Tagarchief: criminaliteit

Predictive policing: lessen voor de toekomst

ppHoorn

?It?s not how many people you catch, it?s how many crimes you prevent.?

Van alle politiestrategie?n mag predictive policing zich misschien wel het meest verheugen in de belangstelling van burgers en professionals. Grofweg tekent die belangstelling zich op twee manieren af. Aan de ene kant zijn daar degenen die vooral veel heil zien in deze nieuwe strategie voor het functioneren van de politie. Zij verwachten (of hopen) dat de politie dankzij predictive policing effectiever en effici?nter criminaliteit zal weten te bestrijden. Met name door te voorkomen dat criminaliteit gepleegd wordt, daarbij niet zelden verwijzend naar de film Minority report uit 2002. Een film waarin een speciale eenheid van de politie, Pre-Crime genaamd, met behulp van helderzienden toekomstige misdadigers arresteert. Het zal de lezer niet verbazen dat deze hoopvolle verwachting binnen de politie op veel bijval kan rekenen.

Aan de andere kant van het spectrum staan mensen die vooral bezorgd zijn over predictive policing. Zij zien deze ontwikkeling als een bedreiging voor de privacy, waarbij afwijkend gedrag maatgevend is, en niet strafbaar gedrag. In combinatie met verruimde bevoegd- heden voor opsporings- en veiligheidsdiensten en allerlei andere technologische ontwikkelingen tekent voor hen het beeld van big brother zich steeds meer af, waarbij iedere burger als een potenti?le verdachte gevolgd wordt door een gedachtepolitie. Voor de burger- rechtenorganisatie Bits of Freedom voldoende reden de politie de Big Brother Award 2015 uit te reiken.

Weliswaar sterk verschillend naar de wijze waarop dit zich uit, tonen beide groepen hiermee hun geloof in de werking van predictive policing. Beide kanten nemen aan dat predictive policing werkt, waarna de aandacht uitgaat naar hoe die uitwerking te beschouwen. Dit verraadt een sterke nadruk op het eerste woord ? predictive ? van deze nieuwe politie- strategie. En vermoedelijk is dit ook de reden voor de grote belangstelling. Al sinds mensenheugenis spreekt voorspellen immers sterk tot de verbeelding. Maar met een voorspelling van criminaliteit alleen zijn we er nog niet.?Sterker, het gaat juist om wat er vervolgens mee gedaan wordt. In onderstaand?rapport benadrukken de auteurs dan ook predictive policing als een nieuw intelligence-initiatief, waarbij het vooral gaat om veranderende werkprocessen. Ze?ontwikkelden hiervoor een procesmodel en onderwierpen vervolgens alle stappen, van data naar resultaat, aan een nader onderzoek. Hoe goed een voorspelling immers ook mag zijn, het resultaat staat of valt met wat er vervolgens mee gedaan wordt.

pp2

Lees of download hier het rapport:

[slideshare id=73217737&doc=predictivepolicing-lessenvoordetoekomst-170316163022&type=d]

Bronnen: Politieacademie

Buurtwacht nuttig, maar jammer dat het noodzakelijk is

leger

Prima dat er buurtwachten zijn, maar jammer dat het nodig is, zo luidt de conclusie van de deelnemers aan de Stelling van de Dag. ?Dan wordt de boel tenminste in de gaten gehouden?, stelt een respondent, ?want politie zie je niet?.

Het aantal vrijwillige buurtpreventieteams is de afgelopen jaren fors toegenomen. Bijna 40 procent vindt dat geen positieve ontwikkeling. ?Dat er buurtwachten nodig zijn is van de zotte. Dat geeft precies aan hoe ver wij in Nederland zijn afgezakt met politie, aanpak en rechtspraak?, reageert iemand verbolgen.

Mensen voelen zich door de overheid en daardoor ook de politie, niet gehoord en in de steek gelaten, redeneren veel respondenten. Logisch dat steeds meer mensen zich aanmelden als buurtwacht. Een van hen merkt op: ?Probleem is dat de politie niets kan, niets mag en geen gezag meer uitstraalt. Er gebeurt pas iets als de buurt de problemen in het nieuws brengt.?

Zie Maassluis, waar bewoners het afgelopen weekend het heft in eigen hand dreigden te nemen omdat zij vonden dat gemeente en politie niet adequaat ingrepen bij overlastgevende jongeren. Ruim 90 procent kan zich de frustratie van die bewoners heel goed voorstellen. ?De overheid faalt en mensen zien geen andere mogelijkheid.?

De overgrote meerderheid is van mening dat burgerwachten zeker van nut kunnen zijn. Ze hebben een preventieve werking, zorgen voor saamhorigheid in de wijk en kunnen een gevoel van veiligheid cre?ren, worden als voordelen genoemd.

Maar voor sommigen kleven er ook wel wat nadelen aan, zoals het risico op eigen rechter spelen, een tekort aan kennis van wet en regelgeving en beperkte kunde over hoe het best te reageren op bepaalde situaties.

De ervaringen met buurtpreventieteams zijn niet altijd positief. Een respondent vertelt: ?Hier lopen buurtwachten in de wijk, de afvalbakken staan de hele week op straat maar er wordt niets van gezegd. Het zijn gewoon kletsclubjes, die niets aan de veiligheid in de wijk toevoegen, integendeel zelfs.? Een ander: ?Mijn persoonlijke ervaring is dat buurtwachten zichzelf enorm belangrijk vinden en zich willen bewijzen.?

Een buurtwacht kan ook stigmatisering in de hand werken, meent een op de vijf. ?Het grote nadeel is dat zij zelf bepalen wie of wat gevaarlijk of verdacht is. En zeer vaak vindt dit plaats onder hun eigen oordeel, een vooroordeel. Mijn man is al vier keer aangehouden in onze buurt omdat hij de vuilniszakken wegbracht.?

De meeste respondenten vinden het dan ook van groot belang dat de preventieteams samenwerken met politie en gemeenten. ?Stel eisen aan de deelnemers van deze teams; stel een landelijk beleid op (kaders, bevoegdheden en taken); zorg voor een centraal meldpunt.?

Tegenwoordig kunnen buren elkaar ook via een digitale buurtwacht op Whatsapp attenderen op overlastgevend gedrag of verdachte situaties. Niet iedereen ziet daar het voordeel van in. ?Iedereen is verdacht en bij elk geluid wordt een appje gestuurd. Hoe maak je de hele buurt bang voor niets?.

Twee derde is echter van mening dat zo?n app de buurt veiliger maakt. Een gebruiker stelt: ?Sinds wij zelf een whatsapp buurtpreventie hebben, wordt er een stuk minder ingebroken?.

Burgerwacht: zegen of vloek?

De overheid is maar wat blij met de duizenden burgers die via buurtpreventie een oogje in het zeil houden. Maar het gevaar is dat bezorgde buurtwachten voor eigen rechter spelen, zoals afgelopen weekend dreigde in Maassluis. Wat mag je wel verwachten van de burgerwacht?

Boos over de overlast van vernielzuchtige jongeren togen buurtwachten en bewoners in Maassluis zaterdagavond de straat op, waar het tot een handgemeen kwam met een van de jongeren. Burgemeester Haan vond de situatie zo dreigend, dat hij een noodbevel uitvaardigde.

Gemeenten moedigen buurtpreventie aan om criminaliteit in de buurt te signaleren. Burgers geven daar massaal gehoor aan: er bestaan ruim vijfduizend WhatsAppgroepen die veiligheid in de buurt moeten vergroten. Maar wat wordt er eigenlijk verwacht van de onbetaalde vrijwilligers van buurtpreventieteams?

Boze burgers

Juridisch gezien ligt het simpel, legt Jan Brouwer, hoogleraar Algemene Rechtswetenschap uit. ?Burgerwachten mogen niks meer dan jij en ik. Als je iemand op heterdaad betrapt bij het plegen van een strafbaar feit, mag je die staande houden tot de politie er is. Als het nodig is, mag je iemand zelfs vastbinden.?

Toch liggen de mogelijkheden van de burgerwacht in de praktijk ingewikkelder. Bij asociaal gedrag is het voor politieagenten vaak al moeilijk om met normloze hangjongeren om te gaan. Voor boze burgers, die zich in de steek gelaten voelen door de gemeente en politie, is dat niet eenvoudiger.

Voor hetzelfde probleem gebruiken burgerwachten ook heel verschillende oplossingen. Zo verbieden gemeente en politie de mensen van de ?nachtpreventie? in het Haagse Laakkwartier met hangjongeren te praten. ?Als ze overlast veroorzaken, melden we dat meteen aan de wijkagenten?, zegt aanvoerder Jan Zuiderhoek van deze buurtwacht.

In Capelle aan den IJssel maakt Alex Weekhout van buurtpreventieteam De Diepen juist steevast een praatje met de jeugd. ?Als je aardig tegen ze doet, zijn ze ook flex tegen jou?, is de ervaring die hij opdeed in het half jaar dat de buurtwacht nu actief is. ?Maar gaan ze te ver, dan is er van ons ook meteen een waarschuwing?, vervolgt hij. ?Nog ??n keer en dan sturen we de handhavers van de gemeente op je af.? In Capelle moet de buurtwacht nog getraind worden door de gemeente. Wel is er al een zes pagina?s tellend document met regels, waaruit blijkt wat absoluut verboden is. ?Iemand staande houden mag wel, iemand meesleuren niet?, noemt hij als voorbeeld.

Zaterdagnacht had zijn team waakzame burgers voor het eerst ?beet?. Een vermoedelijke inbreker gooide een ruit in, lieten buren weten via de app. Via de portofoons, aangestuurd door Weekhouts vrouw die aan haar keukentafel een provisorische ?meldkamer? beheert, wordt iedereen op straat gewaarschuwd. ?We hebben ons opgesplitst en zijn gaan zoeken. Het was uiteindelijk een hele achtervolging, waarbij de inbreker in de sloot sprong. Toen kon hij niet meer weg, en kwam de politie om hem op te halen.?

Zo spannend werd het tijdens de buurtwacht in Laak nooit, zegt Zuiderwijk. ?En ik doe het al sinds het begin in 2003. Wat we vaak tegenkomen, is dat bedrijven niet goed afsluiten. Of mensen die vergeten zijn de auto op slot te doen.? In zo?n geval laten ze de wijkagent het kenteken natrekken. Woont iemand in de straat dan belt burgerwacht Zuiderwijk even aan. ?Laatst bracht ik nog een motorhelm terug die iemand inderhaast had laten liggen. Je kan je voorstellen hoe blij hij was.?

Zowel in Capelle als in Den Haag worden de vrijwilligers vooraf gescreend. De gemeente en de wijkagent kijken of de deelnemers geen crimineel verleden hebben.

Verschillende gemeenten controleren de burgerwachten via vooraf opgelegde spelregels. Gelokt met subsidie voor bijvoorbeeld kleding, portofoons en zaklampen ondertekenen de buurtwachten een convenant, waarin is vastgelegd wat de burgerwachten wel en niet mogen.

?Het is vooral belangrijk dat het contact met de politie goed is geregeld?, zegt een woordvoerder van de Haagse burgemeester Van Aartsen. Een wijkagent heeft bijvoorbeeld geen zin om de hele dag allerlei berichten uit WhatsApp-groepen in zijn gebied te ontvangen. Belangrijke tips worden daarom via de telefoon aan de politie doorgegeven.

Iedereen mag een buurtwacht oprichten. Ook zonder visie op veiligheidsproblemen. Vasco Lub, socioloog aan de Erasmus Universiteit en onderzoeker naar buurtpreventie, pleit voor meer duidelijkheid over wat buurtwachten precies mogen. ?Zij zijn de ogen en oren van de politie bij verdachte situaties. Maar wat onveilig of verdacht is, is voor iedereen weer anders.?

Gerrit van de Kamp, voorzitter van de politievakbond ACP, waarschuwt al langer voor de burgerwacht. ?Ik vind het wel logisch dat burgers boos zijn. Te vaak wil, kan of durft de gemeente haar bevoegdheden niet in te zetten. Dan blijft de irritatie toenemen.?

Hoe vaak buurtpreventie uit de hand loopt, is niet duidelijk. ?Maar schimmige groepjes zijn er wel degelijk. Ze hebben het gevoel dat ze problemen beter zelf kunnen oplossen, voelen zich in de steek gelaten door politie en gemeente?, zegt Eric Bervoets, die onderzoek deed naar problemen in Ede. ?Zij moeten echt aangesproken worden om niet als The A-team door de buurt te rijden.?

Toch handelen burgerwachten over het algemeen niet gewelddadig, volgens onderzoeker Vasco Lub. ?De problematiek bij buurtpreventie zit over het algemeen meer in passieve agressie: een controlecultuur is de wens voor een veilige wijk.?

Voor Zuiderwijk en Weekhout staat vast dat het hebben van een buurtwacht preventief werkt tegen criminaliteit.

Weekhout: ?Sinds wij zes dagen in de week rondlopen, is er nog maar ??n keer ingebroken. En dat was in een steegje dat pikdonker was omdat een lantaarnpaal het niet deed. Hadden wij al weken eerder aan de gemeente doorgegeven, maar die deed niks met de melding.?

Maar het leger op straat, is dat het waard?

buurtwacht-pekela

‘Een buurtwacht voelt veilig’

Martin Romijn en Rachid Aityahya Leden buurtwacht Maassluis
“Sinds de onrust heeft de buurt twee buurtwachten”, zegt Martin Romijn. Hij loopt al drie jaar als vrijwilliger mee. De Marokkaanse vaders lopen sinds drie dagen. Als reactie op de ‘raddraaiers’, zegt Rachid Aityahya. “Ik heb zelf vijf kinderen en voel me verantwoordelijk voor deze wijk.” “Jongens van 12 tot 16 veroorzaken ellende”, zegt Romijn. “Gewoon pubers dus. Maar naar mij luisteren de Marokkaanse jongens niet.” “En naar mij de Nederlandse niet”, zegt Aityahya. Samen lopen ze nu rondes door de wijk om ellende te voorkomen. “Ik ben begonnen wegens de inbraken. Nu spreek ik ook jongeren aan. Wijkbewoners reageren positief, een buurtwacht voelt veilig.”
‘Zo lang het nodig is, gaan we door’

Paul R?bbecke Initiatiefnemer burgerwacht Oude Pekela
Sinds twee weken surveilleert een burgerwacht in Oude Pekela. In het dorp is onrust ontstaan door incidenten met asielzoekers. “Mensen uit Oost-Europa zorgen voor overlast”, zegt initiatiefnemer Paul R?bbecke. “Ze drinken bier in het park, plegen winkeldiefstallen en roepen naar dames. We zijn met twaalf tot vijftien man. Zodra we iets signaleren schakelen we de politie in.” De burgerwacht is spontaan opgericht ‘door bezorgde vaders en boze Pekelders omdat de politie weinig doet’. Volgens R?bbecke voelen dorpelingen zich nu veiliger. “Zolang het rumoerig blijft, gaan we hiermee door”, zegt hij. De burgerwacht is inmiddels in gesprek met de gemeente Pekela.

Bronnen: De Telegraaf (1, 2), ?Trouw, NRC

 

 

Meer blauw op digitale straathoek

blauwe hart
,,Sociale media zijn onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden.??

Een reden dat er minder jeugdoverlast op straat is? Kan er mee te maken hebben dat ze tegenwoordig vooral digitaal een beetje rondhangen. Daar moet je als politie dan op inspelen, vindt Rick de Haan. Voor zijn inspanningen om meer blauw op de digitale hangplekken te krijgen, ontving hij onlangs het Blauwe Hart van de eenheid Noord-Holland.

Door [email protected] – 21-1-2016, 21:25?


Het is nog maar ruim een aantal jaren geleden dat de eerste agent van de Nederlandse politie begon te twitteren. Hij inspireerde daarmee Rick de Haan, destijds werkzaam bij de politie in Beverwijk waar hij onder meer de Bazaar en jeugd onder zijn hoede had. ,,Voor ons was Twitter ook in opkomst als middel om met het publiek in contact te komen. En dan niet alleen als zendmiddel – dus om een boodschap over te brengen – maar echt als interactief communicatiemiddel. Met drie wijkagenten zijn we ermee begonnen en toen ging het balletje snel rollen.??

Aanwezig

Rick de Haan kreeg vanuit de eenheidsleiding de taak om vooral wijkagenten en sinds dit jaar ook andere collega?s in de basisteams te trainen in de nieuwe media zoals Twitter en Facebook om daarmee nieuwe informatiebronnen in hun werk aan te boren. Rick de Haan: ,,Via de sociale media is het bijvoorbeeld mogelijk evenementen en publiek te monitoren zonder dat je er zelf fysiek aanwezig bent. Dat kan bij geplande evenementen zoals Bevrijdingspop maar ook bij spontane demonstraties. Sociale media zijn daarbij onmisbare informatiebronnen omdat zich daar vaak de eerste getuigen melden die een rol kunnen spelen in opsporing. We willen meer blauw op straat maar een deel van de straat is gedigitaliseerd. Wij moeten waakzaam en dienstbaar op de plek waar ons publiek is. Als politie kunnen we dus niet om sociale media heen en daarom zijn mensen als ik aangesteld om te kijken hoe we samenhang in het gebruik ervan kunnen bereiken. We weten dat het gebruik van Facebook in alle lagen gebeurt, Instagram richt zich meer op jongeren en op Twitter zie je het vele zakelijk gebruik zoals door journalisten en bestuurders. Soms moet je alle drie gebruiken, soms moet je kiezen en je moet weten wat de do?s en don’ts zijn van elk medium.??

Tandarts

Sociale media kennen hun valkuilen voor nieuwe gebruikers, zoals de Amsterdamse wijkagent die na een belediging en bedreiging twitterde: ?De wijkagent beledigen, zeg het dan recht in mijn gezicht als je een goede tandarts hebt?. Rick de Haan: ,,De gouden regel is: Wat je op straat niet doet moet je ook online niet doen. Bij twijfel even overleggen, maar negentig procent wordt zonder problemen en controle gepubliceerd.??

Sociale media worden ook gebruikt om ongenuanceerd gal te spuwen en azijn te pissen maar de Facebooksites van de politie worden daar nog redelijk van gevrijwaard. Rick de Haan: ,,De reacties zijn genuanceerder dan op krantensites of GeenStijl. Kritiek leveren op de politie mag, als het maar niet beledigend wordt. Daar reageren we op, in principe via een priv?bericht. Soms hoeven we ook niet te reageren. We wachten meestal even en dan wordt er vaak voor ons stelling genomen door andere gebruikers. Er is een zelfreinigend vermogen dat discussies vaak in ons voordeel oplost.??

Het gebruik van sociale media gaat lijnrecht in tegen de hi?rarchische structuur die de politie-organisatie van oudsher kent. Facebook, Instagram en Twitter ontstaan door netwerken waarvan de deelnemers op gelijke hoogte staan. Rick de Haan: ,,Dan merk je dat vooral de wijkagenten, die al met hun foto in het wijkblaadje staan, voor sociale media open staan. Sommige lagen van de organisatie, zoals bij rechercheafdelingen die zich met ondermijningsonderzoeken bezighouden, zijn veel terughoudender. Dat is begrijpelijk maar voor hun spelen de sociale media een andere rol. Elk mens laat online zijn digitale voetafdruk achter, ook criminelen.??

Webcare

Net als bij andere grote dienstverleners en bedrijven zou de politie ook over moeten gaan tot zogenaamde webcare. Rick de Haan: ,,65 Procent van de wijkagenten twittert maar zijn niet zeven dagen in de week en 24 uur per dag in dienst. Dan moet je bellen als je een melding wil doen, maar dan gaat tijd verloren. Mijn voorstel is dat naast de telefonische ook de online bereikbaarheid bij de politie 24/7 gegarandeerd is. Via sociale media bereiken ons persoonlijkere berichten dan via 0900-8844. Daar vinden andere gesprekken plaats. Verder zie ik wel iets in een digitaal vragenuurtje van de wijkagent en het informeren van het publiek via video?s op Facebook.??

Binnen

Op dit moment beschikt de politie al over Realtime Intelligence Centers (RTIC?s) bij de meldkamers. Bij meldingen, bijvoorbeeld van een straatroof, wordt binnen het opgegeven gebied online gerechercheerd op informatie die op sociale media wordt gezet. Rick de Haan: ,,Dan heb je de eerste verklaringen vaak al binnen.??

Bron: Haarlems Dagblad

Theorie op data toepassen: voorspellen van overlast

overlastbierfles

Fitting the Theory to the Data: het Voorspellen van Overlast, een bijdrage van: Selmar Smit, Bob van der Vecht en Layla Lebesque, data wetenschappers bij TNO.?

Theorie en praktijk lijken vaak ver uit elkaar te liggen. Toonaangevende theorie?n zijn vaak beschrijvend, generiek en kwalitatief, waar de praktijk vraagt om specifieke, kwantitatieve uitspraken. Een voorbeeld hiervan vinden we in de sociale wetenschappen. Gedragstheorie?n als de rational choice, planned behaviour en environmental criminology leveren algemene beschrijvingen over welke aspecten mogelijk het gedrag van een individu be?nvloeden. In praktijk blijkt dat dergelijke theorie?n wel handvatten bieden, maar moeilijk gebruikt kunnen worden om gedrag van een individu, of zelfs een groep in kaart te brengen en te voorspellen. En juist dat laatste is in praktijk meestal het interessants. Jongerenwerkers zouden graag willen weten wie er de grootste kans loopt om op het slechte spoor te geraken. De gemeente en politie zouden graag willen weten wat zij kunnen doen om slecht gedrag te ontmoedigen. En menig bedrijf zou een grote pot geld over hebben om de adoptie van hun product te kunnen voorspellen. Dergelijke voorspellingen worden nu vooral gedaan op basis van datamining , statistiek en onderbuik gevoel en negeren op die manier de grote schat aan kennis die aanwezig is vanuit de sociale wetenschappen. Met de opkomst van krachtige computers, kan dit gat tussen praktijk en theorie mogelijk gedicht worden. Onder de noemer ?fitting the theory to the data? beschrijven we in dit artikel een specifiek voorbeeld waarin gedragstheorie?n uit de environmental criminology worden omgevormd tot een voorspellend model van overlast? voor de regio Haaglanden.

Praktijk: ?het Voorspellen van Overlast

Over criminaliteit en overlast bestaan zeer veel theorie?n (Lochner, 2004) maar niet elke theorie is even geschikt om omgevormd te worden tot een voorspellend model. Soms is het dat de theorie er niet geschikt voor is, maar het is ook mogelijk dat de empirische data niet voorhanden is, of dat het voorspellend model zelf niet van nut is. Zo gaan veel voorspellende modellen alleen uit van de sociale en economische factoren in een wijk. Maar omdat dergelijke factoren? voor beleidsmakers niet makkelijk te be?nvloeden zijn, ?bieden ze weinig handvatten voor de ontwikkeling van beleidsinterventies. Wat ze wel kunnen doen is bepalen of ergens een buurthuis moet worden gebouwd, een uitgaansdistrict moet worden verplaatst of een park moet worden aangelegd. Dit zijn relevante beslissingen, want het effect van een dergelijke ingreep is zeer afhankelijk van de omgeving. Wat in de ene buurt tot overlast leidt, hoeft niet noodzakelijk hetzelfde effect te hebben in een andere buurt. Zo zijn er nauwelijks meldingen van problemen bij het caf? ?De Uylenburg? aan de rand van Delft, terwijl 2.5 kilometer verderop bij de caf?s in het centrum er een hotspot ligt van overlast. Het ligt dus, logischerwijs, niet enkel aan het type gebouwen dat er staat, maar ook aan de omgeving waarin ze staan. Het bepalen van het effect van gebouwen op de hoeveelheid overlast in een buurt is dus meer dan enkel een simpele optelsom van de individuele effecten.

Theorie: ?Precipitators en Attractors

Op het gebied van omgevingsfactoren zijn er twee theorie?n die verklaringen aandragen waarom op de ene locatie wel, en op de andere locatie geen overlast plaatst vindt. De eerste komt van Brantingam & Brantingam (Brantingham & Brantingham, 1995) waarin zogenaamde crime attractors worden ge?ntroduceerd. Attractors zijn plaatsen die potentiele overlastveroorzakers aantrekken, maar niet noodzakelijk zelf overlast veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is een bankje in het park. Hoewel deze op zichzelf geen overlast veroorzaakt, kan het wel overlastveroorzakers aantrekken. Wortley (Wortley, 2008) beschrijft juist een verklaring voor de hoeveelheid criminaliteit in een gebied. Hij introduceert crime precipitators; omgevingsfactoren die aanmoedigend werken op personen om overlast te veroorzaken. Een caf? en discotheek zijn logische voorbeelden van een precipitator.

Van Theorie naar Model

De theorie?n van Brantingham & Brantingham en Wortley kunnen relatief eenvoudig worden omgezet naar een (wiskundig) model. Elk object in de omgeving is van een bepaald type, en van elk type wordt met behulp van vier verschillende parameters gedefinieerd wat de invloed is op de totale hoeveelheid overlast. De eerste twee parameters (a en b) bepalen de hoogte en uitstoot-afstand voor het precipitator gedeelte. De laatste twee (c en d) bepalen de mate van aantrekking en de het bereik van de attractors.

Met de behulp van de formules uit Figuur 1, is daarmee zowel de totaal aangetrokken hoeveelheid overlast te berekenen voor een bepaald object (Aj), als de hoeveelheid overlast die uiteindelijk terecht komt op een specifieke x,y locatie (Rxy). Hierbij gebruiken we de (journey to crime) distance decay function uit (Wilson, 1970) om de afstand tussen twee punten (D) om te zetten naar uitstoot.

formula1? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ?formula2

pic1 pic2

Figuur 1. Het Precipitator & Attractor Model. De discotheek heeft een hoogte (rood) en een uitstootbereik (cirkel) van overlast. Dit wordt aangetrokken (blauw) door de parken afhankelijk van hun afstand tot de discotheek. Voor elke locatie (X) kan de overlast (geel) worden berekend op basis de afstand tot de parken.

??Fitting the theory to the data?

Hoewel het model nu een goede representatie is van de theorie?n van Brantingham & Brantingham en Wortley, is het nog niet direct bruikbaar als voorspellend model. Daartoe gaan we het model kalibreren met empirische data van omgevingsobjecten en overlastcijfers uit de regio Haaglanden. De dataset van objecten halen we uit OpenStreetMap en bestaat uit 128 verschillende objecttypes. Daarom moeten de bijbehorende 512 parameters nog gedefinieerd worden om tot voorspellingen te kunnen komen; voor elke objecttype 4 parameters. Dit is wat wij ?fitting the theory to the data? noemen; het kalibreren van een kwantitatief model (gebaseerd op bestaande theorie?n) met parameterwaarden die passen bij de gegevens van een bepaald gebied. Gezien de complexiteit van het model, hebben we hierbij gekozen om gebruik te maken van de machine-learning techniek backpropagation. Backpropagation is een vorm van supervised learning, die in staat is om voor een (set van) geparameteriseerde formules de waardes af te leiden die zo goed mogelijk passen bij een database van trainingsgegevens (Mehryar Mohri, 2012). Met? trainingsgegevens bedoelen we hier een combinatie van input en gewenste output, zoals de (x,y) co?rdinaten van een bepaald punt en de bijbehorende gemeten hoeveelheid overlast rond dezelfde locatie.

Het algoritme start met het willekeurig initialiseren van alle a, b, c, en d waarden voor alle objecttypen. Gegeven de set met trainingsgegevens en alle objectlocaties, kan nu voor elke (x,y) co?rdinaat berekend worden wat dit (geheel willekeurige) model voor voorspelling doet qua hoeveelheid overlast (Rxy) en in hoeverre deze afwijkt van de gemeten waarde, de zogenaamde fout.

Voor elk van de co?rdinaten is tevens te bepalen wat hun afstand (Dxyj) is tot elk van de attractors en wat daarvan de attractionwaarde was (Aj). Hierdoor is het voor elke co?rdinaat en elk objecttype in de trainingsset mogelijk om te bepalen welke kant dj op zou moeten bewegen (hoger of lager) om de fout voor deze co?rdinaat te verkleinen. Een andere mogelijkheid om de fout te verkleinen is door juist de waarden van Aj aan te passen. Logischerwijs kan dat enkel door ai, bi of ci aan te passen. Wederom kun je voor elk van deze waarden vaststellen welke kant deze op zouden moeten bewegen om de fout van Rxy voor deze co?rdinaat te verkleinen. Als we daarna al deze richtingen optellen voor alle co?rdinaten in de trainingsset, hebben we voor elk van de 512 parameters een indicatie naar welke kant deze aangepast zou moeten worden om de totale fout te verkleinen.

De volgende stap in het algoritme is om al die 512 waarden een heel klein beetje aan te passen in de berekende richting. Nu er dus 512 nieuwe waarden zijn, die waarschijnlijk beter zijn dan de oorspronkelijke 512 kan hetzelfde proces herhaald worden. Opnieuw worden alle fouten berekend, opnieuw de richtingen bepaald, en opnieuw de waarden aangepast, totdat verdere verbetering niet mogelijk is. Een te grote aanpassing van de parameters leidt tot ?heen en weer schieten? (REF), een te kleine aanpassing zorgt voor langzame convergentie, en kan leiden tot het blijven hangen in een lokaal optimum.

Als de parameterwaarden niet meer veranderen, is het algoritme klaar, en is het model zo goed mogelijk gefit op de bestaande gegevens.

Resultaten

Interessante vraag is nu: ?Hoe goed representeert een dergelijk model de werkelijkheid?? of om de vraag anders te formuleren: ?Hoe goed is de theorie op de data gefit??.? Hierbij is het van belang te realiseren dat een model met een grote hoeveelheid vrijheidsgraden altijd bijna perfect gefit kan worden op een set gegevens. Het is dus van belang om niet te kijken naar de fit tussen trainingsdata en de bijbehorende voorspellingen (Figuur 2) maar naar de voorspellingen voor een gebied dat niet is meegenomen in de trainingsdata. Specifiek voor dit doel is de stad Delft buiten de trainingsdata gehouden.

fig3

Figuur 2: De daadwerkelijke overlast in de trainingsdata (links) en de voorspelde waarde (rechts). Een bijna perfecte fit (een correlatie van 0.92).

Als we de voorspellingen en daadwerkelijke cijfers van Delft naast elkaar leggen (Figuur 3) blijkt dat de verhoudingen tussen de delen van de stad Delft redelijk goed zijn geschat (een correlatie van 0.79), maar de ordergrootte verkeerd is.

fig4

Figuur 3: De daadwerkelijke overlast in Delft (links) en de voorspelde overlast (rechts)

Dit kan veroorzaakt worden door een veel hogere concentratie van objecten in de stad Delft dan in de regio Haaglanden, of zelfs in Den Haag zelf. Logischerwijs zorgt dit direct ook voor hogere voorspellingen, aangezien zowel de afstanden als de hoeveelheid objecten heel anders is, dan in de trainingsset. Dit is mogelijk een gevolg van de crowdsourcing aanpak van OpenStreetMaps, welke de bron was van de objecten database, waarbij de detaillering van een gebied afhangt van de gebruikers en daarom niet uniform is.

Conclusies

Gezien de resultaten kunnen we concluderen dat de ?fitting the theory to the data?-aanpak succesvol is geweest. Het was niet alleen mogelijk om de bestaande theorie?n uit de environmental criminology om te vormen tot een kwantitatief voorspelmodel op basis van data uit de regio Haaglanden, maar deze lijkt ook goed te generaliseren naar een ander gebied als Delft.? Om het daadwerkelijk in praktijk te kunnen inzetten, zou het model nog verder verrijkt moeten worden met additionele informatiebronnen. Maar zelfs in de huidige vorm biedt het al handvatten aan de ?praktijk?, zoals beleidsmakers. Naast deze praktische toepassing, is het tevens niet ondenkbaar dat deze aanpak ook gebruikt kan worden door ?theoretici? om bestaande theorie?n aan te scherpen of uit te breiden door te kijken in hoeverre de data past op de theorie.

 

  • Brantingham, P., & Brantingham, P. (1995). Criminality of place. European Journal on Criminal Policy and Research, 5-26.
  • Lochner, L. (2004). Education, Work, and Crime: A Human Capital Approach. International Economic Review, 45(3), 811?843.
  • Mehryar Mohri, A. R. (2012). Foundations of Machine Learning. The MIT Press.
  • Wilson, A. G. (1970). Entropy in Urban and Regional Planning. Buckinghamshire: Leonard Hill Books.
  • Wortley, R. (2008). Situational Crime Precipitators. In R. Wortley, Environmental Criminology and Crime Analysis (pp. 48-69). Willan Publishing.

 

SELMAR SMIT is aan de Vrije Universiteit gepromoveerd op het onderwerp machine learning, en sindsdien werkzaam als data scientist bij TNO.

BOB VAN DER VECHT studeerde kunstmatige intelligentie aan de Rijksuniversiteit Groningen en is hierin in 2009 gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht. Hij werkt sindsdien als onderzoeker bij TNO op het gebied van operations research.

LAYLA LEBESQUE heeft Econometrics and Operations Research gestudeerd aan de Universiteit Maastricht en is werkzaam bij TNO als technisch consultant op het gebied van data modeling & operations research.

Save the Date: 10 februari seminar burgeropsporing in P!T Museum Almere

Save the date

Op 10 februari 2015 organiseert Reed Business Education samen met TNO een exclusieve seminar over online burgeropsporing. In deze afwisselende en inspirerende middag komen verschillende onderwerpen aan de orde, zoals dilemma?s in de burgeropsporing en het gebruik van sociale media binnen de?politie.?De onderwerpen komen vanuit meerdere invalshoeken; het OM, de politie, burgeropsporing en de rol van de media.

Diederik Greive van het Openbaar Ministerie?zal optreden als dagvoorzitter op deze middag en tot de sprekers behoren Maurice de Hond,?recherchebaas Henk Bril van de Nationale Politie en Johan Bac van het Openbaar Ministerie. Daarnaast is er een rol weggelegd voor diverse burgerinitiatieven, wetenschappers, maar ook andere overheidsinstanties zoals de rijksoverheid en gemeenten.

Het seminar vindt plaats in de PIT expo, een nieuw museum ontstaan uit een fusie van het Nederlands Politiemuseum en het Nationaal Brandweermuseum. Een museum vol innovaties voor veiligheid, maar ook de politie en brandweer van vroeger zijn er te vinden. Op deze inspirerende plek, goed passend bij het onderwerp, ontvangen wij u heel graag op 10 februari aanstaande.

Aanvang: 13.00
Einde:?+?18.00u
Locatie: PIT Almere
Adres: Schipperplein 4, Almere

U bent van harte welkom. De bijeenkomst is gratis. Meer informatie volgt later op deze pagina.
Wilt u zich alvast aanmelden? Ga dan naar bit.ly/demodernesherlock

Let op: het aantal plaatsen is beperkt, dus meld u snel aan!

Maurice de Hond geeft hieronder in het kader van de NFI themadagen digitale opsporing alvast een paar lessen mee die hij leerde uit de Deventer moordzaak:

Opstelten geeft startsein Veiligheidsdag Almere

Het PIT museum is een plek voor dialoog en ontmoeting voor professionals en het brede publiek over actuele en maatschappelijk relevante thema?s rond veiligheid. Het adres is?Schipperplein 4
Almere en er is voldoende parkeergelegenheid. Klik hier voor een Google Maps route of bekijk het hieronder:

Met het openbaar vervoer

Vanaf station Almere Centrum neem je bus 1 of 3 richting Almere Haven, bij de tweede halte (Bottelaarspassage) uitstappen. Busbaan oversteken en de Zoetelaarspassage inlopen. Na ongeveer vijf minuten rechtdoor lopen ga je aan het einde linksaf en loop je de trap naast de MediaMarkt af naar het Schipperplein. Sla direct rechtsaf en loop langs de gevel direct naar de ingang van PIT.
Vanaf station Almere Centrum is het ongeveer vijftien minuten lopen naar het Schipperplein. Door de Stationsstraat, Stadhuisplein, Stadhuisstraat, Grote Markt, Korte Promenade, Bottelaarspassage, busbaan oversteken en de Zoetelaarspassage uitlopen. Aan het einde rechtsaf en vervolgens loop je de trap naast de MediaMarkt af naar het Schipperplein. Sla direct rechtsaf en loop langs de gevel direct naar de ingang van PIT.

Met de auto

Vanaf de A6
Neem afrit 5: Almere-Stad Centrum. Onderaan de afrit ga je linksaf de Veluwedreef op richting Flevoziekenhuis.Let op: 50km! Zie verder bij *

Vanaf de A27
Neem de afrit Almere-Stad. Linksaf de Waterlandse weg richting Almere. Steeds rechtdoor (Waterlandse weg gaat over in Veluwedreef). Zie verder bij *

* Rijd de Veluwedreef af tot het kruispunt met de Cinemadreef/Parkwijklaan. Ga hier linksaf richting centrum. Bij de tweede verkeerslichten linksaf de Landdrostdreef op. Steek de busbaan over en ga bij de rotonde rechtsaf de Hospitaalweg op. Je passeert het Flevoziekenhuis aan je linkerhand en ga bij de rotonde rechtdoor onder de overkapping door. Neem de volgende rotonde, in de vorm van een krakeling, driekwart (twee keer de busbaan over) en ga dan rechtdoor. Je rijdt op de Schippergarage (Flevostraat) af waar je de auto kunt parkeren. Volg al lopend in de parkeergarage het zebrapad naar de linkeruitgang. Je loopt nu direct tegen de gevel van PIT aan. Volg deze gevel naar de ingang van PIT.

Parkeren

Betaald parkeren kan in de Flevogarage (Blekerstraat) of de Schippergarage (Flevostraat). Volg in deze garages de bewegwijzering naar PIT. De Schippergarage is direct naast PIT. Ga in de garage rechts naar achteren. De ingang van PIT is op hetzelfde niveau als de parkeergarage.

45001409reg

Van de straathoek naar Facebook

straathoek
Zoals wellicht bekend, staan social media vol met foto?s van dikke stapels geld, dure Gucci-schoenen en Cartier horloges, maken veel jongeren selfies met schotwonden en vereren ze er hun ?voorbeelden?, zoals Willem Holleeder.

Jongeren die voorheen op straat rondhingen, meten zich online ?een criminele identiteit? aan ? ze doen ?alles voor respect?. En wie respect wil, of stoer wil overkomen, moet daarvoor eerst bewijs aanleveren: een foto, een posting, een tweet. Van den Broek bestudeerde een jaar lang berichten en foto?s die straatjongeren, grotendeels uit de Rotterdamse wijk Spangen, op social media zetten.

‘Straatcultuur speelt zich steeds meer af op social media in plaats van op straat.’ Dat zegt criminoloog Jeroen van den Broek tegenover Govrien Oldenburger van Sevendays. Met zijn scriptie over het social mediagedrag van criminele jongeren won hij de Rotterdamse Scriptieprijs 2014. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’? Inmiddels wordt het begrip straatcultuur niet alleen maar toegepast in onderzoek naar (ongewenst) gedrag van jongeren op straat, maar ook op scholen en op social media.

Onderstaande?definitie van de Jong over?straatcultuur lijkt daarmee vandaag de dag wat achterhaald:
?Alle gedeelde ervaringen, kennis, betekenissen en symbolen die relevant zijn in het dagelijkse doen en laten van straatjongens die samen hun vrije tijd doorbrengen in de openbare ruimte van hun
(achterstands)buurt.? (de Jong, 2007: 149).
‘Ik wilde graag de link leggen tussen straatcultuur en social media’, vertelt Van den Broek, die liever social media dan sociale media gebruikt, definieert het als volgt”het geheel aan user generated content dat wordt gecre?erd en gedeeld via digitale platformen die dienen voor het overdragen van informatie”.?Hij begon zijn onderzoek met een YouTube-filmpje van een crimineel jeugdnetwerk dat iemand hem liet zien. ‘Daarna ben ik die jongens ??n voor ??n gaan onderzoeken.’ Daarbij maakte hij uitsluitend gebruikt van openbare netwerken, zoals YouTube, Instagram, Twitter en Keek (waar je filmpjes op kunt zetten). Wat bleek? Online was h??l veel over ze te vinden. ‘Die jongens houden een soort performance om status te krijgen. Ze zetten een beeld van zichzelf neer dat zo straat mogelijk is.’ Daarbij is stapels geld showen heel belangrijk, volgens Van den Broek. Net als het vertonen van criminele activiteiten. ‘Ze poseren met geld, wapens of zakken drugs. En scheppen erover op dat ze iemand beroofd hebben.’ De meesten waren begin twintig, schat hij. ‘Maar er zaten er ook een paar van vijftien en zestien tussen.’
Status
Is het niet een beetje dom om openlijk op te scheppen over je criminele gedrag? ‘Misschien wel, maar ze vinden het respect dat ze op die manier verkrijgen belangrijker. Ik denk dat het een kosten batenafweging is.’ Van den Broek kwam het in ieder geval bijzonder goed uit, voor zijn onderzoek. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zoveel informatie over deze groep zou kunnen verzamelen.’ Aanvankelijk probeerde hij zelfs contact met ze te leggen. ‘Ik wilde van h?n horen waarom ze zich zo uiten in het openbaar.’ Dat wilden ze helaas niet. ‘Geeft niet’, oordeelde Van den Broek. ‘Het maakte mijn onderzoek alleen maar sterker. Zo kon ik aantonen hoeveel informatie je al kunt vinden over zo?n netwerk zonder ze ooit gesproken te hebben.’ Hun gegevens anonimiseerde hij. Nooit overwoog hij de politie in te schakelen. ‘Als onderzoeker moet je onafhankelijk zijn.’ Nu hij is afgestudeerd, werkt hij voor de gemeente en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daar legt hij uit hoe je social media kunt gebruiken om informatie te krijgen over een jeugdcultuur. Op 1 september moet hij nog even terug naar zijn oude universiteit, de Erasmus Universiteit. Dan krijgt hij zijn oorkonde en 1500 euro uitgereikt. Wat gaat hij met het geld doen? ‘Een mooie auto kopen’, grinnikt hij. ‘Dat is goed voor m?jn status.’
Niet verrassend concludeert hij dat social media ?een dankbaar platform? vormen voor jongeren die zich een crimineel imago willen aanmeten. In een straatcultuur waar het draait om geld en ?laten zien hoeveel je hebt?, zijn deze media bij uitstek geschikt om te pronken ? jongeren posten zelfs foto?s van een bonnetje van twee flessen bacardi ? 150 euro. En een brief van de politie waarin je wordt gevraagd om dna af te staan, bewijst dat je ?een vrij ernstig delict? hebt gepleegd en ?dat is statusverhogend?.
Volgens Van den Broek is er door social media veel veranderd. Jongeren ontmoeten elkaar minder dan voorheen, hun hang naar respect is het allerbelangrijkst. Dat de politie meekijkt op social media, interesseert ze niet. Als ze iets illegaals posten en niet worden gepakt, levert dat extra respect op. Bovendien gebruiken ze straattaal en allerlei verbasteringen, ?voor buitenstaanders onbegrijpelijk?. Volgens Van den Broek heeft zijn onderzoek vooral aangetoond dat het voor de criminologie ?van groot belang is zich op een serieuze manier bezig te (gaan) houden met social media?.

Virtuele etnografie
Van den Broek gebuikte als onderzoeksmethode?virtuele etnografie,?een term die werd ge?ntroduceerd door Christine Hine in 2000 en doelt op?etnografisch onderzoek op het internet. Hij beschrijft het als volgt:

“Doordat veel van onze sociale interactie zich steeds meer richting het digitale domein begeeft, wordt het voor sociale wetenschappers steeds belangrijker om ook deze online gedragingen van mensen in ogenschouw te nemen. Kozinets (2010) definieert in zijn boek virtuele etnografie (door hem omgedoopt tot netnografie) als een gespecialiseerde vorm van etnografie die rekening houdt met de mogelijkheden die digitale communicatie ons biedt binnen onze huidige sociale netwerken. Virtuele etnografie is dus vooral zinvol in onderzoek naar gemeenschappen waarbinnen digitale communicatie een belangrijke rol speelt (Hine, 2000). Volgens Kozinets zijn er een aantal significante verschillen tussen ?normale? etnografie en de virtuele tegenhanger die het bestaansrecht van een zelfstandige methode rechtvaardigen. Ten eerste verschilt het verkrijgen van toegang tot een groep op internet wezenlijk van real life-toegang. Zowel ?participeren? als ?observeren? (etnografie wordt ook wel aangeduid als ?participerende observatie?) betekenen binnen het digitale domein iets wezenlijk anders dan in real life-etnografie. Ten tweede biedt virtuele etnografie zowel enkele nieuwe uitdagingen als nieuwe mogelijkheden ten opzichte van de klassieke vorm. Het gebruik van bijvoorbeeld aantekeningen verandert wezenlijk, omdat men alle tijd en ruimte heeft om precies te noteren wat men tegenkomt. Binnen de virtuele etnografie zijn kladblok en potlood daarom overbodig geworden. Mede door deze ontwikkeling verandert ook de hoeveelheid data die men verkrijgt uit beide vormen enorm. Ten slotte verschilt ook de manier waarop data geanalyseerd dient te worden, vanwege het feit dat bij virtuele etnografie de data al in digitale vorm verkregen wordt. Als derde benoemt Kozinets het verschil met betrekking tot ethische principes op het gebied van veldwerk. Bestaande ethische principes zijn heel duidelijk gebaseerd op de klassieke
vormen van veldwerk en lenen zich niet goed voor toepassing op virtuele etnografie. Dit komt het duidelijkst naar voren op het gebied van informed consent.

Binnen de virtuele etnografie bestaan verschillende onderzoeksmethoden, zoals bijvoorbeeld een sociaalnetwerkanalyse tracht men bepaalde structuren en patronen van relaties tussen bepaalde mensen binnen een netwerk te analyseren (Kozinets, 2010).”