SocialMediaDNA richt zich op kennisdeling rondom social media, politie en maatschappelijke veiligheid. Onderwerpen vari?ren van de online aspecten van openbare orde, opsporing, vervolging, rechtspraak tot crisisbeheersing en communicatie.
In Falcon Heights heeft de politie afgelopen woensdag een zwarte man doodgeschoten. Een dag eerder vond eenzelfde incident plaats.?Kort na de schietpartij startte de vriendin van het slachtoffer een livestream op Facebook. De vriendin zegt dat haar vriend ?zonder aanwijsbare reden door de politie is doodgeschoten?.?De politie zou de 32-jarige Philando Castile staande hebben gehouden om een kapot achterlicht. De politieagent in uniform vroeg om zijn rijbewijs, waarop Castile vertelde dat deze in zijn portemonnee zat. Op het moment dat hij het rijbewijs wilde pakken, werd er op hem geschoten. Hun dochter van 4 zat nog op achterbank…
?
De video van deze schietpartij laat Castile zien in een plas bloed. Volgens zijn vriendin schoot de agent hem vier of vijf keer in de arm. In de video is de agent te horen: ?Ik heb gezegd dat hij het niet mocht pakken. Hij moest zijn armen omhoog houden.? Een paar minuten nadat Castile aankwam in het ziekenhuis, zou hij zijn bezweken aan zijn verwondingen. De Facebookpagina is een tijdje?uit de lucht geweest, maar de video is inmiddels wijdverspreid (let op, de beelden kunnen heftig zijn).
Het?schietincident volgt op de eerdere schietpartij van dinsdag, waarbij een 37-jarige zwarte man in Baton Rouge werd doodgeschoten door de politie. Ook dat incident werd gefilmd en dat zorgde voor veel ophef. Dinsdagavond gingen zo?n tweehonderd mensen de straat op. Ze scandeerden ?black lives matter?, naar de naam van de beweging die protesteert tegen politiegeweld tegenover zwarte Amerikanen. De twee betrokken agenten zijn direct na het incident op non-actief gesteld. Een andere agente, Nakia Jones, reageerde op de incidenten met een vurige video.?
How activists used crime scanner apps and smartphones to record Alton Sterling?s fatal shooting https://t.co/L7zFJBooTT
In Dallas namen een aantal sluipschutters agenten onder vuur tijdens een demonstratie tegen politiegeweld, dat juist naar aanleiding van de incidenten van Alton Sterling en Philandro Castile georganiseerd was. Ook die gebeurtenis was via een Facebook Live stream te volgen:
Ook de Nederlandse politievakbond ACP was enige tijd?tegen dergelijke transparantie, terwijl de bodycam in Amerika al een tijdje enthousiast gebruikt wordt. Voorzitter Gerrit van der Kamp van de ACP vreest dat de camerabeelden ook tegen de agent gebruikt kunnen worden. Ook het Nederlandse kabinet heeft besloten om dit soort systemen niet in te voeren, omdat het de veiligheid niet vergroot, terwijl onderzoekers nog over elkaar heen buitelen met diverse resultaten:
Steeds meer burgers filmen ook juist zelf hun aanhouding of politieoptreden, wat online in veel gevallen discussies oplevert over normen en waarden. En de beelden geven natuurlijk ook vaak maar een deel van het verhaal.?Je kunt als burger op elke willekeurige smartphone zo’n?filmpje opnemen, maar er zijn steeds meer streaming apps zoals van Facebook. Ook zijn zelfs speciale apps voor ontmoetingen met de politie, zoals ACLU (American Civil Liberty Union) ?Police Accountability?-app die speciaal is ontwikkeld om de rechten van de burger te ondersteunen. Bijvoorbeeld bij een staandehouding.
Facebook reageerde als volgt op het gebruik van live video bij?gewelddadige incidenten:
We understand the unique challenges of live video. We know it?s important to have a responsible approach. That?s why we make it easy for people to report live videos to us as they?re happening. We have a team on-call 24 hours a day, seven days a week, dedicated to responding to these reports immediately.
The rules for live video are the same for all the rest of our content. A reviewer can interrupt a live stream if there is a violation of our community standards. Anyone can report content to us if they think it goes against our standards, and it only takes one report for something to be reviewed.
One of the most sensitive situations involves people sharing violent or graphic images of events taking place in the real world. In those situations, context and degree are everything. For instance, if a person witnessed a shooting and used Facebook Live to raise awareness or find the shooter, we would allow it. However, if someone shared the same video to mock the victim or celebrate the shooting, we would remove the video.
Omstanders – en soms slachtoffers – die zelf filmen
Meer dan twaalfhonderd mensen zagen onlangs hoe een 19-jarige Fran?aise een einde aan haar leven maakte. Ze sprong voor de trein. De toeschouwers stonden niet voor een spoorwegovergang of op het perron, maar keken live mee met de aangekondigde zelfdoding via Periscope, de livestreamingsdienst van Twitter. De Franse politie stelt een onderzoek in.
Op 14 juni zegt een?man te handelen namens Islamitische Staat als hij een livestream start op?Facebook nadat hij in het Franse Magnanville een politiecommandant en zijn vrouw had?neergestoken.
Dan was er nog een vader uit de Amerikaanse staat Virginia die zijn spijbelende, 17-jarige zoon een lesje wilde leren. Hij livestreamde een ‘bokswedstrijd’ die hij met zijn zoon in de woonkamer had. De vader slaat de jongen in elkaar en dwingt hem aan het eind van de video excuses te maken aan zijn vrienden en docenten. Inmiddels is de vader gearresteerd en de jongen uit huis geplaatst.
In het nog jonge bestaan van livestreamen stapelen dit soort verhalen zich op. Eerder blogden we al over het gebruik van Periscope en andere streamingdiensten die worden gebruikt om geweld en andere incidenten vast te leggen. Opent deze nieuwste vorm van social media een doos van Pandora of zijn dit incidenten?
‘Excessen op internet zijn niet nieuw, maar met steeds geavanceerdere technologie wordt het makkelijker om over de schreef te gaan’, zegt Jeroen van den Hoven, hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Delft. ‘Er is een soort wedloop om aandacht gaande. Denk aan ‘happy slapping‘, een fenomeen dat al zeker tien jaar oud is, waarbij mensen anderen aftuigen, dat filmen en op internet zetten.’
‘We moeten als samenleving nadenken waar de grenzen liggen en hoe we die bewaken, want dankzij internet zijn sommige gevaarlijke fenomenen levensvatbaar en zeer besmettelijk.’
Een forumgebruiker gaf gehoor aan zijn verzoek en faciliteerde dat 200 mensen live toekeken hoe de jongen pillen en wodka tot zich nam, om vervolgens zijn studentenkamer in brand te steken. Ze zagen ook hoe de student uiteindelijk gered werd door de brandweer.
Sommige gebruikers van het forum moedigde de jongen aan tijdens zijn zelfmoordpoging en trapten genadeloos na. ‘Gefeliciteerd, je hebt gefaald in een van de makkelijkste dingen in het leven’, bijt iemand hem op Facebook toe.
Censureren
‘De enige begrenzing van livestreamen komt van het strafrecht en goede smaak’, zegt Philip Brey, hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Twente. ‘Wel moet vanuit het strafrecht duidelijk zijn waar de grenzen liggen. Een interessante vraag is hoe schuldig de kijkers zijn. Wanneer moedig je iemand aan om zelfmoord te plegen? Dat is nog te weinig voorgekomen om juridisch een grens te kunnen trekken.’
‘Er waren altijd mogelijkheden om uitingen op social media voor- en achteraf te censureren. Maar bij livestreamen wordt dat ingewikkelder, omdat de beelden bijna niet te screenen zijn zoals dat met tekst via sleutelwoorden gaat. En achteraf, tja, het is live.’
Dat mensen op internet veel radicalere dingen doen, komt volgens mediasocioloog Jan van Dijk van de Universiteit van Twente door een gebrek aan non-verbale communicatie. ‘Er is geen enkele nuance waardoor mensen online veel verder gaan dan op straat.’
‘We leven nu in een aandachtssamenleving. Door de oneindige stroom van berichten en informatie wordt het steeds moeilijker om op te vallen’, zegt Van Dijk. ‘Dat geldt voor zowel de verzenders als ontvangers van boodschappen. Tieners ontvangen verreweg de meeste berichten. En zij ondervinden ook de meeste problemen van wat ik ‘overcommunicatie’ noem’, zegt Van Dijk.
‘Het wordt vooral problematisch als een adolescent niet zo lekker in zijn vel zit. Digitale berichten hebben niet of nauwelijks nuance. Daardoor komt een online-opmerking veel harder aan dan een opmerking op het schoolplein.’
Documentairemaker Nicolaas Veul kan meepraten over de effecten van altijd online zijn. Hij ging samen met Tim den Besten het experiment Super Stream Me aan. De jongens wilden drie weken lang, 24/7, hun leven livestreamen. Ze draaiden naar eigen zeggen door en stopten het experiment vroegtijdig.
‘Livestreamen is niet per se slecht’, zegt Veul. ‘Het kan een mooie manier zijn om een verhaal te vertellen, of gebruikt worden als platform voor artistieke doeleinden. Maar wat mensen zich niet altijd realiseren is dat je in de digitale wereld een masker op zet. Je wordt een versie van jezelf waarvan je denkt dat die het meest gepast is voor een groot publiek. Daardoor leg je jezelf beperkingen op. Bij mij leidde dat tot ontzettend veel stress.’
Veul: ‘Ons experiment was extreem, maar de samenleving verhuist steeds meer naar een digitale omgeving. Mensen gedragen zich in het echt anders dan online omdat ze die gefilterde versie van zichzelf laten zien. Ik denk dat we meer moeten nadenken over de consequenties daarvan.’
Gaat live video sociale media en de samenleving radicaal veranderen? Of is het een hype die snel zal overwaaien? NRC Next schetste vijf scenario?s:
Een privacy-nachtmerrie
Door de lancering van Live begint Facebook steeds meer te lijken op The Circle, het machtige technologiebedrijf en sociale netwerk uit Dave Eggers? gelijknamige roman. In dat boek brengt The Circle een livestreaming camera op de markt die al gauw leidt tot de ideologie dat mensen ?transparant? moeten worden: gebruikers hangen de camera permanent om hun nek omdat ze geloven dat als potentieel miljarden mensen met je meekijken, je sneller geneigd bent de juiste beslissing te nemen.
Ook Zuckerberg gelooft dat totale transparantie de wereld kan verbeteren. Hij schreef bijvoorbeeld dat de video van Reynolds aantoont hoe belangrijk het is om ?een open en verbonden wereld? te hebben.
In het boek eindigt het niet goed. De ideologie van The Circle cre?ert een surveillancemaatschappij waarin iedereen elkaar in de gaten houdt en het niet lang duurt voordat ook gedachten publiek bezit worden.
Het einde van het geschreven woord
Tekst maakt op internet steeds vaker plaats voor video. Een voorbeeld van die ontwikkeling is het onder jongeren immens populaire Snapchat waarop gebruikers elkaar video-updates sturen in plaats van geschreven berichten. Ook grote nieuwsorganisaties als BuzzFeed, Vice en The New York Times investeren steeds meer in video.
Die transitie heeft twee oorzaken: jongeren kijken liever naar video dan naar tekst en adverteerders betalen er meer voor, omdat zij denken dat reclameboodschappen beter in beeld en geluid zijn over te brengen. Zuckerberg en zijn Europese chef Nicola Mendelsohn voorspellen dat we over vijf jaar alleen nog maar via videoboodschappen op sociale media communiceren.
Facebook concurreert met televisie
Na een lange dag op kantoor, schopt u uw schoenen uit om eens lekker op de bank neer te ploffen en de tv aan te zetten voor een avondje Facebook. Zuckerberg maakt er geen geheim van dat hij van Facebook een videobedrijf wil maken dat precies weet waar de kijker (en adverteerder) behoefte aan heeft: een filmpje over de eerste stapjes van een kleinkind of het laatste bericht van uw favoriete nieuwslezer.
Geen wonder dat ook in Hilversum tv-makers er nerveus van worden. Wat als Facebook de rechten koopt van de Eredivisie? Geen ongegronde zorg: Twitter kaapte eerder tien American football-wedstrijden weg voor de neus van Facebook.
Ook video?s van online nieuwsbedrijven kunnen een bedreiging vormen voor bestaande tv-zenders. Vorige maand lekte uit dat Facebook voor 50 miljoen dollar exclusieve deals heeft gesloten met ruim honderd nieuwsorganisaties om live video voor het netwerk te produceren. Hoe lang duurt het nog voordat Facebook de volgende House of Cards uitzendt?
De verkeerde mensen gaan livestreamen
De video van Reynolds was niet de eerste schokkende livestream op het platform en zal niet de laatste zijn. Nadat IS-sympathisant Larossi Abballa vorige maand een politieagent en zijn vrouw had neergestoken in een Parijse buitenwijk, zond hij beelden van de plaats delict uit op Facebook Live en spoorde kijkers aan zijn voorbeeld te volgen. Drie dagen filmde een man in Chicago zichzelf op Facebook toen hij tot schrik van zijn volgers plotseling werd neergeschoten. Eerder werden op Facebook en Twitter verkrachtingen, dodelijke schietpartijen en zelfmoorden live gedeeld.
Tot voor kort lag de verantwoordelijkheid voor wanneer het beeld op zwart gaat bij tv-omroepen, die een overzichtelijk aantal kanalen beheerden. Nu iedereen live kan uitzenden, krijgen techbedrijven als Facebook en Twitter die taak in de schoot geworpen. En zij lijken geen pasklaar antwoord te hebben op gebruikers die gewelddadig materiaal uitzenden (zie kader). Vooralsnog vertrouwen ze op kijkers die ongewenste streams melden, waarna ze uit de lucht kunnen worden gehaald. Maar met live-video is het kwaad dan al geschied. Gaat de horror die sommige gebruikers uitzenden zich tegen de platforms keren?
Zelfs Facebook kan livestreamen niet populair maken
Livestreamen is populair, maar nog lang niet zo ingeburgerd als het versturen van een tweet of status-update. Kijk maar naar Facebooks interactieve kaart waarop alle live-uitzendingen van het moment te zien zijn. In een stad als Amsterdam zijn maar een paar livestreamers tegelijkertijd actief, de meesten hebben maar een handvol kijkers.
De reden? Het kan nogal saai zijn. De gemiddelde livestream wordt gemaakt door een wildvreemde die een langdradig verhaal vertelt waarvan je het begin hebt gemist. Het wordt pas interessant als een van je vrienden livestreamt of een professionele nieuwsorganisatie met berichtgeving komt waar je iets aan hebt.
Het dagelijkse leven is doorgaans betrekkelijk oninteressant. Daarom knippen tv-makers alle saaie onderdelen uit hun opnamen. Facebook mag dan wel voorspellen dat we over vijf jaar op geen andere manier communiceren, maar livestreaming kan tegen die tijd net zo goed zijn beland op het kerkhof van gesneuvelde tech-innovaties, omdat het te slaapverwekkend bleek.
Wraakporno
Volgens mediasocioloog Van Dijk ligt er een taak voor ouders en scholen om hierover met tieners in gesprek te gaan. ‘Maar de bedrijven die dit soort diensten aanbieden, moeten ook meer verantwoordelijkheid nemen. Als iemand bijvoorbeeld slachtoffer wordt van wraakporno kan ik ze zo uitleggen wat ze moeten doen. Ik zie zo’n uitleg niet prominent op Facebook staan. Sociale media moeten hun gebruikers gaan voorlichten over wat ze moeten doen als het misgaat. De redenering dat zij alleen een platform bieden, is te kort door de bocht.’
Een woordvoerder van Facebook zegt dat het bedrijf er alles aan doet om een open en veilige omgeving te cre?ren, onder andere door samenwerking met politie en justitie. ‘We erkennen en begrijpen dat er unieke uitdagingen aan livevideo zitten wanneer het aankomt op (online) veiligheid. De effectiviteit van het afhandelen van de eerder genoemde meldingen – live content die onze richtlijnen schendt – willen we ook verbeteren’, laat de woordvoerder weten.
Agenten die handhaven op de digitale straat. Is dat haalbaar of niet?
Burgemeester Paul Depla van Breda is van mening dat zijn stad een virtuele wijkagent nodig heeft om zo ook het leven dat zich online afspeelt in de gaten te houden. Maar hoe kan dat worden vormgegeven? Klopt het dat deze online wijkagent signalen kan oppikken die anders niet worden opgemerkt? Wordt de informatiepositie van de politie beter wanneer zij ook virtuele wijkagenten inzet?
Handhaving op internet
?Begin eens met de wet handhaven op dat vrije internet?, zo luidt de titel van een artikel uit het NRC. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werden in 2014 een op de negen Nederlanders slachtoffer van cybercrime; 0,8% van de Nederlanders kreeg te maken met identiteitsfraude, 3,5% kreeg te maken met koop- en verkoopfraude en 5,2% kreeg te maken met een?hack?(inbraak) op computer, smartphone, e-mailaccount of website. Door de steeds beter wordende internetverbinding, het feit dat 98% van de huishoudens verbonden is met het internet, door het online gaan met smartphones en tablets (75% van de bevolking heeft een smartphone of tablet) en het gebruik van computers en laptops digitaliseert de samenleving. Doordat steeds meer mensen online zijn verspreiden de veiligheidsproblemen zich ook op het internet. Digitale apparatuur en informatie is kwetsbaar en kan worden misbruikt. ?Cybercrime neemt hand over hand toe‘. Het NCSC schrijft: ??Het aantal experts, de kennis en de middelen moeten dito toenemen, willen we het gevecht winnen en de ICT-veiligheid kunnen garanderen??. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft als taak Nederland weerbaarder te maken op internet. Maar wie doet de online handhaving van veiligheid?
Wat is de rol van de politie?
Henk van Essen, lid van de korpsleiding van de Nationale Politie, zei in het politiedebat van 18 november 2015 op de politieacademie: ??Wat is nou de rol van politie in de digitale wereld? Wat kan je van ons wel verwachten en wat kan je van ons niet verwachten. Het is fair om te zeggen dat we daar nog geen antwoord op hebben op dit moment.? Wanneer je zou zeggen dat die rol er wel is voor de politie en je je voorstelt dat deze rol handhaving betreft, dan kan dit onderzoek van pas komen. Diverse partijen, zowel de politie als private partijen, zien de noodzaak in tot het optreden op internet. De politie is aan het onderzoeken hoe zij meer en beter aanwezig kan zijn op het internet. Private partijen ontwikkelen software, geven beveiligingsadviezen en stellen middelen ter beschikking aan de politie. En eindgebruikers, zoals burgers, letten een beetje op elkaar.
Wanneer het gaat over online handhaving is het ook de vraag of de politie de aangewezen partij is om te handhaven op internet. De politie heeft diverse specialistische teams die zich op het internet begeven, maar de specialistische teams hebben veel minder kennis van wat zich op lokaal niveau afspeelt dan de basis politiezorg. Het internet kent vele spelers en eigenaren. Vrijwel iedereen in Nederland heeft toegang tot het internet, maar vrijwel alle websites staan op private servers van serviceproviders. Het internet is dus deels een publieke en deels een private ruimte. De politie is primair verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid. Om de specialistische teams te ondersteunen met, zoals voor dit onderzoek is gekozen, de online handhaving, wordt in dit onderzoek gefocust op de online handhaving in de basis politiezorg. Pieter Jaap Aalbersberg, korpschef van Amsterdam, heeft tegen de eerder genoemde Henk van Essen gezegd: ??ik heb in mijn organisatie 82 personen binnen de BPZ werken met een afgeronde HBO-opleiding?. Er zit veel kennis in de basis politiezorg van korps Amsterdam en zij hebben ook lokale kennis. Deze combinatie zou goed benut kunnen worden. De manier waarop dat kan plaatsvinden zou kunnen blijken uit dit onderzoek.
Onderzoek?handhaving van de openbare orde en veiligheid op internet
Het onderwerp van dit onderzoek is: ?handhaving op internet door de basis politiezorg?. Doordat steeds meer mensen online zijn verspreiden de veiligheidsproblemen zich ook naar het internet. In 2014 werden 1 op de 9 Nederlanders slachtoffer van cybercrime. Er is al veel bekend en onderzocht over (online) opsporing, maar het thema (online) handhaving wordt vaak vergeten. Wanneer het over online handhaving gaat is het de vraag of de politie de aangewezen partij is om te handhaven op internet. Aangezien er nog geen wetenschappelijke onderzoeken zijn die zich richten op deze preventieve kant van de basis politiezorg online,? richt dit onderzoek zich daarop. Het doel daarbij is om inzicht te bieden in de mate waarin agenten in de basis politiezorg in staat zijn om te handhaven op internet en welke mogelijkheden er zijn om de handhaving op internet te bevorderen. Het externe doel is daarbij om kaders te bieden waarbinnen deze handhaving kan plaatsvinden, voor zover het mogelijk is om die kaders te schetsen. De vragen die moeten bijdragen aan het bereiken van deze doelstelling gaan over: offline handhavingstaken en de vertaling daarvan naar online handhavingstaken, het juridische kader waarbinnen handhaving op internet zich kan afspelen, welke best practices en knelpunten er al bekend zijn, welke vaardigheden de agent moet hebben en welke kennis en middelen daar voor nodig zijn. Tot slot is bekeken in hoeverre private partijen een rol kunnen spelen in de handhaving op internet.
Reguliere handhavingstaken
Onder de basis politiezorg vallen alle politietaken die niet apart zijn ondergebracht bij specialistische politieonderdelen. Een van de voornaamste taken van de basis politiezorg is het handhaven van de openbare orde onder het gezag van de burgemeester. De agenten in de basis politiezorg werken in verschillende functies. Het doel bij de dagelijkse werkzaamheden van de politie is het verbeteren van de informatiepositie, het de-escalerend optreden bij conflicten en het aangeven van kaders omtrent de openbare orde. De opsporing wijkt daar vanaf, aangezien de politie in dat kader onder het gezag van de officier van justitie valt en als doel heeft om strafvorderlijke beslissingen te ondersteunen. Handhaving is iedere actie die erop gericht is de naleving van het bij of krachtens wet- en regelgeving geldende recht te bevorderen en te bewerkstelligen. De offline handhavingstaken bestaan volgens respondenten uit het leefbaar houden van de wijk, het handhaven van de openbare orde en het bijsturen van gedrag of het uitdelen van boetes wanneer mensen zich niet aan de regels houden. Online kan dat mogelijk net zo plaatsvinden maar dan op digitale plekken. Echter, op het internet kan een agent zich niet net zo identificeren als op straat. Daarnaast kan worden afgevraagd of het internet onder de publieke ruimte valt. Online handhaving kan worden ingezet als instrument, maar kan daarnaast ook worden ingezet als middel tegen online overtredingen zonder dat deze gepaard gaat met een actie op de fysieke straat.
Bevoegdheden en wet- en regelgeving
Alle agenten moeten zich houden aan de politiewet. De politiewet is een aanvulling op het wetboek van strafvordering. In deze wetten is de opsporing strikter vastgelegd dan de handhaving. Opsporing mag alleen worden gedaan door een opsporingsambtenaar. Wettelijk gezien bedient de burgemeester zich bij het handhaven van de openbare orde van de politie. Dat is tevens vastgelegd in de politiewet en de gemeentewet. De burgemeester heeft hiervoor een aantal bevoegdheden. Of hij die online kan, mag en gaat gebruiken is nog veel discussie. Daarnaast is nog steeds onduidelijkheid over wat de agent wel en niet mag op het internet. Daarop heeft het Openbaar Ministerie een matrix opgesteld die in maart 2016 is verspreid binnen de politie. Daarin staat per actie aangegeven welke bevoegdheid de agent al heeft en/of moet vragen. De vraag is of de kaders online wel of niet anders zijn, of zouden moeten zijn, dan op straat. Kan de scope van het Wetboek van Strafvordering gezien de ontwikkelingen en de samenleving worden geprojecteerd op de digitale straat?
Online handhaving binnen de politie
Binnen de politie zijn verschillende onderdelen die zich op het internet richten en betrekking hebben op handhaving. Deze onderdelen zijn het Crisis Communicatie Team, het Open Source Intelligence Team, het Real Time Intelligence Center en wijkagenten en jeugdagenten die actief zijn op social media. Daarnaast maakt het communicatieteam van iedere politie-eenheid ook gebruik van het internet. Deze onderdelen van de politie gebruiken internet met name voor berichtgeving en voor hun eigen informatievoorziening. Daarvoor gebruiken zij programma’s die het internet scannen op trefwoorden. Een overkoepelend onderdeel binnen de politie is de Dienst Regionale Informatie Organisatie. Daar komt vrijwel alle regionale informatie van alle politieonderdelen bijeen. Zij hebben ook de bevoegdheid om de informatie van de verschillende? politieonderdelen in te zien.
De politie heeft enkele goede ervaringen met het gebruik van internet in de vorm van handhaving. De politie in Groningen kreeg via een social media monitoringprogramma een twitterbericht te zien waarin stond dat iemand het aanstaande Sinterklaasfeest wilde verstoren. Daarop heeft de politie gereageerd. De persoon in kwestie had geen reactie verwacht en bood zijn excuses aan. Daarnaast blijkt het effect van het gebruik van social media bij evenementen groot. De informatie-inwinning, het managen van grote groepen mensen (crowd control) en het geven van voorlichting zijn daarbij erg belangrijk.
Tegenover goede ervaringen staan ook knelpunten. en slechte ervaringen, omdat een online actieve politie ook kwetsbaar is. De politie is nog terughoudend met het gebruik van internet. Online zijn is nieuw voor de oudere agenten en protocollen zijn onvoldoende aanwezig binnen de eenheid of de agent weet niet van het bestaan van de protocollen. Doordat er geen speciale internetpolitie is moeten agenten uit de basis politiezorg deze taken ook deels op zich nemen. Momenteel wordt dat nog niet gedaan volgens een vastomlijnd kader. De ene agent is erg actief op het internet en de andere agent maakt vrijwel geen gebruik van internet. Tot slot is de politie erg geori?nteerd op het zenden van informatie. Het ontvangen van informatie en het verwerken van informatie behoeft een grote verbeterslag. Daarbij gaat het zowel om informatie vanuit internet- en social media monitoring programma?s als om de algemene interactie met de burger.
Kennis, vaardigheden en middelen
Er zijn voor de politie cursussen en workshops beschikbaar die ondersteuning bieden aan agenten om actief te zijn op social media, zoals cursussen in het effectief zoeken op internet. Deze cursussen hebben tot doel om de agenten bekwamer te maken in het gebruik van internet als communicatiemiddel en handhavingsmiddel of gecombineerd. Deze cursussen en workshops zijn voor iedereen opgenomen in de politieopleiding, maar veel van de huidige agenten hebben die daarom nog niet gehad. Zij kunnen bijgeschoold worden na een aanvraag voor een cursus of workshop. Om goed met internet te kunnen werken is het belangrijk om expertise binnen de politiebureaus te hebben. Agenten worden steeds meer uitgerust met een smartphone waarmee zij veel zaken op en via internet kunnen regelen. Zo kunnen zij op social media, maar ook kunnen zij politiesystemen raadplegen en een bekeuring uitschrijven zonder dat zij daarvoor een computer nodig hebben. Er is op het intranet van de politie uitleg gegeven over het opzetten van een twitteraccount en waar het twitteraccount exact aan moet voldoen. Om kennis en middelen om te zetten naar vaardigheden en deze ook daadwerkelijk toe te passen is een goede scholing nodig. Aangezien nog niet iedere agent deze scholing heeft gehad en/of iets doet met de scholing op het gebied van social media bij het uitvoeren van de alledaagse werkzaamheden, is het lastig om handhaving op internet te bewerkstelligen.
Private partijen
De politie werkt op specialistisch niveau samen met private partijen zoals Facebook, Twitter, ICT bedrijven en internet service providers. Daarbij wordt zowel aan handhaving als aan de bestrijding en opsporing van cybercrime gedaan.? De handhaving die hier wordt uitgevoerd betreft het verwijderen van account wanneer personen zich niet aan de regels van de website houdt. Ook waarschuwt facebook een gebruiker wanneer deze zich niet houdt aan de door haar gestelde regels.
Bij evenementen wordt veel gebruik gemaakt van social media. Daarbij werken private partijen (organisatoren van evenementen) veel samen met de communicatieteams van de politie. Daar zijn voornamelijk bij de bevrijdingsfestivals van 2015 in Nederland goed successen mee geboekt.
Aanbevelingen
Het is aanbevolen om landelijk ??n beleid te voeren op het gebied van opleiding en gebruik van social media. Daarnaast is het belangrijk om de kennis van nieuw ingestroomde agenten op het gebied van social media te benutten en in te zetten om het kennisniveau van de oudere agenten te verhogen. Tot slot moet er meer samen worden gewerkt tussen private partijen en de politie, zonder dat de private partijen de handhaving uitvoeren in plaats van de politie. De daadwerkelijke uitvoering van de handhaving zou idealiter moeten plaatsvinden door de politie, waarbij de private partijen de informatie aanleveren voor de politie. Door samen te werken op het gebied van informatie vergaren en verwerken kan de politie effectiever zijn.
Aangezien dit onderzoek niet alle aspecten kan belichten van de handhaving op internet is het belangrijk om bepaalde aspecten nader te onderzoeken. Bijvoorbeeld of de agent zich online ook moet identificeren en zo ja, hoe hij dat moet doen. Tevens is het belangrijk om de wijzigingen die aanstaande zijn in het wetboek van strafvordering te volgen. Ook de resultaten van een onderzoek over de bestuurlijke bevoegdheden van de burgemeester op internet en een matrix/schema van het openbaar ministerie over de bevoegdheden van de agent op internet zijn waardevolle aanvullingen op dit onderzoek. Tot slot zou onderzoek moeten worden gedaan naar het opzetten van een social media team per robuust basisteam.
De klassieke verzorgingsstaat verandert in een participatiesamenleving. Iedereen die daartoe in staat is, moet volgens de regering zelf verantwoordelijkheid nemen om zijn eigen leefomgeving veiliger te maken. Dat doen burgers dan ook. Met name met behulp van sociale media dragen burgers uit eigen initiatief bij aan sociale veiligheid. De huidige, nieuwe vormen van burgerparticipatie ? van WhatsApp-groep tot burgerwacht ? stellen gemeenten en politiekorpsen voor de vraag: hoe gaan we zo goed mogelijk om met deze initiatieven? Welke rol pakken we?
Samen Signaleren is het resultaat van een onderzoek van bureau Bervoets en bureau Beke naar nieuwe vormen van burgerinitiatieven en de recente ontwikkelingen daarin. De onderzoekers hebben zich gericht op initiatieven die daadwerkelijk door burgers zelf zijn genomen en opgezet.
Aanleidingen voor nieuwe initiatieven
De opkomst van sociale media heeft een impuls gegeven aan het ontstaan van nieuwe vormen van burgerparticipatie in sociale veiligheid. Maar ook het afnemen van straattoezicht door overheidsdiensten of een lokale toename van woninginbraken kunnen een impuls geven aan burgerinitiatieven.
Samenwerking burger en lokale overheid
*Al komt het initiatief van de burgers, in de praktijk is uiteindelijk altijd wel sprake van een samenspel tussen burger en lokale overheid. Daarin is het voor gemeente en politie soms nog zoeken naar de juiste vorm. Zij lopen tegen dilemma?s aan als zullen we regisseren of faciliteren? Gaan burgers alleen signaleren of ook proberen op te treden? Hoe zorgen we dat er geen mensen deelnemen met onzuivere motieven? In Samen Signaleren geven de onderzoekers praktische aanbevelingen voor deze samenwerking.
“Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel?, Troonrede 2013
Onderstaand rapport is ook te downloaden op Platform31
Hoe moet de politie omgaan met berichten op sociale media? Hoe serieus moet zij deze nemen, wanneer kan zij hier eveneens via sociale media op reageren en wanneer is meer inzet nodig? Op basis van welke informatie en werkwijzen worden beslissingen hierover genomen? Deze en meer vragen staan centraal in ?het onderzoeksrapport“Monitoring en analyse informatie op sociale en online media”.
Het rapport geeft inzicht in de wereld ?chter de website, twitter- en facebookaccounts van de politie. Daar gebeurt veel meer dan wat de gemiddelde sociale mediagebruiker te zien krijgt. Het rapport schetst de ontwikkeling binnen de politie in de afgelopen jaren op dit relatief nieuwe vakgebied en biedt tevens een doorkijk naar de nog te maken slagen op het terrein van verzamelen, analyseren en duiden van berichten op sociale media.
Want dit is en blijft mensenwerk, dat voorlopig niet volledig is over te nemen door geautomatiseerde systemen.
‘Kijk me aan!’ Howard Marks, de man die net nog op het punt stond zijn vrouw en haar minnaar te lijf te gaan met de keukenschaar, ligt gevangen in de houdgreep van een politieagent. Het is exact vier minuten over acht ’s morgens. De vloer is bezaaid met glas. ‘Mr. Marks, bij volmacht van de afdeling PreCrime van Washington D.C. arresteer ik u voor de toekomstige moord op mrs. Marks en mr. Dubin, die vanmorgen plaats zou vinden om vier minuten over acht.’
We schrijven het jaar 2054. Misdaad bestaat niet meer. Drie helderzienden op sterk water, gekoppeld aan een ingenieus computersysteem, voorspellen wie wanneer een moord gaat plegen. Aan politieagent en protagonist Tom Cruise de taak om de criminelen in spe in de kraag te vatten v??r ze de fout in gaan. ‘Is er eigenlijk wel sprake van moord als de daad zelf niet gepleegd is?’ vraagt Colin Farrell in de hoedanigheid van kritisch inspecteur. ‘Het feit dat je iets voorkomt wil niet zeggen dat het niet zou gebeuren wanneer je niet had ingegrepen’, kaatst Cruise terug. Kort daarna rolt de politieagent zelf als toekomstig moordenaar uit het systeem en heeft hij een groot probleem.
Steven Spielbergs Minority Report gaat wellicht niet de geschiedenis in als zijn grootste meesterwerk, maar de film uit 2002 haalt nog zeker wekelijks het nieuws. Zodra het over iets nieuws en futuristisch gaat, gaat het over Tom Cruise en zijn drie telepaten in een badkuip. Meestal is dat niet in positieve zin. De actiefilm geldt voor velen als schrikbeeld van een toekomst waarin privacy non-existent is en de politie in de hoofden van burgers kruipt. Des te opvallender dat het omgekeerde geluid ook steeds vaker te horen is: veiligheidsorganisaties mogen graag naar de film verwijzen als inspiratiebron voor het optuigen van een vergelijkbaar voorspellend systeem – minus de helderzienden weliswaar.
Predictive policing heet dat: het voorspellen van misdaad op basis van grote hoeveel?heden data. En dat is niet iets van een verre toekomst. Politiekorpsen overal ter wereld, inclusief Nederland, maken er al gebruik van.
De kristallen bol is de misdaadbestrijding binnengedrongen. Daarbij wordt de blik steeds verder op de toekomst gericht. De allernieuwste ontwikkeling: preventief straffen. De Amerikaanse staat Pennsylvania werkt momenteel aan een systeem dat rechters helpt bij het bepalen van de strafmaat. Op basis van onder meer iemands criminele verleden (eerdere arrestaties en veroordelingen), geslacht, leeftijd en postcode wordt een voorspelling gedaan over zijn toekomstige wandaden. Is de kans statistisch gezien groot dat een dader ooit opnieuw een vergrijp pleegt, dan kan hij bij voorbaat extra zwaar gestraft worden. Andersom kan een dader aan wie een hemelsblauwe toekomst wordt toegedicht strafvermindering krijgen.
De techniek voor dit soort orakelwerk is al ruimschoots voorhanden. Grote techbedrijven buitelen de laatste jaren over elkaar heen in een wedloop van voorspellende software, waarbij de mogelijkheden duizelingwekkende proporties aannemen. Zo belooft IBM?politiekorpsen preventief naar de crime scene te leiden. In een bijbehorend reclamefilmpje staat een politieagent op z’n dooie gemak, koffie erbij, een overvaller op te wachten die op het punt staat toe te slaan.
Het Amerikaanse veiligheidsbedrijf Intrado ontwikkelde Beware, een systeem dat op basis van onder andere iemands adres, uitingen op sociale media en een eventueel strafblad voorspelt hoe groot de kans is dat hij een misdaad begaat. Een 42-jarige Afghanistanveteraan met PTSS?en een strafblad, die op Facebook schrijft over zijn oorlogservaringen? Het levert een dreigingsscore op van 67 van de 100 punten. Microsoft werkt aan een programma dat niet alleen criminaliteit van ver kan zien aankomen, maar ook van elke individuele gevangene kan voorspellen hoe groot de kans is dat hij of zij, eenmaal op vrije voeten, opnieuw de fout in zal gaan.
Politiekorpsen zijn er blij mee. In onder andere de Verenigde Staten, China, Brazili?, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland en Belgi? wordt met predictive policing gewerkt. Amerika loopt voorop: minstens zestig steden gebruiken een of meer vormen van voorspellende software. ‘Minority Report uit 2002 is de realiteit van vandaag‘, zei William Bratton, hoofd van de politie in New York, vorig jaar tijdens een debatavond over big data en veiligheid.
In Nederland neemt predictive policing ook ‘een enorme vlucht’, schrijven onderzoekers van TNO?in een recente publicatie over het onderwerp. Zo heeft de politie een systeem ontwikkeld dat inbraak en straatroof kan voorspellen. In samenwerking met de Universiteit Twente is informatiegestuurde luchtsteun opgezet: politiehelikopters vliegen preventief naar plekken waar high impact crime als overvallen en inbraken verwacht wordt. De politie werkt ook samen met commerci?le aanbieders van voorspellende software, maar noemt geen namen.
Volgens oud-politiemedewerker Rutger Rienks behoort Nederland internationaal tot de voorhoede. Als afdelingshoofd business intelligence bij de politie was Rienks de afgelopen jaren betrokken bij de eerste stappen naar voorspellend politiewerk. ‘Als je als overheids- of politieorganisatie criminaliteit op deze manier kunt uitbannen, dan lijkt mij dat een droom waar je je hard voor moet maken.’
Het is een omstreden droom. De Nationale Politie kreeg in oktober een Big Brother Award uitgereikt vanwege haar activiteiten rondom predictive policing. Met de prijs zet privacy-voorvechter Bits of Freedom jaarlijks ‘de grofste privacy-schenders’ in de schijnwerpers. Uit het juryrapport: ‘De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop en nauwlettend in de gaten. Daar zijn ze nu al mee begonnen.’ Criminoloog Marc Schuilenburg waarschuwt voor een politie die al te diep in de kristallen bol probeert te kijken: ‘Het gevaar is dat je uitkomt bij een gedachtenpolitie die steeds meer in de stoel van de psychiater gaat zitten en probeert criminele intentie te lezen in bepaald gedrag.’
Ook onderzoekers die zelf met voorspellings?modellen werken zijn kritisch. ‘Wij krijgen wel eens de vraag of we niet met heel evil technologie bezig zijn’, zegt Arnout de Vries. Als onderzoeker bij TNO?werkt hij aan verschillende experimenten rond predictive policing. ‘Misschien is dat wel zo, ja. Maar als je als overheid stil blijft staan en denkt: we houden deze enge technologie liever buiten de deur word je links en rechts door bedrijven ingehaald en sta je nergens. Je ziet politiewerk nu al privatiseren.’
In de VS ligt predictive policing al langer onder vuur. Tegenstanders waarschuwen behalve voor privacy-schending voor de groeiende macht van bedrijven die dit soort veiligheidssystemen aanbieden. De techniek zou bovendien leiden tot etnisch profileren, omdat de voorspellingen vooroordelen in de gebruikte data reflecteren.
Een alomtegenwoordige gedachtenpolitie, nog racistisch ook. Het klinkt nogal onheilspellend. Maar is het dat ook? Er is in Nederland nog weinig bekend over predictive policing. De politie geeft maar mondjesmaat informatie prijs. Wat gebeurt er al? Hoe werkt het precies? En wat kunnen we ervan verwachten?
Mark Jules klapt zijn laptop open en weet wat de toekomst in petto heeft. Jules is vice-president Public Safety Visualization bij multinational Hitachi en zodoende binnen de multinational de man met de glazen bol. Hij is vanmorgen overgevlogen uit Philadelphia en zit nu, zonnebril nog in het schouderlange stroblonde haar, in de bedrijfskantine van Hitachi Data Systems in Zaltbommel. Jules is in Nederland om te praten met ‘ge?nteresseerde partijen’ over de predictive-policingsoftware die het bedrijf sinds kort aanbiedt.
‘Even kijken’, hij zoomt in op de kaart van Washington D.C. en beweegt met zijn muis langs een rijtje delicten: diefstal, fraude, gewelddadige overvallen. De keuze valt op ‘sex crimes’. De kaart van de Amerikaanse hoofdstad, in rasters opgedeeld, kleurt hier en daar donkerrood. In die dieprode vierkantjes, elk goed voor twee huizenblokken, gaat het de komende 24 uur gebeuren. Om erachter te komen wat precies klikt Jules op een van de gekleurde vierkantjes. ‘In dit blok is de kans op een zedendelict vandaag 47 procent.’ Het is dat dit een demo-versie is, zegt Jules, anders kon hij per adres een gedetailleerde voorspelling geven.
Dit is predictive policing in de praktijk: een zo precies mogelijke kansberekening, uitgezet op een kaart. Buienradar, maar dan voor boeven. Het systeem van Hitachi is exemplarisch voor de meeste vormen van voorspellende software. Vertrekpunt: een flinke berg data van een stad of buurt. Historische criminaliteitscijfers, sociaal-geografische informatie over inwoners, adressen van bekende overtreders, data afkomstig van sociale media, het weer, het nieuws. Hoe meer hoe beter, liefst gecombineerd met een netwerk van slimme camera’s die in staat zijn gezichten te herkennen en geluidssensoren die geweerschoten detecteren. Zelflerende algoritmes zoeken vervolgens naar patronen. Blijkt er als het regent stelselmatig minder te worden ingebroken, dan wordt die informatie meegenomen in een voorspelling.
‘Ons systeem vindt correlaties die je als mens nooit gezien zou hebben’, zegt Jules. ‘In een van de steden waar wij werken blijkt rond fietsenrekken meer criminaliteit gepleegd te worden. Geen flauw idee waarom dat zo is. Maar zolang het een betrouwbare voorspelling oplevert, zijn wij tevreden.’ Een voorspelling van Hitachi komt volgens Jules in ongeveer 75 procent van de gevallen uit. ‘Dat is vijftien procent beter dan de meeste andere voorspellingsproducten.’ Of dat waar is, valt niet te controleren. Onafhankelijk onderzoek naar verschillende predictive systemen is nog niet gedaan.
Wordt er in Nederland al met de voorspellende software van Hitachi gewerkt? vraag ik.
‘Nee’, zegt Jules. ‘We werken alleen in de VS.’
‘Jawel hoor’, zegt persvoorlichter Bastiaan van Amstel even later, als Jules door is naar zijn volgende afspraak. ‘We mogen alleen niet alles zeggen. Niet alle partijen voor wie wij werken willen publiekelijk bekendmaken dat ze hiermee bezig zijn.’ Volgens de persvoorlichter zegt Jules daarom voor alle zekerheid niks. ‘Maar ik kan je vertellen dat deze software al op meerdere plekken in Nederland wordt uitgeprobeerd.’ Waar precies? Op hoeveel plekken? En voor wie?
‘Het aantal pilots is op ??n hand te tellen’, zegt Van Amstel. ‘We werken nog niet voor private bedrijven, het gaat om overheidspartijen.’ Met een mysterieuze glimlach: ‘Meer kan ik ?cht niet zeggen.’ Het is typerend voor het onderwerp. Predictive policing is in Nederland in nevelen gehuld. De politie maakt niet bekend met welke commerci?le instellingen wordt samen?gewerkt. Bedrijven kunnen op hun beurt vanwege geheimhoudingsovereenkomsten niet zeggen aan wie ze hun diensten verkopen.
Volgens de Amsterdamse korpschef Pieter-Jaap Aalbersberg moet het debat over predictive policing in alle openheid worden gevoerd. ‘Stel dat wij huiselijk geweld jegens kinderen kunnen voorspellen’, zei hij in oktober bij de uitreiking van de Big Brother Award. ‘Willen we dat? Het dilemma van het kind dat klappen krijgt tegen de methodiek die erachter zit. Dit zijn de debatten waar wij als politie zelf ook mee worstelen.’ Daarom is maatschappelijke discussie over het onderwerp ook zo belangrijk, zegt de korpschef. ‘Het gaat om openheid, want zonder maatschappelijk debat en democratisch besluit ben je niet een democratische samenleving.’
Toch wijst de politie meerdere interview?verzoeken af. Dat is niet uit onwil, zegt een persvoorlichter. ‘Het is nog te vroeg om naar buiten te treden. We zijn momenteel een belangrijke pilot rond predictive policing aan het afronden.’ Pas als er duidelijke cijfers en definitieve plannen zijn, is het tijd voor de pers. Om dezelfde reden wil de politie niet zeggen welke projecten er al lopen of hoeveel er al in wordt ge?nvesteerd.
Toch valt er op basis van gesprekken met betrokkenen en publicaties die recent over het onderwerp zijn verschenen een beeld te vormen van wat er al gebeurt. De politie werkt, zo blijkt, aan minstens acht projecten rond predictive policing. Daarbij gaat het deels om pilots en deels om systemen met voorspelcapaciteiten die al in gebruik werden genomen voor de bijbehorende allitererende modeterm kwam overwaaien uit de VS. De politie opereert zowel zelfstandig als met hulp van buitenaf. Zo wordt er bijvoorbeeld samengewerkt met TNO, dat ook voor de AIVD?en MIVD?de mogelijkheden van voorspellingen op basis van big data verkent.
Een rondgang langs grote spelers levert een rijtje bedrijven op die in Nederland al actief zijn. Zo is volgens een woordvoerder behalve Hitachi ook IBM, een van de marktleiders in de voorspellingsindustrie, ‘betrokken’ bij predictive-?policingprojecten. ‘We kunnen geen uitspraken doen over welke korpsen of over de aard van de projecten.’ Zakelijk dienstverlener Deloitte heeft net een pilot voor de politie afgerond, vertelt medewerker Maurice Fransen. ‘We hebben een soort buienradarkaart van Nederland gemaakt, waarmee je twee weken vooruit kunt zien in welke wijk we inbraken kunnen verwachten.’ De politie wil het model volgens hem ook inzetten voor andere vormen van criminaliteit.
Ook het Franse consultancybedrijf Cap?gemini werkt aan voorspellende projecten, valt af te leiden uit de Nationale Innovatieagenda Veiligheid 2015. Daarin wordt het ‘herkennen en voorspellen van afwijkend gedrag’ een landelijk innovatiespeerpunt genoemd. Cap?gemini gaat een voortrekkersrol vervullen, staat te lezen. Wat dat in de praktijk betekent wil het bedrijf niet zeggen. ‘Vraag maar na bij de politie.’
Met kop en schouders het opvallendste initiatief is de samenwerking met de Nederlandse start-up Pandora Intelligence uit het Gelderse Elst. Mede-oprichter Peter de Kock, ooit filmmaker en nu recherchekundige bij de politie, deed een paar jaar geleden promotieonderzoek naar het voorspellen van terrorisme en kwam met een onorthodoxe aanpak. De Kock legde een database aan van zo’n tweehonderdduizend terroristische incidenten die wereldwijd plaatsvonden en combineerde die met een database van filmscenario’s, boeken en theaterstukken waarin terrorisme voorkomt, opgebroken in scenario-elementen. Fictie kan volgens De Kock een krachtige voorspeller zijn. ‘Neem bijvoorbeeld de aanslagen van 11 september. Een vliegtuig dat zich in een wolkenkrabber boort, zoiets had de Amerikaanse schrijver Tom Clancy al jaren eerder beschreven in een van zijn boeken.’
Zie hieronder het interview dat hij gaf op de dag van zijn promotie in De Wereld Draait Door, met de kern van zijn onderzoek: ??wij zijn [?] nu voor de eerste keer in staat om heel veel data te genereren, heel veel data te wassen [?] Tot voor kort was het belangrijk wie dat opsporingsonderzoek leidde en of die de juiste kennis had. Nu kun je die kennis apart in een database zetten en iedereen heeft daar toegang toe die je daar toegang toe verleent. En dat gaat diegene helpen die de interpretatie moet maken.?
De aanpak is veelbelovend. De Kock liet zijn algoritmes voorspellingen doen op basis van terroristische incidenten die gepleegd waren voor 2007 en vergeleek de uitkomsten met aanslagen die werkelijk plaatsvonden na 2007. Zijn systeem bleek in sommige gevallen vijftig tot zeventig procent beter te kunnen voorspellen dan gangbare methodiek. Dat zijn bijzondere scores bij een ongrijpbaar verschijnsel als terrorisme. Niet gek dus dat veiligheidsorganisaties wereldwijd De Kock weten te vinden. ‘Telkens als er een klap is ergens in het Westen gaat bij mij de telefoon: je moet n? komen praten.’ Ook grote softwarebedrijven als IBM?en Oracle hebben interesse getoond. Toch heeft de politiemedewerker ervoor gekozen zijn voorspeller vooralsnog alleen in te zetten voor zijn eigen werkgever. Dit jaar nog koppelt hij zijn databases aan die van de politie en kan het betere orakelwerk beginnen.
Dat betekent overigens niet dat er straks spontaan een naam, een moordwapen en een locatie uit het systeem komt rollen, zegt De Kock: ‘Het werkt eerder zo: stel, een omstreden politicus houdt een boeksigneersessie, of Obama bezoekt Nederland. Dan kan mijn systeem straks alle potenti?le scenario’s bedenken van mogelijke daders en hun werkwijze.’ Daar kan de politie zich dan alvast op voorbereiden.
Maar dat is later. Wat de politie op dit moment zonder hulp van buitenstaanders onderneemt weet Rutger Rienks, een van de grondleggers van predictive policing in Nederland. Rienks, een jongensachtige dertiger, werkte tot een half jaar geleden bij de politie. Hij schreef voor de politieacademie het boek Predictive Policing: Kansen voor een veiligere toekomst, dat vorig jaar verscheen. Inmiddels werkt Rienks voor de gemeente Amsterdam, maar hij wil best nog eens vertellen over zijn ervaringen bij de politie. Want ja, hij is enthousiast. ‘Ik zie kansen, nou en of. Predictive policing kan ons een hele hoop ellende besparen. Er zitten natuurlijk allerlei haken en ogen aan, maar als je vertrouwen hebt in de modellen die die voorspellingen doen en ze goed toetst, dan kun je een hoop narigheid voorkomen.’
Die haken en ogen, daar heeft de oud-?politiemedewerker nog een leuk verhaal over met een poedel in de hoofdrol. Maar dat komt straks, eerst de voorspellende systemen. Rienks noemt in zijn boek een aantal voorbeelden. Het absolute paradepaardje van de politie is het zogenoemde Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS), dat in 2012 door de Amsterdamse politiemedewerker Dick Willems is ontwikkeld. Door het combineren van onder meer historische criminaliteitscijfers met CBS-data (denk aan inkomensgegevens, uitkeringen, gezinssamenstelling) en adressen van bekende verdachten kan de politie woninginbraken en straatroven voorspellen. Het systeem is in staat ongeveer veertig procent van de woninginbraken en zestig procent van de straatroven te voorspellen. Het cas wordt inmiddels uitgetest in vier steden, het streven is het systeem over heel Nederland uit te rollen. Ook internationaal is de belangstelling gewekt. Vertegenwoordigers uit onder andere Canada en Turkije zijn al op bezoek geweest om er meer over te weten te komen.
In onderstaande uitzending van Factchecker legt Dick Willems van de politie Amsterdam uit hoe het globaal werkt (na ongeveer 9 minuten in de uitzending). Zie ook?hier.
Een vergelijkbaar systeem in samenwerking met de Universiteit Twente stuurt helikopters preventief af op plekken waar veel misdaad wordt verwacht op basis van historische cijfers. Net als bij de meeste vormen van predictive policing gaat het daarbij om high impact crimes als inbraak, overvallen en straatroof. Deze vormen van criminaliteit hebben prioriteit binnen de politie, bovendien laten ze zich makkelijk voorspellen omdat ze relatief veel voorkomen.
Twee andere projecten van de politie vallen op omdat ze voorspellingen doen over individuen. ProKid, een signaleringsinstrument dat in 2013 landelijk werd ingevoerd, voorspelt van kinderen tot twaalf jaar wie de grootste kans maakt op te groeien tot delinquent. Risicotaxatie-instrument RTI-Geweld schat van elke persoon die bij de politie bekend is (bijvoorbeeld vanwege betrokkenheid bij een incident) hoe groot de kans is op toekomstig geweld. ‘Bepaalde vroeger het aantal delicten dat iemand had gepleegd of hij boven aan de lijst kwam’, schrijft politiemedewerker Remco van der Hoorn in het boek van Rienks, ‘nu is dat het feit of hij het grootste risico laat zien in de toekomst weer over de schreef te gaan.’
Tijd voor het verhaal met de poedel. Daarvoor moeten we nog ??n vorm van predictive policing leren kennen: het voorspellen van drugssmokkel. Door gegevens over kentekens en reis?patronen te combineren kan de politie sinds 2011 auto’s opsporen waarvan de kans statistisch gezien groot is dat er drugs mee gesmokkeld wordt. Die aanpak werpt zijn vruchten af: door de controle te focussen op de voertuigen die de computer aanwijst, is het aantal gevonden grammen hero??ne per gecontroleerd voertuig van 5 naar 1027 gestegen. Rienks: ‘Het werkt erg goed. Maar het gaat ook wel eens mis.’
Zo kon het dat een poos geleden een verdachte auto op de snelweg in de buurt van Rotterdam met veel toeters en bellen werd klemgereden. De bestuurder bleek geen drugssmokkelaar, maar een geschokte oudere dame die net een spuitje voor haar poedel had gehaald. Haar pas aangeschafte tweedehands auto was, zo werd later duidelijk, van een smokkelaar geweest. Het nummerbord stond daarom nog in het systeem. De route die ze die dag reed paste toevallig precies in een verdacht reispatroon. ‘De mevrouw heeft een bosje bloemen gekregen als excuses. Maar zo zijn er natuurlijk wel meer verhalen.’
Het incident met de poedel is een goed voorbeeld van een van de nadelen van predictive policing: de kans op foute positieven. Dat zijn personen, plekken of situaties die ten onrechte als risico worden aangemerkt. Bij de ingebruikname van een nieuw systeem kan dat veel voorkomen. Zo bleek bij de evaluatie van de eerste pilots met ProKid dat meer dan ??n op de drie kinderen (36 procent, in totaal 902 kinderen) ten onrechte als risicokind werd aangemerkt door systeem- of registratiefouten. Ze werden door de computer geselecteerd op basis van incidenten die volgens de betrokken wetenschappers ‘irrelevant’ waren, staat te lezen in een evaluatie uit 2011. Dit soort fouten zijn, ook als een systeem al verder ontwikkeld is, moeilijk helemaal uit te sluiten, zegt Rienks. ‘Er bestaan altijd uitzonderingscategorie?n. Een jongeman in een veel te dure auto kan bijvoorbeeld een crimineel lijken, maar het kan ook een professioneel voetballer zijn.’
De uitzondering op de regel: het is ook een van de bezwaren van universitair docent criminologie Marc Schuilenburg van de Vrije Universiteit. Schuilenburg schreef een aantal artikelen over predictive policing en is, zacht gezegd, geen fan. De lijst met problemen die hij voorziet is lang. Om met de basis te beginnen: wetenschappelijk bewijs dat voorspellend politiewerk werkt is dun gezaaid. ‘Bij voorspellingen over plaatsen lijkt het er inmiddels wel op dat het effect kan hebben’, zegt hij. ‘Je ziet in internationale literatuur dat de criminaliteit afneemt als de politie extra gaat surveilleren in een wijk waar veel misdaad wordt verwacht. Hoewel het risico bestaat dat de criminaliteit zich verplaatst naar een andere wijk.’
Een stuk ingewikkelder wordt het als het om personen gaat. ‘Het is nog maar helemaal de vraag of je op basis van algoritmes kunt bepalen wie een misdaad gaat plegen.’ Daarbij zijn de risicoprofielen die veiligheidsorganisaties gebruiken volgens Schuilenburg te breed: ‘Je ziet dat er te veel personen aan de criteria voldoen. Dat levert een enorm lange lijst individuen op, die de politie onmogelijk allemaal in de gaten kan houden. Neem de aanslagen in Parijs en Brussel: alle daders bleken achteraf al in de kaartenbakken te zitten.’
Belangrijker nog: de gegevens waar voorspellingen op gebaseerd zijn, zijn niet altijd van goede kwaliteit. ‘De politiedata die gebruikt worden zijn vaak vuil. Het zijn haastig gemaakte notities of halve verwijzingen.’ Hoe slechter de data, hoe onbetrouwbaarder de voorspelling, wil de criminoloog maar zeggen. Zo staat in een verantwoordingsrapport uit 2014 over het eerder genoemde RTI-Geweld te lezen dat de gegevens waarop de voorspellingen zijn gebaseerd ‘soms erg vervuild’ zijn. ‘Als voorbeeld: iemand die als verdachte aan een incident is gekoppeld, hoeft dit in werkelijkheid niet geweest te zijn.’
Bovendien kunnen de data gekleurd zijn. Daarmee komt Schuilenburg op een vaak gehoorde klacht in de VS: predictive policing zou leiden tot etnisch profileren. ‘Er mogen allerlei slimme algoritmes aan te pas komen, daarmee zijn voorspellende modellen nog niet neutraal.’ De historische criminaliteitscijfers die bij predictive policing standaard worden gebruikt, kunnen bepaalde vooroordelen bevatten, bijvoorbeeld omdat sommige bevolkingsgroepen vaker worden opgepakt voor hetzelfde delict dan andere. Als een algoritme daar patronen in gaat zoeken, kunnen diezelfde vooroordelen weer uit het systeem rollen. Een voorspelling die zichzelf waarmaakt. Schuilenburg: ‘Dat zie je nu ook al gebeuren bij zo’n inbraakvoorspeller van de politie. Daar komen altijd wijken uit waar mensen wonen die al veel met de politie in aanraking zijn gekomen.’
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) waarschuwt ook voor dit zelfversterkende effect. De raad deed de afgelopen twee jaar in opdracht van de regering onderzoek naar het gebruik van big data door veiligheids?instellingen; eind april verscheen het onderzoeksrapport. Predictive policing komt daarin ook aan bod. ‘Een wijk waarin veel gesurveilleerd wordt, zal prominenter terugkomen in de criminaliteitscijfers. De extra aandacht vergroot de bestaande problemen verder uit, hetgeen weer de basis voor nieuw beleid kan zijn, dat op zijn beurt het (negatieve) beeld verder versterkt.’
Nonsens, vindt Jeffrey Brantingham. ‘Burgers doen aangifte van misdaad bij de politie. Als de politie die gegevens vervolgens gebruikt om preventief in bepaalde buurten te surveilleren en daarmee een buurt veiliger te maken, doet ze toch precies wat de maatschappij vraagt?’
Het is niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat Brantingham gevraagd wordt naar de schaduwkant van zijn voorspellingsmodellen. De hoogleraar antropologie in Los Angeles stond hoogstpersoonlijk aan de wieg van predictive policing. ‘Dat was niet gepland: ik deed onderzoek naar iets anders, maar er kwam een techniek uit waar de politie naar smachtte.’ Brantingham onderzocht voor het Amerikaanse leger modellen om aanvallen van rebellen en mogelijke burgerslachtoffers in Irak te voorspellen. Dezelfde software bleek inbraken en straatroof te kunnen voorzien.
Inmiddels staat Brantingham aan het hoofd van een indrukwekkend voorspellings?imperium: PredPol, een bedrijf dat in de VS alleen al in zestig steden actief is en ook in het Verenigd Koninkrijk software verkoopt. De Nederlandse politie heeft ook interesse, zegt Brantingham tijdens een flitsbezoek aan Den Haag. ‘Er zijn gesprekken geweest, maar nog niets formeels.’ Wat betreft die kwestie rond etnische profilering, daar kan de hoogleraar kort over zijn. ‘PredPol maakt geen gebruik van persoonsgegevens. We kijken alleen waar en wanneer iets gebeurd is.’ Racisme, met andere woorden, is uitgesloten. ‘Gemeenschappen krijgen meer politiesurveillance als ze vaker aangifte doen. Ze krijgen dus precies de aandacht waar ze om vragen.’
Toch kan die manier van werken indirect hetzelfde effect hebben, zegt Schuilenburg. Buurten met een slechte reputatie en veel politieaandacht komen eerder als risicolocatie uit de bus. Het gevolg is nog meer politieaandacht, die mogelijk gepaard gaat met etnisch profileren. ‘De politie pakt nu eenmaal eerder een Marokkaan in een hoody op dan iemand zoals ik in een maatpak.’ Dat werd vorige week duidelijk toen Typhoon werd aangehouden. De politie vond de dure auto waarin de rapper van Surinaamse afkomst reed in combinatie met zijn huidskleur verdacht.
De WRR?benoemt daarbij nog een probleem: bij wie ligt de verantwoordelijkheid als een voorspelling de plank volledig misslaat? ‘Aangezien de discriminatie in veel gevallen niet intentioneel is en niet met opzet in het algoritme ingeschreven wordt door de computerprogrammeurs zal het zeer moeilijk te achterhalen zijn wie verantwoordelijk is voor het probleem en om dit te bewijzen in een rechtszaak.’
Op naar Den Haag. Daar wordt op een zogeheten ‘verboden plaats’ gewerkt aan voorspellende modellen. Die verboden plek is een locatie van onderzoeksinstituut TNO?waar aan staats?geheimen wordt gesleuteld. Onderzoekers werken er bijvoorbeeld in opdracht van defensie. Bezoekers moeten hun telefoon bij de receptie achterlaten en mogen alleen onder begeleiding door het gebouw lopen. Het is ook de plek waar Selmar Smit en Arnout de Vries onderzoek doen naar verschillende modellen voor politie en veiligheidsdiensten. De Vries: ‘We proberen uit te zoeken hoe ver we kunnen gaan met voorspellen. Meer kunnen we er niet over zeggen.’
Toch heeft het duo een hoop te vertellen. De onderzoekers publiceerden eind april samen met twee andere collega’s een uitgebreid rapport over predictive policing. ‘Criminelen zijn gewoontedieren’, zegt De Vries. ‘Daardoor kun je makkelijk patronen zien in veel voorkomende vormen van misdaad.’ Hoewel er volgens collega Smit nog meer wetenschappelijk onderzoek moet komen, ‘is het aannemelijk dat predictive policing werkt’. Op dit moment doet tno alleen onderzoek voor overheidspartijen. ‘Maar vanuit de private sector bestaat veel interesse.’ Met name verzekeraars en particuliere beveiligingsbedrijven zien wel brood in een kijkje in de toekomst.
De technologie is veelbelovend, vinden de onderzoekers. Maar ze maken zich ook zorgen. Zo is er de privacy-kwestie. ‘Een goede voorspeller voor inbraken zijn de adressen van bekende inbrekers die net uit de gevangenis komen’, zegt Smit. ‘Maar ja, ze hebben hun straf al uitgezeten. Mag je die gegevens toch gebruiken?’ Andere kwestie: voor het doen van goede voorspellingen zijn data nodig, v??l data. Dat vereist al snel dat meerdere datasets aan elkaar worden gekoppeld. De Vries: ‘Dat is een enorm probleem. Die informatie heb je ooit verzameld met een bepaald doel en nu ga je het ineens voor een ander doel gebruiken, het voorspellen van misdaad.’
Privacy en het verzamelen van grote hoeveelheden data staan per definitie met elkaar op gespannen voet, staat te lezen in het eerder genoemde wrr-rapport. De wet schrijft voor dat gegevens niet voor een ander doel gebruikt mogen worden dan waarvoor ze verzameld zijn, ?n dat er niet meer gebruikt mag worden dan strikt noodzakelijk is. Het grote voordeel van big data-onderzoek zit ‘m nou juist in het ongericht verzamelen en combineren van eindeloze hoeveelheden gegevens, waardoor onverwachte patronen kunnen opduiken. ‘Spanningen met privacy en het gegevensbeschermingsrecht zijn daardoor nooit ver weg.’ Wetgeving schiet daarbij te kort. Of, zoals de wrr het formuleert: er is een ‘mismatch’ tussen wetgeving en het gebruik van big data door veiligheidsorganisaties. Regels over het verzamelen van data zijn er al, maar wat er vervolgens met die gegevens gebeurt, de analyse van die data, moet beter gereguleerd worden, vindt de raad.
Een fundamenteler probleem is dat predictive policing ingaat tegen het idee dat een individu onschuldig is tenzij anders bewezen. ‘De politie is eigenlijk van jou de kans aan het berekenen dat jij verdachte zou kunnen zijn’, zegt De Vries. Dat is in strijd met de onschuldpresumptie – een grondbeginsel van het strafrecht. ‘Het is heel moeilijk daar juridisch mee om te gaan.’
Het gevolg kan zijn dat de politie meer vrijheid krijgt om te handelen zonder rechterlijke controle, zegt Marc Schuilenburg. ‘Normaal gesproken heeft de politie toestemming van de rechter-commissaris nodig om bijvoorbeeld een telefoon te mogen aftappen.’ Bij predictive policing ontbreekt die controle. ‘De politie kan mensen op basis van een voorspelling alvast in de gaten gaan houden, zonder dat daar een zuiver juridische grond voor is’, zegt de criminoloog. ‘Het steeds vroeger willen ingrijpen van de politie schept zo een bijna ongebreidelde vrijheid voor de politie zelf.’
De politie zet met voorspellend politiewerk mogelijk te ruim opsporingsbevoegdheden in, zegt ook Bart Schellekens. Hij is onderzoeker Recht en ICT?bij de Raad voor de Rechtspraak, maar reageert op persoonlijke titel. ‘We moeten ons afvragen of dat past binnen de taak van de politie, en of toezicht en transparantie wel goed geregeld zijn.’ Voor Schuilenburg is dat al niet meer de vraag, maar een zorgwekkende constatering. ‘Met predictive policing rolt de politie een digitaal vangnet uit waarin de rechten van burgers volledig ondergesneeuwd raken aan die van onduidelijke opsporingsbelangen.’
Zo mogelijk nog ingewikkelder wordt het als het voorspellend model afkomstig is van een bedrijf dat het niet wil prijsgeven, zegt De Vries. ‘Mijn grootste zorg is uiteindelijk dat bedrijven de markt overnemen. Daar zit veel meer geld en kan veel meer snelheid gemaakt worden met technologie die al voor het oprapen ligt.’ Alle eerder genoemde risico’s, van etnisch profileren tot privacy-schending, nemen volgens de tno-?onderzoekers alleen maar toe als private partijen de boel overnemen, omdat er veel minder druk is om transparant te opereren. Smit: ‘Dan kan er anarchie ontstaan.’
Zo ver is het nog niet. De Vries: ‘Predictive policing groeit hard, maar staat nog in de kinderschoenen. Of de overheid uiteindelijk de overhand gaat krijgen of het bedrijfsleven gaan we zien. Maar dat de geest uit de fles is als het gaat om het voorspellen van misdaad, is wel duidelijk.’
Het is een veel gehoord geluid als het over voorspellend politiewerk gaat: de opmars van de kristallen bol lijkt onomkeerbaar. Sander Klous, hoogleraar big data aan de Universiteit van Amsterdam en adviseur ‘big data analytics’ bij KPMG, publiceerde onlangs een rapport met de veelzeggende titel Iedereen wil uiteindelijk die voorspellende glazen bol. ‘Het werkt met big data net als met tandpasta’, licht de hoogleraar toe. ‘Eenmaal uit de tube kun je proberen het terug te duwen, maar dat gaat niet lukken.’ Minder kleurrijk gezegd: als data eenmaal beschikbaar zijn, is het vrijwel onmogelijk deze weer terug te trekken. En er wordt steeds meer gemeten en gedeeld, niet in de laatste plaats dankzij smartphones en sociale media. Het valt te verwachten dat daar, nu voorspellingstechniek ?royaal voorhanden is, alleen maar meer gebruik van gemaakt zal worden.
Het sluipende gevaar is wat de WRR?’data?determinisme’ noemt. Het risico dat individuen worden beoordeeld op basis van wat statistisch gezien aannemelijk is dat ze gaan doen, in plaats van wat ze feitelijk gedaan hebben. Marc Schuilenburg heeft er een andere, meer dramatische term voor: ‘de gedachtenpolitie’ – een politieorganisatie meer gericht op intentie dan op de daad zelf. De verschuiving naar intentie is volgens Schuilenburg deel van een bredere ontwikkeling. ‘Het klassieke strafrecht in Nederland was een daadstrafrecht. Er moest een fysieke handeling hebben plaatsgevonden voordat iemand strafbaar was.’ Dat wordt de laatste twintig jaar steeds verder losgelaten. Voorbereidingshandelingen zijn bijvoorbeeld strafbaar geworden. ‘Als ik met een kalasjnikov in m’n hand en een plattegrond van een bank in m’n zak over straat loop, is dat genoeg voor een veroordeling.’ De daad zelf is daarmee opgerekt tot de voorbereiding ervan. ‘Het gevaar is dat de politie steeds eerder in het hoofd van mensen probeert te kruipen, aan bepaalde gedragingen conclusies gaat verbinden en al ingrijpt voor er iets gebeurd is. Terwijl: het is altijd de vraag of die persoon wel tot die daad was gekomen als je niets had gedaan.’
Daarmee raakt Schuilenburg aan de kern van veel vraagstukken rond voorspellend politiewerk: wat als iemand iets anders doet dan verwacht? Het is het klassieke thema van veel sciencefictionfilms en -boeken: predestinatie versus vrije wil. Tom Cruise krijgt er halverwege Minority Report mee te maken. Volgens de helderzienden staat hij deze keer zelf op het punt een man te vermoorden. De daad lijkt onontkoombaar, de politieagent gelooft heilig in zijn voorspellingsmethode. Hij zal ook bijna wel moeten: als hij de moord niet pleegt is hij het levende bewijs dat zijn methodiek niet werkt. ‘Je hebt w?l een keuze’, fluistert een van de helderzienden hem in.
Dat dit soort onwerkelijke dilemma’s geen volslagen fictie meer zijn, bewijst het voorbeeld uit Pennsylvania. Als de staat inderdaad een rekenmodel invoert dat rechters de strafmaat helpt bepalen, dan worden daders preventief afgerekend op een statistisch gegeven. De kans op recidive wordt met behulp van een punten?systeem berekend, aan de hand van onder andere historische criminaliteitsgegevens. Man-zijn alleen al levert daarbij meer punten op, omdat er nu eenmaal vaker mannen dan vrouwen worden veroordeeld. Hetzelfde geldt voor leeftijd: een jongere is een groter risico dan iemand van boven de veertig. Zelfs de woonplek telt mee: een stadsmens gaat vaker de fout in dan een plattelandsbewoner en kan dus strenger worden gestraft. Cijfermatige voorbestemming gaat zo zwaarder wegen dan vrije wil – de kans dat iemand iets anders doet dan wat statistisch voor de hand ligt.
Dezelfde kwestie in een andere vorm speelde bij de Amerikaan Robert McDaniel. In de zomer van 2013 stonden er drie agenten op de stoep van de toen 22-jarige inwoner van Chicago. De stad had net een voorspellend model in gebruik genomen dat moest bepalen welke inwoners de grootste kans maakten betrokken te raken bij een gewelddadig incident. McDaniel stond op de lijst en kreeg prompt bezoek van de politie. De boodschap: we houden je in de gaten, nog ??n misstap en de gevolgen zijn groot. Het incident haalde de krant omdat niet duidelijk was hoe de jongen op de lijst was beland, aangezien hij behalve een aantal arrestaties voor kleine vergrijpen (waaronder het roken van wiet) een schone lei had. ‘Ik heb niets m??r gedaan dan elke andere jongere die in deze buurt opgroeit’, zei McDaniel destijds in de Chicago Tribune. De doorslaggevende factor was waarschijnlijk dat hij wel vrienden had met een uitgebreid strafblad. Omdat sociale netwerken een goede voorspeller van gedrag zijn, telden die mee.
‘Zien we in de Nederlandse rechtbanken binnenkort ook Pennsylvaniaanse toestanden?’ vroeg de minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur onlangs retorisch bij de ontvangst van het WRR-rapport over big data en veiligheid. ‘Ik zal het nog eens navragen bij de Raad voor de Rechtspraak, maar ik vermoed van niet.’ Tegelijkertijd moeten we ons door dit soort ‘dystopische’ voorbeelden niet laten afschrikken van de mogelijkheden die big data bieden op het gebied van veiligheid, vindt de minister. ‘Als de negentiende-eeuwse boer die zo’n nieuwerwetse trein langs zijn wei vol koeien ziet denderen en denkt: verdomd, straks wordt de melk zuur.’
Dat Nederland die behoudende boer in elk geval niet is, blijkt uit het WRR-onderzoek. Wat de gevolgen daarvan zijn, zal moeten blijken. Volgens Van der Steur moeten we vooral realistisch zijn. ‘Wat geldt voor de zelfrijdende auto’s en drones geldt ook voor big data: het is niet de vraag of het onderdeel wordt van ons dagelijks leven, maar hoe we het vormgeven.’
Dit artikel kwam tot stand met steun van Fonds 1877
In het tijdschrift voor de politie stond onderstaand artikel van Solange Jacobsen. Hij is spreker en projectleider Online veiligheid, Bureau Jeugd & Media.
Een van de onderwerpen op de jeugdagenda van de politie is een actief beleid op het uitvoeren van de jeugdtaak in het online domein. Een goede zaak. Het is steeds meer een voorwaarde om ?cht en intensief in contact te zijn met jongeren, te signaleren wat er speelt en er voor hen te zijn als zij de politie nodig hebben. Jongeren verwachten niet anders dan dat agenten hun werk ook online doen en grenzen stellen. Dat maakt de politie voor hen geloofwaardig en betrouwbaar.
Ik sta samen met de wijkagent voor een groep onrustige brugklassers met een stevige mening over hun klasgenootje wier naaktfoto de school rondgaat. Het meisje in kwestie heeft de laatste dagen niet ongezien door school kunnen lopen. Ze is voor van alles uitgemaakt, bespuugd, bedreigd en zelfs geslagen. De kern van de verwijten van haar leeftijdsgenoten is ?eigen schuld, dikke bult?. Ze vond het toch zelf nodig om zo?n foto te maken en online te zetten? Haar sociale veiligheid is duidelijk in het gedrang en de school staat voor een ?inke uitdaging om deze weer te herstellen.
Het gesprek dat wij met de klas gaan voeren moet daaraan bijdragen. Het verzoek is van het meisje zelf, die ondanks alle emoties verrassend stevig in haar schoenen staat. ?Ik wil graag dat jullie alle kinderen duidelijk maken dat het hun ook had kunnen overkomen. Want ik ben niet dom h?, ik heb alleen iets doms gedaan??
Terwijl ze dat zegt richt ze haar blik voor het eerst omhoog. Haar verhaal heeft ze tot aan dat moment toevertrouwd aan de vloertegel onder het bureau van de zorgco?rdinator. Ze kijkt ons met grote bruine ogen indringend aan. Schaamte en verdriet hebben even plaats gemaakt voor?boosheid en onmacht. Ze is zichtbaar opgelucht als ze merkt dat we haar verhaal serieus nemen. Het gesprek dat we vervolgens in de klas voeren is pittig. We moeten ?ink aan de bak om uit te leggen dat je ook gedwongen kunt worden tot het maken van naaktfoto?s. En dat iemand die de dappere beslissing neemt om niet in te gaan op verzoeken tot webcamseks, ondanks de dreiging van verspreiding van die naaktfoto?s, juist steun en respect verdient in plaats van hoon en belediging.
Dit roept vragen en discussie op. Wie valt iets te verwijten? Wat is eigenlijk strafbaar? Wanneer vraag je de politie om hulp? Slechts op enkele momenten is het compleet stil. Dat is wanneer ze er onderling niet uitkomen en zich voor de uitkomst richten tot de wijkagent. Want over ??n ding zijn ze het wel eens: die moet toch weten hoe het ?cht zit?
Willen weten wat er leeft en speelt
Dit was mijn eerste ?sextingzaak?, inmiddels zes jaar geleden. Voor de wijkagent ook. Leerzaam in alle opzichten. Het gaf ons diverse inzichten, onder andere over online groepsdynamiek, risicovol gedrag en weerbaarheid. En het sterkte de overtuiging dat je als politie moet willen weten wat er online leeft en speelt. Zonder die basis ben je uiteindelijk onvoldoende in staat om je kerntaken ef?ci?nt en effectief uit te voeren. Dat begint al met het ontrafelen van verhalen aan de balie om helder te krijgen wat er nou eigenlijk aan de hand is: cijfergooien, bangalijst, cammen, snapchat, fakeaccount? Je zult moeten kunnen duiden om situaties te beoordelen en te vertalen naar noodzakelijke acties. Of die nou betrekking hebben op repressief optreden, preventie, zorgsignalering of doorverwijzing.
Grensoverschrijdend gedrag online, onbewust of bewust, leidt tot nieuwe verschijningsvormen van strafbaar gedrag en heeft grote impact op de politi?le jeugdtaak. Die overtuiging is in de afgelopen jaren met fenomenen als dreigtweets, kopschop?lmpjes, massamobilisatie, haatprofielen en accounts met gephotoshopte pestfoto?s alleen nog maar bevestigd. In de verbinding met jeugd is het in ieder geval nodig om de hoge drempel die jongeren richting de politie ervaren, te verlagen. Ze vinden het moeilijk om zich met signalen en hulpvragen tot de politie te wenden. De meeste jongeren gaan eerst zelf op zoek naar informatie om te bepalen of hun probleem wel serieus genoeg is en wat ze er zelf aan kunnen doen op het op te lossen.
Om die drempel te verlagen moet je uitstralen op de hoogte te zijn van online risico?s en laten merken dat je begrijpt hoe makkelijk het is om online in vervelende situaties terecht te komen. Als je vervolgens in het contact de situatie niet bagatelliseert maar serieus neemt en ernaar handelt, win je vertrouwen. Je hoeft daarvoor geen whizzkid te zijn of zelf urenlang op sociale media door te brengen. Een open en onderzoekende houding is belangrijker; waarom doen ze wat ze doen?
Wat ze online doen is eigenlijk niet veel anders dan wat hun ouders vroeger deden
Digitale jeugdcultuur
Jongeren groeien op in een andere wereld dan wij vroeger. Ze kunnen altijd en overal online en doen dat ook, zonder na te denken. Jongeren doen gewoon de dingen die ze doen, zonder erbij stil te staan dat ze daarvoor ?online gaan?. Online contact is voor jongeren net zo ?echt en hecht? als of?ine contact. De grootste valkuil is om te denken dat een tiener niets zit te doen als deze hangend op de bank met smartphone of tablet bezig is. Hij is in verbinding met de groep. Daarvoor hoef je niet fysiek bij elkaar te zijn. Via WhatsApp, Facetime of Snapchat kun je samen lachen, kletsen, emoties en ervaringen delen, je mening toetsen et cetera.
Wat jongeren online doen is eigenlijk niet heel veel anders dan wat hun ouders vroeger deden. Ze zijn zich aan het ontwikkelen, de wereld en hun eigen ik aan het ontdekken en daarin zijn sociale contacten enorm belangrijk. Door zich te spiegelen aan leeftijdsgenoten, leren ze
zichzelf kennen en bouwen ze zelfvertrouwen op. Ze toetsen hun identiteit aan anderen. Fysiek op straat en schoolplein, maar ??k online. In de kern draait het om contact; bestaande vriendschappen worden versterkt, nieuwe gesloten.
Onderdeel van het vormen van een eigen identiteit is jezelf pro?leren. Dat doe je door goed na te denken over hoe je jezelf presenteert, hoe je je gedraagt en met wie je je laat zien. Dat geldt ??k online. Daarom besteden jongeren veel aandacht aan hun online pro?el. Het gaat om de beste foto, de leukste teksten, het juiste ?lmpje en de hipste muziek. Dat ze zelf controle hebben over hoe ze zich presenteren, geeft een zeker gevoel. Als je veel reacties terugkrijgt, voel je je gezien en dat geeft zelfvertrouwen. Net zoals positieve reacties. Voor negatieve reacties geldt het omgekeerde. Maar sommigen vinden dat altijd nog minder erg dan helemaal geen reacties krijgen en het gevoel te hebben onzichtbaar te zijn.
Online groepsdynamiek en verschuivende grenzen
De aantrekkingskracht van sociale media zit dus voor een groot deel in het bij de groep aangesloten willen zijn en blijven. De groepsdynamiek is door de komst van sociale media en smartphones niet meer beperkt tot schooltijd. Hij is er continu, 24/7! Een belangrijk inzicht om te onthouden als je met jongeren werkt. Een tweede inzicht dat relevant is, ligt in het verlengde daarvan: internet ontremt en anonimiseert, waardoor grenzen vervagen. Je durft online meer dan of?ine. Liever te zijn (kusjes en liefdesverklaringen vliegen over en weer), maar ook gemener te zijn (roddelen, schelden, bedreigen). Door het ontbreken van non-verbale signalen en het verkeerd interpreteren van tekst ontstaat makkelijk een ruzie. Die wordt uiteraard online ?uitgevochten?, maar komt ook regelmatig tot ontlading op straat of het schoolplein.
Online zijn grenzen niet heel duidelijk en pubers, gevoelig voor sociale acceptatie en beloning op de korte termijn, verleggen deze ook nog eens zonder de gevolgen van hun handelen te kunnen overzien. Ze geven onbewust zomaar persoonlijke informatie prijs, maken ruzie of geven zich letterlijk bloot. Ze staan er echter niet altijd bij stil (en soms boeit dat gewoon ook even niet) wie er toegang tot die informatie heeft en wat er mee gedaan kan worden. Een pro?elfoto, informatie in de bio, vriendenlijsten, foto?s en online berichten? informatie die op zich onschuldig is, kan door mensen met verkeerde intenties handig gebruikt worden. Om iemand online te pesten, op te lichten of af te persen. Je kunt je met alle verkregen informatie heel geloofwaardig voordoen als ?een vriend van een goede vriend? en zo makkelijk contact leggen en een vertrouwensband opbouwen; een tactiek die loverboys en pedoseksuelen vaak hanteren.
Drempel verlagen en grenzen stellen
Online moet je ??k weerbaar zijn en respectvol met elkaar omgaan. Eigen grenzen kunnen aangeven en die van anderen respecteren. In de mix van pubergedrag, groepsdynamiek en onzichtbare dynamiek van sociale media gaan jongeren regelmatig te ver. Ze overschrijden niet alleen persoonlijke grenzen, maar ook ethische/morele grenzen en die van het strafrecht. De wetenschap dat iets consequenties kan hebben, weerhoudt hen niet. Wat op het moment van handelen vaak zwaarder weegt, is dat het aandacht en aanzien binnen de groep genereert. Dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Allereerst voor ouders en scholen om kinderen te helpen nadenken over eigen grenzen en ze uit te dagen te re?ecteren op wat ze doen en welke verantwoordelijkheid ze daarin hebben.
Maar ook politie kan een grote rol van betekenis spelen. Door te vertellen hoe je kunt voorkomen slachtoffer te worden, maar vooral door duidelijk te maken wat strafrechtelijke grenzen zijn en door zichtbaar handelend op te treden als die grenzen overschreden worden. Dat werkt preventief, doordat jongeren kennis aangereikt krijgen waar ze wat mee kunnen op het moment dat dit nodig is. Het vergroot bovendien de subjectieve pakkans. Soms zijn jongeren zich wel degelijk bewust dat ze grenzen overgaan, maar wanen ze zich anoniem en onaantastbaar: ?Wie let er nou op mij??, en: ?Er wordt toch niets aan gedaan?.
?Durf van de jeugd te leren. Wat maken ze mee? Wat verwachten ze van de politie?
Met de website vraaghetdepolitie.nl heeft de politie al een goede stap gezet om aan te sluiten bij de doelgroep. Jongeren kunnen er betrouwbare informatie vinden en bovendien met agenten en rechercheurs chatten. Dat werkt enorm drempelverlagend. Jongeren vinden het makkelijker om op die manier met politie in contact te zijn en te praten over moeilijke situaties waar ze zich voor schamen of zorgen over maken. Dat merken ook wijkagenten die Instagram, Facebook en Snapchat inzetten om in contact met de jeugd in hun wijk te blijven. Zij begrijpen: je moet d??r zijn waar je doelgroep is voor verbinding en kansen op vroegsignalering. Met alle opgedane ervaring en inzichten is het nu tijd om na te denken over verdere doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak. Dat is nodig om geloofwaardig en betrouwbaar te blijven.
Met zenden bouw je geen relatie op
Noodzakelijk is in ieder geval een ander type communicatie. De wijkagenten die Instagram, Facebook en Snapchat zijn gaan gebruiken, snappen dat je met alleen ?zenden? geen relatie opbouwt en er niet achter komt wat er speelt. Laten zien dat je er bent levert al wat op, maar het is vooral de kunst om interactie aan te gaan om vertrouwen te winnen. Dat is in de basis niets anders dan wat je op straat zou doen: ?luisteren?, ?vragen durven stellen? en ?reageren?. Dat geldt ook voor de wijze waarop een wijkagent zich online in dialogen mengt die zich buiten zijn invloedssfeer ontwikkelen. Bij een gesprek met jongeren op straat beweegt hij mee in de dynamiek van het gesprek. Dat is online niet anders.
Je moet kansen pakken om een krachtige boodschap te brengen die men van de politie zou verwachten. Het is effectiever om online te reageren op iets wat je ziet, dan alleen mededelingen te doen die algemeen en aan iedereen gericht zijn. Jongeren be?nvloeden elkaar immers en de impact is groter vanwege het bereik van sociale media. Het beeld dat je betrouwbaar bent, wordt vooral door je reactie gevoed. Als je nalaat te reageren op gestelde vragen of aangedragen signalen, brokkelt dit beeld sneller af dan je het ooit hebt kunnen opbouwen.
Dat geldt voor de wijkagent in zijn functie, maar ook voor de politie als organisatie. Een proactief communicatiebeleid is daarom wenselijk, om duidelijk te maken dat?je het online domein als een logisch domein voor kerntaken ziet. Niet alleen afwachten dus tot er een incident plaatsvindt dat de aandacht van de media trekt. Met sociale media heeft de politie een prachtige kans om uit eigen beweging kwesties aan de orde te stellen die belangrijk zijn, en op die manier inspirator te zijn van publieke debatten over online veiligheid en grenzen.
Heldere kaders voor online interventies
Met alle wijkagenten die sociale media al succesvol weten in te zetten als verlengstuk van hun wijk, en met de inrichting van de RTIC?s, staat de politie al met een stevig been in de digitale samenleving. Voor de doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak is het zaak om nu door te pakken op de vraag hoe actief zij wil zijn in het signaleren en acteren op online strafbare feiten. En uiteraard, wat daar organisatorisch voor nodig is.
Het is een vraag die je niet kunt laten liggen. Politie die actief op sociale media is, wordt onherroepelijk geconfronteerd met onwenselijk en/of strafbaar gedrag. Is het niet door eigen waarneming, dan is het wel doordat gebruikers hen hierop wijzen of er vragen over stellen. Een paar voorbeelden: een sel?e van iemand met een vuurwapen; een bericht waarin opgeroepen wordt om die homo van nr. 76 in elkaar te slaan; onrust over een naaktfoto die verspreid wordt; een pestaccount met bewerkte foto?s van docenten als nazi?s; een screenshot van een bewerkte cijferlijst nadat iemand het schoolsysteem gehackt heeft. Je kunt dit niet zomaar negeren zonder dat dit impact heeft op de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer je op straat tijdens de surveillance zonder blikken of blozen langs iemand loopt die een ander op dat moment bedreigt, berooft of op een andere manier lastigvalt.
Maar wat doe je dan wel? Het is noodzakelijk om richtlijnen te hebben die duidelijke houvast geven hoe hiermee om te gaan. Welke signalen hebben prioriteit? Op basis van welke criteria moet een afweging gemaakt worden? Hoe te handelen en wie te betrekken? En daarnaast; welke interventiemogelijkheden heb je online? Voor de politi?le jeugdtaak is een dergelijk beleid van groot belang en dat hangt nauw samen met doelstellingen om mogelijke hypes vroegtijdig te signaleren, jongeren duidelijk te maken dat
er grenzen zijn en (potenti?le) daders te laten zien dat de politie ingrijpt en optreedt.
Ook jeugdgroepen zijn online
Online aanwezig en actief zijn loont ook in de aanpak van problematisch groepsgedrag. Zonder zicht op de ?online hangplek? missen politie en ketenpartners cruciale informatie. Het gedrag van criminele jongeren is in de basis niet anders dan van ?gewone? jongeren: ze zijn online en gebruiken sociale media om met elkaar in contact te zijn, nieuwe contacten te vinden en te onderhouden. Ook bij hen draait het voor een groot deel om jezelf pro?leren, je verbinden aan een groep en daarmee aansluiting blijven houden. Maar natuurlijk is er in motivatie en doel wel een verschil?
Online kun je (nog veel beter dan op straat!) bouwen aan een imago en reputatie. Status verwerven en bevestigen is enorm belangrijk. Dat zul je met name kunnen zien in beeldmateriaal dat online gezet wordt. Foto?s van wapens, illegale waar, geldstapels, dure kleding, drank, kassabonnetjes. Maar ook berichten waarin verwezen wordt naar strafbare feiten en/of het gezag uitgedaagd wordt. Iemand die crimineel gedrag vertoont en onder de radar wil blijven, zal dat online ook doen. Hij zal zich meer dan gemiddeld bewust zijn van het gebrek aan anonimiteit van verschillende platformen en voorzichtiger zijn met wie hij w?t online deelt. Soms echter is reputatie belangrijker voor het individu of de groep dan privacy, dan neemt men bewust het risico (?kosten-batenanalyse?).
Het beeld dat je online van iemand krijgt zonder begrip van de groep en/of straatcultuur, hoeft niet altijd juist en volledig te zijn. Kennis van de straat, aanwezig bij wijkagenten en jongerenwerkers, is noodzakelijk om goed te kunnen duiden. Een sterke informatiepositie bestaat daarom uit online ?n of?ine informatie. Hierdoor ontstaat er een completere basis om te analyseren, te prioriteren en activiteiten te ontwikkelen. Scholen zijn ook een belangrijke partij om mee op te trekken. Zeker als het gaat om de aanpak van online incidenten met mogelijke impact op de openbare orde en veiligheid, zoals vecht?lmpjes en challenges. Informatie uitwisselen en kennis delen betekent samen een voorsprong in kennis ontwikkelen, die nodig is om vooraan de jeugdproblematiek te komen.
Durf te leren van jeugd
De oplossing om te komen tot een doorontwikkeling van de politi?le jeugdtaak ligt in de verbinding met jeugd zelf. Durf van hen te leren. Vraag hen. Wat maken ze online mee? Wat verwachten ze van de politie? Wat niet? Welke idee?n hebben zij om daders aan te pakken? Wat voor advies hebben ze als het gaat om de benodigde krachtige statements om aan te geven waar de grenzen zijn? Je hoeft echt niet alles te weten, maar neem een pro actieve houding aan om te willen weten hoe iets zit. Ook dat draagt bij aan geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de politie.
Andrew Henderson, 31, draagt een blauw t-shirt waarop staat “Blijf kalm en film de politie”in een van zijn honderden?YouTube-video’s. In een andere heeft hij een hoodie aan met “COPWATCH”. “Verschillende organisaties doneren t-shirts en truien” vertelt Henderson. Na een wedstrijd over de vraag “Waarom ik de politie film?” georganiseerd?door CopBlock.org, kreeg hij weer een hele stapel.?Henderson doet al vijf jaar aan ‘ copwatching’, een fenomeen dat groeit na elk (schiet)incident waar opnames van gedeeld worden.
Het aantal apps om de politie te filmen groeit bijna net zo hard als het aantal incidenten. Velen worden door burgers zelf gemaakt, soms zijn het stichtingen en organisaties die opkomen voor bijvoorbeeld mensenrechten. Het bekendste voorbeeld is de ACLU Police Tape app, maar er zijn ook apps als Y-STOP, Hands-Up, Mobile Justice, SideKik en Five-O.
Henderson is lid van een?informele burgerorganisatie COPWATCH, die ooit in 1990 begon in Berkeley, Californi? nadat bewoners genoeg hadden van de?intimidatie van daklozen en jeugd. Vorige maand werd Henderson nationaal nieuws toen hij een hooggeplaatste agent in St. Paul bekritiseerde op Facebook nadat die commentaar op Black Lives Matter aanhangers had. De agent trok aan het kortste eind en kreeg verplicht verlof.
Een anonieme tipgever wees?Henderson op een Facebook-reactie op een verhaal geplaatst over een geplande Black Lives Matter protest. Hier is de volledige tekst van wat luitenant Jeff Rothecker van?St. Paul schreef op Facebook:
Henderson legt uit dat het niet moeilijk was om de identiteit van de agent te bepalen. “Ik zocht wat verder op?Facebook en vond zijn vrouw. Daarna checkte ik hun?huwelijksakte. En daarna was het makkelijk”. Nog even zoeken op Google en Pipl en hij kwam erachter dat?Rothecker de 2e vice-president van de Minnesota Fraternal Order of Police?was, onderdeel van ’s werelds grootste politievakbond.
Zodra hij Rothecker’s identiteit had geverifieerd, belde Henderson de politie om een klacht in te dienen over deze?agent. Rothecker is naast zijn verlof inmiddels ook?teruggetreden uit zijn functie bij de vakbond en bood?zijn verontschuldigingen aan Black Lives Matter aan. De groep wees?zijn excuses af en eiste strafrechtelijke vervolging.
Na de klacht van Henderson werden al snel vergelijkbare Facebook berichten gevonden van de agent in kwestie. Burgemeester Chris Coleman veroordeelde het gedrag Rothecker. “Ik blijf verontwaardigd over dit?online commentaar,” zei hij. “Hoewel een verontschuldiging zeker op zijn plaats is, is het niet voldoende om het vertrouwen te herstellen,” vervolgde hij. “Ik kan helaas niet aangeven welke?disciplinaire maatregelen worden genomen, omdat de wet mij verbied erover te praten totdat de periode om er tegen?in?beroep te gaan voorbij is.”
Als je even een blik werpt op?The Drewks, het YouTube-kanaal van Henderson zie je in video na video dat?de politie van Minnesota zich misdraagt. In de eerste?video legt hij uit waarom hij?copwatcher is geworden: nadat hij getuige was van een heftige?woordenwisseling tussen een andere inwoner en?de politie. “Ik filmde hen en deelde het publiekelijk om de politie ter?verantwoording op te roepen. Ook al omdat de politie anders?niet ter?verantwoording wordt geroepen.”
Het rassenconflict?is al?een lange tijd iets waar Henserson zich over verbaast. “Ik ben opgegroeid in de stad. Ik ben geen blanke jongen uit een?buitenwijk”, verklaart hij. Henderson groeide op in een volkswijk vol allochtonen. “Als kind kon het me niets?schelen, het was gewoon mijn buurt” herinnert hij zich. “Ik had zowel zwarte als Hmong vrienden.” Pas later toen hij verhuisde naar?een overwegend blanke buurt?werden de verschillen hem duidelijk. “Die mensen spraken me anders aan en behandelden me anders,” zegt hij.
Het is niet zoals Henderson de conflicten tussen burgers en de politie opzoekt, verzekerd hij.?Maar als hij het tegenkomt, zal de?camera altijd aangaan. Hij is vrijwel altijd wel aanwezig bij Black Lives Matter protesten, hoewel hij zich niet de organisatie ervan bezighoudt.
De overheid houdt zelf niet bij?hoeveel politieagenten ontslagen of veroordeeld zijn tot gevangenis voor mishandeling van burgers. Uit een onderzoek van de Washington Post blijkt dat in 10 jaar tijd, tussen 2005-2015, slechts 54 ambtenaren zijn veroordeeld, ondanks duizenden fatale politie schietpartijen. In de afgelopen jaren?hebben een aantal?high-profile gevallen van vermeend politiegeweld en moorden geen gevangenisstraf voor agenten opgeleverd.
In?Minnesota zijn er niet veel cop watchers. Volgens Henderson zijnde meeste leden actief in Californi?, New York en New Hampshire. Een stadje nabij New Hampshire zet een extreem voorbeeld met de website Free Keene, bijna een Mekka voor copwatchers.?De groep?cop watchers?houdt wel actief online?contact en organiseert ook meetups.?Vorig jaar woonde Henderson een cop watchers conferentie bij?in New York City. “We hebben veel geleerd over de beste tactieken om de politie te filmen”, zegt Henderson. “Zo moet je altijd eerst je eigen voeten filmen en vervolgens inzoomen op het incident. Op die manier kan een cop watcher altijd bewijzen hoe ver hij van een incident stond”.
Er komen ook?ethische dilemma’s kijken bij copwatching. “Bijvoorbeeld hoe je omgaat?met de mensen die je filmt” vertelt Henderson. Hij maakt zijn aanwezigheid altijd bekend, zegt waarom hij er is, en dat hij er is om te helpen. En soms is het niet ethisch om bericht video online te plaatsen als de persoon die in beeld is minderjarig is of als de politie er was voor medische hulpverlening.
Op de vraag of Andrew?Henderson zou overwegen om een baan bij de St. Paul politie aan te nemen als intern onderzoeker schrikt hij terug en zegt heel duidelijk NEE. “Ik denk dat het makkelijker is om dit werk te doen vanuit de?buitenwereld. Politie-afdelingen die zichzelf onderzoeken vinden zich vrijwel nooit ergens schuldig aan. En langs de buitenkant gaat het ook veel sneller en eenvoudiger.”
In de tussentijd blijft Henderson zijn best doen: filmen wat hij ziet en dit delen met de wereld.
Peaceful Streets Project
Een andere bekende activist tegen politiegeweld is Antonio Buehler die als 34 jarige veteraan de politie filmde terwijl die een vrouw mishandelden. Buehler werd zelf ook gearresteerd en richtte daarna de?Peaceful Streets Project op. Sindsdien is hij tientallen malen gearresteerd voor het filmen van de politie en hij strijd nog steeds tegen politiegeweld en misbruik van macht. Hieronder zijn verhaal:
Een man uit North Cowichan heeft zijn gestolen crossmotor teruggevonden met behulp van zijn drone. De Canadees stuurde zijn 3D Robotics Solo drone de lucht in, uitgerust met een GoPro camera. Doordat hij de zoekradius had weten te beperken met behulp van beelden van zijn beveiligingscamera?s, wist hij zijn motor uiteindelijk in een bos te vinden.
De software-ontwikkelaar Ryand Sandness naar deze moderne technologie toen hij er ontdekte dat zijn paarse Honda CR250 uit 1995 was gestolen. Sandness was een paar dagen weg geweest en ontdekte pas enkele dagen na de diefstal dat zijn motor was verdwenen.
Klunzige dief
Op beelden van beveiligingscamera?s op zijn eigen terrein is te zien hoe een onbekende man om 4:17 ?s nachts het slot van zijn motor doorknipt. In eerste instantie wilde hij een ATV stelen, maar dat kreeg hij niet voor elkaar. Ook lukte het de dief niet om de crossmotor te starten, dus ging hij weg met de motor aan de hand. Na 15 minuten kwam hij echter weer terug en probeerde nogmaals de ATV te stelen, wederom tevergeefs.
Op goed geluk
Aan de hand van de beelden constateerde Ryan Sandness dat de dief binnen 15 minuten niet ver had kunnen komen, zeker niet met een motor van 200 kilo aan de hand. Hij wist zeker dat zijn crossmotor nog in de buurt moest zijn. Op goed geluk besloot hij zijn 3D Robotics drone de lucht in te laten en ging op zoek naar iets paars. In eerste instantie had hij geen geluk, maar tijdens een tweede vlucht kon hij opgelucht ademhalen. In een stuk bos zag hij zijn motor?duidelijk liggen. Na onderzoek door de politie nam Sandness zijn motor mee naar huis en kocht voor de zekerheid een steviger slot.
Na de?vermeende kindermishandelingen van Westminster en de schandalen van de?cover-ups?in het Verenigd Koninkrijk waar nog steeds verhalen over naar buiten komen, besloot?hackersgroep Anonymous om de strijd aan te gaan met internationale pedofielnetwerken. Ook zij willen?bewijs verzamelen en zijn een burgeropsporingsinitiatief gestart onder de?naam?’Operation Death Eaters‘ (naar Voldemort’s netwerk van kwade?volgelingen uit?de Harry Potter-reeks)?om daders voor de rechter te krijgen. Via social media roept de groep om opsporingshulp om deze netwerken te ontmaskeren.
Deze plannen komen kort?nadat Anonymous eerder al de oorlog verklaarde tegen Jihadisme waarin ze antwoord wilden geven op de aanslagen in Parijs en Brussel. In dit nieuwe initiatief?willen ze een database aanleggen van pedofielen om deze ‘ internationale cult’ van kindermisbruik en mensenhandel voorgoed te ontmaskeren. Er is veel controverse rondom het?onderwerp, want tegengeluiden zijn er ook, ?zoals in onderstaand filmpje duidelijk wordt:
Op Tumblr heeft Anonymous?alvast de campagne ingezet in allerlei landen:
?
Op de Britse versie van de Anonymous website staat: “Het?CSA onderzoek in het Verenigd Koninkrijk is een poging van deze machtige sekte om elk incident als ge?soleerde incidenten van “seksueel misbruik” te doen overkomen. ?De medeplichtige Britse media is bezig met een enorme propagandacampagne om marteling en moord te vervangen door?”pedofilie” en vraagt meer begrip voor het fenomeen?”pedofilie”. Dit betreft geen?trieste groep pedofielen die hulp en begrip nodig hebben. Dit is een cultgroep van?dood en verderf met een van de meest?krachtige wereldwijde mensenhandel netwerken”.
Het?Westminster pedofielen-netwerk is een van de vele zaken waar?Operation DeathEaters in zal duiken, omdat het volgens hen anders door de Britse elite onder de mat wordt geveegd. Ze?hopen informatie publiekelijk te kunnen delen?(voordat het verdonkeremaand wordt) zodat er een onafhankelijk onderzoek kan plaatsvinden waarin ook getuigenverklaringen kunnen komen en hulp voor slachtoffers wordt geboden waar nodig.
Uit cijfers van de EU Global Alliance tegen seksueel misbruik van kinderen online blijkt dat elk jaar opnieuw?50.000 nieuwe beelden van kindermisbruik online komen te staan (vooral ook op het?Dark Web), waarvan meer dan 70 procent beelden kinderen te zien zijn met een?leeftijd van onder de 10 jaar.
Heather Marsh, auteur van?Binding Chaos (zie hieronder), die samenwerkt met Anonymous zegt erover: ‘Ons doel is om onafhankelijk, internationaal onderzoek te doen voor slachtoffers en de medeplichtigen te ontmaskeren die de normale rechtsgang belemmeren en zorgen voor cover-ups in pedofilie en kinderhandel’.
De leden van Anonymous, beter bekend als?’Anons’, staan bekend als moderne digitale Robin Hoods die cyberterroristen maar ook bedrijven en overheden aanpakken waar en wanneer zij dat nodig achten. In 2008 pakten zij met?protesten en digitale acties de Scientology kerk aan in ‘ Project Chanology’ vanuit hun moederbasis 4Chan?na een uitgelekte video van Tom Cruise. ?Daarna kozen ze doelwitten zoals de overheden van de VS, Isra?l, Tunesi? en Uganda maar ook organisaties als de Westboro Baptist Church, Paypal, Mastercard, Visa en Sony. In 2013 verklaarden ze?de oorlog tegen diverse chatsites waar pedofielen foto’s verhandelden. ?En vorig jaar traden ze op tegen de Ku Klux Klan die het incident in?Ferguson aangrepen om hun punt te maken. Toch zijn er ook tientallen arrestaties geweest onder leden van Anonymous. Er zitten zgn white hat hackers bij, maar ook grey hat hackers die de randen opzoeken van de huidige wetgeving en ethiek.
Ook al heeft de man achter ‘Anxiety War‘ zich?aan het publiek?kenbaar?gemaakt in zijn YouTube video’s, het is duidelijk dat hij de?aandacht niet op zichzelf wil vestigen.
Zijn motivatie is wat onduidelijk, maar zijn behoefte om pedofielen te ontmaskeren laat niets aan de verbeelding over.
“Hij weet heel goed dat hij foute dingen doet, maar toch wil hij de ontmoeting aangaan. Dus gaan we dat doen, “zegt hij in een van de filmpjes.
Hij legt graag zijn werk als?undercover burgerrechercheur uit, als?hij toelicht dat hij met een online?tiener account de pedofielen uit de tent lokt en eindigt met een?verfilmde?confrontatie.
“Deze volgende pedofiel?heeft een pistool. Het is een 9mm Smith en Weston. En ik heb er een foto van gemaakt. Ik wordt hier niet door?ge?ntimideerd, “zegt hij in een van zijn video’s.
Zijn YouTube-video’s gaan niet alleen viral, maar ze leidden tot nu toe ook tot de arrestatie van zeven mannen.
Hij chat?soms weken of zelfs maanden met vreemden. En uiteindelijk komt het wel tot een afspraak. Tot hun verbazing komen deze vreemden dan oog in oog te staan met deze man.?Hoewel de meeste?mannen het eerst niet zien worden ze opgenomen. Die video’s worden later op het?YouTube-kanaal van “Anxiety War” gezet, een kanaal dat aan populariteit wint.
“Ik zal eerlijk zijn. Ik ben op zoek naar iemand zoals jij om mij een plezier te doen … Ik zoek seks. Ik kan je er wat compensatie?$ voor?bieden” schreef een man zoals te zien is in een van de video’s.?Een andere man schreef:?”Geen parfum ajb! En een rokje zonder slipje zou hot zijn.”?”Deze man schreef dat hij altijd al een?maagd heeft willen hebben en dat hij veel seksuele fantasie?n heeft die nog realiteit moeten geworden” vertelt de man achter de camera van een van de video’s die voorlopig niet van plan is te stoppen met zijn opsporingswerk.