bieden (het RAAK principe).

Voor gedragsobservaties in het openbaar vervoer (in Denemarken) maken we gebruik van beeldmateriaal van bodycams, en onderzoeken we de rol van controleurs en passagiers in conflictsituaties. Vanuit de gedachte dat omstanders mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in zowel escalatie als de-escalatie van conflicten, bestuderen ook hun rol in detail.
We gaan binnenkort ook gedrag van politieagenten bestuderen. Met hulp van het team Technisch Toezicht van de eenheid Amsterdam hebben we beeldmateriaal verzameld van conflicten die zich op straat afspeelden onder het oog van toezichtscamera’s. Het gaat hier om beginnende conflicten die soms uit de hand lopen maar vaak ook met een sisser aflopen. In het merendeel van deze situaties observeren we de aankomst en de interventies van de politie. We leggen vast wat politieagenten precies doen en welke effecten die interventies hebben. Ook hier wordt de rol van omstanders meegenomen, zowel in relatie tot de conflictpartijen als in relatie tot de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De uitkomsten van het onderzoek zullen bruikbaar zijn in de opleiding van politiepersoneel. Zij kunnen empirische ondersteuning geven (evidence-based) aan bestaande instructies, maar kunnen ook inzichten verschaffen die aanleiding geven tot aanpassing van de inhoud van trainingen in conflicthantering.

13. Design Science onderzoek naar de opsporing
Karin Michiels en Coen Visser, operationeel specialisten Dienst Landelijke en Operationele Samenwerking, Politie Landelijke Eenheid

Het onderzoek
Er is wetenschappelijk gezien relatief weinig bekend over het verloop van opsporingsonderzoeken. In het voortraject van twee promotieonderzoeken is een model ontwikkeld dat de stand van zaken en de voortgang van een opsporingsonderzoek in beeld kan brengen vanaf de start tot de afronding. In de volgende onderzoeksfasen wordt rond dit model een protocol ontwikkeld om (1) sturing van opsporingsonderzoeken te verbeteren en (2) het delen van informatie in opsporingsonderzoeken te verbeteren.

In het algemeen verloopt de doorwerking van wetenschappelijk onderzoek binnen de politieorganisatie moeizaam. Om deze te vergemakkelijken is gekozen voor design science als onderzoeksmethodologie. Binnen design science wordt expliciet een verbinding gemaakt tussen aan de ene kant wetenschappelijke theorie en aan de andere kant een generiek praktijkprobleem.
Design Science

In de sociale wetenschappen wordt veel gebruik gemaakt van kwantitatief (statistisch) onderzoek en kwalitatief (beschrijvend/verklarend) onderzoek. In bedrijfskundige informatica, geneeskunde en bouwkunde wordt ook gebruik gemaakt van een constructieve onderzoeksmethodologie. Vanwege de mogelijkheid om kennis te ontwikkelen waarmee verbeteringen kunnen worden ontworpen, wordt deze methodologie ook sinds enige decennia toegepast in management- en organisatiewetenschappen.

De opsporing betreft een veelkleurig en fluïde onderzoeksobject. De vele kritische geluiden op het opsporingsproces en de wens voor verbeteringen zijn de afgelopen jaren niet van de lucht zoals is op te maken uit ‘Handelen naar Waarheid’, een sterkte- en zwakteanalyse die in 2016 in opdracht van het Programmateam Herijking Opsporing is opgesteld en het rapport van de Algemene Rekenkamer uit 2012 over de prestaties in de strafrechtketen. Het deelnemen aan opsporingsonderzoeken maakt het mogelijk de voortgang van opsporingsonderzoeken te bestuderen en was aanleiding ‘iets’ te bedenken wat handvatten geeft voor het structureren van een opsporingsonderzoek. Zoekende naar een passende methodologie is ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek onder de aandacht gekomen: Onderzoek dat zich niet alleen richt op het beschrijven en verklaren van typen veldproblemen maar zich vervolgens ook richt op het ontwikkelen en testen van generieke oplossingen voor die veldproblemen. Deze vorm van wetenschappelijk onderzoek levert generieke kennis voor het ontwerpen van oplossingen voor specifieke veldproblemen door de professionals die met die problemen te maken hebben. Omdat dit onderzoek door haar generieke aard geen kant-en-klare oplossingen biedt maar ‘slechts’ input voor het ontwerpen van specifieke oplossingen, wordt deze vorm van praktijkgericht onderzoek ook wel ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek genoemd. De onderzoekers werken bij dit type onderzoek zowel in een kennisstroom als in een praktijkstroom en halen inspiratie en voldoening uit de combinatie van beiden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De dialoogsessie laat een alternatieve onderzoeksmethode zien waarbij de nadruk ligt op de toepassing van ontwerpkennis in de praktijk. Dit betekent prescriptief onderzoek met gebruikmaking van kwalitatieve en kwantitatieve methoden van onderzoek en het ontwerpen en testen van een oplossingsstructuur voor het veldprobleem. Deze dialoogsessie toont de toepassing van een wetenschappelijke methodologie gericht op het ontwerpen van organisatorische verbeteringen.

14. Het NICHD-interviewprotocol en hoe dit kan bijdragen aan een betere samenwerking tussen Veilig Thuis en de politie
Deze dialoogsessie is vervallen.

15. Kinderen van criminelen uit de georganiseerde misdaad
Melvin Soudijn, operationeel specialist D Politie Landelijke Eenheid
Meintje van Dijk, promovenda Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)
Veroni Eichelsheim, senior onderzoeker Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR)

‘De appel valt niet ver van de boom’ is een herkenbaar spreekwoord. Kinderen lijken namelijk in diverse aspecten vaak op hun ouders. Bepaalde kenmerken of gedragingen kunnen zo van generatie op generatie worden overgedragen. Die overdracht kan in positieve zin plaatsvinden, maar ook in negatieve zin. Zo is gebleken dat criminaliteit kan worden doorgegeven of overgenomen: in diverse studies is aangetoond dat kinderen van criminele ouders, vergeleken met kinderen met niet-criminele ouders, een verhoogde kans hebben om zelf ook in de criminaliteit te belanden. Dat effect treedt niet alleen bij huis-tuin en keukencriminaliteit, maar ook bij zwaardere vormen van misdaad. Zo heeft pilotonderzoek naar een beperkt aantal kinderen (N=48) van plegers van georganiseerde misdaad in Amsterdam laten zien dat hun kinderen een zeer groot risico lijken te lopen om in de voetsporen van hun ouders te treden: ongeveer 90 procent van de zonen en 48 procent van de dochters staat zelf geregistreerd voor één of meer delicten (Van Dijk et al. 2018). Dit is reden tot zorg over deze groep kinderen en vormt de aanleiding om grootschalig vervolgonderzoek op te zetten naar een landelijke sample veroordeelde plegers van georganiseerde misdaad (N= 478) en hun kinderen (N= 722).

In de dialoogsessie presenteren we de resultaten van dit vervolgonderzoek en gaan we onder andere in op de mate van intergenerationele overdracht van criminaliteit bij zonen en dochters van zowel mannelijke als vrouwelijke plegers van georganiseerde misdaad, het relatieve risico op criminaliteit ten opzichte van andere kinderen (met en zonder criminele ouders) in Nederland, de typen gepleegde delicten door ouders en kinderen en of bepaalde delict typen een hoger risico hebben op intergenerationele overdracht in deze groep. Na de presentatie van de bevindingen gaan we door middel van een interactief debat in gesprek met de aanwezigen over wat de resultaten betekenen voor de politiepraktijk. De studie is een gezamenlijk initiatief van de politie en het NSCR.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Bewustmaking van risico’s op intergenerationele overdracht bij georganiseerde misdaad. Nadenken over interventies binnen gezinnen waarbij de ouders nadrukkelijk binnen de georganiseerde misdaad betrokken zijn.

16. Onder de Loep: het effect van een slachtofferverklaring en de ernst van een misdrijf op de meldingsbereidheid van burgers
Wendy Schreurs, promovenda (proefschrift afgerond op 1 april 2019) Universiteit Twente
Sterre ten Berge, opsporingscommunicatie Politie eenheid Oost-Nederland

Veel zaken worden opgelost met behulp van burgers. Eén manier om burgers te betrekken bij het oplossen van misdrijven, is het inzetten van opsporingscommunicatie via televisieprogramma’s zoals Onder de Loep en Opsporing Verzocht. Het inzetten van burgers wordt steeds belangrijker en de politie kan hier, door de grote toename aan beschikbaar beeldmateriaal, slim op in spelen. De meldingsbereidheid van burgers kan afhankelijk zijn van hoe misdrijven in zulke programma’s worden weergegeven. Zijn burgers bijvoorbeeld eerder bereid iets te melden als het om een moreel verwerpelijker misdrijf gaat, of als er een slachtoffer uitlegt wat de impact van het misdrijf op hem/haar is geweest? In deze studie hebben we in samenwerking met Onder de Loep vier video’s gemaakt waarin werd gemanipuleerd welk misdrijf de respondenten te zien kregen (fietsendiefstal of babbeltruc) en of er wel of geen slachtofferverklaring werd uitgezonden. In totaal keken 100 deelnemers naar een van de vier ‘Onder de Loep’-video’s; 63 deelnemers namen ook deel aan de tweede fase in samenwerking met het Mobile Media Lab, waarbij ze op straat “toevallig” werden blootgesteld aan de verdachte uit de video en de mogelijkheid kregen om deze informatie te melden. Na het bekijken van de video, werden het feitelijke meldgedrag van de respondent, zijn bereidheid om in de toekomst te melden en in te grijpen gemeten en de relatie met mogelijk onderliggende psychologische factoren (waargenomen morele verwerpelijkheid, morele waarden, morele emoties en eerder melden en ingrijpen) onderzocht.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek kan een bijdrage leveren aan hoe de politie instrumenten als opsporing verzocht, of regionale versies als Onder de Loep in de toekomst in kan zetten. Dit was een van de eerste studies om het feitelijke meldgedrag van burgers na het bekijken van opsporingscommunicatie televisieprogramma’s te meten. De opgedane inzichten kunnen worden gebruikt als startpunt voor toekomstig onderzoek over dit onderwerp en voor tv-programma’s over criminaliteit om de bereidheid van burgers en het feitelijke rapportagegedrag te vergroten.

17. Flexibel Rechercheren: oude wijn of revitaliserend bruiswerk?
Peter Klerks, raadadviseur Openbaar Ministerie, Parket-Generaal
Lisanne Kramer, recherchekundige / operationeel specialist Politie eenheid Zeeland-West-Brabant
Gerben Euwijk, operationeel specialist B Politie eenheid Zeeland-West-Brabant

In de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant introduceerde de Dienst Regionale Recherche in 2015 het concept Flexibel Rechercheren (FR). Dit komt neer op het herontdekken van traditioneel recherche-vakmanschap en het pakken van kansen. Een training en voortdurende aandacht moest een eind maken aan vrijblijvendheid. Gerard Hertsenberg en Peter Klerks onderzochten voor het landelijk programma Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen (TOV) samen met recherchekundige Lisanne Kramers (ZWB) het Flexibel Rechercheren op kernelementen, waardering en effectiviteit door middel van interviews en dossierstudie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Meerdere eenheden en rechercheafdelingen onderzoeken momenteel de toepasbaarheid van FR. Het onderzoek kan bijdragen aan vernieuwing van de recherche, opmerkelijk genoeg door traditionele vaardigheden en attitudes opnieuw centraal te stellen.

18. Predictieve textmining in politieregistraties naar cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit
Nikolaj Tollenaar, onderzoeker WODC
André van der Laan, senior onderzoeker WODC
René Hesseling, operationeel specialist D / senior-onderzoeker Politie eenheid Den Haag

In deze studie is onderzocht of het mogelijk was een machine learning model te ontwikkelen om politieregistraties in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) die betrekking hebben op cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit te classificeren. Met dat model is de omvang van deze online criminaliteit in de BVH-registratie van 2016 geschat. Tevens zijn de achtergrondkenmerken beschreven van bekende verdachten bij deze registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit. Het onderzoek richt zich op registraties van drie typen cybercriminaliteit (hacken, ransomware en DDoS-aanvallen) en vijf typen gedigitaliseerde criminaliteit (online bedreiging, online stalken, online smaad/laster/belediging, online identiteitsfraude en online aan- en verkoopfraude).

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat predictieve textmining (PTM) bruikbaar is om accuraat registraties als (één of meerdere van de acht) online delicten te classificeren. En onder voorwaarden is het ook mogelijk om binnen een 95%-betrouwbaarheidsinterval omvangschattingen te geven van de aantallen registraties betreffende cyber- en gedigitaliseerde delicten in de BVH-2016. Omdat strenge eisen moeten worden gesteld aan de precisie van het classificeren om achtergrondkenmerken van verdachten te kunnen beschrijven, bleek het model alleen registraties van hacken, ransomware en online aan- en verkoopfraude voldoende accuraat te kunnen classificeren. We verwachten dat het ontwikkelde ML-model bruikbaar kan zijn voor trendonderzoek, wel is daarvoor nader onderzoek nodig. Door te verwachten veranderingen in de verschijningsvorm van cybercriminaliteit en veranderingen in de (kwaliteit van de) registratiebron is het noodzakelijk het model voor andere jaren te updaten. Dat vraagt de nodige investeringen.

De werkwijze, methode en resultaten van het onderzoek zullen worden gepresenteerd. Daarnaast zal de bruikbaarheid van het ontwikkelde model en de omvangschattingen worden bediscussieerd.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

PTM en het ontwikkelde ML-model kan bruikbaar zijn als voorsorteer-tool om uit de BVH-registraties van cyber- en gedigitaliseerde criminaliteit te halen.

19. Wanneer blaffende honden bijten. Een onderzoek naar de verschillen tussen fataal huiselijk geweld en huiselijk geweld zonder dodelijke afloop
Christine Boelema, junior onderzoeker, Institute for Security and Global Affairs, Universiteit Leiden

Jaarlijks zijn ongeveer 200.000 slachtoffers van huiselijk geweld te betreuren. In sommige gevallen loopt het fataal af: in Nederland vindt ongeveer 30 procent van alle moorden plaats in gezinsverband. Eerder huiselijk geweld vormt één van de belangrijkste voorspellers van fataal huiselijk geweld. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de risicofactoren die huiselijk geweld onderscheiden van fataal huiselijk geweld. Dergelijk onderzoek kan de politie in haar dagelijkse taken ondersteunen, omdat zij vaak de eerste responders zijn bij een melding van huiselijk geweld. Zo kan de politie geholpen worden bij het inschatten van de situatie en samen met Veilig Thuis interventies aanbieden ter voorkoming van een verdere escalatie van (mogelijk) fataal geweld, bij zowel partners als bij kinderen.

Het Institute of Security and Global Affairs, Universiteit Leiden, heeft een verdiepend dossieronderzoek gedaan naar geweld tegen partners en kinderen. Op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze is gekeken naar de risicofactoren dat huiselijk geweld van fataal huiselijk geweld onderscheidt. Deze dialoogsessie zal, op basis van de onderzoeksresultaten, een voorzet geven in de discussie naar het vinden van strategieën die kunnen bijdragen aan het voorkomen van fataal huiselijk geweld.

20. Betrokkenheid en verbondenheid in de integrale aanpak overlast en jeugdcriminaliteit
Anne van Uden, docent Universiteit Leiden
Jan Dirk de Jong, lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden
Marco den Dunnen, operationeel specialist A Politie eenheid Rotterdam

Tijdens deze dialoogsessie worden twee onderzoeken gepresenteerd: één vanuit het perspectief van de politie en één vanuit het perspectief van de jongeren.
Politie

Anne van Uden vertelt over de voorlopige resultaten van haar promotieonderzoek. Zij onderzocht de politieaanpak van jeugdgroepen en de vraag wat daarin goed politiewerk is. Voor het onderzoek bestudeerde zij drie Nederlandse politieaanpakken. Uit het onderzoek blijkt dat de politie in haar werk rekening moet houden met meerdere waarden. Deze waarden en de verschillende manieren waarop de politie zich daar rekenschap van kan geven, vullen elkaar aan, maar staan tegelijkertijd op gespannen voet met elkaar. In dit complexe samenspel speelt het tonen van betrokkenheid door politiemensen een cruciale rol en in de presentatie wordt getoond hoe politiemensen dat doen.

Jongeren
Jan Dirk de Jong en Marco den Dunnen belichten juist het perspectief vanuit jongeren. Een jongere ‘van de straat’ bepaalt doorgaans snel: Heeft deze professional me gehoord? En is wat ik zei van betekenis voor hem of haar? De beleving van verbondenheid blijkt al jaren van cruciaal belang bij de aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit. In deze presentatie draait het om het onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden naar verbondenheid. De vraag is of een kwetsbare jongere het gevoel krijgt dat hij of zij echt wordt gezien, erbij hoort en ertoe doet. De essentie is of die beleving komt van positieve of negatieve krachten. Het kwantitatief meten daarvan is geheel nieuw en heeft veel praktische implicaties om de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit verder te helpen!

Wat betekenen de onderzoeken voor de toekomst van de politie?
Beide onderzoeken laten zien dat contact en de wijze waarop politiemensen met burgers omgaan een belangrijke rol spelen binnen het werk van de politie. Dat is relevant voor de politiepraktijk. Tevens bieden de onderzoeken aanknopingspunten voor de vraag hoe goed politiewerk ‘meetbaar’ kan worden gemaakt en kunnen de onderzoeksresultaten worden gebruikt om de kwaliteit van de werkrelatie met jeugd inzichtelijk te krijgen en daar beter op te sturen. Tot slot kan de politie de onderzoeksuitkomsten benutten voor de samenwerkingsrelatie met ketenpartners binnen de integrale aanpak, in het bijzonder in het sociale domein.

21. Doorvoer van cocaïne via Nederland
Irma Vermeulen en Wouter van der Leest, onderzoekers Afdeling Analyse en Onderzoek, Politie Landelijke Eenheid
Vanessa Dirksen, onderzoeker Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica

In opdracht van de portefeuillehouder drugs van de politie is onderzoek gedaan naar de doorvoer van cocaïne via Nederland. De import van cocaïne in Nederland is grotendeels in beeld, aangezien de opsporing in Nederland zich vooral op die import richt. De doorvoer van cocaïne via Nederland vormde echter een blinde vlek, en dat terwijl de hoofdmoot van de in Nederland ingevoerde cocaïne bestemd is voor de buitenlandse afzetmarkt. Een (integrale) aanpak is gebaat bij het kunnen verstoren van de hele criminele cocaïneketen en dus ook het kunnen verstoren van de doorvoer.

Het onderzoek heeft niet alleen de belangrijkste vormen van doorvoer en bestemmingen inzichtelijk gemaakt. Ook is meer inzicht verkregen in de werking van de cocaïnemarkt, de cruciale rol van de transporteur en van Nederland als distributiecentrum voor verschillende verdovende middelen.

Wat betekent je het voor de toekomst van de politie?
Het kan opsporingsonderzoeken context bieden, evenals context om te komen tot een integrale aanpak van (de ondermijnende werking van) de cocaïnehandel.

22. Ondersteunende technologie voor politie(vaardigheidstraining)
Randy Klaassen, Merijn Bruijnes en Dirk Heylen, onderzoekers Human Media Interaction Universiteit Twente
Robbert Rietveld Wunderink, Innovatie Inspirator, Directie Operatien Politie Staf Korpsleiding

Technologie kan opsporingsambtenaren op verschillende gebieden ondersteunen. In deze dialoogsessie bespreken we ontwikkelingen op het gebied van het toepassen van technologie in het opsporingsveld aan de hand van een aantal voorbeelden. Hierbij kan men denken aan het toepassen van spraakherkenningstechnologie waarmee het verhoor ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door het automatisch te transcriberen en doorzoekbaar te maken. Daarnaast bespreken wij toepassingen binnen het vaardigheidsonderhoud en de opleiding. Denk hierbij aan serious games waarmee politieagenten getraind kunnen worden in verhoorvaardigheden en virtual reality installaties waarmee geoefend kan worden met bijvoorbeeld reanimatie of het veiligstellen van materiaal en sporen. Tijdens de dialoogsessie kunnen de deelnemers zelf ervaring op doen met de huidige toepassingen die ontwikkeld worden binnen de vakgroep Human Media Interaction aan de Universiteit Twente. Tijdens de dialoogsessie nodigen we de deelnemers graag uit om samen te brainstormen waar soortgelijke toepassingen ingezet kunnen worden binnen de opsporingsdiensten.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het krijgen van een overzicht van technologieën en voorbeeld van ontwikkelingen die toepasbaar zijn binnen de opsporingsdiensten. Deze ontwikkelingen kunnen leiden tot efficiëntere en betere opleiding, training en uitvoering van het opsporingswerk.

23. Vluchtelingen onder de loep: Risicotaxatie op basis van big data. Een onderzoek naar de waardengedreven en procesmatige achtergrond van risicotaxatietooling binnen het veiligheidsdomein
Jeffrey Seij, onderzoeker Erasmus Universiteit Rotterdam
Mieke Struik, analist Taskforce Vreemdelingen en Migratiecriminaliteit Politie

Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA)
De vluchtelingencrisis speelde de afgelopen jaren een bijzonder grote rol binnen de samenleving. Belangrijk hierbij was een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Risicoprofilering middels risicotaxatietooling zou dit positief kunnen beïnvloeden en vandaar ook dat men ging inzetten op dergelijke kansrijke technologische ontwikkelingen binnen de vreemdelingenketen. Dit heeft onder meer geresulteerd in de creatie van hetgeen hier in dit onderzoek onderzocht is: het Risicotaxatie-Instrument Asielzoekers (RIA). Hiermee wordt in essentie beoogd om binnen de eerste fase van het asielproces de besluitvormers te ondersteunen door middels veel data een risico-inschatting te produceren betreffende onder meer de kwaadwillendheid en kwetsbaarheid van een vluchteling.

In relatie hiertoe zijn er veel invloedrijke aspecten die de beoogde technologische vooruitgang op instrumentniveau significant kunnen stagneren. Deze kunnen op basis van hun veronderstelde uitwerking worden gecategoriseerd in twee groepen. Ten eerste de waardengedreven inhoudskant, welke voornamelijk verwijst naar factoren die specifiek ingaan op de waarden die men toekent aan de gebruikte data en het model zelf. Daarnaast de procesmatige clusterkant, waartoe factoren behoren die gerelateerd zijn aan het proces van ontwikkeling.
Deze categorieën zijn van belang voor de centrale vraagstelling binnen dit onderzoek: ‘Welke waardengedreven en procesmatige factoren hebben invloed op de succesvolle ontwikkeling van risicotaxatietools binnen het veiligheidsdomein?’. In deze dialoogsessie presenteer ik samen met Mieke mijn bevindingen en ervaringen aan de hand van het onderstaande conceptuele model. Daarnaast gaan wij graag met de aanwezigen in gesprek over hun visie omtrent een datagedreven Nationale Politie en de rol van risicotaxatietooling hierbinnen.
‘Datagedreven politiewerk zal de toekomst van de Nationale Politie dicteren’

Vanwege de bedreigende risico’s van jihadisten die meereizen met vluchtelingenstromen, is een efficiënte, effectieve en verantwoorde omgang van vluchtelingen bovenmatig van belang. Datagedrevenheid gaat hierbij een steeds grotere rol spelen en dit is dan ook direct één van de redenen waarom dit onderzoek relevant is voor de toekomst van de Nationale Politie. Er wordt namelijk op landelijk niveau bijzonder hard ingezet op het werken met grote hoeveelheden data en de daarop gebaseerde profilering. In relatie hiertoe geven diverse gerenommeerde onderzoekers zelfs aan dat als deze ontwikkelingen competent en coherent worden doorgezet, dit de toekomstige rol van politiewerk zal dicteren.

Daarnaast is er middels dit onderzoek beoogd om de maatschappelijke discussie aangaande het toenemende gebruik van big data en de hierop gebaseerde handelingen te voeden. Hiermee wordt onder meer gedoeld op het spanningsveld tussen veiligheid aan de ene kant en privacy tezamen met ethiek aan de andere kant. Ondanks dat dit wel in het achterhoofd van veel mensen speelt, krijgt dit thema relatief weinig aandacht waardoor duidelijke grenzen ontbreken en het thema zich in een grijs gebied blijft verkeren. Dit is nadelig voor de Nationale Politie, maar ook voor de samenleving als geheel.

24. Een efficiëntere noodhulpfunctie, het is mogelijk!
Astrid Scholtens, onderzoeker Crisislab
Ira Helsloot, hoogleraar Crisislab

Regelmatig zijn er signalen dat de politiecapaciteit te beperkt is om al het politiewerk uit te voeren. De wissel die de noodhulp (spoedeisende meldingen) op die capaciteit trekt zou een belangrijke oorzaak zijn. Samen met vier basisteams heeft Crisislab in opdracht van Politie en Wetenschap daarom drie experimentele werkwijzen voor de noodhulpfunctie ontwikkeld die tot een efficiëntere inzet van de politiecapaciteit zouden kunnen leiden.

De werkwijzen zijn een uitwerking van een van twee hoofdrichtingen. De eerste hoofdrichting is om noodhulpeenheden door gerichte sturing meer werk te laten verrichten ‘tussen de meldingen door’. De tweede is het opheffen van de specifieke noodhulp suborganisatie door alle uitvoerende politiefunctionarissen die in dienst zijn, te laten reageren op meldingen. Hierdoor kan al het reguliere werk verdeeld worden over iedere in dienst zijnde politiefunctionaris.

De werkwijzen zijn in drie basisteams (tijdelijk) geïmplementeerd en aan de hand van een nul- en éénmeting op implementeerbaarheid en efficiency(winst) getest.
Een eerste conclusie is dat momenteel politieleidinggevenden niet in staat lijken werkelijk sturing te geven om hun medewerkers aan te sturen zodat de eerste hoofdrichting weinig kansrijk is.
Het opheffen van de noodhulp suborganisatie blijkt wel te kunnen leiden tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk. Het blijkt dan overigens ook dat er momenteel niet genoeg zinvol werk kan worden gegenereerd om alle uitvoerende politiefunctionarissen aan het werk te houden.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Zoals gezegd leidt het afschaffen van de noodhulp tot een aanmerkelijk effectievere en efficiëntere politieorganisatie, waarin uitvoerende politiemedewerkers een meer integrale verantwoordelijkheid voelen en nemen voor het politiewerk.

Om definitief over te (kunnen) gaan tot het afschaffen van de noodhulp is binnen de politie een paradigmashift nodig. Om dit kans van slagen te geven is een belangrijke taak voor de (team)leiding weggelegd. Maar … is de politie daartoe wel in staat?

25. Shishalounges: de problematiek en de aanpak
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

26. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over WhatsAppgroepen
Ronald van Steden, universitair hoofddocent Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Shanna Mehlbaum, zelfstandig onderzoeker Mehlbaum Onderzoek Sherwin Tjin-Asjoe, teamchef, Politie eenheid Noord-Holland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan alledaagse inbraken die veel impact op het veiligheidsgevoel van mensen hebben en hen daarom verenigen in WhatsApp-preventiegroepen. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.

Ronald van Steden en Shanna Mehlbaum concluderen op basis van hun recente onderzoek dat WhatsApp-preventiegroepen goed zijn voor de sociale cohesie in de buurt, maar dat je er nauwelijks boeven mee vangt. Politie en gemeenten hebben wel baat bij dergelijke groepen. De politie kan buurtbewoners trainen in het melden van verdachte situaties en hoe ze hiermee om kunnen gaan. Het onderzoek wijst uit dat begeleiding en training van de politie helpt om ongewenste situaties, zoals eigenrichting of uitsluiting, te voorkomen.
Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?

Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals zichzelf organiserende burgers om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn. Mehlbaum Onderzoek voert projecten uit voor onder andere gemeenten, politie en wetenschap, provincies en universiteiten.

27. Veerkrachtig politiewerk in turbulente tijden: over polarisatie
Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam, Institute for Societal Resilience, Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht
Ronald Zwarter, lid eenheidsleiding Politie eenheid Noord-Nederland

De politie heeft op lokaal niveau te maken met uiteenlopende uitdagingen: denk bijvoorbeeld aan polarisatie dat tot spanningen, segregatie en conflicten tussen bevolkingsgroepen kan leiden. Binnen het VU Institute for Societal Resilience (in het bijzonder de Kenniswerkplaats Veiligheid en Veerkracht) doen we, in samenwerking met externe partners, onderzoek naar deze kwesties vanuit de vraag hoe publieke organisaties, waaronder de politie, in staat zijn zich in turbulente tijden staande te houden, aan te passen en voor een gezond functionerende samenleving te zorgen.
Jacquelien van Stekelenburg en Ronald Zwarter gaan in op processen van polarisatie. Het begrip polarisatie wordt in het huidig tijdsgewricht veel gebezigd, maar wat verstaan we precies onder polarisatie, welke mechanismen en processen liggen er aan ten grondslag, wat is de invloed van geopolitieke spanningen en hoe kunnen we hier in de samenleving en organisaties mee omgaan? Dit zijn allemaal onbeantwoorde vragen met grote relevantie voor de politie.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Het onderzoek geeft handvatten (diagnose/behandeling) aan de politie om met vraagstukken zoals polarisatie om te gaan. Het Institute for Societal Resillience aan de Vrije Universiteit Amsterdam beschikt over veel kennis en expertise die voor de strategievorming, het beleid en het dagelijks functioneren van de politie en haar maatschappelijke partners relevant zijn.

28. De mogelijkheden van netwerkprofilering op individueel niveau
Lydia ter Haar, docent-onderzoeker Politieacademie
Marlies van den Berg, FSNA praktijkonderzoeker FPC Dr. S. van Mesdag

Binnen de forensische psychiatrie is er groeiende aandacht voor persoonlijke netwerkbenaderingen. Door aandacht te hebben voor het relationele verhaal (narratief) van de forensisch psychiatrische patiënt en zijn netwerk krijgt het behandelteam meer inzicht in cruciale netwerkfactoren die het behandelsucces en de resocialisatiemogelijkheden van de patiënt beïnvloeden. Het onderhavig promotieonderzoek beschrijft een Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA) benadering. Deze benadering is gebaseerd op inzichten vanuit de risicotaxatie en –management literatuur gecombineerd met inzichten vanuit de wetenschappelijke discipline Sociale Netwerk Analyse (SNA) en gerelateerde netwerktheorieën. Binnen een FSNA onderzoek wordt het netwerk van de patiënt beschreven en geanalyseerd ten tijde van de delictperiode en gedurende de behandeling. Daarnaast worden verwachtingen in kaart gebracht over de netwerksituatie bij een eventuele terugkeer van de patiënt in de samenleving. Voor het verzamelen van de netwerkgegevens is het FSNA-interview ontwikkeld. De patiënt en meerdere geselecteerde netwerkleden worden geïnterviewd. Er is bijvoorbeeld gedetailleerde informatie nodig over of en op welke manier het netwerk van de patiënt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het delict. Bovendien is het belangrijk te weten of de mensen die ten tijde van het delict een rol in het leven van de patiënt speelden, nu nog steeds een rol vervullen in het netwerk.

In het promotieonderzoek is op casusniveau onderzocht in hoeverre netwerkkenmerken in de loop ter tijd veranderen en in hoeverre deze eventuele veranderingen als beschermend of risicovol voor toekomstig risicovol gedrag kunnen worden gezien.

Tijdens de dialoogsessie wordt aan de hand van een praktijkcasus de belangrijkste onderliggende theoretische en praktische concepten van de FSNA benadering uitgelegd. Wij willen samen met de deelnemers brainstormen over hoe een dergelijke benadering een bijdrage kan leveren binnen de politie. In de afgelopen jaren is de FSNA al in enigszins aangepaste vorm toegepast bij meerdere cold case onderzoeken, maar waar liggen nog meer kansen?

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De toepassing van sociale netwerk analyse op individueel niveau staat in de forensische praktijk nog in de kinderschoenen. Dit staat op gespannen voet met de bestaande inzichten dat bij het bestuderen van crimineel gedrag de analyse van sociale relaties van groot belang is. Een samenwerking tussen onderzoekers van verschillende forensische domeinen – zoals samenwerking tussen de politie en forensisch psychiatrische centra – is van toegevoegde waarde om dit onderzoeksdomein verder te ontwikkelen.

29. Beter geïnformeerd oordelen in lastige situaties
Teresa Cardoso Ribeiro, strategisch adviseur en leiderschapstrainer bij de Universiteit Leiden / L&D, Publidox advies, training en strategisch management
Michel Bravo, hoofd Strategie DG Pol, Ministerie van Justitie en Veiligheid

De methode die wij in de dialoogsessie kunnen aanreiken, nodigt uit om meer ‘hands on’ gebruik te maken van het beschikbare onderzoek dat duiding geeft aan en verklaringen biedt voor lastige vraagstukken waar de politie mee te maken heeft. Het creëert urgentie om naar onderzoek op zoek te gaan. Daarmee is het juist gericht op het helpen integreren van de doelstelling van de conferentie in het dagelijks werk. Het laat deelnemers zelf ervaren waarom het van meerwaarde is voor hun werk.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Als je de werkwijze van de dialoogsessie breed inzet binnen de politieorganisatie, dan kun je het ook als onderzoekstool gebruiken om te inventariseren waar de behoefte aan versterking zit bij de professionals van de politie die onderzoek/evidence willen benutten bij hun werk. Dit kan bijvoorbeeld ook te maken hebben met het hebben/bouwen aan een relevant kennisnetwerk. Op basis daarvan kun je hen vervolgens gericht ondersteunen.

30. Onderzoek naar sociale netwerken die zich uiten over geweldsaanwending door de politie en hun associaties daarbij
Kevin Willemsen, onderzoeker EMMA | Experts in Media en Maatschappij & Communicatie Politie
Rianne de Vries, adviseur communicatieonderzoek, Dienst Communicatie Politie

EMMA | Experts in Media en Maatschappij heeft voor de politie een analyse gemaakt van sociale netwerken die zich roeren rondom het thema ‘geweldsaanwending door de politie’. Tevens is in kaart gebracht welke associaties ze bij dit thema hebben. De analyses zijn uitgevoerd in opdracht van de politie.

De analyse laat zien dat er sprake is van verschillende ‘kampen’ in de online berichtgeving (in dit geval geanalyseerd op Facebook). Er zijn kampen die zich verzamelen rondom accounts van de politie en het gebruik van geweld over het algemeen steunen. Daarentegen zijn er ook groepen mensen die geweldsaanwending zien als een teken van etnisch profileren of discriminatie. Deze groepen kijken elk heel anders aan tegen nieuws over de politie. Er is binnen deze groepen veel contact, maar tussen deze groepen veel minder.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De resultaten van het onderzoek geven de politie inzicht in hoe haar communicatie effectief kan worden gericht op de informatiebehoefte van verschillende groepen in de samenleving. Sommige netwerken zijn makkelijker te bereiken dan andere en daar moet een verschillende toon voor worden aangeslagen. Bovendien levert de methode op zichzelf inzicht in de dynamiek die zich voordoet op sociale media met het oog op voor de politie relevante thema’s. Het onderzoek vestigt tevens aandacht op slimme data-combinaties om publiekscommunicatie te versterken.

31. Communicative Policing in een nieuwe wereld
Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid, Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid, Hogeschool Inholland
Hans Moors, directeur EMMA – Experts in Media en Maatschappij
Jaco van Hoorn, directeur Operatiën, Staf Korpsleiding Politie

Het is de hoogste tijd dat de politie zich beweegt van community policing naar communicative policing, zo stelde Innes (2002) al in het begin van deze eeuw. Dat advies lijkt sindsdien alleen maar in belang te hebben gewonnen: door de social media revolutie die zich sindsdien voltrok, maar ook door de – deels daarmee samenhangende – veranderingen in het politieke en maatschappelijke klimaat. Beelden lijken steeds belangrijker te worden dan feiten. En het lijken vooral die beelden te zijn die politieke en maatschappelijke impact hebben. Hoe acteert de politie daarin? In hoeverre stuurt de politie ook op dergelijke beelden? Is de politie zich daarbij voldoende bewust van de effecten? In hoeverre gebruiken politie (en politiebonden!) dergelijke beelden ook als middel in het vraagstuk van ‘probleemdefinitie’, het vraagstuk dat volgens Beck (2018) een sleutelrol speelt in de kosmopolitische risicosamenleving? Blijft het leidend motto ‘waakzaam en dienstbaar aan de kernwaarden van de rechtsstaat’ daarbij onverkort overeind? De bijdrage is gebaseerd op een combinatie van onderzoeken, waaronder het lopende promotieonderzoek Public Reactions to Crime, een analyse van de communicatie over de jaarwisseling 2018/2019, lopend onderzoek naar Digitale Buurtpreventie in Rotterdam en het onderzoek Effecten van de communicatie rond de aanpak van woninginbraken (Eysink Smeets et al, 2017).

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie? Scherper bewustzijn van de gewilde en ongewilde doorwerking van politiecommunicatie, zowel op strategisch als uitvoerend niveau.

32. Vingersporen, de bron en verder
Deze dialoogsessie is komen te vervallen.

33. Hoger opgeleiden binnen de politie: Luctor et emergo
Teun Meurs, promotieonderzoeker Hogeschool Arnhem Nijmegen / docent Politieacademie
Daffney Dekker, operationeel specialist B Politie eenheid Midden-Nederland

Deze dialoogsessie gaat over mijn promotieonderzoek naar de professionele rol van hoger opgeleiden binnen de politie. Samen met participant Daffney Dekker bespreek ik ten eerste de worsteling van studenten en afgestudeerde bachelors binnen de recherche- en basisteams op het gebied van hun positie, identiteit en handelingsperspectief. Hiertoe worden de ervaringen van Daffney en andere participanten geduid met behulp van het bestuurskundig concept ‘hybride professionaliteit’. Ten tweede zoomen we – wederom aan de hand van Daffney’s ervaringen – in op de wijze waarop hoger opgeleiden gaandeweg grip krijgen op hun hybride positie, identiteit en handelingsperspectief. Met betrekking tot het laatste presenteren we tenslotte het concept ‘Actieonderzoekend Vermogen als politiespecifieke variant van het – in het HBO – invloedrijke perspectief van ‘Onderzoekend Vermogen’. Hiermee bieden we een handelingsperspectief dat hoger opgeleiden en hybride professionals meer houvast kan geven bij het invullen van hun verbindende rol binnen de beroepsuitoefening.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
Dit onderzoek draagt ten eerste bij aan het beter begrijpen van de beoogde meerwaarde en de belangrijkste uitdagingen van hoger opgeleide professionals binnen de politie. Dit kan worden gebruikt door hoger opgeleiden zelf om hun verbindende rol betekenisvol in te vullen. Ook kan het worden gebruikt door leidinggevenden om hoger opgeleiden gericht te coachen en door het onderwijs om hoger opgeleiden te scholen en beter voor te bereiden op hun taak.

34. Bewegen in opsporen
Wouter Landman, onderzoeker en adviseur Twynstra Gudde
Roderik Kouwenhoven, onderzoeker en adviseur Roderik Kouwenhoven Consultancy

Tijdens deze dialoogsessie geven wij inzicht in de (dan nog niet gepubliceerde) inzichten van anderhalf jaar actieonderzoek binnen de opsporing in opdracht van Politie en Wetenschap. We presenteren deze inzichten in de vorm van patronen in de manier van werken, organiseren en veranderen die de ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing belemmeren dan wel bevorderen. Hierbij kan worden gedacht aan een (belemmerend) patroon als een ‘straatperspectief op de opsporing’ (werkpatroon) of het ‘fragmenteren van werksystemen’ en aan bevorderende patronen als ‘meervoudig sturen’ en ‘diepgaand veranderen’. We lichten de werking van de patronen toe en illustreren deze met voorbeelden uit de praktijk. De deelnemer krijgt een raamwerk van patronen aangereikt waarmee naar de eigen opsporingspraktijk kan worden gekeken. De bevorderende patronen bieden handelingsperspectief om de eigen praktijk te ontwikkelen.

Wat betekent het onderzoek voor de toekomst van de politie?
De ontwikkeling of vernieuwing van de opsporing is een van de belangrijkste prioriteiten van de huidige korpsleiding. Hoewel er tegenwoordig veel nadruk ligt op de rol die technologie hierbij kan spelen, is het ook essentieel om inzicht te hebben in de organisatiepatronen die belemmeren of helpen bij het vernieuwen van de opsporing. Ons onderzoek draagt bij aan dit inzicht en kan daarom hopelijk bijdragen aan de toekomst van de politie.

[slideshare id=140312265&doc=overzicht-dialoogsessies-conferentie-090419-190410135148&type=d]

Bron: Conferentie politieonderzoek

True crime-podcasts schieten als paddenstoelen uit de grond

‘De wereld van Sofie’ besteedde op de VRT radio aandacht aan cold cases en true crime podcasts. Onopgehelderde zaken die aandacht krijgen in de media, en steeds vaker op nieuwe manieren via podcasts of op Netflix. Denk aan The Teacher’s Pet, Making a Murdere, The Keepers of Serial. Het parket probeerde in Belgie de uitzending van VTM over een cold case te verhinderen. Spanningen tussen pers en parket zijn niet ongewoon.?Soms geraken journalisten zo gefascineerd door een zaak, dat ze zelf op onderzoek uit gaan, zoals Kurt Wertelaers deed in de zaak Sally Van Hecke?en Sanne Boer van Argos VPRO bij “De Moord op Patrick“. Deze zaken hebben een grote aantrekkingskracht op veel mensen.

Journalist?Kurt Wertelaers?raakte gefascineerd door de moord op de 20-jarige Sally Van Hecke. Ze werd in 1996 vermoord in Antwerpen. In 2017 werd het onderzoek heropend, mede dankzij zijn onderzoek. Wertelaers maakte er voor VTM het programma ?Cold Case? over. Wat drijft hem in deze zaak?

Ine Van Wymersch?(woordvoerder parket Brussel) geeft uitleg over ?cold cases? en wanneer onderzoek opnieuw opgestart wordt. Hoe ziet zij de verhouding tussen onderzoeksjournalistiek en het gerechtelijk onderzoek? Het Antwerpse parket probeerde namelijk de uitzending van ?Cold Case tegen? te houden, omdat de uitzending mogelijk het verdere onderzoek zou kunnen schaden? Journalisten komen regelmatig met interessante hypotheses en scenario’s. Daarbij dient het proces niet in het gedrang te komen en de privacy van verdachten, getuigen en slachtoffers niet in het geding komen.

Het oproepen tot getuigen en het inschakelen van het publiek leidt tot grotere opsporingspercentages. Podcasts doen dit zelf ook, zoals de Australische podcast The Teacher’s Pet die na 30 jaar tot een oplossing kwam:

https://www.youtube.com/watch?v=sBoaZLTPF18

The Teacher’s Pet is een podcast die sinds mei 2018 door de Australische journalist?Hedley Thomas online is gebracht. De podcast vertelt over en is zelf ook een platform voor het onderzoek naar de verdwijning van Lynette Dawson. Lynette was de vrouw van rugbyspeler en leraar Chris Dawson en verdween spoorloos in 1982. Het onderzoek onthulde veel details, zoals over het huwelijk, de verdwijning, de buitenechtelijke affaire tussen Chris Dawson en een zestien jaar oud schoolmeisje, seksueel wangedrag tussen leraren en studenten op Cromer High en andere openbare middelbare scholen, tekortkomingen in het politieonderzoek, het effect op de betrokken families en de onwil van het openbaar ministerie om Dawson als verdachte te zien ondanks twee onderzoeken waarin wordt geconcludeerd dat Lynette Dawson dood zou moeten zijn en waarschijnlijk door haar man werd gedood.

De serie begon in mei 2018 en eindigde in augustus 2018 na 14 afleveringen. Journalist Hedley Thomas vertelt in zijn podcast dat de serie grote hoeveelheden bewijsmateriaal onthulde dat niet naar boven kwam door politieonderzoeken. Eind 2018 werden nog twee afleveringen toegevoegd, omdat een nieuwe opgraving nieuw bewijs bracht in het oude Bayview-huis van Dawson. De tweede podcast behandelde tenslotte de arrestatie van Dawson op 5 december door de politie van Queensland. Dawson werd vervolgens uitgeleverd aan Sydney, en kwam op 17 december 2018 op borgtocht vrij ($1,5 miljoen).

De serie had meer dan 28 miljoen downloads en was de nummer ??n Australische podcast en bereikte ook de nummer ??n in Groot-Brittanni?, Canada en Nieuw-Zeeland.

In Nederland maakt journaliste?Sanne Boer?de true crime podcast ?De moord op Patrick? voor het Radio 1-programma Argos. Ze brengt het verhaal van een tennisleraar die vermoord werd. Naar haar aanvoelen werd het onderzoek niet grondig genoeg gevoerd.

De 10-jarige Nathalie Geijsbregts werd in 1991 ontvoerd aan de bushalte. Vader?Eric Geijsbregts?is nog elke dag bezig met de zaak. Elke aandacht er voor blijft ook na bijna 30 jaar welkom, vertelt hij aan reporter Brecht Devoldere.

Waarom we een fascinatie hebben voor misdaadverhalen, voor whodunits, en waarom sommige mensen graag zelf detective spelen, is een vraag voor psycholoog?Ariane Bazan.

Nog veel meer series, films en songs dan we denken verwijzen naar echt gebeurde misdaadzaken, weet?Vincent Byloo.

Een aantal True Crime podcasts:

BART! Burger Alert Real Time: verbindingsplatform tussen bewoners, gemeente en politie.

Burger Alert Real Time (BART!) is een digitaal meldingsplatform voor een veilige en leefbare buurt. Zaken met ?n zonder spoed kunnen buurtbewoners?24/7delen met politie, gemeente en andere BART! -gebruikers.

Bij overlast, verdachte situaties of sociale problemen geven burgers een digitale waarschuwing en indien nodig onderneemt de politie of de gemeente direct actie. Geen wachtrijen meer. Ook kan de politie zelf alarmeren: ?Momenteel veel auto-inbraken in uw buurt?.

BART! is een samenwerkingsproject waarin de gemeente Den Haag, de politie, CGI, TNO, TU Delft en TIGNL samen investeren. BART! is nu nog in een testfase. Momenteel wordt met kleine stappen experimenteel gewerkt voor de Haagse stadsdelen Escamp en Leidscheveen/ Ypenburg, zodat kleinere resultaten bijdragen aan de opbouw van een volledig participatiesysteem.

Samen bouwen aan een participatiesysteem dat zorgt voor vertrouwen en verbondenheid

BART! is een samenwerkingsproject waarin de?gemeente Den Haag,?de politie,?CGI,?TNO,?TU Delft?en?TIGNL?samen investeren in een digitaal meldingsplatform voor een veilige buurt. Bij overlast, verdachte situaties of sociale problemen waarschuwen burgers elkaar en indien nodig de politie of gemeente via een app. Ook kan de politie zelf alarmeren:
?Momenteel veel auto-inbraken in de buurt?. BART! is in een testfase. Momenteel wordt met kleine stappen experimenteel gewerkt voor de Haagse stadsdelen Escamp en Leidscheveen/ Ypenburg, zodat kleinere resultaten bijdragen aan de opbouw van een volledig participatiesysteem.



Alle ontwikkelde kennis wordt verspreid onder de partners:

Gemeente Den Haag: BART! is belangrijk voor de gemeente Den Haag, want het zorgt voor meer verbondenheid in de buurt en het stimuleert het gevoel dat de bewoners samen de wijk prettig en veilig houden. BART! bevordert het samen optrekken van buurtgenoten, lokale ondernemers, politie en gemeente. Gemeente Den Haag brengt openbare orde, veiligheid en leefbaarheidskennis in en stelt hiervoor de deskundigheid beschikbaar van professionals, leidinggevenden, wijkmanagers, wijkteams en klantcontactspecialisten.
Politie: De ontwikkeling van BART! sluit aan bij de doelstelling van de politie om een meer moderne, flexibele en effectieve organisatie te worden. Ook kan BART bijdragen aan een gevoel van vertrouwen door sterk politiewerk dichtbij de buurtbewoners. Met BART! wordt een meer eigentijdse dienstverlening gerealiseerd dat betere samenwerking met verschillende partners mogelijk maakt. De politie brengt al haar kennis in.
CGI: Het CGI is een grote dienstverlener op het gebied van informatietechnologie en bedrijfsprocessen. Het bedrijf onderzoekt hoe ICT-technieken het BART-concept kunnen ondersteunen. CGI ontwikkelt kortweg de technische kant van het communicatieknooppunt van BART! Momenteel is een prototype in de maak dat uitgebreid zal worden getest. Daarna wordt het doorontwikkeld op basis van de eerste ervaringen.
TNO: Kennisinstituut TNO brengt innovatie in op het gebied van maatschappelijke veiligheid en met name de inrichting van nieuwe media meldprocessen. De organisatie richt zich vooral op het ontwerpen van de bijbehorende processen en participatiesystemen van de betrokken deelnemers.
TU Delft: De Technische Universiteit Delft levert wetenschappelijke kennis vanuit haar jarenlange onderzoek naar participatiesystemen. Inmiddels heeft de universiteit een speciaal Participatory Systems Lab opgezet. De TU Delft richt zich hiermee op het optimaliseren van de samenwerking en het vertrouwen tussen burgers en overheid (gemeente en politie).
TIGNL: Technology Investment Group (TIG) brengt innovatiemanagement-kennis in met betrekking tot wetshandhaving, burgerparticipatie en private publieke samenwerkingsprojecten. TIGNL doet onderzoek en ontwikkelt inzichten voor aandachtsgebieden als competentie-ontwikkeling, ethiek, privacy en dataprotectie. Daarnaast organiseert en modereert zij verspreiding van kennis en registreert de interne en externe projectactiviteiten. Ook verzorgt TIGNL de administratie en de verantwoording van deze activiteiten.

Burgers in opsporing

Meer leren over burgeropsporing? Kom 11 april naar het?Nieuwspoort Seminar ?De Veilige Gemeente 2019 ? Burgers in opsporing? georganiseerd door het Haags Congres Bureau.Met o.a. Wim van Amerongen (Nationale Politie), Arnout de Vries (TNO), Eric Bervoets (Bureau Bervoets), Ronald van Steden (VU Amsterdam, SMV) en Marnix Eysink Smeets (Inholland).

De Veilige Gemeente 2019 -?Burgers in opsporing
Kansen, risico’s & randvoorwaarden
Donderdag 11 april 2019

13.30 – 17.00 uur met gezamenlijke lunch vanaf 12.30 uur
Internationaal Perscentrum Nieuwspoort, Den Haag

Met medewerking van o.a. Dr. Ronald van Steden, Vrije Universiteit Amsterdam, Stichting Maatschappij en Veiligheid (SMV), Dr. Eric Bervoets, Bureau Bervoets,? Arnout de Vries, TNO, Marnix Eysink Smeets, Hogeschool Inholland en Wim van Amerongen, Nationale Politie

Cybervrijwilligers? Buurt Preventie Teams? Buurt Whatsappgroepen?? Burgerrechercheurs?? Platforms van (burger)journalisten??

Burgers helpen gevraagd en ongevraagd steeds vaker in het opsporen van criminelen en ophelderen van zaken.

Hierdoor kan de opsporingskracht van politie, gemeente en OM sterk toenemen. Er zijn echter ook risico’s en dilemma’s die om uw aandacht vragen.?Wat zijn de do’s and don’ts en welke randvoorwaarden moet u in acht nemen bij burgeropsporing?

Tijdens het Nieuwspoort Seminar ‘De Veilige Gemeente – Burgers in opsporing ‘ krijgt u inzicht in:

  • Actuele ontwikkelingen, trends en onderzoeken
  • Voorbeelden van initiatieven op dit gebied
  • Welke kansen bieden de initiatieven u?
  • Welke juridische kaders moet u kennen?
  • Wat zijn de do’s and the dont’s en welke randvoorwaarden moet u in acht nemen?

Welke innovaties zijn voor u als kleine, middelgrote of grote gemeente bruikbaar in de uitvoering??En hoe zorgt u er voor dat u rationeel met risico?s blijft omgaan? Wat vraagt het van u, als gemeente-ambtenaar of politieman/politievrouw?

Met behulp van vele praktijkvoorbeelden, uw eigen kennis en ervaring en die van de andere deelnemers helpen de sprekers u kansen, risico’s en randvoorwaarden in kaart te brengen.

Programma De Veilige Gemeente 2019 -?Burgers in opsporing

Kansen, risico?s en randvoorwaarden

13.30 uur?Opening en introductie op het thema?door uw middagvoorzitter, Eric Bervoets, onderzoeker en eigenaar, Bureau Bervoets

Aan bod komen onder meer:

* Welke trends en ontwikkelingen zijn er op dit gebied?

* Wat zijn daarbij de uitdagingen?

13.45 uur?Opsporing door burgers, Arnout de Vries, onderzoeker en adviseur, TNO

* Risico?s (eigenrichting, vertrouwelijkheid, privacy, eigen veiligheid) en kansen (extra capaciteit en denkkracht, snelheid, preventieve werking)

* Vele voorbeelden uit de praktijk nader onder de loep: Van Bellingcat tot buurtonderzoek in Whatsapp buurtgroepen

* Blik in de toekomst

14.25 uur?Praktijkvoorbeeld 1: Burgerrechercheurs

Wim van Amerongen, Programmadirecteur Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen, Nationale Politie

* Juridisch kader en rechtsbescherming

* Begeleiding en samenwerking

* Rol van de politie in het burger ? burger perspectief

14.45 uur?Vragen stellen aan de inleiders?o.l.v. uw middagvoorzitter

15.15 uur?Pauze met koffie en thee

15.35 uur?Doe-het-zelfsurveillance, Ronald van Steden, VU Amsterdam en SMV

* Resultaten onderzoek naar Whatsapp-buurtgroepen in Almere, Amstelveen, Amsterdam en Tilburg

* Welke lessen kunnen we trekken voor de toekomst?

16.10 uur?Burgeropsporing: veelbelovend landschap of listig mijnenveld??Marnix Eysink Smeets, lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid Hogeschool Inholland

* Samenwerken met de burger of burger als verlengstuk?

* Burgerparticipatie als meerloops geweer: Over effecten op veiligheid, veiligheidsbeleving, sociale cohesie, burgerschap en rechtsstatelijkheid

* Burgers komen van Mars, professionals van Venus

* De noodzaak van precisie, preventie en prudentie

16.45 uur?Wrap Up, door uw middagvoorzitter

17.00 uur Afsluiting en borrel

Dr. Ronald van Steden?is Universitair Hoofddocent Bestuurswetenschappen en Politicologie aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Ook is hij voor ??n dag per week verbonden aan de Stichting Maatschappij en Veiligheid. Meer in het bijzonder houdt Van Steden zich bezig met vraagstukken rondom het thema ?lokale veiligheid en politie?. Hij doceert in de master Besturen van Veiligheid aan de VU. Daarnaast verricht hij onderzoek naar privatisering van veiligheid, toezicht en handhaving van de gemeente, wijkpolitie, veiligheidsnetwerken en vrijwilligers/actieve burgers in veiligheid.

Dr. Eric Bervoets?is?criminoloog en bestuurskundige.?Eric is sinds 1997 actief,?na een doctoraal bestuurskunde in?Rotterdam en een academische promotie?(in 2006) aan de Universiteit Twente in Enschede.?Bureau Bervoets richt zich op toepassingsgericht criminologisch en veiligheidskundig onderzoek, vaak in opdracht van gemeenten, politie en ministeries.?Ambitie is het ondersteunen van het veiligheidsdomein en lokaal bestuur met praktijkgericht onderzoek, advies en onderwijs.? We zijn ervan overtuigd dat kennis en kunde nodig zijn voor de effectiviteit en draagvlak van beleid, projecten en interventies. Maar het commitment en doorzettingsvermogen van de mensen in de uitvoering zijn doorslaggevend, daar kan geen ‘evidence based’ kennis tegenop! Lees verder via de?website van Bureau Bervoets.

Arnout de Vries is onderzoeker en adviseur op het gebied van internet en maatschappelijke veiligheid bij TNO. Hij ontwikkelt en onderzoekt digitale middelen die hulp kunnen bieden bij een effectievere burgerparticipatie, zoals applicaties voor burgeropsporing: ?Samen Zoeken? en ?Sherlock?. Daarnaast schrijft hij op zijn site SocialMediaDNA over social media in relatie tot maatschappelijke veiligheid.

Marnix Eysink Smeets?is sinds 2007 lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid en voorzitter van de Onderzoeksgroep Recht & Veiligheid. Samen met studenten en (docent)onderzoekers draagt hij bij aan de ontwikkeling van (veiligheids)beleid dat burgers vertrouwen geeft. Eysink Smeets houdt zich vooral bezig met de vraag hoe de burger veiligheid beziet en beleeft, en hoe dat kan worden verbeterd. Formeler gezegd: met het publiek vertrouwen in veiligheid en veiligheidszorg. Met veiligheidsbeleving, vertrouwen en rechtsvaardigheidsbeleving als belangrijke deelgebieden.?Naast zijn werk voor Inholland is Marnix Eysink Smeets voorzitter van de Landelijke Expertisegroep Veiligheidsbeleving, een netwerkorganisatie die zich richt op innovatief onderzoek en advies op het gebied van veiligheidsbeleving. Verder is hij actief lid van onder andere de wetenschappelijke Politiekring van het Directoraat-Generaal Politie, de redactie van het veiligheidsvakblad Secondant en de landelijke Expertgroep Zelfredzaamheid. Ook is hij co-redacteur van het blog Bordwatching.

Wim van Amerongen?is programmadirecteur Toekomstbestendig Opsporen en Vervolgen bij de politie. Als gevolg van de snelle ontwikkelingen in maatschappij en technologie werken politie en het openbaar ministerie in dit programma nauw samen op het realiseren en versterken van de vernieuwings- en innovatiekracht in de opsporing en vervolging. Als programmadirecteur houdt hij zich daarnaast bezig met thema?s als ketensamenwerking, burgeropsporing en datadeling binnen de strafrechtketen. Zijn ervaringen met veranderprocessen zowel binnen als buiten de politie helpen hem bij het vinden van transitiestrategie?n die de effectiviteit van de opsporing kunnen vergroten.

Robocop en de snoeppot

Wat betreft technologisering, stelt de politie zich op als een kind dat zijn handen niet uit de snoeppot kan houden, sprak directeur van burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom Hans de Zwart. Sectorhoofd Dienst Regionale Informatie Organisatie Frank Smilda dacht er anders over: ?De criminele markten zijn enorm in Nederland. ? Als het gaat om het in kaart brengen van die markten dan verdient de samenleving een nog betere politie.?

Op 29 januari discussieerde een volle zaal bij Huis voor Democratie en Rechtsstaat ProDemos over de technologisering van de politie. Thema van dit eerste Tijdschrift voor de Politie Debat: Robocop en de rechtsstaat; wie bewaakt de bewakers? Eerste stelling: in deze digitale wereld mag de politie alle mogelijkheden gebruiken die er zijn. Het debat is boven dit artikel terug te luisteren.

Dode pixels

Inleider Hans de Zwart uitte zijn zorgen: ?De waarborgen zijn niet meegegroeid. Zaken die eerst werden begrenst door, bijvoorbeeld, hoge kosten zijn dankzij technologie vrij toepasbaar. Denk aan drones.? Volgens hem is het tijd dat de politie het ?echte verhaal? vertelt over hoe het burgers in beeld heeft. ?De politie moet eerlijker zijn. Zij doet alsof ze minder zicht heeft op criminaliteit: ?Going dark?. Maar in deze tijd, waarin iedereen een tracking device bezit, leeft ze in een gouden tijd. De politie kijkt naar een heel groot scherm, maar legt de nadruk op een paar dode pixels.? De Zwarts belangrijkste punt: de politie heeft de verantwoordelijkheid om een visie te ontwikkelen op het gebruik van technologie.

Tweede inleider Frank Smilda stelde dat er inderdaad geen spelregels zijn over wat de politie wel of niet mag monitoren en welke technologische mogelijkheden zij wel of niet mag gebruiken. Ook hij zag de noodzaak daarvan in, maar dat neemt volgens Smilda niet weg dat de politie nu wel technologie moet inzetten. ?Jarenlang ging het slecht met de ICT bij de politie. Nu is dat omgekeerd, kunnen we inzicht krijgen in wie welke relatie heeft met een criminele markt. Onderschat die markten niet: zo zijn we eigenlijk een narcostaat; de beste xtc-producent ter wereld.?

Onvrij gevoel
De zaal bleek verdeeld. Mogelijkheden benutten ja, maar wel onder voorwaarden. Een dame van Interpol, net terug uit Singapore: ?In Singapore hangen 80 duizend camera?s. Dat voelt onvrij. In Nederland had ik het gevoel dat ik continu moet oppassen: op mijn tas, wie achter me loopt. Ook onvrij. Ik heb geen antwoord, alleen een gevoel.? De zaal vraagt zich af: is een ethische commissie de oplossing?

Tweede Kamerlid voor GroenLinks Kathalijne Buitenweg leidde de tweede stelling in: gezien de snelheid van de technologische ontwikkelingen moet de politie zijn eigen morele grenzen bepalen. Buitenweg zei al langer te pleiten voor een Kamercommissie die grenzen stelt, waarden borgt, pal staat voor de autonomie van de burger. ?De politiek is de arena waar zulke besluiten moeten worden genomen.? Tegelijk stelde ze dat de samenleving verwachtingen moet bijstellen: ?Ik ben onder de indruk van de politie, maar de toekomst is er niet ??n van overal grip op krijgen en alles voorkomen. We zullen moeten toegeven dat we sommige dingen niet wisten. We kunnen niet alles policen.

Denkkracht nodig
Hoofdredacteur van het Tijdschrift voor de Politie en moderator Jaco van Hoorn concludeerde met de zaal dat zowel politiek als politie zelf kaders moet scheppen. Hoogleraar Digital Security Bart Jacobs stelde in een kort vraaggesprek met Van Hoorn een probleem aan de orde: de uit doeners bestaande politie mist op dit terrein organisatie-brede kennis. Hij pleitte voor meer denkkracht bij de politie. ?Er is binnen de overheid een trend geweest om inhoudelijke kennis te outsourcen. Dat leidde tot een ramp van enorme proporties. Daar komen we gelukkig van terug.?

Of de politie verantwoord met haar mogelijkheden omgaat, weet Jacobs zo net nog niet. ?Neem het afluisteren van versleutelde telefoons. Technisch indrukwekkend, petje af. Maar juridisch is dat in een aantal gevallen heel omstreden.? Ter illustratie noemt hij het afluisteren in opdracht van de Verenigde Staten van de Mexicaanse drugsbaron El Chapo. ?Nederland zette de tap vol vertrouwen in, zonder de Amerikanen vragen te stellen: waarom, waarvoor? Dat zou wel moeten.?

Jacobs pleit voor meer ?horizonbepaling?. ?Durf als politiek en politie te experimenteren. Maak een wet om bijvoorbeeld drie jaar iets te doen, dan te evalueren en ervoor te kiezen om ermee te stoppen als het niet werkt of ethische grenzen overschrijdt. Alleen, ik heb nog nooit meegemaakt dat de Eerste of de Tweede Kamer na drie jaar evalueert en een wet schrapt.?

Bron: Website voor de politie